• Weemoedige verhalen verbonden door de ik

    Weemoedige verhalen verbonden door de ik

    De vijf korte verhalen in de verhalenbundel En dit zal zo voorbij zijn van Isabelle Rossaert hebben een licht weemoedige ondertoon, wat ook de titel van de bundel doet vermoeden. Rossaert beschrijft alledaagse gebeurtenissen, gesprekjes en ontmoetingen, als uit het leven gegrepen en daarmee weet ze de lezer hevig te raken.

    ‘Cruise’, het eerste verhaal, gaat over een moeder en een dochter die samen een cruise maken over de Middellandse Zee en hier en daar steden aandoen. Het schip met veel te veel mensen aan boord is enorm. De dochter maakt zich zorgen over haar moeder, want zonder dat het ergens genoemd wordt blijkt zij aan geheugenverlies of beginnende dementie te lijden. ‘Mijn moeder kijkt verrukt rond. Ik wacht tot zij zit voor ik zelf ga zitten. Het is een automatisme, mijn bewustzijn vormt een grote kring om haar heen, neemt haar mee, loopt voor haar uit en achter haar aan, wacht op haar, mijn bewustzijn werkt nu voor twee.’ Moeder en dochter leren een Vlaams stel kennen en er ontstaat een subtiele verstandhouding van de dochter met de man van het echtpaar. Hij begrijpt woordeloos waarin zij zich bevindt en toont begrip voor haar situatie. Hij is zelfs op de achtergrond een steun als op een gegeven moment de moeder verdwenen is. Wat een schrikbeeld is voor de dochter gebeurt ook. Het kon ook makkelijk op zo’n enorm schip met heel veel dezelfde gangen op verschillende dekken. Rossaert beschrijft de opkomende paniek van de dochter en de scenario’s van wat er gebeuren kan levensecht en beeldend. Een pijnlijk, sterk verhaal.

    Herinneringen

    In het volgende verhaal ‘Valentijn’ ligt de hoofdpersoon deels verlamd aan bed gekluisterd na een operatie aan een hersentumor. Hij wordt verzorgd door lieftallige verpleegsters en heeft daarnaast zijn herinneringen. Hij wil graag een Valentijnsbrief schrijven aan zijn geliefde vrouw, zij blijkt de moeder uit het vorige verhaal te zijn. In beide verhalen komt de herinnering voor van de echtelieden over hoe ze elkaar leerden kennen. ‘”Meneer, kunt u mij vertellen of het hier diep is?” Ze was vlakbij en hij ging kopje-onder. Dat was het verhaal dat ze later altijd met zoveel plezier zou vertellen: dat hij kopje-onder ging, dat hij zich liet zakken tot zijn voeten de bodem van de zee raakte.’ Mooi, want deze herinnering vertelde de moeder in het vorige verhaal aan het Vlaamse stel net even anders. Het geeft een completer beeld van de ouders van de dochter.

    In het derde verhaal, ‘In het bos’,  betrekt de schrijfster met haar gezin een huis aan de rand van het bos van een landgoed. Het is een bijzonder huis in een bijzondere omgeving. Totdat de landeigenaar op een dag langskomt en een ongemakkelijk gesprek voert met de schrijfster, die toch al het gevoel had niet echt welkom te zijn. ‘Wanneer ik over het Groot Veld terugkeerde van een lange wandeling en via de holle weg weer naar huis keerde, door de bocht rondom het bosje, leken mijn spieren en botten me erop te wijzen dat ik door een landschap liep waarop ik geen rechten kon claimen. De bomen hadden een onverschilligheid die haast vijandig leek, zo anders dan in de glooiende landschappen van mijn reizen en dromen. Er was iets in het landschap net als de geur in ons huis, wat maakte dat ik me er nog steeds een vreemde voelde.’
    In het bos leeft een zonderlinge man alleen, wat vooroordelen oplevert bij de dorpelingen en angst voor wie hij mogelijk is. De politie wordt ingeschakeld maar doet verder niet veel. Er is ook niets aan de hand behalve dat de hele gebeurtenis bij de schrijfster het nodige losmaakt.

    Verlangen naar wat er niet was

    Ook ‘Littekens’ heeft een ongemakkelijke ondertoon. De ik is met haar man en zoon op vakantie. In een Frans dorpje komen ze een ander stel tegen en worden bij hen thuis uitgenodigd. Tussen de gastheer en zijn vrouw hangt een oncomfortabele spanning die de ik ook ineens met haar eigen man voelt. ‘Wat is het, dacht ik – terwijl we terugstapten naar waar de wagen geparkeerd stond – dat twee mensen samen houdt. Licht, duisternis, licht, duisternis – opnieuw liepen we van de ene lichtplas naar de andere. Dit is wat we doen, van de ene plek van licht op weg zijn naar de andere.’

    In het vijfde verhaal, ‘De kapitein’, zijn we terug op het cruiseschip. Dit keer is de schrijfster er in functie om dagelijks het boordjournaal te schrijven. Ze heeft een status aparte en krijgt speciale aandacht van de kapitein. Er ontstaat een subtiele verstandhouding tussen schrijfster en kapitein, waarin een nauwelijks waarneembare erotiek voelbaar is. Een verlangen naar iets wat er helemaal niet blijkt te zijn geweest. Het verhaal is geschreven in de tweede persoon enkelvoud, het je-perspectief, waardoor het een iets afstandelijke maar treffende toon krijgt. ‘En jullie keken naar de camera en lachten en dat was wat je later zou onthouden: Cádiz is een onbeduidend straatje en de kapitein lachte vol achter zijn grijze baard.’

    Rossaert heeft een poëtische stijl en schrijft ritmisch, verfijnd. Haar verhalen ademen een sterke sfeer en wekken de indruk een hoog autobiografisch gehalte te hebben. Ze komen levensecht over en dat is een compliment voor Isabelle Rossaert.  

     

  • Accepteer deze cookie

    Accepteer deze cookie

    In 2016 telde Nederland 2,5 miljoen laaggeletterden. Dat aantal is sindsdien toegenomen, met name door ontlezing. Haast elke wereldburger leest immers meer fictie dan de gemiddelde Nederlander. Blijkbaar verdwalen potentiële lezers tijdens hun zoektocht naar een goed boek in een jungle van papier, of stuiten ze op betonnen barrières, die Rosanne Hertzberger onlangs in het NRC opsomde. Zij kwam niet verder dan het voorspelbare ‘Boeken zijn te dik, maar bovenal te moeilijk en onaantrekkelijk’. De plot kruipt voort in ellenlange beschrijvingen; vertellingen barsten van intertekstuele terzijdes die hooguit voor promovendi te volgen zijn; stijl en woordkeus dwingen je ertoe de dikke Van Dale af te stoffen. Kortom: literatuur met een hoofdletter L zou de ontlezing niet tegengaan, maar haar juist verergeren.

    Dat literatuur wel degelijk een genot kan zijn, bewees Fran Ross in 1974, toen haar enige meesterwerk uitkwam. In Oreo zoekt de Joods-Afro-Amerikaanse Christine Clark haar vader Samuel Schwartz. Hij woont in Manhattan, waar zijn naam vaker voorkomt dan McDonald’s. Zo veel hobbels als Christine, bijnaam Oreo, overwint bij haar queeste, zo weinig blokkades ervaart de lezer. ‘Oreo’ is de benaming voor zwarte mensen die door hun witte gedrag in het gevlij willen komen bij witte mensen, en dat laat Christine na: zij gaat heerlijk haar eigen gang, net als Fran Ross. De hoofdpersoon is een geduchte vechtjas, Ross bespot de borstklopperij van de Hoge Cultuur en voor bijna elk type lezer valt er genoeg te genieten. Soms doet Oreo zelfs denken aan de Grote Drie uit de Nederlandse letteren!

    Ros(s) voor je kop

    ‘Driemaal drie is zes, wiedewiedewie wil van mij leren?’, zingt het sterkste meisje van de hele wereld: Pippi Langkous. Aan de andere kant van de oceaan woont Christine Clark, die haar hartsvriendin had kunnen zijn. Zij beheerst PIT: ‘het Pad van de Interstitiële Tik.’ Behoorlijk wat motherfuckers (lees: mannen) in haar omgeving verdienen namelijk een trap in de weke delen. Net als haar Zweedse geestverwant heeft Oreo ook gevoel voor eigenzinnige wiskunde, dat ze erft van haar moeder. Vlak voor Oreo’s vertrek naar New York berekent Helen Clark de impact daarvan: 

    ‘V = P + GD. 

    waarbij V = vertrek, km/uur
                  P = pijn, p/minuut
                  G = gewalt, in kg
                  D = davvenen, in pfennig.’

    Helen leert haar dochter bovendien over vrouwenonderdrukking. Waarom hebben mannen het overal en altijd voor het zeggen? ‘Mannen kunnen vrouwen helemaal aan gort slaan.’ Hierop neemt Oreo een motto in acht waarmee ze haar mannetje staat, of slaat: Nemo me impune lacessit (Niemand valt mij ongestraft lastig). Om in geval van nood toch te moeten straffen, put Oreo uit een rijk arsenaal: ‘Met al die waanzinnige moves zoals de hed-lok, shu-kik, i-pik, hed-brac, i-bop, hed-blo, fut-strik, tum-blo, nek-brac, bal-brac, bak-strik en but-kik, waren formaat en spierkracht van de tegenstander een vrijwel academische aangelegenheid. (…) – als Oreo zich bevond in de staat van extreme concentratie die hwip-az heette, kon ze elke opponent tot drie keer zo groot en zwaar als zij te lijf gaan en zijn ass whippen.’ Weer eens wat anders dan een nasmeulende Colt.

    Writing like Mulisch is foolish

    Oreo blijkt buitengewoon pienter. Het gogme van de straat combineert ze met een verrassende belezenheid, die nooit verveelt. Van taalvirtuoos Lindau en natuurhater Floors, de historicus, krijgt ze thuisonderwijs. ‘Gogme’ is het juiste woord, want Oreo wisselt continu tussen Engels en Jiddisch. Dit fenomeen, waarbij zowel de taal van onderdrukker, als die van etnische minderheid wordt gesproken, heet code switching. Voortdurend weigert Oreo, en daarmee Ross, het hoofd te buigen voor wat ‘hoort’ of niet ‘hoort’ volgens de dominante cultuur. Ook in haar contact met de Franse Scott komt dat terug. Wanneer hij zijn Engels ‘vervuilt’ met gallicismen – Franse taalonzuiverheden, corrigeert Christine hem niet, maar doet met hem mee: ‘‘‘Tot het weerzien,’’ zei Scott. ‘‘Tot God’’, zei Oreo.’

    Geïnspireerd door Theseus’ omzwervingen lokt Samuel Schwartz haar dochter naar hem toe. Hij laat haar een briefje na met twaalf obscure hints, waarmee hij zijn mislukte theatervoorstelling Theseus nog enig cachet wil geven. De klassieke allusies in Oreo zijn talrijk. Wie echter denkt met een overzeese Harry Mulisch of Ilja Leonard Pfeijffer van doen te hebben, heeft niets te vrezen. Achterin staat een ‘Sleutel voor snellezers en niet-classici’, zodat de encyclopedie onaangeroerd blijft. Eruditie, door massa’s schrijvers als een proeve van kunne opgevoerd, belichaamt bij Ross slechts ijdelheid en arrogantie. Christine besluit het dozijn clues dan ook lukraak weg te strepen, op basis van haar belevenissen. Hierover zegt ze: ‘Dat was misschien niet logisch, maar Aristoteles kon de pot op.’

    Veelzijdige (ch)oreografie

    Volgens schrijver Alfred Schaffer wil dit boek zich ‘los worstelen van ieders verwachtingspatroon, ruimte maken voor het individu ten koste van het fnuikende groepsdenken.’ Daarin heeft hij volkomen gelijk. Oreo is niet uitsluitend ‘etnische literatuur’, zoals terecht in het nawoord wordt opgemerkt. De gelijknamige zwart-witte koekjes vindt iedereen lekker en precies zo’n unaniem positieve waardering verdient dit huzarenstukje van Fran Ross. Zelfs de meest doorgewinterde liefhebber van Veronica Inside, wiens literaire interesse doorgaans beperkt blijft tot Gijp of Kieft, komt aan zijn trekken: Christines grootmoeder Louise is een kopie van tafelgast Jan Boskamp. Ze is tonnetje rond, goedlachs, houdt van lekker eten, verhaspelt allerlei uitdrukkingen, is opvliegend van karakter, vergeet namen en heeft een goed hart. En niet alleen oma Louise trekt lezers…

    Fran Ross werkte ooit voor de vermaarde komiek Richard Pryor, omdat hij in haar humorisme veel potentie zag. Op het eerste gezicht lijkt een maatschappijkritisch, feministisch boek eerder een serieus pamflet, dan een vrijplaats voor zwartgallige humor. Met vlijmscherpe, politiek incorrecte grappen over allerlei taboes ontzenuwt Ross dit vooroordeel. Zo versteende opa James, een zwarte antisemiet, tot een half hakenkruis, toen zijn dochter Helen met de Joodse Samuel trouwde. Voor het martelen van een chihuahua straft Oreo het irritante dwergkind Joe door twee groepen kinderen met hem te laten touwtrekken. En hiermee is zelfs nummer twee van de Nederlandse Grote Drie zijdelings vertegenwoordigd in Oreo: het sadistische rotjoch Elmer uit Werther Nieland van Gerard Reve, over een knul die spinnen de pootjes uittrekt. 

    Andere koek

    De klassieker Oreo scoort zowel goed bij het brede publiek, als bij de ingewijde fijnproever. Met een gemak, bescheidenheid en kennis waar Mulisch jaloers op zou zijn, moderniseert Ross een Griekse mythe; ze zet dezelfde humor en spot in waarmee Reve furore maakte, om nog maar te zwijgen van stijlbreuken en taalvondsten. En Willem Frederik Hermans dan, wiens altijd dreigende fiasco menig lezer het hoofd neerwaarts drukte? Een beetje humorist als Fran Ross heeft uiteraard oog voor de mislukkeling, of – om in Jiddische sferen te blijven – de schlemiel. Vader Sam slaagt erin zijn rol als Aigeus, Theseus’ vader, consequent door te trekken. En dat hem dat lukt, kan maar één ding betekenen. Wie dit werk laat liggen, moet wel mesjogge zijn.

     

     

  • Ontworsteling uit een benauwend keurslijf

    Ontworsteling uit een benauwend keurslijf

    In 2019 overleed in Paramaribo Bea Vianen, de meest gelezen Surinaamse auteur in de jaren zeventig en tachtig. Omdat haar werk van onschatbaar belang is voor een beter begrip van de ontwikkeling van Suriname, werd vorig jaar de herziene versie van haar debuutroman Sarnami, hai of Suriname, ik ben opnieuw uitgegeven. De kern van Vianens verhalen is de lastige verhouding tussen de verschillende etnische bevolkingsgroepen van haar land. Zelf is ze het kind van een gemengd huwelijk en ze spreekt dus uit eigen ervaring. Daarnaast staan in haar werk de vele tegenstellingen centraal in een land dat nog steeds bepaald wordt door zijn koloniaal verleden. De beklemmende verstikking van het harde leven staat in schril contrast met de drang naar vrijheid die Bea Vianen in nagenoeg al haar boeken nastreeft.

    Suriname, ik ben vertelt het verhaal van S., een tienermeisje dat zonder moeder opgroeit in de arme wijken van Paramaribo. Zich bewust wordend van haar eigen identiteit gaat ze op zoek naar waar ze vandaan komt, wie waren haar grootouders en moeder? Haar vader, een norse, autoritaire man, is enerzijds streng, maar anderzijds ook onverschillig tegenover S. en haar broertje Ata.
    Ze gaat naar school en blijkt daar ook goed in te zijn. Ze wil graag verder studeren, haar vader ziet een andere rol voor haar weggelegd. Dit coming-of-age verhaal toont hoe S. opgroeit tussen een mengelmoes van jongeren met een verschillende achtergrond: Chinezen, Hindoes, Javanen, zwarten. Wat ze wel gemeen hebben is hun armoede en hun trouw aan de eigen culturele tradities.

    Benauwend keurslijf

    S. wordt volwassen, ziet de veranderingen aan haar lichaam en ziet hoe vriendinnen met jongens ‘omgaan’. Ze wil ook losbreken, maar seks is voor haar een stap te ver. Voor het eerst krijgt de lezer haar naam voluit te horen, Sita, als de godin van de vruchtbaarheid. Ze voelt zich aangetrokken tot Islam, een moslimjongen, maar kan natuurlijk niet openlijk met hem omgaan. Ze heeft immers gezien hoe haar vriendin Seliha zware klappen kreeg van haar vader omdat ze met de verkeerde jongen omging. Toch blijft ze gecharmeerd door Islam. Er volgt een spel van aantrekken en afstoten, tot het onvermijdelijke gebeurt. Sita wordt verkracht, raakt zwanger en moet trouwen. Om te ontsnappen aan het keurslijf van haar leven en haar vrijheid te herwinnen, moet ze uiteindelijk een hartverscheurende keuze maken.

    Suriname, ik ben leest heel vlot. De eenvoudige woordenschat en korte zinnen dragen zeker bij tot de leesbaarheid. Vianens stijl is zeer direct en soms hard. Ze gaat niets uit de weg, schrijft niet omfloerst en laat scheldpartijen tussen de verschillende groepen hun gang gaan om de tegenstellingen nog dikker in de verf te zetten. De kommer en kwel van het harde leven in de moeilijke buurten van Suriname worden accuraat beschreven en ze slaagt erin om de juiste sfeer te creëren. De omgeving wordt zeer nauwgezet weergegeven waarbij alle zintuigen aan bod komen. De lezer snuift als het ware de geuren, smaken en kleuren op van het Surinaamse leven.

    Vanuit vrouwelijk perspectief

    Belangrijk in dit hele werk is het vrouwelijke perspectief. Alles wordt vanuit de ogen en belevingswereld van Sita beschreven. Vianen schetst het beeld van de onderdanige en gehoorzame vrouw, maar geeft haar een stem en doet haar hunkeren naar de vrijheid waarvoor ze uiteindelijk zal kiezen. De mannen in het verhaal zijn hard, ruw en gewelddadig. Ze behandelen de vrouw wreed en zijn onverschillig tegenover liefde, kinderen en lossen problemen op met de vuisten. Het leven voor een vrouw in deze context leidt steevast tot ongewenste zwangerschap en een ongelukkig huwelijk. Vianen heeft dit zelf gezien in haar eigen familie en probeert door haar werk een uitweg te bieden. Sita moet keuzes maken. Ze wil een zelfstandige vrouw zijn , een eigen leven leiden en vecht voor haar plek in die moeilijke maatschappij vol tegenstellingen. Tevergeefs, zo lijkt het aanvankelijk, maar uiteindelijk zal ze uitbreken. 

    Suriname, ik ben is het hartverscheurend verhaal van een jonge vrouw die moet opboksen tegen een wereld waarin haar plek op voorhand is bepaald door culturele tradities. Vianen toont dat het streven naar vrijheid het hoogste goed is, maar laat tegelijk zien dat men daarvoor soms grote offers moet doen. Haar werk blijft belangrijk en actueel, en grijpt nog steeds naar de keel, meer dan vijftig jaar na datum.

     

  • Dit smaakt naar meer

    Dit smaakt naar meer

    De titel De verlossing van Jacob Smallegange was niet wat hij bedoelde, liet schrijver Rinus Spruit in een interview weten. Hij had het De verlossingen van Jacob Smallegange willen noemen, maar toen zijn uitgeverij het enkelvoud voorstelde had hij daarmee ingestemd. Om daar later toch wat spijt van te krijgen. Want de titel gaat over een vroedmeester en de al dan niet moeilijke verlossingen die hij doet. En dat zijn er heel wat meer dan één. Het akkoord gaan met zo’n wijziging typeert de bescheidenheid van Rinus Spruit die pas op zijn drieënzestigste, in 2009, debuteerde met de roman De rietdekker, over het leven van zijn vader.

    De verlossing is inmiddels zijn vierde roman en de Zeeuwse schrijver blijft steeds dicht bij huis in zijn onderwerpen. Want ook deze roman speelt zich af in Zeeland, en de hoofdpersoon heeft veel kenmerken van de schrijver zelf. De gelijkenis gaat zo ver dat de hoofdpersoon ook een verhaal gaat schrijven, waardoor deze roman een verhaal-in-een-verhaal wordt.

    Twee glazen wijn

    Gerard Strobrand is een alleenstaande zestiger die leeft volgens een vaste regelmaat.  Drie keer per week rijdt hij  naar een wegrestaurant waar hij twee glazen wijn drinkt, met de rug tegen de vlammenwand, uitzicht op het parkeerterrein en een grasvlakte waar geregeld een ooievaar te zien is. Hij drinkt twee glazen wijn, verlangt sterk naar een derde, maar gaat toch altijd braaf weer terug naar huis zonder dat derde glas te bestellen. Dat uurtje in het wegrestaurant gebruikt hij om na te denken over zijn leven en plannen te maken om iets te schrijven. Dat laatste wordt een studie naar de wereld waarin zijn grootmoeder leefde. Zij was geboren in 1874 en vierennegentig jaar oud geworden. Gerard had haar nog gekend toen ze – dementerend – door zijn vader in huis was gehaald en neergeplant in de voorkamer.

    ‘Haar geheugen had ze achtergelaten in haar oude huisje. Ze was blijmoedig, lachte veel en breide. Lezen deed ze graag, ze las steeds hetzelfde boek, want na één regel was ze de vorige alweer vergeten. (..) Bij grootmoeder was het altijd genoeglijk en gezellig. Grootmoeder had een hoge aaibaarheidsfactor. Maar je moest voorzichtig zijn, haar gerimpelde en doorleefde huid was breekbaar, want dunner dan papier.’ 

    Als Gerard een artikel leest over de hoge zuigelingensterfte in de tijd die zijn grootmoeder had overleefd, komt bij hem het plan om een boek te schrijven over de dood die toen al dreigde bij de geboorte van zuigelingen, en in hun eerste levensmaanden. Hij koos voor een studie van het werk van de vroedmeesters die destijds de moeilijke bevallingen deden na een studie van vier jaar. Dit in tegenstelling tot de vroedvrouwen die na twee jaar studie de bevallingen deden waar geen problemen te verwachten vielen. Het waren zware tijden voor de vroedmeesters, die eigenlijk alleen een verlostang als hulpmiddel hadden, moesten werken in moeilijke omstandigheden, vaak met de zwangere vrouw in een alkoof met weinig licht en soms zelfs onder de deken. Ze moesten 24 uur per etmaal bereikbaar zijn. Veel vroedmeesters begonnen te drinken, wat hun werk niet ten goede kwam. 

    Vroedmeester van de goede soort

    Na veel studie en het raadplegen van een aantal dagboekjournaals die de vroedmeesters bij hielden over hun werkzaamheden, besluit Gerard Stroband een verhaal te schrijven over het leven van Jacob Smallegange, een fictieve Zeeuwse vroedmeester van de goede soort. Jacob werkt hard, drinkt geen alcohol maar melk en slaagt er in veel geboorten goed te laten verlopen, mede dankzij de hulp van zijn vrouw die thuis fungeert als crisiscentrum. Hij heeft één zonde, hij merkt in de loop van de tijd dat hij zijn vrouw niet meer liefheeft, misschien nooit heeft liefgehad. Hij heeft haar nodig en ze doet geweldig werk, maar hij vindt haar niet aantrekkelijk. Dan wordt zij ziek en overlijdt. Pas dán beseft Jacob hoe belangrijk ze voor hem was en begint met terugwerkende kracht van haar te houden. Hij mist haar erg en begint zijn werk te verwaarlozen. Ook raakt hij aan de drank, en dan gebeurt er iets moois… 

    Als Gerard dit verhaal af heeft huurt hij een al wat oudere typiste in om zijn handschrift uit te typen. Hij dicteert haar de tekst en begint al doende gevoelens voor haar te krijgen. ‘Hij dacht aan zijn vader. Die had jaren geleden met lede ogen aangezien dat Gerard geen vrouw kon vinden. “Jongen, jongen,” had hij vaak wanhopig geroepen, “jongen, jongen, maak er toch werk van. Pak toch eens door!” Gerard voelde dat het nu zover gekomen was.’ Maar als hij dan eindelijk wil doorpakken stuit hij op een probleem… 

    Doeltreffend vertellersproza

    Spruit is een verteller die zijn lezers bijna zonder dat ze het merken mee neemt in zijn wereld. Dat komt door de eenvoud van zijn schrijfstijl waarin geen woord te veel wordt gebruikt. Omdat dat ook niet nodig is. Groots en meeslepend leven is er niet bij in Spruit’s wereld. Het leven is wat het is en men probeert er het beste van te maken. De dagen verstrijken in een rustig ritme. Er wordt nagedacht, er wordt herinnerd, er worden voornemens gemaakt om het leven meer inhoud te geven. En die voornemens worden in kalm tempo uitgevoerd. Er is lichte weemoed om vervlogen tijden. Er is vooral ook eenzaamheid die zonder pathos wordt gedragen. 

    De onopvallende voortreffelijkheid van simpel maar doeltreffend vertellersproza zoals Spruit dat schrijft, is zeldzaam in de Nederlandse letteren. Het smaakt naar meer.

     

  • Onherhaalbaar

    Onherhaalbaar

    Troost van Michael Ignatieff zit in een te krap omslag. De rug staat strak en nog voor ik bij het tweede hoofdstuk ben, krult de voorkant in een droeve glimlach. Zo lastig is troost, glimlach ik mee. Ik ken het uit mijn werk. In de afgelopen dagen ook weer. Een echtgenoot overleden, de diagnose van een ongeneeslijke ziekte, eenzaamheid, een familieconflict.  Achter elke kamerdeur een nieuw verhaal. Troosten, hoe doe je dat? Op internet wemelt het van tekstjes bedoeld als hart onder de riem. We hakkelen bij uitvaarten de gekste zinnen. Een weduwnaar vertelde me eens: ‘En dan staat er zo’n gast bij haar kist en zegt dan: “Och, wat ligt ze er mooi bij.” Wat koop ik daarvoor? Ze komt er niet door terug.’ Verdriet is niet gemakkelijk weg te nemen met een woordje, een woordje kan wel gemakkelijk verdriet toevoegen.  

    Toch, literatuur, filosofie en muziek zijn troostvolle krachtbronnen. Op uitnodiging was Ignatieff te gast bij een koorfestival in Utrecht. De muziek en de woorden van de psalmen ‘raakten mij diep’ schrijft hij in het voorwoord, ‘en de ervaring had een louterend effect dat ik tot op de dag van vandaag probeer te verklaren’. Het zet Ignatieff aan tot het schrijven van deze kleine – Westerse – geschiedenis van troost. Startpunt is het bijbelboek Job. Paulus volgt, Cicero, Marcus Aurelius tot en met Mahler, Primo Levi, Havel tot aan de oprichtster van de hospice beweging Cecely Saunders. Een erudiete zoektocht. Voor ieder wel iets te vinden. Mij verraste het hoofdstuk over Boëthius (overleden 525 na Chr.). Hij viel in ongenade bij de keizer en schreef in afwachting van zijn executie zijn Consolatione. Wat helpt hem in het zicht van de dood? Hij maakt ruzie met God die toekijkt bij zoveel onrechtvaardigheid, belandt bij het Lot, de aanvaarding ‘dat de wereld geregeerd wordt door toeval’. Maar of dit inzicht hem werkelijk troostte? Juist die ervaring van gebrokenheid houdt hem actueel.

    Terug naar Ignatieff. Met het ‘louterend effect’ dat hij in Utrecht ervoer en dat onverklaarbaar bleef, raakt hij de kern van wat troost doet. Troost helpt, maar je hebt geen idee waarom juist dat ene helpt. Het komt niet op een presenteerblaadje, noch uit een koffertje met een vast instrumentarium. Troost komt bij toeval. Er bestaan geen teksten of muziekstukken die aan iedereen troost bieden. Het is maatwerk. Toen mijn moeder drie jaar geleden overleed werd ik omringd en ondersteund door veel lieve vrienden, tientallen luisterende oren. Hun aandacht en knuffels hielpen me door de eerste tijd heen. Maar het was één appje dat me werkelijk verlichtte. Een verre vriend, een Thaise ex-monnik die nu een kalm leven leidt op een zonnig eiland, antwoordde op mijn verdriet met de eenvoudige zin ‘She is now with the Gods.’ En eigenlijk weet ik nog steeds niet goed waarom juist deze woorden – waarvan de inhoud ogenschijnlijk zo ver afstaat van hoe ik in het leven sta – me hielpen. Zoals de ongelovige Ignatieff overmand werd door religieuze muziek en psalmen, gaf deze mij vreemde levensbeschouwing, me op dat moment de grootste steun. Eenmalig. Want zo werkt maatwerk, het is onherhaalbaar.

     

     

    Troost / Michael Ignatieff / vertaling Pon Ruiter en Nannie Plasman / 336 pag. / Uitgeverij Cossee (2022)


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Hij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Jonge vrouw vindt haar kracht

    Jonge vrouw vindt haar kracht

    Jennifer Nansubuga Makumbi is een Oegandese schrijfster die in 2014 doorbrak met de bruisende roman Kintu, een verhaal over macht en beperkingen tussen vaders en zonen. Haar tweede grote roman, De eerste vrouw, is een familiegeschiedenis die zich focust op de macht en kracht van vrouwen. Het boek speelt zich af tussen 1975 en 1983 in Oeganda, grotendeels tegen de achtergrond van het schrikbewind van Idi Amin.

    De dertienjarige Kirabo is een open en nieuwsgierig meisje, een verhalenvertelster die alle aandacht krijgt en liefdevol wordt opgevoed door haar grootouders en familie in het plattelandsdorp Nattetta. Kirabo verlangt echter hevig naar haar afwezige moeder, over wie niemand haar informatie wil verschaffen. De puberende Kirabo merkt dat ze haar lichaam kan verlaten: ‘De ik die rare dingen deed, vloog haar lichaam uit.’ Daarmee legt ze het verband dat haar moeder haar niet wilde.

    Zelfs slim zijn werd onaantrekkelijk

    Op zoek naar haar identiteit gaat ze te rade bij de zogenoemde dorpsheks Nsuuta. Omdat de oude vrouw blind is maar toch van alles lijkt te zien, gelooft Kirabo dat ze ook echt een heks is. Ze bezoekt haar in het geheim omdat Nsuuta in een vete verwikkeld is met Alikisa, Kirabo’s oma. Nsuuta is wijs en geëmancipeerd en praat met Kirabo over het belang van de rol die vrouwen spelen in het familieleven. Dat Kirabo uit haar lichaam kan treden heeft volgens Nsuuta te maken met haar afstamming van de eerste vrouw, een wezen dat gemaakt is om mannen te behagen of te breken.

    ‘Wie zou er groot, luidruchtig of dapper willen zijn, of een van de andere eigenschappen willen hebben die volgens mannen mannelijk zijn? We doken ineen, sloegen onze ogen neer, gingen zachtjes praten en ons zwak en hulpeloos gedragen. Zelfs slim zijn werd onaantrekkelijk. En al snel werd het vrouwelijk om klein te zijn. Daarna werd het mooi en gingen vrouwen ernaar streven. Dat was het moment waarop we onze oerstaat uit onszelf begonnen te verdrijven. Toen we eenmaal klein waren geworden, moesten de mannen voor ons zorgen, en al snel werden we hun bezit. Vaders verkochten hun dochters, mannen kochten een echtgenote. En toen we eenmaal handelswaar waren, konden mannen alles met ons doen wat ze wilden. Zelfs nu nog is ons lichaam niet van onszelf. Daarom grijpen ze het als ze er behoefte aan hebben.’

    Dorpskind

    Kirabo’s vader, Tom, is een snelle jongen die in Kampala woont en voor een koffiehandelaar werkt. Over zijn rol in haar leven denkt Kirabo nauwelijks na, tot hij haar op een dag komt halen. Hij wil dat ze bij hem komt wonen en in Kampala naar school gaat. Daar wacht haar de eerste grote schok in haar jonge leven. Tom, redelijk bemiddeld, woont in een modern huis, is getrouwd, heeft twee kinderen en een bediende. Dat was Kirabo allemaal niet verteld. Ineens is het dorpskind getuige van een heel ander leven, waarin een klassiek jaloerse stiefmoeder haar pest. Gelukkig mag de diepongelukkige Kirabo bij haar tante Abi gaan wonen. Abi is bewust ongehuwd, vrijgevochten en liefdevol. Zij bereidt Kirabo voor op het volwassen leven van een vrouw, de menstruatie, en hoe ze moet omgaan met haar haar seksualiteit en haar ‘bloem’ (geslacht).

    Vervolgens gaat Kirabo naar een katholieke kostschool, waar ze wordt geconfronteerd met meisjes uit andere clans, steden en dorpen en de bijbehorende milieus, rituelen en discriminatie. Het einde van het Amin-tijdperk is aangebroken en de nonnen trachten de meisjes te beschermen tegen het grimmige oorlogsgeweld en de soldaten die op het terrein van de school bivakkeren. Ze hebben voor veel meisjes met actieve hormonen een grote aantrekkingskracht. Overigens komt het Amin-regiem in het boek niet erg dichtbij, behalve wanneer de vader van Kirabo’s jeugdvriend Sio, een arts die zich te westers gedraagt, wordt opgepakt en nooit meer terugkomt.

    Hartsvriendinnen

    Het vierde deel, ‘Toen de dorpen nog jong waren’, gaat terug naar de jaren dertig van de vorige eeuw en is deels een briefwisseling tussen Nsuuta en Alikisa. Dat is een verfrissende variatie in de tekst en een efficiënte manier om het verhaal te vertellen. De jeugd van Nsuuta en Alikisa speelde zich af in de koloniale tijd van de Engelsen, de komst van missionarissen en invloed van het westen. Nsuuta en Alikisa waren hartsvriendinnen die als tienjarigen een verbond van eeuwige trouw sloten door elkaar te beloven met dezelfde man te trouwen. Alikisa trouwde inderdaad met de grote liefde van Nsuuta, maar Nsuuta besloot inmiddels tot een onafhankelijk leven en werd verpleegster. Toch deelden ze later dezelfde man, Miiroo, de opa van Kirabo, wat tegelijkertijd de bron van de latere vete tussen de twee vrouwen werd.

    Heft in eigen handen

    In het laatste deel wacht Kirabo de rampspoed waardoor ze op slag volwassen wordt. En ze ontmoet Sio weer. Hij praat over ‘mwenkanonkano’, het Lugandese woord voor feminisme en laat merken dat hij vrouwen als zijn gelijke ziet, totdat hij haar verraadt met haar jeugdvriendin. Hij heeft hun toekomst samen al uitgestippeld zonder Kirabo’s mening te vragen. Kirabo snapt ineens hoe het werkt bij mannen. Ze staat op en neemt het heft in eigen hand door met een ferm staaltje feminisme op te komen voor zichzelf en haar vriendin, slachtoffer van Sio’s lust. Ze weigert de man te volgen op zijn voorwaarden. Dat is tevens de kern van dit verhaal vol sterke vrouwen met de boodschap: vrouwen mogen hun eigen weg gaan en moeten mannen blijven opvoeden.

    Mooiste zin: ‘Ze was op de lichtheid van een kippenveer de schaamte voorbij gezweefd.’ De zin hoort bij een prachtige scène tussen Sio en Kirabo. Sio wil haar ‘bloem’ zien. Kirabo stemt daarmee in, maar is nog niet toe aan seks. Ze schaamt zich voor ‘alles daaronder’, wat hij respecteert. Tot hij met een kippenveer haar geslacht beroert…

    De tijd vooruit

    De eerste vrouw is een fijne familiegeschiedenis vanuit het vrouwelijk perspectief. Kirabo is een bijzonder meisje dat onder je huid kruipt. Trouwens, alle vrouwen in het verhaal zijn warm, liefdevol en sympathiek, behalve de stiefmoeder en Kirabo’s eigen moeder, die op het einde opduikt.
    De roman is uit het Engels vertaald door Josephine Ruitenberg. Soms is het jammer als de Afrikaanse woorden niet worden verklaard, en de gewoonte om op de tanden te zuigen bij ergernis, verlegenheid of woede komt in ieder hoofdstuk wel een keer voor. Dat had wat minder gekund. Maar het verhaal is een integere coming-of-age, intelligent en speels gecomponeerd. Achtergrondinformatie over politiek, het leven op het platteland versus de stad, de diepgewortelde rites en mythes en de rol van vrouwen binnen hun clans wordt subtiel gedoseerd en geeft een beeld van de macht en kracht van vrouwen in Oeganda ruim veertig jaar geleden. De Oegandese vrouwen waren hun tijd ver vooruit.

     

  • Een coldcase met terugwerkende kracht uit het jaar 1625

    Een coldcase met terugwerkende kracht uit het jaar 1625

    Een cold case is een onopgelost ernstig misdrijf. In de roman Het proces van Sören Qvist, van Janet Lewis uit 1947, wordt een moord gepleegd die weliswaar op het moment zelf ontraadseld lijkt, maar waarvan de oplossing achteraf op foutieve conclusies blijkt te berusten. Al tijdens het proces werd er sterk getwijfeld aan de juistheid van de veroordeling, maar indirect bewijs gaf de doorslag. Het betreft hier een cold case met terugwerkende kracht dus. En een waargebeurd verhaal, ingrediënten die lezers kennelijk blijven boeien, gezien het feit dat dit boek alsnog in het Nederlands is uitgegeven. 

    De in veler ogen ten onrechte (en niet alleen in Nederland) onbekende Amerikaanse schrijfster Janet Lewis heeft op twee jaar na de hele twintigste eeuw meegemaakt. Ze schreef naast poëzie en korte verhalen ook novellen. Op aanraden van haar eveneens schrijvende echtgenoot zocht ze voor haar schrijverschap inspiratie in een negentiende-eeuws wetboek genaamd Famous Cases of Circumstantial Evidence van Samuel M. Phillips. Op basis van enkele waargebeurde ‘cases’ uit dat boek  schreef ze drie novellen, waarin ze vooral het falen van gerechtigheid door overmatig vertrouwen op indirect of vermoedelijk bewijs (presumptive proof) aan de kaak stelde. Het proces van Sören Qvist, volgend op  De vrouw van Martin Guerre zijn inmiddels in een mooie vertaling van Paul van der Lecq verschenen. De derde novelle, The Ghost of Monsieur Scarron, zal ongetwijfeld volgen.

    Openbare zitting van de rechtbank

    De setting is de eerste helft van de zeventiende eeuw, Jutland, Denemarken. De middeleeuwen lijken nog niet voorbij, een verlichtere vorm van geloof heeft heidense gebruiken niet helemaal verdrongen: heksen bestaan misschien nog en zijn in samenspraak met de duivel ‘gek op het kwaad dat ze aanrichten’, ze kunnen buiten de deur gehouden worden door rozemarijn of wijnruit en onheil kan verjaagd worden door een lijsterbes geplukt op de avond voor Hemelvaartsdag. 

    Lewis heeft veel aandacht voor sfeertekeningen; kleding, natuur en eten worden in kleuren en geuren, vaak poëtisch weergegeven: ‘(…) wel verschenen er witte sterren aan de zachtblauwe hemel. Toen het blauw zich verdiepte tot paars en het paars begon te vervagen, maar lichtgevend werd en transparant, vormden die sterren clusters en zwermen die tintelden als rijp. Uit de vijver verrees een nevel en op de bladeren en het gras verzamelde zich de dauw.’ Haar gedetailleerde beschrijvingen maken dat je als lezer weliswaar scherp mee kan kijken, maar tegelijkertijd toeschouwer blijft. Ze lijkt geen beroep te willen doen op ons inlevingsvermogen. Op geen enkel moment heb je de neiging je te identificeren met één van de hoofdpersonages. Je bent getuige van een zaak en ziet hoe het net zich geleidelijk en onvermijdelijk om de aangeklaagde sluit.

    Innerlijk duel tussen God en de duivel

    In een vredige Jutlandse parochie in 1625 ontspint zich een vreemde strijd tussen twee mannen die elkaars tegenpolen blijken te zijn. De alom gewaardeerde, rechtschapen, wijze dominee Sören Qvist botst met een ‘onbenul’, de kwaadaardige, luie en brutale knecht Niels. In theorie is een duel tussen deze twee onbestaanbaar. Toch slaat de vlam in de pan omdat de dominee één zwakke plek heeft: hij heeft last van woede-uitbarstingen met fysiek geweld die weliswaar niet zonder aanleiding ontstaan, maar die hij niet kan beheersen. Zijn aversie tegenover Niels interpreteert hij als een beproeving van God, waardoor hij zijn razernij moet leren meesteren.

    Evenals de naasten van de dominee ziet ook de lezer dat de taak die Sören Qvist zichzelf opgelegd heeft niet haalbaar is. Hij zit als bij een spannende film op het puntje van z’n  stoel, hoopt dat de dominee zijn dwaling inziet en een letterlijk verstandige beslissing neemt, dat wil zeggen de knecht ontslaat. Maar al ziet de dominee in dat zijn knecht Niels ‘de zuivere belichaming…van al het kwaad op aarde’ is, hij blijft vol schuldgevoel van zichzelf eisen dat hij deze duivelse verzoeking aan moet kunnen om Gods genade waardig te zijn. 

    Loyaliteitsconflict en morele dilemma’s

    Alle indirecte bewijzen wie de kwelgeest Niels vermoord blijkt te hebben, wijst in de richting van Sören Qvist. De dominee, aanvankelijk overtuigd van zijn onschuld, geeft zich tenslotte over. Niet zo zeer de erkenning van zijn schuld voor de moord doet hem bekennen, maar veeleer de erkenning van zijn morele tekortkomingen om zichzelf te beheersen: ‘Men noeme hem ook wel de tegenspeler. Hij is op mijn pad gekomen, heeft een valstrik gespannen en prompt ben ik daarin verstrikt geraakt.’ Het besef van machteloosheid om het eigen lot te controleren brengt de predikant tot acceptatie van zijn veroordeling en dus tot berusting. Dat lukt zijn naasten, die blijven leven, minder goed. Zijn dochter Anna en haar verloofde, tevens rechter in de zaak Sören Qvist, zijn slachtoffers van een hopeloos loyaliteitsconflict en worden in de val meegetrokken.  

    Wanneer twintig jaar later direct bewijs van de valstrik waarin de dominee gelokt is opduikt, is dit de ultieme, wrange illustratie van het bestaan van morele dilemma’s zonder verlossing. Wat op het eerste gezicht een niet al te ingewikkeld, spannend verhaal in een historische context met wat magische ingrediënten lijkt te zijn, ontpopt zich als een hersenkraker waarmee je als lezer kunt blijven stoeien. Of de schrijfster dat bewust nagestreefd heeft of niet, vragen als ‘wat is rechtvaardigheid?’, ‘welke rol speelt het lot  in een mensenleven?’, ‘wat is goed en wat kwaad?’ zijn onontkoombaar gesteld.

     

  • Ook sciencefiction kent regels waaraan het moet gehoorzamen

    Ook sciencefiction kent regels waaraan het moet gehoorzamen

    Stel je voor dat er dingen uit je omgeving en vervolgens uit je herinnering verdwijnen. Onherroepelijk, pijnloos, vanzelfsprekend. Dit is wat er gebeurt in de dystopische thriller  De Geheugenpolitie van de Japanse schrijfster Yoko Ogawa. Het boek dateert uit 1994, maar werd pas in 2019 in het Engels vertaald (The Memory Police). In 2020 dong het boek mee – als concurrent van De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld – naar de International Booker Prize, in datzelfde jaar won het The American Book Award.

    De Geheugenpolitie is gesitueerd op een eiland zonder naam waar ‘uitwissingen’ plaatsvinden. Onaangekondigd en geluidloos verdwijnen er willekeurige voorwerpen uit het leven van de eilandbewoners zoals, hoeden, kidneybonen, boten, parfum, foto’s, rozenblaadjes en vogels. De eilandbewoners werken schijnbaar zonder pijn in hun hart mee aan deze vernietigingen. Ze zetten vogelkooitjes open, trekken bloemen uit hun perken of gooien boeken in het vuur. Achter  deze schijnbare gelatenheid zit een dwingende instantie, de alomtegenwoordige Geheugenpolitie. Haar ideologie is dat uitgewiste dingen overbodig geworden herinneringen nalaten die je als een afgestorven teen ‘onmiddellijk moet laten afzetten’. 

    Groeiende leegte

    Deze preventieve hygiëne, die strikt en op gevaar van eigen leven nageleefd dient te worden, zorgt ervoor dat herinneringen van de eilanders vrijwel gelijktijdig met de dingen die ze oproepen vergaan. Waarmee ook de connotaties en associaties die het verdwenen voorwerp ooit opriep, verdwijnen. Met de kalenders verdwijnt het tijdsbesef, met de speeldoos de muziek, zonder vogels verdwijnt het verschijnsel vliegen of zingen en raken woorden als vrijheid en schoonheid een deel van hun betekenis kwijt. Het lukt de eilanders niet meer zich het uitgewiste verschijnsel voor de geest te halen en zij leren hierin te berusten. Ook de groeiende leegte van hun wereld leren ze te accepteren, onderwijl zichzelf wijsmakend dat uiteindelijk ‘alles op z’n plaats valt’. De aanhoudende sneeuwval op het eiland die alles dempt en neutraliseert, onderstreept deze ‘inkapseling’.         

    Maar zoals de klassieke wetmatigheid het wil, is er op dit eiland een kleine minderheid die moedig weerstand biedt. Dat zijn de mensen die hun geheugen niet verliezen, hun verloren gegane herinneringen, soms de uitgewiste voorwerpen zelf, in het geheim blijven koesteren. Op deze weerbarstige, vaak ondergedoken individuen wordt door de goed geoliede machinerie van de Geheugenpolitie gejaagd. Efficiënt uitgevoerde razzia’s, deportaties, decodering van genetisch materiaal ter identificatie en vernietiging staat deze onwenselijke elementen te wachten. 

    Boek in een boek

    In een sciencefiction setting, ontspint zich een dystopisch verhaal, dat origineel in de oren klinkt. De verteller is schrijfster van romans over verlies. Ze werkt aan haar vierde boek over een typiste wier stem haar ontfutseld wordt door haar minnaar annex typleraar, waardoor ze in zijn macht raakt en geleidelijk versmelt met de ruimte waarin hij haar opsluit. Dit verhaal blijft door het hoofdverhaal heen meanderen. In beide verhaallijnen gaat het om verlies van jezelf.

    Naast de hoofdpersoon is er een oude man, steun en toeverlaat van de schrijfster. Hij helpt  haar een onderduikkamertje te maken in haar huis, voor R., haar redacteur, die een intact geheugen blijkt te hebben. Zijn niet ‘aftakelende geest’ stelt hem in staat niets te vergeten en rotsvast te blijven geloven in de rijkdom van herinneringen en het bewaren ervan door middel van woorden. De ik-figuur en R. worden verliefd, maar haar groeiende kilte en leegte drijft hen gaandeweg uit elkaar en maakt het schrijven aan haar roman onmogelijk. Dan gebeurt er iets geks: ondanks de uitwissing van romans die inmiddels heeft plaatsgevonden, slaagt de schrijfster er toch in haar roman te voltooien. Hier wordt iets opgevoerd wat dus eigenlijk onmogelijk zou zijn.

    Gaandeweg stuit de lezer op meer ongerijmdheden, al was het alleen al door de wat al te hapklare griezelige clichés (een luik kraakt, een lamp aan ’t plafond schommelt). Er wordt ook hier en daar nogal wonderlijk verwoord: ‘dat… iemand de nagels van de jongen zal knippen en dat de handschoenen daarbij altijd een oogje in het zeil zullen houden’, of: ’Har-mo-ni-ca. Ik spreek de lettergrepen een voor een uit, alsof ik slokjes water uit zijn mond drink. Dat klinkt romantisch. Als de naam van een slim, sneeuwwit katje met langharige poten.’ Voor een deel zou het te wijten kunnen zijn aan de (Nederlandse) vertaling, maar misschien moet het gewoon het Japanse ‘kawaii’, schattig oproepen.

    Doodlopende zijpaden

    Ook inhoudelijk worden er doodlopende zijpaden ingeslagen, die de eventuele behoefte aan coherentie bij de lezer zwaar op de proef stellen. Met name als eenmaal ook de uitwissingen van lichaamsdelen beginnen, wordt het ingewikkeld logica te ontwaren. Eerst moeten de inwoners een linkerbeen missen. Het been wordt een vreemd aanhangsel waarmee ze zich eerst geen raad weten, maar al snel erin slagen om het volkomen te negeren. Het fijne is dat men deze keer geen actieve bijdrage aan deze uitwissing hoeft te leveren. Al snel komt daar de rechterarm bij en – in een opgevoerd tempo op de laatste bladzijden – ook de rest: ‘De mensen hebben hun stoffelijk bestaan volledig verloren. Alleen onze stemmen zweven doelloos rond.’

    Nog verwarrender wordt het wanneer zelfs de hond, Don dit proces doormaakt. Wanneer hij ‘naar oude gewoonte zijn hoofd op zijn achterpoten wil laten rusten en merkt dat daar niets is, legt hij zich daar meteen bij neer en trekt dan de deken naar zich toe om als kussen te gebruiken.’ Wat is hier aan de hand?, vraag je je af. Kan ‘de totale uitwissing van het lichaam’, die immers door middel van een ‘getransformeerde geest’ bewerkstelligd wordt, ook voor een hond opgaan? Hebben honden ook een bewustzijn met herinneringen die verloren kunnen gaan? Geen oninteressante gedachte, maar het gegeven wordt niet verder uitgewerkt.

    Als tenslotte blijkt dat zelfs R. zijn lichamelijk uitgewiste geliefde, de schrijfster, niet meer kan lokaliseren, snap je er niets meer van: ‘Hij omsluit met zijn handen de lucht waar hij vermoedt dat mijn stem hangt.’ Maar…, hij had tot dan toch geen last van amnesie? denkt de verwarde lezer. Kennelijk toch, maar ook niet helemaal.
    De geliefden roepen een pathetisch overkomend,‘Vaarwel’ naar elkaar, zij lost op en hij gaat met zijn atletisch lichaam, na zo’n jaar op vijf vierkante meter ondergedoken te hebben gezeten, de wijde wereld in.

    Incoherente vertelling

    En zo zakt ook het verhaal als een plumpudding in elkaar en blijft de lezer achter met een heleboel vragen.Waarom moest de totale bevolking van het eiland uitgeroeid worden, welke ideologie zit daarachter? Zijn er politieke of maatschappelijk implicaties van het op het eiland heersende totalitarisme? Behalve dat de Geheugenpolitie werkloos raakt en er geen onderdanen meer zijn die in het gareel gehouden moeten worden, kun je geen consequenties bedenken. Is dit een gratuit gedachte experiment over een wereld die aan vergetelheid ten onder gaat?

    Misschien is het gewoon een incoherente vertelling waar een groot verlangen naar originaliteit uit spreekt, maar helaas evenveel onvermogen om een congruent verhaal op te schrijven. Ook een literair genre als sciencefiction kent regels waar het aan moet gehoorzamen – het verhaal moet plausibel zijn, logisch in elkaar zitten. Wie daar geen belang aan hecht en gewoon (gezien de internationale erkenning) vermaakt wil worden, kan hiermee zijn hart ophalen.

     

  • Wanneer het weer winter wordt

    Wanneer het weer winter wordt

    Simon, de hoofpersoon uit De verdwenene, de tweede roman van Lot Vekemans, is zo’n vijfentwintig jaar geleden naar Canada geëmigreerd, de weg volgend van oom Gerard. Nu komt Simons zestienjarige neef (‘de jongen’) voor een tijdje bij hem op bezoek. De jongen is onhandelbaar en zijn ouders hopen dat hij onder invloed van diens oom zijn leven wat zal beteren. Simon zelf werd ooit naar oom Gerard gestuurd, – de jongen nu naar oom Simon. Het is een patroon, dat regelmatig in deze roman terugkomt, tot in détail. Door te observeren doet Simon alles wat zijn vader doet feilloos na. Zo doet Simon zijn jas open, als zijn vader hem juist dicht doet. Nadoen en leren, maar ook tegen de draad ingaan en afleren. Simon lijkt een oudere, en mildere versie van Boris uit Vekemans’ debuutroman, Een bruidsjurk uit Warschau. Hij geeft ook geen antwoorden, kijkt stuurs naar de grond en schopt om zich heen.

    Na verloop van tijd begint Simon zich te ergeren aan zijn neef die zijn schoenen net niet op de zitting van de bank zet, niet meehelpt met afwassen en elke vraag schouderophalend beantwoordt. Simon is vergeten dat hij als veertienjarige net zo was: geen vrienden, geen hobby’s, zich nergens voor interesserend. Het enige wat de jongen wil, is naar de Rocky Mountains gaan. Op twee mensen na die ze in de bergen ontmoeten en de ouders van de jongen, komen er geen andere personages in De verdwenene voor. Zo blijft het verhaal helder, of – om een levensles die Vekemans citeert te parafraseren: Rust, reinheid en regelmaat. Dat zou Simon zijn neef willen leren. Vekemans beschrijft op filmische wijze hoe Simon helemaal opleeft tijdens de autorit naar de Rocky Mountains.

    Autorit naar Rocky Mountains

    Het stof van de auto’s voor hen vormde wolkjes en hij hoorde de steentjes tegen de onderkant van de auto tikken. Al snel was Canmore volledig uit het zicht en werd de weg ingesloten door snel oplopende bergflanken. Ze passeerden twee kleinere meren en soms, als de naaldbomen langs de weg even verdwenen, verscheen er een vergezicht op nog meer bergen. De lucht was blauw en de lichtgrijze bergen staken er onwerkelijk scherp tegen af. De jongen stuiterde in zijn stoel van enthousiasme, als een hond die de bossen rook.’

    Vekemans’ observaties zijn raak beschreven. ‘Hij ontdekte (…) dat er muziek was die hij snapte, of nee, dat er muziek was die hém snapte’. Soms zijn het filosofisch getinte bespiegelingen die het verhaal vertragen zodat je de gelegenheid krijgt erover na te denken, ‘Jezelf vasthouden aan de werkelijkheid, niet aan een mogelijkheid’. Waarbij het hier-en-nu minder zwart wordt voorgesteld dan wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. Of zoals Marlena in haar eerste roman, Een bruidsjurk uit Warschau denkt: ‘Je reist altijd met het gevoel dat je niet weet wat er vóór je ligt, of je nu vertrekt of juist weer teruggaat’. 

    Gaandeweg de autorit leeft de jongen op en wordt steeds spraakzamer. In korte zinnen, maar toch. Oom en neef spréken met elkaar, en in die korte dialogen laat Vekemans zich kennen als toneelschrijver. Net als overigens in de opbouw van het boek, dat uit vier delen (aktes) bestaat à la een toneelstuk van Tsjechov. Gelijk opgaand met dat opleven en de toenemende spraakzaamheid van de jongen, verdiept ook de karaktertekening van Simon zich. Hij blijkt te kunnen genieten van het feit dat hij zijn neef naar de hand kon zetten. Kon – want in de Rocky Mountains lukt hem dat niet meer. De jongen spreekt, terwijl zijn oom op het toilet is, met een vreemde man, Chris, en diens zoon Quinn af om het weekend in de bergen te gaan wandelen. Simon geeft toe en blijft alleen in Canmore achter, want door een wond aan zijn been die maar niet dicht wil gaan is hij niet in staat te klimmen of veel te lopen.

    Op weg naar een ander leven

    Zit er in het beeld dat hij onderweg ziet een voorspellende waarde? ‘Een gigantische mannenkop die tot aan zijn mond in de grond was gezakt. (…) Het leek alsof hij zand hapte’. Vekemans zet met dergelijke beelden de lezer op het verkeerde been. Daarbij valt bijvoorbeeld ook te denken aan een verhaaltje dat Chris aan de jongens vertelt over iemand die iets te ver naar voren stapte en van de berg viel. ‘Bij dat laatste verhaal had de jongen gezwegen’.
    Vlak voor de wandeling meldt de jongen dat hij vanaf dat moment ‘Dan’ in plaats van (komen wij achter) Daan heet, en zo genoemd wil worden.  

    Die aanstaande bergwandeling en die naamsverandering zijn het op-weg-zijn naar een ander leven, weg van het puberale doen-en-laten van de jongen. Al gaat dat, net als het spreken, nog niet van harte en mondjesmaat. Ondanks dat is Quinn in ieder geval jaloers op de jongen en diens steeds nauwer wordende band met zijn vader Chris. Er ontstaan twee kampen: Chris en Dan tegenover Simon en Quinn. De rolverdeling is duidelijk: ‘Chris vertelde weer onophoudelijk verhalen, de jongen liet weer foto’s zien, Quinn kon weer geen hap door zijn keel krijgen’. En Simon? Dat blijft de vraag. Terwijl het net beter gaat met de wond op diens been, schopt Dan hem in een woedende bui twee keer tegen zijn zere been.
    Zowel met de wond als de jongen gaat het mis en is haast pijnlijk om te lezen. Net als de droge constateringen, ‘De jongen was weg’. En, ‘Hij was bedrogen’, al had de lezer dit wel aan zien komen. Dat bedrog was overigens niet de eerste keer, wat de goedgelovigheid van Simon benadrukt; de enige vrouw met wie hij ooit (negen dagen) een relatie had, was er met zijn spaargeld vandoor gegaan. 

    Verdwijning van de jongen

    De jongen was weg en diens gealarmeerde ouders arriveren. Daan lijkt wat zijn eetgedrag betreft op Hanne, wat weer een patroon aanduidt. De vermissing van Daan komt steeds dichter op Simons huid te zitten. De politie doet een leugendetectortest om hem als verdachte uit te sluiten. Terwijl Simon van het politiebureau wegrijdt, staat er opeens een wahiti voor hem op de weg, die hem aankijkt. Het symbool voor kracht en natuur, het tegenovergestelde van Simons aard, waarbij aangetekend moet worden, dat Simon de natuur beschouwt ‘als het product van mensenhanden, zorgvuldig vormgegeven en ingericht.’ Rust, reinheid en regelmaat. Later is het een raaf, die op het dak van de auto gaat zitten. Het symbool van het slechte en het kwaad dat mensen verbindt, én van eenzaamheid. 

    Dat laatste geldt voor alle mensen in deze roman. Een frase als ‘dan ben je nooit alleen’, die wel tegen tweelingen wordt uitgesproken gaat niet op. Dat ging ook niet op voor Simon en diens volslagen anders zijnde tweelingbroer Robbert, de vader van Daan. Maar er gloort hoop, op een andere manier dan je zou denken. Al was het alleen maar dat het winter wordt. ‘In de winter voelde het verschil tussen hem [Simon, EvS] en de wereld kleiner. Alles was dan weer naar binnen gericht’. En dat voelt voor Simon toch het veiligst, de kleine werkelijkheid van alledag.

    Op eenzelfde vergelijkbare manier eindigt Een bruidsjurk uit Warschau: ‘Gaat het weer sneeuwen?’ (…) ‘Ze hebben het niet voorspeld (…), maar zeker weten doe je het nooit’. Met dit verschil, dat Vekemans in haar tweede roman de patronen en metaforen duidelijker over het voetlicht weet te brengen en daardoor nóg meer in de hersenen en harten van de lezers weet te kruipen. Dat doet ze weergaloos goed.

     

  • De dood van een bekend politicus in Palestina

    De dood van een bekend politicus in Palestina

    De laatste keer dat het er even op leek dat Israël en de Palestijnen elkaar zouden kunnen vinden in een twee-statenoplossing was op 13 september 1993 toen Yasser Arafat en Yitzhak Rabin elkaar onder de ogen van president Clinton de hand schudden. Daarna ging alles weer mis, zoals het vanaf het begin van de eeuw al mis was gegaan. Over dat begin gaat de uit 1932 daterende en in een voortreffelijke nieuwe vertaling opnieuw uitgebrachte roman De Vriendt keert terug van de Duits-joodse schrijver Arnold Zweig.

    Een vat vol tegenstellingen

    Na de eerste wereldoorlog werd het gebied Palestina onder Brits mandaat gebracht. De Britten hadden al in 1917 onder invloed van de zionistische beweging de Balfour-declaratie afgekondigd die joden een nationaal tehuis in Palestina beloofde. Dankzij deze belofte kwam een stroom van joodse emigranten op gang, weg van de pogroms en de jodenhaat. Maar Palestina was geen leeg land, er woonden Arabieren en ook een kleine groep Christenen. De joden die uit alle windstreken arriveerden, waren allerminst een eenheid. Ze verschilden van cultuur, afhankelijk van het land waar ze vandaan kwamen. Ze verschilden in de mate waarin ze de Joodse religie aanhingen en ook in het doel dat ze nastreefden: er waren zionisten die een eigen staat Israël wilden en anderen die een land wilden met plaats voor zowel joden als Arabieren. En zo werd Palestina al snel een vat vol tegenstellingen, joden tegen joden, joden tegen Arabieren, Arabieren tegen joden, waarbij de Engelse bewindvoerder probeerde zich zo min mogelijk te committeren aan welke subgroep dan ook: iedereen moest maar een plaats zien te vinden onder de koepel van hun mandaat.

    Wie vermoordde De Vriendt

    Arnold Zweig (1887 – 1968) bezocht voor deze roman in 1932 Palestina en maakte kennis met de vele groeperingen die elkaar daar het leven zuur maakten. Om die wirwar te beschrijven koos hij als centrale figuur de Nederlandse dichter, jurist en Thora-geleerde De Vriendt, die in de roman met twee pistoolschoten in Jeruzalem wordt gedood. Hij is als zionist naar Israel gekomen, maar veranderde daar van standpunt: als diepgelovige jood vond hij de zionisten te makkelijk omspringen met de joodse religie en ook te afwijzend tegenover samenleven met Arabieren. De Vriendt is een bekende politicus met vijanden en vrienden en zijn dood zorgt – na beschuldigingen over en weer – voor ernstige onlusten waarbij zowel aan Arabische als aan joodse kant veel doden vallen.

    Het is in deze roman aan de Brit Lolard B. Irmin, chef van de geheime dienst, om uit te zoeken wie de moord gepleegd heeft en waarom. De Vriendt was een getourmenteerde ziel die zijn liefde voor een Arabische jongen zag als in strijd met zijn geloof, maar er toch voor bezweek. Irmin’s eerste verdenking valt dan ook op de familie van de jongen die de relatie als ongewenst kon zien, maar uiteindelijk blijkt De Vriendt vermoord te zijn door een zionist die hem ziet als een verrader. Hij behoort tot de jonge, naïeve idealisten die in die tijd vanuit Oost-Europa naar Israel komen:

    ‘Zij zullen de pioniers van het land zijn, het al werkend opbouwen; op hen rusten de grondvesten van het nieuwe Palestina. Eigenlijk zijn ze geschoolde landarbeiders. Maar net als tienduizenden voor hen zullen ook zij malariamoerassen dempen, in de gloeiende zon wegen asfalteren, met ontblote armen stenen verbrijzelen, tijdens regenbuien in tenten slapen – en zielsgelukkig zijn. Ze hebben allemaal ginds, in het oude Europa, al Hebreeuws geleerd en zijn vastbesloten hier geen andere taal te gebruiken. Wat er vroeger was is verbrand en de as verwaaid; alleen wat voor hen ligt telt.’ 

    Jacob Israël de Haan

    Arnold Zweig heeft de romanfiguur De Vriendt losjes gebaseerd op de Nederlander Jacob Israël de Haan, die  in 1924 in Jeruzalem werd vermoord (naar later bleek in opdracht van de zionitische beweging), nadat ook in zijn geval eerst vermoed werd dat hij gestraft was voor zijn verhouding met een Arabische jongen.
    Zweig is een groot verteller die er goed in slaagt om de complexe situatie in het Jeruzalem van die tijd voor de lezer zichtbaar te maken en sympathie op te wekken voor alle partijen die in het land hun toekomst wilden realiseren en daar altijd meer ruimte voor nodig hadden dan de anderen konden en wilden geven. Van de personages komt die van de Brit Irmin het meest uit de verf, als de alles begrijpende en ter wille van de lieve vrede voortdurend compromissen zoekende vertegenwoordiger van de Britse mandaathouder. 

    Het verhalend proza van Zweig is een genot om te lezen, zijn royale volzinnen hebben een kalme cadans en eindigen pas als alles wat ze willen zeggen ook zorgvuldig is uitgesproken. Het mooist komt dat tot uitdrukking in zijn beschrijving van landschappen en stadsgezichten: ‘Als de lucht zwaar van vochtige hitte drukt op Haifa, de havenstad aan zee, waait er boven op de Karmel tussen half volgroeide dennen vaak een verkwikkende wind. Dan ligt de stad als in een ketel te smoren; haar smetteloze veelgeroemde baai omarmt de viooltjesblauwe zee met de gespreide armen van een witte reuzin; maar de steil oprijzende berg achter haar houdt de frisse bries tegen en maakt de mensen prikkelbaar, waardoor ze bij het minste of geringste in woede uitbarsten.’
    Het nawoord van Zweig bij de Nederlandse vertaling uit 1933 en een essay van Julia Bernhard over de ontstaansgeschiedenis van de roman maken de herdruk van deze indrukwekkende roman compleet. 

     

     

  • Tot vrouw gemaakt

    Tot vrouw gemaakt

    Simone de Beauvoir (1908 – 1986) heeft haar novelle De onafscheidelijken nooit willen publiceren. Ze schreef het in 1954 vlak na één van haar beste boeken: De mandarijnen. Daarmee won ze de Prix Goncourt, tegelijkertijd liet ze De onafscheidelijken stilletjes in een la verdwijnen. Nu is het zeventig jaar later door inspanningen van haar aangenomen dochter Sylvie Le Bon de Beauvoir toch verschenen. Postuum. Waardoor je als lezer meteen voor de vraag wordt gesteld of De Beauvoir met deze uitgave gelukkig zou zijn geweest.

    Aantrekkingskracht

    De onafscheidelijken gaat over een intense vriendschap tussen Sylvie Lepage, het alter ego van De Beauvoir, en Andrée Gallard, voor wie Élizabeth ‘Zaza’ Lacoin model stond. Kenners van De Beauvoir herkennen de vriendschap uit Een welopgevoed meisje (1958).  Om het autobiografisch gehalte van De onafscheidelijken te onderstrepen staan Simone en Élizabeth zelf op het omslag afgebeeld en zijn aan het eind enkele brieven van Simone en Zaza opgenomen en een handvol foto’s.

    Ze leren elkaar kennen bij aanvang van een nieuw schooljaar. Allebei negen jaar oud, godvruchtig en hoogbegaafd. Buiten de veilige muren van het schoolgebouw woedt de Eerste Wereldoorlog. Sylvie bewondert dit meisje dat zo zelfverzekerd leerkrachten antwoordt. Andrée heeft een leerachterstand opgelopen door een ongeluk – de brandwonden zijn nog zichtbaar – en ze vraagt Sylvies schriften te leen: een vriendschap begint. We volgen de twee meisjes naar de middelbare school, de eindexamens en de aanvang van het studentenleven aan de Sorbonne. Het is een vriendschap die tegen liefde aanleunt. Sylvie spreekt zich daarover ook uit: ‘U hebt het nooit geweten, maar vanaf de dag waarop ik u leerde kennen, bent u alles voor mij geweest (…). Ik had besloten dat als u zou sterven, ik ook meteen zou sterven.’ Verbouwereerd luistert Andrée naar deze bekentenis. Vriendinnen die elkaar met u aanspreken, het hoort bij een voorbije tijd. Ook dat aan Sylvies liefde voor Andrée verder geen woorden vuil worden gemaakt, hoort wellicht bij een boek uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Is er erotiek, of is de aantrekkingskracht uitsluitend geestelijk? In een hedendaagse roman zou Sylvie met één zo’n zin niet wegkomen.

    Zorg

    Er verschuift in deze vriendschap ook iets. De tomeloze bewondering van Sylvie voor het vrije gedrag van Andrée verandert in zorg als ze steeds meer doorkrijgt dat haar vriendin speelbal is van haar moeder en zich steeds meer conformeert aan de eisen die haar familie, haar sociale achtergrond en religieuze overtuiging stellen. De jongens waarop Andrée verliefd wordt, passen niet in het ideaalplaatje dat vader en moeder Gallard voor ogen hebben. Dat geldt ook voor Pascal, een medestudent waarvoor de filosoof Maurice Merleau-Ponty model stond. Het kan niet anders of deze liefde eindigt dramatisch. Andrée sterft jong. Bij haar graf zegt haar vader: ‘Wij zijn slechts instrumenten in Gods handen geweest.’

    Doorgeven van de rekening

    De onafscheidelijken mist spanning, het is te vlak en te weinig uitgewerkt om echt indruk te kunnen maken. Dan helpt het om meer context bij het verhaal te betrekken. De nawoorden van Sylvie Le Bon de Beauvoir (de overeenkomst met de naam van het hoofdpersonage blijft frappant) en van Bregje Hofstede tillen het boek op een hoger plan. Beide cirkelen om het centrale idee van Simone de Beauvoir: On ne naît pas femme, on le devient. Het leven van haar vriendin is voor De Beauvoir het verdrietige voorbeeld van hoe traditie, geloof en maatschappelijke context beperkend zijn voor vrouwen. De moeder lijkt in de novelle de kwade genius achter het mislukte leven van Andrée, maar ook zij is in haar jeugd geconfronteerd met de verwachtingen die voor haar sekse golden: een goed huwelijk, moederschap, dienstbaar en ondergeschikt zijn. De rekening van haar eigen gefnuikte ambities komt ook bij haar dochter terecht en je hoeft geen profeet te zijn om te raden dat een volgende generatie het risico loopt dezelfde rekening gepresenteerd te krijgen. Le Bon de Beauvoir zegt dan ook met de gloed van activisme dat er voor Simone geen groter schandaal bestond dan dat een individualiseringsproces in de kiem gesmoord wordt, dat is ‘een aanslag op het mens-zijn’. Om vervolgens André Gides oproep ‘Heb lief wat je nooit twee keer zult zien’ te beamen. Van jou bestaat er maar een, je bent onvervangbaar.

    Al is de context er een van vervlogen tijden – wie discussieert er met vrienden nog over het Jansenisme? -, de boodschap van De Beauvoir is opmerkelijk actueel. Zaza werd slachtoffer van de tijd (de eerste helft van de twintigste eeuw) en het milieu waarin zij werd geboren. Met De onafscheidelijken kan De Beauvoir ook nu vrouwen inspireren, maar ook mensen van kleur, LHBTIQ+ of die witte heterojongen uit een arbeidersmilieu. Zo sluit haar visie verrassend genoeg aan bij een recente stroom aan boeken en documentaires die illustreren hoe ongelijkheid tussen mensen ontstaat en blijft bestaan, en hoe lastig die te doorbreken is. De onafscheidelijken mag dan als boek wat mager zijn, het bevestigt wel dat het gedachtegoed van De Beauvoir in deze tijd nog steeds relevant is. Het kan lezers bovendien op het spoor zetten van haar filosofische werk. Of ze daar gelukkig mee zou zijn, is dan geen vraag meer.

     

     

  • De draagwijdte van een keuze

    De draagwijdte van een keuze

    Soms krijgt een auteur een verhaal in de schoot geworpen. Het overkomt David Grossman (1954) meer dan twintig jaar geleden als een onbekende vrouw hem belt over een krantenartikel dat hij heeft geschreven. Haar naam is Eva Panic Nahir, een joodse vrouw geboren in Kroatië. Het telefoongesprek is niet alleen het begin van een vriendschap, het resulteert ook in het recent verschenen Het leven speelt met mij, dat niet zonder Nahirs levensverhaal geschreven had kunnen worden.

    Grossman, geboren in Jeruzalem, publiceert sinds de jaren tachtig romans, essays en kinderboeken en heeft met Zie: liefde (1986), Het zigzagkind (1994) en Komt een paard de kroeg binnen (2016) een internationaal publiek aan zich weten te binden. Ook Het leven speelt met mij is inmiddels in meerdere talen vertaald, bijvoorbeeld in het Duits als Was Nina wusste.
    Geen gekke titel trouwens. Van alle personages is Nina, de dochter van Vera, het meest onpeilbaar en ook het meest tragisch. En die tragiek heeft vooral te maken met een keuze die haar moeder in het leven heeft gemaakt.

    In Joegoslavië

    Eva Panic Nahir (1918 – 2015) heeft voor Vera model gestaan. Ze is partizaan in dienst van Tito, vecht samen met haar geliefde Milos, tegen het Italiaanse fascisme en het Duitse nazisme. Na de Tweede Wereldoorlog en de breuk tussen Tito en Stalin wordt Milos gearresteerd op verdenking van heulen met de Sovjet-Unie. Milos pleegt in zijn cel zelfmoord en Vera wordt gearresteerd. De geheime dienst wil haar dwingen om een bekentenis te ondertekenen die Milos tot staatsvijand zou maken. Ze weigert, verdedigt hartstochtelijk Milos, haar grote liefde, en roemt zijn trouw aan Tito. Ze is te trots om haar dode echtgenoot te verraden. Als straf wordt ze naar een vrouwenkamp op Goli Otok gebracht, een kaal en guur eiland in de Adriatische zee. Haar jonge dochter Nina blijft alleen achter.
    De onvoorwaardelijke trouw aan haar man en de keuze die ze maakt, tekent niet alleen haar eigen leven, maar heeft ook verstrekkende gevolgen voor de generaties na haar. Op de eerste plaats voor Nina die zonder moeder opgroeit en zich door haar in de steek gelaten voelt – een wond die haar leven bepaalt, maar ook voor Gili, haar kleindochter. Vanuit Gili’s perspectief wordt deze roman verteld.

    Haat en woede

    Het boek begint vóór de geboorte van Gili. Vera is vanuit Joegoslavië aangekomen in Israël, woont in een kibboets en trouwt Toevja die sinds kort weduwnaar is. Zijn zoon Rafaël heeft ondertussen een kopstoot opgelopen bij de jonge Nina – het weerhoudt hem er niet van, integendeel misschien, om halsoverkop verliefd op haar te worden. Een liefde die niet verdwijnt, zelfs niet nu ze formeel zijn stiefzus is geworden. Ze trouwen en krijgen een dochter, Gili. De geschiedenis herhaalt zich – maar nooit op eenzelfde manier. Nina verdwijnt, zoals ooit haar moeder verdween. Ze leidt een onordelijk bestaan, zwerft over de wereld, heeft verschillende banen en vele mannen. Ze kan zich aan niemand binden, voelt zich overal onveilig en ongewenst. Zelfs nu haar moeder de negentig is gepasseerd, en overigens nog steeds bijzonder vitaal is, is Nina’s woede en haat niet geluwd. Een haat en woede die bindt, want zo gaat het, loslaten kan ze Vera nu ook weer niet. Gili wordt grotendeels opgevoed door haar vader Rafaël.  Van hem leert ze documentaires maken.

    Op Vera’s negentigste verjaardag komt iedereen samen. Het besluit valt om een film te maken over Vera’s leven in voormalig Joegoslavië en over haar gevangenschap op Goli Otok. Het is een samenwerking tussen Rafaël en Gili. De camera wordt het instrument voor bekentenis, confrontatie en herstel.
    Onwillekeurig denk je aan Eva – a documentary van Avner Faingulernt die aan het begin van deze eeuw is gemaakt over Eva Panic Nahir.

    Ode aan verzoening

    Het leven speelt met mij blinkt uit in scherpe dialogen, waar – tussen de regels – de pijn in de onderlinge relaties voelbaar is: tussen de drie vrouwen en tussen Rafaël en Nina. Uiteindelijk is de zoektocht in het boek een ode aan verzoening, verzoening tussen generaties.

    Toch kleven er ook nadelen aan deze laatste Grossman. Als Vera spreekt, krijgen haar zinnen een Kroatisch bedoeld accent, waardoor je ten onrechte het idee krijgt dat er een typetje is gecreëerd met een grappig bedoelde tongval. Daarnaast is Het leven speelt met mij, ondanks de heftigheid van het onderwerp, toch ook een tikje langdradig en dat heeft te maken met de structuur waarin Grossman zijn verhaal heeft gegoten. Het gegeven dat Gili, de kleindochter, samen met haar vader gedurende het grootste deel van het boek een filmportret van Vera en Nina maakt, haalt veel spanning uit het drama dat zich in deze familie afspeelt. De camera wordt geïnstalleerd en er wordt weer een flard van de moeilijkheden die tussen de familieleden bestaat, uit de doeken gedaan. Het wordt een voorspelbaar patroon. Het gezamenlijk verblijf op het verlaten eiland Goli Otok wordt dan ook vooral gered door een radicale ingreep in het verhaal. In een ander lettertype wordt een historisch bedoeld verslag gegeven van Vera als krijgsgevangene op het eiland.

    Ze wordt daar elke dag naar een plek geleid om de hele dag in de volle zon te staan zonder in eerste instantie te weten waarom. Een bewaakster houdt haar in de gaten en geeft aanwijzingen. Op dit onherbergzame eiland moet van de hoofdcommandant een plantje bloeien en Vera’s rol is ervoor te zorgen dat het in de schaduw blijft.

    ‘De bewaakster praat: “Heb je niet weleens het gevoel dat hij de hele tijd naar je kijkt?”
    “Kameraad Tito?” vraagt Vera voorzichtig.
    “Nee,” lacht bewaakster zacht, diep in haar keel, “dit plantje hier. Heb je niet het idee dat hij het begrijpt?”
    “Dat hij wat begrijpt, commandant?”
    “Deze waanzin” zegt ze, “en hoe ze hier beesten van ons maken.”’

    De kwetsbaarheid van dat plantje, Vera’s toegewijde zorg om het in leven te houden en de symbolische reikwijdte van deze geschiedenis, zorgen ervoor dat Het leven speelt met mij meer is dan een roman leunend op ware feiten, hier toont Grossman zijn meesterschap.