• Een documentaire roman

    Een documentaire roman

    Guido Snel, docent Europese literatuur aan de Universiteit van Amsterdam, typeert zijn nieuwe boek, getiteld Reger, als documentaire roman. Hij baseert zijn verhaal op documenten uit het archief van Reger, op interviews en kan uit de eerste hand over hem vertellen omdat ze bevriend zijn geweest.

    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een snel veranderend Zuid-Afrika (waar Reger geboren is), in Gstaad, op Bergland, op Alonissos en in Amsterdam, waar Reger aan het hoofd heeft gestaan van het spirituele centrum Kosmos. Hij verwijst met naam en toenaam naar sommige mensen, zoals fenomenologisch psycholoog Jan Hendrik van den Berg of Ramses Shaffy. Soms mystificeert Snel wat: zo heeft hij het over een ‘belachelijke Nederlandse schrijver … die zich enkel om aandacht te trekken in het American Hotel liet opbellen.’  Hij vertelt niet wat de pointe is van deze anekdote: wanneer Mulisch opgebeld werd, werd er luidkeels omgeroepen: ‘Telefoon voor de heer Mulisch.’  Waarna hij – aangestaard door de overige gasten – naar de telefoon kon lopen.

    Bronnen van kennis

    Reger is psycholoog en baseert zijn gedachtegoed onder meer op dat van Steiners antroposofie, de Griekse mythen, Veda’s en de I Tjing. Hij is zijn hele leven gefascineerd door Egypte. Hij reist naar de tempel van Seti in Abydos waar de beroemde koningslijst op de westelijke wand van de gang in de tempel afgebeeld staat. Reger is echter meer geïnteresseerd in de meestal over het hoofd geziene lijst op de oostelijke wand, de godenlijst. Reger zou nog eens een baanbrekend boek over Egypte schrijven, maar dat is nooit verschenen

    Het verhaal doet denken aan de schelmenroman. Reger is biseksueel en heeft vele minnaars en minnaressen, hij rookt, drinkt en gebruikt hallucinerende middelen bij de vleet. Veel mannen hebben begeerlijke benen en één van zijn minnaars beschikt ook over ‘een knappe gat en immer stijve lat’. Reger fladdert van de een naar de ander en reist als een moderne Jan Cremer de wereld rond. Er zijn ook dieptepunten, zoals de periode bij Kosmos, die in een fiasco eindigt.

    Stilistische variatie

    De roman is strak gecomponeerd en kent een grote variatie in stijl. Sommige hoofdstukken springen eruit: het zesde hoofdstuk (‘De kosmonauten van Amsterdam’) bestaat uit de weerslag van een groot aantal interviews met medewerkers van Kosmos. De ene geïnterviewde levert daarbij commentaar op wat een andere geïnterviewde zojuist beweerd heeft. Het zevende hoofdstuk, ‘Het boek Jona’, handelt over de belangrijkste figuur in het leven van Reger. Het is één alinea van 27 pagina’s die de lezers wel even naar adem laat happen.

    Het belevenissen van Reger worden met vaardige pen verteld. Voor lezers die ooit in Kosmos zijn geweest, is het leuk dat een gedeelte van het verhaal zich daar afspeelt. Bij een hybride genre is het echter onduidelijk wat werkelijk heeft plaatsgevonden en wat Snel gefabuleerd heeft. Er is echter één minpuntje: waarom zou je een boek kopen dat Reger getiteld is? Het is een gemiste kans dat de titel van het zesde hoofdstuk niet als titel op het omslag staat.

     

     

  • Verhalen van Oegandese kindsoldaten

    Verhalen van Oegandese kindsoldaten

    Eén van de vertellers in de roman Wij, aanmaakhout is Miriam. Ze ontmoet in een Oegandees opvangcentrum vrouwen die ooit zijn ontvoerd door het Lord’s Resistance Army (LRA) van Joseph Kony (tegen hem loopt al sinds 2005 een arrestatiebevel), en weer een normaal leven proberen op te bouwen. Eén van die vrouwen is Maggie die haar vertelt dat er bezoek is geweest van een Canadese academica: ‘De vrouw was niet geïnteresseerd in de meest plastische getuigenissen, maar ze wilde weten wat er was gebeurd, waar en wanneer. Wie deed wat? Wie nam beslissingen? Hoe waren de structuren van het Verzetsleger van de Heer? Hoe functioneerde het? Maggie pijnigde haar hersenen om zich haar eigen verhaal te herinneren. De vrouwen vroegen elkaar wat ze zich herinnerden en bespraken onderling de impact die die gebeurtenissen en die tijd nog steeds op hun leven had’.

    Na het vertrek van de academica bleven de vrouwen hun verhalen vertellen en vastleggen. De naam van de academica wordt in de roman niet genoemd, maar uit het dankwoord van de schrijfster, Otoniya J. Okot Bitek, blijkt dat het gaat om de Canadese onderzoekster Erin Baines. Zij is hoofddocent aan de Universiteit van British Columbia en gespecialiseerd in gedwongen ontheemding en gewapende conflicten. Ze is tevens medeoprichtster van het Justice and Reconciliation Project (JRP) in Gulu in het noorden van Oeganda. Okot Bitek, geboren in Kenia maar in Oeganda opgegroeid, ontmoette Baines in 2005 tijdens de zogenaamde GuluWalk. Die was georganiseerd door Amnesty International om aandacht te vragen voor de Oegandezen die slachtoffer waren van de op dat moment al negentien jaar durende oorlog tussen de regering en de LRA.

    Overleveringen

    Okot Bitek is dichteres. Met Wij, aanmaakhout schreef ze haar eerste roman. Die is gebaseerd op de vele verhalen (‘ododo’) van uit het LRA gevluchte vrouwelijke kindsoldaten zoals de al genoemde Miriam en Maggie. Ze heeft al die geschiedenissen op een indrukwekkende en poëtische manier vormgegeven om daarmee recht te doen aan wat ododo voor het Acholivolk, waartoe de meeste vrouwen behoren, óók zijn: lessen voor de toekomst in hun verteltraditie die aansluit bij vaak al generaties lang vertelde verhalen. Okot Bitek laat die overleveringen daarom voorafgaan aan haar eigen weergave van wat de vrouwen vertelden over hun ontvoering door de LRA, die hen had gekidnapt op scholen of in hun dorpen. Die overleveringen gaan bijvoorbeeld over een aap die de Katvis die hem op wil eten te slim af is, iets soortgelijks over de Rattenvanger van Kitgum en over een verslindende Reus die achter een haas aan zit.

    De schrijfster gebruikt niet de namen van de meisjes die gedwongen werden als kindsoldaat te vechten. Bovendien heeft zij de herinneringen niet één op één naverteld maar het materiaal gebruikt om er haar eigen weefsel van te maken.

    Haanvrouw

    De fictieve vrouwen door wier ogen wordt teruggekeken op hoe de jonge tieners van school of uit hun dorp werden ontvoerd, in het LRA werden misbruikt en wisten te ontsnappen, zijn Miriam, Helen, Maggie, Josephine, Susannah en Lucy. De schrijfster geeft elk van hen haar eigen verteltrant. Maar enkele stijlfiguren van Okot Bitek zelf keren veelvuldig terug. Ze kiest bijvoorbeeld voor opsommingen die het effect hebben dat wat de meisjes overkwam bij de lezer extra binnenkomt: de voortdurende herhaling van vernederingen, aanrandingen en ontberingen. Zo bestaat het hoofdstuk ‘Gemurmel’ louter uit korte zinnen waarin de meisjes voor elkaar een naam bedachten en tegelijk de ware namen probeerden te verhullen.

    Vaak gebruikt de schrijfster zinnen repetitief. Zo beginnen liefst zeven achtereenvolgende teksten over Susannah met dezelfde zin in nauwelijks verschillende variaties: ‘Er was eens een haanvrouw. Ze werd Twon-ne genoemd’. Na de zevende keer heeft de lezer een schrijnend beeld van haar belevenissen, van opvoeding tot en met de terugkeer in haar dorp.

    De buik van de reus

    Want laat duidelijk zijn dat de meisjes – inmiddels begin twintigers – niet altijd met begrip ontvangen werden in hun oorspronkelijke gemeenschap. Veel van hen hadden uit verkrachtingen geboren kinderen bij zich. Zoals Miriam vertelt: ‘Ik houd Helen voor dat ze niet moet leven alsof iedereen weet wat ons is overkomen. En zelfs als ze het denken te weten, weten ze er niets van. Ze weten alleen wat hun verteld is. Ze weten alleen wat ze zich denken voor te kunnen stellen. Ze kunnen onmogelijk weten wat er is gebeurd. Wij zijn het die de buik van de reus [verwijzing naar de legende van de Reus en de Haas] kennen’.

    De titel van de roman, Wij, aanmaakhout, komt uit het relaas van Maggie. Zij vertelt hoe ze van haar oma leerde koken: hoe je brandhout moest sprokkelen: welk hout geschikt was om lang te branden en wat alleen als aanmaakhout was te gebruiken. Dat waren de meisjes in het LRA: aanmaakhout, ‘gebruikt om het vuur op gang te krijgen’.

     

     

  • Trachten te zien wat niet wordt getoond

    Trachten te zien wat niet wordt getoond

    In mei van dit jaar kon je in stedelijke boekhandels tot forten opgestapelde exemplaren zien van Wisselwachter van Geert Mak. Daarin valt te lezen dat het onder druk van toenemend antisemitisme in de VS in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog voor Europese vluchtelingen steeds moeilijker werd dat land binnen te komen: ‘In 1939 was 83 procent van de Amerikanen tegen de verruiming van de immigratiequota voor Joodse vluchtelingen’. Het grotere verhaal over de geschiedenis van de transatlantische emigratie valt te lezen en te bekijken in Ellis Island van Georges Perec en Robert Bober dat ook in mei in heel wat bescheidener oplage in de winkels kwam liggen.

    De toegangspoort tot Amerika verloopt sinds 1924 via Amerikaanse consulaten in het buitenland, maar van 1892 tot 1924 fungeerde een kleine uitstulping van de aarde in de haven van New York als zodanig: Ellis Island. Daar speelden zich vaak mensonwaardige taferelen af.
    Van 1978 tot 1980 maakten Perec en Bober er een documentaire over in twee delen onder de titel Ellis Island. Histoires d’errance et d’espoir (Verhalen over ontheemding en hoop). Beide delen zijn te zien op YouTube. Het boek met dezelfde titel bestaat uit vijf delen. Dat zijn naast de teksten van Perec uit de film en de interviews beschrijvingen van het maakproces en foto’s.

    Joods

    De motieven van Bober en Perec om de geschiedenis van Ellis Island vast te leggen waren verschillend. Bobers Joodse familie had eeuwenlang vervolging en vernietigingskampen overleefd, onder andere door naar Amerika over te steken. Hij wilde die geschiedenis van zijn voorouders vastleggen. Voor Perec lag het anders. Hij was in Frankrijk geboren uit Poolse ouders; zijn vader stierf op het slagveld in 1940 en zijn moeder, haar zus en zijn beide grootvaders werden in 1943 in Auschwitz vermoord. Hij had niet het verleden van Bober en voelde zich nauwelijks Joods. Wat hem overhaalde om mee te werken was de mogelijkheid te achterhalen wat van zijn ouders geworden had kúnnen zijn als zij destijds niet vanuit Polen naar Frankrijk, maar naar de VS waren gevlucht. Bovendien hoopte hij er te vinden wat zijn Joodse afkomst voor hem betekende.

    Ellis Island was nadat de functie als immigratiebureau in 1924 was weggevallen een detentiecentrum geworden voor illegale immigranten en in WO II een gevangenis. In 1954 werd het geheel ontruimd. Nu is het een museum waar gidsen aan toeristen té luchtige verhalen vertellen. Zo troffen Bober en Perec het aan.
    Wat ervoer Perec er? Die vraag was voor hem vooral wat er schuil ging

    onder de gortdroge officiële statistieken
    onder het geruststellende gegons van anekdotes
    (…)
    onder de officiële opstelling van alledaagse voorwerpen die museale voorwerpen zijn geworden.

    ‘Hoe krijgen we vat op wat niet wordt getoond?’, schrijft Perec.
    Wat hij vooral voelt heeft te maken met ontheemding en diaspora die spreekt uit zijn bekende formulering dat Ellis Island voor hem is: ‘de plaats van afwezigheid van plaats, de niet-plaats, het nergens’.

    Gedaante van een alfabet

    In zijn tekst gebruikt Perec – karakteristiek voor hem – veel lijsten en opsommingen. Die werken in hun soberheid en poëtische opbouw sterk en beeldend: lijsten van aantallen immigranten met hun herkomst, van schepen waarmee ze aankwamen, van voorwerpen die zijn achtergebleven en restanten van bebouwing enzovoort. Bijzonder indrukwekkend is de bijna klinische beschrijving die Perec geeft van de selectieprocedure waar (een verwijzing naar de Joodse legende van de Golem) ‘het lot de gedaante van een alfabet’ aannam: de aangekomenen werden in veel te kleine hokken bij elkaar gestopt voor een medisch onderzoek dat resulteerde in wel of niet een letterstempel op de kleding: een c voor tuberculose, een e voor oogziekte, een k voor hernia enzovoort. Wie zo’n stempel kreeg werd apart genomen voor een diepgaander onderzoek. Had je werkelijk een van de ziektes of vormde je een risico dat je ten laste zou komen van de staat, dan werd je op de boot teruggezet. Dat overkwam bijvoorbeeld een betovergrootvader van Bober. Dat soort beslissingen leverden Ellis Island de bijnaam ‘Traneneiland’ op.

    Actueel

    Op Ellis Island passeerden niet alleen Joden die hun veiligheid zochten in Amerika. Rond 1900 waren het ook Grieken, Russen, Turken en Italianen, gedreven door uitbuiting, honger of epidemieën in eigen land. Voor veel van die immigranten was Amerika het land met nieuwe mogelijkheden. Daarom bevat de ondertitel van dit boek naast ‘ontheemding’ ook het woord ‘hoop’. Die werd lang niet altijd vervuld, zo blijkt uit de interviews in film en boek met migranten die tussen 1907 en 1928 de sprong waagden. Ze hadden het in Amerika soms nog slechter dan in het land dat ze verlaten hadden.

    Ellis Island functioneert sinds 1954 niet meer als selectiepoort voor nieuwkomers, maar wat daar gebeurde is niet voorbij. Perec zelf verwijst naar de Vietnamese Boat People – actueel toen Bober en hij hun documentaire maakten. In 1939 was de Amerikaanse houding niet anders zoals Mak vermeldt; de vergaande restricties onder Trump maken Ellis Island nog steeds actueel. En de blikken op de fotoportretten in de fraai uitgevoerde Nederlandse editie zijn die van Gazaanse vluchtelingen nu.

  • Ortolaan bij de Impromptu’s

    Ortolaan bij de Impromptu’s

    In de prachtig verzorgde catalogus bij de expositie Sag mir wo die Blumen sind, die nog tot 9 juni loopt in het Van Gogh- en het Stedelijk Museum in Amsterdam noemt Simon Schama in dertien pagina’s tekst een achttal schrijvers van wie Anselm Kiefer citaten in zijn monumentale werken opneemt. Daaronder is Ingeborg Bachmann. Bij die vermelding laat Schama het.
    In zijn nieuwe bundel verhalen Namiddagen is Ferdinand von Schirach in drie pagina’s explicieter over de verbinding Bachmann-Kiefer. De twee komen volgens hem samen in hun thema’s eenzaamheid, vertwijfeling en dood. ‘Alle kunst ontstaat doordat de kunstenaar onzeker is over de wereld. Die wereld past niet bij hem en hij past er niet in, hij voelt zich een vreemde, hij denkt dat hij er niet thuishoort’.

    Eenzaamheid

    Eenzaamheid lijkt ook een thema van Von Schirach zelf. In het laatste verhaal van Namiddagen schrijft hij dat er (buiten de literatuur) maar twee kunstenaars waren die hem fundamenteel hebben veranderd: Alberto Giacometti en Caspar David Friedrich. Bij de laatste is dat gevoel overweldigend – denk alleen maar aan zijn Der Wanderer über dem Nebelmeer of Der Mönch am Meer. Maar Von Schirach noemt als voorbeeld Vrouw op de wagen van Giacometti: ‘We delen die eenzaamheid, zij is het die ons verbindt’.

    ‘Verhalen beschermen ons tegen de eenzaamheid, de verwondingen en de kilte’, schrijft Von Schirach in het derde stuk in Namiddagen. Hij vangt ze op in hotels, in treinen, cafés en in ontmoetingen met vrienden en kennissen die hij lang niet meer gezien heeft of over wie hij min of meer bij toeval wat hoort. Vaak vallen ze hem in als een herinnering op een stil moment (verwijst de titel Namiddagen daarnaar?), door een opmerking van iemand of door de wetenschap dat iemand ooit in hetzelfde hotel of dezelfde stad verbleef.

    Motorriksja

    Er zijn zesentwintig van die verhalen in de bundel opgenomen. Geen ervan heeft een titel; ze krijgen alleen voluit geschreven nummers. Daardoor stap je er steeds onbevooroordeeld in. Von Schirach begint elk nieuw verhaal uiterst sober. De eerste zin is niet meer dan een korte uitgeklede vermelding van een locatie of situatie, vaak zonder werkwoord. ‘Tweeëntwintig’ begint bijvoorbeeld zo: ‘Oslo. Interviews in een woning van het Goethe-Instituut, uitzicht op een burgerlijk straatje, op cafés en winkeltjes’.
    De vertellingen – vaak weer een verhaal ín een verhaal – maken de lezer onzeker: ze vermelden nogal wat publieke feiten uit het leven van de auteur zelf (hij was strafrechtadvocaat, zat jaren op een internaat, trad over de hele wereld op) waarop de verhalen aansluiten, maar nemen inhoudelijk soms zo’n verassende wending dat ze sterk de indruk van fictie wekken. De ene keer is het een dromerige bespiegeling van slechts een paar zinnen, zoals in de drie korte alinea’s van ‘Zes’: een fietser raakt gewond door een aanrijding voor een café, de gast en ober spraken er twee dagen over; in de Indiase plaats Nashik vallen 26 doden en 32 gewonden bij een botsing tussen een bus en een motorriksja, niet meer dan een berichtje op de laatste pagina van de krant.

    Oog

    In ‘Drieëntwintig’ is de verteller in Parijs voor zijn Franse uitgever en ontmoet daar onverwacht een vroegere kennis, een concertpianiste, die plotseling was gestopt met haar carrière en gewoon spoorloos verdwenen was. Ze vertelt voor het eerst wat haar bewoog om nooit meer te spelen. Het gebeurde op een bijeenkomst van industriëlen en bankiers, waarvoor ze als beroemdheid was uitgenodigd. Het was een patserige avond die ze ronduit weerzinwekkend vond. Tijdens het diner werd op de achtergrond een opname van haar uitvoering van de Impromptu’s van Schubert gedraaid terwijl iedereen zich tegoed deed aan ortolaan. Dezelfde nacht mailde ze haar agentschap ‘dat ik niet meer beschikbaar was’.

    Eén van de beste verhalen is dat over de vrouw die de verteller ontmoet bij de begrafenis van ene Mero, een Algerijn die door een granaatsplinter een oog miste. Ze zijn naast de uitvaartleider de enige aanwezigen. De vrouw, Christiane, blijkt de erfgename te zijn van Mero en de verteller de executeur-testamentair. Hij krijgt haar bizarre geschiedenis met Mero stap voor stap te horen, culminerend in het korte zinnetje aan het slot: ‘Mero verloor zijn oog niet als kind’.

    Misschien zijn niet alle verhalen in Namiddagen even sterk (‘Achttien’ is bijvoorbeeld tamelijk voorspelbaar), maar de meeste blijven nog even nazoemen.

     

  • Oogst week 16 – 2025

    Oogst week 16 – 2025

    De Heuvel

    Rob van der Linden heeft een aantal jaar in Israël op een heuvel gewoond. In de tijd dat hij daar woonde werd er een archeologische vondst gedaan die zijn fantasie bleef prikkelen en hem inspireerde om De Heuvel te schrijven. De heuvel in het boek is vervloekt; iedereen die er vertoeft zal in slaap vallen en na ontwaken niets meer weten van de tijd daarvoor.

    Er komen in dit boek veel uiteenlopende personages voor: de middeleeuwse Friese monnik Liudger die de blinde zanger Bernlef genas, Haroen ar-Rashid, een kalief uit de vroege middeleeuwen, de Nederlandse theoloog en staatsman Abraham Kuyper, de journalist-schrijver en later voorvechter van een gemeenschappelijk Joods/Arabische staat Jacob Israël de Haan. Hoe al deze personages te verbinden? De heuvel uit de titel is de gemeenschappelijke deler, waaromheen Van der Linden de geschiedenissen van deze zo verschillende historische personages aaneen rijgt.

    Rob van der Linden wordt steevast een rasverteller genoemd. Voor zijn debuut De hand, de kaars & de mot uit 2002 ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs. Ook werd hij tweemaal genomineerd voor de Libris prijs.

    De Heuvel
    Auteur: Rob van der Linden
    Uitgeverij: Uitgeverij Magonia

    Nu laat ik los

    Ruim een jaar geleden, in maart 2024, stierf Eelco van Gelderen, op 47-jarige leeftijd. Na jarenlang psychisch lijden, later ook verergerd door fysieke pijn, kreeg hij euthanasie.

    Hij heeft dat lijden en zijn weg naar dat laatste moment vastgelegd in een dagboek dat hij met medewerking van zijn stiefvader geschreven heeft. Met dit dagboek, Nu laat ik los, wilde hij laten zien welke weg een psychiatrische patiënt moet afleggen om een menswaardige dood te kunnen sterven.

    Hij deed dat niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen. Voor mensen in een vergelijkbare situatie, voor hulpverleners en beleidsmakers, zijn omgeving en iedereen die om welke reden dan ook betrokken is bij een dergelijke problematiek. Hij getuigt van zijn weg, maar laat ook zien dat hij zich realiseerde dat hij, zoals hij schrijft, niet alleen uit zijn eigen leven stapte maar ook uit dat van zijn naasten.
    In Nu laat ik los zijn ook reacties en overwegingen van Van Gelderens moeder en stiefvader opgenomen. Zij hebben hem in alles en tot op het laatste moment gesteund.
    Met dit dagboek wil Van Gelderen duidelijk maken hoe binnen de geestelijke gezondheidszorg openheid van belang is in een gesprek over een euthanasiewens, en niet alleen met de patiënt, maar ook met diens naasten.

    Eerder, in 2022, verscheen de documentaire Breinpijn van Eelco van Gelderen en Doetie Bakker. De vervolgdocumentaire Onvoltooid volledig is inmiddels ook verschenen, maar nog niet openbaar. Mail voor meer informatie: onvoltooidvolledig@gmail.com.

    Nu laat ik los is te koop via de boekhandel (ISBN 9789090394039) of te bestellen via eelcoreactie@gmail.com. Het kost € 20,- (plus € 4,25 verzendkosten).

    Nu laat ik los
    Auteur: Eelco van Gelderen m.m.v. Adri Altink

    De schrijfster en de nagtegaal

    Het nieuwste boek uit de serie privé domein, nummer 331, is De schrijfster en de nagtegaal. Het betreft een briefwisseling van 1839 tot 1849 tussen de schrijfster George Sand en Pauline Viardot, één van de grootste en bekendste operazangeressen van de negentiende eeuw. De vertaling is van Rosalien van Witsen.

    Haar grootste successen viert Viardot (1821-1910) in eerste instantie niet in Frankrijk maar in Engeland, Duitsland, Oostenrijk Spanje en Rusland. Sand (1804-1876) werpt zich op als haar adviseur en stimuleert Viardot in haar pogingen om na het buitenland, ook Frankrijk te veroveren. Viardot maakt in 1848 haar debuut in de Opéra te Parijs.

    Sand is in Frankrijk een bekende schrijfster, zeventien jaar ouder dan de operazangeres en zij gedraagt zich daar in haar brieven ook naar. Ze noemt Viardot in de aanhef van haar brieven bijvoorbeeld ‘juffertje Pauline’, ‘koninginnetje’ of ‘Lief, teder bemind dochtertje’, en ondertekent met met je moeder’ of ‘je oude moeder’ en ‘je oudje’.

    In hun brieven gaat het over Chopin, met wie Sand negen jaar samenwoonde, over de concerten die Viardot in het buitenland gaf, de mensen die ze op haar reizen ontmoette en haar indrukken van het buitenland. Op een van haar reizen in Rusland ontmoet Viardot de Russische schrijver Toergenjev, met wie ze daarna een jarenlange, buitenechtelijke relatie onderhoudt.

    De brieven van Sand en Viardot zijn in 1958 voor het eerst gepubliceerd onder de titel Lettres inédites de George Sand et de Pauline Viardot.

     

    De schrijfster en de nagtegaal
    Auteur: George Sand en Pauline Viardot
    Uitgeverij: Uitgeverij de Arbeiderspers (2025)
  • Er is een nieuwe taal nodig

    Er is een nieuwe taal nodig

    Het Hebreeuws kent de letter Waw die geschreven wordt als een simpel stokje dat lijkt op een spijker en uitgesproken wordt als een V. Hij wordt de omkeerhaak genoemd en kan, geplaatst voor een werkwoord, de tijd doen kantelen. ‘Ik heb gesproken’ wordt met de Waw ervoor ‘Ik zal spreken’. Dit bijzondere element van de Hebreeuwse grammatica valt te lezen in het vierde van tien gesprekken in Overleven na 7 oktober van Delphine Horvilleur. Daarin keren het verband tussen verleden en toekomst en de taal steeds terug binnen het grote centrale thema van Jodenhaat, antisemitisme en racisme.

    Horvilleur (1974) is de derde vrouwelijke rabbijn die Frankrijk kreeg. Haar tien gesprekken verschenen vorig jaar naar aanleiding van de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 op het Israëlisch muziekfestival Supernova Sukkoth Gathering. Daaraan is toegevoegd een preek die Horvilleur twee weken voor die aanslag hield en die voor een belangrijk deel ging over het gevaar van rechts-extremisme in Israël.

    Schuldig

    De tien gesprekken zijn fictief maar staan wel in verband met reële historische personen en ervaringen in het leven van de schrijfster: ze voert ze met haar overleden grootouders en haar kinderen, met een overleden Franse chansonnier van wie een bekend lied Joodse wortels heeft, met antiracisten, maar ook met abstracties als de Joodse paranoia en Bijbelse figuren.
    Wat vooral duidelijk wordt is hoe moeilijk je na 7 oktober als Joodse kunt schrijven over door jezelf ondergane haat zonder te worden beticht van blindheid voor het leed aan Palestijnse zijde. De haat keert in de geschiedenis steeds terug; ze was er, is er en zal er zijn: ‘Met bewonderenswaardige doortraptheid weet de Jood tegelijkertijd schuldig te zijn aan twee dingen die elkaar uitsluiten (…) De Jood kan tegelijkertijd een “kapitalistische uitzuiger” zijn en “bolsjewistisch ongedierte” (…) Hij irriteert wanneer hij rondzwerft en zich nergens vestigt, maar hij wekt nog meer haat op wanneer hij zijn soevereiniteit uitroept en een grondgebied opeist’.

    Oorsprong

    Het antisemitisme (en elke haat tegen een groep) heeft diepe psychologische en theologische wortels. In het boeiende achtste gesprek van de bundel verwijst Horvilleur daarvoor naar de verhouding tot de oorsprong. De christenen hebben eeuwenlang verkondigd dat zij het ware Israël waren door zich voor te houden dat het oudere Jodendom onterfd was omdat het Gods vertrouwen had verspeeld. Moslims betogen dat de Bijbel de verminkte versie van de Koran is. Die inzichten in het oorsprongsverhaal voeden de angst bij iemand in het krijt te staan omdat je niet zelf de oorsprong bent. De Joden staan evenzeer bij voorgangers in het krijt, de Egyptenaren, Chaldeeën, Soemeriërs enzovoort. Het Jodendom is door hen beïnvloed, maar het zijn allemaal verdwenen culturen die het niet meer voor zich hoeft te dulden: ‘In dat opzicht hebben christenen en moslims gewoon pech, want die Joden zijn er nog steeds’. Als een onuitroeibaar onkruid.

    Einde der tijden

    De huidige Gaza-oorlog vermoordt behalve onschuldigen en nuances ook de taal. ‘Gematigde stemmen verstommen en radicale brullen uit volle kracht’. Op elke gematigde opvatting volgt een ‘ja, maar’: “Er zijn Joodse vrouwen verkracht, maar…” “Het lot van de kinderen in Gaza is gruwelijk, maar…”
    Elke keer als je probeert simpelweg te gaan staan aan de kant van iemand die lijdt krijg je het verwijt dat je de context negeert. Op dit punt doet Horvilleur sterk denken aan Natascha van Weezel, die in haar Hoe houd je je hart zacht op een heel persoonlijke manier verslag doet van wat ze in haar dagelijkse leven over zich heen krijgt omdat ze als Joodse vrouw vóór de eigen staat Israël is, maar tegen de huidige politiek van dat land ten aanzien van Gaza en de Palestijnen.
    Het lijkt erop dat religies ieder op hun eigen manier het einde der tijden willen bespoedigen, schrijft Horvilleur. Voor de rechtse christenen kan de Messias niet snel genoeg komen, de Joodse ultranationalisten prikken in naam van God de ene nederzetting na de andere op de kaart en de radicale islam wil wereldwijd haar kalifaat vestigen. Er wordt niet meer geluisterd naar elkaar en niet meer gepraat. En ‘bij gebrek aan gesprek is geen enkele redding mogelijk’. In dit verband is een mooie observatie van de auteur dat de woorden ‘Hebreeuws’ en ‘Arabisch’ in het Hebreeuws perfecte anagrammen zijn van elkaar.

    ‘Niet goed’

    Horvilleur heeft veel contact met Arabische schrijvers. Ze is overtuigd aanhanger van de tweestaten-oplossing. Haar Overleven na 7 oktober heeft een mooie vorm die dat laat zien. De gesprekken openen met een gedicht van de Palestijn Mahmoud Darwich en sluiten af met een fragment van de Israëliër Yehuda Amichai. Beide teksten gaan over oog hebben voor elkaar.
    Horvilleur maakt haar bundel rond door in het laatste gesprek terug te keren naar haar eerste. Daarin beschreef ze dat het antwoord op de Jiddische openingsvraag van een gesprek, ‘Hoe gaat het?’, meestal is: ‘Goed’, meteen gevolgd door ‘Niet goed!’. In het tiende gesprek bepleit ze het zoeken naar een nieuwe taal: we moeten leren om ‘Hoe gaat het niet?’ te durven vragen. Dat is de vertaling van de Franse titel van de bundel gesprekken. Die is Comment ça va pas?. De Nederlandse titel van het boek steekt daar wat prozaïsch bij af.

     

     

  • Oogst week 50 – 2024

    Oogst week 50 – 2024

    IJsvogel

    Dit najaar verscheen IJsvogel, het debuut van van beeldend kunstenaar Lotta Blokker (1980).
    De aanleiding om te gaan schrijven was haar fascinatie voor wereldberoemde en vooral impactvolle foto’s, vertelt ze in Een Uur Cultuur van de VPRO. Wat haar bezighield was de vraag waarom maken juist deze foto’s zo’n indruk? Een van die foto’s was ‘Het meisje en de gier’ van fotograaf Kevin Carter die voor zijn foto de Pulitzerprijs won en een paar maanden daarna zelfmoord pleegde. Het hele verhaal was zo aangrijpend voor Blokker dat ze vanuit een obsessieve behoefte een beeld van hem maakte. Tot haar verbazing voelde ze zich daarna toch niet helemaal van hem ‘bevrijd’. Toen is ze gaan schrijven en ontstond Max, een hoofdpersoon uit een van de drie verhalen uit IJsvogel.

    Max is een man die dagelijks vanuit zijn huis een vrouw en haar dochtertje filmt met een videocamera.
    Lieke en Vincent uit een ander verhaal draaien eindeloos om elkaar heen. Hij omdat hij getrouwd is en een trouwe echtgenoot wil zijn. Zij omdat ze weet dat hij getrouwd is, maar ze is ook hopeloos verliefd. En in het laatste verhaal worstelt een vader met de dood van zijn zoon en zijn tekortkomingen als vader.

    Alle verhalen zijn los van elkaar te lezen, maar er zijn wel verbanden.

    Bij de presentatie van IJsvogel zei Kees ’t Hart: ‘Er gaat iets bijzonders van dit werk uit. Het is nieuwsgierig, het is volhardend. Het toont allerlei creatieve en psychologische inzichten. Het is nergens rancuneus; de personages hebben het moeilijk, maar er hangt een geëngageerde meelevendheid in dit boek.’

    IJsvogel
    Auteur: Lotta Blokker
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Die mooie Atlantische wals

    In Die mooie Atlantische wals worden twee verhalen met elkaar verweven. Het ene verhaal speelt in 1957 en gaat over het harde leven op zee van een walvisjager in de Zuid-Atlantische Oceaan. Ook al kiest hij vervolgens bewust voor een leven op de Shetlands, aan de wal met vrouw en kind, hij blijft toch de zee missen.
    Het andere verhaal dat in het heden speelt gaat over een oude man, Jack. Hij woont op Shetland, alleen, in het huis waarin hij is opgegroeid. Hij houdt van muziek, Amerikaanse countrymuziek. Hij luistert ernaar en schrijft het ook. Als er op een dag onverwachts iets bij hem wordt afgeleverd is dat het begin van een grote verandering in zijn regelmatige en eenzame leven.

    Tegelijk met het boek heeft Tallack ook een plaat met countrymuziek uitgebracht. Bij elk hoofdstuk is een songtekst opgenomen. De plaat heet ‘That Beautiful Atlantic Waltz’ en is via streamingdiensten te beluisteren.

    De Schotse Malachy Tallack (1980) is muzikant, schrijver en journalist. Hij publiceerde zowel fictie als non-fictie. Hij was redacteur van het tijdschrift Shetland Life, richtte het online tijdschrift The Island Review op en is hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Gutter.

     

     

    Die mooie Atlantische wals
    Auteur: Malachy Tallack
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    Wij van de Ripetta

    In de nieuwe roman van Tomas Lieske ontmoeten Caravaggio (1571-1610) en Shakespeare (1564-1616) elkaar. Het waren tijdgenoten, maar het is onbekend en wordt als onwaarschijnlijk betiteld dat de twee elkaar echt ontmoet hebben. Maar laat zo’n ontmoeting maar aan Lieske over. Hij laat vaker beroemdheden optreden in zijn romans, die vaak geestig zijn, de verbeelding voeden en een goed (historisch) verhaal vertellen.

    Wij van de Ripetta speelt zich grotendeels af in een kroeg in de Via di Ripetta, gelegen in een wat gure buurt. De bezoekers van de kroeg komen daar om te drinken, anderen te ontmoeten en vooral elkaar op de hoogte te houden van het wel en wee van de buurtbewoners. Naar die verhalen is de vreemdeling op zoek.

    In eerste instantie zit men helemaal niet te wachten op een vreemdeling, maar dit is wel een bijzondere en al snel is iedereen gefascineerd door de man, de muze van Caravaggio Lena en zijn hulp Cecco incluis, tot verdriet van Caravaggio zelf.

    In juni van dit jaar werd bekend dat Tomas Lieske de winnaar is van de Constantijn Huijgensprijs, een prijs die hij op 25 januari 2025 in Theater aan het Spui in Den Haag uitgereikt zal krijgen voor zijn gehele oeuvre dat bestaat uit romans, verhalen, gedichten en essays.

    Wij van de Ripetta
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido
  • Oogst week 39 – 2024

    Oogst week 39 – 2024

    Een van ons

    De zwarte Amerikaanse schrijver Richard Wright (1908 – 1960) is vooral bekend van zijn in 1940 verschenen klassieker Native Son. Native Son, dat in 1989 bij uitgeverij Wereldvenster verscheen als Zoon van Amerika, is nu bij uitgeverij Van Oorschot verschenen als Een van ons.

    Een van ons gaat over de Bigger Thomas, een kansarme zwarte jongen die uitgroeit tot een moordenaar en veroordeeld wordt tot de elektrische stoel. Wright kon zich goed inleven in de achtergrond en omgeving van zijn hoofdpersoon. Hij schreef Een van ons als aanklacht tegen de maatschappelijke omstandigheden van veel zwarte jongeren uit die tijd.

    Wright werd in 1908 in armoede geboren in de Amerikaanse staat Mississippi. Ondanks de erbarmelijke omstandigheden en gebrek aan kansen gedurende zijn jeugd, ontwikkelde hij zich tot schrijver en kon daarvan leven. Hij verhuisde in 1947 naar Parijs, moe van het eeuwige racisme in de Verenigde Staten.

    Een van ons
    Auteur: Richard Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Een zoon van Amerika

    Dit jaar is het 100 jaar geleden dat James Baldwin (1924 – 1987) werd geboren. Niet toevallig dus dat deze zomer niet alleen de roman Giovanni’s kamer, maar ook diens non-fictiedebuut opnieuw is uitgegeven: Een zoon van Amerika (Notes of a Native Son), een essaybundel die in 1955 verscheen.

    De essays beschrijven niet alleen de grote klasseverschillen in de Verenigde Staten in de twintigste eeuw tussen zwart en wit, maar gaan ook in op de discriminatie en problemen van homoseksuelen.

    Baldwin was een bewonderaar van Richard Wright. Hij was in ’48 naar Parijs verhuisd. Daar leerde hij Wright kennen en raakten de beide schrijvers bevriend. Uit bewondering voor Wright refereert Baldwin met de titel Notes of a Native Son aan Wrights boek Native Son. De Nederlandse vertalers van Native Son hielden deze referentie in ’89 aan en vertaalden het boek als Zoon van Amerika. Het is nu bij Van Oorschot verschenen als Een van ons (zie hiervoor).

     

    Een zoon van Amerika
    Auteur: James Baldwin
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus

    De laatste walvis

    En we blijven in Amerika.

    In aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen verschijnen overal tal van duidingen, analyses en vooruitblikken die ons inzicht trachten te geven in het Amerika van nu. Daartussen zit ook De laatste walvis van de Vlaamse journalist en VRT-correspondent in de Verenigde Staten, Björn Soenens.

    De proloog van De laatste walvis begint als volgt: Om het heden te begrijpen en de toekomst aan te kunnen, moeten we het verleden induiken. Om vervolgens aan te geven dat de mensen die daadwerkelijk iets van de Amerikaanse geschiedenis afweten, zich op dit moment ernstige zorgen maken. ‘Het stormt in Amerika.’

    Soenens schrijft in diezelfde proloog: ‘Ik heb tijdens de afgelopen twee presidentstermijnen in de VS de politiek de werkelijkheid zien verdringen. Waarheden en feiten dringen niet door tot de geest van mensen die gevoel boven verstand plaatsen. Vooral Amerikanen hebben nog wel eens de neiging tot zelfbedrog. Ze geloven graag dat ze zijn wie ze graag zouden wíllen zijn. In de spiegel zien ze iets anders en dat steekt. Volksverlakkers teren op de onzekerheid, de woedende gevoelens en de paranoia van hun kiezers. Veel Amerikanen bereiden zich daarom voor op de dag dat geweld en burgeroorlog in hun ogen onvermijdelijk worden. Het land heeft een breekpunt bereikt. Het is lang niet de eerste keer.’

    Voorwaar geen vrolijke kost. Maar wel de moeite van het lezen waard. De laatste walvis werpt een licht op de huidige ontvlambare situatie in Amerika.

     

     

    De laatste walvis
    Auteur: Björn Soenens
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Poëtisch reisverslag van een moeder in wording

    Poëtisch reisverslag van een moeder in wording

    Terwijl Europa zucht onder extreme wateroverlast, besluit de hoofdpersoon van De Stem van Sulina om samen met haar partner Leon de rivier de Donau te volgen met een tot camper omgebouwd busje. De bron in het Zwarte Woud is het startpunt van de reis, die via eindeloze ritten door de Hongaarse laagvlakte, overnachtingen in de Servische bossen en uitgestorven hotels in Roemenië leidt naar de vuurtoren van Sulina, waar de Donau uitmondt in de Zwarte Zee.

    Parallel aan deze reis volgen we de reis van een moeder in wording, waarbij de rivier dient als symbool voor de (zwangere) vrouw; ‘Ze is een bloedsomloop, een gesloten eenheid, een in zichzelf overlopend lichaam. Een vrouw, wild stromend in een waterbekken, met haar slingerende armen en aders vloeiend door Europa.’ De lichamelijke ontwikkelingen, die horen bij de zwangerschap, bevalling en het eerste jaar als moeder worden gedetailleerd en poëtisch beschreven, dit in schril contrast tot de ontmoeting en relatie met Leon, die in een enkele zin via ‘verhuisdozen, energiecontracten, de aanschaf van een draadloze stofzuiger’, leidt tot ‘twee roze streepjes op een plastic staafje.’ Dit contrast tussen het banale en het bijzondere, het geestelijke en het lichamelijke, het mannelijke en het vrouwelijke vormt een terugkerend thema.

    Waar Van Offel in het eerste hoofdstuk vergeten vrouwen als Irma Ohrlein (geologe) en Marija Gimbutas (archeologe), voor het voetlicht brengt is het in het tweede en derde hoofdstuk de schrijfster zelf die gezien wil worden. ‘Zie mij. Zie mij. Zie mij. Ik ben er nog’. Ze heeft een kind op de wereld gezet en is nu vastgeketend aan haar huis, aan de andere oever, waar enkel de harde realiteit van kolven en onthaalmoeders haar in staat stellen haar werk als schrijfster te kunnen voortzetten.

    Feministisch pamflet

    De stem van Sulina leest ook als feministisch pamflet, waarbij de overheersende rol van de man aan de kaak wordt gesteld. De rivier wordt net als de vrouw getemd; ‘Haar wilde stroming wordt in turbines geleid, met kracht in de rechte lijn gedwongen, in spaarbekkens en kanalen.’ Tegelijkertijd verbaast de hoofdpersoon zich over het feit dat de rivier in een Bulgaarse stad wordt afgebeeld als man, ‘(…) op een waterbekken dat omhooggehouden wordt door het gebogen hoofd van vrouwen, waarom we altijd dezelfde beelden maken: zodat we ze onthouden, zodat ze normaal worden?’. Van Offel maakt nieuwe beelden, een nieuw verhaal, waar niet de man, maar de vrouw de ruimte pakt, de centrale plek in de wereld vervult. Ook hier is het contrast groot ten opzichte van de hoofdpersoon zelf, die zich na het baren van haar kind steeds onzichtbaarder voelt.

    De transformatie van de hoofdpersoon van vrouw naar moeder bestaat niet enkel uit het feit dat ze een kind heeft voortgebracht, maar ze is ook iemand anders geworden en door die transformatie lijkt de persoon van voor de transformatie verdwenen. Met dit feministische reisverslag lijkt de schrijfster haar eigen onzichtbaarheid als jonge moeder te willen compenseren. ‘Ik ben er nog, schreeuwt ze ’s nachts – laat haar groeien, geef haar tijd, geef haar ruimte, vier haar, en niet als een maagdelijke Moeder Maria, maar in al haar vlekkerigheid, in haar moedermodder in haar dansende en wobbelige en bloedende lichaam, in de gesprongen aders op haar benen, de verwrongen polsen, de rode strepen en de tijgervlekken op haar buik, haar tepelkloven en de kringen onder haar ogen.’ De tot in detail beschreven lichamelijke veranderingen kunnen de lezer op den duur wat gaan vervelen, maar doordat deze in rap tempo worden afgewisseld met de reisnotities, blijft het verhaal in evenwicht.

    De stem van Sulina is een goed geschreven boek, dat opvalt door het poëtisch taalgebruik, waarbij alledaagse activiteiten door de woordkeuze en zinstructuur worden getransformeerd tot een op zichzelf staande schoonheid, waarbij het is aan te bevelen de zinnen langzaam te lezen, te proeven en te herlezen.

     

     

  • De vrouwelijke correctie

    De vrouwelijke correctie

    Achter de façades van de sprookjesachtige hoofdstad Wenen anno 1900 is niets wat het lijkt, schrijft vertaler Kris Lauwerys in zijn boek Van licht naar duisternis, met als ondertitel Drie vrouwen in Wenen (1900-1938). Die vrouwen zijn modeontwerpster Emilie Fröge, journaliste Milena Jesenská en schrijfster Veza Canetti. Zij hebben gemeen dat hun bekendheid overschaduwd werd door hun veel bekendere, mannelijke geliefden. Volgens Lauwerys heeft de geschiedschrijving ‘na een eeuwenlange focus op mannen ‘een vrouwelijke correctie’ nodig’.

    Van licht naar duisternis bestaat uit drie delen, elk gewijd aan één van de vrouwen. De bekendste van de drie is Milena Jesenskà, met name door haar intense briefwisseling met Franz Kafka. Emilie Fröge was de jarenlange geliefde van schilder Gustav Klimt en Veza Canetti was echtgenote van de latere Nobelprijswinnaar Elias Canetti. Lauwerys wil het clichébeeld rechtzetten dat zij ‘muze’ of ‘vriendin van’ waren. Hij doet dat door de geschiedenis van Wenen vanaf eind negentiende eeuw te beschrijven aan de hand van het leven van de drie vrouwen, ingebed in een ‘razend interessant, turbulent en in toenemende mate sinister tijdperk’. Het verhaal gaat daardoor zeker niet alleen over de vrouwen, maar vooral ook over hun mannen, hun tijdgenoten en de geschiedenis en gebeurtenissen in Wenen en het einde van het Habsburgse rijk. Het personenregister van het boek bevat dan ook veel namen, ruim vierhonderd, van wie één derde vrouwelijk.

    Emilie Flöge

    Het eerste deel Emilie Flöge gaat over de jongste van de drie zussen Flöge. Emilie Flöge (1874-1952) ging na de lagere school naar de Bürgerschule voor meisjes, daarna volgde ze een naaiopleiding. Volgens Lauwerys deden de meisjes iets wat wat ongewoon was: ‘ze streefden ernaar financieel onafhankelijk te worden.’ Emilie werd ‘een bekwaam naaister met een feilloos gevoel voor vorm en kleur’.

    Via vader Hermann Flöge ontstond contact met de broers Gustav (1862-1918) en Ernst Klimt. Na enige tijd vraagt Ernst om de hand van Helene Flöge, zij is zwanger en ‘de familie-eer moet gered’. Ruim een jaar later overlijdt Ernst echter onverwacht en Gustav Klimt en Emilie Flöge worden voogd van het dochtertje.

    Gustav was ‘een charmeur, een verleider, een vriend van de familie’ en hij bracht vakanties met hen door. Emilie ontmoet Gustav regelmatig, zoekt hem op in zijn atelier en er ontstaat een verborgen relatie. Emilie heeft ‘er alles aan gedaan om haar sporen uit te wissen’, maar er zijn ondertussen vierhonderd poststukken en zeven brieven opgedoken die ‘indirect licht werpen op het leven van de jonge Emilie’ en op de relatie met Gustav Klimt. Die speelde zich af tussen 1895 en 1899. ‘Hun relatie zal zich kenmerken door wederzijdse artistieke bevruchting. Zij worden elkaars muze.’ In die tijd zette Emilie ‘haar eerste stappen als modeontwerpster’ en zij zet zich af tegen de conservatieve mode voor vrouwen waarbij ze door het korset werden ingesnoerd.

    Wenen
    In het eerste deel schrijft Lauwerys naast het leven van Emilie, veel over de ontwikkeling van het politieke en culturele leven in Wenen, met de opkomst van het anti-semitisme en vroege nationalisme – mede als gevolg van de massale immigratie. Meer dan de helft van de bewoners is immigrant, afkomstig uit alle hoeken van het Habsburgse rijk en Duitsland. ‘Het nationaliteitenprobleem zal onopgelost blijven tot de Eerste Wereldoorlog en tot die tijd de politiek van Oostenrijk-Hongarije domineren.’ Net als de groeiende aanwezigheid van de uit het Oosten gevluchte Joden, oplopend van 100 duizend tot 175 duizend. Doordat de Joden eeuwenlang ‘landbouwer noch ambachtsman mochten zijn, legden ze zich traditioneel op de handel, het bankwezen, industrie en intellectuele beroepen toe.’  Lauwerys geeft daarvan voorbeelden uit het culturele leven en de financiële en industriële en handelswereld in Wenen en concludeert: ‘Dat alles wekte afgunst en zou het antisemitisme aanwakkeren.’

    Milena Jezenská

    Het tweede deel Milena Jezenská is het kortste, de relatie en de briefwisseling met Franz Kafka duurden ook niet zo lang.  Veel van wat is beschreven in het eerste deel geldt bovendien ook voor de tijd dat hun intensiefste briefwisseling duurde, van december 1919 tot najaar 1920.

    Milena Jesenskà (1896-1944) groeide op in ‘een beschermde, burgerlijke omgeving’ in Praag.  Haar vader was hoogleraar en de familie woonde in het centrum van Praag.   Op haar elfde ging zij naar het eerste meisjesgymnasium in Oostenrijk-Hongarije. Helaas kreeg haar moeder een ongeneeslijke ziekte en twee jaar lang moest zij na schooltijd de zorg voor haar moeder op zich nemen. Na de dood van haar moeder is ze ‘het ankerpunt in haar leven kwijt.’ Milena dwaalt af van het pad dat haar vader voor haar heeft uitgestippeld: zij laat overal in de stad onbetaalde rekeningen achter, ze steelt bloemen uit een park en verdovende middelen uit de apotheek van haar vader. ‘Frustraties, onbegrip en woede, van beide kanten.’ Van haar vader krijgt ze ook te horen wat zich in zijn behandelkamer afspeelt om de verminkte soldaten weer toonbaar te maken. Ze breekt haar intussen begonnen medicijnstudie af, en krijgt een relatie met een tien jaar oudere man. Milena wordt zwanger, haar vader zorgt voor een abortus, ze trouwen en ‘het jonge paar vertrekt in ballingschap naar Wenen.’

    Journalist
    Via haar man maakt ze in het Weense café Herrenhof kennis met literaire vrienden en intellectuele vriendinnen van haar man. Ze wordt echter slechts beschouwd als ‘de vrouw van’. Na veel problemen met haar (huwelijkse) leven, lukt het Milena een eerste artikel te schrijven voor het Praagse tijdschrift Tribuna. Ze krijgt daarna opdrachten voor meerdere stukken per week en gaat vervolgens ook voor een andere krant schrijven. In de jaren twintig zal ze zich ontwikkelen tot een ‘gerespecteerd journalist en vertaler’.  Als na de oorlog in Wenen grote hongersnood ontstaat, vindt de jonge journaliste haar onderwerp. Milena heeft een grote maatschappelijke betrokkenheid. Uit gehechtheid aan haar man blijft ze toch in de stad: ‘Wenen is haar broodwinning geworden.’

    Vertaler
    In 1919 ontdekt Milena het verhaal De stoker van Kafka en ze vraagt hem of ze het in het Tsjechisch mag vertalen. ‘Kafka was zichtbaar ingenomen met het idee.’ Het is een eerste vertaling van zijn werk. Kafka schrijft haar, als hij het tijdschrift met de vertaling heeft ontvangen, dat die ‘een bijna vanzelfsprekende waarheid’ bezit. De maanden erna volgt een steeds intensiever wordende briefwisseling, Kafka schrijft eerst om de paar dagen, dan dagelijks lange brieven. Al snel worden de brieven intiem en na een paar maanden wil Milena dat hij naar Wenen komt. Kafka is bang voor de eventuele gevolgen voor haar huwelijk, maar hij gaat wel. Ze ontmoeten elkaar later weer in een grensplaats tussen Oostenrijk en Tsjechoslowakije, maar ‘het is een catastrofe’. De briefwisseling hapert en Kafka wordt zieker. Ze zien elkaar nog een paar keer – het einde van Kafka nadert snel. Milena gaat een jaar later terug naar Praag en wordt een bekende journaliste.

    Veza Canetti

    Veza Canetti is deel III. Veza Taubner (1897-1962) is geboren in Wenen, haar ouders wonen in Leopoldstadt, waar de meeste Joden wonen. Ze groeide op in de Sefardische gemeenschap, maar was ‘een typische geassimileerde Weense Joodse vrouw.’  Haar vader sterft al als zij zeven jaar is, haar moeder hertrouwt als zij veertien is met een rijke Jood uit Sarajevo.  Deze man is ‘schatrijk, maar tegelijk is hij een ontzettende vrek … een huistiran, tegen wie Veza jarenlang een stellingoorlog heeft uitgevochten.’ Over haar jeugd en opleiding schrijft Lauwerys weinig, er is weinig bronnenmateriaal. Tot haar zestiende volgde Veza een meisjeslyceum. Voordat Veza jaren later kennismaakte met Elias, leerde ze eerder het gezin Canetti al kennen maar het contact met hem ‘bleef beperkt tot hoffelijkheden’. Veza en Elias ontmoeten elkaar in 1924 voor het eerst, na een lezing van Karl Kraus, die ‘een moreel kompas’ voor haar was en een inspiratiebron voor de beginnend schrijfster. In de jaren twintig schreef ze wel, maar er was nog niets gepubliceerd. Over haar werk in die tijd is weinig bekend, ze vertaalde en was lerares Engels. Publiceren gebeurde pas in de vroege jaren dertig met een reeks in één van de meest in aanzien staande kranten. Een eerste verhaal in boekvorm verscheen in 1932 bij een linkse uitgeverij, waarvoor Elias ook vertaalwerk deed. In 1935 zou Elias Canetti’s eerste roman Die Blendung verschijnen. Veza was socialiste en een van de eerste schrijfsters over macht en huiselijk geweld binnen het huwelijk. Volgens Lauwerys is ‘Veza net zozeer Elias’ muze’ als hij voor haar. Maar ’in de loop der jaren zijn de twee verstrikt geraakt in een kluwen van wederzijdse afhankelijkheid.’ Veza heeft besloten Elias zijn vrijheid te gunnen, waar het om vrouwen gaat. Zij ‘intussen verpietert in haar rol van huishoudster en secretaresse in dienst van de schrijver.’  Pas na de dood van Elias Canetti in 1994, die haar posthuum als mede-auteur van Massa en macht heeft verklaard, werden haar korte verhalen en haar roman gepubliceerd.

    De ‘vrouwelijke correctuur’ is Lauwerys gelukt met de ontsluiting van het leven en de betekenis van de drie vrouwen aan de hand van recente biografische bronnen.  De ondertitel zet de lezer wel wat op het verkeerde been, aangezien het grootste deel van het boek over de politieke en culturele context gaat, en een leerzame blik geeft op het Wenen van begin 20e eeuw tot de Tweede Wereldoorlog.

     

     

  • En ik ben nu eenmaal een graver

    En ik ben nu eenmaal een graver

    In 1954 verscheen een boek van de Amerikaan Darrel Huff, How to Lie with Statistics (in Nederlandse vertaling in 2019 als Liegen met cijfers). Daarin laat de auteur zien hoe je de grootst mogelijke onzin kunt ‘staven’ met geraffineerd getekende grafieken die op zich niet onjuist zijn. Iets vergelijkbaars is How to Lie with Maps van Huffs landgenoot Mark Monmonier uit 1991, dat iets dergelijks uitlegt over het misbruik van (land)kaarten.
    Het nu onlangs verschenen Friezen in Rome van Atte Jongstra doet aan die boeken denken. Net als eerder werk van hem. Deze nieuweling roept ook veel reminiscenties op aan zijn De avonturen van Henry Fix II uit 2007, over een vergeten Zwolse burger met grote verdiensten. Net als in die roman breit Jongstra in Friezen in Rome over een fictief figuur een fantastisch verhaal dat volledig gestaafd wordt door feiten. Dat Friezen in Rome het in tegenstelling tot Fix II zonder illustraties moet doen is jammer – het zal mogelijk een kostenkwestie geweest zijn.

    Bouwstoffen
    Jongstra staat met zijn schrijversvoeten stevig in de 19de-eeuwse klei en buit die uit als bouwstof voor zijn absurdistische humor, mystificaties en hilarische verwikkelingen. ‘Bouwstof’ inderdaad. In Friezen in Rome zijn 96 in kleine letters dichtbedrukte pagina’s bronvermeldingen opgenomen die in de woorden van Jongstra bouwstoffen zijn. Door ze geen ‘Notenapparaat’ te noemen, maar ‘Deel III’ van zijn boek benadrukt hij nog eens dat ze er een essentieel onderdeel van zijn. Het zijn stuk voor stuk verwijzingen naar bestaande bronnen, ook al ben je wel eens geneigd aan de echtheid te twijfelen. Maar dat is juist de absurde kracht ervan.

    Jongstra voert in Friezen in Rome de onderzoeker Atte Sixma op die een spiegel is van de auteur zelf. Hij deelt niet alleen zijn voornaam met Jongstra, maar ook zijn geboortejaar (1956) en -plaats (Wispolia, het huidige Terwispel). Bovendien is Sixma aanhanger van de patafysica (de wetenschap van denkbeeldige problemen), waarvan Jongstra ook vertegenwoordiger is.

    Friese koeien
    Sixma heeft het voor elkaar gekregen dat hij zijn saaie baan bij de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden tijdelijk mag verlaten voor een fellowship bij het Academisch Instituut in Rome. Hij mag er zich namens het Fries Historisch Verbond volledig wijden aan het onderzoek naar Friese huurlingen in dienst van de paus van 750 – 1870. Hij presenteert zich in Rome als professor bij dat Verbond. In zijn koffer heeft hij een boek meegenomen waarvan maar één exemplaar bestaat en dat hij eigenlijk had moeten invoeren in de bibliotheek: een in bruinleren band gebonden verhandeling van Leeuwarder Johannes Buma uit 1767.
    Op grond van archiefonderzoek is hij, als hij in Rome aanbelandt, overtuigd van de grote invloed van de Friezen in de wereld. Hij slaat zijn medefellows aan het Instituut om de oren met Friese wortels in Punjab, Venetië, Chili, Zwitserland en Brooklyn. Zijn collega’s worden er bijkans gek van: ze kunnen het nergens met hem over hebben of Sixma weet wel een Friese link te debiteren. Hij herkent Friese koeien op een schilderij in Trastevere en begint over de kwaliteit van de Friese ‘Dokkumer Nije’ en de ‘Zoete van der Schoot‘(appelsoorten) nadat de directeur van het Instituut zich heeft laten ontvallen dat hij niet van appels houdt.
    Langzaamaan wordt Sixma versleten voor een halve gare (een ‘mad professor’) waartegen hij zich verdedigt door te zeggen dat hij nu eenmaal een graver is.

    Domheid
    De lezer wordt intussen duidelijk dat aan de collega’s van Sixma ook een steekje los zit. Zij zijn – in tegenstelling tot Sixma die zich zijn professoraat bij het Fries Historisch Verbond wederrechtelijk heeft opgeplakt – wel bevoegd, maar zijn evenzeer druk met achter waandenkbeelden aanhollen. Het levert kolderieke dialogen op tussen de fellows. Sixma verliest zich in die ontmoetingen nogal eens in de drank en slaat de plank regelmatig mis. Een gesprek met een collega die hij aan haar laptop ziet werken, gaat zo:
    ‘”Hi”, zeg ik, “Open for conversation?”
    “Even een zin afmaken, ogenblik.” Niet veel later: “So, what’s on your mind?”
    “Niets bijzonders. Human intercourse, meer niet.”
    “Je bedoelt human interaction mag ik aannemen”, zegt ze lachend.
    Ik bloos: “Oeps, slip of the tongue”’.

    Jongstra stopt heel wat humor in zijn boek: ‘Er zou eens een lijst van mooie Shakespearecitaten moeten worden gemaakt’, zegt Sixma, waarop de directeur van het Instituut repliceert: ‘Die lijst bestaat al. Shakespeares Verzamelde werken’.
    En in een ander gesprek verzucht Sixma: ‘De domheid. Daar valt zoveel wijsheid uit te putten. Er zou een encyclopedie van moeten komen’. Een leuke grap, als je als lezer tenminste weet dat die encyclopedie al in 2007 is geschreven door Matthijs van Boxsel, medepatafysicus van Jongstra.

    Verstand kopen
    Het kan niet anders of het onderzoek van Sixma moet helemaal fout lopen. Eerst komt het Friese Verbond er achter dat Sixma zich ten onrechte een professoraat aanmeet ‘terwijl je weet dat ons Verbond geen hoogleraren kent, nog geen halfvolle’, vervolgens werkt hij zich in de nesten door zijn gedraai over de vermissing van het vermiste boek van Buma uit 1767 en tenslotte wordt hij door het Verbond ook nog eens overladen met kritiek op het verslag van zijn onderzoek.
    Intussen heeft hij zelf al zijn hypotheses over de wereldwijde invloed van Friezen onder zich zien wegvallen doordat hij is gestuit op een geschrift van de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye die beweert dat Friesland oorspronkelijk niet eens heeft bestaan. Veiligheidshalve besluit Sixma zijn verslag daarom maar liever een ‘historische roman’ te noemen.

    Dat we met zijn allen beter ons gezonde verstand kunnen gebruiken vervat Jongstra mooi in het korte tweede deel van Friezen in Rome, waarin hij het prachtige verhaal vertelt van de inwoners van het Kroatische eiland Brač die er ooit op uit trokken om elders verstand te kopen.

    Friezen in Rome is een op en top ‘Jongstra’. Smullen voor de liefhebbers, maar met de voortdurende verleiding om alle bronnen die in ‘Bouwstoffen’ vermeld staan te gaan checken. Nodeloos werk. Ze kloppen allemaal, inclusief het weetje dat Jongstra de naam Atte Sixma al eens als pseudoniem gebruikte in een artikel over Bonifatius’ dood in het periodiek Plompeblêden uit 2001.

  • Oogst week 50

    Hoog water ; laaglands leven

    Hoog water ; laaglands leven van de Haagse schrijver Karel Feenstra gaat over Nederland en het water. Het is een serie korte, poëtische verhalen over ons ku(n)stland. Als je het uit hebt kijk je met andere ogen naar al die rivieren, dijken, kustlijnen, havenstadjes en deltawerken.
    Alle verhalen staan op zichzelf, en samen vormen ze een geheel.

    Op 1 december 2023 werd dit boek bij Panorama Mesdag ten doop gehouden.
    Daarbij zei de auteur: ‘We moeten het over water hebben! Miljoenen mensen wonen meters onder zeeniveau in Nederland. We weten het, maar staan er niet bij stil. En toch is Nederland een uniek staaltje mensenwerk. Wonen op een oude zeebodem, dat doen ze nergens anders op de wereld. Droge voeten, dat is élke dag hard werken! En dat wordt alleen maar meer. Voor dit boek reisde ik een jaar lang door heel Nederland, om te laten zien hoe bijzonder, mooi en wonderlijk ons land is.’

     

    Hoog water ; laaglands leven
    Auteur: Karel Feenstra
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil (2023)

    Alleen maar hartstocht

    Nadat zij de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen had in 2022, is de aandacht voor Annie Ernaux (1940) in Nederland alleen maar toegenomen.

    Alleen al bij De Arbeiderspers zijn dit jaar drie titels van haar verschenen.

    In januari verscheen De jonge man en in oktober ’23 verschenen De plek en Alleen maar hartstocht. In 2022 verscheen Meisjesherinneringen.

    Haar roman De jaren werd vorig jaar onder regie van Eline Arbo op de planken gebracht door Het Nationale Toneel en gaat volgend jaar in reprise. (Een aanrader!)

    Ernaux werd geboren in een middenstandsmilieu en schreef daarover. Haar werk is sterk autobiografisch (jeugd, adolescentie, huwelijk, abortus, dood), scherp, en politiek en sociaal bewust.

    Alleen maar hartstocht gaat over een liefde die voorbij is tussen een bijna zestigjarige schrijfster en een dertig jaar jongere man.

    De vrouw leeft in een roes en geeft zich volledig over aan haar hartstocht. Heel haar zijn staat in het teken van deze ene aanbeden man. Dan slaat alles om: achterdocht en jaloezie verdrijven de liefde.

     

     

     

    Alleen maar hartstocht
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2023)

    Familielexicon. Herinneringen

    Als 326e deel uit de serie Privé Domein is Familielexicon van Natalia Ginzburg (1916 -1991) verschenen. Voor dit boek ontving ze in 1963 de belangrijke Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega.

    In Familielexicon beschrijft Natalia Ginzburg haar Italiaanse familie in het geassimileerd-Joodse milieu van Turijn waarin ze opgroeide in de jaren twintig tot vijftig van de vorige eeuw. Ze staat stil bij de routines en rituelen, grappen en beledigingen die het familieleven kenmerken en schetst een intiem portret van haar ouders.

    Familielexicon lijkt een roman, maar is het niet: ‘Alle plaatsnamen, gebeurtenissen en personen in dit boek zijn werkelijk. Ik heb niets bedacht. Steeds wanneer ik heb gefantaseerd, zoals ik dat als schrijfster gewend was, voelde ik me onmiddellijk verplicht die fantasie weg te werken,’ waarschuwt Ginzburg in haar voorwoord.
    Familielexicon wordt gezien als het hoogtepunt in haar œuvre.

    Deze uitgave wordt begeleid door kenners van haar werk: vertaler Cesare Segre, schrijver Domenico Scarpa en literatuur- en theatercriticus Cesare Garboli. Jan van der Haar vertaalde Familielexicon.

    Familielexicon. Herinneringen
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2023)