• Webeling schreef een boek met een ziel

    Webeling schreef een boek met een ziel

    Webelings boek De lach en de dood is een van de verschrikkelijkste en tegelijkertijd een van de mooiste boeken die ik ooit gelezen heb. Verschrikkelijk vanwege de wrede en walgelijke gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog die erin verwerkt zijn en mooi vanwege de manier waarop deze gebeurtenissen beschreven zijn. Je zit middenin de gruwelen van de oorlog en ziet het werkelijk voor je. Het is zo ongelooflijk beeldend dat je alles echt hoort, ziet, voelt, proeft en ruikt.  Dat is nou niet bepaald altijd een pretje kan ik je vertellen! Gelukkig zorgt de humor in het boek ervoor dat het niet alleen maar vreselijk is.

    Ernst Hofman, het hoofdpersonage, is een half-Duitse en Joodse bekende komiek uit Amsterdam. Het is 11 januari 1946 en hij bereidt zich voor op zijn eerste optreden na de Tweede Wereldoorlog. Iets meer dan een jaar geleden zat hij nog gevangen in een vernietigingskamp in Polen. Een terugblik op het overleven van een door de nazi’s bestuurde wereld volgt.

    Vervolgens gaat het verhaal verder op het moment dat Ernst Hofman, opeengepakt met tientallen angstige mensen in een veewagon, afgevoerd wordt naar het kamp. Tijdens de reis wordt hij verliefd op Helena Weiss. Bij aankomst in het kamp worden mannen en vrouwen meteen gescheiden en zo ook Ernst en Helena. Hoewel het leven in het kamp hem aan de ene kant weinig tijd geeft om over haar na te denken, houdt de liefde voor haar hem ook op de been.  Vreemd is het wel, die plotselinge verliefdheid van Ernst. Zeker onder omstandigheden waarin je niet aan verliefdheid, maar eerder aan overleven denkt.

    Door het vertellen van grappen aan medegevangenen probeert Ernst het leed wat te verzachten en het leven in het kamp wat draaglijker te maken. Voor hem geldt: ‘Elke dag een lach.’ Langzamerhand wordt hij een beroemdheid in het kamp en ook de kampcommandant hoort van hem en vraagt hem op te treden voor de SS in ruil voor een goede behandeling en goede faciliteiten. In eerste instantie weigert hij, maar wanneer het leven van zijn Helena in gevaar komt, voelt hij zich genoodzaakt toch grappen te vertellen aan de SS. Hij moet echter op zijn hoede zijn want de grappen zouden wel eens verkeerd kunnen vallen bij de Duitsers en als tegenwerken beschouwd kunnen worden, met alle gevolgen van dien. Voor hem of alsnog voor Helena.

    De lach en de dood is een indrukwekkende roman waarin de gruwelijkste passages, ook meteen de sterkste punten van de roman zijn. Ze geven een reëel beeld van de werkelijkheid. Webeling heeft gebruikt gemaakt van de kennis van deskundigen op dit gebied en van memoires van kampoverlevenden. Sommige gebeurtenissen uit het boek zijn zelfs gerelateerd aan verschillende personen. Zo is Ernst Hofman voor een (klein) deel gebaseerd op Louis de Wijze. Deze trad op in het kampcabaret van Westerbork en is bovendien overlevende van Auschwitz.  Door gebruik te maken van de memoires van overlevenden heeft de schrijver de sfeer en de dagelijkse realiteit van het kamp tot in de details kunnen beschrijven. Daarnaast zorgt de combinatie met het fictieve ervoor dat je het boek in één adem uitleest. Het is een diepzinnig, mooi en gruwelijk verhaal waarin alle emoties vertegenwoordigd zijn en waarin ook veel humor verwerkt is. Het brengt een lach en een traan. Het is een boek met een ziel.

    Pieter Webeling (Den Helder, 1965) debuteerde in 2008 met zijn boek Veertig Dagen. Inmiddels is  zijn tweede boek De lach en de dood uitgebracht. Naast schrijver is Webeling ook  interviewer en gespreksleider. Hij was lange tijd een van de huisinterviewers van de Volkskrant en hij is oud-redacteur van HP/De Tijd. Op dit moment werkt hij voor bladen als Jan, Rails, Reader’s Digest en Humo.

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Alles voor een nieuwe kinderwagen!

    In de proloog vernemen we vanuit het perspectief van een pasgeboren maar al wereldwijs jongetje, dat zijn vader, de 24-jarige acteur Moritz Akkerman, met diens Vlaamse schoonvader Gaston en zijn neef Ari per trein naar Berlijn vertrekt. In een tijd dat Duitsland al in de ban is van Hitler, gaan zij daar de Duitstalige versie van de film Dood water inspreken.

    Het verhaal begint in de trein. Moritz vindt het moeilijk om zijn pas bevallen vrouw alleen te laten, maar sust zichzelf met de gedachte dat hij haar in ieder geval blij gaat maken met een nieuwe kinderwagen. Neef Ari krijgt de filmblikken ternauwernood door de douane geloodst en eenmaal op hun bestemming bemoeit Moritz zich met een nazistisch opstootje maar hij wordt door zijn schoonvader daaruit weggetrokken. Later in een café wordt Moritz door twee nazistische partijgenoten als Ariër bestempeld, hoewel hij in werkelijkheid vier joodse grootouders heeft.
    Het is duidelijk wat Moritz van het politieke klimaat in Duitsland vindt. Met cynisch commentaar ziet hij een militaire parade langstrekken:

    ‘Omhuld door wolken opwaaiende stuifsneeuw nadert een stampende colonne soldaten. Ze lopen met zware bepakking in een vreemd ritme dat ze op een balletschool voor hinkepoten moeten hebben geleerd, het kan niet anders dan dat hen dat een collectieve knievergroeiing op zal leveren. Strak geregisseerde nekverrekking. Rollende donder, aanzwellend en verdwijnend.’

    Moritz raakt tijdens het nasynchroniseren van de Nederlandse film in de ban van de filmster Ilyane. Zij ziet blijkbaar ook wat in hem, want ze neemt hem mee naar haar luxe villa. Daar ontmoet hij twee andere joden, Werner Morgenstern en de Hongaarse toneelschrijver Horváth, beiden vroegere minnaars van Ilyane. Terwijl hijzelf van meet af aan niets van de nazi’s moet hebben, krijgt Moritz over de opstelling en de motieven van Ilyane geen hoogte. Ze lijkt de rol te spelen van een vamp, die een man kan maken en breken.

    Moritz komt in een verdere gewetensstrijd terecht als een Duitse regisseur hem vraagt of hij als deskundige nog twee weken kan meewerken aan de Duitse versie van Lucifer. In dat toneelstuk van Vondel komt deze engel in opstand  tegen God omdat die hen heeft gedegradeerd ten opzichte van de mensen.
    Neef Ari, die zich inzet voor de opvang van Joodse kinderen, raadt hem af om op dat verzoek in te gaan, maar zijn schoonvader Gaston vindt dat hij het maar moet doen. Twee weken zijn snel voorbij en het levert een aardig centje op. Moritz zelf wil niets liever dan in de nabijheid verkeren van zijn liefje Ilyane en rechtvaardigt zijn langere verblijf door te denken aan de nieuwe kinderwagen.

    Gedurende een tussentijds verlof is de sfeer tussen Moritz en zijn vrouw slecht. Zij is het niet met zijn besluit eens en hoeft geen nieuwe kinderwagen. Moritz zet echter door. Hij praat over de voorstelling met een vriend, die van mening is dat er in morele zin iets moois van te maken is. Eenmaal terug in Berlijn, zet Moritz al zijn krachten in om een goed product af te leveren. Hij neemt daartoe zelfs de touwtjes in handen, maar moet tenslotte zwichten voor ingrepen van hogerhand. Hij mag nog blij zijn dat hij gewoon naar zijn eigen land kan terugkeren. Zijn tweeledige dubbelspel, zowel door zijn geheime liefde voor Ilyane als door het verzwijgen van zijn Joodse identiteit, kon hem gemakkelijk de kop kosten.

    De stijl is realistisch, maar soms zitten er opmerkelijke versnellingen in, als Moritz in paniek allerlei waanbeelden voor zich ziet. Dit is bijvoorbeeld het geval als hij na een repetitie met Ilyane in haar sportwagen stapt en ze door Berlijn scheuren. ‘Moritz ziet achter zich twee zuilen instorten, de brokstukken rollen geluidloos de trappen af, een van de koepels van de kerken aan weerszij van het theater zakt in, overal vluchten zwijgende mensen voor hen uit die in paniek in de grond verdwijnen, ….’

    Het dilemma van Moritz over de opstelling van een acteur in de nazi-tijd voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de veel beschreven verhouding tussen toneel (of film) en politiek. Het beste voorbeeld is de film Mepfisto naar een roman van Klaus Mann, maar ook in Julia van Otto de Kat wordt dit onderwerp aangeroerd. In dat laatste boek is de geliefde een Duitse vrouw, die actief is in het verzet.

    De fraaie foto op de omslag is een sfeer-opname uit 1935 van Unter den Linden. Wat mij betreft had daar een treffender titel boven gekund. Dramatiek genoeg in dit verhaal, dat door de vader is overgeleverd aan het inmiddels zelf op leeftijd gekomen jongetje.

    Lucifer onder de Linden

    Auteur: Hans Croiset
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (okt. 2010)
    Prijs: € 19,90

  • Verhalen zonder verrassende ontknoping

    Verhalen zonder verrassende ontknoping

    Op het omslag wordt Bernhard Schlink aangekondigd als de schrijver van De voorlezer, dat in 1995 een wereldhit was. Er staat niet bij dat dit nieuwe boek verhalen bevat; langere verhalen weliswaar, maar die vallen toch tegen. De eerste drie verhalen bevatten hetzelfde ingrediënt, namelijk onbetrouwbaarheid in een man-vrouw relatie. Dat gegeven wordt nogal belegen en flets uitgewerkt, waardoor de hoofdpersonen inwisselbaar worden. Gelukkig zijn de andere verhalen intrigerender.

    De zeven verhalen spelen zich vooral af in de Verenigde Staten en in Duitsland en de titel doet dienst als leeswijzer. De zomerleugens spelen zich vooral af binnen relaties, waar vrouwen een kind willen van mannen die minder viriel zijn.

    Naseizoen begint met een scène op een vliegveld, waar een Europese fluitist de Amerikaanse Susan nakijkt na een vakantieliefde in het noordoosten van de Verenigde Staten. Vervolgens blikken we terug op hun ontmoeting tijdens een etentje en een bezoek aan het strand. ‘Ze zaten onder de paraplu en verzonken in hun herinneringen. Als twee kinderen die verdwaald zijn en naar huis willen, dacht hij.’

    De steenrijke Susan heeft een huis op het eiland vlakbij de zee en nodigt de man daar uit. ‘Ze kwamen niet op het idee om wat er bij hun ontmoeting in het restaurant geknarst had en gehaperd had als waarschuwing op te vatten.’ Ze blijkt een kind te willen en vat het plan op om samen met de fluitist een appartement in New York te gaan bewonen. Als de man, die niet  echt van haar houdt, terug is in New York, betwijfelt hij of hij alles voor haar moet opgeven.

    De nacht in Baden-Baden gaat over een toneelschrijver die op liefdesgebied van twee walletjes eet. Hij brengt een nacht door met vriendin Therèse en verzwijgt dat voor zijn vrouw Anne, die een kind van hem wil. Aan het eind stelt de man vast dat er niets op tegen is om de waarheid te spreken.

    In Het huis in het bos wil een man zijn dochter en zijn vrouw Kate, een succesvolle schrijfster, helemaal voor zich alleen hebben. Hij blijft voortdurend, en tot vervelens toe, zoeken naar bestendigheid.

    In De vreemde in de nacht vertelt Werner Menzel tijdens een turbulente vlucht naar Europa zijn levensverhaal aan Jacob Saltin, die naast hem in het vliegtuig zit: ooit werd zijn mooie blonde vrouw Ava ontvoerd in Irak door handlangers van een sjeik. Ava weet te ontsnappen en Werner en zij zien elkaar later terug in Genève maar met hun relatie komt het niet meer goed. Sterker nog, Menzel vermoordt haar maar wil daarvoor wel boeten Als hij na vijf jaar vrij komt, leent Jacob hem geld voor een vliegticket naar Amerika. Jacob vraagt zich af met wie hij nou te doen heeft gehad.

    De laatste zomer gaat over de gepensioneerde hoogleraar Thomas Wellmer die een zwakke gezondheid heeft en eraan denkt om, na een mooie zomer met zijn hele familie, een eind aan zijn leven te maken. Zijn plan wordt ontdekt door zijn vrouw. Thomas legt zijn lot in haar handen.

    Johann Sebastian Bach op Rügen gaat over een zoon die meer wil weten over zijn vader en hem daarom uitnodigt voor een weekendje klassieke muziek op bovengenoemd eiland. Uiteindelijk moet de zoon zich schikken in het lot. ‘Niets bestond er tussen hem en zijn vader, niets.’ Met dit verhaal wist de schrijver voor het eerst enige ontroering bij mij op te wekken.

    De reis naar het zuiden begint verrassend.  ‘De dag dat ze ophield van haar kinderen te houden was niet anders dan andere dagen.’ Oma ergert zich eraan dat de kinderen haar ex-man, die hertrouwd is, nooit noemen. Kleindochter Emilia gaat met haar  mee op reis naar een stad waar oma ooit haar grote liefde beleefde. Emilia brengt de geliefden weer bijeen. Oma vindt dat ze zelf een verkeerde keuze heeft gemaakt en hoopt dat Emilia het later beter gaat doen.

    Hoewel dit laatste verhaal aardig eindigt zijn de meeste verhalen te bedacht en te weinig expressief. Dat mag blijken uit het volgende fragment over de verhouding van Anne en haar man in het tweede verhaal, dat uitleggerig van aard is. Dit citaat geeft tegelijk een beeld van de repeterende stukjes die af en toe in de verhalen voorkomen.

    ‘Hoezeer ze ook naar elkaar verlangden, hoe mooi ze het ook samen hadden ? ze hadden niettemin hevige ruzies. Omdat hij zich had neergelegd bij dat meer gescheiden dan gemeenschappelijk leven en zij dat niet deed. Omdat hij niet zo mobiel en beschikbaar was als hij volgens haar had kunnen zijn. Omdat zij wat haar carrière betrof niet de compromissen sloot die ze volgens hem had kunnen sluiten. Omdat ze zijn spullen doorzocht. Omdat hij loog als kleine leugens grote conflicten leken te kunnen vermijden.’

    De hoop dat Schlink op het eind van zijn verhalen zou overrompelen, kwam in Zomerleugens helaas niet uit.

     

    recensie door: Rein Swart

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    IJzersterke thriller met echte mensen

    Het laatste boek van Stewart O’Nan met de wat curieuze titel Laatste avond in de Lobster vroeg om meer van deze schrijver te lezen. Zijn debuutroman Sneeuwengelen kent een soortgelijke ambiance: het is kersttijd, de periode om cadeautjes voor elkaar te kopen en buiten sneeuwt het, maar tegelijk bevinden we ons in een heel andere wereld; niet in die van een lobster restaurant in de staat New York, maar in de omgeving van Pittsburg, waar een jonge vrouw met een pistool om het leven wordt gebracht. De persoon wiens oren dat horen heet Arthur Parkinson, een weerspannige middelbare scholier, die met zijn fanfareorkest oefent voor een optreden in de pauze van een footballwedstrijd. Het meisje, Annie, is ooit oppas bij hen geweest in de tijd dat zijn ouders nog samen waren.

    Door het verhaal in stukjes en beetjes terug te vertellen, weet O’Nan spanning op te bouwen en vast te houden.

    Er komt veel menselijk leed in het boek voor. Vriend Glenn is door Annie buiten de deur gezet omdat hij zich weinig verantwoordelijk voelde voor de opvoeding van hun driejarige dochtertje Tara. Hij woont weer bij zijn ouders en kan het moeilijk verkroppen dat Annie een andere jongen heeft ‘opgeduikeld’, die overigens net zo min verantwoordelijkheid voor het kleine meisje op zich neemt.

    Het zijn ongunstige persoonlijke omstandigheden, die tenslotte tot de dood van Annie leiden. De lezer, die daarover in het eerste hoofdstuk is ingelicht, wordt door O’Nan bij de lurven gegrepen, overdonderd met sterke dialogen en rake typeringen zoals van Annie met haar driftbuien en Arthur met zijn softdruggebruik, gedetailleerde beschrijvingen zoals van banen van licht die een lege kamer verdelen of van Annie die voor de spiegel staat en zich na haar werk opmaakt voor een etentje met haar vroegere vriend Glenn.

    ‘Ze klemt een elastiek tussen haar tanden en trekt het haar met beide handen naar achteren, maar daarna laat ze het alle kanten op vallen. Glenn houdt ervan als ze het lang draagt.’

    De onzekerheid van Annie over een mogelijk vervolg van de relatie wordt door haar eenzame moeder aangewakkerd.

    Een mooie bijrol is weggelegd voor zus Astrid, die in Europa verblijft en door de telefoon haar broer Arthur trans-Atlantisch commentaar geeft op de weinig actieve rol die hij in het gezin vervult, hetgeen hem later door de psychiater uit zijn hoofd wordt gepraat.

    Ook de manier waarop het evangelische geloof wordt beschreven, waar Glenn zich in zijn wanhoop aan vast probeert te houden nadat alles hem naar zijn idee is afgenomen, is zeer overtuigend.

    De scènes en de perspectieven wisselen elkaar in snel tempo af, waardoor het idee ontstaat dat je naar een film zit te kijken. Die is inderdaad uitgebracht in 2007 en in Nederland als dvd in 2008. De kijker zal daarin een prachtig beeld zien waarin Glenn in de sneeuw een engel uitbeeldt en dat ik verkozen zou hebben boven de huidige omslag.

    Het beeld dat overblijft nadat de kruitdamp is opgetrokken, is dat van een puberale jongeman die het allemaal niet zo goed weet en die noch de dood van Tara en Annie, noch de diepe kloof tussen zijn ouders weet te plaatsen. Adembenemend zoals O’Nan ons dat overbrengt.

    Sneeuwengelen

    Auteur: Stewart O’Nan
    Vertaald door: Paul van der Lecq
    Verschenen bij: uitgeverij Cossee
    Prijs: € 19,90

  • Recensie door: Machiel Jansen 

    Recensie door: Machiel Jansen 

    Waarom lezen over reizen zo vermoeiend kan zijn

    Landkaarten kunnen een vreemde aantrekkingskracht hebben. Je kunt uren naar ze staren en je afvragen hoe het toch zou zijn in plaatsen waarvan je de naam niet kunt uitspreken of in landen waar niemand op vakantie gaat. Wie een beetje fantasie heeft kan met een kaart of wereldbol mooie innerlijke reizen maken.

    Als kind fascineerden kaarten me behoorlijk. Toen we tien waren liet de leraar ons een spelletje spelen met een kaart van Europa, of een ander werelddeel. Er stonden geen namen op de kaart. De steden waren rode cirkels, de landen gekleurd. Als je aan de beurt was moest je een stad of rivier kiezen en de klas moest raden waar het was.  Het moedigde ons aan om de meest exotisch klinkende plaatsnamen te kiezen. Ik weet nog dat ik Bakoe koos, nu de hoofdstad van Azerbeidzjan. Die naam had iets magisch en ik dacht toen dat het er mooi en vredig was. Veel later sprak ik een journalist die er net vandaan kwam. Nee, het was een vieze oliestad en aanbevelen kon hij het bepaald niet. Misschien is Bakoe niet erger dan Rotterdam, Almere of Waddinxveen maar het verlangen om te gaan kijken hoe het werkelijk is, heb ik sindsdien niet meer.

    Er zijn mensen die zich niet uit het veld laten slaan door het verschil tussen fantasie en het echte leven. Of misschien fantaseren zij niet en willen ze alleen maar ontdekken hoe de plaatsen op de kaart er in werkelijkheid uitzien. Het zijn mensen die tussen droom en daad geen enkele praktische bezwaren in de weg zien staan. Ik behoor niet tot hen. Ik reis wel maar het reizen zit niet in mijn bloed.  Ik lees liever dan dat ik reis. Misschien dat ik liever in een eigen wereld reis dan dat ik droom van een reis naar een werkelijke bestemming.

    Wat lezen betreft. Ik heb meer met boeken waarin de held de hele dag in bed ligt, zoals in Gontsjarov’s Oblomov dan met de verslagen van een reizende auteur als Paul Theroux. Over reizen lezen kan net zo stomvervelend zijn als over dromen lezen. Natuurlijk, reizen kan plezierig zijn en ook dromen kan fijn of interessant zijn. Maar andermans vakantiefoto’s bekijken is meestal een verplichting en dromen van een ander aanhoren is bijna altijd een slaapverwekkende ervaring. Om eerlijk te zijn: het hele genre van de reisboeken doet me weinig tot niets. Er zijn wel uitzonderingen – er zijn altijd uitzonderingen – , zoals de boeken van Robert Kaplan en V.S. Naipaul, maar dat zijn goed beschouwd geen reisverslagen. Eerder zijn het (politieke) beschouwingen waarbij de reis een middel en geen doel is.

    Wat mij vooral tegenstaat aan reisverslagen is de opsomming van gebeurtenissen onderweg, zonder dat daar een verhaal mee verteld wordt. Een reeks belevenissen vormt nog geen verhaal, laat staan literatuur, en een avontuurlijke reis is nog geen Odyssee.

    Francesco Petrarca beklom begin 14e eeuw de Mont Ventoux en je zou zijn verslag (in briefvorm) als een reisverhaal kunnen beschouwen. Maar de beklimming is veel meer dan een feitelijke beklimming. De reis stijgt juist ver boven het feitelijke uit en dat maakt zijn verslag filosofisch de moeite waard. Reisverhalen moeten net als reizen een doel hebben. De reis en het verslag ervan alleen is niet voldoende.

    Maar reisverhalen bestaan zelden uit alleen maar een feitelijk verslag. Meestal is er ruimte voor wat geschiedenis en een poging tot filosofie. Maar dergelijke beschouwingen zijn vaak zo ontzettend oppervlakkig en voor de hand liggend. De geschiedenis ontstijgt vaak het niveau van een reisgids niet en de filosofie mag die naam eigenlijk niet hebben. Neem bijvoorbeeld het onlangs verschenen De filosofie van de heuvel van Ilja Leonard Pfeiffer. Hij fietste met zijn vriendin naar Italië en schreef erover. De filosofie uit de titel mag die naam eigenlijk niet hebben. Het bestaat uit gedachten die hij bedenkt in een poging zijn ongetrainde lijf op de fiets de bergen over te krijgen. Het is dat Pfeiffer nog leuk schrijven kan anders had je ook een filosofie nodig om zijn boek uit te lezen.

    Wat Pfeiffer in zijn boek ook steeds benadrukt is hoe ‘echt’ het reizen allemaal is. Hij ervaart duidelijk iets oorspronkelijks wat mij totaal vreemd is. Fietsen op de snelweg is voor Pfeiffer pas ‘echt’reizen, ik vond door Porto fietsen af en toe al gekkenwerk.

    Ik ontving het boek van Alfred van Cleef De verborgen ordening, een ontdekkingsreis langs de nulmeridiaan. Het is een reisverslag van een voormalig NRC– correspondent die de nulmeridiaan afreist en landen als Engeland, Frankrijk, Spanje, Algerije, Mali en Burkina Faso bezoekt.

    Ik heb het even geprobeerd en het toen opgegeven. Dit boek, dit genre is niet voor mij. Het biedt me te weinig. Ik deel de fascinatie voor de verticale lijn op de landkaart niet en zijn reisverslag lees ik als niet-reiziger met grote moeite. Het is niet zo dat Van Cleef slecht schrijft, het zijn mijn bezwaren tegen het genre die mijn heuvel vormen. Het is mijn ‘filosofie’die me belet deze heuvel te nemen.

    Van Cleef heeft trouwens wel meer dan een gemiddelde interesse voor de geschiedenis. Zijn reisverslag onderbreekt hij met hele hoofdstukken met historische feiten over de meridiaan. Hij doet ook een poging om zijn verslag uit te laten stijgen boven een beschrijving van verzameling belevenissen. De nulmeridiaan vormt immers de oorsprong van de kalender en het meten van de tijd van de dag. Tegen die achtergrond hangt Van Cleef zijn verhaal op. Bij een ‘filosofisch’ bedoelde passage gaat het voor mij dan ook meteen mis. ‘De oudst vastgelegde kennisbehoefte van de mens is een antwoord op de vragen “waar ben ik?”en “welke tijd is het?”.’ Ik vraag me af of dit waar is maar de redenering is wel een heel vreemde. Je kunt met een soortgelijk beroep op ‘oudst vastgelegde behoeften’ ook het oudste beroep ter wereld  respectabel maken.

    Mijn vrouw fietst. De fiets is haar gereedschap van de vrijheid. Ik fiets ook, maar mijn fiets is een vervoermiddel. Ik fiets niet voor mijn plezier, zij wel. Ik fiets over de kortste afstand tussen twee punten. Zijn neemt omwegen. Haar doel is de reis. Mijn doel is het doel. Zij las De filosofie van de heuvel met groot plezier. Ik niet. Ik denk dat ze ook wel geniet van De verborgen ordening, maar ik niet.

    De verborgen ordening

    Een ontdekkingsreis langs de nulmeridiaan
    Auteur: Alfred van Cleef
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (april 2010)
    Prijs: 24,90

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    De nieuwe, fraai vormgegeven bundel van Tsead Bruinja toont voorop een scherp genomen foto van een schop die niet lang tevoren nog gebruikt moet zijn gezien de aarde die er nog aan zit. Achterop ligt de dichter zorgeloos in het hoge gras te dromen. Tussen voor- en achterplat staan 55 gedichten gegroepeerd over 7 afdelingen. Ditmaal geen motto’s van collega-dichters dan wel popmuzikanten, maar is gewoon Bruinja zelf (op een ingelaste sample van Paul van Ostaijen na) ongehinderd aan het woord met al zijn lef en minimale interpunctie en in al zijn kwetsbaarheid. Soms lyrisch getoonzet in de beleving van de (ontoereikendheid van de) liefde tot zijn vrouw naast hem, of het wachten op het wonder van boven. Want Bruinja toont zich ook ontvankelijk voor het religieuze. Een geslaagd gedicht als Licht lijkt daarop te zinspelen:

    ‘er is licht

    en iets dat daartussen staat

    een muur

    een figuur

    een leven lang

    ben je onbenaderbaar

    kweek je vuisten

    bedek je een graf

    met je hele lichaam

    verduister je het gat

    van een deur

    er is licht

    iets dan daartussen staat

    en er is een weg

    waarop je je spullen achterlaat

    er is licht

    dat je iets wil vertellen

    ga weg

    laat liggen

    neem op’

    Maar Tsead Bruinja kennen we ook als de man die de ongerijmde trivialiteiten van de omringende, soms huiselijke dan weer vervreemdende werkelijkheid niet schuwt in zijn werk. Hij pikt daarbij maar al te gretig de instantpoëzie (ready mades) mee die de realiteit ons soms al aanreikt. In dit soort gedichten toont de dichter zijn bravoure en zijn flair. Bruinja mijdt het schrijnen niet, zet zijn boosheid of verontwaardiging in, en kruidt het hier en daar met wat maatschappijkritiek, zoals bijvoorbeeld in het sarcastische gedicht Goed Nieuws. In het gedicht Uw plaats in ons meedogenloze archief beproeft Bruinja met succes de sampletechniek. De strofen waarin zich een documentaire-achtig verhaal ontvouwt over mishandeling door soldaten worden afgewisseld met teksten uit een folder die de televisiekijker(?) blijkbaar tegelijkertijd verveeld aan het doorbladeren is. Beide teksten lopen vloeiend en daarin laat zich de hand van een ervaren dichter zien.

    Dat de anekdotisch opgezette gedichten zich niet loszingen van die werkelijkheid mag het verwijt niet zijn, maar toch wekken sommige gedichten wel eens de indruk dat de dichter er te makkelijk van uitging dat een wat vlakke anekdote met een enkele rake regel een heel gedicht kunnen schragen. Niet altijd wringt het, wil ik maar zeggen. Niet altijd wil het wonder uit de taal ontstaan. En van waar moet het wonder in de poëzie anders komen? In het gedicht Het haar op onze wonden wordt grijs moet een niet onaardige regel als ‘het is zo’n dag waarop je naar de andere kant van het land zou rijden / vanwege een advertentie op marktplaats’ de aanzienlijk mindere regels als ‘de auto staat uit te blazen onder de kap / en tegenover je een engerd van wie ze na zijn geboorte / meteen de mal hebben gebroken,’ in zijn nabijheid dulden.  Soms schuurt het tegen het flauwe aan zoals in een strofe uit Sneeuw dat eerder in NRC Handelsblad verscheen: ‘in het jaar 2008 was ik een man van vierendertig / rende ik samen met mijn vrouw / naakt over het strand van een Duits Waddeneiland / doken we een aprilkoude Noordzee in / alles aan mij werd klein.’ Zoiets bevalt mij matig. Maar terwijl ik bij het lezen van de titel van het gedicht Bruintje Beer op de helft van zijn adembenemende graf  mijn hart al vasthield bij de gedachte hier een gedicht over een stoelgang voor mijn kiezen te krijgen, las ik de eerste regel: ‘na een avond chinees zit ik lang genoeg op de wc / om me af te vragen of dit lichaam een geschenk ik / of een straf.’ en vond die eerlijk gezegd niet onaardig. Maar echt raak wordt het pas verderop in dit gedicht bij een regel als: ‘verwelken doen we morgen wel / de nikkei index beleefde een matige dag melden ze op rtl / maar mijn tong voelde fit aan.’ Die fitte tong en die matige nikkei index vormen samen een uitstekend paar.  Maar dergelijke verwrongen combinaties waarin het vonkt, laten zich niet makkelijk opsporen, al zijn er wel degelijk.

    Een heel ander gedicht is het titelloze gedicht waaraan de bundel niettemin zijn titel ontleende: ‘overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de / liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet /  mee bezig overwoekerd door de haat en er niet mee bezig / overwoekerd door de geilheid (..)’ enz. enz. Een in zijn massiviteit sterk en overtuigend gedicht dat geheel zonder interpunctie geschreven is en zich waarschijnlijk als een langgerekte zin wil laten lezen.

    In Oud nummer wordt uit een ander vaatje getapt. Hierin wordt de aandoenlijke kant van ontoereikendheid op een mooie, ingehouden, haast serene wijze verwoord:

    ‘op een dinsdagavond viel

    het telefoonnummer van een oude vriend

    hem in

    er werd door een vrouw opgenomen

    ik liep langs de tv

    hoefde het alleen maar

    op te schrijven

    het boek viel dicht op de bladzijde

    waarop de hoofdpersoon

    langs een tv liep

    er is iets wat ik moet zeggen

    maar wat ik niet kan zeggen

    mijn vader vertelde over de sloten achter zijn ouderlijk huis

    terwijl ik hem belde om advies te vragen

    over een nieuwe wasmachine’

    Maar het echte hoogtepunt van de bundel vormde voor mij overduidelijk Het op de groei gekochte einde:

    ‘aan de overkant van een zin en aan de achterkant van het zwart

    van wat niet kunnen slapen is klinkt het zingen van een vogel

    maar het kan ook het tikken zijn van een stuk waslijn tegen een paal

    de wind door een wapperende vlag

    en daar dan doorheen prikken de lijntjes verbinden en dat overkant noemen

    geef het geen gezicht geen hoofdletter want wind is niet adem die vermoeid

    de wolken de bergtop over duwt

    laat dit op de groei gekochte leven zwabberen als een kinderbeen met speling

    in de knie en zie dit is af te stellen op daar

    één sprongetje maar en je bent er

    en geef het een andere naam kijk of de hand uit de lucht of van de grond komt

    mis je haar?

    één sprongetje en je bent er

    tussen neus en lippen door je mond aan het gas je mond aan de honing

    in de verte klinkt een vogel zijn lied een massieve woning

    een onpeilbare gracht van woorden om je leefhuis om je vleeshuls

                                                               wie niet komt

    is de vogel

                                                               wie niet zingt

    die slaapt

                                                               in de vogel

                                       zingt

                                                   braaf

    zing geen hoofdletter

    maar fluit een jazzy akkoord

    bouw je spieren op

    wees rap en sterk voor de vogel

    voor het spel met de vogel

    zwijgend wordt het lidmaatschap

    verlengd

    ik heb je lief

    als een sikkeneurige ezel

    ja ja ja

    en ik heb je lief

    zingt het brood

    zingt het lichaam

    en splijt de vogel’

    Dit is een ronduit gaaf gedicht en dit toont Bruinja op z’n best. Hier hebben de emotionele pit en de stoere bolster elkaar gevonden. En hoe mooi voegt de ready-made van het zwijgend verlengde lidmaatschap zich in het geheel. Gaat dit over slapeloosheid, wordt hier de kwetsbaarheid van het leven beleden, of uiteindelijk toch misschien de liefde bedreven? Het is van ondergeschikt belang omdat de woorden elkaar aftasten, uittesten en loszingen van hun betekenis om samen een spel te vormen, waarin ze de eigen verbeelding van de lezer gul laten delen.

    Al was lezing van de bundel een aangename ervaring en zal herlezing dat later niet minder zijn, ik vermoed niet dat deze bundel uiteindelijk op het erepodium van de allerbeste bundels van 2010 belandt, maar het gedicht Het op de groei gekochte einde  kan wat mij betreft dingen naar de prijs voor het beste vers van het jaar.

    Overwoekerd

    Auteur:  Tsead Bruinja
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee (2010)
    Prijs: € 19,90

  • Het boerenleven een aflopende zaak

    Het boerenleven een aflopende zaak

    Middelpunt van het boek is boerderij Wildzang, die als een landmerk in het verstedelijkte Noord-Hollandse landschap staat en opgeslokt wordt door de oprukkende nieuwbouw. De verbitterde oude Berkhout probeert elke verandering tegen te houden en zou het liefst zien dat een van zijn twee zoons het boerenbedrijf overneemt zodat hijzelf rustig zijn oude dag in een zijkamertje kan slijten. De oudste is echter naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd en de jongste, de dwarse Bertus, zou eigenlijk in Portugal een huisje opknappen om daarin een lifestyle boek te schrijven, maar hij verkocht het huisje om weer iets anders op te knappen en is langzamerhand een projectontwikkelaar geworden. Er zijn drie partijen die om Wildzang vechten: de gemeente IJlandspolder, een project-ontwikkelaar en monumentenzorg. De gemeente wil er een paradepaardje van maken onder de naam Wiltsangh, een vastgoedonderneming wil er veel geld mee verdienen en monumentenzorg wil het beschermen.

    Het boek begint met Bertus die in het vliegtuig naar huis zit omdat zijn vader in een verzorgingstehuis is opgenomen. Er moeten knopen worden doorgehakt over de bestemming van de boerderij. De zaken in Portugal gaan niet naar wens. Bertus heeft uiteindelijk geen toestemming gekregen van Europa om het appartementencomplex in een natuurgebied neer te zetten, maar daarover niets tegen zijn vrouw Ingrid gezegd.
    Bertus neemt voor enkele dagen zijn intrek in de boerderij. Hij slaapt in de oude bedstee. Zijn zorgen worden aangewakkerd door vreemde geluiden gedurende de nacht en nog meer als de volgende dag de knechtenwoning gekraakt blijkt door de jonge moeder Ellen, die met haar twee kinderen uit de nieuwbouwwijk komt en huwelijksproblemen heeft. Het is net de tijd dat de schapen lammetjes moeten krijgen. Bertus kan zijn zorgen mooi loslaten bij de dieren en door te sleutelen aan de oude tractor.

    IJlander weet het aflopende boerenleven overtuigend neer te zetten en de spanning vast te houden. De verhouding van Bertus tot Ellen is heel kwetsbaar. Het is niet geheel duidelijk wat de rol is van haar man Fred, die ook op de huizenmarkt actief is. Is er sprake van een zware relatie-crisis, die Ellen noopt om met haar twee zoontjes het huis te verlaten of wordt zij door Fred als pion gebruikt om Bertus uit de boerderij te krijgen? Het verhaal zit gedegen in elkaar en de realistische stijl past goed bij de inhoud. De ontwikkelingen worden knap gedoseerd. De doorleefde indruk heeft misschien te maken met de uitspraak van de schrijver in de Verantwoording, namelijk dat alles gebeurd is, al zegt hij daar verder niets over.

    Wildzang gaat over snelle culturele veranderingen, de twijfel aan het nut daarvan en de moeite zich daaraan aan te passen. Vader Arie wil dat alles op de oude manier doorgaat, broer Siem wil een grootschaliger bedrijfsvoering en vertrekt naar het buitenland en Bertus weet niet goed wat hij moet doen. Hij is ooit in de reclame-wereld begonnen, maar heeft zich daaruit teruggetrokken vanwege de verzakelijkte sfeer en zijn werk in Portugal is ook op een fiasco uitgedraaid. De ontworteling is sterk voelbaar als hij een ronde maakt over het grasland rond de boerderij dat begrensd wordt door nieuwbouw en doorkruist door een snelweg. ‘Verkoop de boerderij en zoek een plek waarmee je je wel kunt verbinden,’ zegt een zwakke stem in hem, die echter overschreeuwd wordt door andere. Als Bertus met autopech langs de snelweg staat stelt hij vast dat er in dit land niets meer te lachen valt.
    ‘Grijs en vreugdeloos was dit landschap van asfalt en beton, grijs en vreugdeloos was het leven hier. Hij keek naar de gespannen gezichten van voorbijrazende bestuurders, gevangen in hun wereld van wat moest en wat niet kon, op weg naar hun kleurloze woninkjes.’

    Bertus is een eenling in gevecht met de instanties; de spreekwoordelijke koppige boer, die voelt dat alles hem wordt afgenomen, zijn verleden, zijn toekomst en zelfs de lucht, op het moment dat Ellen een sigaret opsteekt. De bestemming van de boerderij raakt aan de onzekere bestemming van zijn eigen leven. Het zijn uiteindelijk de omstandigheden die de beslissing nemen.

     

  • Een meester in zelfcorrectie

    Een meester in zelfcorrectie

    Tien jaar na zijn debuut als dichter is er nu de vijfde of zesde bundel van Mark Boog, naar gelang men de dunne gedichtendagbundel van 2008, Alle dagen zijn van Liefde, erbij rekent. Intussen schreef hij ook een viertal romans. Een eigen toon had hij bij zijn debuut al gevonden en intensiveerde die in wat daarop volgde. Een toon waarmee hij de Grote Dingen des Levens, zoals: eenzaamheid, liefde, dood en verdere onvolkomenheden van het leven, op behoedzame en subtiele wijze aftast. Een eerlijke en heldere toon ook, waarvoor je makkelijk, misschien ook vanwege de aanwezigheid van ironie en het ontbreken van cynisme, sympathie voelt. Dit oordeel geldt ook zijn romans, want in zijn gedichten herkent men de romancier en in zijn romans herkent men de dichter. Toch laat Boog zich allereerst op zijn gedichten voorstaan. Naar eigen zeggen doet hij het proza er gewoon bij.

    Dat Boog vaak leegte, daadloosheid, onvolkomenheid als uitgangspunt voor zijn werk kiest, zie ik dan ook niet als een onverschillig staan tegenover de genietingen des levens. Eerder vermoed ik dat de dichter zich er nu eenmaal prima door kan laten inspireren. De thermiek van de stilstand houdt Boog al tien jaar in de lucht. Hierin staat Boog niet alleen. Hoeveel dichters hebben de stilte niet als hoogste goed bezongen?

    Hoe verhoudt een en ander zich tot zijn nieuwste bundel, Er moet sprake zijn van een misverstand? Welnu, wat over zijn vorige bundels is gezegd, kan onverminderd op deze nieuweling van toepassing worden geacht. De bundel is gescheiden in twee ongelijke delen (53 versus 26 gedichten), waar we blijkens een verklaring van de dichter zelf niet al te veel achter hoeven zoeken, behalve dat het tweede deel jongere aanwas betreft. En van hogere kwaliteit is, voeg ik eraan toe. In het eerste deel kom ik zeker zinnen, strofen of hele gedichten tegen die mij zeer bevallen. Bijvoorbeeld:

     Het Gemis

    ‘Het gemis, voor het gevoeld wordt,
    bestaat al. Het heeft de moord
    al op het gewetendie ongepleegd blijft ? de daad
    als de vermindering van het woord,
    ontijdig, ongelukkig, ongeveer.

    Laat ons dus tot elkaar weerkeren.
    Er stond ons niets in de weg,
    en zelfs nu nog slaan de deuren open,
    krijsen de vogels, stokt het vergeten.’

     

    Maar ik had ook het gedicht Som kunnen kiezen:

    ‘Men omgeeft zich met de ruimte die nodig is
    om ongelukkig te zijn. Niet dan stuurs
    begaat men zijn handeling.
    Achter zijn eindes aan beklemt men,

    Haalt het slechtste uit zichzelf, vermenigvuldigt het,

    een som zo schoon, zo mooi,
    dat alles klopt.’

    Mooie gedichten die hier en daar een beetje aan Faverey en Kouwenaar doen denken. Een mindere dichter bezwijkt aan zijn voorbeeld, maar de betere sterkt zich eraan. Toch staan in dit eerste deel enkele gedichten die wat vlak blijven. Zo verwoorden in het gedicht ‘Verslag’ de zinnen braaf de ontvouwde gedachte zonder dat ook maar één zin zich daartegen schrap zet. En zeker in het tweede deel kom ik op genoeg aangestreepte gedichten uit om van een geslaagde bundel te mogen spreken. Overigens ben ik allerminst van mening dat een bundel alleen maar the best of zou moeten bevatten. Van deze bundel kan geen gedicht gemist worden.

    Een mooi en typisch ‘Booggedicht’ uit dit tweede deel vind ik Veel:

    ‘Welaan, weer buiten. Er is veel buiten.
    Ziekbedgeuren hangen aan, vervliegen
    maar langzaam. Ik ben door en door verrot.

     De lucht is geluk, en er is veel van. Veel
    is ook verdwenen, ongemerkt en ?herroepelijk.
    Ik zeg het anders: er is weg. Er is terug.

    Het drukt op de ogen, het zware licht,
    de wind doet rillen, het is een voorrecht,
    een voorrecht zeg ik, om te leven. Wees

    dankbaar, zeggen ze. De verjaardag,
    de verre tante, het cadeau. Wees dankbaar.
    Het kan stuk gaan maar het is nu nog nieuw,

    je hebt het al maar het is nieuw. Mompel van
    schoonheid en van vreugde, zeg: ‘het is te veel.’’

    Aandoenlijk is de onbeholpenheid waarmee de net van een ziekbed verrezen ik zichzelf op de been houdt en de peptalk van derden herkauwt, om dan bijkans te bezwijken onder de attenties van een verre tante. Typerend voor zijn stijl is de afwisseling van over de versregel heenlopende zinnen met korte zinnetjes. Ook het spel van de herhaling van de woorden, die stelling gaan nemen in het gedicht. Een ogenschijnlijk strompelend gedicht, maar erg subtiel opgebouwd. Ook dat zien we veel bij hem.

    De eeuwige strijd die de kunstenaar met de werkelijkheid heeft uit te vechten. Steeds ontglipt er iets, en onderwijl sluipt er ongemerkt iets onvolmaakts naar binnen. Zelfs bij zoiets als ‘een hond aan een ketting op een foto’ kan het nog verkeerd gaan.   Het volgende gedicht handelt over soortgelijk leed:

    Betreffende begin

    ‘Elk begin is een vernietiging.
    Elk perspectief op verre bergen, dalen,
    doodt ze, legt ze vast in weliswaar bevallige
    maar toch onhandige posities.

    Nergens, dat is mooi, nergens dringt zich op
    het onvermijdelijke alternatief.

    Slechts is, maar snel vergeten,
    weg de envelop nog ongeopend, het pakpapier nog intact,
    het kind voordat het leert wat voor hem klaarligt,

    de blik, de trieste blik, het onuitspreekbare
    geluk dat afspat van begin
    als vlokken marmer van een beeld
    meesterwerk of niet.‘

    Een stevig aforisme als inzet. Niets haalt het bij het begin dat nog niet begonnen is, het onbedorven kind dat nog niet door leren is aangedaan.

    Een erg aardig gedicht, tot slot, heet enkel O:

    O, het licht en de ochtend, hand in hand,
    o de vroegte. Iets is weg, iets in mij,
    en ik zie de voorlopigheid van de velden,
    de voorlopigheid en de precisie.

    Onzwaarte neemt bezit, en vliegen
    nee blijven is wat ik doe. De huizen als struiken
    staan verspreid over het land. Alles is natuur.
    Een vroege morgen zoals alle, zoals deze’

    Vanwege de aanhef ‘O’, valt het moeilijk dit niet ironisch te duiden (Boog hanteert hierin ook nog eens prachtig de stijlfiguur van de zelfcorrectie; hij is er een meester in), maar toch is de onderliggende lyriek er niet door verstikt. Het gedicht wint bij die dubbelheid. Een bijzonder geslaagd gedicht. Misschien wel het mooiste. Maar hij kan bij herlezing zomaar zijn koppositie moeten afstaan aan een ander gedicht. Veel is mogelijk in deze bundel. Dank daarvoor.

     

     

  • Een smaakvol maal, opgediend onder het waakzaam oog van een gewetensvolle bedrijfsleider

    Een smaakvol maal, opgediend onder het waakzaam oog van een gewetensvolle bedrijfsleider

    Recensie door: Rein Swart

     

    Tijdens de laatste dag van een Lobster-restaurant, onderdeel van een keten en gelegen aan de oostkust van de Verenigde Staten niet ver van New York, volgen we bedrijfsleider Manny Deleon op de voet; vanaf het moment dat hij in een besneeuwde wereld als eerste met de auto aankomt bij zijn restaurant, in een uithoek van een winkelcentrum dichtbij de snelweg. In zijn auto steekt hij nog een hasjpijpje op, voordat hij het restaurant opent en zijn medewerkers verschijnen.

    ‘Het tijdstip is te vroeg en hij is te oud om stoned te zijn – zeker vijfendertig, een dubbele onderkin, een chocoladebruine huid, een weerbarstige sik en bakkebaarden – of misschien is het de stropdas die uit de toon valt als hij de aansteker boven de stalen kop van het pijpje houdt. Hij zou een effectenmakelaar kunnen zijn, of de verkoopmedewerker van een computerwinkel die koffiepauze houdt, als er niet door zijn opengeritste leren jasje een naamspeldje naar buiten zou piepen: MANNY, met daarboven een gegarneerde kreeft.’

    Vlak daarvoor is aan het vlaggetje, dat aan zijn binnenspiegel hangt, al duidelijk geworden dat Manny van Porto-Ricaanse afkomst is. Daarop duidt ook de abuelita die af en toe in het verhaal opduikt; pas na enige tijd werd mij duidelijk dat daarmee zijn grootmoeder werd bedoeld.

    De sfeer is melancholiek op deze laatste dag, vlak voor de kerst, in het restaurant, dat door het hoofdkantoor van de kaart is gehaald. De weersberichten voorspellen nog meer sneeuw, waardoor het onzeker is of er nog klanten zullen komen en Manny zal straks serveerster Jacquie missen, met wie hij een liefdesverhouding heeft gehad. Zijn gevoelens voor haar zijn veel sterker dan voor de zwangere Deena, met wie hij een lat-relatie heeft en voor wie hij nog een kerstcadeautje moet kopen, dat ware aandacht en liefde moet uitdrukken; in de lunchpauze gaat hij naar het winkelcentrum om iets voor haar te zoeken wat daar in de buurt komt.

    De verbroken relatie met Jacquie houdt Manny erg bezig. Als hij in het magazijn is, denkt hij eraan terug dat zij hem daar wel tien keer heeft gekust en zich tegen hem heeft aangedrukt, onder zijn halfgekscherende protest dat ze betrapt konden worden. ‘Een paar van de meest stoffige conservenblikken moeten daar waarschijnlijk nog getuige van zijn geweest; de cocktailconserven en de babymais.’

    Het keukenpersoneel, de mooie gastvrouw Kendra, de barman en de vrouwen die in de bediening werken worden levensecht geportretteerd. De laatste dag kent een aparte dynamiek met allerlei gevoelens die tot ontlading (kunnen) komen. Manny vraagt zich af hoe loyaal zijn medewerkers nog zijn. Hij houdt alles in de gaten, zoals de flessen met sterke drank die opvallend leeg zijn als hij terugkomt uit het winkelcentrum en de barman vertrokken is.

    De toon is ingehouden, de handelingen worden nauwkeurig beschreven met veel oog voor details. Klanten die moeilijk doen krijgen een kaartje waarop ze hun aanmerkingen kunnen invullen.

    Het verhaal staat in de tegenwoordige tijd, waardoor je je erbij waant; je beweegt je voort in de natte schoenen van de bedrijfsleider die plichtmatig de meest vervelende taken verricht.

    Er spreekt een machteloosheid uit, die wellicht samenhangt met de opdracht in het begin van het boek: ‘Voor mijn broer John en voor iedereen die de ploegendiensten draait waar niemand zin in heeft.’ Het lijkt me een schreeuw om lucht in een rigide arbeidssysteem, waar winst over de ruggen van (buitenlandse) werknemers wordt behaald. De onuitgesproken aanklacht ijlde nog een tijd na in mijn hoofd toen ik na een ontroerend en subtiel einde het boek weglegde. Stewart O’Nan smaakt naar meer.