•  ‘Und ewig, ewig sind die weissen Wolken’

    Lea staat op het schellinkje bij de uitvoering van Mahlers Das Lied von der Erde. De tranen biggelen over haar wangen, ze heeft nooit eerder zulke muziek gehoord. Op het hoogtepunt – Und ewig, ewig sind die weissen Wolken. Ewig, ewig – drukt ze zich aan de borst van de man naast zich, die zijn arm om haar heengeslagen heeft. Ze ontmoeten elkaar voor het eerst, de muziek heeft ze in elkaars armen gedreven. Hij is David Goldstaub – componist, liegt hij. Ook Lea liegt – ze is zangeres, zegt ze. Ze nemen een hotelkamer. Na een nacht vol passie vertrekt David in stilte. Hij heeft in Polen een leven vol vernedering en angst achter de rug, voortgejaagd door pogroms en golven van Jodenhaat. Na de ontmoeting met Lea, dit warme, gewillige dier, voelt hij zich bevrijd en neemt hij het lot in eigen hand, hij pleegt zelfmoord. Lea vertrekt naar Duitsland, op zoek naar een betere toekomst. Negen maanden later baart ze een dochter: Manja.

    Anna Gmeyner gaf haar boek – in 1938 voor het eerst verschenen, nu uitgebracht in een nieuwe vertaling – Manja’s naam, met als ondertitel Ein Roman um Fünf Kinder. De vijf kinderen vormen inderdaad het brandpunt, maar om hen heen rukt de barbarij op. Manja speelt zich af in het Berlijn van de jaren twintig en dertig, de Eerste Wereldoorlog is achter de rug, een nieuwe oorlog ligt in het verschiet. Het is een periode van economische malaise, hollende inflatie, opkomend fascisme, smerige rassenhaat, politieke verdwazing en grootscheeps alledaags geweld. De dreiging is voelbaar op iedere pagina; wie het boek destijds gelezen heeft, kan onmogelijk volhouden dat we niet wisten wat er in Duitsland aan de hand was.

    De kinderen, vier jongens en een meisje, zijn allemaal even oud en komen min of meer bij toeval met elkaar in aanraking, omdat ze buren zijn, bij elkaar in de klas zitten, of omdat hun ouders elkaar kennen. Ze komen een paar keer per week samen bij ‘de muur’, de verkruimelde resten van een bouwval op een afgelegen veldje bij de rivier. Er staat een kersenboom, een klimboom, ze maken een hol en houden er een konijntje. Karli mijmert over ‘zijn Manja’: Ze waren in hetzelfde ziekenhuis geboren, bijna op dezelfde dag. Hij had haar gevonden en de muur ook en die had hen bij elkaar gebracht, hij had Franz de muur laten zien en Franz aan Harry en Harry aan Heini, en zo waren ze vrienden geworden, door Manja en de muur. Manja is het licht in hun leven, de jongens willen later allemaal met haar trouwen, desnoods in groepsverband: Met Manja waren ze levend en kleurig geworden als een prentenboek, vol avonturen, vreugde, spanning en spel. Iets in het leven om je op te verheugen, blijdschap die sterker was dan de angst. 

    De muur is het weerkerende rustpunt in een stad die met de dag grimmiger wordt, de schrijfster laat het zien aan de hand van wat er op school en op straat gebeurt, maar ook in gewone Duitse gezinnen: het gezin van een arts, oorlogsprofiteur, fanatieke nazi, schoonmaakster, vakbondsman. Het gaat om meelopers, verzetsmensen, moreel bevlogen intellectuelen, wereldvreemde dwarsliggers, angstige conformisten. De kinderen proberen de ‘nieuwe tijd’ te verwerken als ze elkaar bij de muur ontmoeten. Heini houdt Manja voor dat ze later zullen trouwen. Dat kan toch helemaal niet, Heini, er komt een wet tegen… hoe heet het ook alweer? Ze bedoelt ‘rassenschande’. Heini: Volgens mijn vader is dat allemaal gezwets. Manja: Maar als we kinderen krijgen hebben die kromme benen en zijn ze idioot. Ik ben van een … van een voor-Aziatisch-oriëntaals, Oost-Baltisch, Midden-Aziatisch, Noord-chamitisch mengras van Afrikaanse stammen. 

    De muur geeft het boek structuur. Het schijnt dat Gmeyner ook in ander werk zo’n soort procedé heeft toegepast – het is de invloed van theater en film waar ze als beginnend schrijfster nauw bij betrokken was. Het biedt de mogelijkheid om haar scènes snel te monteren, wat het boek vaart en spanning geeft. Ze schrijft fraaie, levensechte dialogen, maar heeft meer in huis. Haar analyse van de maatschappelijke constellatie is trefzeker en overtuigend. Ze is geen verteller op de achtergrond, maar laat haar personages aan het woord om uit te leggen wat er gaande is. Zoals de arts Heidemann, ongetwijfeld haar favoriete spreekbuis. Hij bekijkt het portret van Hitler dat hij zojuist van de muur gerukt heeft in zijn ziekenhuis. Een kortzichtige fanaticus. De held van de kleine man. De held van de middelmatigen. Er zijn niet alleen maar onbeschaafde ruwe mensen onder zijn aanhangers, niet alleen furies; er zijn ook wanhopige mensen, enthousiaste mensen, hongerige mensen, die het wachten meer dan beu zijn, jongeren wie een toekomst is beloofd. De beschrijving van geweld is nooit larmoyant, daardoor aangrijpend en effectief. Niemand vraagt wat er in deze nacht in alle straten, in alle hoeken en afgelegen bossen van het hele land gebeurt. Het is een wetteloze nacht. Er worden geen misdaden gepleegd omdat er geen aanklagers zijn. Er worden geen gruweldaden gepleegd omdat niemand verantwoording vraagt. Niemand hoort iets, niemand ziet iets. De nacht stopt zijn oren dicht. De nacht doet net alsof hij niets ziet in het donker. Het wordt niet ochtend. Het wordt niet licht. Het wordt niet dag. 

    Manja, indrukwekkend boek. Gmeyner laat alle centrale kwesties zien die na de oorlog de gemoederen heftig zullen beroeren – wat is beschaving?, zijn er ook goede Duitsers?, hoe rijm je de Duitse cultuur met de Duitse moordzucht en rassenwaan?, moet je fysiek of juist intellectueel verzet plegen?, hoe schuldig zijn we als we niets doen? Niet als traktaat, maar als vanzelfsprekende vragen, je moet ze wel stellen in het licht van de gebeurtenissen. Ze heeft overigens niet altijd een antwoord klaar. In het nawoord bij de vertaling, geschreven door Heike Klapdor, wordt geopperd dat Manja een ‘vrouwenboek’ zou zijn, vanwege de onderlinge solidariteit van de vrouwen die in conflict komen met hun mannen en met de staatspropaganda. Vrouwen als slachtoffer dus, onderworpen aan hun mannen die door de straten marcheren en joden opjagen. Onzin! Gmeyner voert inderdaad diverse mannen ten tonele als laffe pestkoppen, leugenaars, domme sadisten, maar haar vrouwen doen er niet voor onder –conciërge Frau Reuter, hoofdzuster Mathilde of Frieda Meissner, moeder van vriendje Franz, bezorgen je stuk voor stuk nachtmerries.

    Manja is ondanks de titel ook geen opwekkend kinderboek. In de liefdesnacht van Lea en David is Manja’s lot getekend. De solidariteit van de muur wordt uiteindelijk doorbroken als één van de jongens jeugdcrimineel Martin in het gezelschap introduceert. De gevolgen laten zich raden, Manja wordt sindsdien genadeloos achtervolgd en aangerand. Ze volgt tenslotte het voorbeeld van haar vader. Zelfmoord.


    Manja
    De vriendschap van vijf kinderen

    Auteur: Anna Gmeyner
    Vertaald door: Jantsje Post
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 480
    Prijs: € 26,90

    Oorspronkelijke titel: Manja. Ein Roman um Fünf Kinder. (1938)

  • ‘De toekomst is afgeschaft’

    Wat doe je als de statistieken je niet meer dan een paar maanden, hooguit een paar jaar geven? Dan probeer je aan de artsen je houdbaarheidsdatum te ontlokken en alle overbodigheden uit je nog korte leven te bannen. In het geval van Wolfgang Herrndorf, bij wie in 2010 een hersentumor wordt ontdekt, komt dat neer op maar één ding: schrijven, schrijven en nog eens schrijven. Met rust, orde en regelmaat als nieuw devies schrijft Herrndorf in korte tijd de succesroman Tsjik, Sand en (het onvoltooid gebleven) Bilder deiner großen Liebe.

    Daarnaast werkte de auteur vrijwel dagelijks zijn weblog bij, waarvan Leven met het pistool op tafel de gepolijste versie is. Herrndorf riep zijn blog in het leven om zijn vrienden op de hoogte te houden van zijn dagelijkse leven, van de bezoeken aan het ziekenhuis en zijn gemoedstoestand. Om te voorkomen dat hij steeds hetzelfde zou moeten vertellen en daarmee kostbare tijd zou verliezen:

    ‘Alle paniek is altijd alleen te wijten aan de gedachte aan verloren werktijd.’

    Arbeit und struktur ontsteeg zijn puur informatieve status echter algauw en groeide uit tot het meest gelezen online dagboek van Duitsland, zeker na het succes van Tsjik.

    En nu ligt daar dan de Nederlandse vertaling van Pauline de Bok. Leven met het pistool op tafel bestaat uit dagboekfragmenten van verschillende lengte en een langere terugblik in tien delen, waarin Herrndorf probeert uit te leggen wat de ziekte met hem doet. Met in het achterhoofd dat Herrndorf al niet meer leeft – hij beroofde zich op 26 augustus 2013 van het leven door zich met een pistool door het hoofd te schieten – leest dit blog in eerste instantie als een wat morbide voyeurisme. De innerlijke ramptoerist in de lezer wordt aangesproken. Het blijkt moeilijk een waardeoordeel te verbinden aan iets dat zo intiem is, aan iets dat zo veelomvattend is als een hersentumor. Hoe kun je kritiek hebben op een terminaal zieke?

    Die veranderde houding ten aanzien van hemzelf heeft Herrndorf heel goed door: hij doet er dan ook alles aan om het medelijden te omzeilen. Vrienden bij wie hij het medelijden in de stem hoort aan de telefoon bant hij resoluut uit zijn leven. Nergens speelt hij de zielige patiënt, hij probeert zichzelf zoveel mogelijk te objectiveren en als studieobject te zien. Wanneer hij buiten de grafieken begint te vallen – omdat hij het lang ‘volhoudt’ – vindt hij dat duidelijk moeilijk:

    ‘Een prognose is er niet, een algemene statistiek ook niet meer. Na drie operaties, twee bestralingen, drie verschillende chemo’s ben je je eigen statistiek. Drie jaar geleden nog was ik een minuscuul puntje in een puntenwolk, zuivere wiskunde, geen individu, dat beviel me. Nu weet ik het niet meer. Niemand weet het.’

    De geruststellende kaders van het verloop van zijn ziekte vallen weg, hij heeft geen zekerheden meer. En dat is moeilijk voor iemand die er steeds minder heeft: als zelfs de taal ‘kapot begint te gaan’, wordt Herrndorf onrustig. Slechts het pistool op tafel, of zoals hij zelf zegt ‘zijn exitstrategie’, kalmeert hem. Dat is de enige manier waarop hij om kan gaan met een falend oriëntatievermogen, een haperend spraakvermogen en een veranderend karakter. Daarover is Herrndorf bijzonder eerlijk, wat één van de grote verdiensten van dit boek is: hoewel hij zich er soms voor schaamt, vertelt hij precies wat hem overkomt, hoe hij steeds meer afhankelijk wordt van de mensen om hem heen – en zich daardoor steeds meer in een sociaal isolement plaatst. We gaan volledig mee in de verwarring en frustratie van een verkankerd brein. Indrukwekkend is de scène – vergezeld van beeldmateriaal – waarin Herrndorf al zijn dagboeken van de afgelopen twintig jaar in bad gooit. Niet alleen de ziekte, maar ook de schrijver zelf is bezig zichzelf uit te wissen.

    Wat Leven met het pistool op tafel – buiten die verbluffende inkijk in de ziekte – zo lezenswaardig maakt, is de humor waarvan het boek doorspekt is. Herrndorf gaat laconiek om met de tumor en observeert zijn eigen gedrag met verbazing:

    ‘En steeds weer vergeet ik die kwestie met de dood. [Het is] een grap die ik mezelf elke tien minuten kan vertellen en waarvan de pointe altijd weer verrassend is.’

    Of:

    ‘Ik ben niet bang voor de dood, wel panisch voor de belastingaangifte.’

    Deze geweldig relativerende humor redt niet alleen Herrndorf, maar in zekere zin ook het boek. Zonder zouden de ervaringen van een terminaal zieke moeilijk te verteren zijn en bijzonder confronterend worden. Je zou kunnen zeggen dat het de exitstrategie voor de lezer is. En die is nodig in dit blog, dat zoals gezegd eigenlijk puur ter informatie diende en voor Herrndorf een middel was grip te krijgen op de realiteit. Sommige passages over medicijngebruik en behandelmethodes voeren vrij ver en worden opsommerig en remmen ‘het verhaal’.

    Al met al is Leven met het pistool op tafel geen boek dat je binnen een paar dagen uitleest, al lijken de fragmenten daar in eerste instantie wel toe uit te nodigen. Wij kunnen de tijd nemen, hoeven niet zo manisch te werk te gaan als Herrndorf. Hoe cliché het ook moge klinken, er zit een kern van waarheid in het carpe diem. Laten we een voorbeeld nemen aan het leven van Herrndorf, dat na de diagnose steeds meer de moeite waard werd:

    ‘Een jaar in de hel, maar ook een geweldig jaar. Gemiddeld nauwelijks gelukkiger of ongelukkiger dan voor de diagnose, alleen slaat het naar beide kanten verder uit. Alles bij elkaar misschien zelfs een beetje gelukkiger dan vroeger, omdat ik leef zoals ik altijd had moeten leven. En nooit gedaan heb, behalve misschien als kind.’

     


  • Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    In een tijd waarin de status ‘herontdekt’ een boek de beste papieren geeft om een verkoopsucces te worden, verschijnt met Een waanzinnig begin alweer het vijfde boek bij uitgeverij Cossee van de ‘herontdekte’ Duitse schrijver Hans Fallada. Geschreven in de warrige tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog, had het niet veel gescheeld of het boek zelf was er niet geweest. De auteur was niet zo met het resultaat in zijn sas. Naast de ‘nederlagen van het dagelijkse leven en de depressies, ziektes en moedeloosheid’ had er ook wat hoopvols tegenover moeten staan. Maar daar is het niet van gekomen, klinkt hij verontschuldigend in zijn voorwoord en daarmee is het boek eigenlijk meer een ‘ziektegeschiedenis’.

    Dat het tóch is gepubliceerd, is vanwege het ‘waarheidsgetrouwe’ karakter. Niet dat het geen roman zou zijn, want niets wat erin beschreven is, is werkelijk zo gebeurd. Maar het had allemaal ‘zo kunnen gebeuren’… En zo laat dit ‘document humain’ goed zien hoe Duitsland zich na de verloren oorlog op het nulpunt bevindt, en hoe het tot wanhoop vervallen volk het opportunisme tot levenskunst verheft. ‘Hoe bijna alle mensen hun geloof kwijtraakten en uiteindelijk toch een klein sprankje moed en hoop terugvonden’. De opflakkeringen van hoop die het hoofdpersonage dr. Doll ten deel vallen zijn vooral aan zijn morfineverslaving te danken. En aan het feit dat diezelfde Doll schrijver is van professie en verrassend veel weg heeft van Fallada zelf, dankt dit boek zijn sterk autobiografische karakter. Maar wat heet autobiografie bij een schrijver wiens leven leest als een roman? De opportunist, alcoholist, flessentrekker en opiumverslaafde die Fallada was, kon in ieder geval ruimschoots uit eigen ervaring putten om zijn hoofdpersoon gestalte te geven.

    Fallada ontziet zijn alter ego allerminst. En op zijn beurt voelt Doll zichzelf –  gelukkig voor de lezer –  slecht genoeg om zich niet boven zijn medemens verheven te voelen. De enigen die een voorbeeldige rol vervullen zijn de Russen. Het Rode Leger wordt hier niet afgeschilderd als een plunderend stelletje groepsverkrachters. Integendeel, ze wijzen je in het donker de weg en zijn niet te beroerd de deur voor je open te houden. Dit smetje, een knieval voor de communistisch gezinde, naoorlogse uitgever van Fallada, ondergraaft natuurlijk enigszins de documentaire waarde van het verhaal. Maar in dit boek komen de bevrijders uit het oosten nauwelijks voor en daarnaast zijn de expliciete verwijzingen naar de politieke crew van Hitler, Churchill of wie dan ook op de vingers van een hand te tellen. De auteur van Kleiner Mann, was nun zweert ook in dit boek weer bij de gewone man. En aangezien Fallada hier zijn eigentijdse wereld beschrijft, blijft de lezer verschoond van obligaat vertoon van research waarmee tegenwoordig menige historische roman wordt ontsierd.

    Het verhaal omvat de periode van eind april 1945 tot juli 1946 waarin in filmische stijl de wederwaardigheden van de sterk op elkaar betrokken 52-jarige dr. Doll en zijn 28 jaar jongere vrouw Alma worden uitgetekend. Na een nachtmerrieachtige ouverture, ziet het er in het begin nog even hoopvol uit. Doll en Alma lijken als enigen in hun Duitse provinciestadje hogere verwachtingen te hebben van de Russen dan van de verdreven nazi’s, als gevolg waarvan ze dan ook door hun stadgenoten met de nek worden aangekeken. Het besef echter evenzeer Duitser, en dus evenzeer deel te hebben aan de slechtheid en misdadigheid van zijn volk, wordt Doll bijgebracht door de wijze waarop Russische officieren zijn ingestuurde welkomstgroet ‘Tovaritsj’ negeren en hem daarbij zelfs aankijken als was hij een ‘verachtelijk dier’. Hij mag dan wel geen gemene zaak met de nazi’s hebben gemaakt, hij behoort intussen niet minder tot dit afzichtelijke volk dat zich door zijn nazimisdaden tot in alle uithoeken van de wereld gehaat heeft weten te maken. Als koeherder respectievelijk zakkendraagster zien we het echtpaar de eindjes van hun schamele bestaan aan elkaar knopen. Maar door ‘een reeks van toevalligheden’ – het verhaal verspringt van scène tot scène –  wordt Doll door de plaatselijke Russische commandant tot burgemeester van zijn stadje benoemd. Daarmee zien zijn medeburgers hun meest gehate man tot hun burgervader gemaakt. Maar Dolls aanpak van profiteurs en zwarthandelaren is weinig succesvol, al tekent Fallada enkele meesterlijk ten voeten uit. Zijn medeburgers zitten niet op zijn politieke standpunten te wachten en keren zich massaal tegen hem. Doll ziet dat het Duitse volk zijn verlies niet naar behoren weet te dragen. ‘Ze hadden niets meer dat de moeite waard was om te verbergen, deze mensen uit een volk dat zijn nederlaag zonder enige waardigheid en zonder de geringste fierheid droeg.’

    Maar in Dolls eigen gedrag is de waardigheid soms ook ver te zoeken: na zijn toespraak namens het nieuwe stadsbestuur van de officieren van het Rode leger, is hij te beschonken om naar huis te lopen. Het morele verval van Duitsland wordt niet met opgeheven vingertje verhaald; het wordt door Doll gediagnosticeerd met de machteloosheid het een wending ten goede te geven en het besef zelf niet veel beter te zijn. ‘Hij was zelf een van die Duitsers, hij was een Duitser, een woord dat overal ter wereld een scheldwoord was geworden. Hij was een van hen, er was niets wat hem van de anderen onderscheidde. (..) hij kon ze niet meer haten, alleen al omdat hij een van hen was. Hem resteerde alleen krachteloze verachting – en zichzelf verachtte hij niet minder dan alle anderen.’ Kon hij zichzelf en de mensen om hem heen eerst nog de kracht toewensen hun lot te dragen, gaandeweg maakt apathie zich van hem meester en grijpt de depressie hem bij de kladden. ‘Nee, hij zat daar gewoon, zonder heldere gedachten. Als hij zijn gemoedstoestand had moeten beschrijven, had hij misschien gezegd dat er in zijn binnenste niets dan mist was, grijze, ondoorzichtige mist, waar niets doorheen kon dringen, geen blik, geen geluid. En verder niets meer…’

    Uit pure machteloosheid zakt Doll in een zware depressie weg. Daarmee kan de ziektegeschiedenis eerst echt los gaan en dient de morfineverslaving zich weldra aan. Zowel bij Doll als bij zijn vrouw, als bij zovele ‘mensen die net als hij wanhopig waren over zichzelf en over Duitsland, mensen die onder de last van alle vernederingen en schaamteloosheid waren ingestort en hun toevlucht hadden gezocht in kunstmatige paradijzen. Allemaal zochten ze – net als hij – de ‘Kleine Dood’. (…) Overal dezelfde vlucht uit het heden, de weigering de last op hun schouders te nemen waarmee de smadelijke oorlog alle Duitsers had opgezadeld.’

    De handeling heeft zich naar Berlijn verplaatst waar Doll en zijn vrouw een woning bezitten. De stad is ondergedompeld in een lugubere sfeer. Hebben ze zich eerst nog verkneukeld bij het vooruitzicht tot rust te komen in hun vertrouwde huis, gaande hun tocht door het nachtelijke Berlijn, tussen kraters en puinhopen, zien ze hun kansen hierop steeds verder slinken. Uiteindelijk treffen ze hun huis weliswaar in redelijke staat aan, maar de verrotting toont zich in zijn nieuwe bewoners aan wie de woning door de Dienst Volkshuisvesting is toegewezen. Deze laten zich niet zomaar uit de woning redeneren en tonen zich gretig slachtoffer van van alles en nog wat en allesbehalve schuldig voor het jammerlijk verdwenen huisraad. De oorlog heeft het echtpaar Doll veel ontnomen, maar van hun beider verslaving komen ze maar niet af. Niet bij machte de misère het hoofd te bieden, laten zij zich verleiden door de morfine en de geborgenheid van een gehospitaliseerd leventje: ‘Nu gaan we in behandeling – we zijn opgebrand -, dus nu gaan we gewoon lekker luieren.’ Zelfmoord wordt nog overwogen: ‘hij verzamelde informatie over cyaankali, morfine, scopolamine, over de doses die gegarandeerd een dodelijke werking hadden (…) hij wilde er klaar voor zijn als hij te eniger tijd genoeg kracht zou bezitten om ‘het’ te doen, om de enige uitweg te benutten die een Duitser vandaag de dag nog overbleef.’

    Maar wonderwel kleurt het verhaal nergens inktzwart. Dat is te danken aan de Fallada’s stijl, die pendelt tussen hoop en wanhoop. Na een klein ontbijtje kan alles er meteen ‘hoopvoller’ uitzien, maar even verder leest men: ‘Het zal allemaal duidelijk worden, al zat het meestal niet mee.’ De Dolls ondervinden steun aan elkaar, al slepen ze elkaar ook mee in hun verslaving. ‘We staan aan de rand van de afgrond’, stelt hij dan ook vast. Beschrijvingen van een wonderlijke stoet morfineverslaafde doktoren en een met zelfdoding flirtende arts, geven het boek hier en daar groteske allure. Maar de toon slaat niet door naar cynisch effectbejag, en aan de andere kant krijgt onverhuld moralisme ook geen kans. In Een waanzinnig begin ironiseert de verteller Dolls doen en laten te zeer om het een eenduidige kant op te sturen. ‘Als hij serieus nog eens aan het werk wilde gaan en iets wilde betekenen, dan kwam het alleen op hemzelf aan: hij moest zelf zijn apathie overwinnen, opstaan, het vuil van zich afkloppen en aan het werk gaan. Maar zover was Doll op dat moment nog lang niet. Toen het eindelijk vrede was, dacht hij nog lang dat iedereen erop zat te wachten om hem weer op de been te helpen.’ Maar zijn herstel gaat met vallen en opstaan. Uiteindelijk wordt hem de helpende hand gereikt door literator Granzow, die al maanden naar Doll zou hebben gezocht en die hem als een verloren zoon verwelkomt. Deze Granzow, gemodelleerd naar de dichter en politicus van de latere DDR, Johannes Becher, houdt Doll voor dat juist híj, schrijver van Wat nu, kleine man? in staat is de ontreddering van de oorlog voor de gewone man te beschrijven. ‘Je zult zien: op een dag schrijf je toch nog dat ene boek waar iedereen op zit te wachten!’ Dat is in dit boek nog toekomstmuziek, want alle goede voornemens ten spijt geeft de hardnekkige verslaving zich niet zomaar gewonnen. Aan het slot zien we hoopvolle tekenen, wanneer Doll en zijn vrouw een nieuwe woning betrekken. In werkelijkheid zou hij inderdaad dat ene boek nog schrijven. Maar die ultieme oorlogsroman, Alleen in Berlijn, zou zijn zwanenzang blijken. Het schrijven had de door verslavingen en ongezonde levenswandel verzwakte auteur zozeer uitgeput dat hij vóór de roman verscheen, in een ziekenhuis was overleden.

    Met Een waanzinnig begin is weer zo’n typisch Falladaboek vertaald, waarin in een soepele en stijlvaste toon de onrust voelbaar is en waarin de lezer het verhaal wordt ingezogen vanwege de tragiek, echter zonder dat de hoop op beter het loodje legt. Naast de kunstmatige paradijzen biedt ook de liefde soelaas. De sterke band tussen Doll en Alma wordt door Fallada goed getroffen. Twee die elkaar blindelings vinden en in hun verslavingen elkaar even blindelings volgen. Deze auteur verstaat de kunst een verhaal met meesterhand te schetsen en zijn personages te bezielen met zelfdoorleefde hoop en wanhoop.

     

    Een waanzinnig begin

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Anne Folkertsma
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 22,90

  • De ondergang van een praatjesmaker 

    De ondergang van een praatjesmaker 

    Op de voorkant van Albrecht en wij, de debuutroman van Lodewijk van Oord, staat een foto van een neushoorn die boven de droge, Afrikaanse vlakte hangt. Hij lijkt op een drenkeling die net op tijd in veiligheid wordt gebracht.

    De neushoorn is Albrecht, het laatste neushoornmannetje ter wereld. Hij speelt een prominente rol in deze toekomstroman over grenzeloze ambitie en botsende idealen. Edo Morell, de vlotte, jonge directeur van een Amsterdamse dierentuin, heeft een masterplan bedacht om zijn noodlijdende dierentuin te redden en laat daarvoor Albrecht uit het buitenland naar de Amsterdam komen. Sariah, een Zuid-Afrikaanse neushoornspecialist van vijfendertig jaar, moet ervoor zorgen dat Albrecht het in Amsterdam naar zijn zin krijgt. De bedoeling is dat het norse neushoornmannetje gaat paren met een al aanwezig vrouwtje, maar wanneer de omstandigheden hier een stokje voor steken, ontpopt Edo zich steeds meer tot een autoritaire, op sensatie beluste dierentuindirecteur die geen enkel middel schuwt om zijn doel te bereiken. De gevoelige Sariah, met wie Edo in de loop van het verhaal een relatie krijgt, keert zich steeds meer van hem af.

    Over het plot van Albrecht en wij is goed nagedacht. De zelfgenoegzame dierentuindirecteur, die zijn belangstelling voor het welzijn van zijn omgeving verliest door zijn obsessie met grootsheid en succes, is een goed recept voor een hedendaagse tragedie. Edo gaat zijn eigen ondergang tegemoet, zoals Oedipus, Macbeth en Laarmans dat voor hem deden. Het is jammer dat Lodewijk van Oord er niet in slaagt om aan deze klassieke formule een geloofwaardige invulling te geven. Albrecht en wij staat vol clichés, stereotypen en simplificaties.
    Een paar voorbeelden: de Zuid-Afrikaanse Sariah, getraumatiseerd door de moord op haar vriend in haar moederland, is nogal schuchter wanneer ze kennismaakt met de blaaskaak Edo. Niet lang daarna merkt Frank, een van de personages die het verhaal vertelt, dat Sariah steeds meer een Nederlandse wordt, ‘want ze krijgt steeds meer een grote mond’. Wanneer Sariah een kus op tv ziet, heeft ze zin in seks en springt ze bij Edo op schoot. Lodewijk van Oord heeft met Sariah een impulsieve, ondoorgrondelijke vrouw willen neerzetten, maar je vraagt je af of Van Oord niet te veel naar soaps heeft gekeken. Edo is een alfamannetje dat altijd het hoogste woord wil hebben, maar zijn karakter gaat al snel op de zenuwen werken, want over zijn kwetsbare kant komt de lezer niets te weten. Op een gegeven moment zit Edo buiten op een bankje, grotendeels naakt. Hij probeert zichzelf te zien door Albrechts ogen, zegt hij. Wanneer Sariah Edo aanspreekt, praat de yup ‘op een filosofisch toontje’. Hij gaat –voor de zoveelste keer – Sariah de les lezen over de verhouding tussen dieren en mensen. ‘Voor het dier zijn wij de Ander.’ Het zijn gemakzuchtige, nietszeggende passages, die op een geforceerde manier diepgang aan een boek moeten geven.

    Lodewijk van Oord woont al bijna zijn hele leven in het buitenland en dat is aan zijn taalgebruik goed te merken. Hij strooit niet alleen veelvuldig met Engelse modewoorden (suspense, catastrofe of my making), maar gebruikt ook vernederlandste Engelse woorden (‘selfoon’ voor mobiele telefoon, ‘bottel’ voor wijnfles). Of Van Oord heeft hiermee zijn boek en personages een internationaal karakter willen meegeven, of zijn redacteur heeft zitten slapen. Waarschijnlijk is het laatste het geval, want Van Oords beeldspraak is al niet veel beter. Hij spreekt over ‘een kwak water’ die uit de bomen valt en ‘klonterige wolken’. Verder komen er ouderwetse woorden voorbij als ‘sedert’, ‘stoutmoedig’ en ‘warempel’. Natuurlijk, in deze passages is de oudere kunsthistoricus Frank aan het woord, maar door zijn woordgebruik lijkt hij weggelopen te zijn uit de Fabeltjeskrant.

    Aan het einde van het verhaal valt de droom van Edo langzaam in duigen. Uit verzet tegen Edo’s hartvochtige plannen gooit Sariah de handdoek in de ring, maar later trekt ze toch aan het langste eind. Edo toont de arme Albrecht over de hele wereld aan volgepakte stadions vol uitzinnige toeschouwers die een glimp van de laatste neushoorn ter wereld willen opvangen. Hoewel niet helemaal duidelijk wordt waarom hele steden uitlopen om een neushoorn te zien (een dier is nog geen popster, ook al is hij bijna uitgestorven), behoren de laatste scѐnes tot de beste van het boek. Pas dan komt het absurde karakter van Edo’s megalomane plannen aan het licht. Wanneer Van Oord in de rest van het boek zijn streven naar realisme had laten varen en meer ruimte had gegeven voor dit absurdisme, was de strekking van deze ambitieuze roman in ieder geval een stuk duidelijker geweest.

     

  • Betoverend mooi

    Betoverend mooi

    ‘Ik wilde mijn oude leven niet meer. Ik had me verheugd op een nieuw leven. Ik had gedaan alsof het een leven met haar zou zijn.’

    De Duitse jurist en schrijver Bernard Schlink laat opnieuw zien dat verbeeldingskracht in combinatie met goed verzorgd proza kan leiden tot een weergaloos mooie en betoverende roman.

    De roman heeft een heldere opbouw: het eerste deel zet boeiend uiteen wat voorafgegaan is aan het moment dat het hoofpersonage voor het eerst na veertig jaar het schilderij ‘De vrouw op de trap’ ziet. Hoewel het grotendeels verhalend van karakter is, wordt het toch nergens saai, wat mede te danken is aan het heen en weer flitsen tussen veertig jaar geleden en het heden in het verhaal.

    Een niet meer zo jonge Duitse advocaat met een glansrijke carrière is voor juridische onderhandelingen in Australië en krijgt het verzoek een schilderij te komen bekijken. Dit schilderij is na veertig jaar zoek te zijn geweest onlangs in bruikleen gegeven aan de Art Gallery in Sydney. Irene, de ‘eigenaresse’ van dit beroemde schilderij, brengt niet zonder reden het doek naar buiten: zij, de geportretteerde jonge vrouw die naakt de trap afdaalt, is terminaal ziek. Ze weet dat de drie mannen die vroeger een grote rol hebben gespeeld in het conflict met betrekking tot het schilderij èn de afgebeelde vrouw, gretig op het schilderij zullen afkomen; en dat zij er alles aan zullen doen om haar te vinden. De mannen om wie het gaat zijn: haar toen al wat oudere echtgenoot, de succesvolle zakenman Gundlach, die de opdracht voor het schilderij had gegeven en het niet kon verkroppen dat Irene er met de schilder vandoor ging en daarom keer op keer ‘De vrouw op de trap’ vernielde; de schilder Schwind, die later wereldberoemd zou worden en er geen moeite mee had zijn minnares te verruilen voor zijn schilderij; verder de beginnende, ambitieuze advocaat die het contract van deze ‘ruil’ opstelde en die Irene – op wie hij inmiddels hopeloos verliefd was geworden – op de hoogte stelde van de gesloten overeenkomst tussen man en minnaar. Dank zij de hulp van de advocaat ontsnapt Irene met het schilderij en vanaf dat moment is en blijft zij spoorloos.

    Hevig ontroerd na het zien van het schilderij laat de advocaat uitzoeken waar Irene zich bevindt. Hij annuleert zijn terugvlucht, want hij wil niets liever dan deze vrouw opnieuw zien en van haar horen waarom zij hem zonder een woord te zeggen, heeft laten zitten. In afwachting van wat dit onderzoek oplevert, geeft hij zich over aan zijn herinneringen: zijn eerste kennismaking met Irene, met de kinderlijke schilder en de cynische echtgenoot; de diefstal van het schilderij en de vlucht van Irene; zijn huwelijk waarvan hij op dat moment nog niet inziet dat het geen succes was. (Toen hij van de politie vernam dat zijn vrouw zich had doodgereden tegen een boom, terwijl zij dronken achter het stuur zat, snapte hij in al zijn rechtlijnigheid niet waarom zijn vrouw aan de drank was. Hij had toch altijd het meest verkieslijkste gedaan? Had hij zijn kinderen niet voor hun eigen bestwil naar een internaat in Engeland gestuurd?)

    In het tweede deel waarin de spanning meteen wordt opgevoerd, wordt een eerste aanzet gegeven tot de karakterontwikkeling van de advocaat. Hij komt als eerste aan in de baai, waar Irene zich teruggetrokken heeft, een uur varen vanuit de ‘bewoonde’ wereld. Hun eerste gesprekken verlopen uiterst moeizaam. Tenslotte vertelt Irene waarom zij besloot te verdwijnen: zij had er genoeg van zich een rol te laten opdringen. ‘Nu sprak ze met openlijke minachting. “Voor Gundlach was ik de jonge, blonde, fraaie trofee waarvan alleen de verpakking van belang was. Voor Schwind was ik inspiratie, ook daarvoor volstond de verpakking. Toen kwam jij. De derde stompzinnige vrouwenrol; na het vrouwtje en de muze kwam de in gevaar verkerende prinses die door de prins wordt gered. Opdat ze niet in handen van de schoft valt, neemt de prins haar in zijn handen. Want in de handen van een man hoort ze nu eenmaal.”‘
    Een paar dagen later arriveren Gundlach en Schwind. Het geruzie over het schilderij begint hier weer van voren af aan en al gauw blijkt dat schilder en ex-echtgenoot geen haar veranderd zijn en nog meer dan vroeger van zichzelf overtuigd zijn. Dat Irene ernstig ziek is, lijkt hen niet te raken. En zodra zij hun duidelijk maakt dat er bij haar niets te halen valt (zij heeft het schilderij inmiddels geschonken aan het museum), maken de twee zich snel uit de voeten. De advocaat daarentegen laat zijn hart spreken en gaandeweg, terwijl hij haar liefdevol verzorgt en zij zich laat verzorgen, bloeit er iets moois op tussen hen. Mooi en ontroerend zijn de passages waarin een trap voorkomt: ‘Ze keek mij aan en ik sloeg mijn rechterarm om haar heen, ondersteunde haar met mijn linker en hielp haar de trap op.’
    (Inmiddels zijn we in het derde deel beland.)
    De twee naderen elkaar zo dicht als mogelijk is gegeven de omstandigheden, totdat Irene sterft en de advocaat in alle eenzaamheid achterblijft. De schrijver heeft er dan inmiddels wél voor gezorgd dat de lezer de advocaat een plaatsje in zijn hart heeft gegeven.

    Zonder het al te dik erbovenop te leggen heeft Schlink in zijn roman elementen van een klassieke tragedie gelegd, waarbij vooral dit element in het oog springt: de (anti-)held die buiten zijn schuld, maar door zijn karakter en het daaruit voortvloeiende gedrag in het ongeluk wordt gestort, en helaas pas tot inzicht komt als alles verloren is. In de roman is de advocaat onze (anti-)held. Op juridisch terrein wordt alles wat hij aanpakt een groot succes. Maar op het menselijk vlak brengt hij niets klaar. Doordat hij de mensen in zijn onmiddellijke omgeving niet begrijpt en slechts kan oordelen en veroordelen (hij had liever rechter willen worden), verliest hij zijn vrouw, heeft hij geen contact met zijn kinderen en is hij zonder vrienden. De lezer is getuige van het pijnlijke proces dat de advocaat doormaakt wanneer het eindelijk tot hem doordringt dat zijn leven tot dan toe ongelukkig is geweest en dat hij zelf daarvoor verantwoordelijk is. (‘Van meet af aan was er een glazen ruit die ervoor zorgde dat ik de anderen niet werkelijk bereikte, niet mijn vrouw, niet mijn kinderen, niet mijn vrienden. Ik was altijd op mijzelf geweest. Ik moest alweer – maar de vorige avond had ik al genoeg gehuild.’)

    In een tijdsbestek van veertien dagen – hij maakt expliciet melding hiervan wanneer hij zich realiseert dat sinds zijn aankomst in de baai en de dood van Irene, precies veertien dagen zijn verstreken – heeft de advocaat door de gesprekken met Irene zichzelf leren kennen en weet hij één ding zeker, namelijk dat hij zijn oude leven niet meer wil.

    Thuisgekomen in Duitsland gaat de advocaat verder op de ingeslagen weg: ‘Vandaag zou ik naar het kerkhof gaan en met mijn vrouw praten. Ik wilde om vergeving vragen.’

    Alle lof ook voor de vertaalster Gerda Meijerink die een prachtige vertaling maakte waardoor niets van de stijl en de sfeer van het origineel verloren is gegaan.

     

     

  • ‘Alles draaide om geweten’

    ‘Alles draaide om geweten’

    Wat na lezing van Vergeef ons onze zwakheid het meest bijblijft is het wel en wee van de aangespoelde walvis. Het wee liever gezegd, want van wel is weinig sprake. Debet aan dat bijblijven is de plastische beschrijving van de aanwezigheid van het dier gedurende de circa drie maanden dat verpleeghuisarts en hoofdpersoon Sybrand Staring op een Schots eiland verblijft. Hij is daar naartoe ‘gevlucht’ omdat de Nederlandse media op hem jagen sinds bekend is geworden dat hij een verpleeghuisbewoner hulp bij euthanasie verleende en de Amerikaanse dochter van de man daarom een aanklacht tegen hem heeft ingediend.

    Het boek begint als Sybrand aan de reling staat van het schip dat hem naar een van de Hebriden brengt, waar hij en zijn vrouw Cecile (die nu niet is meegekomen) op een afgelegen plek een tweede huis bezitten. Het eindigt als hij weer thuis is en zijn draai probeert te vinden. Al op de eerste bladzijde wordt de lezer het verhaal ingetrokken, niet alleen door het beeldend vermogen van IJlander maar ook door de soepele, zindelijke taal waarmee hij het verhaal vertelt. Ieder woord is verantwoord. Bovendien wordt het idee van een ingetogen vertelling versterkt door de afwezigheid van aanhalingstekens voor de dialogen.

    Tegelijk met Sybrands komst is de walvis aangespoeld. Sybrand gaat kijken en wordt geconfronteerd met eilandbewoners die het dier als een kermisattractie benaderen en er met een stok in prikken terwijl het, zo meent Sybrand, nog niet eens dood is. Zo staat hij wederom oog in oog met het sterven.

    Tijdens zijn werk in de tuin piekert Sybrand over de euthanasiekwestie. Hij heeft  verpleeghuisbewoner Arend Mos gewezen op de mogelijkheid van een zelfgekozen einde en daar zelfs ruzie om gekregen met een collega ‘…die hem ervan beschuldigde meneer in een bepaalde richting te duwen, hij mocht zijn opvattingen over levensbeëindiging niet opdringen aan een weerloos iemand.’ (p. 33) Twee andere collega’s steunden hem wel, maar hielden zich stil toen de media zich begonnen te roeren. Ook zijn baas liet hem vallen uit angst voor de reputatie van het verpleeghuis. Mede als gevolg daarvan gaat Sybrand op het eiland steeds meer twijfelen aan zijn eigen oprechtheid, en langzaam wordt duidelijk waarom.

    Hij begint te denken dat er internationaal jacht op hem wordt gemaakt en dat hij zal worden gearresteerd zodra de instanties erachter komen waar hij zich bevindt. Via telefoon en e-mail probeert de nuchtere Cecile hem ervan te overtuigen dat er geen reden voor zijn angst is. Hij heeft geen enkele Nederlandse wet overtreden.
    Hoe meer hij ervan overtuigd raakt dat hij gearresteerd zal worden, hoe schuldiger hij zich voelt over zijn hulp aan Mos. Heeft hij zich door Mos laten manipuleren? Had hij hem niet mogen helpen om zijn leven op zo’n manier af te sluiten? Zo maalt hij en maalt hij.

    Als Cecile wekenlang niets hoort en geen contact met hem kan krijgen, stuurt ze een telegram waarin ze onmiddellijk een teken van leven eist. In het telefonisch contact dat volgt overtuigt ze hem ervan dat er geen internationaal arrestatiebevel bestaat. ‘Je kunt morgenavond thuis zijn. Ik reken op je.’ (p. 168) Na dat telefoongesprek gaat hij terug naar huis.

    Tijdens het lezen lijkt Sybrands ontreddering logisch en begrijpelijk. Want al vlak voor de euthanasie ging hij ‘… met bezwaard gemoed van huis (…) hij vond dat hij het moest kunnen.’ (p. 34), zo bouwt IJlander de twijfel in. Toch stemt Sybrands toestand de lezer tot nadenken. Als verpleeghuisarts zag hij euthanasie als een zegen, als een aanvaarde mogelijkheid voor mensen in nood. Een uitweg waarvan het logisch is om er gebruik van te maken als de nood zich aandient. Vanwaar dan de latere scrupules?

    Eenmaal weer thuis toont hij zich in een gesprek met de dochter van Mos sterk genoeg om zijn visie op leven en dood helder te verdedigen. Dat roept wederom de vraag op waarom hij dan op het eiland zo wankel in zijn schoenen kwam te staan. Al stond de onttakeling van de walvis symbool voor dood en vergankelijkheid, die ervaring is toch niet heftig genoeg om Sybrands ideeën over waardig sterven geloofwaardig aan te tasten. Ze had die juist moeten versterken. Ook is er geen moment van opstandigheid tegen zijn werkgever of tegen de media, of van vurige verdediging van zijn standpunt, terwijl hij toch ooit zo overtuigd was van het recht op hulp dat mensen hebben bij de wil tot levensbeëindiging.

    Het verhaal zit goed in elkaar. Details en kleine gebeurtenissen worden voortdurend verweven met Sybrands leven van dat moment. Wind, wolken en water kleuren de omgeving. De natuur maakt als vanzelfsprekend deel uit van het verhaal, net als in de andere boeken van IJlander. Ook komen daarin steeds maatschappelijk geëngageerde onderwerpen aan de orde: politiek in Geen zee maar water, een slinkse projectontwikkelaar in Wildzang, een moord en een gemeenschap waarin men elkaar dekt in De Aanstoot, bouwfraude in De Brug. En nu dus euthanasie in Vergeef ons onze zwakheid. Het gaat IJlander om verantwoordelijkheid en hoe de hoofdpersoon daarmee omgaat. Of hij zich schuldig moet voelen, of dat hij het is.

    Iets meer overtuiging had IJlander zijn hoofdpersoon in zijn stellingname over euthanasie wel kunnen meegeven, hetzij vóór, hetzij tegen. Sybrands ontreddering weet de lezer niet helemaal voor zich te winnen. De zin ‘En misschien had hij ook wel verraad gepleegd aan zichzelf, op die bewuste dag.’ (p. 203) is voor tweeërlei uitleg vatbaar, wat nog versterkt wordt door: ‘Alles draaide om geweten…’ (p. 203). Uiteindelijk wordt er in dit boek geen enkel standpunt echt verdedigd. Als IJlander vooral reserve over het onderwerp wilde laten zien, dan is hij daarin uitstekend geslaagd.

     

     

  • ‘Ik heb het leven van een ander geleid’

    ‘Ik heb het leven van een ander geleid’

    Prijswinnend auteur Gilles Leroy (1958) brak internationaal door met Alabama Song. Deze roman verscheen in 25 landen en werd onderscheiden met de Prix Concourt. Zijn boek Zola Jackson werd bekroond met de Prix Eté du Livre. De Nederlandse vertaling werd genomineerd voor de Europese Literatuurprijs 2012 en De Groende Waterman Prijs 2013. Met Nina Simone completeert Leroy zijn drieluik over Amerika.

    Nina Simone is een roman over het leven van Eunice Kathleen Waymon (1933-2003), de jazzlegende die wereldberoemd werd onder haar artiestennaam Nina Simone. Leroy’s roman is slechts losjes gebaseerd op historische feiten: alle haar omringende personages zijn verzonnen.
    Het verhaal wordt wisselend verteld door Nina Simone zelf en Ricardo, haar huishoudelijk hulp. Een jongen die geen jongen is. Veertig wordt hij, maar desondanks wordt hij voor een jongen aangezien en als zodanig behandeld.

    Aan de hand van de foto’s die aan de muren van haar huis hangen, blikken Nina en Ricardo terug op haar veelbewogen leven. Hiermee past Leroy een wat gemakkelijk literaire techniek toe: fragmentarisch terugblikken aan de hand van foto’s. Af en toe zijn er hoofdstukken met een aparte kop tussengevoegd. De ene keer gaat zo’n hoofdstuk over auteur James Baldwin, andere keer bijvoorbeeld over Nina’s betrokkenheid bij de zwarte beweging. ‘Ik heb zoveel gegeven voor de Beweging, ik heb me aan gevaren blootgesteld en ik heb mijn carrière opgeofferd. Vijftien jaar lang wilde geen enkele platenmaatschappij meer een contract met me afsluiten. (147) Deze opbouw maakt het boek erg fragmentarisch, de rode draad had sterker gemogen.

    Wel weet Leroy goed invoelbaar te maken hoe Nina het gevoel had het leven van een ander te leven. Ze werd beroemd met jazz, terwijl haar ambitie eigenlijk bij de klassieke muziek lag. Het aannemen van een artiestennaam betekende het begin van een nieuw leven. Van een beschermde jeugd en de kerk, naar cafés en clubs. ‘Een leven ‘waarop ik niet voorbereid was, niet tegen gewapend was- een leven dat ik mezelf niet had toebedacht, maar dat de overhand zou krijgen over het leven waarvan ik droomde en dat mij niet vergund was.’ (42)

    Nina kende perioden van armoede en wanhoop. Maar vooral van eenzaamheid. Dat laatste wordt indringend beschreven. Evenals haar intense, maar tevergeefse hunkering naar erkenning door haar moeder. Makkelijk was haar leven nooit. Even lijkt het beter te worden. ‘De wereld lag aan mijn voeten, maar in mijn binnenste fluisterde een stemmetje: geniet er maar van, Eunice, misschien gaat dit ooit wel weer voorbij.’ (62) Haar uitputtende levensritme breekt haar op: de lange reeksen van tournees, vliegtuigen en hotels rijgen zich aaneen tot een onontwarbare kluwen.

    Heden en verleden wisselen elkaar af. Nina verandert in een onmogelijke oude vrouw die haar personeel, maar ook pers en fotografen terroriseert. Ze is onredelijk, wispelturig en vergeetachtig. Haar stemmingswisselingen worden verergerd door haar drankzucht. Triest is hoe zij uit financiële noodzaak gedwongen wordt een comeback te maken, terwijl ze daar geestelijk en lichamelijk niet toe in staat is. Middels een wurgcontract is ze volledig in de macht van drie onbetrouwbare Harry’s. Ook deze mannen, haar agent, haar financieel adviseur en haar zaakwaarnemer zijn fictieve personages. Nina noemt ze allemaal Harry omdat ze allemaal hetzelfde zijn: ze gebruiken haar om er zelf beter van te worden. Geld, háár geld, is het enige dat deze mannen bindt.

    Nooit komt ze voor zichzelf op. Ze offert haar dochter op aan een beroep dat ze niet wilde en aan minnaars die haar als oud vuil behandelen. In haar hele leven neemt ze maar één keer stelling en dat is tegen de term ‘jazz’. Ze wil niet dat haar muziek een stempel krijg, omdat jazz volgens haar een concept van blanken is om zwarten te stigmatiseren. Zelf noemt ze haar muziek ‘zwarte klassieke muziek’. Hoe dan ook, uiteindelijk kan Nina niets anders meer dan terugkijken op haar leven, het leven van een ander.

    Een grote zwakte van dit boek is de manier waarop feit en fictie verweven zijn. Met name de Harry’s en hun wurgcontracten bepalen Nina’s leven. Maar omdat de auteur zelf stelt dat alle haar omringende personages verzonnen zijn, is het voor de lezer niet duidelijk welke gebeurtenissen uit Nina’s leven waar gebeurd en welke fictief zijn. En dat roept de vraag op of Nina Simone in dit boek wel recht gedaan wordt. Dit zwakt het verhaal af en geeft toch een wat vreemde nasmaak. Een legende als Nina Simone heeft geen fictie nodig. De feiten van haar leven zijn dramatisch en meeslepend genoeg.

     

     

  •  Over weglopen voor verbondenheid

     Over weglopen voor verbondenheid

    Door Hella Kuipers

    Twee vaders en twee zonen. Een naamloze ik-verteller met zijn zoontje Ruben, diens  vriendje Deedee en zijn uit Joegoslavië gevluchte vader Ivan, die nu als een soort Houdini  werkzaam is in het Amsterdamse nachtleven. Zie hier de hoofdpersonen uit De laatste ontsnapping van Jan van Mersbergen.

    Deedee kent zijn vader niet maar wil weten wie hij is. Door niet te eten weet hij zijn moeder diens naam te ontfutselen. Zodra hij heeft uitgevogeld hoe hij zijn moeders mobieltje moet ontgrendelen, en ziet dat de naam van zijn vader er nog steeds instaat, belt hij Ivan op.  Bij de karateles van de jongens ontmoeten beide vaders elkaar voor het eerst, en een nachtlevenvriendschap ontwikkelt zich tussen hen.

    Terwijl het verhaalheden gaat over een tripje van het viertal naar Zuid-Frankrijk, is het boek voor een groot deel een kaleidoscopische terugblik op de kroegbelevenissen en de wording van Ivan als vader.

    Even mondjesmaat als de ik-figuur de informatie over Ivans vlucht opvangt, krijgt de lezer die toebedeeld. Veel jenever, vrouwen, kroegbazen, alles even schimmig en flarderig. De ik-figuur heeft ook nog een vrouw en een dochtertje, maar laat zich aan hen niets gelegen liggen.

    Pas als het verleden het heden heeft ingehaald (op ongeveer tweederde van het boek), en het heden het heden blijft – de laatste ontsnapping uit de titel – krijgt het verhaal met terugwerkende kracht een emotionele impact, vallen zaken op hun plek, en blijkt het verhaal deels zeer indrukwekkend. De geschiedenis van Ivan en zijn broertje, hoe die zijn vaderschap beïnvloedt, en hoe dat vaderschap zijn hele leven beïnvloedt – ontroerend en prachtig.

    Verschillende motieven spelen door het verhaal heen. Zo komt Johan, de barman van café de Johan, op een keer met een citaat op een briefje: ‘Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog.’
    Het vervolg van deze bijbeltekst (1 Korintiërs 13) staat er niet bij, maar dat geeft wel heel mooi weer waar het verhaal van Ivan en zijn nieuwgevonden zoon eigenlijk over gaat: Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. Ook voor de andere vader en zijn zoon Ruben geldt dat. Die realiseert zich steeds meer dat hij in al die jaren dat hij op kantoor zat, zich nooit voor zijn kinderen geïnteresseerd heeft. Ivan houdt hem een spiegel voor.

    Een ander motief is dat van Sandokan, de tv-serie. Ivan en zijn broertje speelden hem vroeger na, en zijn broertje was altijd de sterkere vechtjas die iedereen versloeg.
    Op het laatst vergelijkt Ivan zijn broertje met een Mexicaanse sprinkhaanmuis, een agressieve muizensoort die zelfs voor zwaar giftige duizenpoten niet bang is. Hoe en wanneer Ivan de gewoonten en geluiden van zo’n verweg beestje heeft leren kennen, wordt niet verklaard. Niets in zijn karakter of voorgeschiedenis maakt dat aannemelijk. Het voelt als een auteursintrusie, niet organisch.

    Over de verhaallocatie van de kroegen rondom de Zeedijk zegt Van Mersbergen in VPRO-boeken: ‘Het boek gaat heel erg over verbondenheid en over weglopen voor verbondenheid, en om samenhang, en om vluchten, en dat is iets wat in een buurt als dit [sic] heel erg samenkomt. Je voelt je ’s nachts heel snel verbonden met mensen, en de volgende ochtend is alles weer verdwenen. Dus eigenlijk betekent het echt heel weinig, en ik heb wel een tijd gehad dat ik dat wel opzocht …’

    In een interview met Van Mersbergen in Volkskrant Magazine staat over dit boek: ‘Het voelde anders deze keer. Na een lastminutewissel van perspectief was hij er ineens niet meer zeker van.’
    Nu wordt het verhaal op twee manieren gefilterd: door het brein van de schimmig blijvende ik-figuur, en ook nog doordat het zich niet in het heden afspeelt, maar in fragmentarische flashbacks. Qua vorm werkt dat wel: alles wat in het verleden gebeurde, zingt mee in het heden. Voor de identificatie werkt het minder goed, de vorm is continu aanwezig, de lezer moet zich steeds opnieuw oriënteren: waar ben ik, ten opzichte van het heden?

    In VPRO-boeken zegt Van Mersbergen over het perspectief: ’Ivan vertelde het eerst allemaal zelf, in één perspectief, in de ik-vorm, en dat klopte niet, dus ik had iemand nodig om wat afstand te nemen, dat je die spiegel krijgt. Dat is voor het maken van het boek een heel belangrijke keus geweest. Ook omdat diegene die het vertelt, daar kunnen veel mensen zich mee identificeren, en met een ex-Joegoslaaf die gevlucht is voor de dienstplicht, daar weet niemand iets van, daar kijkt iedereen een beetje tegenop, da’s net zoiets als een acteur in een film ofzo, of misschien een schrijver ook wel.’

    Is dat niet boeiend? Dat een schrijver een vertelpersonage kiest dat verdacht veel op hemzelf lijkt, omdat hij het de lezer niet toevertrouwt zich te identificeren met een gevluchte Joegoslaaf? Is hij het dan uiteindelijk niet zelf, die die confrontatie niet aandurft?

     

  • Een Ming-vaasje met een barstje

    Een Ming-vaasje met een barstje

    Op 13 mei 2013 wordt Milo geboren. Een prematuur na een zwangerschap van 26 weken en één dag. Hoe groot is de kans dat zo’n wezentje ter grootte van een mannenvoet en nog lichter dan een pak suiker het haalt? En hoe sla je je als moeder door die onzekerheid heen als je niets anders kunt dan met kloppend hart elke dag naar een hoopje doeken en slangen achter glas te gaan zitten kijken, waar je eigen vlees en bloed in ligt?

    Taal redt Jowi Schmitz, de moeder. Elke dag snel redderend in haar boot, waar ze met man Edwin en zoontje Woek woont, moet ze ook weer snel weer naar het ziekenhuis. Tussendoor schrijft ze korte berichten op haar website. Die stukjes tussen 14 mei en 15 december zijn nu gebundeld onder de kale en sensatieloze titel Te vroeg geboren. ‘Kaal en sensatieloos’ is niet negatief bedoeld. Waar dit soort boeken nog wel eens een teveel aan dramatiek en onuitgesproken beroep op medelijden hebben, tilt Schmitz haar belevenissen op een hoger niveau. Natuurlijk, ze ís journaliste en schrijfster, en weet wanneer ze een tekst de prullenbak in moet gooien, maar ze is er ook in geslaagd te laten zien hoe taal haar middel is om angst en machteloosheid aan te kunnen. Ze weet als er weer een nieuwe tegenslag is overwonnen: als ik het opschrijf in een publiek dagboek, kan ik niet meer terug. Dan is het waar, want ik heb het rondgebazuind. En mensen vertellen het verder. Milo gaat het halen: ‘Taal als bouwwerk om je aan vast te houden. Taal als boei’.

    Er is meer dan dat. Schmitz speelt ook met taal. Gepiep van een ander couveusekind noemt ze ‘geen-luchtalarm’. En het valt haar op hoe terminologie in ziekenhuizen verschilt. Wegvallen van de hartslag, infecties enzovoort heten in het AMC ‘incidenten’ en in het OLVG, waar Milo later naar toe gaat ‘voorvalletjes’ of ‘bradys’. Het samen met de verpleegster wassen van je kind heet een ‘bindmoment’ (waar dan vervolgens tien minuten voor beschikbaar is!). En er zijn de met ironie beschreven feitelijke verschillen tussen die ziekenhuizen: in het AMC waar je bijna geen vinger uit mag steken, want er kunnen virussen…. En het OVLG waar het personeel door een tochtgat zo de couveuseafdeling oploopt vanuit het stof in een naastgelegen ruimte die wordt verbouwd.

    Op 30 juli, na tweeëneenhalve maand ziekenhuisverblijf, mag Milo naar de boot van zijn ouders en broertje en komen er meer huiselijke taferelen in het dagboek. De wereld van moeder Jowi wordt weer groter. Ze kan weer naar haar werk aan de Schrijversacademie, naar een concert en naar een boekpresentatie. Maar nog vaak is ze ook daar de moeder van die veel te vroeg geborene. Kijkend naar haar kwetsbare kind schrijft ze in november: ‘Milo is ook een beetje een project. Een kostbaar Ming-vaasje dat in het begin al een barstje had’.

    Tegen het einde van het boek beschrijft Schmitz dat ze op internet een filmpje onder ogen krijgt van een ander te vroeg geboren kind. De vader zegt het te hebben gemaakt voor de moeder. Onzin, volgens Schmitz. Die moeder hoeft dit nooit terug te zien om er aan herinnerd te worden. ‘Dit is een filmpje voor de wereld, dit filmpje roept: kijk naar mij’. Jowi zelf durft er niet naar te kijken. Het kind op het filmpje heeft een streep gehaald waar Milo nog niet is. De angst is nog niet weg.

    De lezer kan op zijn of haar beurt een gemengde ervaring hebben bij het boek van Schmitz. Enerzijds lees je het verslag van een moeder die laat zien dat ze kan schrijven en die mooie beelden gebruikt. Maar er is ook iets onbehaaglijks aan. Waarom moet je dit lezen? Of beter (want je moet als lezer natuurlijk niets): waarom moet dit in boekvorm openbaar worden? Misschien ligt de oorzaak in de opeenstapeling van notities die je allemaal achter elkaar leest. Daardoor word je te snel in een intiem leven getrokken.
    Alle stukjes in Te vroeg geboren zijn ook nog te lezen in het archief op de website van de schrijfster www.jowischmitz.nl. Je kunt je dan voorstellen hoe het was om ze gedoseerd te lezen. Van dag tot dag. Je ziet hoe er voortdurend op wordt gereageerd door haar volgers. En je kon toen als je dat wilde een soort van betrokkenheid opbouwen. Die kans geeft de lezer die de schetsjes achteraf gebundeld in handen heeft zichzelf niet. Het boek werkt minder dan die oorspronkelijke vorm. Je bent erbij, wordt er in meegenomen en raakt vertrouwd. In een boek is die dynamiek er niet. Maar vooral: de bundel had aan betekenis kunnen winnen als de schrijfster meer ruimte had genomen voor reflectie. Het lijkt nu teveel een bedankje voor allen die haar in 2013 steunden.

     

  • Een verwarrende zoektocht

    Een verwarrende zoektocht

    Eva Meijer (1980) is niet alleen schrijver, ze is ook beeldend kunstenaar en filosoof. Ze publiceerde korte verhalen en poëzie. Haar debuutroman Het schuwste dier werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs, de Gouden Boekenuil en de Vrouw&Proza Debuutprijs. Dat ze bezig is met een promotieonderzoek met de titel Political Animal Voices verbaast niet na het lezen van haar tweede boek Dagpauwoog, dat eind 2013 verscheen. Tijdens het lezen dringt zich de vraag op in hoeverre een schrijver politiek stelling moet nemen. Want dat Meijer dieren een stem wil geven is duidelijk.

    Hoofdpersoon in het boek is Iris Dagpauwoog. Deze kunstenares van rond de 50 dwaalt totaal ontredderd door haar leven, omdat haar partner haar na jaren verlaten heeft. Ze kan dit verlies en vooral het verlaten zijn, geen plekje geven. Ze werkt niet meer en is naar eigen woorden veranderd in ‘een soort sukkel’. Iris verlaat de stad en verhuist naar een dorp aan de kust. Samen met Pol. Pol wordt zo menselijk beschreven dat het even duurt voor je je realiseert dat het hier om een hond gaat. Al snel ontmoeten Iris en Pol buurman Marcel, een fanatieke dierenactivist. Iris helpt hem met een website over veganisme. Pol wordt uitgebreider beschreven dan Marcel. Sterker nog, iedere beschrijving van hem ontbreekt. Hij is er gewoon en wordt binnen een paar pagina’s een persoon met een enorme invloed op Iris’ leven.

    Al snel wordt Iris door Marcel geïntroduceerd in de wereld van het dierenactivisme. Ze verlegt haar werkzaamheden van het bijhouden van de website naar het leggen van bompakketjes bij slagerijen. Na een korte aarzeling doet een interne monoloog van anderhalve pagina Iris radicaal omslaan. Vond ze aanvankelijk bommen leggen niet acceptabel, nu doet ze het gewoon. Voor ze het weet belandt Iris via het vermenselijken van haar hond in een harde strijd met de maatschappij. Deze plotselinge omslag is niet erg geloofwaardig.

    Deels komt dit ook door de schrijfstijl. Meijer vertelt kort en afstandelijk. Eenzaamheid in onderkoelde zinnen. Het blijft bij vertellen, nergens laat de auteur zien of voelen. Als lezer voel je daardoor niet mee met Iris, je registreert haar gevoelens enkel. Het kost daardoor moeite om sympathie op te brengen voor deze hoofdpersoon, die zich maar moeilijk kan vermannen. Die zich slachtoffer voelt en zo beïnvloedbaar is. En daardoor gaat het snel. ‘Eerst droeg ik mijn leren schoenen nog omdat het me zonde leek ze weg te gooien, maar Marcel bleef er fronsend naar kijken, dus borg ik ze op in een doos.’

    Het is al snel duidelijk dat het alleen maar verkeerd kan gaan met Iris. Een van haar acties loopt niet goed af, ze wordt opgepakt. De schrijfstijl verandert dan van eenvoudig en onderkoeld, naar filosofisch en poëtisch aan het einde van het boek. Daar zitten mooie scènes bij. Iris’ verblijf in de gevangenis bijvoorbeeld. Toevallige celgenoten, volslagen vreemden, begrijpen haar beter dan haar vriendinnen. Mooi filosofisch is de ontwikkeling die Iris dan eindelijk doormaakt. Haar vaste overtuiging het juiste te doen, slaat om naar een diepe twijfel. Ze vraagt zich af wat haar acties voor zin hebben, omdat ze nauwelijks worden opgemerkt en niet het verschil maken zoals ze hoopte. Verwachtte misschien zelfs. Haar gedachten draaien rondjes: er zijn zoveel dieren te redden en zoveel misstanden aan de kaak te stellen dat Iris geen idee heeft hoe ze de wereld kan veranderen. Het overweldigt haar en met haar de lezer.

    Dat werpt de vraag op: wat wil de auteur met deze roman bereiken? Bewustzijn kweken? Een discussie aanzwengelen? De individuele lezer aan het denken zetten? Omdat Meijer als auteur zo duidelijk stelling neemt lijkt het boek af en toe een maatschappelijk manifest, waarbij de lezer maar weinig ruimte krijgt voor zijn eigen gedachten. Of is het toch geen manifest, maar een roman over eenzaamheid? Over het zoeken naar een doel als je leven op zijn kop staat? Zoeken naar zingeving misschien zelfs? En zo eindigt het boek beklemmend.

     

     

  • Geen held, gelukkig

    Geen held, gelukkig

    ‘Ik sta voor de kolonel, het hoofd van de heldentoetsingscommissie. Hij schrijft iets op mijn militaire pas. “Aha, daar hebben we Fallada”, zegt hij terwijl hij me vriendelijk aankijkt. “Wat nu, kleine man?” Ik knik en mag gaan. Ik heb geen militaire pas meer, ik ben definitief door de Duitse Wehrmacht afgeschreven.’

    Dit vertelt Hans Fallada in verband met zijn oproep voor een militaire keuring in het voorlaatste oorlogsjaar 1944. Zijn in 1932 verschenen boek Kleiner Mann – was nun? was een wereldsucces en behoorde ook in Duitsland inmiddels tot de culturele bagage van het lezend publiek. Hans Fallada was een begrip.

    Als Fallada in september 1944 wordt opgesloten in de gevangenis Neustrelitz-Strelitz op de afdeling voor ‘geestelijk gestoorde delinquenten’ op beschuldiging van een poging tot doodslag op zijn voormalige echtgenote, besluit hij de tijd te doden met het schrijven van aanvankelijk korte verhalen maar later vooral van zijn herinneringen aan de nazitijd. Hiermee zet hij zijn leven op het spel. In een soort minuscuul geheimschrift verpakt in raadsels en coderingen weet hij zijn werkzaamheden te verbergen voor zijn medegevangenen en bewakers. Als hij op zondag 8 oktober 1944 een dag verlof krijgt, smokkelt hij het manuscript onder zijn hemd de gevangenis uit.

    Het manuscript is een verdediging van zijn eigen handelwijze, zijn innere Emigration. Hans Fallada behoort tot de schrijvers die tijdens het naziregime in Duitsland zijn gebleven en zo goed en zo kwaad mogelijk hebben geprobeerd te blijven werken en zo min mogelijk vuile handen te maken. Hoewel hem dit laatste niet altijd volledig is gelukt, kan zonder meer gezegd worden dat Fallada’s afkeer van het nationaalsocialisme van het begin af aan oprecht is geweest. Toch voelt hij voortdurend de behoefte zichzelf te rechtvaardigen, soms op een lompe manier, typerend voor een kat in het nauw: ‘In het buitenland zitten allerlei narren er knusjes bij, ver buiten de gevarenzone, en ze maken ons uit voor meeloper, voor huurling van de nazi’s………….. Maar wij hebben alles moeten verdragen en zíj niet, wij zijn elke dag bang geweest en zíj niet.’ De apolitieke Fallada heeft nooit openlijk stelling genomen tegen het nationaalsocialisme zoals sommige andere schrijvers en zal in de ogen van iemand als Thomas Mann, die tijdens de oorlog in Zwitserland zat, dan ook altijd verdacht blijven. Hoewel deze discussie in de naoorlogse jaren natuurlijk in alle heftigheid is gevoerd, lijkt het nu tijd om nuanceringen aan te brengen. Hans Fallada was gelukkig geen held, maar wel een dapper man die trachtte te overleven in een smerige tijd zonder anderen schade te berokkenen. Zijn zwakheid maakt hem ook eigenlijk heel sympathiek. Interessant is het feit dat Hans Fallada na de oorlog, als Berlijn in handen is van de Russen, zijn manuscript nog eens tegen het licht houdt en, met het oog op publicatie, wijzigingen aanbrengt die op dat moment als politiek correcter werden beschouwd, omdat hij, wilde hij publiceren, onverdacht moest zijn. Zo spreekt hij in het oorspronkelijke manuscript over de nazi’s als ‘gewetenloze mannen’, later over ‘gewetenloze beulen’.

    Hans Fallada laat zich vooral kennen als een gevoelsmens, een naïeve man, die op situaties reageert zoals zijn hart hem dat ingeeft maar die ook over het vermogen beschikt voortdurend oog te hebben niet alleen voor de verbijsterende ironie, maar ook voor het cynisme van de werkelijkheid van zijn tijd. Als een bende SA’ers hem en zijn zoontje in de tuin bij zijn huis opwacht om hem te arresteren, vraagt hij: ‘Mag ik misschien eerst onze beer halen?…………… Zo marcheerden we door de omhooglopende tuin naar de villa: mijn zoon en ik, met tussen ons in de beer, en de twee bruinhemden met getrokken pistool. Ik vond dat ik hun theatrale optocht compleet versjteerde, maar ze merkten het niet eens; nog nooit hebben mensen zo weinig gevoel voor humor gehad ………..’ Maar als zij hem even later met hun auto meenemen voor verder verhoor bij de rechtbank in Fürstenwalde en zij op een eenzaam bosweggetje stoppen om te plassen en ook hem op die mogelijkheid wijzen, dringt de navrante werkelijkheid van de situatie tot hem door: ‘……. terwijl hij dat zei stond mij de hele tijd een kop uit een onlangs gelezen krant voor de geest: “Op de vlucht doodgeschoten”.’ Hans Fallada werd gered door het toevallige feit dat er een bevriende arts langskwam, die hem herkende en die achter hen aanreed naar Fürstenwalde.

    Voortdurend botst de eigenzinnige Fallada met bekrompen lieden in zijn omgeving, die, uit op eigen gewin, lid van de partij zijn geworden en in Fallada een gemakkelijk  slachtoffer zien waar wat aan te verdienen is. Opvliegend als hij is, reageert hij niet altijd even verstandig.

    Prachtig zijn de verhalen waarin hij vertelt over zijn grote vriend en uitgever Ernst Rowohlt, hoe deze er in slaagt uit de handen van de nazi’s te blijven en zo lang mogelijk te blijven publiceren totdat juist een boek van Fallada een eind maakt aan zijn bezigheden en hem noopt naar het buitenland te vertrekken, maar niet zonder ervoor te zorgen dat Fallada een nieuwe uitgever heeft. Hetzelfde geldt voor het portret dat hij schildert van Peter Suhrkamp, de man die carrière maakt in de uitgeverswereld tijdens de nazi’s, maar anderzijds Fallada tot steun is en uit de brand helpt en ervoor zorgt dat Bertold Brecht veilig naar het buitenland kan vluchten om uiteindelijk zelf in een concentratiekamp om het leven te komen.

    Aan het slot stort de wereld van Fallada in elkaar. Hij laat zich scheiden van zijn jarenlange gezellin, Anna Ditzen, maar blijft wonen in het tuinhuis, waar hij zich overgeeft aan de drank. Tijdens een woordenwisseling lost hij een schot, maar, zoals ze later allebei bezweren, niet op haar gericht. Desondanks moet hij zich verantwoorden voor de autoriteiten en komt hij in de bovengenoemde inrichting terecht. En daar gaat hij schrijven…………….

    De kolonel, het hoofd van de heldentoetsingscommissie, had het goed gezien. Hans Fallada was geen held, gelukkig niet, maar wel een prachtig schrijver.

     

  • Sympathiek boek 

    Sympathiek boek 

    Na De Rietdekker, een documentair boek over het vak van zijn vader, heeft Rinus Spruit nu een roman geschreven, Een dag om aan de balk te spijkeren. In een chronologisch verteld verhaal volgen we Maarten Rietgans, van zijn ontwikkeling van een verlegen jongste bediende bij de Boerenleenbank in Goes tot een vijftiger die niet kan aarden in werk en relaties. Zijn ouders leven op een kleine boerderij in een gehucht in Zeeland, maar het is al snel duidelijk dat dit leven niet voor Maarten is weggelegd. Hij wil meer; ‘Hij wil zich nog onderscheiden. Hij wil iets presteren dat vóór hem nog nooit iemand is gelukt.’ Naast de persoonlijke beslommeringen van Maarten weet Spruit ondertussen op een prachtige manier het kleine boerderijleven en het Goes van de jaren zeventig en tachtig tot leven te wekken.

    Maarten kiest voor een opleiding als verpleegkundige en slaagt als beste van zijn jaar. Toch zwerft hij daarna van baan tot baan. Zodra er teveel van hem wordt verwacht, wordt hij onzeker en vertrekt hij. Hetzelfde geldt voor zijn relaties met vrouwen. Hij heeft hoge verwachtingen van anderen, maar kan er niet tegen als anderen iets van hem verwachten. Zo selecteert hij de reacties die hij krijgt op zijn contactadvertenties onder andere op foutloos taalgebruik, omdat ook het taalgebruik van zijn toekomstige vriendin perfect moet zijn. Met dit soort eigenaardigheden weet Spruit regelmatig een glimlach om de lippen van de lezer te toveren.

    Het personage Maarten Rietgans doet denken aan enkele hoofdfiguren in de boeken van Thomas Rosenboom. De personages vertonen gedrag dat ten nadele is van henzelf en je zou ze toe willen roepen: ‘Doe dat nou niet!’ Maar ze zijn niet in staat zichzelf te helpen of te veranderen, omdat de auteurs vasthouden aan het karakter dat zij de personages hebben toebedacht. Het gedrag van Maarten Rietgans wekt daardoor zelfs nu en dan irritatie. Zoals zijn vader zegt in de hoop dat hij eens doorzet; ‘Jongen, jongen. Je krijgt de pap in je mond en je slikt het niet door.’

    De verhouding van Maarten met zijn vader is een van de sterkste onderdelen van de roman. Na de dood van zijn moeder gaat hij steeds meer van de man houden. Hij is zijn rots in de branding, de enige die voor hem betrouwbaar en bijna onveranderlijk is. Zijn vader is tevreden met zijn leven dat alleen met de seizoenen verandert. Maarten verlangt daar ook naar, maar kan daarmee tegelijkertijd niet tevreden zijn. ‘Hij zou willen dat hij iemand zonder problemen was. Dat hij werk had naar zijn zin. Dat hij een vrouw had van wie hij hield. Hij zou dat willen, al was het alleen maar voor zijn vader.’

    Het belang van de vader, de getroebleerde hoofdpersoon, gecombineerd met de aandacht voor natuur en het simpele, nu en dan poëtische, taalgebruik doen denken aan Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Er is inderdaad een overeenkomst in sfeer en een aantal verhaalelementen in beide boeken, maar Spruit geeft er zijn geheel eigen draai aan.

    Een dag om aan de balk te spijkeren is een boek over een moeilijke man, moeilijk voor zichzelf en voor anderen, verteld in een prachtige stijl waarin vooral de verhouding met de vader, zijn tegenpool, prachtig wordt beschreven. Het is ook een boek dat af en toe zelfs irritatie opwekt vanwege het moeilijke karakter van de hoofdfiguur, maar waarom ook weer onverwacht kan worden geglimlacht. Schijnbaar moeiteloos heeft Spruit het allemaal vastgelegd in Een dag om aan de balk te spijkeren. Maar bij nadere beschouwing is het zeer knap gedaan.