• ‘Een Duitse meester zonder land’

    ‘Een Duitse meester zonder land’

    ‘Een Duitse meester zonder land’

    Böhler maakt het zichzelf niet makkelijk in haar roman De beslissing. In plaats van een concreet persoon kiest zij voor het naziregime in Duitsland als tegenstander van haar hoofdpersoon: schrijver en Nobelprijswinnaar Thomas Mann. Het is voor de lezer niet makkelijk zich te identificeren met een abstract personage. Misschien maakt dit het moeilijk om het boek uit te lezen.

    Aan het thema ligt het in ieder geval niet. Al of niet stelling nemen tegen het kwaad is niet alleen een boeiend maar ook tijdloos gegeven. Belangrijke vraag hierbij: welke risico’s ben je bereid te lopen door een standpunt in te nemen?

    In de roman De beslissing ziet Thomas Mann zich in 1936 voor een groot dilemma geplaatst. Neemt hij openlijk stelling tegen Hitler en zijn regime of niet? Zelf woont hij al enige tijd met zijn vrouw Katja in het Zwitserse Zürich. Ongrijpbaar voor de Nazi’s. Toch staat er wel degelijk het een en ander op het spel. Zijn boeken zullen verboden worden in Duitsland, vertrouwelijke dagboeknotities kunnen op straat komen te liggen en last but not least zal hij zijn geboorteland niet meer kunnen bezoeken. Hoezeer het verlies van zijn vaderland hem aan het hart gaat, weet Böhler treffend neer te zetten. ‘Ze zullen nooit meer samenkomen, zijn land is voor altijd verdwenen, en hij blijft achter zonder vaderland. Een Duitse meester zonder land.’
    Toch besluit Mann een open brief te schrijven aan de Neue Züricher Zeitung waarin hij in duidelijke woorden afstand neemt van Hitler-Duitsland.

    ‘Eindelijk! Na drie jaar aarzelen heeft hij gedaan wat gedaan moest worden.’ Zo begint de roman. Daarna volgen we Mann in dagen van vertwijfeling. Zal hij de brief terugtrekken of niet? Tijdens al dat wikken en wegen krijgen we enkele interessante inkijkjes in het intieme leven van Mann. Bijvoorbeeld over een aantal homoseksuele liefdes. Deze passages zijn echter onvoldoende uitgewerkt zodat ze niet echt boeien.

    Wat blijft hangen van het boek is het eindeloze getwijfel van Thomas Mann en de beschrijving van een reeks alledaagse handelingen die zich aaneenrijgen zonder dat er iets opzienbarends gebeurt.

    Hoewel het thema origineel en actueel is, mist het boek vaart en spanning. Voor de bewonderaars van Thomas Mann is De beslissing waarschijnlijk boeiend om te lezen maar voor de rest van de mensheid vergt het behoorlijk veel geduld om het uit te lezen.


    De beslissing

    Auteur: Britta Böhler
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 18,90

     

  • De basso continuo van de storm

    De basso continuo van de storm

    Vijfenveertig jaar na een dramatische gebeurtenis treffen drie Nederlanders elkaar aan de Nederlandse kust. Het is hun laatste reünie, zo zal blijken. In het hotel Hoogduin zijn de Nederlandse ambassadeur in Angola, Ferdy Aronius, zijn moeder Alice en haar ex-minnaar Mees Stork samen. De drie hebben een gezamenlijk Indisch verleden. Gezamenlijk? Al op de eerste pagina’s van De beige man, de eerste novelle in de bundel Een tropische herinnering, wordt duidelijk dat er een nooit gedeeld geheim is. Iedereen is op de hoogte van de verschrikkelijke dood van Dieudonné, broer van Ferdy en de andere zoon van Alice. Dat gebeurde tijdens de Bersiap, de gewelddadige periode eind 1945 waarin onder andere veel slachtoffers vielen onder de Indo-Europeanen. Maar er is in de verwarring van die dagen teveel gebeurd om elkaar nog te durven vertrouwen. En daardoor vinden de drie al vijfenveertig jaar geen troost bij elkaar.

    Een tropische herinnering is het literaire debuut van de 79-jarige acteur en regisseur Eric Schneider, die dit jaar ook nog met zijn zoon Beau op de planken staat in Levenslang theater. Eric is de broer van Carel Jan, die hem als schrijver onder de naam F. Springer voor ging. Hij heeft zijn debuut aan hem en zijn tweede broer Hans opgedragen. De regisseur kan met dit debuut in de schaduw staan van Springer, al heeft zijn stijl niet de souplesse en zijn verhaalopbouw niet de evenwichtigheid van zijn veelgeprezen broer.
    Het is verleidelijk de twee te vergelijken, maar ook onterecht. Bloedverwantschap staat niet in de weg aan een geheel eigen karakter en ontwikkeling. De neiging van de buitenwereld om de literaire uitingen van de broers aan elkaar af te meten (Eric heeft die vast onderkend) maakt het aan de andere kant des te moediger dat hij zich daardoor niet liet weerhouden.

    De beige man voert de lezer langzaam naar de gebeurtenissen die tot de dood van Dieudonné hebben geleid. Die gebeurtenis zelf wordt uiteindelijk in slechts een paar regels, nuchter registrerend, verteld. Hij is dan ook niet het werkelijke thema van de novelle. Belangrijker is hoe beschadigd de drie reünisten uit het Jappenkamp en de Bersiap zijn gekomen en voorgoed het vertrouwen in elkaar zijn kwijtgeraakt. De reünie in Hotel Hoogduin is een traditie onder hen ter gelegenheid van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, waardoor de Japanse terreur in Indië eindigde. Tijdens de bijeenkomst wordt de ondergang van die steden, zoals het in de novelle heet, ‘gevierd’.

    Maar zoals Indië niet meer ‘van ons’ is, zo is Hotel Hoogduin tijdens deze laatste reünie ook niet meer het eigendom van Mees Stork. Hij heeft het noodgedwongen moeten verkopen aan zijn vroegere bediende in Indië, Boelie Kamidjojo. Die verbouwt het nu tot een Indische uitspanning met de naam Hotel Nieuw Buitenzorg. Diezelfde Boelie is de beige man uit de titel. Hij bedient de drie reünisten en waart voortdurend door de novelle als een onontkoombare personificatie van het schimmige verleden.

    Zoals tijdens een reünie gebruikelijk, worden doorlopend herinneringen opgehaald: aan het weerzien van elkaar na de gevangenschap in het Jappenkamp, aan de dood en uitvaart van Alice’s man, die dominee was en aan het verleden dat Alice en Mees met elkaar delen. Maar vooral schrijnend is wat jaren werd verzwegen en wat nu niet langer wordt verhuld: de eerste ontmoeting van Alice en Mees en hoe die het vertrouwen van de kinderen beschaamde, de ware toedracht van de dood van Dieudonné, de schuldgevoelens bij moeder en zoon en het onvermogen tot troost. ‘Dit gewelddadig herinneren’ noemt Ferdy, door wiens ogen we de reünie meebeleven, dit. Buiten het hotel klinkt ‘de basso continuo van de storm’ als een echo van wat zich binnen afspeelt.

    Hoewel deze eerste novelle ons in een duidelijke lijn naar de climax toedrijft, is hij ook in onbalans. Er komt wel erg veel gewicht liggen bij de talrijke ontmoetingen van Mees en Alice en de herinneringen aan hun gezamenlijke dans- en muziekgeneugten. Dat wordt enigszins storend als je als lezer het gevoel krijgt dat die passages door de auteur zijn uitgesponnen om de ontknoping uit te stellen. Tegelijk kun je ook stellen dat Schneider wat teveel ineens wil. De herinneringen aan de Bersiap, de omgang met het verlies van het gezag over Indië (Mees blijft ook nu nog als een koeliedrijver tekeer gaan tegen Boelie, hoewel de werelden zijn omgekeerd), de twijfels van Ferdy over zijn identiteit (Was de dominee zijn vader of is Mees dat? Wat moet hij met zijn homoseksualiteit in de diplomatie?): het zijn allemaal thema’s die voldoende stof zouden leveren voor afzonderlijke novelles.

    Toch levert Eric Schneider mooie passages. Zo beschrijft hij de gedachten van Ferdy aan de dood van zijn vader, die hij niet mocht, in een mooie mengeling van afschuw en tederheid: ‘zijn reusachtige, veel te dikke vader was in de loop van een jaar gereduceerd tot een uit het nest gevallen vogeltje’. En als Ferdy eerst zijn moeder en daarna Mees telefonisch op de hoogte wil stellen van zijn dood en bij beiden de ingesprektoon krijgt, staat er: ‘Zacht, alsof hij hen had afgeluisterd, legde hij de hoorn weer op de haak’.

    Eveneens herinneringen aan traumatische gebeurtenissen in de tweede novelle, getiteld Firs. Een epiloog. Een kort verhaal van nog geen veertig pagina’s, dat net als het eerste overloopt van de thema’s. Centraal staat een ruim tachtigjarige acteur, die de rol speelt van de bediende Firs uit De Kersentuin van Tsjechov. Op de nachtelijke terugweg naar huis rijdt de bus met acteurs een hert dood. Bij het ongeluk raakt de Firsvertolker lichtgewond. Thuis voor de spiegel kijkt hij zijn gekwetste gezicht aan, terwijl zijn vrouw, dementerend en alcoholiste bovendien en overdag verzorgd door een Surinaamse weduwe, in bed ligt te slapen. Hij mag haar vooral niet storen omdat ze dan onhandelbaar is.

    De tragiek van zijn situatie wordt voor de lezer steeds voelbaarder terwijl hij in de nacht voortmijmert. Over de ontwikkelingen die hij niet meer kan volgen. Over zijn gevoel als acteur te worden afgedankt, nog eens bevestigd door het telefoontje van de regisseur in dezelfde nacht dat hij van plan is de rol aan een ander te geven omdat het gezelschap niet kan wachten tot hij opgeknapt is.

    Vervolgens dringt het leven van zijn vrouw, een actrice die al lang niet meer kan optreden, zich aan hem op. Hun eerste woelige kennismaking, de slippertjes, het kind dat ze kreeg en verloor (doodde?) in de onderduik, de merkwaardige ‘muisstille man’ in hun leven, haar ziekte en aftakeling. Hij beseft dat hij ook haar niet meer bij zich kan houden. Uiteindelijk staat hij naakt en verloren in de vroege morgen in zijn kamer.

    ‘Mij hebben ze vergeten’ zegt hij Firs in de slotscène uit De Kersentuin na.

    Duidelijk is hoe dit meedogenloze afschminken van een oude acteur Eric Schneider, zelf bijna tachtig jaar, bezighoudt. Het was ook al eens het onderwerp in zijn voorstelling Nocturne in 2009.

    Met Een tropische herinnering (niet alleen de titel van deze uitgave, maar ook de ondertitel van de eerste novelle) wil hij ook weer het theater in. In 2014 gaat de toneelbewerking ervan in première.

     

  • Geschiedenis uit een duister verleden

    Geschiedenis uit een duister verleden

    Recensie door Lodewijk Lasschuit

    Als in 2013 in Nederland de afschaffing van de slavernij wordt gevierd is er eigenlijk weinig feestvreugde maar des te meer te herdenken. De verhalen over de slaventransporten krijgen gedurende dit jaar meer aandacht. Dan Sleigh en Piet Westra hebben er een boek over geschreven. De Verenigde Oost-Indische compagnie organiseerde de slaventransporten. In sommige documenten wordt gesproken over de ‘loffelijke compagnie’ en ook is er sprake van de ‘achtbare compagnie’. Heden ten dage is het moeilijk te bevatten wat er eigenlijk zo loffelijk of achtbaar aan deze onderneming was.

    Het verhaal over de reis met de Meermin weerspiegelt het gebrek aan compassie en de ongebreidelde zucht naar geldelijk gewin. In het jaar 1717 werd er onderzoek gedaan naar de mogelijke inzetbaarheid van Aziatische en Afrikaanse slaven. De bewindvoerders van de VOC waren van mening dat zij goedkoper waren dan Europese arbeiders. Ook waren zij inschikkelijker en meer bereid om minder aangename en zwaardere taken te verrichten.

    In de praktijk bleek echter dat de slaven zorgden voor een voortdurende staat van onrust en ondanks zware straffen bleven ontsnappen en vreselijke misdaden begingen als reactie op hun onmenselijke behandeling. Er werden proclamaties uitgevaardigd waarin werd vastgelegd dat een slaaf die zijn hand ophief tegen zijn eigenaar ter dood zou worden gebracht en een slaaf die zich luidruchtig gedroeg tijdens een kerkdienst zou worden gegeseld. Dit was de achtergrond waartegen het drama van de slavenopstand op de Meermin zich in 1766 afspeelde.

    Onder commando van Schipper Gerrit Christoffel Muller zette men koers naar Madagaskar. Met de plaatselijke heersers werd onderhandeld over de prijs die moest worden betaald voor de slaven. Om de handel vlot te laten verlopen en om de plaatselijke bevolking gunstig te stemmen werden geschenken overhandigd bestaande uit messen, lappen stof, kralen, arak (sterke drank), pijpen en tabak. Soms werd na veel loven en bieden de prijs van een slaaf bepaald op twee geweren, honderd kogels en honderd vuurstenen terwijl over de hier nog aan toe te voegen hoeveelheid buskruit nog verder werd onderhandeld. Overigens werden regelmatig de prijzen verhoogd doordat er hevige concurrentie ontstond tussen Hollandse en Franse kooplieden. Eenmaal aan boord van het schip dat ze zou vervoeren naar Kaap de Goede Hoop, werden de slaven kaal geschoren en paarsgewijs geboeid. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Om te voorkomen dat messen of andere wapens werden verborgen, was het enige kledingstuk dat de slaven mochten dragen een doek om hun naaktheid te bedekken. Er breekt scheurbuik uit onder de slaven en op aanraden van de scheepsarts worden de slaven bevrijd van hun boeien om ziekte en dood te voorkomen. De slaven maken zich meester van een aantal assegaaien en een zwaard en komen in opstand. Drieëntwintig officieren en manschappen worden gedood. Sommigen werden levend in zee gegooid, anderen eerst met een assegaai, een bijl of een hamer vermoord. Negenentwintig bemanningsleden hebben de ramp overleefd en van een aantal van hen zijn in het boek getuigenverklaringen opgenomen. Uiteindelijk worden de leiders van de opstand gestraft. De gezagvoerder van de Meermin en zijn stuurman worden wegens nalatigheid en plichtsverzuim ontslagen, zij worden verantwoordelijk gehouden voor het verlies van het schip dat aan hen was toevertrouwd.

    De in het boek opgenomen opsommingen van onder meer de inventaris van goederen die zijn geborgen uit de Meermin en op een openbare verkoping werden geveild, komen de leesbaarheid van het boek niet ten goede. Heel gedetailleerd zijn een bouwplan en een zeilplan van het schip opgenomen hetgeen de in maritieme historie geïnteresseerde lezer zeker zal plezieren. De als bijlage opgenomen chronologie draagt er toe bij dat een helder overzicht van de gebeurtenissen wordt verkregen. Deze chronologie is vooral belangrijk omdat door de uitvoerige uiteenzettingen over bijvoorbeeld de getuigenverhoren de aandacht van de lezer wel eens zou kunnen verslappen.

    Nergens in het boek wordt een moreel oordeel gegeven over de slavernij of de handelswijze van de Europese bemanningsleden. De schrijvers hebben zich onafhankelijk opgesteld en geven op een academische wijze de feiten weer.

     

    De opstand op het slavenschip Meermin

    Auteurs: Dan Sleigh en Piet Westra
    Vertaald door: Riet de Jong-Goossens
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 206
    Prijs: € 21,90

  • Dichtbij maar onbereikbaar

    Dichtbij maar onbereikbaar

    Francesca Melandri’s nieuwe roman Hoger dan de zee speelt in Italië, in de roerige jaren 70 van de vorige eeuw. Louisa en Paolo kennen elkaar niet, maar ze zijn allebei op weg naar een speciale beveiligde gevangenis. Deze gevangenis ligt op een eiland en is slechts door een smalle engte gescheiden van het vaste land. De echte wereld is te zien, dichtbij maar onbereikbaar. ‘Als je iemand echt gescheiden van de rest van de wereld wilt houden, is er geen muur hoger dan de zee.’ (p. 27) Het naamloze eiland heeft een prachtige natuur, het is paradijs en hel tegelijkertijd.

    Louisa, een moeder van 5 kinderen, gaat haar man bezoeken. Hij sloeg zijn kroegmaat dood en nadat hij een bewaker vermoordde in zijn vorige gevangenis, belandde hij op het eiland. Paolo komt voor zijn zoon, een lid van de Rode Brigades, die veroordeeld is voor executies van politieke tegenstanders, gewapende overvallen en talloze andere vergrijpen.
    Hun trouw aan de gevangenen is opmerkelijk. Wat doet hen steeds terugkomen?

    Louisa is beter af zonder haar man. Ze redt het prima, heeft goed opgevoede kinderen en de boerderij draait. Ze is opgelucht dat haar man er niet is, ze zijn mishandelingen niet langer hoeft te ondergaan en het bed niet meer met hem hoeft te delen. Alleen als ze zelf de tractor moet rijden mist ze een man, en dan niet eens haar man. Maar gelukkig heeft haar zoon zijn rijbewijs nu. Toch legt ze trouw telkens de gevreesde bezoekjes af waar ze zo tegenop ziet.

    Ook Paolo lijkt geen enkele reden te hebben om zijn zoon steeds te bezoeken. Door hem heeft hij zijn baan verloren en zag hij zijn vrouw sterven van verdriet. Maar toch, ook hij blijft komen gedreven door mooie, ongrijpbare herinneringen. Hij begrijpt helemaal niets van zijn zoon en diens daden. ‘…. als Paolo zijn hand uitstrekte voelde hij de warmte van dat zo bekende lijf, dat niettemin daden had verricht die hem onbekend waren…’ (p. 59). Ook zo dichtbij, maar onbereikbaar.
    De gesprekken met zijn zoon zijn bizar en tot zijn stomme verbazing merkt Paolo dat hij voor het eerst blij is dat zijn vrouw Emilia al jaren dood is. Blij zodat ze dit niet hoeft te weten of mee te maken. Zijn zoon de revolutionair zoekt naar het paradijs en daar komt een stuk schuldgevoel om de hoek kijken want  ‘Het was Paolo die hem had geleerd dat paradijs te willen.’ (p. 137)

    In het boek wordt de reis naar de gevangenis beschreven en de opluchting van Paolo en Louisa als het bezoek voorbij is, maar over het bezoek zelf, de gebeurtenis waar alles om draait, wordt met geen woord gerept. Als Louisa en Paolo terug naar het vasteland willen, verergert de heftige storm die woedt. De mistral maakt alles enkel water en beweging.  ‘De mistral had zelfs de lucht tot zee gemaakt, had er ziltheid, smaak, consistentie aangegeven. Als je hem inademde was het net of je algen over je wangen smeerde.’ (115)
    De bezoekers moeten op het eiland overnachten en de gevangenisdirecteur vertrouwt dat niet. Hij beveelt bewaker Nitti hen in de gaten te houden en zo komen de totaal verschillende levens van Paolo, Louisa en bewaker Pierfransesco Nitti plotseling samen. Schuchter ontstaat er contact en Paolo vertelt dat hij zijn zoon bezocht. In al haar eenvoud betuigt boerin Louisa hem haar medeleven. ‘ “Een zoon. Da’s erg.” Meer viel er ook niet over te zeggen.’ (p. 79)

    Het schuchtere aftasten van elkaar door Paolo, Louisa, Nitti en zijn vrouw is treffend beschreven. Voor alle personages is hun samenkomst verrassend en met verstrekkende gevolgen voor hun levens. Het verhaal komt wat traag op gang, met zinnen die vaak onnodig ingewikkeld zijn. Dat zou je natuurlijk literair kunnen noemen, maar voelt vooral omslachtig. Dan wordt de taal soberder en treffender. Het laatste deel van het boek is prachtig. Het is ontroerend om te lezen hoe Paolo, Louisa en Nitti zich geleidelijk voor elkaar openstellen, zich steeds iets meer bloot geven en elkaar durven te steunen. Hoger dan de zee is een verstild verhaal, zonder actie, maar vol inzichten en gedachten over eenzaamheid en liefde.

    Het is jammer dat dit mooie, contemplatieve verhaal afgesloten wordt met een epiloog. Het laten zien hoe het 30 jaar later met de hoofdpersonen gaat, zwakt de kracht en het naklinken van het verhaal enorm af. Dat is jammer.

    Hoger dan de zee is genomineerd voor de Premio Campiello. Francesca Melandri kreeg voor haar debuutroman Eva slaapt diverse literaire prijzen. Hoger dan de zee is haar tweede roman.

     

    Hoger dan de zee

    Auteur: Francesca Melandri
    Vertaler: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s 176
    Prijs: 18,90

  • Een kaping als propagandamiddel?

    Een kaping als propagandamiddel?

    Op 18 november 1983 kaapten zeven jonge Georgische vrienden, waaronder enkele kunstenaars, een vliegtuig om ermee naar Turkije te vliegen. Het uiteindelijke doel van deze jongeren, door de schrijver ooit de Jeans generatie genoemd, was de VS of in elk geval het vrije westen. Die schrijver is Dato Turashvili, geboren in 1966, en zelf een Georgiër die zich verzette tegen de dictatuur van het Kremlin. Er was echter nog wat ergers dan het Kremlin, zo wordt duidelijk uit Turashvili’s Weg uit de USSR. Dat was de dictatuur van de Georgische president Saakasjvili en zijn regeringsploeg zelf. Die liet niet af om tot het uiterste te bewijzen dat ze het braafste jongetje van de communistische klas was. In de verslaglegging door Turashvili is de hele verhouding tussen het Kremlin en de satellietstaat en tussen de machthebbers en de (jonge) bevolking samengebald in één explosieve gebeurtenis: de kaping.

    ‘Verslaglegging’ is eigenlijk wel een toepasselijke omschrijving voor deze roman. Die houdt het midden tussen een documentaire en een roman. Turashvili lijkt zich aan de feiten te houden maar veroorlooft zich de vrijheid van de verbeelding. Dat moet hij wel, want wat zijn de feiten in deze gebeurtenis? De auteur moet vooral afgaan op getuigenverklaringen en vermoedens, want processtukken zullen zorgvuldig zijn opgeborgen. Wat zou er trouwens uit de processtukken op te diepen zijn? Eén van de zaken die Turashvili in elk geval duidelijk maakt is dat in de verhoren propagandistische krachten aan het werk waren die een eerlijke procesgang wel zo ongeveer als het minst belangrijk beschouwden. Ter illustratie: de monnik Tevdore, biechtvader en vriend van de kapers, maar zelf tegenstander van hun actie, werd niettemin door de autoriteiten opgepakt en als hoofdverantwoordelijke voor de ‘terreurdaad’ naar voren geschoven. Tijdens het verhoor werd hem gezegd: ‘De waarheid interesseert ons niet. Voor ons is van belang dat u zegt wat de zaak ten goede komt. In het belang van de staat is liegen geen misdrijf’. Tevdore was trouwens een mooie bijvangst, want zo kon tevens de religieuzen een lesje worden geleerd.

    Maar die onzichtbare macht op de achtergrond ging nog veel verder. De kaping mislukte, deels omdat de jongeren zelf de zaak wel erg knullig hadden voorbereid en wel erg goed van vertrouwen waren in hun eigen plan, deels omdat ze pech hadden. Op het laatste moment werd hun vlucht omgeboekt naar een groter toestel, waardoor hun plan lastiger uitvoerbaar werd. Maar wás het wel pech? Turashvili lijkt het eens te zijn met de dochter van één van de kapers die het op opzet houdt. Ze schreef jaren later dat het plan voor de kaping was uitgelekt, maar dat de Georgische regering die toch bewust had laten doorgaan. Zo kon zij een daad stellen jegens de bevolking: denk niet dat je bij machte bent de staat te ondermijnen, want onze aanpak zal meedogenloos zijn. En meedogenloos was de verijdeling van de kaping. Er vielen tal van slachtoffers onder de inzittenden, niet door toedoen van de kapers zelf, maar door de militairen die zonder aanzien des persoons schoten. Uiteraard werden in de Georgische pers de kapers verantwoordelijk gesteld voor die moordpartij. Wie het echte verhaal wilde horen moest op The Voice of America afstemmen.

    Ook de berechting van de kapers stond volkomen in het teken van de communistische propaganda. Zo werd bij de zwangere Tina de vrucht weggehaald omdat de zwangerschap, als die bekend zou worden, onwenselijke sentimenten bij de bevolking zou kunnen wekken.

    Vlucht uit de USSR is een spannende roman, die maar weer eens blootlegt hoe het er in de communistische satellietstaten aan toeging. Het verhaal van de kaping en de berechting van de daders laat zien hoe de Georgische staat (en waarschijnlijk veel andere landen binnen de USSR) functioneerde door middel van intimidatie, propaganda en keihard optreden. Daarbij komt nog eens dat Saakasjvili en de zijnen er alles aan deden om bij het Kremlin in een goed blaadje te komen en zelfs harder straften dan de Moskouse baas. Maar evenzeer blijkt uit deze roman hoe anti-Russisch de stemming was onder een groot deel van de bevolking en dus ook hoe groot het wantrouwen in de eigen Georgische leiders was.

    Is Weg uit de USSR een goede roman? Aansprekend is hij zeker en de vertelstijl van Turashvili is sober en direct. De lezer blijft niet onberoerd door zijn verhaal. Maar dat gaat dan toch vooral op voor de tweede helft van het boek, waarin de kaping zelf en de verhoren en berechting van de jongeren worden beschreven. In de eerste helft is de spanningsopbouw echter wat kunstmatig. Af en toe zijn de dialogen onnatuurlijk. Zo leggen twee aanstaande kapers, kort nadat de lezer al getuige is geweest van een gesprek met de monnik, elkaar uit hoe belangrijk het is dat deze Tevdore een granaat het vliegtuig in smokkelt omdat onlangs een geestelijke niet werd gefouilleerd. Maar dat gegeven was natuurlijk juist de aanleiding om die monnik erbij te betrekken en dat was die twee kapers al lang bekend. De dialoog lijkt er dan ook alleen te staan om de lezer uitleg te geven. Tussen de gesprekspartners is hij volkomen overbodig.

     

    Weg uit de USSR (2013)

    Auteur: Dato Turashvili
    Vertaald door: Ingrid Degraeve
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 18,90

     

  • Zonder zang vaart niemand wel

    Zonder zang vaart niemand wel

    Met Maar zingend is de zesde bundel van Mark Boog (1970) in 13 jaar geworpen. En aangezien er tussendoor ook bijna evenzovele romans van zijn hand verschenen, en zijn dichtbundels niet tot de dunste behoren, mogen we hem gerust als een productief auteur beschouwen. En dat in weerwil van de levensfilosofie van de underdog die zijn werk lijkt uit te ademen. Een schoorvoetend optimisme, dat het halflege glas het voordeel van de twijfel gunt. En juist in zijn nieuwe bundel buigt Boog zich over de vraag ‘waar komt de levenslust vandaan?’ In het aangezicht van de dood wordt er nog zoveel ondernomen, maar waarom, waartoe?

    In het hart van de bundel, in de middelste van de zeven afdelingen waarin deze 71 gedichten tellende bundel is opgesplitst, klinkt in het gedicht Onooglijk maar zingend, dat inzet met ‘Zie de dag als een schedel opengaan’  het antwoord op de vraag waarom de onooglijke krekel zingt…‘vanwege de korte duur’. In een ander krekelvers echoot het: ‘Hoe onooglijk ook: zing! / Zing! Laat weten dat bestaat. […] Maar zing, zing! Verhef je / boven het harde gras, de kale steen. / Vanwege de korte duur.’ Bij wijze van huldebetoon mogen die onooglijke beestjes ook het omslag van deze bundel sieren. Vanwege al die goedbedoelde aansporingen kon Maar zingend wel eens de poëziebundel met de hoogste dichtheid aan uitroeptekens zijn! Toch zorgt de dichter met zijn ironie en understatement voor voldoende tegengas om aan de hem zo kenmerkende, poëtisch weifelende toon ook in deze bundel ruim baan te geven. ‘Vrolijk negerend! Zo gaan wij door het leven, / zo gaan wij voor elkaar / door het vrolijke leven.’ Humor, zelfspot geven genoeg lucht aan zijn werk. Mark Boog heeft zich laten kennen als een bedachtzaam dichter, die gaande het gedicht eerst merkt welke kant het op moet. Een dichter die met zijn aftastende gedachten zijn taalvermogen op scherp zet. De woorden zijn bij hem altijd helder. De zinnen kort. En een enkel neologisme als ‘dagdagelijks’ of ‘trouwogig’ voegt zich probleemloos in het zinsverband. Met een dichter als Hans Faverey heeft Mark Boog gemeen dat nogal wat van zijn gedichten variëren op een in gang gezette beweging waarvan het tot stilstand komen bezig is zich te voltrekken.

    Gered

    ‘In de prullenbak?
    Nee, naast de prullenbak.

    Oprapen dan maar,
    en toch maar niet weggooien.

    Als toeval bestaat – bijna smekend, de spreker smeekt –
    bestaat alles.

    Alles! En meer: ook wat niet bestaat.
    Dat bestaat ook.’

    Meer is het niet, maar het is vaak genoeg. De Duitse Bauhaus kunstenaar Oskar Schlemmer heeft eens opgemerkt dat een kunstenaar slechts aan een enkele beweging genoeg had. Daaruit viel genoeg inspiratie te halen voor een heel oeuvre. Te vermoeden valt dat Boog zich ook aan dit type kunstenaar verwant zou kunnen voelen. De reikwijdte van zijn gedichten is tamelijk beperkt. De toon na zoveel bundels vertrouwd. Een mooi en typisch Booggedicht is:

    Het lijkt te gaan regenen

    ‘Het lijkt te gaan regenen.
    In stille afwachting de grijze ochtend,
    die het ook niet kan helpen droog te zijn.

    Ergens wacht de opluchting van verwachtingen
    die uitkomen, hoe somber ook. Niet regenen
    is onaanvaardbaar.

    De ander, volmaakt, en de tekortkomingen
    ze vullen elkaar aan. Illustraties,
    niet meer dan illustraties.

    Op het bed, in de kamer die kleurloos lijkt, leeggebloed,
    een kleurloze gestalte. Wit, mager en toekomstig
    het aangezicht en de lakens.

    Wat doet het bed in de woonkamer?
    Het bed woont in de woonkamer.
    Het gaat regenen, het is droog.’

    De dichter speelt hierin een fijn spel van benoemen en verbeelden. Met de elkaar aanvullende tekortkomingen en verwachtingen houdt het gedicht z’n adem in. De verwachting werpt haar schaduwen vooruit, maar een soort verlicht stoïcisme maakt dat een sombere verwachting die uitkomt beter voelt dan een verwachting die niet uitkomt. Maar behalve de grijze, regenzwangere lucht buiten bevindt zich binnen het minstens zo onheilspellende wit van een ziekbed. Dient de ene tekortkoming ter afleiding van de andere? In een ander gedicht heet het: ‘Zonder vrees vaart niemand wel.’ In ieder geval geeft het gedicht genoeg te vermoeden om de opgebouwde spanning niet prijs te geven aan een eenduidig antwoord.

    Boog wisselt in zijn poëzie de eerste persoon enkelvoud geregeld af met de eerste persoon meervoudsvorm. Dat houdt hem uit de gevarenzone van de navelstaarderij. De aanwezigheid van de ander schuurt het zelfonderzoek en de verruimt de blik ervan.

    Vraag, Antwoord

    ‘Wat elkaar aan te doen,
    en hoeveel.
    Waarom, ook.

    Het huis kan vormen aannemen,
    sommige bedrieglijk echt,
    maar het is geen huis.

    De tuin dan?
    Die is tuin.
    We weten niet wat een tuin is.

    Er is altijd werk aan het verminderen
    van het onbekende.
    Geen werk is ooit gedaan.

    De vraag is: was het beter
    niet gedaan te hebben.
    Daarop een sluitend antwoord.’

    De laatste strofe legt echter een minpuntje van deze bundel bloot. Boog mag dan vanuit zijn denken tot poëzie komen, meestal lukt het hem om de gedachten weg te moffelen achter de eenmaal opgeroepen beelden. Maar in deze bundel willen de gedachten nog wel eens al te zichtbaar door het vers heen schemeren. Liever zien we uit de gedachten een aforisme tevoorschijn treden als: ‘Naarmate de wereld groter wordt / wordt de wereld kleiner.’ Ach, wat citeerbare zinnen betreft: die zijn ook in deze bundel niet zuinig gezaaid.

    Soms komt wat de dichter wat melig voor de dag: ‘Het kan natuurlijk zijn dat er bestaat, / maar het moet niet te gek worden: poneren is voor later/ Voorlopig is dit een gedicht, verder is alles onzeker./ (Dat is goed.)’ Maar de dit vers afsluitende regels ‘Ach, verrassen. / Wie kan het nog. / Wie wil het nog.’ weten de lezer toch weer in te pakken. Het probleem voor de recensent is dat op het citeren van een minder geslaagde, want wat al te gemakzuchtige regel: ‘Opdracht: doe vandaag iets. / Anders morgen. Het gaat erom /  dat het ergens om gaat.’ deze dan prompt gevolgd wordt door een aanzienlijk sterkere: ‘Het vreemde dat de dag is / vent zijn eigenschappen schaamteloos uit.’

    De reeks Naast iedere wieg heeft vooral ‘het kind’ in al zijn facetten, maar vooral de problematische, tot onderwerp. De moeizame pogingen van de ik-persoon om zich met het leven en zijn geliefde te verstaan, worden nu ingeruild voor de niet minder moeizame stappen van een kind op zijn levenspad. ‘Op de groei niet voorbereid is hij niet genoeg / om zijn lichaam te vullen. Te weinig inhoud / voor zijn rubberen benen, te weinig mens.’ Het sterkst is Boog als hij het menselijk tekort duidt in de reeks Als je je nu uitkleedt die een aantal liefdesgedichten of pogingen daartoe (Zevende mislukte poging om een liefdesgedicht te schrijven) bevat. Hierin toont de dichter zich als vanouds meester van de menselijke maat, het kwetsbare op de vierkante centimeter. ‘Niet het ene te zijn, noch het verre andere, / bestemming noch vertrekpunt: / de weg zelf, de afstand, je zo / steeds aan te raken.’ In deze poëzie is het vaak maar een regel, een enkel woord dat de waterscheiding vormt tussen geluk, tevredenheid of het verlies daarvan. Zijn gedichten geven de ik-figuur de illusie zich ternauwernood in de batige helft van het halflege glas te bevinden. ‘Elke volgende lente is een kleiner deel / van het mooie leven’.

    Een kwaliteit die deze bundel wel degelijk bezit is dat die bij herlezing andere gedichten als beste naar voren lijkt te schuiven. Want de woorden mogen dan helder zijn, de zinnen kunnen net op een afwijkende manier afbreken of vervolgen, en wat geruststellend leek in te zetten, kan zomaar in een weerhaakje uitdraaien. Kortom: op dit soort gedichten raakt men niet gauw uitgekeken. Aan dichten over het dichten bezondigt de dichter zich intussen royaal. Boog last er echter genoeg zelfspot in om met het overtreden van het gebod ‘gij zult niet dichten over het dichten’ weg te komen. In het allerlaatste gedicht schrijft hij ironisch dat het dichterschap een aan het ‘autisme verwante stoornis’ is, ‘die goed te behandelen is, bijvoorbeeld / door de dichter het dichten te verbieden.’ In de slotregels wordt dit maal niet tot zingen aangespoord, maar luidt het: ‘Sluit de ogen. Sluit toch de ogen.’ Een passende finale. De dichter is tot zwijgen gebracht. En voor Mark Boog, die keurig om en om poëzie en proza aflevert, zal de dichter misschien nog wel even mogen zwijgen tot zijn zesde roman geschreven is en de stand tussen beide weer gelijkgetrokken.

    Hoewel deze bundel misschien niet direct als eerste aan te bevelen valt ter introductie tot Boogs poëzie, zouden degenen die reeds voor zijn werk gevallen zijn zich aangespoord moeten voelen: laat ook deze bundel niet ongelezen!

     

    Maar zingend

    Auteur: Mark Boog
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 92
    Prijs: € 18,90

  • Gezichtsverlies – Pieter Toussaint

    Gezichtsverlies – Pieter Toussaint

    (On)schuldig kansberekenen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Zijn begrippen als ‘kans’ en ‘toeval’ eigenlijk wel van toepassing op onze werkelijkheid?
    Deze vraag van de in Noorwegen woonachtige wetenschapper Viktor Rijshout loopt als een rode draad door het boek Gezichtsverlies.

    Terwijl Viktor Rijshout op de markt gezond voedsel koopt, is hij in gedachten bij zijn vrouw, die twee jaar geleden is bij hem is weggegaan na de dood van hun zoontje Ole. Was het puur een ongeluk en toeval dat Ole in zee verdronk of was het nalatigheid van Viktor, die even alleen wilde zijn op het strand en zijn zoontje alleen liet zwemmen? Terug op zijn kantoor met zijn verse brood en schapenkaas, wacht er een ambtenaar van justitie op Viktor met een vraag. In een ziekenhuis stierven drie patiënten, die niet terminaal ziek waren binnen drie dagen. Het ziekenhuis telde een onderzoek in, waaruit bleek dat er ten minste twaalf patiënten onder verdachte omstandigheden waren overleden tijdens de diensten van een bepaalde verpleegkundige. Zij wordt gearresteerd. Het probleem bij het justitieel onderzoek is, dat er geen direct bewijs is en er geen patroon is in de verschillende situaties. De ambtenaar denkt, dat de statistiek misschien hulp kan bieden. Hij stelt Rijshout de vraag, of hij een kansberekening kan maken of twaalf keer een overlijden van een patiënt tijdens de dienst van een bepaalde verpleegkundige toeval zou kunnen zijn. Viktor vindt de vraag enerzijds interessant, maar heeft er anderzijds niet veel zin in.

    Wanneer hij op een dag met een goede vriend, Anders, gaat vissen, vertelt hij over de kwestie: ‘Ze hebben geen direct bewijs van schuld en nu is mij gevraagd om de kans te berekenen dat de verdachte de moorden niet heeft gepleegd.’  Anders reageert: ‘Dat klinkt idioot, moet ik zeggen. Ik ben natuurlijk maar een halfgare fotograaf, maar de kans berekenen dat iemand onschuldig is… Jezus, doe jij dat soort dingen?’.
    Anders vindt eigenlijk dat Viktor zijn wetenschappelijke kwaliteiten (en integriteit) niet aan dergelijke zaken moet besteden. Viktor twijfelt enorm, wil eigenlijk zijn medewerking opzeggen, maar krijgt dan een honorarium voor deze klus aangeboden, dat hij eigenlijk heel goed kan gebruiken. Dus gaat hij verder op de ingeslagen weg. Hij raadpleegt gegevens van een Franse specialist op het gebied van kansberekening in reeksen gebeurtenissen en bestudeert een ouder onderzoek van een Russische wetenschapper.
    Van de justitie-ambtenaar krijgt hij enkele dossiers over de verpleegkundige. Zij is zelfs iemand, die Viktor ooit ontmoet heeft op de ouderavonden op school en bij wie hij na de dood van zijn zoon ook begrip ondervond. Hij gaat deze verpleegkundige opzoeken in de gevangenis, later heeft hij daar spijt van.

    Op een dag nodigt zijn vriend Anders hem uit samen te gaan jagen. Viktor heeft zo’n verzoek altijd kunnen weigeren, maar deze keer accepteert hij de uitnodiging. De vrienden verblijven in een hut, ’s avonds bij het haardvuur vraagt Anders naar het justitieel onderzoek en zegt: ‘je gaat me toch niet vertellen, dat je daaraan meewerkt?’ De volgende morgen vroeg vertrekken ze voor de jacht. Viktor voelt zich uiterst ongemakkelijk, zowel door het gesprek van de voorgaande avond, als door het jagen op zich, dit is niet zijn wereld. Wanneer Anders in de loop van de morgen een hert raakt, blijkt het later een groot debacle: de maag van het hert is geraakt, waardoor het onverkoopbaar is. Deze scène zou weleens symbool kunnen staan voor wat er verder met Viktor gebeurt.

    Alles mislukt. Na de scheiding is zijn vrouw met hun dochter in Denver gaan wonen. Wanneer Viktor een uitnodiging krijgt voor een wetenschappelijk congres in die stad, waar hij een lezing mag houden, besluit hij te gaan. Enerzijds wil hij gehoor en bevestiging voor zijn theorie en anderzijds wil hij zijn dochter ontmoeten. Na zijn lezing op het congres is er een collega die veel kritiek heeft en eindigt de wetenschappelijke discussie nogal onbestemd. De ontmoeting met zijn dochter is eigenlijk ook geen succes, mede omdat zij hem thuis uitnodigt, waarbij hij zijn ex-vrouw ook weer tegenkomt. Terug in Noorwegen schrijft hij zijn ‘kansberekening’ en heeft daar feiten bij bedacht. Collega’s vragen om uitleg. Zeker omdat zijn advies toch gevolgen heeft voor de rechtszaak, ook al had hij gevraagd zijn naam buiten de publiciteit te houden. Hetgeen niet is gebeurd. De journalisten staan bij de deur van de universiteit hem op te wachten.

    De hele kwestie heeft vooral zijn herinneringen aan de dood van zijn zoontje weer opgerakeld en Viktor doet een poging om wetenschappelijk te onderzoeken of zijn zoontje door toeval is verdronken en of hij dat  had kunnen voorkomen.

    Deze korte roman van Pieter Toussaint geeft een mooi beeld van de dilemma’s van een wetenschapper en is daarmee hoogst actueel. Hoe de hoofdpersoon het verlies van zijn zoon verwerkt, lijkt in eerste instantie vooral een rationeel verhaal, maar gaandeweg de roman komen de emoties van de vader meer naar boven.

    Dit is de vierde roman van Pieter Toussaint is sinds 2007 hoogleraar aan de universiteit van Trondheim in Noorwegen.

     

     

    Gezichtsverlies 

    Auteur: Pieter Toussaint
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 18,90

  • Een minder sterk boek

    Een minder sterk boek

    Een nieuwe roman van een schrijver die de Nobelprijs won is per definitie iets bijzonders, en dan ook nog een boek dat eerst in het Nederlands, en dan pas buiten dit land verschijnt. Er zijn er ons teveel reeds ontvallen, van de schrijvers die deze eer toegewoven kregen. We hebben geen José Saramago meer (Nobelprijs 1998), die met lange meanderende zinnen de lezer in een hoek dreef van zijn maatschappijkritische parabels. Dat waren vaak parabels waarin we maar moesten aannemen dat er bijvoorbeeld op een goed moment niemand meer sterft in een land en wat er dan gebeurt. Of dat iedereen in een stad tegelijkertijd blind wordt. Saramago gebruikte grote, bijna ongelooflijke gebeurtenissen en beschreef hoe eenvoudige mensen daarop reageerden. En dat lukte hem.

    De nieuwe roman van J.M. Coetzee, Nobelprijswinnaar in het jaar 2003, lijkt in de titel: De kinderjaren van Jezus te knipogen naar een befaamde titel van Saramago, Het evangelie volgens Jezus Christus. Maar de overeenkomst met het werk van Saramago gaat verder. 

    Waar Saramago het evangelie herinterpreteert volgens een nieuw beschreven levensverhaal van Jezus, houdt Coetzee veel meer afstand en ziet de lezer slechts een zekere analogie in het leven van de jongen David, zijn tijdelijke vader Simon, en zijn aangenomen moeder Ines, en de klassieke ‘Heilige Familie’.

    Simon en David komen in een Spaanstalig land aan, over zee, ze zijn vluchtelingen zonder geschiedenis. David had op de boot nog een brief met meer informatie over zijn ouders, maar die is verdwenen, waarna Simon zich over hem ontfermt. De zoektocht van Simon naar de moeder van David is een belangrijke impuls voor de eerste hoofdstukken van het boek. Simon vindt werk als stuwadoor in de graanhavens en brengt zijn tijd door met socratische vraaggesprekken met zijn collega-stuwadoors en met de jongen, David, maar ook met Ines, de ‘moeder’ die Simon op zeker moment‘herkent’. David ontwikkelt zich mede door deze socratische vraaggesprekken tot een eigenzinnig en intelligent kind. Maar gaandeweg is zijn eigenzinnigheid eerdere verwendheid, en zijn intelligentie lijkt op hol geslagen. Hij rekent en leest ‘anders’ dan gewone kinderen en in de manier waarop Ines en Simon daarop reageren, herkennen we de hedendaagse tijgerouders die iedereen en alles afwijzen die de buitengewone begaafdheid van hun kind niet wenst in te zien. Een collega van Simon waagt zoiets te zeggen en de anders zo rustige Simon voelt een grote woede opkomen.

    Coetzee heeft in De kinderjaren van Jezus een wereld geschapen die in veel lijkt op de onze, waar armoede en vluchtelingenbewegingen een plaats hebben, waar gewone mensen een leven moeten opbouwen, en heeft in dit bestaan een drietal figuren geplaatst, een atypische ‘heilige’ familie die in een vrijwel voortdurend vraaggesprek verwikkeld is.

    Coetzee wil enerzijds, door net als Saramago te verwijzen naar het oude en overbekende Christusverhaal dat als basis van onze cultuur geldt, de lezer helpen principiële vragen te stellen over de wereld. Vragen over familieverbanden, verbanden in werk, vragen over angst en vertrouwen. Wie is familie? Wie bloedverwant is of wie kiest voor elkaar te zorgen? Waartoe dient werk, om dat wat gedaan moet worden zo efficiënt mogelijk voor elkaar te krijgen, of om zinnig een dag door te komen? Waartoe moet dit leven leiden? Een vraag die blijft hangen specifiek in het roadmovie-achtige slot van het boek (op de vlucht voor de onderwijsinspectie), maar algemener ook wel door de ontwortelende doelloosheid in de levens van de hoofdfiguren.

    Maar anderzijds lijkt de monsterlijke aandacht voor het kind, van David gewoon een vervelend rotjoch te maken, zijn ‘ouders’ zijn stekeblind. En is dat dan de uiteindelijke portée van deze maatschappijkritische parabel à la Saramago? Dat teveel filosofisch nadenken over getallen en leren lezen aan de hand van Don Quichotte de realiteitszin verweekt? Of moeten we aannemen dat matig doorgronde denkbewegingen de ontstaansgrond van het christendom zijn?

    Coetzee wekt in De kinderjaren van Jezus de indruk op teveel paarden te wedden. Er is een reminiscentie met eerdere grote boeken van hem: de wereld van Michael K. in Wereld en wandel van Michael K. Er is een vergelijking mogelijk met Wachten op de barbaren, maar Coetzee houdt in De kinderjaren van Jezus de spanning niet vol of is halverwege van thema gewisseld. Tot ruim halfweg is de lezer geboeid door de stilistische kracht van Coetzee, zijn sturende afstandelijkheid.  Waar de levens van personages in zijn eerdere boeken echter écht raakten, worden Ines, Simon en David naar het einde toe vooral onbegrijpelijk in hun toch al wonderlijke maar eerst nog fascinerende overtuigingen. Dan wreekt zich de laboratoriumsituatie steeds meer dat de personages geen verleden mogen hebben, er geen logische verklaring lijkt voor veel van hun handelen en we dus teveel maar moeten aannemen. Bijvoorbeeld waarom een cocktail-nippende en tennisspelende rijkere dame in een residence overtuigd raakt voor een armoedig kind te willen zorgen en bovendien in een krot trekt omdat kinderen in de residence niet zouden ‘mogen’. Of waarom Simon werkelijk van David houdt, maar door een afspraak met zich zelf alles goedkeurt wat Ines aan hem verprutst. In deze roman is teveel psychologisch ongefundeerd ten faveure van een filosofische lading die het toch ook niet tot het einde redt.

    Coetzee heeft na een lange min of meer autobiografische reeks prachtboeken in een poging aan te sluiten bij vroeger werk een minder sterk boek afgeleverd.

    Zie ook de recensie van Zomertijd op Literair Nederland

     

  • Verslag van een ontnuchtering 

    Verslag van een ontnuchtering 

    Verslag van een ontnuchtering 

    Nu de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog ver achter ons liggen, vond uitgever Christoph Buchwald van Cossee dat het tijd was voor de Nederlandse vertaling van Wir Wunderkinder (1957), een lichtvoetige roman van Hugo Hartung over de eerste helft van de twintigste eeuw. Hoewel de roman in de jaren vijftig razend populair was en er vijf miljoen exemplaren van werden gedrukt, lieten critici en literatuurwetenschappers deze links liggen. Volgens Buchwald paste het optimistische Wir Wunderkinder niet in de tijdsgeest, die werd bepaald door intellectuele zwaargewichten als Günter Grass en Heinrich Bölldie zich in hun verhalen bezighielden met de morele aspecten van de catastrofale oorlog. Critici zouden moeite hebben met de ironisch-vrolijke toon van de roman, die ook terugkomt in de ondertitel: ‘Ondanks alles een vrolijke roman van ons leven’.

    Voor een groot deel is die reactie van de professionele Duitse lezers uit de jaren vijftig en zestig begrijpelijk: het opgesplitste land was bezig met het verwerken van een collectief trauma, en dan biedt een ‘vrolijke’ roman misschien wel kortstondig troost, maar hij doet geen recht aan de verschrikkelijke werkelijkheid. Daarom vonden critici al snel dat Wir Wunderkinder de oorlog bagatelliseerde. Bovendien verzette de hoofdpersoon van de roman zich niet actief tegen de overheersing van de Nazi’s, maar deed hij aan ‘innerlijke emigratie’: hij vluchtte in de verbeelding. Daarin zagen de critici een rechtvaardiging van de passieve opstelling van de zwijgende meerderheid. Het Duitse lezerspubliek herkende zich juist in deze weinig heldhaftige houding tijdens de oorlog. Een roman die wijst op het absurde en komische van de oorlog en tegelijkertijd predikt dat het leven  – ondanks alles – gewoon doorgaat, sterkte hen in hun verlangen naar progressie en toekomst. Voor critici en literatuurwetenschappers verscheen de roman gewoonweg te vroeg.

    In Wij wonderkinderen blikt de ik-persoon (van wie alleen de voorletter R. genoemd wordt) terug op zijn leven, waarin zijn oude schoolkameraad Bruno een belangrijke rol speelt. Bruno is de persoon tot wie de ik-persoon zich voortdurend verhoudt: hij is belichaming van het Duitsland van de eerste helft van de twintigste eeuw. Als scholier belooft Bruno eeuwige trouw aan de keizer, in de jaren twintig is hij een van de eerste volgelingen van Hitler en na de oorlog is hij ondernemer en een invloedrijk politicus. Bruno is een rasechte opportunist, die werkelijk alle mogelijkheden aangrijpt om hogerop te komen. Zo sluit hij zich aan bij het studentencorps in München, totdat de aristocratische leden erachter komen dat de praatjesmaker helemaal niet studeert. Daarna zoekt hij zijn heil bij Hitler, in wiens hiërarchie hij al snel weet op te klimmen. Kun je boos worden op iemand die alles uitprobeert om macht en aanzien te verwerven?, vraagt de ik-persoon zich na de oorlog af. Bruno is dan handelaar in pannen geworden.

    Bruno is een karikatuur, ja bijna een komisch personage. Je zou hem amoreel kunnen noemen. Hij waait met alle winden mee en laat zich niet leiden door innerlijke principes. Hugo Hartung rekent op een finale wijze af met het Naziregime door Bruno’s beweging, die bestaat uit navolgers van Hitler, af te schilderen als een verzameling omhooggevallen proleten. De leden van de familie Meisegeier bijvoorbeeld zijn de Tokkies van het Midden-Duitse geboortedorp van R. en Bruno, maar tien, twintig jaar later behoort de familie tot de elite van het Naziregime in München. Het is opvallend hoeveel waarde R. aan traditie hecht: de aristocratische afkomst van zijn Letse vriendinnetje wordt constant benadrukt, hij heeft veel ontzag voor zijn hospita (die de weduwe is van een generaal), roemt de grootheden van de Italiaanse Renaissance en citeert voortdurend Goethe. R. heeft op het gymnasium gezeten, waar hij les kreeg van een tirannieke leraar Latijn. R’s minachting voor parvenu’s als Bruno en de familie Meisegeier schemert regelmatig door in zijn notities. Voor R. is het des te pijnlijker dat zijn berekenende schoolvriend uiteindelijk aan het langste einde trekt.

    Wij Wonderkinderen is daarom niet alleen (of beter gezegd: uiteindelijk) een vrolijke en optimistische roman, maar het is ook het verslag van een ontnuchtering. De ik-persoon ziet dat de oude, vertrouwde wereld van eeuwenoude tradities en een standvastige elite van aristocraten en welvarende burgers onder de voet wordt gelopen door een stel barbaarse, omhooggevallen proleten die door de straten van München marcheren. Waar gaat het naartoe? Ook Die Welt von gestern, de schitterende memoires van Stefan Zweig die dertien jaar eerder het licht hadden gezien, sluit af met die prangende vraag. Zweig had weinig vertrouwen in de toekomst, want in 1942 beroofde hij zichzelf van het leven. Hugo Hartung deed dat niet en dat had hij wellicht te danken aan zijn afstandelijke, ironische kijk op wereld om hem heen. Maar de betrokkenheid van Zweig, die de Oostenrijkse auteur uiteindelijk fataal werd, is in Wij wonderkinderen ver te zoeken. Hartungs roman is daar te luchtig, te oppervlakkig voor. Alles wordt klein gemaakt zodat het binnen de sfeer van het persoonlijke past. Je kunt ook zeggen dat Hartung heeft geprobeerd om de grote gebeurtenissen van de eerste helft van de twintigste eeuw persoonlijk te maken, maar daarin is hij maar ten dele geslaagd.

    Het ontbreekt de geschiedenis van R.’s relatie met de Letse Wera en zijn huwelijk met de Deense Kirsten aan relevantie. Wél aangrijpend zijn de laatste hoofdstukken van het boek, waarin R. verslag doet van de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog. Het liefdevolle gezin van R. en zijn Deense vrouw Kirsten slaat zich met behulp van Kirstens spitsvondigheid door armoedige, gebrekkige omstandigheden heen die niet onderdoen voor de verschrikkingen van de hongerwinter.

     

    Wij wonderkinderen

    Auteur: Hugo Hartung
    Vertaald door Janneke Panders
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 21,90

  • Literaire avonturenroman met een scherp randje

    Literaire avonturenroman met een scherp randje

    Door Niels Nijborg

    Onlangs verscheen bij uitgeverij Cossee het laatste boek van Sherko Fatah De dief van Bagdad (Ein weisses Land). Eerder werd We gaan als het donker wordt (Das dunkle Schiff) uitgegeven. De vermelding van dit boek in 2008 op de shortlist van de Deutsche Buchpreis veroorzaakte Fatahs internationale doorbraak. De schrijver groeide op in Oost-Duitsland en vertrok later naar West-Berlijn, waar hij nog steeds woont. Hij is de zoon van een Koerdische vader en een Duitse moeder. Een Duitse schrijver die al in meerdere boeken voor een decor in het Midden-Oosten koos. De dief van Bagdad is een Bildungsroman (en een zoektocht naar moraal) waarin de avonturen worden verteld van een Iraanse straatjongen die vooruit wil komen in de wereld. Het resultaat is een fascinerende roman die je na de laatste bladzijde laat zitten met een aantal knagende vragen.

    De hoofdfiguur in De dief van Bagdad is Anwar. Als straatjongen in Bagdad in de jaren dertig van de vorige eeuw komt hij in contact met een rijke Joodse familie. Via de zoon van de familie maakt hij kennis met het communisme en via de dochter maakt hij kennis met de liefde. Maar Anwar wil meer. Hij streeft ernaar opgenomen te worden in de kringen van de rijken en machtigen. Hij ontmoet de roverhoofdman Malik van wie hij het inbrekersvak leert. Nu is hij in staat om de huizen van de rijken te betreden zonder opgemerkt te worden, maar dit vervult niet zijn verlangen om als gelijkwaardige te worden beschouwd. Dat is zijn doel. En niets is belangrijker voor hem dan dat.

    Ondertussen schildert Fatah een prachtig beeld van Bagdad in de jaren dertig. Een overvloed aan details brengen de stad tot leven voor de lezer. Hier beginnen de avonturen van Anwar. Anwar gaat op reis, zijn leven staat regelmatig op het spel en uiteindelijk komt hij weer thuis, de klassieke verhaallijn van een avonturenroman. In die zin is de titel niet slecht gekozen door de vertaalster. Net als de held uit 1001 nacht gaat ook Anwar op avontuur.

    Voordat hij vertrekt raakt hij betrokken bij verschillende complotten in Bagdad. Hij speelt een rol bij een aantal historische gebeurtenissen, maar begrijpt noch het belang, noch de consequenties ervan. Bagdad in de jaren dertig is een broeinest van politieke intriges en Anwar bevindt zich in het middelpunt. Hij spioneert voor zowel Malik de dief, als voor de nationalistische militair Nidal, als voor de Joodse communisten. Irak had na de Eerste Wereldoorlog een zekere mate van zelfstandigheid, maar feitelijk hielden de Engelsen, na het aflopen van hun mandaat in 1921, nog een dikke vinger in de pap vanwege de olie. Uiteindelijk leidt dit tot een staatsgreep in 1941 van nationalistische militairen met steun van Duitsland en de Grootmoefti van Jeruzalem. In Bagdad wordt een groot deel van de Joodse bevolking vermoord tijdens de coup. De Joodse bevolking had zich verbonden aan de Engelsen omdat zij op die manier een eigen land hoopten te verwerven. Het Arabische antisemitisme is in tegenstelling tot het Europese antisemitisme grotendeels gebaseerd op een territoriaal conflict met de Joodse bevolking. Anwar begrijpt niet dat hij medeverantwoordelijk is voor de problemen van zijn Joodse vrienden, dat zijn keuzes politieke en sociale consequenties hebben. Het enige doel dat hij heeft, is vooruitkomen in de wereld. Fatahs hoofdfiguur heeft geen moreel kompas omdat hij nooit heeft geleerd dat zijn acties gevolgen kunnen hebben voor anderen. De keuzes die Anwar maakt, maakt hij niet uit kwaadaardigheid. Hij heeft ook niet door dat hij zich door anderen laat gebruiken. Anwar komt op de lezer over als een sympathieke, naïeve hoofdpersoon.

    De opstand in Bagdad wordt onderdrukt door de Engelsen. Anwar vertrekt in het gevolg van de Grootmoefti van Jeruzalem naar Duitsland. Deze Grootmoefti is een figuur die werkelijk heeft bestaan. Een virulente Jodenhater die door de Duitsers gretig werd ingezet voor propagandadoeleinden. Later speelde hij een belangrijke rol in het mogelijk maken van een legioen bestaande uit Moslims dat onder andere aan het oostfront heeft gevochten. De historische figuren en gebeurtenissen uit het boek zijn door Fatah uit en te na onderzocht om ervoor te zorgen dat zijn verzonnen hoofdfiguur zo goed mogelijk is ingebed in de waarheid. Uiteindelijk is het avontuur van de verzonnen figuur Anwar net zo ongelofelijk als van vele historische personages uit die tijd. Door zijn verhaal ‘Erdung’ te geven, een historisch verantwoorde achtergrond, zoals Fatah vertelt in een uitzending van De Avonden van de VPRO (17 oktober 2012), wordt Anwar geloofwaardig. Het levert in ieder geval prachtige scènes op, zoals die waarin de hotelgasten onverstoorbaar doorgaan met hun gesprekken in de schuilkelder van het luxehotel tijdens een luchtaanval op Berlijn.

    Als Anwar wordt ingezet als soldaat aan het oostfront wordt het voor de lezer steeds moeilijker om hem zijn naïviteit te vergeven. Enerzijds doet hij wat nodig is om te overleven, maar anderzijds zijn de dingen die hij doet wreed en genadeloos. In een oorlogssituatie is het normaal dat ethiek en moraal naar de achtergrond verschuiven, eigenlijk de normale houding van Anwar. Vanaf het begin van het boek krijgen de daden, de keuzes van Anwar steeds vergaander consequenties. In een oorlog vecht je voor je leven, maar kan je het iemand vergeven dat hij in vredestijd zonder moraal functioneert? Bij nader inzien bekruipt de lezer het gevoel dat Anwar toch minder sympathiek is dan eerst gedacht. De gevolgen van zijn naïviteit zijn te wreed, te erg.
    Bij Anwars terugkeer in Bagdad, weten we dat we te maken hebben met meer dan een avonturenroman. De auteur heeft ons begeleid tijdens een zoektocht naar moraal, de Bildung van een persoon. De vraag is of dit ook duidelijk is voor Anwar. Anwar is te allen tijden een overlever en vertelt ons zonder het zelf te weten iets over moraal in woelige tijden. Hoe verder we komen in het boek, hoe ongemakkelijker we ons gaan voelen over zijn daden en keuzes. En misschien, aan het eind van het boek, voelt Anwar dat zelf ook.

     

  • ‘Afdalen in de innerlijke onderwereld’ 

    ‘Afdalen in de innerlijke onderwereld’ 

     Schrijven over de dood van je kind. Het moet een van de moeilijkste opgaven zijn voor een schrijver, maar het kan hem ook helpen zijn verdriet te verwerken. A. F. Th. van der Heijden bracht vorig jaar zijn in 2010 overleden zoon Tonio tot leven in de indrukwekkende, gelijknamige roman die bekroond werd met de Libris Literatuurprijs. In Uit de tijd vallen, de vertaling van Grossmans Nofeel mi-choets la-zeman, heeft de dood van het kind een algemener gezicht gekregen.

    Grosmanns roman wordt bevolkt door kleurrijke personages die allen – recentelijk of in een ver verleden – een kind verloren hebben. Deze personages, waaronder een stotterende vroedvrouw, een oude rekenonderwijzer en een gefrustreerde centaur, hebben de dood van hun kind nog niet verwerkt. Met behulp van hun dagelijkse bezigheden onderdrukken ze de pijn die hen van binnen opvreet. Op een zekere dag houdt één van deze personages, ‘de lopende man’, het niet langer vol en besluit hij zijn zoon op te zoeken in de ‘innerlijke onderwereld’. Hij neemt afscheid van zijn vrouw en laat huis en werk achter. Tot zijn grote verbazing sluiten vele andere ouders van overleden kinderen zich bij hem aan.

    Al in het begin van de roman wordt duidelijk dat Grosmann het thema van het overleden kind niet op een realistische manier heeft uitgewerkt, zoals Van der Heijden dat doet in Tonio. De personages hanteren een poëtische taal waarin zij beter hun sterke emoties en gedachtekronkels kunnen uitdrukken. Soms leidt dat tot prachtige passages, zoals ‘Tot een ongekende eenzaamheid veroordeelt de rouw de levende, die als een zieke door zijn ziekte wordt gehuld in eenzaamheid’. Andere passages hebben een nogal cryptisch karakter, zoals ‘Ik kon het toen niet, durfde niet te kijken in je oog, dat ene, het waanzinnige, in je verdwenenheid’. In de loop van het verhaal maakt het poëtische taalgebruik plaats voor meer prozaïsche zinnen, waardoor Uit de tijd vallen doet denken aan een Griekse tragedie: ook daarin wordt het innerlijk van de personages breed uitgemeten en is sprake van een externe vertelinstantie (het koor), die in Grossmans roman wordt belichaamd door de stadschroniqeur.

    Het beeldende en abstracte taalgebruik van de personages hangt samen met de ongedefinieerde, tijdloze ruimte waarin ze zich bevinden. De stadschroniqeur, die aanvankelijk alleen de gebeurtenissen registreert maar in de loop van het verhaal ook meer over zichzelf gaat schrijven, schetst een donkere, verlaten stad die bevolkt wordt door eenzame zielen. Eén van hen is de centaur, die – omringd door de kinderspullen van zijn overleden kind – al schrijvend zijn leed probeert te verwerken. In een stoet lopen de personages in een cirkel om de stad heen, behalve de centaur, die als schrijver aan de zijlijn staat.

    David Grosmann schreef dit boek op basis van eigen ervaringen. In de zomer van 2006 sneuvelde zijn zoon in Libanon toen zijn tank slechts een paar uur voor de wapenstilstand werd getroffen. De Israëlische auteur had ervoor kunnen kiezen om er een persoonlijk verslag van te maken, maar in plaats daarvan maakte hij de ‘rouw om het verloren kind’ in het algemeen tot thema. Grossman verenigt in zichzelf zo twee personages uit zijn boek, namelijk de centaur en de stadschroniqeur. De centaur als creatieve geest die zijn eigen verdriet en herinneringen op papier zet, de stadschroniqeur als verslaggever die het leed van anderen probeert te vangen en te begrijpen. Ironisch genoeg raken juist deze twee personages met elkaar in conflict, omdat de stadschroniqeur geen toegang krijgt tot de herinneringen van de centaur en de centaur de stadschroniqeur een gebrek aan authenticiteit verwijt. Toch is het juist deze combinatie van creativiteit en het vermogen om andermans leed te verwoorden, die Uit de tijd vallen tot zo’n waardevol boek maakt.

    Natuurlijk, je kunt Grossman kwalijk nemen dat hij zijn personages niet dieper heeft uitgewerkt. Want veel over hen komen we niet te weten. Het zijn types, mythische figuren die leven in een donkere, tijdloze wereld. Maar dat maakt Uit de tijd vallen niet zozeer tot een slechte roman, als wel tot een heel bijzondere, ongewone roman. Grossmans nieuwste boek is eigenlijk meer een gedicht rond het thema van het overleden kind, een aaneenschakeling van mantra’s (de ondertitel van Uit de tijd vallen is ‘Een verhaal in stemmen’). Vertaler Ruben Verhasselt heeft dit hybride literaire werk in krachtige, afgeronde volzinnen omgezet die je – zowel door ritme als woordkeuze – de pijn van de personages van dichtbij doen voelen.

     

  • Wat nu, arme zotlap? 

    Wat nu, arme zotlap? 

    Recentelijk is de wereldliteratuur met maar liefst twee Hansen verrijkt: Hans Keilson en Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen, 1893 – 1947).

    In beide gevallen gaat het om herontdekkingen. Mocht eerstgenoemde die lof nog in blessuretijd van zijn leven smaken, Hans Fallada’s herwaardering kwam op een moment dat hij al langer dood was dan dat hij ooit geleefd had. Maar daar staat tegenover dat Fallada’s werk tijdens zijn leven reeds een groot debiet kende. Daarna zakte het weliswaar wat in, maar sinds Jeder stirbt für sich allein in 2009 in een nieuwe Engelse vertaling verscheen (bij ons als Alleen in Berlijn), staat deze auteur weer volop in de internationale aandacht. En de vernieuwde vertaling van Fallada’s bestseller uit de crisisjaren dertig Wat nu, kleine man? mocht zich ook in onze huidige crisistijd in hernieuwde belangstelling verheugen.

    Geen wonder dat uitgeverij Cossee zich waagde aan een derde boek van Fallada, De drinker. En omdat zij dit jaar haar tweede lustrum viert, ligt dit boek in een ietwat kleiner formaat met een chique ogend zijden omslag tegen een lage prijs in de boekwinkel. Een spotprijs in verhouding tot de bedragen die de hoofdpersoon van het boek aan zijn drankverslaving spendeert. Want wie De drinker aanschaft in de veronderstelling kennis te maken met een drinkebroer komt niet bedrogen uit. Wie dit boek links laat liggen in de veronderstelling dat wat slechts € 12,50 kost nooit veel soeps kan zijn, bedriegt zichzelf. Het boek ontpopt zich namelijk al gauw tot niets minder dan een pageturner, waarvan het lezen bijna net zo verslavend is als de drankzucht van Erwin Sommer, de onfortuinlijke hoofdpersoon.

    Het eenvoudige verhaal, dat fraai inzet met de zin ‘Ik heb natuurlijk niet altijd gedronken’ komt kort gezegd hierop neer: levensmiddelenhandelaar Erwin Sommer, net de veertig gepasseerd, ziet de laatste tijd de zaken wat minder gaan. De nochtans kleine tegenslagen wil hij echter voor zijn vrouw Magda verbergen, temeer daar hij in zijn huwelijk recentelijk enige koelte van haar kant bespeurt en hij intussen niet op haar bemoeizucht zit te wachten. Na een korte woordenwisseling met zijn vrouw, komt hij erachter hoe goed een paar glazen wijn, uit een ooit van een tevreden klant cadeau gekregen fles, kunnen vallen. Hoe snel echter van het een het ander komt en het van kwaad tot erger kan gaan, laat deze roman overduidelijk zien.

    Niet lang nadat de fles wijn soldaat is gemaakt, staat het leven van Erwin Sommer volledig in het teken van de drank. Zijn zaak en zijn huwelijk laat hij voor wat ze zijn, om volledig op te gaan in zijn door alcoholroes gedomineerde wereldje. Daarbij verliest hij zich in de waan een relatie te hebben met een barmeisje, dat in werkelijkheid slechts uit is op zijn laatste contanten. Ook een onbetrouwbare, Poolse kamerverhuurder, bij wie Sommer zijn intrek neemt, doet wat menselijke slechtheid in deze roman betreft een aardige duit in het zakje, want ook hij slaat munt uit de laveloze hoofdpersoon.

    Sommer zelf is overigens allerminst de onschuld zelve. De lezer heeft hem al leren kennen als een man die sterk op zichzelf is gericht en niet geneigd is zijn wederhelft als bondgenote te zien. En de drank nu stuwt de achterdocht jegens haar tot ongekende hoogte. Daarbij komt Sommer zo diep te zakken dat hij, om maar aan geld voor drank te komen, in zijn eigen huis gaat inbreken. Als het daarbij tot een handgemeen met zijn vrouw komt, dreigt hij haar te vermoorden. Zover komt het echter niet. Sommer maakt zich snel uit de voeten met zijn buit van bijeen gegraaide lijfsieraden en tafelzilver. Vanaf dat moment is het zaak uit handen van de politie te blijven. Wanneer hij echter in het holst van een andere nacht stampei maakt voor zijn gesloten stamkroeg, haalt hij zich diezelfde politie alsnog op de hals en wordt hij weldra in verzekerde bewaring gesteld.

    Ruim een derde van het boek zit er dan op en tot dan heeft de lezer een in pakkende stijl geschreven verhaal gelezen. Daarna wijzigt de toon echter als gevolg van de veranderde plaats van handeling: de gevangenis en, na overplaatsing, een streng bewaakte inrichting. Van een onbetrouwbare verteller gaat de toon over in die van een reporter, die boven alles authentiek verslag lijkt te willen doen. Het doet denken aan Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, waar de hoofdpersoon ook wegens moord op zijn vrouw zijn straf uitzit. En waarin ook feitelijk verslag wordt gedaan van de lotgevallen van de medegevangenen en –celgenoten evenals van de vele onderlinge intriges (de pikorde, het onderlinge ruilverkeer, het jatten van elkaar). Echter, zo miserabel als het eten (vaak niet meer dan wat in gekookt water zwevende koolslierten) in Fallada’s dodenhuis is, was het in de negentiende-eeuwse Siberische werkkampen niet.

    Het is moeilijk om in Fallada’s verslag niet ook kritiek op het toenmalige gevangenissysteem te lezen. Maar de door gevaarlijke gekken omringde hoofdpersoon koestert tussen alle ellende door ook nog hoop op een verzoening met zijn vrouw, want ze zal toch wel niet eeuwig kwaad kunnen blijven vanwege zijn poging tot doodslag? En op zekere dag krijgt hij zowaar van de opperwachtmeester onverwachts te horen dat zijn vrouw er is om hem te spreken. ‘Mijn handen trilden te erg, mijn hart bonsde wild. Magda op bezoek in dit dodenhuis; het leven kwam me weer opzoeken; ik zou weer gauw bij haar zijn’.

    Het loopt uiteindelijk toch even iets anders… Maar ook dan weet Sommer zich te herpakken en te berusten, en jawel, tot de laatste zin hoop te koesteren op een in alcoholroes gedrenkt stervensuur waarin het hem zal toeschijnen dat zijn leven niet tevergeefs is geweest. Een waardig einde voor een waardig boek.

    Spijtig voor Rudolf Ditzen schreef Hans Fallada met De drinker zijn meest persoonlijke, om niet te zeggen meest autobiografische boek. Want evenals Sommer belandde de auteur zelf in de gevangenis na een poging tot doodslag op zijn vrouw. Dat was in het jaar 1944, een tijd waarin gevangenen en gekken zonder enige vorm van proces konden worden opgesloten. De maanden die de schrijver er doorbracht, benutte hij echter anders dan middenstander Erwin Sommer. Want in de gevangenis kwam het volledige manuscript van De drinker tot stand. Na zijn vrijlating bleek de gezondheid van Fallada door diens jarenlange verslaving aan morfine en alcohol te zeer ondermijnd om hem nog lang van zijn vrijheid te laten genieten. Toen De drinker uiteindelijk in 1950 in boekvorm verscheen, was Fallada al drie jaar dood.

    Waaraan het nu kan liggen dat dit boek zo verdomd goed is, laat zich moeilijk analyseren. Maar vermoedelijk is het antwoord – hoe weinig verrassend – in de stijl te vinden.  Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld en gaat hier en daar zelfs over in een inwendige monoloog, waarin de lezer zich soms direct aangesproken kan voelen: ‘Ik zei al dat Magda en ik aan onze bijna dagelijkse ruzies gewend raakten.’ De diverse vooruitwijzingen ‘ik heb toen een grote fout gemaakt, zoals ik pas later begreep’ verlenen het verhaal iets authentieks. Wanneer het vertelmoment, het ‘nu’ van de schrijver (‘o, die heerlijke periode, wanneer ik daar nu aan terugdenk!’) ligt, is niet geheel duidelijk. Wellicht is dat iets wat men Fallada wel verweten heeft: dat hij zich niet de tijd gunde zijn manuscripten nog eens rustig over te lezen, alvorens ze naar de uitgever te zenden. Feit is wel dat dit boek de indruk wekt in de enige juiste toon neergepend te zijn. En die toon is, ondanks het treurige verhaal, van zieligheid gespeend, waardoor de lezer niet met een larmoyante geschiedenis zit opgescheept. Integendeel, het volledig voor rekening van de hoofdpersoon komende verhaal, blijft vervuld van goede moed en drijft op het vertrouwen dat alles zich ten goede zal keren. In het begin blijft hij geloven dat hij zo weer van de drank af kan en zijn oude leven op kan pakken, en later, dat de instanties zullen inzien dat hij gevangen zit vanwege iets dat niet veel meer dan een onschuldig misverstand mag heten. Hoe dan ook, dat optimisme houdt Sommer het hele boek door op de been.

    Haast even makkelijk als dat hij zich tot het alcoholicisme bekeert, blijkt hij zich in gevangenschap zonder de fles staande te kunnen houden. Wellicht tekent dat de opportunist; die zich altijd tot het meest hoopgevende wendt, zoals een kamerplant naar het licht. Sympathiek is ook dat Sommer zijn tekortkomingen niet wegmoffelt: ‘Ik weet dat ik elke seconde van mijn leven een lafaard ben geweest, dat ik nog steeds een lafaard ben, dat ik altijd een lafaard zal blijven.’ Wanneer de hoofdpersoon al niet door dit soort genadeloze zelfanalyse de lezer voor zich in had weten te nemen, dan toch wel door de impliciete humor in een passage als deze, waarin hij door de agenten wordt opgepakt: ‘Hij heeft het goedgevonden dat ik de fles sterkedrank meeneem; ik heb die, met de kurk er losjes op, zo voor het grijpen in de zak van mijn broek. In ruil daarvoor heb ik hem mijn erewoord gegeven dat ik met hem mee zal gaan en geen vluchtpoging zal ondernemen, desondanks heeft hij een dunne stalen handboei om mijn rechterpols geklonken; misschien wantrouwt hij het erewoord van een zotlap toch een beetje.’

    Het mag verwondering wekken, dat in tegenstelling tot het merendeel van Fallada’s werk, deze in 1944 geschreven roman geen enkele referentie naar de tijdgeest van de nazi’s of de Tweede Wereldoorlog kent. Al is het voor een auteur wiens pseudoniem afkomstig is uit de sprookjes van Grimm misschien niet zo vreemd dat hij de maatschappelijke realiteit ook eens buiten de deur verkoos te houden. Net als in De avonden, waarin ook de feitelijke buitenwereld niet direct doordringt, ademt De drinker hierdoor een tijdloze sfeer.

    Het boek is zodanig geschreven dat de lezer er niet aan ontkomt zich zijn eigen voorstelling van Erwin Sommer te maken. En hoewel het verhaal maar liefst tweemaal verfilmd is, weet men al zeker dat de juiste toon van dit boek nooit in enig beeld kan worden getroffen.