• ‘Wie één keer verliest heeft altijd verloren’

    ‘Wie één keer verliest heeft altijd verloren’

     

    De vuistslag is een heruitgave van de debuutroman van dichter Mark Boog (1970). Boog debuteerde in 2000 met de dichtbundel Alsof er iets gebeurt, waarvoor hij de C. Buddingh’ prijs ontving. Kort daarna, in 2001, verscheen zijn eerste roman De vuistslag, die onlangs opnieuw verscheen bij Uitgeverij Cossee.

    De ingrediënten zijn simpel, sober zelfs: een man, een vuistslag en een ziekenhuiskamer. Deze korte roman bestaat uit een lange monoloog van een naamloze man in een ziekenhuisbed. Verward door een vuistslag en koorts filosofeert hij er op los, af en toe in zijn mijmeringen gestoord door verpleegsters of bezoekende familieleden. Al meteen is duidelijk dat deze man niet deugt. Hij is geveld door een vuistslag, maar ook is er op hem geschoten. Het blijft onduidelijk wat er precies gebeurd is: is hij aangevallen of deed hij zichzelf iets aan na het aftuigen van zijn zwangere vriendin? Al moet de lezer natuurlijk wel begrijpen dat hij dat enkel uit louter goedheid deed. Iemand moest toch optreden? En hij was zo goed zich op te offeren. Eigenlijk is hij te goed voor deze wereld.

    Al is de hoofdpersoon op alle fronten even onsympathiek en onredelijk, verbaal is hij sterk, op het poëtische af. Hij vindt zichzelf een goed mens en zeer beschaafd.
    ‘Ik stond, en sta, op goede omgangsvormen. Ik groet beleefd en verdien beleefd gegroet te worden. Wie me bedriegt kan maatregelen verwachten, maar dat lijkt me niet meer dan billijk.
    “Dan ben je heel wat bedrogen kennelijk,” zei mijn broer snerend.’

    Zijn familie gelooft dus niet in zijn goedheid en vooral zijn zus, de enige die nog enigszins zijn respect geniet, probeert hem dit duidelijk te maken. Maar overtuigen kan ze hem niet. Hij blijft volhouden dat hij zich feitelijk inspant voor de goede zaak. ‘De beschaving en de beleefdheid waren zo hard op de terugweg dat het storend werd. Ter restauratie moest bij tijd en wijle hard worden ingegrepen.’
    En dat ingrijpen bestaat in het geval van de hoofdpersoon uit een vuistslag.

    Uitschakelen met één klap is zijn favoriete methode. Een techniek die hij door veel oefening heeft geperfectioneerd. ‘Het mooiste is als de neus breekt. Een machtig gevoel, een wonderschoon geluid.’ Zijn vader was jaren geleden zijn eerste slachtoffer en daarmee veranderden de verhoudingen binnen het gezin voorgoed. ‘De vuistslag van een winnaar, van de geboren leider, die af en toe laat zien wie de grootste is…’ Dat hij alleen slachtoffers kiest die hij aankan, maakt hem niet laf. Dat is ‘gewoon een kwestie van gezond verstand.’ Want ‘Wie één keer verliest, heeft altijd verloren. Winnaar is slechts hij die nooit verloor.’

    Hij mag dan geweld gebruiken, ontspoord is hij niet. Vindt hij, tenmiste.
    ‘“Ik heb altijd naar een gelijkmatig, beschaafd leven gestreefd,” ging ik verder. “Men stond me in de weg soms, dan moet je harder optreden.”’

    Beter kort en hevig uit de band springen, dan langzaam en langdurig, want ‘dat zou ontsporen zijn, dan kom je misschien nooit meer op het rechte pad.’

    De hoofdpersoon beweert zijn leven gebeterd te hebben. Hij tuiniert nu, een overduidelijke verwijzing naar Voltaires Candide. Maar of dat ook werkelijk zo is? In dit boek, met zijn onbetrouwbare verteller is niets wat het lijkt en blijft de waarheid goed verborgen.

    Er gebeurt niet veel in De vuistslag, je zou het verhaal misschien zelfs saai kunnen noemen, maar het poëtische karakter en de tekstuele juweeltjes maken van het boek een verrassing en een prettige leeservaring. Zelf geeft de auteur achter in het boek ‘Discussiepunten voor de leesclub’, maar De vuistslag lijkt ook geschikt voor lezen in het voortgezet onderwijs. Een dun boek wordt door leerlingen altijd met enthousiasme ontvangen, maar daarnaast kan het aanleiding geven tot interessante discussies over het nog altijd actuele thema zinloos geweld. Want wat zou de hoofdpersoon zeggen over zinloos en zinvol geweld?

     

     

  • Geloofwaardige leugens

    Geloofwaardige leugens

    Op het eerste gezicht het ultieme vakantieboek. Een reeks van hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenissen en er is sprake van een brandende liefde tussen twee jonge mensen die elkaar slechts tweemaal vluchtig hebben ontmoet. In een roman en een film kan immers alles. Maar er is meer. In zijn boek heeft Bernhard Schlink het over relaties tussen mensen. Relaties tussen een man en een vrouw, soms al meer dan vijftig jaar getrouwd. Relaties tussen een vader en een zoon en tussen een moeder en een dochter. In zeven verhalen worden deze relaties ontrafeld.

    In Naseizoen is er de verwachting dat aan het eenzame bestaan van twee mensen een einde zal komen. Maar er is twijfel en het oude leven kan niet zonder meer opgegeven worden.

    Volop leugens in De nacht in Baden Baden. Een toneelregisseur brengt in een hotel de nacht door met zijn secretaresse en probeert dat te verbloemen voor een achterdochtige vriendin. De leugens stapelen zich op en de lezer zal zich afvragen of dit allemaal nog wel goed komt.

    Jaloezie speelt een grote rol in Het huis in het bos en daar komt ook weer een serie leugens uit voort. Een niet zo succesvolle schrijver probeert te voorkomen dat aan zijn vrouw een belangrijke literaire prijs wordt toegekend. Vanuit hun afgelegen woning worden alle verbindingen met de buitenwereld verbroken. Na een auto ongeluk waardoor de vrouw in het ziekenhuis belandt, komt de waarheid aan het licht. De man hoopt dat het gezinsverband hersteld kan worden en alles goed zal komen maar hierbij kunnen toch wel enige vraagtekens worden geplaatst.

    Iemand bied je een lift aan, twee vriendelijke heren bij een stoplicht, en het verzoek een brief op de bus te doen. Het licht wordt groen, de auto verdwijnt en je vriendin is ontvoerd. Na een jaar vindt een hereniging plaats maar na de vreugde van het weerzien ontstaan hevige ruzies en je duwt je vriendin van het balcon waarna ze te pletter valt. Al de leugens waarmee de hoofdpersoon zich uit de penibele situatie probeert te redden ten spijt, belandt hij toch in de gevangenis. In De vreemde in de nacht wordt de ene leugen op de andere gestapeld. Een man verdwijnt in de menigte, een vliegtuig stijgt op en tenslotte mag de lezer zelf bedenken wat de volgende leugen zal zijn.

    In het leven van een emeritus hoogleraar vinden grote veranderingen plaats als hij beseft dat hij ongeneeslijk ziek is en hij in het grootste geheim voorbereidingen treft om euthanasie te plegen. Al zijn woorden en handelingen worden leugens omdat hij zijn vrouw en kinderen niet ingelicht heeft over zijn voornemen. Opa bakt pannenkoeken voor zijn kleinkinderen alsof er niets aan de hand is. Als zijn vrouw door een toeval achter de waarheid komt is zij boos, verontwaardigd en verdrietig en neemt zij haar intrek in een andere woning. In een brief aan zijn vrouw verzendt de professor de sleutel van het medicijnkastje en een tweede sleutel gooit hij in het meer. Bernhard Schlink noemde dit verhaal Zijn laatste zomer.

    Vader en zoon gaan samen naar Rügen en luisteren daar naar de Franse suite van Bach. Een probaat middel om te komen tot een verbetering in de relatie tussen beiden. De zoon probeert zijn vader duidelijk te maken dat kinderen meer willen dan afgemeten gedrag en gedistantieerd zwijgen. De vader op zijn beurt is teleurgesteld en bedroefd omdat zijn kinderen zich hebben afgekeerd van het geloof en niets meer van de kerk willen weten. Aan het einde van de reis zijn er toch twijfels. Is de relatie zoveel beter geworden? In Johan Sebastian Bach op Rügen lezen we er alles over.

    Een eenzame bejaarde dame viert met tegenzin haar verjaardag te midden van haar familie en vraagt zich af of ze haar kinderen nog liefheeft. Is ze nog wel geïnteresseerd in haar kleinkinderen? Tijdens een uitstapje arrangeert een kleindochter een ontmoeting met haar jeugdliefde. Er zijn bitterzoete herinneringen. Heeft ze destijds een verkeerde keuze gemaakt? In De reis naar het zuiden blijkt eens te meer dat éénmaal gemaakte keuzes niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden.

    De verhalen van Bernard Schlink maken de indruk van gecomprimeerde romans. In een kort tijdsbestek gebeurt er van alles. De meeste verhalen hebben een open einde. Dat heeft als voordeel dat de lezers er verder hun eigen fantasie op los kunnen laten.

     

  • Erling Jepsen zet alles op zijn kop

    Erling Jepsen zet alles op zijn kop

    Recensie door Priscilla Versteegh

    Als je veertien bent scheiden je ouders en opeens sta je op jezelf. Je wereld wordt op zijn kop gezet. En dan niet vooral door je ouders, maar door die jongen die opeens de tuin komt doen. De kop is eraf is een spannende roman die makkelijk leest en een verrassende ‘twist’ heeft.

    Ontrouw is de reden voor een scheiding tussen de ouders van Emilie. Het meisje wordt gedwongen met haar moeder en broertje Jacob, de vertrouwde omgeving van Kopenhagen te verruilen voor een huis op het platteland. Emilie komt in een situatie waarin ze snel volwassen wordt. Onder andere omdat ze de verzorgende rol op zich neemt voor haar moeder en haar broertje. Van de ene op de andere nacht verschijnt er een jonge man op het toneel, die de verwilderde tuin in orde wil maken. De jongen, Anders, wordt door haar moeder met open armen in het huis genomen. De charmante vreemdeling heeft echter afschuwelijke geheimen. Haar broertje Jacob is door zijn komst zichzelf niet meer en een gruwelijke situatie belandt op de schouders van Emilie.

    Anders blijkt in hun huis te hebben gewoond en is er bijzonder aan gehecht. De vader van Emilie vindt het ongepast dat Anders zo lang logeert bij Emilie, haar moeder en haar broertje. Anders moet daarom het huis verlaten. Hij blijft echter nog altijd in de buurt en Emilie laat hem ’s avonds in haar kamer slapen zonder dat haar moeder dat weet. Waar Anders zich overdag schuilhoudt weet ze niet, totdat ze zijn schuilplek vindt en ontdekt wat hij verborgen houdt. Het geheim van Anders komt aan het licht maar Emilie kan niet direct aan haar ouders de waarheid vertellen.

    De kop is eraf is een boek met een goed gedoseerde spanning en een bloedstollend einde. Door de ogen van Emilie krijgen we inzicht in de gezinssituatie. Haar scherpe analyses maken haar interessant, houden het verhaal boeiend en geloofwaardig. Ze houdt haar eigen geheimen die onschuldig lijken maar die haar ook in de problemen brengen tot alles echt uit de hand loopt. De kwetsbare positie van Emilie met de mysterieuze Anders als kwade geest zorgen voor een sterk verhaal. Naast Emilie en Anders is ook het broertje Jacob niet zo onschuldig als je zou verwachten. Wat dit verhaal bijzonder maakt zijn de verrassingseffecten waarmee Erling Jepsen alles op zijn kop zet.

    De kop is eraf  is geschreven door de Deense schrijver Erling Jepsen (Gram, 1956). In 2006 was hij genomineerd voor de prestigieuze Deense bg-bank Litteraturpris. Naast romans schrijft hij ook toneelstukken en tv- scenario’s. De eerder verschenen boeken De kunst om in koor te huilen (2008) en Vreselijk gelukkig (2009) zijn verfilmd. De verfilming van het autobiografische De kunst om in koor te huilen heeft in 2008 een Oscar nominatie gekregen. Ook Met oprechte deelneming (2010) is vertaald. Dit is een voorzetting van het verhaal uit De kunst om in koor te huilen maar is echter fictie.

     

  • Hoogmis voor schrijver van het alledaagse

    Hoogmis voor schrijver van het alledaagse

    Hij was aangekondigd als ‘een van de belangrijkste hedendaagse auteurs’, werd vergeleken met Flaubert, Sheherazade en andere literaire goden, en 500 man trotseerde de Brusselse vrieskou om hem te aanschouwen. David Grossman liet zich 7 februari jl. interviewen op een podium dat door het orgel op de achtergrond verdacht veel op een altaar ging lijken. Aan die indruk werd niet weinig bijgedragen door de interviewers Jack de Decker (Le Soir) en Kerenn Elkaïm (Vif/l’Express). Ze stelden zich op als hogepriester respectievelijk nederige dienaar van het woord – voor zover gesproken door Grossman dan. Die liet zich niet gek maken, bluste al te genante vragen af met nuchtere grapjes, en vertelde weloverwogen formulerend over zijn laatste roman, de taal, Israel en onvermijdelijk ook over de dood van zijn zoon.

    Grossman voltooide in 2009 de vuistdikke roman Vrouw op de vlucht voor een bericht. Hoofdpersoon is Ora, die haar zoon naar het front brengt en naar huis terugkeert om te wachten op het onverdraaglijke: de laarzen op de stoep, de druk op de bel en dan het bericht dat haar zoon gesneuveld is. Om dat onheil te bezweren besluit ze zich onbereikbaar te maken en begint aan een voettocht door Galilea. Grossman vertelde dat hij die voettocht ook zelf heeft gemaakt (45 dagen, waarvan 35 dagen lopen), en dat het eigenlijk het beste deel was van het werken aan het boek. De mensen die hij tegenkwam (Jood en Palestijn) vroeg hij steeds: ‘Waar verlang je naar?’ en ‘Waar heb je spijt van?’ ‘Iedereen gaf meteen zijn antwoord’ vertelde Grossman, ‘en een aantal daarvan heb ik in mijn boek verwerkt. Die wandeltocht is populair geworden: mensen vliegen de halve wereld over om hem hier te komen lopen. Ik ben wel eens opgebeld door iemand die zei “het is hier fantastisch, en we zijn al op bladzijde 423!’”

    Toen hem werd gevraagd of de vrouwelijke hoofdpersoon van Vrouw op de vlucht niet een typisch specimen was van Bijbelse vrouwen als Sarah en Esther kon Grossman een lachje niet onderdrukken: ‘U bent uitermate genereus met uw vragen, maar eh, Ora is net als mijn vrouw. Ze is goed, geweldig en dapper en ik houd van haar, maar ze is beslist niet Bijbels.’ Hoe het was om in een Bijbelse taal te schrijven? ‘Dat is heel bijzonder. Ik vind het mooi dat aartsvader Abraham, als hij bij mij aan tafel zou schuiven, ongeveer de helft zou begrijpen van wat mijn dochter van 19 beweert. Voor alle duidelijkheid: ik begrijp zelf ook niet meer dan de helft van wat ze zegt… De taal verandert en dat is goed. Ik ben opgegroeid met Pools en Jiddisch in huis, en ik heb altijd een voorkeur gehad voor het lichtvoetige en ironische dat je in het Jiddisch proeft. De klank ook. Dat is wat ik probeer in het Hebreeuws te kneden als ik aan het schrijven ben. Een taal die het alledaagse leven past.’ Grossman ziet als rode draad in zijn oeuvre dat hij het meest verschrikkelijke (de Shoa, het Palestijnse conflict) beschrijft door het in een zo alledaags mogelijke setting te presenteren: ‘Keuken en kinderkamer zijn vaker het decor van historisch belangrijke gebeurtenissen dan slagvelden en paleizen.’

    Na een uitvoerige lofzang op Grossmans taalvermogen las de interviewer een landschapsbeschrijving voor in het Frans en besloot met de verzaligde opmerking: ‘Men zou kunnen zeggen, dat u schildert met woorden. Is dat niet het geheim van de kunst?’ Grossman moest er andermaal om lachen: ‘Geen idee. Het geheim van de kunst, dat boek heb ik nog niet gelezen. Ik wacht wel tot de film er is.’

    Tijdens het schrijven van Een vrouw op de vlucht kreeg Grossman – zo zwart is ironie zelden geweest – zelf het bericht dat zijn zoon was gesneuveld. Nee, hij was niet aan het boek begonnen in de onbewuste hoop dat het zou werken als een soort talisman. ‘Boeken zijn niet kogelvrij, maar soms kunnen ze levens redden. Na de zevendaagse rouwperiode ging ik achter het manuscript zitten. Wat kon ik anders. Ik zat versuft boven de bladzijden en wist niet wat ik moest beginnen. Toen bleef mijn oog haken aan een woord. Daar was iets mee, dat klopte niet. Na nog een uur of wat viel mij een beter alternatief in: ik verving het ene woord door het andere. Mijn verdoving werd een beetje opgeheven. Met die minimale verschuiving in de tekst is mijn leven als schrijver weer begonnen.’

     

     

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Maik Klingenberg, de ik-persoon, zit in het eerste hoofdstuk van het boek bloedend op het politiebureau. Hij vraagt zich af waar Tsjik gebleven is. Dat is de jongen waarmee hij de afgelopen dagen in een gestolen Lada door Duitsland heeft gereden. Dan volgt de terugblik op een absurde reis die hij samen met Andrej Tsjichatsjov, Rus, klasgenoot, zoals Tsjik eigenlijk heet, kriskras door Duitsland heeft ondernomen. De ouders van Maik hebben geld. Moeder is aan de alcohol en Maik treft haar regelmatig in totale beschonkenheid aan. De vader gaat regelmatig op reis met een assistente, zogenaamd om zaken te regelen. In werkelijkheid omdat hij een verhouding met haar heeft. Tsjik daarentegen is een absolute outcast, hij komt vaak straalbezopen op school en woont met zijn ouders in een ‘aso’-flat, waar nog veel meer buitenlanders een goed heenkomen hebben gezocht.

    De vakantie breekt aan en Maik wordt met wat geld achtergelaten om op het huis te passen. Zijn klasgenoten hebben hem de bijnaam Psycho gegeven, nadat hij een absurdistisch verhaal voor de klas heeft voorgelezen. Intussen is zijn moeder naar een afkickkliniek. Maik gaat met Tsjik mee. Daarvòòr heeft hij de mooie Tatjana uit zijn klas proberen te versieren door haar een mooie tekening van Bejoncé te geven voor haar verjaardag.

    Herrndorf is eigenlijk striptekenaar en daardoor is zijn stijl erg plastisch en leest het boek als een trein. Het is niets meer of minder dan een road book in de traditie van On the Road van Kerouac, maar nu zo’n slordige 50 jaar later. Toch zijn de ingrediënten wel degelijk hetzelfde: absurde dialogen, gebrek aan geld, op niets af reizen, alcohol, ontroering en uiteindelijk de sympathie van de lezer voor deze heerlijke nietsnutten. Niet verwonderlijk dat het boek maandenlang in de Duitse boeken-toptien heeft gestaan.

    Vooral Maik komt in de dolle rit naar voren als een bedeesde beschouwelijke jongen, die nog nooit seks heeft gehad en het bijna heeft met het vervuilde zwerversmeisje Isa, dat op een vuilnisbelt leeft en stinkt. Ze krijgt de douchegel van Tsjik cadeau en baadt zich in een meertje en gaat even met de jongens mee. Ze weten zich eigenlijk geen raad met dit vreemde wezen, dat de uiterste consequentie uit het zwerversbestaan heeft getrokken. Zij zijn eigenlijk toch een beetje op vakantie en amateurzwervers. Het is geen gewone vakantie die tragische, komische en ontroerende momenten kent. Ze worden door een antroposofische familie getrakteerd op heerlijk eten. Wel nodig, want ze leefden al een week op koeken en frites. Hun kapriolen met de Lada worden steeds gevaarlijker en ze trekken de aandacht van de politie. maar het mag de pret niet drukken. Herrndorf heeft ons dan al zo genadeloos vermaakt dat het boek niet meer stuk kan.

     

    Tsjik

    Auteur: Wolfgang Herrndorf
    Vertaald door: Pauline de Bok
    Verschenen bij:  Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 255
    Prijs: € 18,90

     

     

  • Een kleine man op zoek naar alledaags geluk

    Recensie door: Martin Lok

    De Duitse schrijver Hans Fallada (1893-1947) heeft een flink oeuvre nagelaten: hij schreef tussen 1920 en 1947 meer dan vijfentwintig boeken, oftewel ongeveer één per jaar, waarvan overigens een deel postuum werd gepubliceerd. Het grote succes kwam in 1932, toen hij Kleiner Mann, was nun? publiceerde, dat nu in een nieuwe vertaling bij uitgeverij Cossee is uitgebracht. Het is in korte tijd het tweede boek van Fallada dat in het Nederlands is vertaald. Vorig jaar verscheen reeds Alleen in Berlijn, een andere bestseller van de Duitse auteur. Een boek waarin volgens Adam Freudenheim van het Britse Penguin de kleinburgerlijke alledaagsheid van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog centraal staat. Ook in Wat nu, kleine man?, de Nederlandse titel van Fallada’s roman uit 1932, is de hoofdrol weggelegd voor de ‘kleine man’, fijntjes geportretteerd in Johannes Pinneberg, eerst boekhouder, later winkelbediende en nog later werkeloze.

    Wat nu, kleine man? speelt zich af tijdens de economische crisis van de jaren twintig. In een beknopt vierluik schotelt Fallada ons een aandoenlijke zoektocht naar geluk voor. Een zoektocht van Pinneberg met zijn jonge vrouw Engeltje, die zorgeloos begint in de ‘grote’ stad Platz, voor het eerst struikelt in de provinciestad Ducherow en hard onderuit gaat in de metropool Berlijn, om zich toch weer uit het moeras der ellende te ontworstelen in een moestuin buiten Berlijn. Alle ups en downs van het leven komen langs. De verliefdheid van twee mensen die elk op hun eigen manier eenzaam waren en in elkaar een soulmate vinden. De tegenslag van een eerste zwangerschap, als de – nog niet gehuwden – enigszins beschroomd een pessarium proberen te bemachtigen. De blijdschap van het voorgenomen huwelijk. Het onbegrip van Engeltje als Pinneberg zijn huwelijk lijkt te ontkennen en haar woede als ze ontdekt dat hij daarvoor een veel te klein overmatig gemeubileerd stoffig hol als kamer heeft gehuurd. De vreugde van de geboorte van ‘het wurm’. En zo kan ik nog wel even doorgaan. De zoektocht naar geluk gaat op en neer, en de emoties van Pinneberg en Engeltje bewegen zich zo op het eerste gezicht willoos op deze baren mee.

    Soms is het ongeluk ongelofelijk alledaags en vertederend. Zoals de waterige erwtensoep die onervaren kokkin Engeltje haar man als eerste gerecht hun eerste echt gezamenlijke dag in Ducherow voorzet. En als je dan als lezer denkt dat het niet erger kan, laat Fallada haar de volgende dag de waterige soep zo ver inkoken dat het op het laatst ‘steenkool’ is. Ook de tweede dag in Ducherow is Pinneberg blijkbaar geen gevulde maag gegund.

    Wanneer Pinneberg als boekhouder ontslagen wordt trekken de jonggehuwden naar Berlijn, waar Johannes na enige tegenwind aan de slag gaat als winkelbediende. Het leven blijft sober, maar er breken nu duidelijk gelukkiger tijden aan. Symbool hiervoor staat de aanschaf van een cadeau van Pinneberg voor zijn Engeltje: een kaptafel, waaraan hij vrijwel zijn gehele eerste maanloon in Berlijn spendeert. Alhoewel deze kaptafel de Pinnebergs overal blijft volgen, geldt dat niet voor het geluk. Dat lijkt voor hen louter voor enkele vergeten minuten weggelegd lijkt te zijn. Het ongeluk ligt voor de ‘kleine man’ steeds weer op de loer. Als in de winkel waar Pinneberg in Berlijn werkt een organisatieadviseur zijn intrede doet en de verkoop met verkoopquota rationaliseert zet de neergang opnieuw in. Een neergang die uiteindelijk leidt het ontslag van Pinneberg en hem en Engeltje uit hun huis drijft.

    Fallada schreef zijn roman in een fijne, lichtvoetige taal, vol humoristische kwinkslagen. Als lezer moest ik dan ook vele malen glimlachen, hoe groot de teleurstellingen van de ‘kleine man’ ook waren. Zoals bij de kennismaking van Pinneberg met de vader van Engeltje: ‘Zo, bent u de jongeman die met mijn dochter wil trouwen? Aangenaam kennis te maken. Gaat u zitten. Misschien komt u er nog wel van terug.’ Op vergelijkbare ludieke wijze vat Fallada de verwachting van het burgerlijke geluk samen: ‘Uit de verte ziet een huwelijk er heel simpel uit: twee mensen trouwen met elkaar en krijgen kinderen. Je hebt een gezellig leventje samen, bent zo lief mogelijk voor elkaar en probeert hogerop te komen. Kameraadschap, liefde, een beetje vriendelijkheid, eten, drinken, slapen, de zaak, het huishouden, ‘s zondags een uitstapje, een enkele keer ‘s avonds naar de bioscoop. Klaar is Kees.’ Een verwachting die in het leven van de Pinnebergs alledaags wreed verstoord wordt als ze weinig geld bezitten en ze de vraag moeten beantwoorden of je als pasgehuwd stel echt beter een vierpits dan tweepits gasstel kunt bezitten. Het zijn dit soort futiele problemen die Pinneberg en Engeltje steeds weer van hun koers op geluk afdrijven. ‘De mens is vrij, Pinneberg’ zegt Heilbutt, een vriend van Pinneberg halverwege de roman, als deze de terneergeslagen winkelbediende probeert op te monteren. Deze menselijke vrijheid is de tobberige Pinneberg echter geheel vreemd. Wat hem evenwel niet de das blijkt om te doen. Steeds weer houdt Pinneberg het hoofd – letterlijk en emotioneel – toch weer boven water. Fallada’s ‘kleine man’ is in al zijn onzekerheid en fragiliteit toch weerbaar en robuust.

     

    Wat nu, kleine man?

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Nico Rost
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (2011)
    Aantal pagina’s: 349
    Prijs: € 21,90

  • Recensie door: Ella-Milou Quist

    Recensie door: Ella-Milou Quist

    Rita Törnqvist-Verschuur (1935) is een Nederlandse schrijfster en vertaalster. Ze heeft een aantal boeken van het Zweeds naar het Nederlands vertaald en later ook andersom. Zo vertaalde ze onder andere het werk van Astrid Lindgren en August Strindberg. In 1976 begon Verschuur met het schrijven van kinderboeken en begon ze voor kinderen haar jeugdherinneringen op te schrijven, wat veelgeprezen titels opleverde als: Hoe moet dat nu met die papillotten, Vreemd land (bekroond met de Nienke van Hichtumprijs) en Jubeltenen (bekroond met de Gouden Uil). In 1977 publiceerde ze samen met haar dochter, tekenares Marit Törnqvist, Wie is hier eigenlijk de baas? Haar eerste boek voor volwassenen, de autobiografisch roman Het geheim van mijn moeder, kwam uit in 2008 en werd een groot succes. Haar tweede volwassenen roman De tweede moeder heeft het ook in zich om een succes te worden, al is het alleen al vanwege de beeldende beschrijvingen en de interessante anekdotes. Waar het in Verschuurs eerste roman gaat over de turbulente relatie tussen haar en haar biologische moeder, draait het in dit boek om haar relatie met haar stiefmoeder, ofwel haar tweede moeder. Ook deze relatie gaat niet altijd over rozen.

    Het is 1943, Rita is acht jaar als haar biologische moeder het gezin verlaat en er een nieuwe vrouw in huis komt die voor haar en haar vader zorgt. Rita moet haar tante Ank noemen. Na een half jaar trouwt tante Ank met Rita’s vader. Samen krijgen ze nog eens drie kinderen en zo wordt ze Rita’s tweede moeder.

    Ank is een protestantse vrouw en houdt er zo haar eigen ideeën op na. Ze is streng en heeft een sterke eigen wil. Tegen haar ingaan heeft niet zoveel zin, want het is zoals zij vindt dat iets is en niet anders. Iedereen wordt min of meer gedwongen volgens haar regels te leven. Ondanks het feit dat ze drie kinderen van zichzelf heeft, beschouwt ze Rita als haar eigen dochter. Haar liefde voor Rita kan soms behoorlijk verstikkend zijn. Ook probeert ze om haar eigen verlangens en ideeën op Rita te projecteren.
    Moeder is een groot liefhebber van kunst en weet veel over kunstgeschiedenis. Ze omringt zichzelf met reproducties uit de Italiaanse Renaissance en één schilderij daarvan, de roze engel, is voor Rita. Hoewel het meisje zich nauwelijks interesseert voor kunst blijft ze dit plaatje altijd koesteren, ook al laat ze het schilderij later ergens achter. In de loop der jaren gedraagt moeder zich steeds meer autoritair en overheerst ze het gezin. Rita krijgt zo langzamerhand een hekel aan haar en vraagt zich af waarom haar vader zo loyaal blijft en steeds partij kiest voor zijn vrouw. Om te ontsnappen verhuist Rita tijdens haar studie naar Zweden en bouwt daar een eigen leven op met man en kinderen. Ze blijft wel contact houden met haar vader en Ank, en zien elkaar ook regelmatig, maar het gaat niet altijd van harte. Als ze na jaren definitief naar Nederland terugkeert met haar gezin, voorkomt ze maar net een breuk met haar ouders.

    Na de dood van moeder krijgt Rita het besef dat deze vrouw, ondanks haar vreemde liefde, wel een echte moeder voor haar is geweest. Rita gaat alleen naar Florence waar haar moeder haar zo graag mee naar toe had willen nemen toen ze jonger was. Ze wilde haar de kunst laten zien waarover ze altijd sprak. Nu reist Rita erheen op zoek naar het schilderij van de roze engel dat altijd in haar gedachten gebleven is. De vraag is alleen wat ze in Florence zal vinden, de roze engel of misschien toch iets anders? Het enige boek dat ze na de dood van moeder uit de kast heeft gehaald, Een leven in brieven van Vincent van Gogh, neemt ze mee. Ze gebruikt het als naslagwerk met de gedachte: ‘Een schilder als man van het woord, daar kon ik nog weleens behoefte aan krijgen in zo’n stad waar alles beeld is’. Naast terugblikken op haar leven met moeder en alles wat zij haar verteld heeft over de Italiaanse schilders, refereert Rita ook steeds naar dit boek met: ‘Wat zou Vincent over de Italiaanse kunst gezegd hebben?’ Zowel Vincent van Gogh’s: Een leven in brieven, als moeder en de roze engel zijn de rode draden in dit verhaal.

    De tweede moeder is een interessante titel, die overigens ook erg goed bij het verhaal past. Verschuur heeft ervoor gekozen om haar relatie met Ank te verduidelijken door haar ‘moeder’ te noemen. Wanneer ze echter over haar biologische moeder spreekt, heeft ze het over ‘mama’.  Zo maakt ze duidelijk dat er, ondanks dat ze elkaar accepteren als moeder en dochter, toch een bepaalde afstand tussen hen is. Een afstand die het hele verhaal door merkbaar blijft, zeker wanneer moeder steeds dwingender wordt en soms een beetje manipuleert om haar zin te krijgen. Het is duidelijk dat Verschuur heel wat te stellen heeft gehad met deze dame en je krijgt soms net als zij een hekel aan het bazige en bemoeizuchtige gedrag van moeder.  Overigens dwingt ze ook respect af door haar zorgzaamheid en intellectuele kennis. Soms voel je zelfs vertedering wanneer de zachte aard van moeder boven komt drijven. De dubbelzinnigheid van hun relatie heeft Verschuur feilloos weten weer te geven.

    Wat vooral opvalt aan dit boek is de beeldende manier van schrijven. Verschuurs beschrijving van Florence is zo duidelijk dat je naar die stad verlangt en met je eigen ogen de schoonheid ervan wilt zien en de kunstwerken waarover ze spreekt zelf wilt aanschouwen. Je volgt haar op haar reis in deze stad die allerlei herinneringen naar boven haalt over haar tweede moeder. Terwijl je in het hier en nu leest, en zij iets ziet, ruikt, ergens over nadenkt of zich een uitspraak herinnert van moeder, duik je opeens weer in het verleden. Een mooi voorbeeld hiervan: Rita verlangt naar de geur van het schoonmaakmiddel Spic & Span terwijl ze in Florence op een terrasje zit en kijkt naar de vuiligheid op een marmeren beeld dat nodig schoongemaakt moet worden. Zo komen we bij een nieuwe alinea, een anekdote over haar moeder die soms aan een schoonmaakwoede leed waardoor het hele huis naar Spic & Span rook. En zo gaat dat het hele boek door. Het zorgt ervoor dat je echt in haar leven gezogen wordt.
    Soms is het ietwat verwarrend in welke tijd het verhaal zich nu precies afspeelt. Zit je nu in Florence of juist in het verleden van Rita? Dit komt voornamelijk ook omdat de alinea’s niet op elkaar lijken aan te sluiten, terwijl dat door dat ene woord (Spic & Span), die ene gedachte of uitspraak juist wel zo is. Dit is de charme van het boek: de verborgen linken. Niet alleen maakt dit het verhaal interessant, maar het zorgt ook nog eens voor een zekere spanning omdat je benieuwd bent waar het verhaal naartoe gaat. Bovendien zorgt één van de constant terugkerende onderwerpen (de roze engel) ervoor dat je wilt weten of ze dit prachtige schilderij ooit weer zal zien of niet. Vooral in het laatste hoofdstuk, wanneer je weet dat Rita weer bijna naar huis gaat, zorgt dit ervoor dat je op het puntje van je stoel zit. Knap voor een boek waarin absoluut geen spannende dingen gebeuren!

     


     

     

     

    De tweede moeder

    Auteur: Rita Verschuur
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (2011)
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: €18,90

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Dit boek leest als een film. De lezer krijgt volop de gelegenheid zich een voorstelling te maken van de beschreven personen, situaties en landschappen. Zo nu en dan wordt de film heen en weer gespoeld waardoor er regelmatig wordt gekeken naar gebeurtenisnsen die eerder hebben plaatsgevonden maar ook naar zaken die nog in het verschiet liggen. Het decor wordt gevormd door de Grensgang, een volksfeest met een optocht langs de grenzen van het provinciestadje Bergenstadt dat nog het best valt te omschrijven als een kruising tussen carnaval en een kermis waarbij ook nog eens nationale gevoelens op de voorgrond treden. Gedurende drie dagen gaan alle remmen los en wordt er uitbundig feest gevierd waarbij bier en schetterende muziek een grote rol spelen. Er waaien veel vlaggen en de rijen zijn vast gesloten.

    Te midden van al dit feestgedruis zoeken de twee hoofdpersonen naar hun evenwicht. Allereerst is er Kerstin Werner, een levenslustige gescheiden vrouw. Zij is de moeder van de puber Daniël en heeft daarnaast de zorg voor haar dementerende moeder op zich genomen. Zij voelt zich aangetrokken tot Thomas Weidmann, de klassenleraar van haar zoon. Thomas is na een cum laude promotie en een aanvankelijk glorievol ogende carrière mislukt als universitair docent en teruggekeerd naar zijn geboortestad. Ook de relatie met zijn vriendin Konstanze is verbroken. Samen met Granitzny, het hoofd van het Stedelijk Lyceum kijkt Thomas naar een voetbalwedstrijd waarbij Granitzny aan Thomas in overweging geeft om plaatsvervangend directeur te worden. Hoewel deze positie een belangrijke salarisverbetering met zich meebrengt vindt Thomas het aanbod toch niet aantrekkelijk. Ook al is hij gedegradeerd tot leraar aan een school in een provinciestadje, toch heeft hij zijn hovaardigheid als geesteswetenschapper nooit afgelegd en verder denkt hij dat het in een doodlopende straat niet bijster belangrijk is om snel vooruit te komen. Na incidenten op school waarbij Kerstin`s zoon Daniël betrokken is voeren Kerstin en Thomas een aantal gesprekken waarbij zij tenslotte toch in de slaapkamer van Thomas terecht komen. Thomas overdenkt hierbij: ‘Als ontgoocheling onvermijdelijk voortvloeit uit het feit dat onze behoeftestructuur en de realiteit zo vreselijk slecht op elkaar zijn afgestemd dan is er veel voor te zeggen om weliswaar niet je heil maar in ieder geval je toevlucht te zoeken in vertraging. Bij voorkeur met zijn tweeën’. Zonder een bericht achter te laten vertrekt Kerstin voor dag en dauw, daarbij Thomas in vertwijfeling achterlatend. Na het ontwaken, denkt hij terug aan de voorafgaande nacht als zijn redding, Weidmann`s redding, en hij betrapt zich erop dat hij vaker, intenser en met meer warmte aan Kerstin denkt dan aan andere vrouwen. Hieraan voorafgaande heeft er al een ontmoeting plaatsgevonden tussen Thomas en Kerstin die, vergezeld door haar vriendin Karin, een bezoek brengt aan een afgelegen zogenaamde parenclub. Iedereen is op zoek naar een zinvolle invulling van het leven en geluk. Uitvoerig wordt de omgeving en de inrichting van de parenclub omschreven en ook de gemoedstoestand van de beide ondeugende dames wordt nauwkeurig geanalyseerd. Het avontuur eindigt met een desillusie en tijdens de terugtocht naar huis wordt er in de auto alleen maar gezwegen en vermijden de vriendinnen elkaar aan te kijken.

    De zorg voor haar moeder wordt Kerstin te zwaar, zij wordt opgenomen in een verpleeghuis waar zij kort daarna overlijdt. Na een rouwperiode van een maand begeeft Kerstin zich opnieuw in het feestgedruis en ontmoet daar Thomas die uiteindelijk toch heeft besloten om de functie van plaatsvervangend schooldirecteur op zich te nemen. Beiden zijn vastbesloten om niet weer opnieuw de kans op geluk door hun vingers te laten glippen. Er is al te veel tijd verspild. Wekenlang was hun verlangen bedolven onder vergeefs getob. Hand in hand betreden zij de hal van Kerstin`s huis.

    Wat vooral opvalt in dit boek zijn de originele en buitengewoon rake formuleringen van de gedachten van de beide hoofdpersonen. Veel minder geslaagd zijn de pogingen om het Duitse dialect om te zetten in een vergelijkbaar Nederlands. Dit kromme taalgebruik had beter achterwege kunnen blijven in een overigens verder voortreffelijke vertaling.

    Weidmanns redding 

    Auteur: Stephan Thome
    Vertaald door: Pauline de Bok
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (2011)
    Aantal pagina’s: 352
    Prijs: € 19,90

  • Interview met Lucette ter Borg

    ‘Bij ons thuis werd iedereen – zodra hij vijftien werd – ingewijd in het familie-geheim. Ik herinner me dat ik naar beneden werd geroepen op een avond en dat mijn vader vertelde dat mijn grootvader in de oorlog lid was geweest van de NSB. Ik weet nog dat ik dacht: “oh, nou en?” Bij die mededeling bleef het. Vragen werden niet gesteld en we spraken er verder niet meer over.’ Dit lidmaatschap is van grote invloed geweest op het gezin, vertelt schrijfster Lucette ter Borg (1962). Haar ouders schaamden zich, er werd aan de buitenwereld niets verteld, vrienden kwamen niet over de vloer.
    Kritiek was er daarentegen des te meer. Er werden hoge eisen gesteld aan de prestaties van de kinderen. ´Goed´ was maar zelden goed genoeg.

    Ter Borg heeft lang gevochten tegen een diep geworteld idee van onzekerheid en een gevoel van jezelf steeds te moeten bewijzen. Die onzekerheid, vertelt ze in een Amsterdams café, heeft haar broer en zus ook lang gekweld. Het maakte de verhoudingen in het gezin er niet makkelijker op.

    Het cadeau uit Berlijn, Ter Borgs eerste roman, heeft ze geschreven vanuit het verlangen om meer te weten te komen over dit familiegeheim. Want nieuwsgierig was ze wel. Als journaliste was ze inmiddels bekend met de onderzoeksjournalistiek en haar boek was oorspronkelijk opgezet als non-fictie. ‘Maar ik merkte dat ik ongemerkt steeds meer dialogen ging verzinnen, dat ik me steeds meer ging afvragen hoe de verschillende personen in elkaar zaten. Uiteindelijk werd het boek een roman. Een roman biedt nu eenmaal meer vrijheid dan non-fictie.’

    Met Valkruid, haar tweede boek, wilde ze ‘wat dichter op zichzelf blijven’.

    Valkruid gaat over twee zusjes, beiden begin zestig, die samen op reis gaan. Afwisselend vanuit het perspectief van Sigrid of Valentine krijg je langzaam maar zeker een beeld van hun leven. ‘Door in de ik-vorm te schrijven kon ik dicht op de huid van de personages gaan zitten. Het zijn zusjes, vrouwen die tot elkaar veroordeeld zijn, van elkaar houden op een primitieve, haast instinctieve manier, maar die intellectueel niks met elkaar hebben of willen hebben.’

    De lezer maakt met stijgende verbazing kennis met deze twee vrouwen die tegen wil en dank van elkaar houden. Nietsontziend gaan ze met elkaar om. Ze kennen elkaar door en door en weten beiden exact waarmee ze de ander kunnen raken. Ter Borg: ‘Meestal praten ze via omwegen en zeggen dan de verschrikkelijkste dingen tegen elkaar, zogenaamd voor de grap. Ze denken vaak heel slecht over de ander, maar dat betekent nog niet dat ze niet van elkaar houden.’

    Sigrid en Valentine zijn beiden muzikaal geschoold. Sigrid is eerste violiste geworden in een provinciaal orkest, Valentine geeft pianolessen. Piano heeft Ter Borg als kind leren spelen. Viool is ze gaan leren toen ze Valkruid schreef. ‘Ik wilde dat graag. Ik wil namelijk  weten hoe dat voelt, een stok aandraaien, een streek zetten en een zuivere noot produceren uit je instrument.’ Ook heeft ze onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de viool, is bij verschillende vioolbouwers langs geweest en heeft musici geïnterviewd. De reis van Sigrid en Valentine heeft ze zelf ook gemaakt. ‘Ik wil het zo doen, noem het een vorm van method acting, anderen kiezen daar niet voor.´

    Van zo hoog muzikaal opgeleide vrouwen als Sigrid en Valentine verwacht je enige intellectuele bagage, maar de gesprekken of gedachten die de dames hebben gaan nooit verder dan huis-tuin-en-keukenpraatjes.

    Hoewel ze alle twee last hebben van ervaringen uit het verleden, al dan niet door de ander aangedaan, praten ze nergens constructief met elkaar. Echt contact maken en naar een ander luisteren hebben ze niet geleerd, niet met elkaar, niet met anderen. Het is de generatie die is opgevoed met de overtuiging: ‘je laat niks aan de buitenwereld zien’. Omdat ze bovendien ook geen van beiden gehinderd worden door enige zelfreflectie verandert er weinig in hun levens.

    Het levert vermakelijk proza op want ondanks deze sombere analyse, is Valkruid geen somber, psycho-analytisch boek maar een boek dat je soms doet lachen. Dat is te danken aan het inlevingsvermogen dat Ter Borg zelf wèl heeft, haar opmerkingsgave, gevoel voor humor en directe pen. ‘Ik hou van galgenhumor,’ zegt ze, ‘daarom ben ik ook zo´n fan van Arnon Grunberg of Jonathan Frantzen.’

    Valkruid leent zich perfect voor een toneelbewerking. Saskia Temmink en Annet Malherbe bijvoorbeeld zullen borg staan voor een amusant, confronterend en absurdistisch spektakel.

     

    9789059362864_160

     

     

     

     

     

     

    Valkruid verscheen bij Uitgeverij Cossee (2011)

  • Reconstructie van een familie

    De angst dat je net als je moeder niet in staat bent een ander gelukkig te maken. Of dat je net zo’n dictator bent als je vader, omdat je moeder eens gezegd heeft: ‘Je bent net je vader.’ Die angst zorgt ervoor dat je struikelend door het leven gaat. Omdat het verleden je niet met rust laat. Tijd dus om op onderzoek te gaan naar de achtergrond van de familie waar je uit voortkomt.

    Wat is er met de zonnebril van Kobe gebeurd? Waarom keerde haar moeder zich tegen haar dochters toen die eenmaal uit huis waren? Wat is er gebeurd met Wurm, het eerste kind van Kobe en Muis? En waarom werden de dochters niet ingelicht toen Kobe gestorven was. Dit zijn een paar van de vragen die zich aan Mees – vanuit haar perspectief wordt het verhaal verteld – opdringen wanneer haar leven lijkt te ontsporen.

    In 2005 debuteerde Yolanda Entius met de roman Rakelings. Daarna volgden Alleen voor Helden (2008) en De gelukkigen (2010) en met Het kabinet van de familie Staal publiceert ze haar vierde roman. Het moet gezegd – ondanks de drama’s die zich in haar boeken op huiselijk niveau afspelen – bevatten al haar boeken een prettig enthousiaste en liefdevolle toon, die (hoe complex het verhaal ook is), de lezer bij het verhaal houdt. Ook met haar nieuwste roman is dit het geval. Hiermee kan gezegd worden dat er sprake is van een onmiskenbare Entius-stijl. Het kabinet van de familie Staal is – zonder overdrijving – het verschrikkelijke relaas van een  huwelijk. Entius is erin geslaagd – zonder te psychologiseren –  het verhaal achter deze familie op een verteerbare manier aan het licht te brengen.

    Familie van staal
    Kobe (de vader) heeft geen losse handjes of een kwade dronk die doorgaans oorzaak is van veel huiselijk leed. Hij gaat er juist prat op dat hij niet drinkt, niet rookt en niet naar de hoeren gaat. Een eerbaar man zou je denken. Niets is minder waar. Het is een miezerig mannetje die de wereld om hem heen regeert als een dictator. Hij is klein van stuk heeft een oog dat niet goed functioneert (draagt altijd een zonnebril) maar denkt toch piloot te kunnen worden. Een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Of zoals Mees in de beginregels van het boek haar vader neerzet:  ’(…) een kleine man, die dacht dat hij groot was, imposant, wijs, beter. (…), beter dan zijn vader die een slapjanus was (…), beter dan een arbeider die per definitie dom was (…) en beter dan zijn vrouw, die hij naar zijn zeggen uit de goot had gehaald.’
    Kobe en Muis hebben drie dochters: Do, Ilse en Mees (Pimpelmees). Kobe oefent een strenge controle uit over Muis en hun dochters. Hun eerste kind – Wurm – is gestikt in zijn wiegje, later heet dat ‘wiegendood’. Kobe was op dat moment alleen met de baby. Er rust een verdenking op hem die niet wordt uitgesproken. Maar als lezer weet je genoeg. Vooral omdat Muis steeds haar gedachten moet wegstoppen, om het ergste wat gebeurd is niet onder ogen te hoeven zien. ‘ Daarbij voedde de latere uitspraak van Muis over Kobe: ‘Jij weet niet waartoe hij allemaal in staat is,’ de onzekere gedachte bij Mees, dat er met Kobe meer aan de hand was dan ze wisten.

    Het is direct duidelijk dat Kobe geen gevoelens kan tonen en dit van anderen ook niet verwacht. Hij praat nergens over maar scheldt daarentegen Muis voor rot als ze het waagt te treuren om de dood van haar kind. Voor Muis wordt het een taak van levensbelang om de lieve vrede te bewaren in huize Staal. Wanneer Kobe overdag weg is voor zijn werk, kunnen de meisjes in de kamer spelen. Maar zo gauw het geluid van zijn auto in de straat klinkt moet alles snel worden weggeruimd en moeten de kinderen naar boven. Alleen als er visite is, maakt hij goede sier met de schoolresultaten van zijn jongste dochter. Dat die visite op den duur weg blijft is het gevolg van een teveel aan eigendunk bij Kobe.

    Feiten en fictie
    Mees verlaat als zestienjarige de ouderlijke woning. Do is getrouwd en heeft twee dochtertjes en dan nog Ilse – die van de ene psychose in de andere valt. Mees ontwikkelt zich als kunstenares en leeft met Kowalski. Ze hebben het goed samen. Tot Mees op eenenveertigjarige leeftijd zwanger wordt. Ze weet niet of ze dit wel wil. Ze krijgt steeds meer last van het verleden en besluit haar ouders – van wie ze zich de gezichten niet meer voor de geest kan halen – op te zoeken. Tijdens haar zoektocht komt ze tot de verrassende ontdekking dat Muis op haar verjaardag bloemen ontvangt met de felicitaties van Wurm. En betrapt ze Kobe zonder zonnebril op zijn balkon terwijl hij haar niet opmerkt. Ze blijken een leven te leiden waaruit het bestaan van hun drie dochters is weggesneden. Dit is zo schrijnend dat Mees in haar fantasie een constructie maakt van hoe het er bij hen vroeger aan toe ging, gespeeld door Do, Ilse en zij zelf. Op de vraag van de meisjes waarom er zo zwaar en onderdrukt geademd wordt in huize Staal, geeft Mees het antwoord: ‘Ik denk dat het is omdat we er zijn,’ (…). We mogen er niet zijn.’

    Entius legt met bedrieglijk gemak verbindingen tussen feiten en fictie, die je als lezer al snel doen geloven dat alles is gegaan zoals het verteld wordt. Maar schijn bedriegt. Stukje bij beetje komen we aan de weet hoe het eraan toe ging bij de familie Staal. De feiten vergaart Mees door familieleden te ondervragen en in haar eigen herinneringen te duiken. Dat levert zo weinig op dat er nog een flinke dosis fantasie voor nodig is om er iets van te maken zodat Mees verder kan met haar leven. Ze bezoekt  haar overleden oudere broer. Wurm is uitgegroeid tot Luuk en bevindt zich in het overgangsgebied van gestorven baby’s en abortussen. Een gebied dat zich laat verbeelden als een berglandschap. Waarom hij gestorven is, vraagt Mees. Waarop Luuk zegt dat hij de hooggespannen verwachtingen van Kobe nooit had kunnen waarmaken. Zulke uitspraken geven het – soms verstikkende verhaal – telkens weer een luchtigheid mee die je even op adem laat komen. Zo ook rond de dood van Wurm, alles daar omheen is met grote beklemming beschreven. Dan ontvangt Muis  een kaart van een oud collega: ‘Ze schreef iets over Onze Lieve Heer en dat Wurm in goede handen was nu. Dan waren de mijne zeker fout, dacht Muis.’ Door zo’n gedachte wordt ze even boven zichzelf uitgetild.

    Het kabinet
    Het boek is als een ‘kantelvertelling’: het verhaal scheert rakelings langs verzonnen handelingen (het spel dat de drie zussen op volwassen leeftijd voor Kobe en Muis opvoeren met de bedoeling hen een spiegel voor te houden en dus niet plaatsvond) en verborgen feiten (Muis bewaarde liever geen grote messen in de keukenla) brengt al draaiend en buitelend een fantastisch verhaal aan het licht dat te gek lijkt voor woorden. Maar daar is Yolanda Entius dus goed in: het onzegbare met woorden verbeelden. Hierbij maakt ze ook gebruik  van de tekeningen die Mees voor haar eerste tentoonstelling als kunstenaar maakte. De titel van het boek is afgeleid van deze tentoonstelling die gewijd was aan de familie Staal, getiteld: Het kabinet. De ‘tweedee’ (tweedimensionale) tekeningen zoals Mees ze noemt, vormen tezamen een  kijkdoos waarin de geschiedenis van de familie Staal is vastgelegd. Indringend verhaal, zeer goed geschreven.

     

     

     

  • Recensie: De boekhandelaar en de detective – Ramiro Pinilla

    Recensie door: Rein Swart

    ‘Dit is toch al een roman?’

    In de Spaanstalige literatuur wordt graag geëxperimenteerd. Ik denk daarbij aan Rayuela, een hinkelspel van Cortazar, dat in verschillende volgorden kan worden gelezen en aan de ‘nevelle’ Nevel van Miguel de Unamuno, waarin een spel wordt gespeeld met de werkelijkheid. Ramiro Pinilla doet weer wat anders. Hij neemt een loopje met de detectiveroman op een manier die een heel onderhoudend boek oplevert.

    De Baskische boekhandelaar Sancho Bordaberri is in de ban van de detectiveschrijvers Hammett en Chandler en heeft zelf ook al de nodige boeken op dat gebied geschreven, maar geen enkele werd ooit de moeite waard gevonden om uit te geven. Sancho besluit daarom zijn laatste manuscript in zee te werpen. Op de plek waar tien jaar daarvoor de tweelingbroers Leonardo en Eladio Altube aan een rots werden vastgeketend met de bedoeling dat ze door de opkomende vloed zouden verdrinken, bedenkt hij dat hij deze nooit opgeloste moord zou kunnen onderzoeken en tegelijk optekenen. Van de verbeelding moet hij het blijkbaar niet hebben, denkt hij. Dan maar de kortere weg via de werkelijkheid. Vol goede moed gaat hij terug naar zijn assistente Koldobike en vertelt haar over zijn plan dat met de nodige scepsis wordt ontvangen. Dat weerhoudt de boekhandelaar er niet van om als privédetective Samuel Esparta, een figuur geënt op Sam Spade, een gleufhoed op te zetten en zich in een speurdersjas te steken.

    Het is 1945. We bevinden ons in het dorp Gexto in Baskenland, niet ver van Bilbao. Franco is aan het bewind en diens falangisten maken de dienst uit. Met op de voorgrond de blauwhemd Luciano, die zelf ook geïnteresseerd is in het schrijven van een roman, spelen zij een belangrijke rol in het verhaal. Dat waaiert vele kanten uit vanwege allerlei dorpelingen die verdacht zijn, omdat velen in onmin leefden met de broers die geen beste naam hadden. Sancho, alias Samuel, opereert vanuit drie plekken: thuis bij zijn moeder en zuster, in de boekhandel waar hij met zijn assistente de voortgang van zijn onderzoek bespreekt en op verschillende locaties in en rond het dorp en langs het strand waar een van de broers daadwerkelijk is omgekomen en de ander ternauwernood kon worden gered.
    De detective voert een grappige dialoog met zijn assistente, die nog niet geheel overtuigd is van het project.

    ‘Weet je?’ zegt ze met een vinger wijzend in mijn richting. ‘Je moet beginnen bij een pastoor.’
    ‘Een pastoor? Welke pastoor?’
    ‘De pastoor bij wie hij heeft gebiecht.’
    ‘Gebiecht?’
    Er glijdt een schaduw over haar gezicht.
    ‘Ik heb niets gezegd. Ik wil dit spelletje niet meespelen.’
    ‘Het is geen spel, het is zo echt als het leven zelf.’
    ‘Zo praten ze alleen in romans.’
    ‘Dit is toch ook al een roman?’

    De roman beschrijft alles zoals het is, maar het wordt nergens flauw, zoals dat gemakkelijk zou kunnen in een imitatie. Het boek houdt vaart, bezit spanning en humor, bijvoorbeeld als de assistente, die na enige tijd besluit mee te werken, in een kokerrokje en een blond kapsel verschijnt, omdat zoiets een betere indruk maakt in een boek.
    Deze pastiche op de detectiveroman, die in het Spaans onder de naam Sólo un muerto más door het leven gaat, had in het Nederlands wel een sprekender titel verdiend.

    De boekhandelaar en de detective

    Auteur: Ramiro Pinilla
    Vertaald door: Heijo Alting
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Prijs: € 19,90

  • Monument voor een moeder

    Monument voor een moeder

    De eerste zwaluw van William Maxwell (1908 – 2000) is een schrijnende maar ook tedere roman verscheen in 1937 en werd nu (2010) in het Nederlands vertaald. Deze kleine roman gaat over de familie Morison; James, Elizabeth en hun zonen Robert en Peter (Bunny) in het Amerika van 1918. De Eerste Wereldoorlog loopt ten einde en de Spaanse griep heerst alom. Het boek bestaat uit drie chronologisch vertelde verhalen, ingedeeld in boek één, twee en drie.

    Het begint op een zondag in november, geschreven vanuit de achtjarige Bunny. Bunny is net wakker en maakt een inschatting van hoe de dag belooft te worden. Buiten waait de wind om het huis en rukt aan de lindeboom. Bunny heeft, hoewel hij als jongen niet geacht wordt met een pop te slapen, de Indiaanse pop Araminta Culpepper bij zich in bed. Met haar naast zich op het hoofdkussen overpeinst hij, dat als het een heldere dag zou worden, hij naar zondagsschool zou moeten. Weer hetzelfde verhaal aanhoren van Daniel en de leeuwenkuil. En als hij weer thuis zou komen, er vast iemand zou zeggen dat het veel te mooi weer was om binnen te blijven: ‘Dan werd hij het huis uitgejaagd om diep ongelukkig in een bed van bladeren te rollen of te dwalen door de tuin waar nog niets bloeide (…).’
    Dan hoorde hij de regendruppels tikkelen die hem ervan overtuigen dat hij niet naar buiten hoeft. Zodra hij beneden zijn moeders stem hoort, komt hij uit bed. Hij begroet zijn moeder uitbundig: ‘Hoe gaat het met u? Hoe gaat het met u, en nog eens, hoe gaat het met u?’

    Tot zijn opluchting ziet hij aan de kruimels op tafel dat zijn vader al ontbeten heeft, zodat hij alleen met zijn moeder is. En zo heeft Bunny het graag. Hij hangt aan zijn moeder, zonder dat zij daar aanleiding toe geeft, en wil haar onverdeelde aandacht. Hij is een gevoelig kind die onophoudelijk aan het vertalen is wat de mensen om hem heen zeggen en doen.
    Maar zijn moeder is zwanger en dan is er ook nog zijn broer Robert, die in de pubertijd zit. Beide omstandigheden eisen de aandacht van zijn moeder op. Hij voorvoelt dat hij niet lang meer moeders lieveling zal zijn. Aan het einde van die zondag gaat het gezin gezamenlijk musiceren op de muziek van The U.S. Field Artillery. Bunny valt in slaap terwijl hij ritmisch met een stok op een bekken slaat. De muziek struikelt en ieder kijkt verstoord op. Dit tot tweemaal toe. Dan roept vader: ‘”In Godsnaam.”
    “Ik viel niet in slaap!” Zei Bunny, die dan zo klaarwakker is dat hij zelf gelooft dat hij de waarheid spreekt.
    (…) binnenin hem zat een andere kleine jongen (…) die het niet fijn vond als er tegen hem werd geschreeuwd. Die kleine jongen zei: “Krijg zelf de ballen!”‘.

    Vader stuurt hem naar bed. Hij probeert de blik van zijn moeder te vangen, hopend op een blijk van verontwaardiging over zijn straf. Maar hij is geschokt als hij ziet dat zijn moeder haar lachen probeert in te houden. Vanaf dat moment begint de wereld van Bunny af te brokkelen. De volgende dag wordt hij ziek, de Spaanse griep,  en krijgt de volle aandacht van zijn moeder.

    Ondanks dat de oudere broer Robert door een ongeluk een been verloor, die onder de knie is geamputeerd, is het een doordouwer. Zonder probleem springt hij met een been op een stoel en voetbalt hij energiek. Een type Tom Saywer, die continu  zijn broertje becommentarieert. Maar hij is ook gevoelig van aard. Hij wil zijn moeder beschermen tegen de Spaanse griep. Wanneer zijn moeder, die het verboden is de kamer van zijn zieke broertje te betreden, dit verbod negeert, voelt Robert dat hij tekort geschoten is. Zijn moeder ziek en ook zijn vader worden ziek. Wanneer Bunny weer beter is gaan ze naar het ziekenhuis. De baby komt daar ter wereld en kort daarna sterft Elizabeth, de moeder, aan een dubbele longontsteking. De jongens worden ondergebracht bij een tante en daar wordt Robert ziek.

    Het bijzondere van deze roman is dat aan de hoofdpersoon, Elizabeth, geen enkel hoofdstuk is gewijd. Krijg je in het eerste deel in de indruk dat Bunny de hoofdpersoon van de roman is, dan komt in het tweede deel Robert naar voren, waarna in deel drie de vader aan bod komt. Maar over de moeder geen woord. Alles wat de lezer over haar te weten komt is vanuit het gezichtsveld en de emoties van de drie voorgaande. Elizabeth is de hoofdfiguur, om haar draait alles. Zij maakte voor hen de wereld overzichtelijk.
    Het is niet voor niets dat Maxwell de titel ontleende aan een gedicht van W.B. Yeats: They came like swallows, hieronder in de vertaling van Gerlof Janzen.

    Als zwaluwen zijn ze gekomen en gegaan,
    Toch kan een vrouw met sterke wil
    Een zwaluw houden aan ’t doel van zijn bestaan;
    En een half dozijn dat in formatie vloog,
    Naar een bepaalde windstreek wervelend,
    Vond zijn koers in de dromerige hemelboog …

    Na het overlijden van de hoofdpersoon lijkt het gezin uiteen te vallen. James, de vader, is het zwaar te moede. Hij weet niet wat hij aan moet met de kinderen, het waren vooral Elizabeths kinderen.
    ‘Hij voelde dat het anders zou zijn geweest als hij niet gedaan had wat zij wilde dat hij deed. Want het was Elizabeth die had bepaald welke vorm zijn leven zou aannemen, vanaf het allereerste moment dat hij haar gezien had.’

    Maxwell verplaatst zich op een realistische wijze in het gedachtegoed van een acht- en dertienjarige jongen zonder ergens onecht te worden. Opmerkelijk is dat deze roman uit 1937 nog zo actueel overkomt. In 1918 verloor Maxwell zijn moeder aan de Spaanse griep. In heel zijn oeuvre speelt het verlies van een moeder een grote rol. De eerste zwaluw is en prachtig monument voor een moeder.