Emilienne Malfatto (1989) betekent letterlijk: ‘Uit duizenden’ en ‘slecht gedaan’. Toch excelleert zij tot nu toe voortdurend. Zowel haar journaalfoto’s als schrijfwerk wordt alom geprezen. Als oorlogscorrespondent in onder andere Irak schreef zij voor The Washington Post en The New York Times. Haar debuutroman Que sur toi se lamente le Tigre leverde haar Le Prix Goncourt Premier op: de beste debuutroman van Frankrijk. Ook haar tweede roman – Le colonel ne dort pas – verdiende een Franse prijs: die van de beste tweede roman. Benefatto!
De kolonel slaapt niet, vertaald door Martine Woudt, gaat over een woeste oorlog die legercommandanten de slaap ontneemt. De vertelling focust zich op drie mannen: een kolonel, een generaal en een ordonnans. Vanuit haar ervaring in oorlogsgebied zet Malfatto haar karakters en decor geloofwaardig neer. Zo wakker als de hoofdpersonen zijn uit gewetenswroeging, zo alert registreert Malfatto onrecht. Dit doet zij met impressionistische toets: een stilistisch contrast met de wreedheden, begaan door het slapeloze drietal. Lezen dus, maar liever niet vlak voor het slapengaan…
Auteur: Émilienne Malfatto
Uitgeverij: Cossee
Nu we er toch zijn
Alles uit Deventer ademt literatuur. Dit geldt ook voor Erwin Hurenkamp (1993). En nu we daar toch zijn: Hurenkamps debuutbundel luidt Nu we er toch zijn. Op Hard//Hoofd valt te lezen dat hij een vrij letterlijke broodschrijver is: hij werkt in Amsterdam bij een Franse bakkerij. Editio’s Debutantenschrijfwedstrijd heeft hij in 2021 gewonnen, hetgeen hem er vast toe inspireert door te gaan.
Zelf heeft hij echter niks met inspiratie: ‘Voor mij ontstaat een tekst meer vanuit een spelletje, vanuit het oeverloos combineren van woorden, beelden en ideeën.’ Toch lijkt Nu we er toch zijn hoger in te zetten dan een simpel spelletje. Verwijzingen naar de Bijbel én kritiek op haar – Genesis, Agnus Dei, Koolstof, Kyrie en Credo – lijken maar op één ding te anticiperen: een kleine bundel over de grote geschiedenis. Het is afwachten hoe biologie, geloofskritiek, natuurkunde, scheikunde én poëzie een coherent geheel vormen.
Auteur: Erwin Hurenkamp
Uitgeverij: Querido
Lessen van King
In vijf jaar tijd wordt Martin Luther King hét gezicht van de Amerikaanse Civil Rights Movement. Tussen 1963 en ’68 (het jaar waarin hij vermoord wordt) brengt de dominee een raciale verbroedering teweeg van wereldse proporties. Zestig jaar na zijn gedroomde speech blijkt echter dat we nog een wereld te winnen hebben. Lessen van King, coproductie van Peter Sierksma, Johan Fretz en Harcourt Klinefelter, vat Kings koninklijke nalatenschap samen. Het driekoppige doorgeefluik bevestigt in elk geval deze les van de predikant: ‘You can kill the dreamer, not the dream.’
Harcourt Klinefelter, Kings persvoorlichter én sinds 1972 wonend in Nederland, heeft het icoon van dichtbij meegemaakt. Naar het credo ‘what would Martin do?’ zet hij zich onder meer in voor Black Lives Matter en Extinction Rebellion. Hij kiest de thema’s waarover amerikanist en journalist Peter Sierksma zich buigt: De lessen van King. Enerzijds is het natuurlijk prachtig dat Martin Luther King tot op heden miljoenen mensen weet te inspireren. Anderzijds blijft het onverteerbaar dat zijn oproep tot geweldloos verzet nog altijd actueel is. Onrecht, het verdwijnt niet zomaar.
Auteur: Peter Sierksma, Johan Fretz, Harcourt Klinefelter
Als de Duitse verzetsstrijder Lisa Fittko samen met haar man Hans tijdens de Duitse invasie van Frankrijk in mei 1940, opeens in bezet gebied terechtkomt voelt ze zich geroepen om na haar eigen vlucht hulp te bieden aan andere vluchtelingen. Ze helpt ze de Pyreneeën over met visums naar Spanje. Onder de overwegend Duitse emigranten zitten meerdere internationaal bekende personen. Een van de meest bekende is wel de filosoof Walter Benjamin, die met een leren aktentas vol papieren met hulp van Lisa de oversteek waagt. Dit verhaal lezen we in de in meerdere opzichten uitzonderlijke memoires van Lisa Fittko getiteld Vlucht over de Pyreneeën – Mijn tocht met Walter Benjamin.
Lisa Fittko groeide op in een vrijgevochten Joods gezin, in wat destijds het Oostenrijks-Hongaarse rijk was. Haar vader had een literair tijdschrift en ging veel om met linkse schrijvers. Al snel na de machtsovername van Hitler vluchtten veel intellectuelen die in de ogen van dat regime verdacht waren. Lisa ging in die tijd naar politieke bijeenkomsten en protesten en verspreidde vlugschriften tegen het fascisme. Ook zij en haar man vluchtten naar Noord-Frankrijk maar werden door de Fransen na de Duitse inval als verdachten geïnterneerd in kampen. Fittko beschrijft hoe onwerkelijk het was om als vijand behandeld te worden door de Fransen die hen zagen als vijanden of spionnen. Ze vertelt hoe zij en haar man bedreven werden in het overleven en ontkomen. Het was de kunst om te ritselen en de autoriteiten moesten zo veel mogelijk worden misleid.
Ook als ze in het vrouwenkamp bij Gurs in de Pyreneeën terechtkomt probeert Lisa zoveel mogelijk medestanders te helpen. Haar toewijding voor de zaak is indrukwekkend want voor de Joodse bevolking en de verzetsstrijders was het een zaak van leven en dood. De Franse autoriteiten leverden niet alleen actief Joden uit, ze spoorden ze ook op. Als Lisa ontsnapt aan het kamp vindt ze in Marseille haar man terug. Na verschillende omzwervingen komen zij terecht in het dorpje Banyuls-sur-Mer waar ze als contactpersoon fungeren voor de stichting Emerescue die internationale vluchtelingen bijstaat. De burgemeester van Banyuls, Azema, is een socialist en staat in het geheim aan hun kant. Hij vraagt de Fittko’s om emigranten te helpen bij de grenspassage.
Zwarte aktentas
Via de Listerroute begint het echtpaar met het smokkelen van mensen. Deze route was veiliger dan die langs de kust waar zwaar gepatrouilleerd werd. Op 25 september 1940 klopt de ‘oude’ Walter Benjamin aan bij het echtpaar. Lisa heeft de indruk van een ietwat vormelijke geleerde. Er wordt besloten dat Benjamin meegaat op de ‘lichte wandeling’ de Pyreneeën over. Eenmaal in de koude bergen gaat de tocht langzaam en met regelmatige onderbrekingen verder. Gewapend met een zwarte leren aktentas steekt Benjamin met een ijzeren discipline de bergen over. In het hoofdstuk over de tocht vermeldt Lisa dat Benjamin een nieuw manuscript noemt, vermoedelijk van zijn laatste werk, het enigmatische Passagen-Werk. ‘Het viel me op dat Benjamin een aktetas bij zich had. De tas leek zwaar, en ik vroeg of ik hem kon helpen. “Daar zit mijn nieuwe manuscript in” legde hij me uit. “Maar waarom neemt u het mee op deze verkenningstocht?” “Weet u, deze aktetas is het allerbelangrijkste voor mij,” zei hij. “Die mag ik niet kwijtraken. Het manuscript moet gered worden. Het is belangrijker dan mijn eigen persoon.”‘
Eenmaal in het Spaanse Port-Bou aangekomen, moeten de emigranten zich melden bij de grenspost om vanaf daar door te reizen naar Portugal. In de nacht van zijn aankomst berooft Benjamin zich echter van het leven als bekend wordt dat de Spaanse grenspolitie van plan is de groep terug te sturen. Om zijn manuscript uit handen van de Gestapo te houden had hij zijn leven over. In het sterfregister wordt wel een zwarte leren tas vermeld, maar het manuscript is onvindbaar. Als Benjamins beste vriend Fittko veertig jaar later belt, vertelt hij haar dat het manuscript volgens hem überhaupt niet bestaat. Daar eindigt voor Lisa het spoor, niemand wist er iets van en zij moest zich immers op de tocht richten. ‘De filosofie moest wachten tot we de andere kant hadden bereikt.’ Het echtpaar blijft doorgaan met mensen overzetten, de oversteek zelf is niet heel gevaarlijk omdat ze het pad goed kennen en bij de lokale mensen bekend zijn. Alle vluchtelingen die ze begeleiden komen goed over en worden niet meer teruggestuurd. Op het smokkelen van mensen stond de doodstraf, dus de rebelse Lisa en haar pragmatische man riskeerden veel voor de vrijheid van anderen.
Uit de val
In het begin van het boek herinnert Lisa zich dat haar vader ooit gezegd heeft dat je ‘moet weten wanneer het tijd is om te wagen’. Iets van diezelfde opstelling heeft zij later, al neemt ze vooral ingecalculeerde risico’s. Zelf zegt ze daarover: ‘Je moet zeker dingen wagen en risico’s nemen, maar gewoon niet lichtzinnig. Elke nieuwe route moet goed doordacht en verkend zijn, elke stap ingecalculeerd.’ Toch krijgen zij af en toe ook hulp van goede Fransen, die wel menselijk bleven in het donkerste uur van het land. Lisa had niet kunnen overleven zonder wat geluk hier en daar. Mensen die bewust de andere kant op keken, haar wat toestopten of op een andere manier de hand uitstaken. Als overtuigde antifascisten zagen Lisa en haar man het als een plicht de slachtoffers van het nazigeweld en de bureaucratie te helpen vanuit hun overtuigingen. Als het systeem faalt is het aan de individuele mens om verantwoordelijkheid te nemen.
Over de tijd van de inval zegt Fittko: ‘Je komt in een val te zitten; je ziet hoe die zich langzaam sluit. De een staat als aan de grond genageld tegenover het onvoorstelbare noodlot, anderen rennen in paniek rond. Degenen die een doel hebben zoeken een uitweg. Het besluit om uit die val te komen neemt je helemaal in beslag.’ Juist het alles overstijgende doel van verzet bieden aan het fascisme leidt tot een soort verbeten besluitvaardigheid bij de Fittko’s. Als schietpartijen, executies, en deportaties aan de orde van de dag zijn vergt het een uitzonderlijk karakter om niet tot wanhoop te vervallen.
Met een zekere wrok beschrijft Fittko de Duitse burgers die ‘na zeven jaar naziterreur helemaal niets hadden geleerd, omdat ze de samenhang tussen hun persoonlijk lot en wat zich in de wereld afspeelde niet wilden of konden begrijpen.’ Dit onderscheidend vermogen is wat deze memoires van een verzetsvrouw zo bijzonder maakt. Dat de verzetsstrijders met ritselen en misleiden de wet moesten breken om mensen te redden toont wel hoe verdraaid de zaken waren. Het was vreselijk voor hen om de autoriteiten aan de verkeerde kant te zien staan. De Franse politie was immers evenzeer medeplichtig als de Gestapo.
Glashelder verhaal
Er valt wel enige kritiek te leveren op de ondertitel van het boek: Mijn tocht met Walter Benjamin. De tocht met Benjamin duurt één hoofdstuk. Het is uiteindelijk meer een voetnoot bij het grotere verhaal, al heeft Fittko wel interessante observaties over Benjamin. Zo schrijft ze over zijn karakter: ‘Wat een vreemde man, dacht ik. Glashelder denken, een onbreekbare innerlijke kracht, maar tegelijkertijd een hopeloze kluns.’ Benjamin slaat een apart figuur, de man van Lisa vertelt ook hoe hulpeloos hij was in het kamp. Voor de rest beschrijft Fittko op een vrij directe journalistieke manier de feiten. Er is geen veroordeling, er is alleen een glashelder verhaal over hoe het was om onder een bezetter te leven. Ze blijft bij de feiten, die zijn op zichzelf al erg genoeg.
Na hun ontsnapping in 1943 leven de Fittko’s een tijdlang in ballingschap op Cuba, tot de gezondheid van Hans hen noodzaakt om naar Amerika te gaan. Op het eind van het boek vraagt het nichtje van Fittko haar naar haar redenen om te helpen. ‘Onmenselijkheid is typisch voor het fascisme,’ zegt ze daarover. Zij is van mening dat het niet zozeer het ras van de Duitsers was, maar dat we altijd overal moeten blijven waken voor het fascisme in al zijn vormen. Het leven van Lisa en Hans is een verhaal van jaren strijd en vlucht en nauwelijks erkenning, maar is constant doortrokken van een sterk politiek bewustzijn. Het wordt met een zekere vaart verteld, maar het meest ongelofelijke is wel dat ze beiden aan al die gevaren zonder kleerscheuren zijn ontsnapt. Sommige dingen mogen we nooit vergeten: ‘We mogen niet vergeten wie wij zijn, wat we hier doen en waarom.’
Yoko Ogawa (1962) is een Japanse schrijver die met haar oeuvre elke grote Japanse prijs won. Haar dystopische roman De geheugenpolitie (2021) was een internationaal succes en kwam op de shortlist van de National Book Award for Translated Fiction en die van de International Booker Prize. Haar nieuwste roman Het onvergetelijke jaar van Tomoko won in Japan de belangrijke Tanizakiprijs. De vredig aandoende roman kenmerkt zich door een magisch-realistische sfeer.
Op het eerste gezicht lijkt de wereld die we door het ik-perspectief van de twaalfjarige Tomoko zien niet heel bijzonder. De vader van Tomoko is in 1966 overleden aan maagkanker en haar moeder gaat in 1972 een opleiding van een jaar volgen aan een hogeschool in Tokio om haar techniek als kleermaker te verbeteren om zo meer werkzekerheid te vinden. Tomoko wordt gedurende dat jaar ondergebracht bij haar tante en oom in Ashiya. Het huis met zeventien kamers waar haar tante en oom wonen is bijzonder luxueus. Oom is directeur van een frisdrankfabriek. Fressy, de frisdrank die in de fabriek geproduceerd wordt, bevat radium en zou een heilzaam effect op de maag hebben. Tomoko maakt kennis met haar nichtje Mina, dat een jaar jonger is dan zij. Haar oudere neef Ryuichi studeert in Zwitserland. Daarnaast wordt het huis bewoond door de uit Duitsland afkomstige oma Rosa en huishoudster mevrouw Yoneda. Meneer Kobayashi zorgt voor het onderhoud van de enorme tuin, maar zijn belangrijkste taak bestaat onwaarschijnlijk genoeg uit het verzorgen van Pochiko, het dwergnijlpaard dat oom op zijn tiende verjaardag cadeau kreeg van zijn vader. Pochiko is het enige overgebleven dier van dierentuin Fressy, ooit gevestigd in de enorme tuin van het enorme huis.
Fressy, het ultieme wondermiddel
Tomoko ontdekt al snel dat haar nichtje Mina een buitengewoon broze gezondheid heeft. Ze ziet intens bleek, is mager en heeft last van ernstige astma-aanvallen. ‘Voorkomen dat ze een aanval kreeg was voor het hele gezin de grootste prioriteit. Bij het minste kuchje stopten de volwassenen haar gelijktijdig een vest, een sjaal, een handwarmer en een gorgeldrank toe. Het geluid van een kuch draaide ergens in het huis een knop om en was het signaal om met z’n allen strijdvaardig te zijn. Dat gevoel kreeg ik.’ Fressy wordt door de bewoners van de villa gezien als het ultieme wondermiddel. Bij haar moeder mocht Tomoko alleen Fressy drinken wanneer ze jarig was, omdat haar moeder vreesde voor tandbederf, maar bij haar oom en tante is er een speciale koelkast vol met Fressy waaruit zij en haar nichtje zoveel mogen pakken als ze willen.
Tomoko leert haar nichtje ook beter kennen wanneer ze tegelijkertijd gebruikmaken van de ‘kamer met het lichtstralenbad’, een ruimte zonder ramen, waarin twee bedden staan die worden beschenen door een ronddraaiende constructie van elektrische lampen. Vanwege de heilzame werking van die lampen brengt Mina regelmatig tijd door in die kamer wanneer ze weer een astma-aanval heeft gehad.
Waar is oom?
Gaandeweg wordt steeds duidelijker dat er nog meer bijzondere zaken plaatsvinden in en om het huis van oom en tante. Dat Mina op de rug van nijlpaard Pochiko naar school gebracht wordt, vindt Tomoko nog plausibel, omdat Mina te zwak is om die reis zelf te voet af te leggen. Dat haar oom vaak lange tijd zonder duidelijk aanwijsbare reden afwezig is en dat haar tante zich min of meer in het geheim bedrinkt, is voor Tomoko reden om op onderzoek uit te gaan. Het leuke is dat de interpretatie van haar ontdekkingen voor de lezer begrijpelijker zijn dan voor haarzelf. Ondertussen is ze ook erg gesteld geraakt op Mina en gaat ze regelmatig naar de bibliotheek om boeken uit de wereldliteratuur voor haar te lenen. Tomoko neemt het leven zoals het komt. Nergens lees je dat ze haar moeder of haar overleden vader mist, dat ze pubergedrag vertoont of dat ze ambitie heeft om haar best te doen op school om iets te bereiken. Ze vindt het wel belangrijk om zich nuttig te maken voor het gezin waar ze nu deel van uitmaakt.
Luciferdoosjesverzameling
Een bijzonder onderdeel van het boek vormt de luciferdoosjesverzameling van Mina. Ze bewaart ieder afzonderlijk doosje in een grotere doos en bedenkt bij iedere afbeelding op het doosje een bijzonder verhaal. Tomoko wordt op een dag door Mina ingewijd in de verzameling die zich onder het bed van Mina bevindt en gaat zich vanaf dat moment inzetten om zoveel mogelijk verschillende luciferdoosjes voor Mina te bemachtigen. De lucifers die Mina regelmatig afsteekt om een lantaarn of een kaars aan te steken zijn een mooi symbool voor het lichtpuntje dat zij voor allen in het huis is. Alle volwassenen blijken zorgen te hebben, waarvoor ze zich kunnen afsluiten wanneer ze zich zorgen kunnen maken om Mina. Dat doen ze dan ook met verve. Een ander fraai symbool zijn de kapotte voorwerpen, die iedereen op het bureau van oom mag leggen, ook als hij er niet is. Oom heeft er een bijzonder genoegen in om dingen die stuk zijn, hoe klein ook, te repareren en het lukt hem ook altijd. Tante houdt zich op haar beurt een groot deel van haar tijd bezig met het vinden van spelfouten in boeken, kranten, brochures, ondertitelingen en wat niet al.
Filter
Het onvergetelijke jaar van Tomoko is een bijzonder boek, dat de lezer niets opdringt en geen moment verveelt. Interpretaties over alle bijzondere dingen die gebeuren kunnen ongegeneerd toegepast worden. De wat magisch aandoende wereld waarin Tomoko zich beweegt is stabiel. Het verblijf in het huis van haar oom en tante betekent voor Tomoko een jaar van veiligheid. Ze ontdekt weliswaar dat de wereld zelf niet veilig is, maar dat je door een bepaalde onbevangenheid en met optimisme toch prima kunt functioneren. Je kunt ziek worden, zoals Mina, maar dan kun je veel mooie boeken gaan lezen en mooie verhaaltjes schrijven over afbeeldingen op luciferdoosjes. Er zijn Arabische terroristen die tijdens de Olympische Spelen van München een aanslag plegen, maar gelukkig kun je ook kijken naar andere zaken en wint het Japanse volleybalteam een gouden medaille. Je kunt net als oma Rosa in het verleden moeilijke dingen hebben meegemaakt, maar dan heb je steun aan mevrouw Yoneda, die in den vreemde je beste vriendin wordt. Oom kan alles repareren en aan tante ontgaat geen spelfout; optimisme en lichtvoetigheid overheersen de chaos die het leven kan zijn. Het maakt het boek tot een lieflijke oase, waarin mogelijke narigheid achter een filter verdwijnt.
De Israëlische schrijver David Grossman (Jeruzalem 1954) is een veelbekroond auteur. In 2017 won hij als eerste Israëlische schrijver de Man Booker International Prize voor Komt een paard de kroeg binnen en in 2018 de Israel Prize for Literature. Vorig jaar kreeg hij de Erasmusprijs 2022 voor zijn gehele oeuvre, uitgereikt door koning Willem-Alexander in het Koninklijk Paleis in Amsterdam. Het thema van dat jaar was ‘Verbinders in een verdeelde wereld.’ Van de website Stichting Praemium Erasmianum: ‘Grossman voldoet als geen ander aan deze typering. In zijn werk wil hij de mens van binnenuit begrijpen, en de ander liefdevol bezien over grenzen van oorlog en geschiedenis heen. Het werk van Grossman verandert de lezer: de vergevende blik waarmee hij zijn personages beziet straalt ook op ons af.’ *
De Erasmusprijs was voor uitgeverij Cossée de aanleiding Grossmans debuutroman uit 1983 De glimlach van het lam opnieuw uit te geven. Shulamit Bamberger vertaalde de roman al in 1994 uit het Hebreeuws; nu is er een gereviseerde versie. Waaruit de revisies bestaan is niet duidelijk en ook niet wie die heeft gedaan. Shulamit Bamberger overleed op 8 mei 2018.
De glimlach van het lam vertelt het verhaal van vier hoofdpersonen, de Israëlische soldaat Uri, zijn meerdere, militair gouverneur Katzman, Sjosj, de vriendin van Uri en de oude Palestijn Hilmi.
De ezelsdagen
In Djoeni, een Arabisch dorpje in bezet gebied, wordt er met stenen gegooid naar een Israëlische legerpatrouille. Een reservist wordt geraakt en de militairen schieten op de stenengooier. Die ontsnapt, maar een ezel wordt dodelijk getroffen. Katzman verbiedt de bewoners het kadaver weg te halen zolang ze niet vertellen wie de steen heeft gegooid. Uri gaat steeds kijken bij het kadaver. De stank is niet te harden, maar de bewoners wennen eraan. Vrouwen met baby’s lopen er langs en er gaat zelfs iemand naast zitten om meel te zeven. Uri: ‘En ik stond te kijken, want ik had me voorgenomen om daar te blijven totdat ik het begreep.’
Idealist
De situatie met de ezel maakt dat Uri en Katzman tegenover elkaar komen te staan. Katzman is de militair met een afstandelijke kijk op mensen. Hij komt het gouvernementsgebouw niet uit, de bevolking van Djoeni kent hem nauwelijks. En Uri is de idealist die het beste met de mensen in het dorp voor heeft, hij droomt van het aanleggen van asfaltwegen en bloeiende tuinen. Hij ziet zich al over de nieuwe wegen rijden en rozen plukken: ‘Op zijn gezicht lang die naïeve, onnozele glimlach die Sjosj geïrriteerd de glimlach van een lam noemde.’
Uiteindelijk verbiedt Katzman Uri contact te onderhouden met de mensen uit het dorp en dus ook met Hilmi. Maar Uri negeert dat en blijft de oude man in zijn grot bezoeken om te discussiëren over de bezetting en om naar zijn sprookjesachtige verhalen te luisteren. Hilmi: ‘Hij zei dingen die je niet in het openbaar mag zeggen, bijvoorbeeld dat de bezetting het leven van beide volkeren vergiftigt /… / en iedereen was ervan overtuigd dat hij gewoon een nieuw soort spion was, en dat ik hem een schuilplaats verschafte.’ Uri: ‘Je bent een idioot als je vecht, je bent een idioot als je iets probeert te veranderen, maar ja, Hilmi, ik kan niet anders.’
Met Katzman praat Uri ook over de bezetting: ‘De mensen in Andal zeggen dat Hilmi een idioot is. Misschien is hij dat wel, en misschien ben ik het ook omdat ik met hem in discussie ga. Die discussies hebben geen enkele zin, ze zijn precies als mijn discussies met Katzman. Net twee wurmen die elkaar op een vallende steen opvreten. En als ik met Katzman in discussie ga over de bezetting, dan antwoord ik met Hilmi, en tegenover Hilmi stel ik de juiste argumenten van Katzman. En zelf vlucht ik zo’n beetje tussen die twee soorten van gelijk.’
Katzman wil liever geen bezetter zijn. Maar een zelfstandige Palestijnse staat met als enige brandstof de haat tegen Israël boezemt hem angst in. ‘Algauw kwam hij tot de wanhopig makende conclusie dat er geen uitweg was uit de huidige situatie waarin de twee volken met elkaar verstrengeld zijn.’
Maar Uri weigert dit te accepteren. ‘Proberen iets te veranderen, daar ging het om.’ Volgens Uri is onrecht als het ware een rad. ‘Dat kun je alleen begrijpen aan de wonden die dat rad veroorzaakt /…/ zodra je iemand onrecht doet word je zelf door het rad meegesleurd /…/.’ Zo voert Uri zijn eigen oorlog om de situatie van de bevolking te verbeteren. Dat betekent ‘veel wrijving met het rad, en veel wonden. Maar ik voelde me goed, want ik vocht.’
Kaan-ja-ma-kaan
Het boeiendste personage is Hilmi, een oude zo goed als blinde Arabier. Hij vertelt hoe hij kinderen heeft opgevangen van ongetrouwde moeders. Voor zijn laatste bastaardkind Jazdi heeft hij 12 jaar gezorgd. In de gelaatstrekken van Uri herkent hij iets van de jongen: ‘Hij was zo zacht als de jongen die me ontstolen was, zijn glimlach was ijl en wankelend. En één keer noemde ik hem Jazdi /…/’ Hilmi begint zijn verhalen altijd met ‘kaan-ja-ma-kaan’, er was eens of er was niet. Is het echt gebeurd of is het verzonnen? Zo vertelt hij Uri ‘verhaal na verhaal, sprookje na sprookje.’
Sommige uitdrukkingen worden niet vertaald, bijvoorbeeld het zinnetje ‘toeta toeta, chilset al-hadoetha’. De eerste keer komen die woorden uit de mond van Jazdi. Hij zei ‘de dingen /../ die declamerende figuranten in zijn mond hadden gestopt.’ De uitdrukking komt vaak terug, meestal aan het einde van een hoofdstuk.
Het helen van de wereld
Grossman zei bij de toekenning van de Erasmusprijs: ‘De wereld waarin we nu leven heeft dringend behoefte aan een krachtig verhaal, de heldere stem van het begrip. Een stem die ons van verdeeldheid naar eenheid leidt, ruimte in ons hart maakt voor andere verhalen, ons leert de ander te begrijpen.’ Hij haalt het thema van de Erasmusprijs aan, ‘Mending a Torn World’. In zijn woorden: ‘Dat is ook een tweeduizend jaar oud Joods begrip. Ik weet niet of Erasmus van Rotterdam het heeft gekend, maar zijn leefwijze en manier van denken waren er zeker op gericht en waren in de geest ervan. Tikoen olam, ‘het helen van de wereld’, beschrijft een essentieel onderdeel van de Joodse identiteit: het streven en de plicht onze wereld te verbeteren; een gevoel van morele verantwoordelijkheid tegenover alle mensen, Joods of niet-Joods; en de zorg voor sociale rechtvaardigheid en voor het milieu.’
In een recent interview ** zei Grossman o.a.: ‘Neem het conflict tussen ons Israëliërs en de Palestijnen. Al meer dan een eeuw zitten wij vast in onze eigen, versteende verhalen. Die twee versies van de geschiedenis blijven maar op elkaar botsen, zonder enig resultaat. /…/ Dat is wat ik probeer in al mijn boeken te doen: het harde, versteende deel van onze geest masseren en kneden, in de hoop dat er beweging in komt.’
Geen gemakkelijk boek
De glimlach van het lam is geen toegankelijk boek. Dat komt vooral door de manier van vertellen. Vier verschillende hoofdpersonen vertellen vanuit hun eigen perspectief. Soms wordt pas na een aantal bladzijden duidelijk wie er aan het woord is. Grossman gebruikt bovendien de ‘stream of consciousness’, een manier van vertellen waarbij het gaat om de ‘stroom’ van gedachten en herinneringen van zijn hoofdpersonen. Van de lezer wordt op die manier veel doorzettingsvermogen gevraagd; de verhaallijnen lopen nogal door elkaar en pas tegen het einde van de roman komen die min of meer samen. Vooral de liefhebbers van Grossmans romans zullen blij zijn met deze gereviseerde uitgave. De uitgever verdient daarvoor alle lof. Het is alleen spijtig dat de roman geen verantwoording en/of nawoord bevat. Ook een verklarende woordenlijst ontbreekt. Op het omslag staat een citroenboom, de boom waaronder Hilmi zijn sprookjesachtige verhalen vertelt.
Een concertkring in de gotische wijk van Barcelona organiseert maandelijks een recital. Deze keer hebben ze een bekende maar controversiële Poolse Chopinvertolker uitgenodigd, want, zegt een lid van het organisatiecomité dat verstand van muziek heeft en voorstelde de pianist uit te nodigen: ‘Hij heeft een nieuwe generatie Chopinvertolkers in zijn geboorteland de weg gewezen.’
In zijn nieuwe roman, De Pool, beschrijft de Australische, van oorsprong Zuid-Afrikaanse, veel gelauwerde schrijver J.M. Coetzee de moeizame liefde die volgt. De pianist wordt na het concert mee uit eten genomen door het organisatiecomité, onder wie Beatriz. Zij houdt niet van zijn Chopin-interpretaties, maar de man zelf met zijn lange zilvergrijze haren is een uitgesproken persoonlijkheid die haar wel boeit.
De pianist valt als een blok voor Beatriz en maakt avances die zij, getrouwd, afweert. Hij vliegt terug naar Berlijn, maar als hij later weer naar Spanje komt om er een masterclass te geven, doet hij een nieuwe poging en nodigt Beatriz uit. Zij neemt de uitnodiging twijfelend aan. Coetzee, bekend om grote thema’s als liefde en geluk, goed en kwaad, dierenleven, angst en eenzaamheid, tekent in De Pool een ongemakkelijke liefde. Beatriz is twintig jaar jonger dan de pianist en ook taal en cultuur belemmeren moeiteloos spontaan contact.
Auteur: J.M. Coetzee
Uitgeverij: Uitgeverij Cossee 2023
Het laatste voorjaar
Lerares Duits Ese besluit in Het laatste voorjaar van Minke Douwesz nogal plotseling tot een fietstocht vanuit Nederland naar Jalta om daar het huis van Tsjechov te bezoeken. Nadat ze op school in conflict kwam met een directeur en een onderwijsvernieuwer die met trendy ideeën bevoorrechte leerlingen wil doen excelleren, heeft ze haar baan opgezegd. Ze is tegen de plannen, maar geen van haar collega’s steunt haar. Bovendien is haar geliefde, Martie, overleden.
Deze gebeurtenissen hebben Ese doen besluiten tot de afmattende fietstocht door Duitsland, Polen en Oekraïne. Kou, regen en malende gedachten over de gebeurtenissen op school, over de relatie met Martie, over het hedendaagse leven met het ongelimiteerd consumeren van velen en de achteloze omgang met de natuur drukken op Ese’s toch al eenzame tocht.
Lange tijd laat Douwesz onvermeld wat er precies met Martie is gebeurd. Gaandeweg wordt duidelijk waarom Ese – behalve om het ontslag en Martie’s overlijden – nog meer besloot tot de plotselinge en niet bepaald voor de hand liggende stap.
Met veel details tekent Douwesz Ese’s dagelijkse werkelijkheid en wisselt ze haar kleine beslommeringen af met overpeinzingen over wereldomvattende onderwerpen.
Auteur: Minke Douwesz
Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot 2023
De Liefdader
In De Liefdader van Stasio Komar werkt de Nederlandse Julian bij een liefdadigheidsorganisatie en reist hij naar Brazilië om te onderzoeken met welke goede doelen aldaar kan worden samengewerkt. Hij ontmoet er Arnold Burgers, eveneens een Nederlander, die een grote organisatie voor hulp aan straatkinderen leidt. De organisatie is populair, evenals Burgers, maar deze directeur is ook gevreesd in de favela’s van Rio. Julian komen geruchten over zijn seksuele avontuurtjes met minderjarigen in de sloppenwijken ter ore. Hij onderzoekt het verleden van Burgers, stuit ook op gesjoemel met donaties en valse medische titels en gaat vragen stellen. Behalve Burgers zelf is ook niemand in zijn omgeving daarvan gediend, want de achterban is afhankelijk van de financiën van de organisatie. Julian wordt door Burgers monddood gemaakt en uiteindelijk sluit de hele Braziliaanse hulpsector hem buiten.
Voor Burgers’ gedrag zijn bewijzen noch beschikbare getuigen, tot er compromitterende foto’s opduiken van Burgers en zijn kliek in gezelschap van kinderen. Dan zijn er twee getuigen, die echter worden omgebracht. Burgers gaat op zoek naar de foto’s, wat slecht voor hem afloopt. Helaas raken ook de foto’s verloren.
De roman laat zien hoe één man zijn gang kan gaan dankzij zijn macht en dankzij degenen die koste wat het kost goed doen voorop willen stellen.
Stasio Komar (1947) studeerde Frans en had verschillende werkzaamheden waaronder ontwerpen en vertalen. Hij was muzikant, publiceerde zes dichtbundels en werkte als ontwikkelingswerker waardoor hij uit de eerste hand een inkijk in de hulpverleningswereld kan geven. Hij is nog steeds betrokken bij Braziliaanse hulpprojecten. De Liefdader is zijn eerste roman.
De Israëlische schrijfster Ayelet Gundar-Goshen beschrijft in haar nieuwe roman Waar de wolf loert de spannende belevenissen van Michaël, Lilach en hun zoon Adam na hun verhuizing vanuit Israël naar Silicon Valley in Californië. Al op de eerste bladzijde wordt de lezer het verhaal ingetrokken: ‘Ik kijk naar de minuscule vingertjes van de pasgeboren baby en probeer te begrijpen hoe die kunnen uitgroeien tot de vingers van een moordenaar. De dode jongen heet Jamal Jones. Op de foto in de krant heeft hij ogen als zwart fluweel. Mijn jongen heet Adam Sjoester, of Shuster, zoals ze het hier spellen. Zijn ogen hebben de kleur van de zee bij Tel Aviv. Ze zeggen dat hij hem heeft vermoord. Maar dat klopt niet.’
Aan het woord is Lilach. Ze vertelt hoe hun leven is verlopen sinds ze zestien jaar geleden in Palo Alto in Californië zijn komen wonen. Hun Israëlische namen zijn veramerikaanst tot Lila, die van haar man van Michaël tot Michael. Hun kind Adam is opgegroeid en opgevoed in Amerika.
Heftige gebeurtenissen
Op de avond voor het Joodse Nieuwjaar Rosj Hasjana is er een aanslag gepleegd op een synagoge in Palo Alto. Een zwarte man met een machete vermoordt een jong meisje, vier mensen raken gewond. Voor de lokale Joodse gemeenschap is het niet te bevatten dat zoiets in Palo Alto kan gebeuren. De mensen vragen zich af of deze daad gericht is tegen hun gemeenschap. In de supermarkt komt Lila Susan Weinstein, de moeder van het vermoorde meisje tegen. Die wordt ook geïnterviewd door het televisiejournaal. De verslaggeefster heeft meer aandacht voor de achtergrond van dader Paul Reed dan voor de nabestaanden. Reed kwam in aanraking met drugverkopers en de combinatie van drugs en slechte genen leidde tot een psychische aandoening. Voor een goede behandeling ontbrak het geld. Susan valt uit tegen de verslaggeefster en zegt dat ‘Martin Luther King zich geschaamd zou hebben als hij had gehoord dat een zwarte man met een machete een aanval op een synagoge had uitgevoerd, als een roofdier in de jungle.’ De zin over de jungle wordt uitgebreid geciteerd en twee organisaties eisen excuses voor racistische uitingen. De journaals laten de beelden telkens weer zien. Minstens tien mannen staan ‘verlamd en niet in staat tot handelen’ toe te kijken. In Israël zou zoiets nooit gebeuren, vinden ze. Ondenkbaar dat een terrorist daar een synagoge binnenloopt en dat er niemand ingrijpt. Een van de ouders stelt drie dagen na de aanslag voor een workshop zelfverdediging voor jongeren te organiseren. Lila en Michael dringen er bij hun zoon Adam op aan zich daarvoor ook op te geven. Eerst wil hij dat niet, maar later sluit hij zich toch bij die groep aan. De trainingen worden gegeven door een voormalige Mossad-agent Oeri. Adam is een introverte jongen en laat nauwelijks iets los over wat er op school en op de trainingen gebeurt.
Zo gaat het leven door: Adam op school en zijn trainingen, Michael op zijn werk, Lila thuis en op haar vrijwilligerswerk: ‘Drie rivieren die elkaar pas ’s avonds ontmoetten, wanneer ze weer in dezelfde zee stroomden voor het avondeten dat soms luidruchtig en soms stil was, en altijd geregeerd werd door de grote winterslaap. Een winterslaap waaruit we ineens op donderdagavond om elf uur ontwaakten toen Adam Michaël belde en met bevende stem zei: ‘Pap, kun je me komen halen? Er is hier iemand dood.’ Adam is op een feestje met klasgenoten. Lila en Michaël zaten naar een aflevering van The Simpsons te kijken: ‘achter het gepraat van Marge en Homer lag een grote zwarte stilte op de loer als een panter die vanuit het donker naar je ligt te kijken.’
Lila en Michaël halen hun zoon op bij het huis waar de dode Jamal in de huiskamer in elkaar is gezakt. Is Jamals dood te wijten aan drugsgebruik, was het een hartstilstand of is hij vermoord? Heeft zijn islamitische achtergrond een rol gespeeld? En is Adam op de een of andere manier betrokken bij zijn dood? Lila zoekt naar de antwoorden op deze vragen. Achteraf reconstrueert ze de gebeurtenissen, wat blijkt uit zinnetjes zoals, ‘maar dat bedenk ik nu pas.’ Ze beschrijft meerdere min of meer toevallige ontmoetingen, met o.a. Annabella Jones, de moeder van Jamal. Zo komt zij steeds meer over de dood van de klasgenoot van Adam te weten. En ze twijfelt meer en meer over de rol van haar eigen zoon, vooral nadat er op de muur bij de school met grote letters leuzen zoals ‘De Jood vermoordde hem’, ‘Joden zijn de duivel’ en ‘Shuster is een moordenaar’ zijn gespoten. Lila zegt tegen Michaël dat ze zou willen dat Adam met hen deelt wat hij meemaakt en voelt. Michaël reageert daar ‘schokschouderend’ op, zegt ‘dat kinderen over het algemeen niet met hun ouders delen wat ze meemaken.’ Een van de bijfiguren in het boek vat het kernachtig samen: ‘Mijn vrouw zei altijd dat moeder of vader zijn, betekent dat je de hele tijd in spanning zit. Weet je, vroeger dacht ik dat het grootste mysterie in ons leven onze ouders zijn. Tegenwoordig denk ik dat het grootste mysterie in het leven van mensen hun kinderen zijn.’
Fictie en werkelijkheid
De fictieve gebeurtenissen in het boek roepen herinneringen op aan werkelijke gebeurtenissen. Bij de aanslag op een synagoge in Pittsburg in 2018 waren elf slachtoffers te betreuren. De dader riep daarbij antisemitische leuzen. In het boek lezen we: ‘de aanvaller van de synagoge in Pittsburg was bewapend geweest met een halfautomatisch pistool en was erin geslaagd elf gelovigen te doden voordat men hem tegenhield.’ De aanslag op de synagoge in Palo Alto wordt verdrongen door andere gebeurtenissen, zoals: ‘een agent in Wisconsin schoot op een zwarte man die aan het joggen was.’ Ook dit lijkt geënt op de werkelijkheid. Ahmaud Arbery werd aangezien voor een inbreker toen hij aan het hardlopen was. En Tony Robinson werd in 2015 in Wisconsin door een politieagent doodgeschoten toen hij schreeuwend over straat liep. Beide slachtoffers waren zwart. Ayelet Gundar-Goshen combineert dit soort gebeurtenissen en maakt er een nieuwe fictieve gebeurtenis van: een aanslag op de synagoge in Palo Alto. Maar de scheidslijn tussen fictie en werkelijkheid is flinterdun.
Tegenstellingen
Ayelet Gundar-Goshen werkt veel met tegenstellingen in haar boek. De belangrijkste is Israël tegenover Californië. In Israël is er altijd de dreiging van terroristische aanslagen. Op de hoeken van de straten staan bewapende soldaten en het luchtalarm voor raketaanvallen kan ieder moment klinken. Iedereen daar is altijd alert op gevaar. De moeder van Lila was niet blij met hun verhuizing naar Californië: ‘Als je me straks maar niet aankomt met dat het daar veiliger is om kinderen op te voeden.’ Lila ziet dat anders, de verhuizing ziet ze als een ‘kans om haar kind te redden van de Israëlische krankzinnigheid, waarvan het idiootste nog is dat iedereen stellig gelooft dat die volstrekt zinnig is.’ Over haar leven in Israël zegt Lila op het eind van het boek: ‘Ik haatte Haifa in die winter vol aanslagen. Elk moment kon de bekende en verlichte straat veranderen in een brandende jungle.’ Maar na zeventien jaar in Amerika is daar ook volop dreiging. Het beeld van de jungle uit het begin van het boek zien we hier terugkomen. Als Lila in een restaurant zit, bekijkt ze de gezichten van de gasten. ‘Ik keek om me heen, alert op elke beweging. Waar loert de wolf?’
Ook de hoofdpersonen vormen een contrast: Adam met zijn Joodse achtergrond tegenover de zwarte Jamal met een islamitische achtergrond. Gundar-Goshen vertelde daarover in een interview (met Marnix Verplancke in Bazarov, 21 oktober 2022) dat ze te horen kreeg dat het niet slim was om Jamal zo uit te beelden. Maar, zo antwoordde ze: ‘De literatuur is op haar best wanneer er geen geboden en verboden mee gepaard gaan.’ Dit past bij een opmerking van de moeder van Michaël. Zij geniet ervan om met een vinger in politieke correctheid te prikken, ‘net zo lang totdat je er misselijk van werd.’
Gundar Goshen schrijft over een actueel thema: het toenemende antisemitisme. Zij schrijft beeldend over de toenemende ongerustheid bij Lila. Als ouder weet je niet wat er in je kinderen omgaat. Met onverwachte thrillerachtige plotwendingen is het een boek met veel vaart. Sylvie Hoyink maakte er een mooie vertaling van. Waar de wolf loert is een boek om in een adem uit te lezen.
Toen Mirjam van Hengel in november 2022 het boek Dola. Over haar schrijverschap en de hele mikmak (een biografie over het leven van Dola de Jong) uitbracht, was dat voor uitgeverij Cossee een uitstekende reden om het debuut Dans om het hart van deze joodse schrijfster opnieuw uit te geven. Dola de Jong (1911-2003) debuteerde in 1939 met Dans om het hart. In april 1940 vluchtte ze voor de Duitsers naar Tanger en later naar New York, waar ze een dansschool oprichtte. Tot groot verdriet van haar vader, die dansen als een equivalent van prostitutie zag, had ze zich na haar opleiding tot journaliste toch ook weer gericht op haar passie voor dansen. Beide werelden komen samen in haar debuut, dat in het vooroorlogse Nederland redelijk wat stof deed opwaaien, omdat ze voor die tijd heikele onderwerpen niet schuwde. Het werk van De Jong, drie romans en dertien kinder- en jeugdboeken, werd in tien talen vertaald en is nog verrassend actueel.
De Jong beschrijft in Dans om het hart de levens van een aantal jonge mensen die zich in de jaren dertig van de vorige eeuw in de wereld van de dans begeven. De belangrijkste rollen in het boek zijn weggelegd voor vriendinnen Luca en Enny, beiden zeer getalenteerde danseressen. Luca wordt beschreven als oogverblindend knap. Ze is getrouwd met Wouter, een muziekjournalist, die als een blok is gevallen voor haar schoonheid. Eenmaal met haar getrouwd echter blijkt Wouter de danscarrière van Luca juist als bijzonder hinderlijk te ervaren en wordt Luca gedwongen tot een keuze tussen hem en de liefde voor haar vak. Vriendin Enny woont samen met Peter op een etage in Amsterdam. Ze geven allebei les op een dansschool, maar Peter laat Enny in de steek wanneer hij de kans krijgt om zich in het buitenland bij een prestigieus dansgezelschap aan te sluiten.
Huishoudsters en kolenschuiten
Alhoewel de ambiance zich enerzijds kenmerkt door zaken die redelijk gedateerd aandoen, zoals hospita’s, huishoudsters, toelagen, boterbriefjes en kolenschuiten, is de thematiek van jonge mensen die eigen keuzes maken op hun weg naar de volwassenheid nog steeds aan de orde. De tijd dat er schande gesproken werd over samenwonende stellen ligt inmiddels ver achter ons, maar verlaten worden in een relatie, ongewenst zwanger worden en daar een oplossing voor moeten bedenken, eenzaamheid en teleurstellingen in de werksfeer zijn onderwerpen waar mensen in de eenentwintigste eeuw ook nog mee te maken hebben.
Huisdiertje
De Jong schrijft in een eenvoudige stijl, haar zinnen zijn kort en vrij rechttoe rechtaan. Er is nauwelijks sprake van beeldspraak of andere stijlfiguren, het gaat haar duidelijk om het verhaal zelf. Vrouwen worden beschreven op een manier die kenmerkend is voor die tijd, met veel verkleinwoorden, zoals een ‘fijn neusje’, een ‘effen gezichtje’ en een echtgenote die een ‘huisdiertje’ wordt genoemd door haar echtgenoot. Desalniettemin raak je geboeid door de relatieproblemen van Luca en Wouter, al is de claimerige Wouter soms wel wat veel van het goede: ‘”Je bent van mij,” fluistert Wouter. Hij neemt haar in zijn armen en drukt haar dicht tegen zich aan. “Je bent alleen van mij,” herhaalt hij dringend. Het is een vraag en een bevel tegelijk.’
Revuedanseresje
De verhaallijn van Enny levert wat dat betreft minder irritatie op, ook al heeft zij een moeder die haar soms net iets te graag wil helpen met het oprichten van een balletschool. Enny droomt echter meer van een eigen danscarrière dan van een eigen balletschool. Ze aarzelt niet om voor zichzelf op te komen in situaties waarin ze uitgebuit wordt, zelfs niet als dat betekent dat ze dan zonder inkomen komt te zitten en genoegen moet nemen met een beduidend mindere positie bij de revue. Het zijn overigens niet alleen vrouwen die worstelen met het leven op hun weg naar de volwassenheid. Jacques, een neef van Luca verliest bijvoorbeeld de riante toelage van zijn vader wanneer zijn ouders ontdekken dat hij samenwoont met een ‘revuedanseresje’. De Jong beschrijft hoe hij loyaal aan haar blijft, terwijl het toch vrij duidelijk is dat het betreffende danseresje minder om hem geeft dan hij om haar.
Subtiel
Het sterkst is De Jong wanneer ze schrijft over grote levensvragen. Echte diepgang bereikt ze bijvoorbeeld wanneer het gaat over een ongewenste zwangerschap. Zonder het woord abortus ook maar ergens in het boek te noemen en eigenlijk tussen de regels door, wordt de impact van de keuze om de zwangerschap te beëindigen op subtiele wijze verwoord: ‘Wanneer ze ’s avonds in de trein zit, weet ze dat deze dag even onherroepelijk is als alle dagen, maar dat ze het leven de schuld van deze dag nooit zal kunnen terugbetalen. In de nuchtere derdeklascoupé beseft ze plotseling wat ze gedaan heeft. En terwijl ze luistert naar het eentonig ritme van de wielen, aanvaardt ze de schuld van haar daad.’
In Dans om het hart gaat het om kunst, en vaak zelfs om ‘kunst met een grote K’. Maar het gaat vooral over jonge mensen op hun weg naar volwassenheid, en alle obstakels die ze op die weg tegenkomen. Dola de Jong kijkt met een zekere bewogenheid naar de personages die ze gecreëerd heeft. Ze ziet hun eenzaamheid, hun onbeholpenheid en hun onevenwichtigheid in een losgeslagen en liefdeloze wereld. Ze beschrijft het doorzettingsvermogen dat vooral vrouwen moeten hebben om hun doel te bereiken, waarbij ze ongetwijfeld heeft kunnen putten uit gebeurtenissen uit haar eigen leven. Wanneer je voorbij de kolenboer en andere aanverwante tijdgebonden elementen kunt kijken, vormt dit debuut een lezenswaardige opmaat naar de andere succesvolle romans van deze schrijfster.
Als Haar eerste Amerikaan van Lore Segal iets duidelijk maakt, dan is het wel dat niet ieder boek zich even gemakkelijk leent voor vertaling. De kleurrijke diversiteit van de Amerikaanse samenleving – te pas en te onpas melting pot genoemd – toont zich in dit boek regelrecht als een talige chaos waar door de lezer maar moeilijk in te komen is. Mocht men zich afvragen of dit mogelijk ligt aan de vertaling, dan is het antwoord: nee, de vertaling is uitstekend. Al moest dat wel even gecontroleerd worden. Is men eenmaal thuis in deze gelaagde rommeligheid, dan valt er volop te genieten van gênant natuurlijke dialogen en verbijsterend mooie zinnen. Hulde aan de vertaler die goed begrepen moet hebben waar hij mee bezig was.
Transatlantische spraakverwarring
De warrigheid vloeit vooral voort uit het verhaal zelf; uit de thematiek en uit de wijze waarop die door de personages tot leven wordt gebracht. De schrijfster heeft zich daarbij geen enkele restrictie opgelegd, noch in het neerzetten van haar karakters met al hun eigenaardigheden, noch in de manier waarop zij het verhaal schriftelijk heeft vormgegeven. Wie zijn dan die personages? Wat is hun zo vreemde en moeilijk te volgen verhaal? In een café bij een stationnetje in Nevada ontmoet immigrante Ilka Weissnix de gekleurde schrijver-journalist Carter Bayoux. Niets nieuws onder de Amerikaanse zon. In de voornoemde smeltkroes zijn dat soort ontmoetingen schering en inslag. Zelfs dat hij twee keer zo oud is als zij doet er niet toe. Wat er wel toe doet is dat het 1952 is, dat de rassensegregatie op scherp staat, dat McCarthy als een dolle tekeer gaat tegen iedereen die niet netjes binnen de lijntjes kleurt. Wat in een land met een dergelijke geschiedenis van culturele diversiteit voor velen ondoenlijk, zo niet onmogelijk is. Bij Carter Bayoux, die als begaafde intellectueel al heel zijn leven tegen de beperkingen van zijn huidskleur aanbotst, heeft de frustratie geleid tot een slopende alcoholverslaving.
Expliciet en hilarisch beschrijft Segal hoe de flessen bourbon worden aangeleverd door de piccolo van het hotel waar hij woont. Even levendig beschrijft ze de dronkemansdromen waarbij ook de lezer op zeker moment niet meer weet wat onder of boven is, voor of achter, dag of nacht. Ilka Weissnix – Weetniks – is een Joods meisje uit Wenen dat nog maar net in Amerika is. Haar gestuntel met de Engelse taal die ze nog maar amper machtig is, is door Segal al even geloofwaardig neergeschreven. Veel van het boek gaat op aan misverstanden rondom verkeerd uitgesproken en verkeerd begrepen woorden. Zo lang die gemankeerde communicatie zich afspeelt tussen de twee geliefden, is het nog redelijk aandoenlijk. Tenenkrommend ergerlijk wordt het als er anderen bij zijn. En er zijn nogal eens anderen bij. In tegenstelling tot Ilka, beschikt Carter over een enorm en gevarieerd netwerk. Talrijk zijn de feestjes, etentjes, logeerpartijen waar hij haar mee naartoe neemt.
De nieuwe wereld
Ilka is een onhandig meisje, in alle opzichten. Wanneer iemand in de metro recht in haar gezicht zegt ‘Jesus, wat ben jij lelijk’, mag gevoeglijk worden aangenomen dat ze ook al niet moeders mooiste is. Waar die houterigheid, die sociale onhandigheid vandaan komt, blijft onduidelijk. Is het haar aard, of komt het door de oorlog die zij als tiener in haar eentje heeft moeten doorstaan? Schrijnend wordt het als de misverstanden helemaal niet zo persoonlijk blijken. Hoewel Ilka ze wel zo opvat, omdat ze – ook als ze de taal eenmaal een stuk beter beheerst – geen weet heeft van de diepe scheuren onder het fraaie oppervlak van haar nieuwe thuisland. Ook daarin is Segal – zelf Joodse immigrante – onbarmhartig expliciet. Opvattingen en vooroordelen rond huidskleur, discriminatie, rassenhaat en antisemitisme komen onverbloemd ter tafel in de gesprekken die tussen de vrienden van Carter worden gevoerd, en waar Ilka, als ze eenmaal iets durft te zeggen, steevast de verkeerde opmerking maakt of de verkeerde vraag stelt.
Mededogen met haar onhandigheid is er niet. Er is in het geheel maar weinig mededogen voor de situatie van de ander. Iedereen heeft de handen vol aan zijn eigen struggle. Een terugkerend motief is het pijnlijke gebrek aan onderling begrip, aan solidariteit. De kleurlingen hebben geen boodschap aan Ilka’s Europese verleden inclusief Holocaust. Ilka op haar beurt begrijpt niet dat hun verhaal van uitsluiting en onderdrukking in wezen identiek is aan dat van haar. Voor haar is Amerika een land van belofte waar iedereen dezelfde kansen en vrijheden heeft.
Kansloze liefde
Ware liefde is het wel tussen Ilka en Carter, ondanks alle haken en ogen. Maar vanwege de brakke grond waarmee ze het maar te doen hebben, lukt het ze niet om echt wortel te schieten, om te aarden in een redelijk leefbaar leven, niet als individu en niet als stel. Dan, juist als de lezer gewend is geraakt aan hun warrige communicatie, wordt aan deze toch al wankele constellatie een nieuwe lading misverstanden toegevoegd. Ilka’s moeder wordt teruggevonden in een kibboets in Israël. Levend en wel, maar in haar hoofd zo verkreukeld dat een doorstart in New York op voorhand gedoemd lijkt te mislukken. Voortaan pendelt Ilka heen en weer tussen twee gebroken mensen die meer van haar vragen dan zij als eenentwintigjarige geven kan. Bovendien heeft ze ook nog een eigen leven op te bouwen.
Boekverfilming
Er zijn maar weinig boekverfilmingen waarbij de film beter is dan het boek. Het woord alleen al is voor ware boekliefhebbers als vloeken in de kerk. Er gaat immers nogal wat verloren aan nuances en subtiele details. Het verhaal moet in twee, tweeënhalf uur verteld worden, en moet – om uit de kosten te komen – een zo breed mogelijk publiek aanspreken. Nog zeldzamer is een boek dat van meet af aan beter een film had kunnen zijn, juist vanwege die onmiddellijke zichtbaarheid van details. Het bekende gezegde van die duizend woorden die het afleggen tegen één beeld, omdat het verhaal dat verteld moet worden eigenlijk niet met woorden beschreven kan worden. Zo’n boek is Haar eerste Amerikaan zeker. Hoewel levendig en expliciet geschreven, ontbeert het de intieme nabijheid die bij een dergelijk verhaal wel verwacht mag worden. Emoties en wat zich verder op die lagen afspeelt, worden maar summier beschreven, en zouden visueel wellicht veel beter uit de verf komen. Een kundige filmmaker zou hoe dan ook wel raad weten met dit verhaal.
Great American Novel
In de Nederlandse vertaling ontbreken zowel de opdracht alsook het voorwoord van dichter Stanley Crouch. Aan het begin van dat voorwoord vraagt hij zich af of dit nu een meesterwerk of niet. Een vraag die hij op het einde herhaalt en opnieuw onbeantwoord moet laten. Dat is de twijfel die blijft hangen. Ook bij de lezer. Heeft Lore Segal met Haar eerste Amerikaan werkelijk de ‘Great American Novel’ geschreven, zoals The New York Times beweert? Waarschijnlijk niet. Daarvoor is het verhaal te particulier, te ‘klein’ in ruimte en in tijd. Weliswaar weerspiegelt het veel van de kleurrijke diversiteit en de fysieke uitgestrektheid van het land, er komt ook teveel niet aan bod. Daardoor wordt de gelaagdheid gemist die we wel tegenkomen bij Fitzgerald, Faulkner, Morrison, Proulx. Al kan een goed pleitbezorger altijd beweren dat die fundamentele breuklijnen en onvolkomenheden nu net de Amerikaanse identiteit uitmaken. Knap is het zonder meer om in een taal die niet de moedertaal is een dergelijk werk te schrijven en daarbij zo veel persoonlijke bagage als bouwmateriaal in te zetten zonder dat men het gevoel krijgt een autobiografie te lezen.
Ismail Kadare (1936) is Albanië’s meest beroemde schrijver. In 1963 kreeg hij internationale bekendheid met zijn roman De generaal van het dode leger waarin een Italiaanse generaal twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog opdracht krijgt om in Albanië de stoffelijke resten van Italiaanse militairen op te sporen die daar omgekomen zijn bij gevechten met Albanese partizanen, Grieken en Duitsers. Kadare schreef daarna nog tientallen andere verhalen en romans, waarvan uitgeverij Atheneum nu Kroniek in steen uitgeeft in een vertaling van Hans de Bruijn. Kadare schreef het in 1971 en onder de titel Kroniek van de stenen stad verscheen het tweemaal eerder in het Nederlands.
Het werk van Kadare heeft vaak een historische context, waarbij wraak, geruchten, afgunst en een koude omgeving met sneeuw, regen en kilte de belangrijkste ingrediënten zijn. In Kroniek in steen vertelt een jongetje van rond de tien jaar de lotgevallen van een niet bij naam genoemde oude stad in Albanië. Hij zwerft rond door stenen straten, markten en pleinen met waterputten. Hij komt in abattoirs en bezoekt salons waar oude vrouwen de toekomst voorspellen. De magie van het alom tegenwoordige bijgeloof wordt ruw verstoord door de Tweede Wereldoorlog en de werkelijkheid wordt afwisselend bepaald door Italiaanse, Griekse en Duitsers bezetters. Met een onbevangen kinderblik vertelt het jongetje wat hij waarneemt van communisten, fascisten, zigeuners, een vluchtende bevolking en uiteindelijk de partizanen, wier komst een nieuw begin inluiden. Ondertussen heeft hij een van zijn grootvader gekregen boek gelezen waardoor hij de betoverende kracht van taal heeft leren kennen.
Auteur: Ismail Kadare
Uitgeverij: Atheneum 2022
In het labyrint – Nagelaten verhalen
De literaire aantrekkingskracht van Franz Kafka (1883-1924) behoeft geen betoog. Zijn wereldberoemde Het proces heeft talloze lezers bekoord en weinig schrijvers kunnen erop bogen dat hun naam een bijvoeglijk naamwoord is geworden. “Kafkaësk” is zo ingeburgerd geraakt dat menigeen zich er wel een situatie bij kan voorstellen.
De meester van de vervreemding, het beklemmende en het absurde heeft veel ongepubliceerde teksten nagelaten. Deze zijn allemaal verzameld in de Nachgelassene Schriften und Fragmente, waaruit In het labyrint – Nagelaten verhalen is samengesteld.
De Franse literatuurcriticus Roland Barthes maakt een onderscheid tussen ‘leesbare’ en ‘schrijfbare’ teksten. De leesbare teksten zijn duidelijk, de lezer hoeft niet te gissen naar de betekenis van de woorden en zinnen. Bij de schrijfbare teksten is de betekenis multi-interpretabel waardoor er weinig zinnigs over gezegd kan worden. De teksten in In het labyrint zijn volgens de uitgever leesbare stukken. Het boek bevat een vrijwel afgerond verhaal plus andere, onaffe verhalen, maar ook losse uitgewerkte scènes en afzonderlijke zinnen waarmee Kafka een idee opschreef. Hoe kort of lang ook, de beelden die Kafka met zijn woorden oproept tonen altijd weer zijn fantastische, absurde en toch herkenbare wereldbeeld, waarin de humor niet ontbreekt.
Auteur: Franz Kafka
Uitgeverij: Koppernik 2022
Boekhandel in de bergen
De Italiaanse Alba Donati (1961) maakte naam als dichter en literair criticus. Met haar werk won ze verschillende Italiaanse poëzieprijzen. Ze werkte voor tv en radio, vertaalde poëzie en had poëziecolumns in diverse kranten. Het Regionaal Orkest van Toscane zette haar gedicht Het lied voor de vernietiging van Beslan op muziek.
Woonachtig in Florence neemt Donati het besluit om een nieuw project te starten. In haar geboortedorp Lucignana, waar 170 mensen wonen, opent ze een boekhandel. In Boekhandel in de bergen, het dagboek waarin ze haar werk in de boekhandel en het leven in Lucignana beschrijft, tekent ze op: ‘Het idee van de boekhandel kwam op een nacht kant-en-klaar, ingepakt en wel, bij me aankloppen. Het was 30 maart 2019. (…) Ik had weinig geld: ik moest iets verzinnen.’
Na een paar weken al breekt er brand uit in Donati’s boekhandel, maar met hulp van haar dorpsgenoten en jeugdvrienden komt ze er bovenop. ’s Nachts leest ze, overdag runt ze de winkel. ‘De pakketjes voor de vrouw in Salerno en haar twee dochters zijn bijna klaar. Dit is hoe ik op het idee ben gekomen om een boekhandel te beginnen in een dorpje in de Toscaanse bergen tussen de Prato Fiorito en de Apuaanse Alpen. Ik ben erop gekomen zodat een moeder in Salerno haar dochters twee dozen vol Emily Dickinson kan geven,’ schrijft ze in het dagboek. Haar Libreria Sopra la Penna wordt een toevluchtsoord voor gelijkgestemden. In beeldrijke taal noteert Donati haar gedachten over de beste boeken, bezielde auteurs en memorabele personages, gelardeerd met dorpsverhalen en beschrijvingen van de Toscaanse natuur.
Hoe is het om je niet thuis te voelen op de plek waar je woont? Dit is het thema in Waar de wolf loert van Ayelet Gundar-Goshen. Een serieus thema en Gundar-Goshen heeft er een geraffineerd verhaal over geschreven.
Op een dag zakt een islamitische klasgenoot Adam op een feestje dood in elkaar. Zijn moeder ruikt gevaar, maar weet niet van welke kant het komt. En dan is het er weer, het gevoel een buitenstaander te zijn. Hoe meer ze over de dood van de klasgenoot te weten komt, des te groter wordt haar ongemak. Adam blijft opvallend zwijgzaam en blijkt meer te weten dan hij toegeeft.
Over haar boek Leugenaar schreef Marjolijn van de Gender op Literair Nederland: ‘Door de perfecte balans in de verteltoon en de goed uitgewerkte, meeslepende personages is het onmogelijk dit boek weg te leggen.’
Ayelet Gundar-Goshen (Tel Aviv, 1982) is psychologe en scriptschrijver. Zij ontving voor haar boek Eén nacht, Markovitsj de Sapirprijs voor het beste Israëlische romandebuut. Ook haar tweede boek Leeuwen wekken (2018) was een (internationaal) succes.
Op 1 oktober gaat Inge Schilperoord bij ILFU Exploring Stories met Gundar-Goshen in gesprek in TivoliVredenburg, Utrecht.
Auteur: Ayelet Gundar-Goshen
Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2022)
De laatste witte man
‘Toen Anders, een witte man, op een ochtend ontwaakte, ontdekte hij dat zijn kleur was veranderd in een donker en onmisbaar bruin.’
Dit is de eerste, intrigerende zin van De laatste witte man van Mohsin Hamid.
Het blijkt dat er elders in het land meer mensen zijn die verkleuren. Schaamte, ongeloof, angst en woede. Emoties die Anders zelf ervaart of waar hij mee geconfronteerd wordt nu hij in zijn nieuwe vel zit.
Hij voelt zich nog dezelfde man als eerst, maar anderen zien hem niet meer zo. Wat ervaar je dan?
Op de flaptekst staat: ‘In De laatste witte man zet Mohsin Hamid al onze obsessies en halve waarheden op hun kop om een beeld te schetsen van een toekomst waarin we meer met elkaar gemeen hebben dan we nu denken.’
Mohsin Hamid is een van oorsprong Pakistaanse schrijver die in de Verenigde Staten studeerde. Hij kreeg o.a. les van Toni Morrison. In 2001 debuteerde hij succesvol met Moth Smoke (finalist voor de PEN / Hemingway Award), dat (nog) niet in het Nederlands werd vertaald. Andere boeken van hem zijn wel in het Nederlands verschenen, bijvoorbeeld De val van een fundamentalist (shortlist Man Booker Prize) en Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië. Hamid zou het idee voor De laatste witte man hebben opgedaan na 9/11 toen hij merkte dat zijn medemensen hem anders bekeken en behandelden.
Mohsin Hamid schrijft, woont en werkt in Londen.
Auteur: Mohsin Hamid
Uitgeverij: De Bezige Bij (2022)
Recitatief
Kleur is ook het thema in Recitatief, want veranderen mensen in De laatste witte man van kleur, in dit korte verhaal van Toni Morrison gaat het om twee meisjes die bevriend raken als ze acht jaar zijn en tijdelijk in een opvang voor daklozen wonen. De een is zwart, de ander wit. Ze wonen er maar kort en verliezen elkaar weer uit het oog, maar komen elkaar in het verhaal nog wel een paar keer tegen. Tot zo ver vrij gewoon. Het bijzondere zit hem in de vraag wèlk meisje zwart en wèlk meisje wit is, want dat blijft voor de lezer onduidelijk!
In haar voorwoord schrijft Zadie Smith dat Morrison Recitatief zelf bedoeld had als ‘een experiment met het weglaten van alle raciale codes in een verhaal over twee personages van verschillend ras, voor wie raciale identiteit van cruciaal belang is.’ Zadie Smith zegt daarover: ‘Dit verhaal is eerst een puzzel en dan een spel. Morrison noemde Recitatief een “experiment”, en dat is het. Maar het onderwerp van het experiment is de lezer zelf.’
Het lijkt een fascinerend en zinvol ‘experiment’. Oordeel zelf!
‘Het leven is mooi, Joan. Dat geweldige feit heb ik ontdekt in mijn werk met terminalen’. Het is de slotzin van de eerste brief die Eliza Peabody schrijft aan haar vriendin Joan, een buurvrouw van de briefschrijfster die met achterlating van wat tijdelijke adressen is vertrokken met een kwakkelend been.
De eerste drie brieven zetten meteen de toon. Joan antwoord nooit. Waren ze wel echt vriendinnen? En al snel sijpelt bij Eliza de twijfel door of ze zich niet te veel bemoeit met iemand die ze eigenlijk nauwelijks kent. We zitten in de roman Hoogachtend, Eliza Peabody van Jane Gardam, die geheel uit brieven is opgebouwd. Die worden steeds langer, zonder dat Joan er ooit op reageert, en langzaam groeien ze uit tot een autobiografie van Eliza, die steeds zonderlinger trekken krijgt. We lezen dat Eliza een diplomatenvrouw is die door haar man is verlaten. Vanuit haar huis aan Rathbone Road 34 in Londen kijkt ze uit op de verlaten woning van Joan op nummer 43 (een omkering van nummers die symbolisch is zoals de lezer aan het slot van de roman zal beseffen), waaruit ook Joans man Charles, vertrokken is. Ook hij was een diplomaat en Joan vergezelde hem dus, net als Eliza dat bij haar man deed, op ambassades in verschillende landen.
Eliza ontpopt zich als een overbezorgde zorgzame vrouw. Ze is actief in de Christelijke Huisvrouwenbond en werkt als vrijwilliger in een hospice, waar ze – als schoonmaakster – een bijzondere band opbouwt met de op sterven liggende Barry. Deze patiënt noemt haar vanwege haar oorbellen de Kermiskoningin. Dat is de naam die de Nederlandse vertalers gebruiken voor wat in het Engels tevens de titel van de roman is: Queen of the Tambourine. Maar Eliza’s zorgzaamheid beperkt zich niet tot het hospice. Ze probeert de reddende engel te zijn voor iedere buurtgenoot die zij problemen toedicht. Het leidt allemaal tot komische en soms hilarische taferelen van misverstanden en ongelukkige samenlopen. Bovendien krijgt Eliza dan wel geen reacties per post van haar zorgenkind Joan, maar er verschijnen wel twee keer mannen aan de deur die door haar zouden zijn gestuurd.
Gaandeweg gaat er bij de lezer iets wringen. Razend knap zaait Jane Gardam steeds meer verwarring. Wat is die Ratbone Road voor idiote buurt? Of haalt Eliza zich van alles in het hoofd? Al die momenten in de roman dat de lezer geneigd is in schaterlachen uit te barsten, krijgen steeds meer een wrange ondertoon. De hilariteit verschuift naar een tragikomedie, die uiteindelijk uitloopt op een exposé van het verleden van Eliza die alles verklaart. Meer mag er in deze bespreking niet over worden prijsgegeven.
Hoogachtend, Eliza Peabody – beetje vreemde Nederlandse titel wel vanwege dat afstandelijke ‘Hoogachtend’ waar geen enkele brief daarmee is ondertekend en de toon vaak juist amicaal is – is geraffineerd opgebouwd, zet de lezer herhaaldelijk op het verkeerde been, is doorspekt met onweerstaanbaar komische dialogen en gedachten en kluchtige situaties.
Als Eliza aan Tom Hopkin (één van de mannen die door Joan is gestuurd) bekent dat haar man Henry haar op Kerstavond heeft verlaten, staat dat er zo: ‘Ik wist dat er iets broeide toen hij na de mis met Charles binnenkwam. Ineens stonden ze gewoon op en gingen weg. Vóór de pudding’.
En als Charles een verklaring geeft voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de diplomatieke dienst zegt hij: ‘Oordelen is een vrouwelijk tekort dat wordt goedgepraat met het gevaarlijke woord “intuïtie”’.
Ook de beschrijving van het hospice werkt op de lachspieren. Het werd ooit Caesar’s Farm genoemd omdat het zou zijn gebouwd op de restanten van een Romeinse legerplaats. Toen de nonnen kwamen trokken ze zich er niets van aan en doopten het tot Het Hospice van Sint-Julianus. Eliza snapt dat: ‘Van Julius naar Julianus (…) De heilige die een leproos in zijn eigen bed stopte en door een engel werd aangemoedigd zich in de echtelijke liefde te verblijden. O, hij is dé man voor mij’.
Ronduit kluchtig is de brief over de keer dat Eliza zichzelf heeft buitengesloten en ze overal in de buurt om ladders vraagt om haar eigen huis binnen te kunnen klimmen. Hoogachtend, Eliza Peabody zit bovendien vol literaire toespelingen en grappen. Zoals in de belevenissen van de kinderboekenschrijfster Anne Robin, ook al bewoonster van Rathbone Road of in de discussies over dichter Coleridge. Grappig zijn ook de namen die in de roman opduiken: die van Peabody zelf (erwt), Conundrum (raadsel) en Penumbra (halfschaduw) bijvoorbeeld. En wat te denken van de straatnaam Rathbone Road?
Maar als die verhalen worden verteld is de lezer al aardig op weg te vermoeden dat er iets ingrijpends met Eliza gebeurd moet zijn toen, jaren geleden, begin juni de kermis zijn tenten kwam opzetten.
De opmerking hierboven over de Nederlandse titel mag niet verhullen hoe prachtig de vertalers alle grappen en tragiek hebben overgebracht. Een mooi voorbeeld is in de discussie over Coledridge deze lastig te vertalen dialoog:
They looked non-plussed. I said, ‘Why isn’t non-plussed minussed? Or just nought?’
‘Minussed? Nought?’
‘You both look minussed’.
Het werd in handen van Gerda Baardman en Kitty Pouwels – vaste vertalers van de vele romans van Gardam die al in het Nederlands verschenen:
Ze keken gebelgd.
‘Waarom heet het trouwens gebelgd? Waarom niet geduitst of gefranst?
‘Geduitst? Gefranst?
‘Jullie kijken allebei zo gefranst’.
Gardam heeft de geschiedenis van haar hoofdpersonage vervat in een virtuoze stijl en opbouw. Wie het boek na afloop weglegt zou nog eens die allereerste brief moeten lezen waarmee de roman begon. Dan dringt door hoe gelaagd zelfs dat begin al is en hoeveel al door Gardam vooruitgewezen is naar Eliza’s lot.
‘Hier gebeurt niets’, schrijft Eliza twee keer aan Joan. Ja. Het wapen van de ironie beheerst Gardam bovenal.
Een schrijver die met een ontzagwekkend tempo gemiddeld eens per jaar een boek afrondt. Die (bijna) dagelijks een blog schrijft (in 2010 door HP/De Tijd tot beste literaire weblog van Nederland uitgeroepen), tien jaar redacteur was bij literair tijdschrift Revisor, waarvoor hij elke vrijdag een leesverslag schreef. Altijd net een boek af, of alweer aan een nieuw boek begonnen. Het schrijven houdt nooit op. Waarin hij dan toch op zijn vader lijkt, die, toen Van Mersbergen een jongen was, een stuk land van vier hectare kocht waar hij al zijn tijd en energie in stak, waar het werken ook nooit ophoudt.
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 1971) debuteerde op zijn dertigste met de roman De grasbijter bij Cossee. Daarna volgden in het hierboven geschreven tempo negen romans, drie thrillers (pseudoniem Frederik Baas), een novelle, een kinderboek in de serie Gouden boekjes, twee non-fictieboeken en in april 2022 verscheen zijn eerste auto-fictie boek, Mijn pa is nooit alleen. En zie, tijdens het uitwerken van dit interview leverde Van Mersbergen Carnaval, een levensverhaal – de persoonlijke biografie van ons volksfeest als manuscript in bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.
We ontmoeten elkaar in café Hesp aan de Amstel. Ik vertrek extra vroeg van huis, wil de schrijver, die zeer stipt schijnt te zijn, niet verontrusten. Vanachter mijn eerste kop koffie zie ik door de openstaande café deur Jan van Mersbergen zijn fiets wegzetten. Als hij binnenkomt vraagt hij, ‘Ik ben toch op tijd hè?’ In tegenstelling tot de zwijgzame mannelijke personages in zijn boeken, is Van Mersbergen een makkelijke prater. We hebben het over zijn twee laatste boeken, over auteurs van belangrijke boeken, over zijn vader en Jozef van den Berg, de poppenspeler die wegfietste van zijn vrouw en kinderen en door een lekke band strandde bij een fietsenstalling waar hij zijn kluizenaars bestemming vond. We hebben het over daklozen, eenzame uitvaart en meer.
Schrijver worden door te lezen
Op zijn negentiende verliet Van Mersbergen Brabant voor de opleiding kunstmanagement in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de theaterwereld als productieleider, decorbouwer en fondsenwerver. Van huis uit geen lezer,begon hij die eerste jaren in Amsterdam alles te lezen wat hij kon vinden.
‘Ik las Honderd jaar eenzaamheid en dacht, ja, dat wil ik ook maken en ging over mijn dorp in Brabant schrijven. Ik wilde net als Márquez magisch realistisch schrijven, maar dat paste niet bij mijn achtergrond. Ik moest eerst mijn eigen stem zien te vinden. Las ik Misdaad en Straf, vond ik ook geweldig. Dan dacht ik, (lacht), ik huur hier een kamer, ga ook zo schrijven. Pas bij Steinbeck en Hemingway dacht ik, zo kan ik het ook, zo’n simpel verhaal, daar zag ik mijn familie wel in. Mijn opa heeft ook als seizoenarbeider gewerkt. Hij snoeide de griend en de wilgen. En dan droomde hij van iets simpels, een boerderijtje, konijntjes. Dat zintuigelijke is belangrijk, en altijd in de derde persoon schrijven. Dat Amerikaans afstandelijke ligt me wel.’
Voor het autobiografische boek, Mijn pa is nooit alleen, dat begin dit jaar verscheen, was er de autobiografische roman Een goede moeder. Over zijn ex-vrouw en de zorg voor hun kinderen. De moeder is niet in staat op de dagen dat de kinderen bij haar zijn, voor hen te zorgen. Hulpverlening om haar daarin te ondersteunen, schiet tekort. Uiteindelijk stopt Van Mersbergen de hulpverlening en neemt de zorg voor zijn kinderen helemaal op zich.
Een indringend verhaal, over een moeder die wel wil maar niet kan, een hulpverlening die faalt.
‘De dag dat ik in 2020 gestopt ben met hulp zoeken om mijn ex te helpen haar kinderen te kunnen zien, ben ik gaan schrijven. Een goede moeder is een roman, maar wel een die beschrijft zoals het was. Ik kreeg veel reacties van vrouwen die iets soortgelijks hebben meegemaakt, of zich erin herkenden. Een vrouw schreef dat zij ook zo’n moeder was. Dat ze haar kinderen nog wel wilde zien, maar als er een afspraak was gemaakt, belde ze toch weer af. Een andere vrouw schreef me dat ze nu een keer per week met haar dochter afspreekt om naar het park te gaan. Dat komt door het boek schreef ze. Deze roman werkt als een spiegel. Gek genoeg waren er geen vaders die zich erin herkenden.’
Er waren ook lezers die moeite hadden met de manier waarop de ex-vrouw beschreven werd, die in haar een slachtoffer zagen. ‘In Trouw vond een recensent het moeilijk mijn boek te beoordelen omdat één partij, de moeder, zich niet kon verweren. Maar mijn ex houdt zelf alles af. Alle hulp voor omgaan met haar financiën, regelmatig medicatie innemen e.d., houdt ze af. Afspraken zijn zo stressig voor haar, dat ze zich er niet aan kan houden. Ik moest daar weg, nu tien jaar geleden, omdat het gewoon niet meer ging. En ja, in zekere zin heb ik mijn ex gebruikt voor deze roman. Maar ik heb haar wel de verteller gemaakt van het verhaal, dat was nodig. Anders was het een afrekening geworden. Zo van, “Ze zou de kinderen naar school brengen maar deed het niet.” Dat begrip voor haar situatie moest ik ook leren. De eerste versie was naar haar toe veel heftiger. En al was het niet mijn bedoeling, het is toch een soort liefdesverhaal geworden.’
Achtergronden en personages die in elkaar schuiven.
Mijn pa is nooit alleen, is een zoeken naar de beweegredenen van zijn vader waarom hij zich zo vastbeet in dat stuk land. De beschrijvingen over het land van zijn vader doen denken aan De grasbijter, zijn eersteling. Deze roman kan qua sfeer zo in het autobiografische Mijn pa is nooit alleen geschoven worden. Er leeft een jonge man, de zoon, alleen in een huisje op het land met een paar schapen, zijn ouders zijn geëmigreerd. Hij werkt bij een fruitteler, drinkt een biertje met vrienden, haalt een schaap uit de greppel. Er speelt een verlangen naar liefde, muziek van Mendelssohn. Er gebeurt niet veel maar de sfeer is verslavend. Ook het boek De onverwachte rijkdom van Altena, kent een zelfde sfeer.
Het boek over zijn vader gaat ook over hoe men zich verhoudt tot de ander, je verantwoording voor het leven, je kinderen. Ook over zelfmoord schrijft Van Mersbergen in Mijn pa. Dat hij dat nooit zou kunnen, op die manier afstand nemen van dingen die je niet kunt handelen. Schrijvers die hij kende, Joost Zwagerman, Wim Brands, zijn uit het leven gestapt. ‘Wim was hypochondrisch, zat altijd bij de dokter. Hij zit ook in dit boek over carnaval. Dan zeg ik tegen hem, “Wim, hoeveel dagen ga je ook alweer mee carnaval vieren?” Dan zegt Wim, “Nou, ik weet het niet.” Ik mocht hem graag, en Zwagerman… Ik wordt er vooral een beetje boos van.’ Zoals Jozef van den Berg zijn gezin in de steek liet, hij heeft er bewondering voor, maar vindt het vooral nogal theatraal.
‘Alsof hij zijn laatste voorstelling had. Heel anders dan die Britse komiek, Tommy Cooper, die dood op het podium neerviel. Dat is een mooie dood. Zo gaat mijn vader ook dood, die sterft op dat land. Dat begrijp ik wel.’
‘Van mijn vader wilde ik weten waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Waarom alles gerelateerd is aan dat stuk land van hem. We komen uit een boeren- en arbeidersfamilie. We hebben beiden eenzelfde soort arbeidsethos, daarin lijken we op elkaar. Ik begrijp heel goed waarom hij alles zelf wil maken, maar waarom hij dat in zijn eentje doet, dat snap ik dan weer niet. En nu mijn ouders ouder worden, mijn vader is tachtig, maak ik me wel eens zorgen dat ze alles alleen doen.’
Voor het boek kreeg hij inzage in de aantekeningen die zijn vader al die jaren maakte. Over wat hij dag in dag uit op het land uitvoerde, over het weer, de opbrengst van het land (Laatste mais in emmers en in zak en de stellage opruimen; veel vraat aan bovenste mais en de muizen, ze lopen rond en ook rattekeutels.) het aantal eieren dat de kippen legden.
Een vader die niet aanwezig is, het is zoals het is.
Dat een vader geen openlijke belangstelling voor zijn kinderen en kleinkinderen toont. ‘Mijn vader merkte eens op dat in mijn eerste vier, vijf boeken geen vader zit. Ik zei “Ja, jij was altijd met dat land bezig.” Waarop hij mompelde, “Ja, ja.” Maar goed, ik heb er nooit last van gehad. Iedereen in die streek is afstandelijk. Ze leven voor hun boerderij maar sociaal zijn ze geïsoleerd. Toen ik eens met een vriend langskwam omdat we toevallig in de buurt waren, gaf mijn vader gelijk een soort rondleiding om te laten zien wat hij en mijn moeder allemaal gemaakt hebben. Die vriend zei, “We kwamen eigenlijk voor de koffie.” Later lees ik dat terug in zijn aantekeningen, dan ben ik wel blij dat ik daar in voorkom.’
Hij had gespeeld met de gedachte Jozef van den Berg op te zoeken, had al uitgezocht hoe er te komen. Eerst met de trein, dan een fiets huren, hij kon er zo naartoe. ‘Maar praktisch wilde ik het toch niet uitvoeren. Die man is gewoon helemaal uit geïnterviewd… Floortje Dessing was er voor haar programma Floortje blijft thuis. Zij zegt alleen maar “Wat bijzonder om hier te zijn”, en “wat is het hier leuk”. Alsof hij nog steeds optreedt.’
Ook de gedachte zoals in het boek staat: ‘Ik kan mijn pa niet vinden in een schuurtje waar een man woont die, en dat weet ik ook, als je zijn baard af zou scheren, opeens mijn vader blijkt te zijn’, hield hem er vanaf.
Wat als zijn vader naar Frankrijk was gefietst
‘Ik had wel een kapstok nodig om over mijn vader te kunnen schrijven. Mijn eerste theorie was, dat als mijn vader net als hij gewoon was weggegaan, niet dat stuk land had gekocht dat uitkijkt op zijn geboortehuis, maar gewoon naar Frankrijk was gefietst, dan hadden mijn moeder, mijn broer en ik een heel ander leven gehad. Maar dat was te hard. Mijn vader is helemaal niet weggereden in die zin. Maar aanwezig was hij ook niet. Hij heeft veel ruimte ingenomen voor zichzelf. Op afstand was hij toch aanwezig. Hij spaarde bijvoorbeeld voor mijn studie. Toen ik ging studeren, ging ik vijf keer in de week uit, dus mijn vader dacht, hij brengt al dat geld naar de horeca. Toen ik klaar was met mijn studie, heeft hij de helft van mijn studieschuld afbetaald. Hij was er dus wel mee bezig. Anders dan vaders die elke week bij het voetballen staan te kijken, maar die doen dat dan misschien weer niet.’
In Mijn pa, staat dat de schrijver bang is om alleen te zijn. Anders dan zijn vader wil hij beweging om zich heen, mensen ontmoeten. ‘Arjen Fortuin schreef eens in het NRC dat mijn boeken over stugge mannen gaan die weggaan voor iets. Toen ik hem daar over sprak, zei ik, die mannen gaan niet weg, die zoeken juist op elke pagina contact. Dat alleen zijn dat in mijn boeken gelezen wordt, ik weet niet wat dat is.’
Overlevingsdrang en het volgen van patronen
Marcus, een dakloze in het boek over zijn vader, bivakkeerde in het plantsoen waar de schrijver geregeld langs fietste. Met enige reserve benaderde hij hem, bracht hem een jas die hij over had. ‘Ik vind het bijzonder hoe iemand op deze manier in leven blijft. Ik weet niet hoe hij dat doet. Maar ik zie wel dat hij niet opgeeft. Hij is een soort eigentijdse Robinson Crusoe, heel praktisch. Er is een overlevingsdrang, maar dan totaal niet in beeld.
Kijk, Jozef van den Berg heeft zijn publiek, nog steeds. Indirect vraagt hij ook best veel van de mensen om hem heen. Toen hij niet langer in die fietsenstalling kon blijven, zeiden die mensen bij wie hij nu zit, “je kunt wel bij ons in het schuurtje”. Hij heeft daar niet zelf voor gezorgd. Dit is ook zomaar een gedachte hoor, maar Jozef heeft wel een soort vertrouwen dat het goed komt. Daarentegen moet een dakloze iedere dag zijn eten organiseren. Er moet een soort patroon in zitten om te weten waar hij zijn eten kan halen. Het is moeilijk daarover met hem te praten. Ik wilde hem niet analyseren waar hij bij zit, dat hij zijn eigen gespreksonderwerp wordt, dat wilde ik niet.’
‘Joris van Casteren schrijft heel mooi over zulke levens in het kader van De eenzame uitvaart in de Volkskrant. Daar is een poule van dichters voor, waarvan er steeds één bij elke eenzame uitvaart een gedicht schrijft. Dat zou ik ook wel eens willen doen. Ik schrijf wel geen poëzie, maar een stukje proza zou toch ook kunnen.’
Er is een thriller en een roman waar op dit moment aan gewerkt wordt. ‘Alles door elkaar’, lacht hij haast verontschuldigend. Over de roman spreekt hij als betreft het een bouwwerk waarvan de steigers al kunnen worden weggehaald, er enkel nog gevoegd hoeft te worden. ‘Een roman die voor tweederde staat. De verteller moet nog wat worden opgepoetst. Ik wil altijd iets onderzoeken in een boek. Mijn redacteur bij Cossee, Christoph Buchwald, vraagt altijd, hij is Duits, “Wat is in deze boek die onderzoek frage?” Ik schrijf nu over een jongen die weigert te praten. Zoals in De blechtrommel van Günter Grass een jongen weigert te groeien omdat de nazi’s aan de macht komen. Ik kijk naar mijn zoontje van vijf, hoe hij praat. Voor een roman is hij als verteller te jong. Ik zoek nog naar een vorm waarin dat wel kan. Als begin heb ik altijd wel een basis idee, weet ik waar het heen moet gaan.’