• Recensie: De aap uit de mouw – Frans de Waal

    Door Machiel Jansen


    Vroeger was het duidelijk. Dieren hadden een instinct en de mens verstand. Mensen waren geen dieren en zeker geen apen. Toen Darwin in de negentiende eeuw met zijn evolutietheorie kwam, was het een schok om te horen dat ‘we van de apen afstammen’. Maar sinds die eerste schok, weten we inmiddels dat er een groot verschil is tussen dier en mens. Dieren staan niet in de file, hebben geen I-pad en gaan niet op vakantie. We kunnen rustig ademhalen. We delen weliswaar 98 procent van ons DNA met chimpansees maar die twee procent is genoeg om ons uniek te maken. En voor wie nog twijfelt: dieren kennen geen empathie, geen cultuur, geen rechtvaardigheidsgevoel. Hun gedrag is voorspelbaar, voorgeprogrammeerd, instinctief. Mensen kennen wel cultuur, hebben medelijden met elkaar, helpen elkaar. De mens is geen dier.

    Wie dat denkt moet maar eens een boek van Frans de Waal lezen. Want wat blijkt? Chimpansees blijken dol op computers en kunnen er soms sneller mee overweg dan mensen. Ze helpen elkaar en plagen elkaar op wel heel herkenbare wijze. Veel dieren, waaronder eksters, herkennen zichzelf in de spiegel. Sommige dieren vertonen gedrag dat aan rouwen doet denken en bij ganzen is aangetoond dat ze meevoelen met hun soortgenoten.

    Dat chimpansees beter zijn op de computer is misschien moeilijk te geloven. De Waal beschrijft in het boek De aap uit de mouw het volgende experiment: de cijfers 1 tot en met 9 verschijnen op een computerscherm. Ze zijn maar een fractie van een seconde te zien. Daarna veranderen de cijfers in witte vierkantjes. Nu moeten deze vierkantjes in de juiste volgorde op het scherm aangetikt worden. Een proefpersoon begint dus met het blokje waar 1 stond en eindigen met het blokje waar 9 stond. En dat zo snel mogelijk. De cijfers zijn zo kort verschenen dat het nog een hele klus is. Hoe goed je ook oefent de chimpansee wint altijd van je.

    Chimpansees kennen ook rechtvaardigheidsgevoel. Leer twee chimps dat ze stukjes komkommer krijgen als ze een muntje teruggeven. Dat hebben ze zo door en ze zijn tevreden met de komkommer. Geef nu één van de twee in plaats van komkommer, druiven en wel zo dat de ander dat ziet. Druiven zijn veel, veel beter dan komkommer. De ander zal boos worden en de komkommer weigeren. Wat eerst prima voedsel was, gooit hij nu verontwaardigd weg.

    Frans de Waal is primatoloog, etholoog en tegenwoordig verbonden als hoogleraar psychologie aan de universiteit van Atlanta. Als wetenschapper heeft hij een uitstekende staat van dienst maar belangrijker is misschien wel het feit dat hij zijn onderzoek toegankelijk weet te maken voor een groot publiek. Dat heeft tot een aantal interessante boeken geleid, waarvan Chimpansee- politiek uit 1982 misschien wel de bekendste is.

    De Waals laatste boek, De aap uit de mouw, bestaat voor het grootste deel uit verzamelde columns die eerder in Psychologie Magazine stonden. De meeste stukjes zijn dan ook erg kort, nauwelijks drie kleine pagina’s. Het boekje maakt daardoor een wel erg luchtige indruk. Het formaat van de column is nu eenmaal te klein om dieper op zaken in te gaan. De stukjes zijn nog wel thematisch gerangschikt om ze samen iets meer te laten spreken maar zijn gewoonweg te kort om werkelijk indruk te maken. Op hun best doen ze verlangen naar meer.

    De Waal schrijft helder, en weet de wetenschap aantrekkelijk te maken zonder dat hij uitleggerig wordt. Heel af en toe is hij iets te joviaal. Een aantal columns is geschreven naar aanleiding van actuele gebeurtenissen en heel soms levert dat een wat gezochte vergelijking tussen mens en dier op. Zo wordt bijvoorbeeld de verkiezingscampagne van Hillary Clinton aangegrepen om iets te vertellen over alphavrouwen in de apenwereld. Alphavrouwen zijn de belangrijkste vrouwen in een groep, maar je kunt je afvragen of groepsgedrag wel te vergelijken is met een presidentscampagne. Bij apen is de alphaman het grootste, sterkste dier. Vergelijk die situatie met bijvoorbeeld de Nederlandse politiek en je begrijpt niet hoe Jan Peter Balkenende ooit alphaman van Nederland is geworden. De vergelijking tussen een vrouwelijke presidentskandidaat en een alphavrouw is dan ook een beetje flauw.

    De aap uit de mouw bevat vooral veel aardige, interessante, wetenschappelijke experimenten en anekdotes. Ik noem er nog een paar. De meeste dieren raken flink in de war als ze in een spiegel kijken. Ze zien in hun spiegelbeeld een ander. Eksters niet, die herkennen zichzelf in de spiegel. Een enkele nieuwsgierige olifant wil wel eens weten hoe zo’n spiegel werkt en wil er zelfs achter kijken.

    Wie meer diepgang wil, zal één van de Waals ‘echte’ boeken, zoals Een tijd voor empathie uit 2009 moeten lezen. Dan zal ook opvallen dat de Waal herhaaldelijk onderwerpen in de columns laat terug komen die hij in zijn boeken meer heeft uitgewerkt. Je zou De aap uit de mouw dan ook kunnen zien als een korte, en vooral lichte introductie tot zijn werk.

    Niet alle stukjes in dit boekje zijn columns. Eén stuk wijkt af van de rest en vraagt behoorlijk wat meer van de lezer. Turen in de glazen bol van de natuur, twaalf kleine bladzijden lang, is een sterk essay over de relatie tussen cultuur en natuur. De Waal betoogt eerst dat de invloed van cultuur op het menselijk handelen, gedurende de eeuwen flink is overschat. We kunnen denken dat we onze natuurlijke oorsprong ontgroeid zijn, maar we houden ons zelf voor de gek. De Waal laat zien hoe moeilijk het is om onze eigen natuur onder ogen te zien. Elke keer als we het proberen, spelen culturele vooroordelen ons parten. Zo zijn wij in het Westen geneigd te denken dat een mens een ‘hoger’ schepsel is dan een dier, en voelen we ons ongemakkelijk als we met apen vergeleken worden. Die vooroordelen zitten erg diep, betoogt de Waal. Als wij het over onze natuurlijke eigenschappen hebben, denken we snel aan agressie en seksuele driften. Rechtvaardigheid, empathie en cultuur beschouwen we als puur menselijke waarden die ons ‘boven’ de natuur stellen. Onterecht, zo blijkt steeds meer. De Waal doet een poging ons te laten beseffen dat we een cultureel gekleurde bril op hebben als we naar de natuur kijken en dat het bijna onmogelijk is die af te zetten.

    Alsof we door dit sterke essay nog niet genoeg met de neus op de feiten zijn gedrukt, eindigt het boekje met een column waarin mens en aap griezelig dichtbij elkaar komen. Op grond van DNA-onderzoek wordt tegenwoordig door specialisten gesuggereerd dat er in het verre verleden genetische vermenging van de twee soorten heeft plaatsgevonden tussen chimpansee en mens. Seks dus. De boodschap is duidelijk. We zijn meer aap dan we zelf willen zien.

    De aap uit de mouw

    Auteur: Frans de Waal
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 18,95

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Welgedaan in de verbeelding, afgedaan in de werkelijkheid

    Op de achterflap van de zesde roman van Thomése staat het heel simpel: ‘Man redt meisje van de dood en besluit haar voor zichzelf te houden. Een liefdesroman.’ Ja ja, maar wie de roman besluit te lezen zal spoedig merken: de enige die werkelijk gelooft dat dit een liefdesroman is, is de hoofdpersoon zelf. De verteller ziet deze hoofdpersoon namelijk heel anders dan hoe hij zichzelf ziet. En helaas voor de hoofdpersoon is hij in een boek beland waarin de verteller nog de macht heeft over zijn personages. De eerste regels zetten wat dat betreft al meteen de toon: ‘De man over wie dit boek gaat is na lange omzwervingen teruggekeerd in de provinciehoofdstad H***. Hij wil opnieuw beginnen, maar dat gaat niet meer. Als een vreemde doolt hij door de straten, de miskende zoon van hier, en de straten kijken niet terug. De tijd is er stil blijven staan, maar duidelijk niet om op hem te wachten.’ De man in kwestie blijkt een componist te zijn, ene Sierk Wolffensberger ‘want zo heeft hij zich genoemd.’ ‘Theo Kiers heette hij vroeger, voordat hij zich om artistieke redenen Sierk Wolffensberger is gaan noemen, wat toch heel wat beter klinkt. Sommigen worden onder hun ware naam geboren, anderen moeten hem eerst zelf zien te vinden.’ Met deze man, ‘onze allerlaatste romanticus’ zal de lezer het de rest van het boek moeten uithouden, want behoudens enkele uitweidingen die de alwetende verteller zich permitteert, beleeft de lezer het verhaal hoofdzakelijk door de ogen van dit miskende genie. ‘Niets is de mens en niets zal uit hem worden. Alleen onze held zelf ontkomt, dunkt hem. (…) Op een dag zal zijn ware gedaante aan de mensheid onthuld gaan worden. Dat weet hij. Daar gelooft hij in.’ Mooi is hoe het perspectief van de verteller haast ongemerkt in een enkele zin overgaat in dat van de hoofdpersoon, waardoor er een fijne ironische distantie in het verhaal ontstaat, dat zich vlot laat weg lezen. En dat zich in grote lijnen ? zoveel zijlijnen zitten er overigens niet in ? als volgt laat schetsen: Sierk Wolffensberger, een in de werkelijkheid sterk gefrustreerde en gemankeerde componist van vijftig die het des temeer van zijn verbeelding moet hebben, heeft speciaal voor Goede Vrijdag, een meerstemmig muziekstuk Duisternissen gecomponeerd. Op de dag voorafgaand aan de uitvoering stuit hij in de kerk waar hij zijn repetities houdt, bij toeval op het lichaam van een meisje van twintig dat daar voor dood ligt na een mislukte zelfmoordpoging. Ze blijkt echter nog in leven, en Beertje Wehry te heten. Dochter van een andere componist, jegens wie Sierk Wolffensberger redenen heeft afgunstig te zijn, al was het maar omdat deze meer erkenning geniet dan hijzelf. Sierk ontfermt zich maar al te graag over haar, omdat hij in haar een nieuwe kans, een nieuwe doorstart van zijn leven ziet. Hij eigent zich het meisje toe als zijn eigen creatie. Zij reageert er wat onwennig op, laat het zich allemaal wat aanleunen. Duidelijk is dat Sierk hoog inzet, en zich van alles in zijn kop haalt. Hij maakt zich van alles wijs, omdat hij meent dat zijn verbeelding het vetorecht heeft over de werkelijkheid. Hij gaat weliswaar met haar naar het ziekenhuis, maar meldt niet aan haar ouders of bekenden dat ze terecht is. Ergens halverwege het verhaal (dat uit drie, qua omvang, ongelijke delen bestaat), komen enige tegenstemmen aan bod: zoals de moeder van Beertje, haar vader en de vrouw van Sierk. De lezer komt via deze perspectieven aan de weet hoe de vork in de steel zit. Geen overbodige luxe in een verhaal dat de lezer bijna exclusief krijgt voorgeschoteld door de blik van iemand die sterk bezijden de werkelijkheid leeft. Beertje blijkt inmiddels als vermist opgegeven. Ze repeteerde nota bene bij Sierk in het koor (zonder dat Sierk haar daarvan in eerste instantie herkende overigens) Ze blijkt kortstondig iets met Sierks zoon gehad te hebben. Haar zelfmoordpoging valt dan ook te relateren aan de afgewezen liefde van diens zoon. Maar dat beeld kan vader Sierk niet verdragen. Zijn zoon is immers een talentloze, door puberhormonen geleefde nietsnut. Hij kan en wil de dingen niet anders zien dan hoe zijn verbeelding ze schept. Hij meent dat ‘zijn’ Beertje juist graag door hem gevonden en gered wilde worden. En zoals het een door zijn fantasie gegijzelde man betaamt, sluit hij zich steeds verder af van de realiteit. Tot er geen terugweg meer mogelijk is en hij schaakmat komt te staan. Het is een ongeschreven wet om in een recensie de afloop niet te verklappen, en ik ben ook niet van zins die wet met voeten te treden. Wel wil ik graag kwijt dat de allerlaatste romanticus zal ondervinden dat de relatie tussen zijn fantasie en de boze buitenwereld geen wederkerige is.

    De stijl in deze roman houdt de vaart erin, maar het verhaal zelf kruipt als een slak door het boek. Want in de 349 pagina’s die het telt, verglijden slechts twee dagen. En aan echte flashbacks wordt niet gedaan (dat komt de vlotte, recht-toe-recht-aan stijl van dit boek overigens zeer ten goede). Dat dit boek ondanks het magere verhaal zich toch als een pageturner kan gedragen, is geheel toe te schrijven aan de stijl van Thomése. Die is gewoon goed getroffen. Je blijft als lezer geboeid naar…ja, naar wat? Of Beertje zich toch aan hem zal geven? Hoe het afloopt? Tja, misschien uiteindelijk toch wel. En dankzij de ironie valt er onderweg het nodige te lachen. Wat bijvoorbeeld te denken van de passage die volgt op de vraag van de zojuist ‘geredde’ Beertje naar wie haar redder eigenlijk is? ‘Ik ben je redder, meisje, ik ben degene die je opvangt wanneer je valt. Ik ben degene die je troost als je het zelf niet meer weet. Ik ben het die je opraapt en weer op weg helpt, naast je loopt en je zorgen voor je draagt. Ik ben de man op de rand van het bed als het licht uitgaat. Ja, zulke dingen wil hij zeggen (…) maar dat gaat nu eenmaal niet (…) “Ja, we zullen ons maar even aan elkaar voorstellen, niet?” Meteen noemt hij zijn naam. Ze knikt, wat hem het gevoel geeft dat ‘Sierk Wolffensberger’ ook onder de jeugd een begrip is. “Zeg maar jij tegen me”, zegt hij erachteraan.’
    Mooie one-liners tref je ook aan: ‘In principe is hij een man die de waarheid dient, in de leugen blijft hij een beunhaas die er niets te zoeken heeft.’ Een boek dat het voornamelijk van zijn stijl moet hebben, verdient het ruimhartig geciteerd te worden. Daarom volgen hier wat langere passages. Aangekomen in een chique wijk van H*** , lezen we: ‘De eigenaren, of pachters of wat hun status ook moge zijn, zijn een familie die De Graaf of De Greef heet of zo ? een onaanzienlijke naam in elk geval die geheel niet voldoet aan de omgeving. Het zijn luidruchtige vertegenwoordigers van de ‘nieuwe elite’, zelfbedachte barbaren met grote glimmende auto’s, die van de toekomst houden omdat die net zo leeg is als zijzelf. Mensen die hij niet begrijpt ? liever niet! ? en die hem niet begrijpen. Hoe zouden ze? Muziek is een taal die zij niet spreken. Gelukkig zijn ze meer dan de helft van het jaar ‘voor zaken in het buitenland’. Verder heeft hij met deze mensen god zij geloofd niks te maken.’

    De boeken van Thomése zijn van lieverlee garant gaan staan voor een vette lach. Maar wat dat aangaat is dit boek subtieler dan zijn voorganger J. Kessel: The Novel. De romantische held is bijvoorbeeld allerminst een schuinsmarcheerder die op zoek is naar zijn Lolitameisje. Sierk is niet geslepen, noch is hij aandoenlijk vanwege zijn praktische onhandigheid. Op echt medeleven heb ik mij niet kunnen betrappen ? daarvoor staat de eigendunk van de hoofdpersoon te veel in de weg, al krijg je in de volgende passage wel met hem te doen. Als hij zich prepareert voor hun eerste nacht samen en Beertje intussen onder de douche staat, lezen we: ‘Hij ruikt zijn eigen zweet, hij voelt het plakken in spleten en plooien. Altijd weer die walging om het eigene, constateert hij. Komt hij daar dan nooit vanaf? Dat overbewustzijn van eigen imperfectie dat hem op het gevraagde moment verhindert zich te geven. Zijn leven lang zit hij al gevangen in zijn eigen onvoltooidheid, met uitzicht op een heden dat onbereikbaar voor hem blijft. Hij hoopt dat zij een oplossing voor hem heeft, betoverend uit de damp oprijst en alles vanzelfsprekend maakt. Nu hij te ver is gegaan, hoopt hij met heel zijn hart dat hij gered gaat worden, dat zij de waargebeurde droom is waarin zijn leven eindelijk werkelijk plaats kan vinden. Hoe dat in zijn werk zal gaan: geen idee. Moet hij zich alvast gaan uitkleden bijvoorbeeld? Alles plakt en knelt en zit hem in de weg. Hij liefst zou hij niet alleen zijn kleren uittrekken, maar ook zijn huid, het liefst zou hij, licht als zijn ziel, uit dat kleine, zware lichaam stappen. Om een begin te maken ontdoet hij zich alvast van zijn jas en knoopt hij zijn schoenen los. Ruikt de bedompte lucht die eruit opstijgt.
    Roept ze hem? Hij verstond het niet. “Riep je?” vraagt hij. Ze hoort hem niet in het klaterende watergeraas. Daarom staat hij op en loopt naar de douchecel. “Riep je me?” Ze draait de kranen dicht. “Handdoek” zegt ze, alsof het een ritueel betreft dat ze al jaren samen opvoeren, de komedie van intimiteiten die elk huwelijk is. Maar zij kennen elkaar pas een dag. Of ligt het aan hem? Wordt dit een armzalige huwelijksimitatie, enkel en alleen omdat hij niet anders kent?
    Als hij de grote ruwe badhanddoek galant voor haar wil openspreiden, plukt ze hem uit zijn handen. En voordat hij ook maar iets van haar naaktheid heeft kunnen ervaren, klapt ze de beslagen schuifdeur weer dicht. “En ook nog graag een kleine voor mijn haren.”
    Als hij klaar is met douchen, ligt zij al onder het dekbed. Ze slaapt. Of ze doet alsof ze slaapt. Nu durft hij wel, nu durft hij wel bij haar te gaan liggen, tegen haar aan te liggen wanneer het bed niet breed genoeg blijkt te zijn. Ze mag alleen zijn opwinding niet opmerken, houdt hij zich voor. Hij is haar redder, niet haar belager. Hij is geen chauffeur, geen Poolse proleet die ter plekke toeslaat. Daar is hij veel te gevoelig voor. Een laatste overlevende uit de Romantische School, zo ziet hij zich graag. Een man van vormen, van verschijningsvormen om precies te zijn. Een transcendente persoonlijkheid die pas zichtbaar wordt wanneer hij de banale werkelijkheid heeft overstegen.’

    Als Beertje eerder op de avond een tijdje alleen is gelaten, omdat Sierk acte de présence moest geven bij de repetitie van zijn eigen stuk in H***, heeft ze blijkbaar sigaretten gebietst. Hij leest een Pools merk op het pakje sigaretten. Het fijne ervan krijgt hij niet te weten. Beertje is niet zo’n prater. ‘Hij denkt aan het pakje Opal, hij kijkt weer naar haar billen. Er bekruipt hem een raar verdriet om de onbereikbaarheid van alles. Wat heeft hij al die jaren gedáán in zijn leven? Vastgezeten in een droom, een luchtbel die boven de dingen zweefde. En nu weet hij niet meer hoe hij erin moet komen, hoe hij het geluk moet grijpen. In plaats daarvan gaapt er in hem een gemis. Wat hij mist, is zichzelf, hij is zelf de grote afwezige in deze situatie. De enigen die handelend optreden, zijn Poolse vrachtwagenchauffeurs die gotweetwat hebben uitgehaald met Beertje. Kusje voor een sigaret, effe voelen, isse goed? Beertje, denkt hij, verdomme Beertje, wat is er gebeurd?’
    Zo ontvouwt zich de roman: alles meebelevend door de ogen van de hoofdpersoon.

    Zo’n dertig pagina’s voor het einde treedt de alwetende verteller, die het verhaal slechts op de eerste pagina’s op gang hielp (en soms even in een tussenzinnetje liet weten dat hij er was: ‘Raar dat binnen een dag zoveel kan veranderen, maar dat denkt hij niet’), opeens weer uit de coulissen. Als Sierk Wolffensberger slaapt, grijpt de verteller namelijk zijn kans om even het woord tot de lezer te richten. Op een subtiele manier, die knipoogt naar wat Thomas Mann met Hans Castrop in Der Zauberberg deed. ‘Nu hij slaapt, kunnen we het even over hem hebben. Als we de balans opmaken, zouden we zo langzamerhand mededogen met hem dienen te voelen, al kunnen we hem eerlijk gezegd moeilijk volgen. (…) Ach het is een dunne scheidslijn tussen meelijwekkend en lachwekkend. Laat hem nog maar even slapen, de arme ziel. Hij heeft het nodig.’

    Welke vorm van kritiek zou gepast zijn op dit boek? Terugbladerend in mijn exemplaar zie ik de meeste potloodstreepjes die ik bij mooie, treffende passages pleeg te zetten, voornamelijk in het eerste deel geplaatst. Dat kan erop wijzen, dat je als lezer wat verzadigd begint te raken van die redeneertrant van onze allerlaatste romanticus. Het verhaaltje is te mager om op iedere pagina een nieuwe gedachte bij hem tevoorschijn te toveren. Vandaar dat de lezer nog wel eens op een herhaling van zetten wordt getrakteerd. Weliswaar onvermijdelijk voor een personage dat in zijn eigen belevingswereld rondtolt, maar de lezer loopt de kans het op gegeven moment wel te gaan geloven. Wat dat betreft is het goed dat het boek nog een ontknoping kent waar je U tegen zegt. Eentje die verantwoord is. En die hard aankomt. Maar wel recht doet aan het hele boek. Dus toch een mooi boek? Jazeker, een heel mooi boek! Want het is geen geringe prestatie van Thomése om een stem zo overtuigend een boek lang vol te houden. Daarvoor moet je een groot stilist zijn.

    De weldoener

    Auteur: P.F. Thomése
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 19,90

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    In het Haydn-jaar 2009 liet Dimitri Verhulst zich op verzoek van het Ensor Strijkkwartet inspireren door Die sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze van Joseph Haydn. De wens van het strijkkwartet was om deze muziek eens ontkoppeld te zien van het religieuze gegeven, en de zeven laatste zinnen die Christus aan het kruis sprak te benaderen vanuit de realiteit van alledag anno nu. Wie het werk van Verhulst ook maar enigszins kent, weet dat de aardse realiteit bij hem geborgen is.

    De zeven korte verhaaltjes zijn gebaseerd op de volgende zinnen:

    1. Vader, vergeef hen, want ze weten niet wat zij doen
    2. Voorwaar ik zeg u: heden nog zult gij bij me zijn in ’t paradijs
    3. Vrouw, ziedaar uw zoon
    4. Mijn god, mijn god waarom hebt gij mij verlaten?
    5. Ik heb dorst
    6. Het is volbracht!
    7. Vader, in uw handen beveel ik mijn geest

    Men ziet, zelfs bij de naam god kon er nog geen hoofdletter af. En ook in de verhalen is de religieuze context geheel weggepoetst. Maar het lijden is er niet minder om!
    Van een man die er maar niet in slaagt, of beter gezegd: niet van zins is ooit de lustmoordenaars van zijn dochtertje te vergeven, tot aan de vrouw die op weg is naar het ziekenhuis om haar kunstmatig in leven gehouden man uit zijn lijden te verlossen.

    Het zijn al met al onvervalste Verhulst-verhaaltjes geworden: plastische, soevereine stijl, scherp en niets ontziend, met (impliciete) humor gekruid, en hier en daar naar aforismen hakend: (‘Weltschmerz is niets voor ouderen, die hebben al schmerzen genoeg van zichzelf’). En waarbij de Nederlandse lezer soms op wat Vlaams taaleigen kan stuiten. (‘Martha panikeert even’, ‘Het overtrok. Het zou gaan regenen’, of: ‘Rotte tanden liet men, voor ze uit een mond getrokken werden, inslapen’. Een Vlaming leest bij dit laatste citaat mogelijk een normale zin, maar een Nederlander fronst er zijn wenkbrauwen bij.) Ook zijn er wat bekende Verhulst-ingrediënten de verhalen binnengesmokkeld: zo is de ruwe, onbehouwen, zich bij voorkeur met het sportkatern op het toilet ophoudende vader met losse handjes present en de uitzichtloze asielzoekersproblematiek die we kennen uit Hotel Problemski komt ook om de hoek kijken.

    Van de zeven verhalen vond ik er twee echt uitspringen. Toevallig spelen die beide zich af in het ziekenhuis. De ene heet ‘Ik heb dorst’. Hierin komt een oudere man zijn vrouw na een zware operatie voor het eerst opzoeken in het ziekenhuis. Het verhaal zet mooi in: ‘Langer kon een gang niet zijn. Kouder evenmin. En aan het eind van die gang, een voor receptioniste spelende verpleegster. Of een voor verpleegster spelende receptioniste, dat kon ook.
    Ze sprak stil zoals sportverslaggevers menen dat tijdens tenniswedstrijden te moeten doen, maar je voelde dat het haar moeite kostte, dat haar stembanden eerder geschikt waren om kinderen te berispen en ter tafel te kelen, om tuinfeesten met roddels te overschreeuwen. Een stem waarmee reeds vele onderdrukte echtgenoten de levieten werd gelezen. Een stem kortom, voor als viswijf gereïncarneerde eenden.’ Men proeft het plezier waarmee de auteur deze zinnen heeft opgeschreven. Het sarcasme ervan niet minder.
    Uitgerekend op de welwillendheid van zo’n kenau is de arme man aangewezen om zijn op de Intensive Care bewaakte vrouw met kanker te bezoeken. Hij krijgt van het viswijf 15 minuten tijd om aan haar bed te mogen staan. Het aanzicht van zijn zieke vrouw valt hem niet mee. ‘Niet wenen, dacht hij, niet wenen…als ze ziet dat ik ween zal ze geloven dat ze opgegeven is.
    Hij stak dan maar zijn duim de lucht in, de slechte toneelspeler.’ Het enige echter dat zijn vrouw kan opbrengen te zeggen is de zin: ‘ik heb dorst!’ De man is echter bevolen zijn vrouw niet te laten drinken want dat zou ‘complicaties’ kunnen geven, maar hij kan het echter niet over zijn hart verkrijgen zijn vrouw in deze situatie ook nog eens dorst te zien lijden. ‘Als zij vandaag nog sterft, dan godzijdank niet van de dorst’. Het is een hartverscheurend verhaal geworden. Dat dagelijks voor vele mensen werkelijkheid moet zijn.
    In dit verhaal toont Verhulst dat hij het ook klein, ingetogen kan houden. Een heel enkele keer wil hij zich nog wel eens verliezen in stilistische spielerei. In een passage uit een ander verhaal leest men bijvoorbeeld (volgend op het zinnetje ‘Zegt men’.): ‘Er is veel gezegd de laatste jaren. En veel zal er nog gezwegen worden in de komende.’ Op het randje vind ik dat van de kitsch. Of een zin als: ‘Het is niet voor het eerst, en zeer zeker zal het evenmin voor het laatst zijn (…)’. Verkeerd is het niet, maar het schuurt aan tegen de mooischrijverij. En wat te denken van het filosofisch getinte intermezzo: ‘In het leven is men twee keer oud. De eerste keer is men twintig en roept men de hulp in van de zee. De tweede keer is er geen hulp van doen, doet elke vezel van het lichaam mee en is er geen sprake van tristesse meer, doch des te zeer van triestigheid.’ Tja. Maar storen doen ze niet echt, want deze teksten hebben zoveel dramatische kracht en de stijl zuigt je zozeer mee het verhaal in, dat je wel een kniesoor moet zijn om te letten op dergelijke minuscule minpuntjes. Wanneer ik zeg dat alle verhalen sterk dramatisch zijn, moet ik een uitzondering maken voor het verhaal Het is volbracht!. Het is bijna geheel opgebouwd uit zinnetjes die met ‘ik’ beginnen, waarin de ik-persoon in chronologische volgorde zijn levensloop schetst. Daar zitten ook komische tussen als: ‘Ik kocht mijn eerste neushaarschaar.’ Maar de opeenvolging van dergelijke zinnen maakt dat de tragiek – er is tussen de regels door namelijk ook nog sprake van een geliefde die de ik ontvalt ? je ontgaat. Dit verhaal is te frivool getoonzet voor deze reeks.

    Het tweede verhaal dat mij echt diep raakte, is het allerlaatste verhaal, Vader, in uw handen beveel ik mijn geest. Een werkelijk ijzersterk verhaal, omdat Verhulst er hierin slaagt de ongelofelijke dramatiek te laten schragen door iets triviaals als een mop, waardoor je je als lezer niet anders dan gewonnen kunt geven. Verdomd, zo zit echte tragiek in elkaar! In dit juweeltje van een verhaal beseft een vrouw dat ze de laatste momenten aan het meemaken is van een wereld waarin ook haar man nog in leven is. Zij het in vegetatieve toestand. Tijdens de taxirit die haar naar het ziekenhuis zal brengen, alwaar ze zal handelen conform de jaren geleden ondertekende wilsverklaring van haar man – en dus de stekker eruit zal trekken -, denkt ze terug aan markante momenten uit hun jarenlange samenzijn. Zo ook die middag waarop ze haar echtgenoot voor het eerst de ‘mop van de homofiele olifant’ hoorde vertellen. Ze heeft hem die mop later vele malen horen vertellen, telkens in een iets andere variant en ze realiseert zich: ‘straks verliest de mop van de homofiele olifant zijn beste verteller.’ Ze probeert zich de wereld zonder haar man in te denken. Een traan rolt over haar wang. De taxichauffeur ziet het, wil niet onbeleefd overkomen, maar vraagt niettemin toch naar het waarom van de traan. Maar…het antwoord van de vrouw verklap ik niet. Dit verhaal verdient het namelijk helemaal gelezen te worden. Dit is waarlijk groots!

    Het boek is eigenlijk lees- en luisterboek ineen. Dat het ondanks de geringe omvang van de verhaaltjes niet al te dun is uitgevallen, komt omdat het naast de zeven korte verhalen, ook het notenschrift bevat van Haydns compositie die uit 9 delen bestaat (vooraf aan de zeven sonates gaat namelijk een Introduzione en tot besluit volgt Il terremoto). De voor- en achterflap bergen 2 cd’s: eentje waarop Verhulst zijn zeven verhalen voordraagt en eentje waarop het Ensor Strijkkwartet te beluisteren is. Ben benieuwd of dit boek van Verhulst de aandacht zal krijgen die het verdient. Zijn pamflettistische roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol kreeg die wel. Was daar zelf niet zo van onder de indruk, omdat ik het niet zo heb op die vet aangezette stijl, die alles onontkoombaar meesleurt naar het afvoerputje van het leven. Er restte de lezer zo weinig speelruimte voor zijn eigen verbeelding. De verhalen uit De Zeven Laatste Zinnen zijn beeldender en de woorden laten je meeproeven van de schoonheid van zijn stijl.
    Wat let intussen een omroep als het Humanistisch Verbond of de IKON deze zeven eigentijdse varianten van het eeuwenoude menselijk tekort als televisiestukken te verfilmen?

    De zeven laatste zinnen

    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitvoering door: Het Ensor Strijkkwartet
    Verschenen bij : Uitgeverij Contact
    Prijs: € 24,95, inclusief 2 cd’s

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Welke laatste liefde?

    Martine Withofs is begin dertig, als zij met haar nieuwe man Wannes en haar zoon Jimmy uit haar eerste huwelijk een reisje met de bus naar het Zwarte Woud maakt. Wannes heeft haar verrast met zijn voorstel, en Martine weet van gelukzaligheid en onervarenheid niet, wat ze allemaal moet doen om de reis tot een succes te maken. Er gaan drie grote koffers mee en omdat ze bang is iets te vergeten gaat er van ieder voorwerp een reserve-exemplaar in de koffer. Ze controleert alle deuren en ramen en gaspitten honderd keer en presteert het toch om eenmaal onderweg naar de verzamelplaats, terug te gaan naar huis omdat ze nog iets is vergeten. Bijna missen ze de bus. De buschauffeur zal de hele reis steeds vermelden, dat zij 20 minuten te laat waren.

    Ze willen zich graag aansluiten bij de medereizigers, nieuwe vrienden maken en doen daarvoor dingen die ze thuis niet zouden doen, parfum kopen, alcohol drinken, vette worstjes kopen, terwijl er belegde boterhammen in de koffers zitten. De reisgenoten hebben cassettebandjes met Duitse schlagers, men zingt enthousiast mee. De buschauffeur verrast zijn passagiers met een bezoek aan een van de eerste Mc Donalds, op dat moment, midden jaren ’80 een geweldige ervaring, waar later thuis op het werk trots over verteld zal gaan worden.

    Jimmy weet niet, of hij blij moet zijn met het reisje. Enerzijds is het natuurlijk wel leuk om op school te kunnen vertellen. Anderzijds, wanneer Wannes voorstelt, dat Jimmy hem tijdens de reis maar ‘papa’ moet noemen, wordt hij zo kwaad, dat hij besluit niet tegen hem te praten. Hij kan alleen maar nijdig naar zijn moeder en zijn stiefvader kijken.

    In de bus zit ook een jong meisje, Heloïse, dat samen met haar grootvader reist. Na de eerste kennismaking trekken ze regelmatig samen op, en zij merkt op een gegeven moment op, dat hij later maar filosoof moet worden. Wat hij ook gaat doen.

    Dat literatuur, dat romans je een andere blik op de werkelijkheid kunnen tonen, laat Dimitri Verhulst in zijn nieuwste boek zien. Tijdens het lezen denk je soms: wat heeft dat jochie al snel een bloedhekel aan zijn ? naïeve, maar goedwillende ? stiefvader, waarom gunt hij zijn moeder niet een beetje nieuw geluk na haar dramatische eerste huwelijk, zo’n lieverdje was zijn vader immers niet? Hoe krijgt hij het allemaal verzonnen.

    Totdat blijkt, uit verschillende interviews op de radio en in kranten, dat het verhaal is gebaseerd op zijn eigen leven. Dat plaatste het boek voor mij in een ander perspectief. Wat ik als fictie nog redelijk komisch en hier en daar hilarisch vond, komt nu meer over als een boosaardige afrekening met een moeder en een vriend, die geen inzicht hadden in de onzekerheden van de puber Jimmy. Twee mensen, die eigenlijk nog zo jong waren, dat ze zelf amper snapten, wat hen overkwam.

    In het boek is Jimmy voortdurend boos, als dan ook nog blijkt dat zijn moeder zwanger is, stikt hij bijna van woede, zijn moeder kiest niet voor hem.

    Verwijst de schrijver in zijn titel naar de laatste liefde van Jimmy’s moeder voor hem tijdens dit reisje (hij gaat later bij zijn vader wonen), of betreft het de liefde voor haar tweede man?

    Aan het eind van het boek, zeventig jaar later, verwacht Jimmy zijn halfbroer, die hij nooit heeft ontmoet. Jimmy is intussen een gerenommeerd filosoof met een particulier verzorgster. Hij laat haar een dure fles wijn uit de kelder halen. Hoe het gesprek tussen die twee mannen zal verlopen, is wellicht stof voor het volgende boek van Dimitri Verhulst.

    De laatste liefde van mijn moeder

    Auteur: Dimitri Verhulst
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 19,95

  • Moeilijk om je in het dilemma van de schrijfster te verplaatsen

    Moeilijk om je in het dilemma van de schrijfster te verplaatsen

    Recensie door Machiel  Jansen 

    Een vraag die niet beantwoord kan worden moet je niet stellen. De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijfster Antjie Krog (1952) stelt zich zulke vragen wel. Zij stelt zich de vraag ‘ Hoe is het om zwart te zijn?’ in haar nieuwe boek Niets liever dan zwart.
    Misschien is het goed beschouwd geen vraag die Krog zichzelf stelt. Misschien is het een uitroep van wanhoop, of een trieste constatering dat belangeloos medeleven niet mogelijk is. Misschien is het een uitdrukking van twijfel over een samenleving die verbonden zou moeten zijn maar het niet is. Misschien is het een roep van machteloosheid van een voormalig strijdster tegen apartheid. Hoe dan ook, Krog maakt het ons en zichzelf niet makkelijk in Niets liever dan zwart.

    Eerder schreef ze twee andere non-fictie boeken over de veranderingen in Zuid Afrika, De kleur van je hart (1998) en Een andere tongval (2003). Niets liever dan zwart kan als het slot van een trilogie beschouwd worden.

    Het boek opent met een beschrijving van een moord op een zwarte bendeleider waarbij Krog zonder het te weten en te willen, betrokken wordt. Het is dan 1992, Mandela is vrij maar het apartheidsregime van de Klerk is nog aan de macht. De terreur neemt eerder toe dan af. Vlak na de moord staan de moordenaars bij Krog op de stoep. Zij kent één van hen als activist van het ANC en brengt de mannen op verzoek met haar auto even weg. Ook wordt haar gevraagd of ze een bebloed t-shirt kan vernietigen. Pas later hoort ze van de moord en beseft ze waar ze in betrokken is geraakt. De politie is haar vrijwel onmiddellijk op het spoor.

    Voor Krog begint hier een reusachtig moreel dilemma. Zij is een fervent strijdster tegen apartheid en sympathiseert actief met het ANC. Maar de moord heeft alle kenmerken van een criminele afrekening en lijkt niets met een politieke strijd te maken te hebben. Naar de politie gaan is een vreselijke optie. Het betekent ANC kameraden verraden aan de terreur van het apartheidsregime. Toch kiest ze er uiteindelijk voor om in de rechtbank te getuigen en de waarheid te spreken. Het voorval leidt tot een schuldgevoel waar het hele boek omheen geschreven lijkt. Terugkijkend schrijft ze ‘Ik koos intuïtief de veiligheid van de politie van de Afrikaner regering. In het meest moreel geladen moment van mijn leven koos ik Afrikaners, én – en misschien is dat wel het ergst – versluierde dat met morele en juridische taal.’

    Als het erop aankomt kiest de blanke Antjie Krogt voor het Afrikaner gezag. Dat harde oordeel velt ze over zichzelf als later blijkt dat de moord wel degelijk een politieke component had. Tijdens de verhoren van de Verzoenings- en Waarheidscommissie blijkt dat de geheime dienst zwarte criminele bendes aanmoedigde gewelddadig te worden om zo het ANC te verzwakken.

    Voor Krog lijkt de moord, die ze al eerder verwerkte in de novelle Relaas van een moord, te leiden tot wat ik een existentïele crisis zou willen noemen. Ze begint een zoektocht naar de idenditeit van haar land en doet een ultieme poging dichterbij de zwarte waarden van het nieuwe Zuid Afrika te komen. Begging to be black heet de oorspronkelijke, Engelse titel en de wanhoop die daaruit spreekt is tekenend voor het persoonlijk karakter van het moreel dilemma waar Krog mee worstelt.

    De beschrijving van de moord en de nasleep daarvan wisselt Krog af met hoofdstukken over de geschiedenis van koning Moshoeshoe (1786-1870), dagboekaantekeningen en brieven vanuit Berlijn en gesprekken met de Australische filosoof Paul Patton. Die laatste zijn zonder meer het vervelendst en maken het boek onnodig ontoegankelijk. Patton is duidelijk het type filosoof dat orakeltaal uitslaat, waarbij de toehoorder wanhopig houvast zoekt door een interpretatie te kiezen die de vage woorden terugbrengen tot iets wat lijkt op dat wat men wil horen. Om een voorbeeld te geven: ‘Niet vlucht als in vluchten dus, maar vlucht als vertrek in een bepaalde richting. Door jezelf te transformeren. Door jezelf te transformeren, beweeg je je uit een vastomlijnde, bekende identiteit.’

    Krog stelt zich tegenover de filosoof op als een patiënt bij een therapeut. Zij worstelt met een probleem en wil van hem een oplossing horen. Als hij orakelt ‘het doel van goed schrijven is het leven mee te voeren naar de toestand van onpersoonlijke macht’ pent zij dat neer alsof het een teken betreft dat haar de juiste weg zal wijzen. In een later gesprek klaagt ze dat ze zich niet kan indenken hoe het is om zwart te zijn. Ze zegt: ‘deels ben ik hartstikke bang dat dat een indicatie is dat er ergens toch een restje smeulend racisme in mij zit, een onwillekeurige reflex. Dat ik me niet kan indenken wat het is om zwart te zijn, omdat ik eigenlijk een afkeer heb van zwart.’

    Op zo’n moment doet Krog denken aan een moeder die zoveel van haar kind houdt dat ze bang wordt van de dwanggedachte dat ze het kind iets aan kan doen. Haar intellectuele zoektocht lijkt dan een afleidingsmanoeuvre om een diep persoonlijke crisis te maskeren. Dat is jammer want Krog verdient zoveel meer. Op haar schrijfstijl is niets aan te merken en haar oprechtheid en intelligentie leiden vaak tot mooie observaties. De meeste daarvan zijn te vinden in de hoofdstukken die gaan over koning Moshoeshoe. Krog beschrijft hem als een 19e eeuwse Mandela, een wijs man, die geweld en oorlog uit de weg ging en streefde naar verzoening. Als de eerste blanke zendelingen het huidige Lesotho binnen komen reageert Moshoeshoe niet argwanend of agressief maar verwelkomt de zendelingen met open armen. De ontmoeting tussen de Franse zendeling Casalis en Moshoeshoe weet Krog erg goed te beschrijven. Twee wereldbeschouwingen die elkaar ontmoeten, niet botsen maar gezamenlijk optrekken.

    Maar ook in deze hoofdstukken heeft Krog af en toe haar intellectuele kracht niet in de hand. Ze vertelt niet alleen de geschiedenis van de koning maar interpreteert en becommentarieert die ook. Dat is soms onnodig. Zo vertelt ze het verhaal van een aantal blanke kolonisten die bij Moshoeshoe komen om te vragen om zijn land op te delen. Hij reageert met het bijbelse verhaal van Koning Salomo die een kind aan één van twee vrouwen moet toewijzen. Beiden beweren de moeder te zijn en Salomo dreigt het kind in stukken te hakken, waarop de moeder smeekt het kind dan maar aan de andere vrouw te geven. Moshoeshoe reageert op het verzoek zijn land in stukken te hakken als de moeder van het kind: ‘dan raak ik het liever helemaal kwijt!’ Met deze christelijke anekdote leest hij de blanke, Christelijke kolonisten vreselijk goed de de les. Het is een rake passage maar Krog voelt helaas de behoefte om er nog wat aan toe te voegen: ‘Er stonden de koning verschillende opties open in reactie op het verzoek zijn land op te delen…’

    De geschiedenis van Moshoeshoe is een poging van Krog om dichterbij de zwarte identiteit van haar land te komen. Die pogingen begrijp je ook het best als ze vorm van verhalen aannemen. Zo wordt het idee van vergeving heel mooi uitgewerkt. Krog vertelt hoe Moshoeshoe totaal onverwacht een groep kannibalen die zijn grootvader hebben opgegeten niet straft maar opneemt in de gemeenschap. Hen doden zou betekenen dat hij het graf van zijn grootvader zou onteren. Het is een onorthodoxe poging om conflicten te bezweren en je herkent het als Krog in een later hoofdstuk de Verzoenings- en Waarheidscomissie bespreekt. Het is geen vergeving van Christelijke maar juist van Afrikaanse oorsprong.

    Niets liever dan zwart is een moeilijk en ontoegankelijk boek. Misschien komt het omdat ik een blanke, mannelijke Nederlander ben, maar het is me niet gelukt me te verplaatsen in Krog en om haar dilemma na te voelen. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om je voortdurend de vraag te stellen ‘Hoe is het om zwart te zijn?’ Krog heeft zich teveel laten gaan in intellectuele analyses die naar mijn idee het probleem alleen maar versluieren in plaats van verduidelijken. Ik had graag gezien dat de filosoof in plaats van diepe gesprekken met haar te voeren, had gezegd: ‘Zwarten vragen zich niet af wat het is om zwart te zijn.’

     

  • De stadsjutter en het nimfje

    De stadsjutter en het nimfje

    Recensie door Rein Swart

    Het lijkt een aardig onderwerp: een avondwinkel, gerund door ene Osman van Turkse afkomst, althans van een Turkse vader die na de geboorte vertrok en de opvoeding overliet aan een Friese moeder. Osman krijgt op zekere avond een overstuur meisje in de winkel, die zegt dat ze de laatste tram naar huis gemist heeft. Ze vraagt of ze bij hem kan overnachten. De zachtaardige Osman heeft medelijden met het meisje, Isis, en staat toe dat ze in zijn bed kruipt. Hij blijft toch de hele nacht op.

    Osman wordt door, voor de lezer, onbekenden getreiterd en gechanteerd en leeft daardoor erg zuinig. De arme sloeber veegt zelfs het gemorste meel op van de vloer, zeeft het in zijn keukentje en giet het weer terug in het pak. Zijn credo is dat een mens een regelmatig bestaan moet leiden en verder heeft hij weinig nodig.

    ‘Het eerste instinct dat telt, dacht hij, is ademhalen; het vinden van iets eetbaars komt op de tweede plaats en de derde trap van mijn bestaan is het op gezette tijden wegzakken in een nest van stro. Verder is er onthouding, ik onthoud me van alles, omdat ik niemand iets te bieden heb.’

    Zoals het zich laat aanzien vertrekt Isis niet met de eerste tram van half zeven. Het is lang onduidelijk wat ze bij de simpele winkelier zoekt. Ze doet afwisselend aardig, sexy en koel tegen hem. Ze zegt dat haar moeder haar niet mist, maar later wordt duidelijk dat ze niet terug wil naar het rijke Bloemendaalse milieu.

    Osman heeft een dochtertje bij een vrouw, Barbara, die met iemand samenwoont aan de andere kant van de stad. Hij gaat eens bij Barbara op bezoek en troggelt haar geld af. Hij droomt ervan om Barbara en zijn dochtertje ooit in een zelfgebouwd huis, met een, op strooptochten door de stad bijeen gejutte inrichting, op een zelfgekocht perceel grond in de provincie te ontvangen en hen daar bij zich te houden.

    Helaas stort het verhaal halverwege in. Het is moeilijk voor de twee personen om de spanning vast te houden. Daarvoor is de verhaallijn te dun en zijn de hoofdpersonen karakterologisch te weinig zeggend. Het boek zwoegt naar het einde. De dreiging van beroving die in het begin voelbaar was, ebt weg als de lezer weet hoe de vork in de steel zit. Het meisje zwalkt tussen vriendelijk en boos. Het slot doet amateuristisch en drakerig aan.

    Klein Nulent schrijft heel precies in een tamelijk onopvallende stijl. Het is boeiend om vanuit het perspectief van een avondwinkelier de wereld te bezien en de angst te voelen voor beroving. Uiteindelijk gaat het om twee ‘loners’ die een tijdje in elkaars gezelschap verkeren. De opzet is aardig, maar niet meer dan dat.

    De tram van half zeven is genomineerd voor de Academica Debuutprijs 2010. Wat dat betreft zet ik mijn kaarten nog steeds op Blinde wereld van Ellen Heijmerikx die een aangrijpend boek afleverde dat ik eerder op deze site recenseerde, maar ik moet erbij zeggen dat ik Nemen wij dan samen afscheid van de liefde van Paul Baeten Gronda nog niet gelezen heb.

     

     

  • Een boek als een huis gebouwd op herinneringen

    Een boek als een huis gebouwd op herinneringen

    Vroeger was je een wonderlijke kerel als je de Sarphatistraat de mooiste straat van de wereld vond. Minder wonderlijk ben je als je hetzelfde over de Amsterdamse Van Eeghenstraat zou zeggen. Die straat ligt fraai en statig tegen het Vondelpark aan. De huizen zijn er mooi, groot en gebouwd zo rond 1900. Sommige hebben nog mooie Jugendstil versieringen. Er zijn fraaie natuurstenen ronde portieken en zware houten deuren.

    De Van Eeghenstraat kom je ook tegen in de Nederlandse literatuur. Tirza, de hoofdpersoon uit Arnon Grunberg’s roman woonde er (‘in het beste deel’), net als de schrijver zelf overigens. Ook hield Grunberg er zijn openingsfeestje ter gelegenheid van het verschijnen van deze roman.

    Net voor de boekenweek is er nu Wanda Reisels (1955) Plattegrond van een jeugd. Zij groeide op in de Van Eeghenstraat. Het huis op nummer 100 vormt de fundering en het skelet van haar nieuwe boek. Het is een enorm huis met vijf verdiepingen, zestien kamers en zesentwintig vaste kasten. Het heeft een tuin, zoals een tuin moet zijn, grenzend aan het Vondelpark. De plattegrond van het huis staat op de binnenkant van de kaft en de hoofdstukken hebben de indeling van het huis overgenomen: Souterrain, Bel etage, Eerste etage, Tweede etage etc. De hoofdstukken zelf dragen namen als Stoep, Keuken, Gang. De woorden zijn op heel licht grijs papier gedrukt waardoor je soms denkt dat er een schaduw over de bladzijden valt. Dat grijs vormt het cement waar beschrijvingen en herinneringen aan het huis doorheen zijn gemengd. Deze grijze hoofdstukken worden opgevolgd door hoofdstukken met witte pagina’s die korte verhalen bevatten die vaak geen duidelijk aanwijsbare relatie hebben met het huis. Zo wordt een huis gebouwd waarin de verbeelding, in de vorm van korte verhalen, een plaats krijgt tussen muren van herinnering.

    Herinneringen zijn bij Reisel niet sentimenteel en ook geen aanleiding tot diepzinnige reflecties of concluderende volzinnen. De beschrijvingen van het huis zijn liefdevol maar ook feitelijk en zeker niet weemoedig. Ze schrijft zoals ze zichzelf als kind beschrijft: een jongensachtig meisje dat eigenlijk niets van meisjesdingen moet hebben. ‘…Want een meisje maakt nooit iets mee, meisjes zijn stom en achterbaks (…). Bij jongens is het spannender.’ Het boek leest jongensachtig en als een zoektocht naar denkbeeldige grenzen om daar vervolgens overheen te stappen. De boekenweek met als thema TITAANTJES – opgroeien in de letteren, kan bijna niet beter geïllustreerd worden dan door juist dit boek.

    De herinneringen zijn niet alleen beschrijvingen van het huis en de tijd maar geven ook inzicht in Reisel’s fantasie en interesses. Af en toe verwijst ze naar haar eerder werk alsof ze een tip van een sluier oplicht. Tussen die grijze hoofdstukken zweeft de soms op hol slaande verbeelding van de korte verhalen die variëren van (bijna) autobiografische schetsen tot absurdistische fantasieën waarin elke logica ontbreekt.
    Om een voorbeeld te geven, in het verhaal Aan mijn Kant nemen woorden letterlijk de plaats van dingen in. Zo loopt de hoofdpersoon op het woord SCHOEN en vliegen de woorden MEEUW en WUEEM als duikelende vliegers boven de zee. Aan pumps groeit verticaal het woord HAK en iemand heeft TANDEN op haar gebit staan. Ons wordt verzekerd dat het niet om een droom gaat.
    Andere verhalen hebben een kop en een staart, sommige bevatten vreemde elementen en enkele verschillen nauwelijks van de op grijze bladzijden geschreven herinneringen. Het is een heel scala aan stijlen en verhalen.

    De oorlog speelt een rol in Reisel’s herinneringen. Haar Joodse ouders doken onder, andere familieleden waren minder gelukkig. Het leed en de verhalen zijn aanwezig, maar in Plattegrond van een jeugd blijven ze op de achtergrond. Haar vader heeft gedachten die hem angst aanjagen, ook de gedachte dat hij zijn verstand verloor. Dat fascineert de jonge Wanda. Zo droomt ze van een vloer vol kakkerlakken, voor haar angstaanjagend maar tegelijkertijd ook fascinerend. Haar vader is werkelijk geschokt.
    Ook in een verhaal komt de oorlog en het ouder worden een keer terug als een oude vader zich met weemoed herinnert hoe hij zijn minnares ontmoette en daarna plotseling uit het oog verloor. Oud en nog net niet geheel versleten ontmoet hij een vrouw die haar zus blijkt te zijn en hem vertelt dat ze in de oorlog in een kamp gestorven is. Zo weet Reisel ook nog te ontroeren.

    Maar het zijn niet zozeer de losse verhalen die Plattegrond van een jeugd een zeer geslaagd boek maken. Achterin heeft Reisel een korte aantekening opgenomen waarin ze bijna verontschuldigend verklaart dat ze haar korte verhalen altijd als stijloefeningen en schetsen heeft beschouwd. Zo bij elkaar gezet maakt het geheel toch een heel sterke indruk. Het boek vormt echt een huis, gebouwd op herinneringen met vensters van verbeelding waarin je soms vaste grond onder je voeten voelt en dan weer een stukje zweeft zonder dat je begrijpt waarom. Die merkwaardige afwisseling maakt het bezoek aan de Van Eeghenstraat nummer 100 een mooie belevenis. Wie in de buurt van het Vondelpark is moet maar eens gaan kijken in de Van Eeghenstraat. Ik zou bijna zeggen: het is de mooiste straat van de wereld.