• Ezra en Claire, Een liefde – L.H. Wiener

    Ezra en Claire, Een liefde is het prachtige verhaal uit Nestor, nu voor het eerst apart uitgegeven. Het vormt een mooie introductie voor lezers die nog niet bekend zijn met het werk van L.H. Wiener en voor al zijn fans de novelle in zijn pure vorm.

     Nestor is het verhaal van de veertienjarige ‘vogelman’ Ezra Berger, verteld door de zevenenvijftig jarige leraar Victor van Gigch, die als schrijver publiceert onder het pseudoniem L.H. Wiener. Drie namen voor drie karakters, die ondanks hun individuele beleving van de werkelijkheid met het verstrijken der tijd steeds hechter vergroeien tot één persoon.

    In Wieners oeuvre neemt Nestor een sleutelpositie in, aangezien het de achtergronden samenbrengt van vroegere verhalen, over een periode van meer dan dertig jaar gepubliceerd, maar tevens de voedingsbodem vormt voor nieuw te schrijven literaire kronieken, die dit schrijversleven markeren en vormgeven. In alle opzichten is Nestor een bijzonder boek met een experimenteel karakter, dat ondanks de fragmentarische opzet een harmonieus geheel vormt.

    L.H. Wiener (1945) is een van Neerlands beste verhalenvertellers. Hij woont en werkt in Haarlem. Na 10 verhalenbundels brak hij door met de succesvolle roman Nestor (2002), bekroond met de F. Bordewijkprijs. In 2003 verscheen Verzamelde verhalen deel 1, in 2004 volgde Verzamelde verhalen deel 2. Over De verering van Quirina T. (2006) schreef de Volkskrant toendertijd: ‘Humoristisch, soms ongenadig om zich heen maaiend, dan weer ontroerend, en permanent zwaarmoedig, in schokvaste paragrafen waarin herinnering en overpeinzing elkaar aanvullen en verdiepen, daalt hij nogmaals af in de krochten van zijn geheugen. Dit is het echte geschenk van de Boekenweek.’
    In 2008 verschenen Eindelijk volstrekt alleen en Herinneringen aan mijn uitgevers. Wiener was werkzaam als leraar Engels aan het Stedelijk Gymnasium in Haarlem.

     

    Ezra en Claire, Een liefde

    L.H. Wiener
    Blz.: 126
    Prijs: € 14,95
    Onlangs uitgekomen bij: Uitgeverij Contact

     

     

  • Recensie door: Geesje Nijland

    Recensie door: Geesje Nijland

    Afscheid in vier taferelen, een aangenaam klinkende titel die nieuwsgierig maakt. Dat geldt trouwens ook voor de naam van de schrijver, Borislav Čičovački.

    Even googelen levert verrassende informatie op: Borislav Čičovački blijkt al geruime tijd in Nederland te wonen en te werken en reeds vijf goed ontvangen romans op zijn naam te hebben. Een zesde roman is onderweg. Naast schrijver is hij bioloog en  musicus: hij speelt hobo.

    Afkomstig uit voormalig Joegoslavië weet Čičovački natuurlijk wat het is om afscheid te nemen, om alles wat je hebt opgebouwd en liefgehad achter te laten.

    In Afscheid in vier taferelen gaat het echter niet om zo’n afscheid, maar om een afscheid dat wij allen kennen: het afscheid nemen van de kindertijd, oftewel: het verlies van onschuld, zoals het op de flaptekst wordt genoemd. Čičovački beschrijft dit afscheid in poëtische bewoordingen, maar het lukt hem wonderwel daarbij toch voortdurend op afstand te blijven.

    We zien door de ogen van de alwetende verteller vier kinderen, twee jongens en twee meisjes, waarschijnlijk uit hetzelfde gezin, die alle vier een ervaring meemaken die een keerpunt in hun leven zal blijken. Het gaat om herkenbare gebeurtenissen zoals  een eerste kennismaking met verliefdheid en angst voor het onbekende. De eerste stappen op het liefdespad zijn veelal gedoemd te mislukken, maar dat hoeft niet fataal te zijn: het geeft een nieuwe blik op de wereld, maar maakt die wel tot een minder zekere, minder veilige plek. Zo blijkt ook de vertrouwde omgeving van je kindertijd af en toe helemaal niet zo veilig te zijn, maar verraderlijke plekjes te verbergen. Bewustwording opent de weg naar volwassenheid en nieuwe mogelijkheden, maar niet iedereen heeft de kracht om zich los te maken van het vertrouwde, het bekende. De schrijver spreekt geen oordeel uit over de keuze: blijven of vertrekken. Wel komt iets van zijn persoonlijke achtergrond in het laatste ’tafereel’ naar voren. Hierin blijkt een van de twee meisjes erg muzikaal te zijn. Om verder te komen zou ze eigenlijk naar de stad moeten, maar die stap durft ze lange tijd niet aan. Een jonge, getalenteerde hoboïst uit het orkest vertrekt wel. Van hem hoort ze nooit meer. De verteller vraagt de lezer om haar, wanneer  hij haar mocht ontmoeten, te vertellen dat het goed gaat met de hoboïst en dat hij haar niet is vergeten.

    De vier taferelen spelen elk in een ander seizoen, achtereenvolgens de winter, de lente, de zomer en de herfst. Aan het eind van een tafereeltje koppelt de verteller de gebeurtenis aan het seizoen waarin het plaatsvond waarbij hij ook aangeeft welke emotie elk van de seizoenen oproept.

    De verhalen van de kinderen worden omlijst door cursieve stukken tekst die de verhalen met elkaar verbinden. Deze vijf ‘hoofdstukjes’ gaan over ‘de Vrouw’, waarschijnlijk de moeder van de kinderen uit de taferelen. Zij volgt een vast traject: de dagelijkse gang van haar werk naar huis of omgekeerd. Ook deze fragmenten spelen in verschillende seizoenen, achtereenvolgens zomer, herfst, winter, lente. Maar niet alleen de seizoenen verspringen hier, er worden ook sprongen in de tijd gemaakt: in het eerste fragment wordt de moeder nog omringd door vier uitgelaten spelende kinderen, in de volgende fragmenten zien we de kinderen ouder worden en in het laatste, het vijfde, fragment blijft de moeder alleen achter en wordt de vergankelijkheid van het leven duidelijk. Dit laatste hoofdstukje is beschouwend van aard: in poëtische stijl wordt verwoord hoe met het voorbijgaan van de seizoenen de tijd verglijdt en hoe met het verglijden van de tijd ook de eindigheid van het bestaan zichtbaar wordt. Dit is echter in de ogen van de verteller niet iets dramatisch, integendeel:

    ‘Deze ononderbroken afwisseling is het die voor onze herinnering en onze vergetelheid altijd een bron van troost zal zijn.’

    Wat opvalt is dat de kinderen geen naam krijgen maar wel met hoofdletters worden aangeduid: in het eerste en het laatste tafereel gaat het over het ‘Meiske’, het tweede en het derde tafereel betreffen de ‘Jongen’. Uit de gebeurtenissen blijkt wel dat het gaat om twee verschillende meisjes en twee verschillende jongens. Ook de ‘Vrouw’ krijgt wel een hoofdletter, maar geen naam.

    Door de personages geen naam te geven, krijgt het verhaal een universeel karakter. Los van de concrete gebeurtenissen zijn dit de situaties die jongens en meisjes overal ter wereld mee kunnen maken op weg naar volwassenheid. Kleine teleurstellingen als je er later op terug kijkt. Maar op het moment dat ze zich voordoen aan een nog kwetsbaar, kinderlijk gemoed, blijken het ingrijpende, soms levensbepalende gebeurtenissen te zijn geweest.

    Tegelijk weet de auteur de beschreven kinderen iets persoonlijks, individueels mee te geven. Als uiterlijk blijk hiervan duidt hij hen aan met een hoofdletter. Daarmee suggereert hij toch iets van een naam: die schrijf je immers altijd met een hoofdletter. Ook opvallend is het verschil in de beschrijving  van de beide meisjes, ‘Meiske’ genoemd. Over het eerste meisje schrijft hij:

    ‘Het Meiske, dat in de spiegel van dag tot dag haar gedaanteverwisseling tot meisje gadesloeg, hoopte vol verlangen dat de kou lang zou duren.’

    Aan het slot van het verhaal, vele winters later, verlaat ze haar geboortestadje en is ze ‘Jongedame’ geworden. Het muzikale meisje uit het laatste tafereel blijft tot het eind ‘Meiske’. Zij is het meest passief van de opgroeiende kinderen. De tijd lijkt aan haar voorbij te trekken, de gebeurtenissen lijken haar onaangeroerd te laten, totdat op een gegeven moment al het vertrouwde is verdwenen: ook als je niets doet, blijft niets bij het oude. Pas dan besluit ze zelf het stadje van haar jeugd achter zich te laten en te vertrekken naar ‘een grote stad’, echter niet om zich verder te bekwamen in de muziek, maar om te gaan schilderen.

    Het verhaal is herkenbaar, want van alle tijden en alle culturen. De lezer herkent de kindertijd, waarin niets onmogelijk lijkt tot dat ene moment, die ene gebeurtenis die duidelijk maakt dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden. Voor de een is dat moment een heel bewuste ervaring geweest, afgebakend in de tijd, voor anderen is het bijna onmerkbaar voorbijgegleden en kan pas achteraf worden gesteld dat alles anders is geworden. En dat heet: opgroeien, volwassen worden.

    Samen met Čičovački kijkt de lezer er met een weemoedige glimlach op terug.

     

    Afscheid in vier taferelen

    Auteur:  Borislav Čičovački
    Vertaald door: Reina Dokter
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: € 16,95

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    In 2003 schreef de Japanner Takuji Ichikawa de roman Ima, Ai ni yukimasu, in het Nederlands vertaald als Bij jou zijn. Het was een grote hit in Ichikawa’s thuisland. Een Engelse vertaling volgde. Na de Angelsaksische landen is nu ook Nederland, dankzij de vertaling van Geert van Bremen, aan de beurt om kennis te maken met het proza van Ichikawa.

    Bij jou zijn gaat, zoals de titel al suggereert, over de liefde. Centraal staat het verhaal van twee eindtwintigers Mio en Takumi. Als Mio op haar achtentwintigste sterft, blijft Takumi samen met hun vijfjarige zoon berooid achter. Zo goed en zo kwaad als het gaat, probeert hij de zorg voor zijn zoon en zijn werk te combineren. Geen gemakkelijke opgave, helemaal niet voor Takumi die al jaren gebukt gaat onder ernstige angstaanvallen.

    Ogenschijnlijk gaat het leven zijn gangetje. Om het immense verdriet een beetje te verzachten, fantaseert Takumi samen met zijn zoontje Yuji avond na avond over de planeet Archief, de plek waar Mio na haar dood zou zijn heengegaan. Met de geestige en tegelijk ontroerende fantasieën van vader en zoon over deze planeet laat Ichikawa zien dat grote dramatische woorden niet nodig zijn. Het daadwerkelijke verdriet zit verscholen in het kleine en het onuitgesprokene. Genadeloos legt Ichikawa deze verborgen tragiek bloot. Helaas weet hij dit maar een paar hoofdstukken vol te houden. Vervolgens doet hij wat hij niet had moeten; het sentiment de voorrang geven. Wat volgt is een mooi, en uiterst gevoelig verhaal, maar Ichikawa beschikt jammer genoeg niet over genoeg zeggingskracht om echt indruk te maken zoals hij wel doet in de eerste paar hoofdstukken.

    ‘Hoe vaak je ook afscheid moet nemen, hoe ver je ook van huis raakt, altijd gaat het leven door’. De wijze woorden van meester Nombre, een oude man die Takumi elke dag in het park ontmoet, weerspiegelen voor Takumi de droevige waarheid.  Mio is er niet meer. Maar dan opeens keert Mio op een dag aan het begin van de regentijd, een jaar na haar overlijden, zoals ze voorspelde op haar sterfbed, weer terug op aarde.

    Mio neemt opnieuw haar intrek in het appartement waar ze jaren woonde met man en kind.

    Hier zal ze blijven tot het einde van de regentijd. Weten wie ze is en hoe haar leven eruit zag, weet Mio echter niet meer. Stukje bij beetje vertelt Takumi aan Mio over hun leven samen, hoe ze elkaar ontmoet hebben en hoe langzaam de liefde tussen hen beiden opbloeide. Het is vooral hier waar Ichikawa volledig de mist ingaat. De door Takumi verwoordde liefdesgeschiedenis is te idyllisch en te griezelig perfect om langdurig te kunnen blijven boeien.

    Langzaam nadert het einde van de regentijd. Het verhaal loopt ten einde. Opnieuw moeten de twee geliefden afscheid nemen. Opnieuw haalt ook Ichikawa alle romantische clichés weer uit de kast om dit afscheid te verwoorden. Daarnaast kan Ichikawa het niet laten om in het laatste hoofdstuk alle vragen die het verhaal oproept te beantwoorden. Zonde, en bepaald niet slim. Juist de raadsels zorgen voor enige deining in het verdere weinig opzienbarende verhaal. Uiteindelijk blijft de lezer dan ook aan het einde van het boek, net als Takami, met lege handen achter.

     

    Bij jou zijn

    Auteur: Takuji Ichikawa
    Vertaald door: Geert van Bremen
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 304
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door:  Jaap M. Jansen

    Recensie door:  Jaap M. Jansen

    Misschien herkent u het: vóór de aanschaf van een naslagwerk over literatuur of muziek, eerst even in het namenregister kijken of die ene goede schrijver of die ene geweldige band er ook in wordt genoemd. Nu, voor degenen die dit zonderlinge gedrag delen: wees gerust, Luisteren &cetera stelt u niet teleur. The Byrds? Staan The Byrds er wel in? Zoek, zoek, zoek… ja! Gelukkig… En The Doors? Ze zijn The Doors toch niet vergeten?

    Om maar direct met de deur in huis te vallen en aldaar de loftrompet af te steken: dit werk is een ware menukaart. Aan de hand van 25 albums verkennen de auteurs de meest toonaangevende popmuziek uit de jaren zeventig – popmuziek in de brede zin, let wel. Van ska en reggae tot countryrock, van funk tot experimentele jazzrock: het staat er allemaal in. Elk van de albums (die overigens chronologisch zijn geordend) wordt op eenzelfde manier behandeld: eerst een afbeelding van de albumhoes en een bespreking van de plaat zelf, dan een puntig overzicht van de invloeden op het album, de overige albums van de betreffende artiest en ‘aanraders’, en ten slotte een verhandeling over het bijbehorende muziekgenre, met nog enkele luistertips. En dat allemaal 25 keer. Hemels.

    Zowel in hun voor- als nawoord benadrukken Mourits en Steinz dat de 25 albums slechts een selectie zijn, en dat het hun vooral te doen is om de verwevenheid van de muziekwereld aan het licht te brengen. Welnu, dat blijkt wel. Wat een immense stortvloed aan namen van artiesten, producers, albums en liedjes! We nemen, bij wijze van voorbeeld, het hoofdstuk over The (zojuist genoemde) Doors. Hun album L.A. Woman (1971) is de derde plaat die wordt behandeld, na Bitches Brew van Miles Davis en After the Gold Rush van Neil Young. Elk hoofdstuk is door één auteur geschreven; in het geval van L.A. Woman is Pieter Steinz aan het woord. Hij bespreekt kort de achtergrond van de rockgroep en gaat dan in op de essentie van het album, aan de hand van individuele nummers en achtergrondinformatie. Voor een muziekleek als ondergetekende is dit razend interessant: pardoes krijgt de naam The Doors (bekend van Riders on the Storm, The End en Light My Fire) een gezicht. De tragische geschiedenis van leadzanger Jim Morrison en diens literaire affiniteiten, het Los Angeles van de jaren zestig en bovenal de aanzienlijke diepgang van de albumthematiek: het leest vlot weg, het verbaast, het strooit met namen, het verrast, het maakt dat je als lezer geneigd bent alles vlug over te pennen (want je wil het allemaal onthouden!). En dat is de kracht van dit verbazingwekkend leuk stukje non-fictie: elke naam, elke korte opmerking fascineert.

    Bovenstaande wordt nog eens versterkt door de onvoorstelbaar grote kennis waarover beide auteurs beschikken. Natuurlijk, Mourits en Steinz hebben ieder een passie voor muziek, maar ze staan toch hoofdzakelijk als deskundige ‘literatuurlui’ bekend. Hoeveel albums worden in dit boek genoemd? Een stuk of tweehonderd? Meer? Hoe dan ook, het moge duidelijk zijn dat de heren zich er niet met een jantje-van-leiden van af hebben gemaakt, en dat hun voorstudie vele uurtjes kostelijk luistervermaak heeft behelst. En dit laatste komt ook sterk naar boven in Luisteren &cetera. Wat schrijven de auteurs met veel plezier! Natuurlijk, voor hen is het net zo’n (her)ontdekkingsreis als voor u. Steinz (1963) en Mourits (1969) waren kinderen ten tijde van de door hen besproken periode, en ongetwijfeld hebben zij toentertijd – zo nu en dan – wel eens wat van de grote popmuziek gehoord (zeker Steinz). En (daar komt de herkenningsvraag weer) u herkent toch ook die magische rillingen als u een liedje of deuntje uit uw kindertijd hoort? Oké, van enkele liedjes mogen we hopen dat de heren het in hun jonge, onschuldige jaren nog niet hebben gehoord (het Je t’aime… moi non plus van Jane Birkin en Serge Gainsbourg, of de Bohemian Rhapsody van Queen), maar het K3-kwartet uit de jaren zeventig (ABBA) zal hun toch zeker niet zijn ontgaan.

    Hier schuilt wellicht een pietluttig minpuntje: de auteurs spreken met zoveel inhoudelijke kennis en enthousiasme, dat de lezer het soms even teveel kan worden. De voor een leek toch wat obscure muziekgenres westcoastrock en southern rock worden niet uitgelegd (hoogstens in hun context besproken) en de technische uitweidingen in het hoofdstuk over Miles Davis’ Bitches Brew zijn toch wat te hoog gegrepen voor de gemiddelde lezer.

    Dit echter mag de (her)ontdekpret niet drukken. Luisteren &cetera is een bundel met (uitsluitend positieve) albumrecensies, die geen encyclopedische pretenties koestert (zo drukken de auteurs ons meermaals op het hart), maar die zich daarentegen ontpopt als dé menukaart van de popmuziek uit de jaren zeventig. Bevalt de plaat Born to Run van Bruce Springsteen u? Nou, dan moet u ook eens die proberen, en die, en die, en ga zo maar door. Een regenachtige zondagmiddag? Neem dit werkje te hand, nestel u achter de computer (of tover, voor de blessed few, de elpeeverzameling maar weer eens tevoorschijn) en begin uw (her)ontdekkingstocht. Om met ABBA te spreken: Mourits en Steinz, thank you for the music!

    Luisteren &cetera
    Het web van de popmuziek in de jaren zeventig

    Auteurs: Pieter Steinz en Bertram Mourits
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 19,95


  • Recensie door: Marleen Ferket

    Recensie door: Marleen Ferket

    Eind 2010 gaat een speciale delegatie bestaande uit de schrijvers Jan Siebelink, Rosita Steenbeek, P.F. Thomése en de priester Antoine Bodar naar de Palestijnse gebieden. Ze zijn uitgenodigd door UCP (United Civilians for Peace), een pro Palestijnse humanitaire organisatie, met als doel zich onder deskundige leiding op de hoogte te stellen van de situatie daar. Een filmploeg van de NCRV gaat met hun mee.

    Thomése staat oorspronkelijk erg sceptisch tegenover het hele gebeuren in het ‘Heilig Land’; de gebruiken, rituelen en gebeden. Zoals hij zelf zegt: ‘Voor welk karretje worden wij gespannen? Wiens of wier ezeltje zullen wij zijn ?’ Desondanks wordt hij gegrepen door de toestand in de bezette gebieden. Begin dit jaar schrijft hij Grillroom Jeruzalem, zijn eerste non-fictie boek of zoals hij zelf zegt, een reisverhaal. Het wordt een verslag van zijn belevenissen.

    Ze bezoeken Bethlehem, Hebron en Ramallah, Jeruzalem en de Gazastrook. De Palestijnse gebieden worden afgescheiden door een negen meter hoge muur. Hebron, een joodse nederzetting in Palestijns gebied, telt voor elke kolonist vier militairen. Om veiligheidsredenen zijn joods en Palestijns verkeer van elkaar gescheiden met als gevolg dat het gezelschap over over lege wegen rijdt. Het lijkt wel oorlog, wegversperringen, dichtgetimmerde huizen, veel Israëlische militairen en paspoortcontroles. Thomése maakt meerdere keren een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog. Het vluchtelingenkamp is net een getto met wachttorens eromheen. De veiligheidsmaatregelen om de Gazastrook binnen te gaan zijn veel geavanceerder dan op een modern vliegveld. Thomése en zijn reisgenoten worden er bang van, raken zelfs in paniek. Ze lijken opgesloten te zitten in een sluis in een enorm groot gebouw. Vroeger was Gazastad een mondaine badplaats, nu is de Gazastrook hermetisch afgesloten. De mensen zitten als ratten in een val. Er is veel armoede, moord, zelfmoord, en haat jegens toeristen en de VN.

    Thomése schrijft heel beeldend; je ziet de situaties voor je. In de Gazastrook bezoeken ze een meisjesschool. Het is de bedoeling dat er een dialoog ontstaat tussen de leden van de delegatie en de meisjes. Dit gaat erg moeizaam, stuntelig van de zijde van de schrijvers. Dan maar vertellen over hun werk. Thomése vertelt over Schaduwkind. Maar hoe leg je dat hier uit? ‘Alles wat je probeert te zeggen wordt vals. Ook Sieb(elink)en Rosita stuntelen door hun bio-en bibliografie, struikelen over een trefwoord en gaan met verontschuldigende gebaren en glimlachjes languit. Heel beleefd, heel voorkomend gaan we op onze bek. De slapstick van het wederzijdse onbegrip. ….’  Als één van de meisjes vraagt of ze haar niet mee kunnen nemen omdat ze zo graag Parijs wil zien, wordt de situatie pijnlijk. …Niets kunnen ze haar geven.

    Thomése beschrijft helder en duidelijk de situatie in Israël en de bezette gebieden. Het uitzichtloze van de situatie omdat er geen oplossing mogelijk is. ‘Deze hele Israëlisch-Palestijnse ‘kwestie’ is onverdraaglijk als je erover begint na te denken. Onverdraaglijk vanwege de onoplosbaarheid. Stap je naar links, dan trap je op de ene partij, doe je -pardon- gauw een stapje naar rechts, dan heb je de ander partij alweer per ongeluk onder je voet.’

    Soms is hij cynisch, vooral als de bijbel of het geloof ter sprake komt. … ‘Ook bij onze eigen groep bespeur ik enige exaltatie vanwege de gezalfde plek, de plek, zeg ik er voor de ongelovigen even bij, waar de zoon van God door zijn Moeder gelijk een dier tussen de dieren, schepsel te midden der schepselen, als mens in de eerste kerstnacht op het stro geworpen werd. …’

    In het boek staan ook veel humoristische stukken. De beschrijving van de ontmoeting tussen de delegatie en geestelijke leiders in een hip restaurant in Bethlehem is hiervan een mooi voorbeeld.

    Ik heb het boek met plezier en aandacht gelezen. Hoewel het probleem bekend is, is mij door het lezen van Grillroom Jeruzalem meer duidelijk geworden over de situatie in de Palestijnse gebieden en de joodse nederzettingen. In een later interview zegt Thomése: ‘Net als iedereen in weldenkend Nederland was ik van mening dat Israël te ver gaat met het mishandelen van Palestijnen. Daarover ben ik wel genuanceerder gaan denken. Niet over het mishandelen, maar wel over de Palestijnen. Ik zou die over fanatieke kerels in Gaza ook liever niet tegenkomen. ….’

     

    Grillroom Jeruzalem 

    Auteur: P.F.Thomése
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 142
    Prijs: € 10,- als e-boek: € 7,75

     

     

  • Een originele aanzet tot?

    Een originele aanzet tot?

    Recensie door Laura Schans

    Bianca Stigter is journalist en redacteur bij NRC Handelsblad en houdt een cultuur- en filmblog bij op www.nrc.nl. In 2008 verscheen haar boek De ontsproten Picasso: reizen door kunst en tijd. In dit boek werden eerder in NRC verschenen stukjes gebundeld. De ontsproten Picasso werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2008. In het juryrapport van deze prijs en in recensies in dag- en weekbladen wordt Stigter geprezen om haar originele blik en haar verfrissende manier van kijken naar kunst. Ze is een ‘geweldige gids’ (aldus Arie Storm in NRC) in de wereld van kunst, film, internet, computergames, de natuur en aanverwante verschijnselen. Ze neemt je mee, laat je dingen zien en legt meer verbanden dan je zelf had kunnen doen. Zo geeft ze ‘kunstwerken – films vooral, maar ook schilderjen of een 17de-eeuws wollen mutsje uit het Rijksmuseum – een dimensie extra’, aldus De Volkskrant.

    Eigenlijk gebeurt hetzelfde in haar nieuwste boek, Per ongeluk expres – over kunst. Opnieuw worden hier stukjes gebundeld die eerder in NRC verschenen. Opnieuw gaan de stukjes over kunst, schilderijen, films, regisseurs en acteurs, het internet, opgravingen uit de prehistorie, architectuur, noem maar op. Opnieuw verwondert Stigter zich over al deze mooie en interessante verschijnselen. Opnieuw neemt ze haar lezers mee, laat ze verrassende verbanden zien en schrijft ze prikkelende dingen over verschijnselen waar anderen gewoon aan voorbij lopen. ‘Van Willendorf tot webcam: een optocht van verrassende, ontroerende en brutale feiten en fictie’, staat te lezen op de site van haar uitgeverij over De ontsproten Picasso. Dat zou net zo goed over Per ongeluk expres kunnen gaan.

    Wie genoot van De ontsproten Picasso, wie smult van de stukjes van Stigter in NRC Handelsblad of op het internet, zal ook Per ongeluk expres kunnen waarderen. Het is immers meer van hetzelfde en toch anders: het gaat immers over andere kunstwerken.

    Ik vond de stukjes van Stigter eigenlijk maar zelden bijzonder. Verrassend, ja, ontroerend, soms, prikkelend, af en toe. Het overgrote deel van mijn leeservaring is echter te vangen onder de noemer ‘onbevredigend’. Stigter ziet interessante verbanden, bijvoorbeeld tussen Cary Grant en George Clooney of tussen de stillevens van Adriaen Coorte en een echte fruitschaal, maar de gedachten over de verschijnselen die ze beschrijft worden haast nergens uitgewerkt. De aanzet is veelbelovend, maar er volgt weinig tot niets op de beschrijving van het fenomeen. Stigter biedt een originele blik en de belofte van een boeiende gedachte, om vervolgens direct af te sluiten en over te stappen naar een volgend stukje. Een volgend onderwerp dat opnieuw helaas geen uitgewerkte aandacht krijgt.

    Zo is er het stukje over de mogelijkheden die de website YouTube biedt aan amateurs, de grote massa. ‘Dankzij computers en goedkope montageprogramma’s kan nu iedereen zijn eigen Rose Hobart [een montagefilm uit 1936 met beelden van de actrice Rose Hobart, LS] maken.’ Tegenwoordig kan naar hartenlust geknipt en geplakt worden met het materiaal van kunstenaars. Wat eerst voorbehouden was aan kunstenaars wordt een huiskamerhobby. Inderdaad, een interessant verschijnsel. Maar niet een waar nog niemand bij stilgestaan heeft.mStigter sluit dit stukje af met de volgende alinea:

    ‘Maar misschien is het belangrijkste punt hier dat het juist geen kunst is. Als het internet één ding mogelijk gemaakt heeft, dan is het de opmars van de amateur. Op het web vervaagt het onderscheid tussen makers en gebruikers, tussen producenten en consumenten, tussen kunstenaars en publiek, maar nog niet zo erg dat die grenzen opgeheven kunnen worden. De middelen om kunst te maken zijn wel gedemocratiseerd. Misschien gaat film in dit opzicht meer lijken op muziek, waar thuis en in kleine kring niet alleen naar geluisterd wordt. Muziek wordt ook gespeeld, becommentarieerd, uitgevoerd. Misschien worden scenario’s ooit zoiets als bladmuziek. Zo’n vergelijking als deze tussen film en muziek gaat natuurlijk nooit helemaal op. Maar dat zij een beetje opgaat, is al interessant genoeg.’

    Veelzeggend is dat Stigter afsluit met ‘… is al interessant genoeg.’ Dit doet ze consequent: ze beschrijft verschijnselen, ze legt verbanden die een interessante aanzet kunnen vormen van een verdere analyse, interpretatie of inzicht. Maar Stigter houdt op voordat ze goed en wel begonnen is. Het stukje dat volgt op het verhaal over YouTube gaat over het interieur van een huis in de J. Viottastraat. In dat huis is de woonkamer van een in de Tweede Wereldoorlog vermoord joods gezin nog intact gebleven en te bekijken. Ook interessant.

    Regelmatig had ik moeite met Stigters vreemde vorm van logica. Vaak is niet duidelijk waar ze naartoe wil, welke stelling ze inneemt en wat ze haar lezers wil laten zien. Een goed voorbeeld hiervan vormt het korte stukje met de titel ‘Tyrannosaurusje’, dat ik hieronder in zijn geheel citeer. De redeneertrant in dit stukje hanteert Stigter jammer genoeg ook vaak in de langere stukjes in haar boek.

    ‘Tyrannosaurusje – Eens zag ik in de bioscoop een kind naar Jurassic Park kijken. Tijdens de enge scenes hield het zijn knuffel goed vast. De knuffel was een pluchen versie van een tyrannosaurus rex, het dier dat in de film het angstaanjagendst oogt. Zou een kind met zoiets willen knuffelen? De relatie tussen kinderen en hun knuffels is ondoorgrondelijk. Je kunt nooit voorspellen welk dier of welke pop hun lieveling wordt. Misschien verdedigde de tyrannosaurus het kind tegen de boze buitenwereld. Misschien had het er ook nog nooit over nagedacht. Wel te voorspellen is wanneer de meeste kinderen hun knuffel niet meer nodig hebben. De meeste halen de middelbare school niet.’

    Er worden hier in een tiental zinnen drie verschillende onderwerpen aangestipt, zonder dat deze worden uitgewerkt. Eerst het op zich spannende, prikkelende beeld van het kind dat troost zoekt bij de pluchen versie van het monster waar het bang voor is. Vervolgens het mysterie waar de voorkeur van kinderen voor bepaalde knuffels vandaan komt. En dan het feit dat deze behoefte aan troost in de vorm van pluche op een gegeven moment verdwijnt. Wat zijn deze beelden en gedachtes waard? Welke kant kunnen we ermee op? Welk inzicht kan hieruit voortkomen? Onbevredigend. Zo heb ik Per ongeluk expres ervaren.

    In een gesprek met Wim Brands (in het programma Boeken, de uitzending van 29 mei) wordt haar de vraag gesteld hoe ze besluit om over een onderwerp te gaan schrijven. Ze antwoordt: ‘Dat is een soort klik. Ik wil ergens over schrijven als ik het kunstwerk zie en het vervolgens zo fantastisch vind dat ik er andere mensen over wil vertellen of het verder wil onderzoeken.’ De twee stappen die Stigter hier beschrijft, eerst het kunstwerk fantastisch vinden en daarna het verder willen onderzoeken, blijken af en toe wel uit de stukjes in Per ongeluk expres. De wens is er, maar de uitwerking ontbreekt. Je kunt beter zelf naar George Clooney, Cary Grant, de schilderijen van Adriaen Coorte of een echte fruitmand gaan kijken. Misschien levert dat zelfs meer op.

     

     

  • Een doemdenker over het morgenland

    Een doemdenker over het morgenland

    Volgens de ondertitel gaat het in dit boek om een prognose over de ondergang van het morgenland. Het is de vraag hoeveel waarde zo’n voorspelling heeft als die niet gebaseerd is op de laatste ontwikkelingen. Hoewel dit boek pas dit jaar verscheen, is het al verouderd omdat de dominorevolutie er niet in is opgenomen. Daardoor staan veel conclusies op losse schroeven. Zo komt de Egyptische schrijver met een in de geschiedenisboeken breed uitgemeten profiel van Mubarak, waarin hij als een onschendbare heerser wordt voorgesteld, terwijl hij toch afgelopen voorjaar door een vreedzame volksmacht tot aftreden werd gedwongen.

    Het blijft interessant te weten hoe een Egyptenaar, die met een half Deense vrouw in Duitsland woont, de toestand in zijn geboorteland en de omringende Arabische landen inschat. Hamed begon na zijn komst in Duitsland de toestand thuis te vergoelijken, maar werd zich steeds meer bewust van de negatieve aspecten die er aan zijn eigen cultuur kleefden. Hij kwam tot zijn inzicht op basis van de theorie van cultuurhistoricus Oswald Spengler, die culturen ziet als fenomenen met een opkomst en een neergang. Van een islamiet zou je verwachten dat hij de ondergang van het decadente westen zou proclameren – en dat doet hij op het eind ook – maar hij ziet toch eerder de islamitische cultuur ten ondergaan.

    Dat komt door het starre karakter ervan. De godsdienstige principes die uit de Koran voortvloeien zoals de jihad en de sharia worden opgevat als onaantastbaarheden. De orthodoxie kan niet ondermijnd worden, omdat er, anders dan in het Westen met de Verlichting, geen intellectuele voedingsbodem bestaat waaruit men kan putten. Consumptiedrang leidt zonder Kant alleen maar tot verwarring, stelt Hamed. Hij vergelijkt de islam met alcohol: zoals er maar één alcohol is, zo is er ook maar één islam. Hervormers moeten hun inspanningen met hun leven bekopen.

    Hamed onderbouwt zijn stelling veelal vanuit de psychologie: over de schaamte en het gevoel van minderwaardigheid, die gecompenseerd wordt door superioriteit zoals hij ook bij een sekte in Kopenhagen ziet; de verkramptheid, waarmee men de eigen uitgangspunten omarmt; de monsterlijke ideeën over vrouwenbesnijdenis, waarvan zijn nicht Marfa het slachtoffer werd. ‘Ik wil een koe in Zwitserland zijn,’ zegt een moslima, omdat daar de dieren beter beschermd worden dan de vrouwen in de islamitisch wereld. Hamed noemt Egypte een boerderij met kooimentaliteit waarin iedereen opgesloten zit. Moslims zijn snel beledigd. Hij had een gesprek met de Deense redacteur van de spotprenten over Mohammed en schreef daar een artikel over op internet, maar dat werd in Egypte al snel van de site verwijderd. De vrijheid van meningsuiting stuit op een appeachmentpolitiek, zegt hij, waarmee men zich wil verzoenen met de bestaande macht.

    Hamed kijkt ver achterom naar redenen waarom het zover is gekomen. Hij betwijfelt of de islam tot de hoge ontwikkelde Arabische cultuur in de Middeleeuwen leidde en spreekt liever van meezittende omstandigheden. Men maakte gebruik van een machtsvacuüm dat er bestond. Walabieten en het moslimbroederschap hebben de touwtjes tegenwoordig stevig in handen. Hamed stelt zich een ketting voor van vastgeroest stambewustzijn, religieuze gezagsgetrouwheid, leugenachtige seksuele moraal en ondoelmatig onderwijs, die moeilijk kan worden doorbroken.

    Uiteindelijk ziet Hamed de islamitische cultuur ten onder gaan door de groei van de woestijn, gebrek aan zoet water en voedingsmiddelen en een bevolkingstoename. Het avondland zal in de val worden meegesleurd door de enorme mensenstroom die het te verwerken krijgt. Maar wie weet hoeft het allemaal niet zo ver te komen, denk ik dan. Anders dan Hamed kon vermoeden zat Mubarak toch niet zo vast in het zadel dat hij eruit gewipt kon worden door (jonge) mensen met een enorme vrijheidsdrang.

    Hameds stijl is wat vlak, hetgeen het lezen er niet gemakkelijk op maakt. Ik was daarom blij af en toe iets concreets te lezen, bijvoorbeeld over het gesprek met de Deense redacteur en over het bezoek aan de kunstenaarskolonie Christiana in Kopenhagen. Hamed ziet in de samenklampende krakers een overeenkomst met de islamitische wereld. Zij herinneren hem eraan dat hij in het begin in Duitsland ook zijn eigen achtergrond verdedigde.

    Het is moeilijk de argumenten van Hamed op waarde te schatten, omdat hij zich heeft misrekend op de kracht van de bevolking, zoals die in Syrië waar men week in week uit met gevaar voor eigen leven de straat opgaat. Het onderwerp is van groot belang om over te blijven nadenken. Hamed polemiseert graag. Ik zou hem graag zien debatteren met een Egyptische revolutionaire. Misschien heeft Hamed meer hoop gekregen en luidt zijn prognose inmiddels anders.

    De ondergang van de islamitische wereld
    Een prognose

    Auteur: Hamed Abdel-Samad
    Vertaald door: Menno Grootveld
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 21,95

  • Fladderend door het oeuvre van Nabokov

    Fladderend door het oeuvre van Nabokov

    Op de Nederlandse uitgave van The enchanter: Nabokov and Happiness staat een achterflapvullende foto van de schrijfster, Lila Azam Zanganeh. Haar verschijning is die van een tere maar tegelijkertijd speelse Sheherazade die, ondanks het feit dat zij de dertig ruim gepasseerd is, iets onmiskenbaar nimfijns heeft.
    “Ze is prachtig, ik zou alleen bang zijn dat ik iets aan haar brak, een oortje bijvoorbeeld” was het commentaar van een vriend toen hij de foto zag. Het had een parafrase kunnen zijn van een terugkerend thema in Nabokovs werk, het verlangen naar schoonheid die niet verdwijnt:

    ‘But he turned away because it hurt to look and because he could not help remembering how many times beauty- or what he called beauty- had passed him by and vanished.’
    (uit: Laughter in the Dark)

    Zanganeh toog met het manuscript van haar eersteling naar Palm Beach, Florida, om de rechten te bemachtigen voor de vele citaten uit het werk van Nabokov die in De tovenaar zijn verwerkt. Daar werd zij ontvangen door zijn zoon en literair erfgenaam, Dmitri Nabokov die haar bij nader inzien vroeg het manuscript aan hem voor te lezen omdat hij zelf te moe was om het door te nemen.
    Gedurende drie dagen en nachten leest Zanganeh voor, onderhandelt met Dmitri over woorden (‘Vladimir and Vera would never ‘argue’ over a weak serve! Perhaps you meant ‘squabble’’) en leert en passant de juiste uitspraak van de Latijnse vlindernamen.
    Deze tot de verbeelding sprekende anekdote staat helaas niet in het boek waar Dmitri uiteindelijke zijn toestemming voor gaf. Ik las het in een essay dat Zanganeh schreef voor The Daily Beast.

    In datzelfde artikel beschrijft zij haar boek als ‘een wonderlijke combinatie van fictie en essay, van verzinsels en interpretaties.’ Een getekende plattegrond van het land GELUK die aan het begin van het boek staat, roept herinneringen op aan De Koning van Katoren van Jan Terlouw,  maar ook de hoofdstukken dragen allen de typische onderschriften die ik mij herinner uit kinderboeken van vroeger: ‘GELUK DOOR DE SPIEGEL (Waar de schrijver voorbij de grenzen van het leven gluurt en de lezer een steelse blik opvangt)’
    Met die lezer bedoelt Zanganeh zichzelf. In haar vroege tienerjaren maakte zij voor het eerst kennis met de boeken van Nabokov. Haar moeder las af en toe passages voor uit Geheugen, spreek, Nabokovs autobiografie over de eerste eenenveertig jaar van zijn leven. Wanneer zij uiteindelijk zelf zijn boeken gaat lezen raakt ze in de greep van de tovenaar:

    ‘Toen het mijn beurt was om Nabokov te lezen, was nostalgie reeds een stap verwijderd: deze had mijn moeder toebehoord. Mijn eigen oren waren afgestemd op de zuivere bekoring van zijn proza, dat mij zong van talen die ik de mijne wist.  ‘(…) Elke bladzijde, elke zin vaak, werd gelezen en herlezen door een kleine maniak in wording, met grote ogen die met de dag iets feller gloeiden. Overal, zo leek het, ontpopten zich zinnen die geheel nieuw waren, maar die je toch meende gefluisterd te hebben in een verre plooi van de tijd, in de schaduw van rasterwerk.’

    In deze Nabokoviaanse stijl wisselt Zanganeh biografische weetjes af met een mengelmoes van fictieve fragmenten en invallen. Er is ook een hoofdstuk gewijd aan de ‘fonkelende woorden’  (Azuurgestreept, Hemelspannend, Kzspygv) van de schrijver.  Met ‘kzspygv’ had Nabokov een nieuw woord bedacht dat was opgebouwd uit de letters die in zijn synesthetische beleving correspondeerden met de opeenvolgende kleuren van een regenboog.
    Zanganeh schrijft hierover:

    ‘Een zonovergoten hiëroglief. In één adem: ‘bosbes k’,
    ‘donderwolk z’, azuren en parelmoeren s’, onrijpe appel p’, ‘goudglanzende y’, rijke, rubberachtige g’, ‘ roze kwarts v’ – kzspygv.’

    Dat Nabokov zijn kleurervaring bij deze letters zelf al beschreef in Geheugen, spreek, maakt van haar onderschrift meer een ijverige invuloefening dan een interessant inzicht.  Iets dergelijks permitteert Zanganeh zich op meer plekken in het boek. Zoals in haar gefingeerde interview met Nabokov, dat zij laat plaatshebben lang voor zij zelf geboren is. Dat interview bestaat voornamelijk uit  knip- en plakwerk van feiten, zoals opgetekend door Brian Boyd in zijn tweedelige biografie uit 1991 over Nabokov.

    En zo fladdert Zanganeh met een knipoog naar Nabokovs voorliefde voor de vlinderjacht van onderwerp naar onderwerp. De licht-hysterische toon waarop zij langs de fonkelende facetten van Nabokovs taaluniversum huppelt, ging mij vrij spoedig irriteren. In het hoofdstuk ‘waar de schrijver zijn literatuur etaleert en de lezer pronkt met verhelderende commentaren’ richt zij zich rechtstreeks tot haar lezers:

    ‘Humbert Humberts geniepigste stem. Een moment tijdens de rondrit van ruim veertigduizend kilometer over de wegen van Amerika. (…) Leest u het, voor optimaal resultaat, hardop voor. De woorden zullen elkaar omarmen en kussen in uw mond. Klanken zullen zwieren en verglijden als een beek ( elegisch – en-  pastoraal – en-  pseudopastoraal- en- wellustig- en- koddig- en – duister- en-manisch- en-erotisch)’

    In het voorwoord en in de eerste hoofdstukken is haar enthousiasme vaak wat beter gedoseerd. Hier concludeert Zanganeh dat bij Nabokov ‘geluk – of althans een element daarvan-  een variatie op heugenis is’. Dat geluk is echter niet alleen de schrijver voorbehouden. In een toelichting op wat Nabokov de ‘creatieve lezer’ noemt,  beschrijft Zanganeh wat die ‘mededromer die de minieme details van de wereld observeert’ volgens haar te doen staat. Die moet zich ‘met gekmakende precisie een roman proberen voor te stellen, en dat wonderbaarlijke optische speelgoed dat vergezichten van beelden binnen beelden opent, grondig onderzoeken. Omdat elk verloren beeld een verloren kans op geluk is.’

    Het is een wat ingewikkelde maar aanstekelijke aansporing om gelukkig te worden van het lezen van een mooi boek. Aldus herlas ik dankzij De tovenaar delen van het werk van de meester zelf en raakte opnieuw prettig bedwelmd. Een gelukszalige ervaring die ik iedereen van harte kan aanbevelen.

     

  • Bewondering voor sproeten en rood haar

    Bewondering voor sproeten en rood haar

    Steeds opnieuw verschijnt er een glimlach bij het lezen van dit nieuwe boek van Midas Dekkers en een enkele keer mondt dit zelfs uit in een schaterlach. Dekkers belicht uitvoerig alle facetten van roodharigheid en besteedt veel aandacht aan de schoonheid van roodharige vrouwen en vrouwen die hun haar rood verven. Midas vraagt zich af: ‘Heeft een vrouw die haar haar rood verft, kwaad in de zin en kun je een vrouw valsheid in beharing ten laste leggen?’

    Steeds is er die knipoog als hij beweert dat het eigenlijk strafbaar is om te pronken met andermans veren. Geverfd rood haar is een prothese. Het is heel duidelijk dat de schrijver een grote bewondering heeft voor roodharige vrouwen en hun sproeten en blanke huid. Toen hij als puber foto`s van roodharige filmsterren onder ogen kreeg, besloot hij om fotograaf te worden. Het is anders gelopen, bioloog is ook een mooi beroep. Rood haar wordt met vuur vergeleken en bij vuur hoort muziek, Ierse muziek bijvoorbeeld omdat in Ierland meer dan in andere landen rood haar voor komt. Theateraffiches en boekomslagen waarop roodharige vrouwen zijn afgebeeld zijn erg in trek. Henri Toulouse-Lautrec beeldde de danseressen uit de Moulin Rouge bij voorkeur uit met rood haar.
    Dat Sarah Bernhardt op het toneel overkwam als wellustig en flamboyant was voornamelijk te danken aan haar rode haar en maar ten dele aan haar talent. We worden er aan herinnerd dat veel fatale vrouwen in bijbelse tijden rood haar hadden. Eva in het paradijs wordt meestal afgebeeld met rood haar en een ander voorbeeld is Salomé die nota bene het hoofd van Johannes de Doper op een schaal liet opdienen. Allemaal kennen we de fatale vrouwen met het koperkleurige haar uit de verhalen, de boeken, de schilderijen en de film, in willekeurige volgorde: Maria Magdalena, Mata Hari, Marlène Dietrich, Judith, Helena van Troje, Cleopatra en Rita Hayworth.

    Soms gaat de auteur wel op een zeer caleidoscopische wijze door de geschiedenis maar dat is juist één van de aantrekkelijke kanten van zijn boek. Maar het gaat niet alleen over rood haar, ook de genen die er verantwoordelijk voor zijn komen aan bod. Terloops worden we ingewijd in de geheimen van het DNA en dat is niet geleerd of vervelend en onbegrijpelijk. Midas doet net alsof het dagelijkse kost is.

    Midas Dekkers heeft ook zijn eigen ideeën over de evolutietheorie van Darwin en hij laat ons daar op speelse wijze kennis mee maken, nooit bedient hij zich van, naar eigen zeggen, ‘potjeslatijn of pannetjesgrieks’. Er is toch wel vaak een serieuze ondertoon in de verhalen, vooral wanneer sommige methodes ter sprake komen waarmee de voortplanting van de menselijke soort te beïnvloeden zou zijn. Zowel de pauselijke encycliek Casti connubii als de Blut und Boden-theorie van Adolf Hitler komen kort aan bod. De paus was van mening dat de mens zich niet diende te bemoeien met de erfelijke belasting van kinderen en Hitler wilde de geboorte van zijn Übermensch bespoedigen door enkele oude volken uit te moorden.

    Aan de lange lijst van geraadpleegde literatuur aan het eind van het boek is op te maken dat de schrijver zich zeer breed heeft georiënteerd, muziek, literatuur, schilderkunst, flora, fauna en evolutieleer, het komt allemaal ter sprake en het wordt in verband gebracht met de kleur rood. Niet altijd in een logische volgorde maar wel steeds sprankelend en vol humor.

     

  • Recensie: De geheugenhut – Tony Judt

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Nog geen jaar geleden overleed de befaamde, in de naoorlogse geschiedenis gespecialiseerde historicus Tony Judt (auteur o.a. van het boek Dit land is moe, over de verworvenheden van de sociaaldemocratie, dat in 2010 aan alle leden van de Tweede Kamer is uitgereikt) op tweeënzestigjarige leeftijd aan ALS, ofwel: amyotrofische laterale sclerose. Een gruwelijke ziekte waarbij de motorische zenuwen in het ruggenmerg afsterven en het lichaam spier voor spier verlamd raakt, totdat ook praten, slikken en ademhalen niet meer mogelijk is.

    De aanzegging van deze wrede ziekte doet je belanden in de wachtkamer van de dood, in het volle bewustzijn echter – want de intellectuele functies van de hersenen blijven intact – dat de muren van die wachtkamer zich langzaam naar je toe zullen bewegen, totdat je er uiteindelijk door geplet zult worden. Wie aan deze ziekte ten prooi valt ‘moet ergens de goden tegen zich in het harnas hebben gejaagd, en meer valt daarover niet te zeggen’, aldus de auteur zelf. Omdat er geen pijn bij komt kijken heeft de patiënt ‘in tegenstelling tot bij vrijwel elke andere ernstige dan wel dodelijke ziekte (…) dus met een minimum aan ongemak alle tijd om rustig over de rampzalige voortgang van de eigen aftakeling na te denken.’ Het naderende einde confronteert de mens met de afgelegde levensweg.

    ’s Nachts lag Judt urenlang wakker en liet hij zich door zijn geheugen vervoeren naar die speciale ervaringen, belevenissen en gebeurtenissen die zijn leven hadden verbijzonderd en verrijkt. Tot weinig anders inmiddels meer in staat schreef hij ’s nachts ‘in [zijn] hoofd’ hele verhalen waarin hij veel scherper dan voorheen verbanden bleek te kunnen leggen. Zo ontstonden allerlei ‘kroniekjes’ van zijn leven. Alleen was hij niet meer bij machte ze zelf op te tekenen. Hij moest wachten tot de volgende dag iemand kwam aan wie hij het kon dicteren. Om ervoor te waken dat hij zijn verhaaltjes niet zou vergeten, nam Judt zijn toevlucht tot de klassieke geheugensteun in de vorm van een gebouw waarin je de weg goed kent. Voor de denkers uit het verleden waren dat veelal paleizen, maar omdat Judt betere herinneringen bewaart aan de Zwitserse berghut van de vakantie uit zijn jeugd, kiest hij zijn geheugenpaleis in de vorm van de Zwitserse chalet. En zo vulde zich zijn ‘geheugenhut’ met een mooie verzameling herinneringen, overpeinzingen en wetenswaardigheden. Ze verschenen bij zijn leven nog in de New York Review of Books in de hoop dat ‘mijn ouders, mijn vrouw en vooral mijn kinderen deze vingeroefeningen zullen lezen als getuigenis van mijn niet aflatende liefde voor hen allen.’ Niet lang daarna werden ze, postuum, gebundeld als The Memory Chalet.

    Het zijn fraai geschreven essaytjes van een man die weliswaar het einde in de ogen kijkt, maar nog met een laatste, liefdevolle en warme blik afscheid wil nemen van wat hem dierbaar is geweest in zijn leven. Hij prijst zich gelukkig dat hem daarin zoveel ten deel is gevallen en is blij dat hij in een tijdvak heeft geleefd waarin hij de deugd van soberheid leerde kennen. Dat heeft hem behoed voor het zich laten meeslepen door platvloers materialisme. Nergens kleuren de herinneringen sentimenteel, al zijn ze soms van nostalgie (‘Maar nostalgie is een buitengewoon bevredigend tweede huis’) niet geheel gespeend. Slechts één essay wijdt hij aan zijn ziekte.
    Judts toon is eerder laconiek dan larmoyant. De uiteenlopende onderwerpen die Judt onder de loep neemt (o.a. de auto’s uit zijn jeugd, het voedsel, de Green Line Bus, een geliefde leraar) zijn chronologisch gerangschikt en uitgesmeerd over drie delen. En passant krijgt de lezer een beeld van Judt als kind oplopend tot puber, tot student en later tot wetenschapper.

    Geboren uit Joodse ouders, met een vader die met een Oost-Europese achtergrond geboortig was van Antwerpen en een in Londen ter wereld gekomen moeder die banden had met Rusland en Roemenië, en zelf verkast van Londen naar Parijs en later naar New York, was Tony Judt in de wieg gelegd om zich met ‘identiteit’ bezig te houden. Toch bekent hij dat het ‘warme bad van de identiteit [hem] altijd [heeft] koud gelaten’. Hij schaart zich bepaald niet achter die mensen die menen: ‘je bent wat je grootouders geleden hebben’. Judt bezit een scherp oog voor de uitsluitende strategie van het begrip identiteit, waar anderen dat juist om díe reden hoog in het vaandel hebben staan. Verbonden voelt hij zich met de ‘toleranten en de marginalen, de randfiguren. Mijn mensen.’ Vandaar dat hij later ook goed kon aarden in New York, ‘een stad die zich meer thuisvoelt in de wereld dan in het land waar het in ligt’. Hoewel Tony Judt in die naoorlogse tijd nog genoeg is lastiggevallen met vooroordelen jegens Joden, heeft hij zich niet collectief willen scharen achter ‘de Joden’ of het zionisme, waarmee hij als zeventienjarige socialistische sympathisant op de kibboets kennismaakte, maar dat hij een paar jaar verder genadeloos afserveert: ‘In werkelijkheid waren dit natuurlijk provinciaalse en tamelijk conservatieve gemeenschappen, waarvan de ideologische rigiditeit het beperkte inzicht van veel van de leden moest camoufleren.’

    In het essay Toni, handelend over zijn tante Toni Avegael die hij, naar haar vernoemd, echter nooit heeft gekend omdat ze in de oorlog als joodse is vergast, toont Judt echter wel in particuliere zin zich verbonden te voelen met het lot van zijn Joodse familie. Het wezen van het Jodendom ligt voor Judt in ‘de gevoeligheid voor collectieve zelfbevraging en het vertellen van ongemakkelijke waarheden, dat dafka-achtige talent [=dwarsligger] voor pijnlijkheid en verschil van mening waar we ooit om bekend stonden. (…) We behoren de meest mededogenloze critici van die [de conventies] van onszelf te zijn.’ Dat hij voor ‘ongemakkelijke waarheden’ niet terugdeinst siert hem, al bracht het hem herhaaldelijk in conflict met zijn omgeving. Toch was er in Judts leven ook een conformistische fase; eentje waarin hij als twintigjarige doelbewust het revolutionaire Parijs van ’68 bezocht. Terugblikkend geeft hij grif toe: ‘zoals zoveel babyboomers conformeerde ik me aan nonconformiteit’. En dan in zijn kenmerkende, licht ironische toon: ‘Niemand hoeft zich er schuldig over te voelen dat hij op het juiste ogenblik op de juiste plaats is geboren. Wij in het Westen waren een gelukkige generatie. Wij hebben de wereld niet veranderd, maar de wereld was zo goed voor ons te veranderen.’ Hij ziet later in hoe ongerijmd het was dat, hoewel in Parijs het revolutionaire vuur werd opgestookt, intussen niemand warm liep voor de echte revolutie die op hetzelfde moment in Praag in alle hevigheid woedde. Later compenseerde Judt deze ‘gemiste kans’ door zich in te zetten voor dissidenten in het Oostblok en door Tsjechisch te gaan leren.

    Judt mag een verklaard tegenstander van het om zich heen woekerende neoliberalisme met zijn privatiseringszucht zijn, aan wie af en toe een enkele polemische oprisping ontsnapt, maar achter deze kronieken gaat echter niet zozeer een politieke agenda schuil, als wel de wens een eerbetoon te brengen aan die dingen in zijn leven die het bijzonder maakte en die hem gevormd hebben. Vooral die uit zijn Londense jeugd worden gekenmerkt door een grote sensitiviteit. De jonge Tony heeft de wereld scherp waargenomen. Dat zijn zinnen nergens doorbuigen door een overdaad aan details, komt omdat Judt goed maat weet te houden en daarbij een groot stilist is. Hij doseert de informatie goed en is genoeg Engelsman gebleven om zijn herinneringen met het nodige ‘wit’ te kruiden. Dus mooie, intelligent geformuleerde zinnen volop. In het stukje Eten: ‘Dankzij mijn vader doken er af en toe camembert, sla, echte koffie en andere traktaties op, maar mijn moeder stond daar net zo wantrouwend tegenover als ten opzichte van elke andere vorm van import van het Europese vasteland, ongeacht of die gastronomisch of menselijk was.’ In het essay over het verval van de veerboten over Het Kanaal: ‘Voorbij is de tijd dat Engelse reizigers met vochtige ogen van het dek de krijtrotsen van Dover zien naderen, elkaar feliciteren met de overwinning in de oorlog en opmerken dat het zo fijn is weer terug te zijn bij ‘echt Engels eten’. Boulogne lijkt tegenwoordig weliswaar steeds meer op Dover, (terwijl Dover helaas nog steeds vooral op zichzelf lijkt), maar de oversteek van Het Kanaal leert ons nog altijd een boel over beide kanten.’ Uit het stuk Midlifecrisis: ‘Andere mannen wisselen van vrouw. Of van auto. Of van geslacht. De zin van een midlifecrisis is een demonstratie van continuïteit met de eigen jeugd door iets volledig anders te gaan doen.’ Op dezelfde bladzij: ’Ik was zeker van mijn baan, had professionele verantwoordelijkheden en woonde in een mooi huis. Huiselijk geluk zou te veel gevraagd zijn geweest, maar het ontbreken ervan was gaan wennen.’ Over wat bijdroeg aan zijn motivatie om Tsjechisch te gaan leren, nadat hij in de jaren tachtig, politicologie docerend, publiekelijk voor een Tsjechische intellectueel in de bres was gesprongen, zonder evenwel diens taal te spreken en daarmee de politieke gevoeligheden van diens positie te kunnen taxeren: ‘Dat Thames [= zendgemachtigde van het Britse ITV televisienetwerk] me negeerde was tot daar aan toe, want ik vond het niet erg om onbelangrijk te zijn. Ik nam er echter wel aanstoot aan dat ik zowel onbelangrijk als ongeïnformeerd werd gevonden. Voor het eerst in mijn leven had ik me over een plaats en een probleem uitgelaten waarvan ik de taal niet kende. Ik weet wel dat politicologen dat voortdurend doen, maar daarom ben ik ook geen politicoloog.’

    Iets anders dat prettig treft is het evenwicht dat Judt bewaart tussen het particuliere en het algemene. De lezer komt minstens zoveel over gebruiken in het Londen van de jaren vijftig, of over bijvoorbeeld de gebruiken op King’s College in Cambridge aan de weet dan over de inwerking daarvan op de auteur.

    Wat mij ten slotte ook sterk voor Judt doet innemen is zijn liefde voor Zwitserland. Dwars tegen alle modes en voorschriften in. Al eerder in De geheugenhut liet hij blijken warme gevoelens voor dat land te koesteren: ‘tientallen jaren geleden verloor ik mijn hart ergens op een Zwitserse berghelling, maar de rest van mijn lichaam was zo dom verder te reizen.’ Maar in het allerlaatste essay Toverbergen bekent hij zijn liefde voor het land van de koekoeksklokken ronduit. ‘Je hoort niet van Zwitserland te houden. Blijk geven van genegenheid voor de Zwitsers en hun land is net zoiets als terugverlangen naar The Brady Bunch of het roken van sigaretten. Je staat dan onmiddellijk te boek als iemand die schandalig weinig van de ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar heeft meegekregen, en die ongeneeslijk en op de ergst denkbare manier conventioneel is. (…) Waarom ik er dan toch van hou? Het land heeft om te beginnen de voordelen van zijn tekortkomingen.’ Vervolgens prijst hij de voordelen van de nadelen. Nou ja, Judt blijkt gewoon verliefd op dat land! Dat zijn speciale liefde niet een algemeen geaccepteerd land als Italië geldt, bewijst te meer dat Judt zich weinig aan heersende normen gelegen laat liggen. Behalve dan aan de Zwitserse wel te verstaan, want ‘In een trein uit Interlaken ben ik een keer door een oudere dame berispt omdat ik de buitenkant van mijn linkervoet op het hoekje van de stoel tegenover me zette. In Engeland, waar het niemand zou zijn opgevallen of iets had kunnen schelen, was ik door een dergelijk ongeremde bemoeizucht waarschijnlijk flink van mijn stuk geweest, maar in Zwitserland schaamde ik me vooral voor het doorbreken van zo’n voor de hand liggende omgangsvorm, betrokken als ik was bij de gedeelde verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn.’

    Het boek eindigt met een soort visioen, dat tevens de almacht van de verbeelding viert: ’We hebben het niet voor het kiezen waar we ons leven beginnen, maar we kunnen eindigen waar we willen. Ik weet waar ik zal zijn, onderweg naar nergens in het bijzonder, in dat kleine treintje [in het Zwitserse Mürren], voor eeuwig en altijd.’
    Een serene finale. Wetende dat hij op het punt stond het leven te verliezen, heeft hij zich geen slecht verliezer willen betonen door de dood te provoceren met cynisme. De geheugenhut is daarmee een waardig testament geworden.  

    De geheugenhut

    Auteur: Tony Judt
    Vertaald door: Wybrand Sheffer
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 24,95

  • Vonne van der Meer 25 jaar schrijverschap

    Vonne van der Meer 25 jaar schrijverschap

    In februari verscheen de nieuwe roman De vrouw met de sleutel, van Vonne van der Meer. Uitgeverij Contact viert hiermee gelijk het 25-jarig schrijverschap van Van der Meer. In deze vijfentwintig jaar heeft Vonne van der Meer een rijk oeuvre opgebouwd van romans, verhalenbundels en novelles. Met Eilandgasten brak ze in 1999 definitief door naar het grote publiek.

    Vonne van der Meer werd in 1952 als jongste van een gezin van drie kinderen in Eindhoven geboren. Liefde voor het lezen kreeg ze van huis uit mee. Op de middelbare school viel zij op door de kwaliteit van haar opstellen en slaagde voor het examen Nederlands met haar verhalen. Ze voltooide vervolgens de regieopleiding aan de Amsterdamse Theaterschool, publiceerde verhalen (Hollands Maandblad) en schreef voor toneel. In 1976 werd haar monoloog, De behandeling door toneelgroep Centrum op het repertoire genomen. Na eerst regieassistente te zijn geweest van Franz Marijnen bij het RO-theater, regisseerde ze vervolgens tien jaar bij uiteenlopende gezelschappen als, Baal – Centrum – De Haagse Comedie en het RO-theater. Haar toneelstuk: Weiger nooit een dans, ging in 1996 in premiere. In 1987 debuteerde ze met de verhalenbundel Het limonadegevoel en andere verhalen. Waarna ze om de twee jaar een roman, verhalenbundel of novelle publiceerde. Haar bekendste roman is: Eilandgasten (1999), een roman- in- verhalen. De overpeinzingen van de vakantiegasten worden met elkaar verbonden via het vakantiehuis op Vlieland, het gastenboek en de verhuurder van het huis, een oudere vrouw. “Soms zou ik willen dat ik dit huis niet alleen schoonhield, maar dat mijn armen de muren waren, mijn ogen de ramen. Dat ik kon zien en horen wat Duinroos meemaakt.”
    Net als haar generatiegenoten Hermine de Graaf, Tessa de Loo en Renate Dorrestein, schreef Van de Meer aanvankelijk vanuit vrouwelijke ik-figuren, zoals het jonge meisje Prikkebeen in Een warme rug (1987), dat de verliefdheid op een jonge man ziet stranden omdat haar eigen moeder hem verleidt. Ook De reis naar het kind uit 1989 heeft een vrouwelijke hoofdpersoon, Julia, die kinderloos is en daarom op zoek gaat naar een adoptiekind uit een ver land. In Zo is hij, is er voor het eerst een mannelijke hoofdpersoon en verteller: Lucas Vlieger, wiens leven uit balans raakt als hij een mysterieuze brief ontvangt. Vlieger krijgt langzamerhand het idee dat zijn leven wordt bepaald door een almachtig iets. Na deze roman zullen vooral mystiek, ethiek en religie een belangrijk thema worden. In de verhalenromans Eilandgasten en De avondboot, komen al deze thema’s bij elkaar: man – vrouw – kinderen – abortus – overspel – liefde – ziekte en levensbeëindiging.

    Eilandgasten en De avondboot werden in 2001 tot een trilogie afgerond met de verschijning van Laatste seizoen, waarin wederom het pension Duinroos centraal stond. Judith Janssen in de Volkskrant: “Duinroos is een cocon waaruit de gasten gelouterd tervoorschijn komen.” Elsbeth Etty zag in de verhalen in dit laatste deel van de eiland-cyclus “parafrases van bijbelverhalen, waarin gewone, aardige mensen worstelen met de geboden op een van de tien geboden.” Etty was minder onder de indruk van Laatste seizoen dan de eerste delen, “Van der Meers verhalen sprankelen niet meer en herbergen geen verrassingen. Er valt maar één keer te lachen. Over een zachtmoedige huismoeder die haar vakantie op Vlieland vult met waterverven wordt opgemerkt: `Als ze niet meer menstrueren gaan ze aquarelleren.’”

    Ondanks dat ze alleen voor haar debuutbundel in de prijzen viel, (Geertjan Lubberhuizenprijs) wordt ze meestal positief beoordeeld door de kritiek en heeft ze van meet af aan veel lezers gehad. Er wordt wel gezegd dat Van der Meers werk overeenkomsten heeft met het werk van een schrijver als Frans Kellendonk. Niet alleen vanwege de mystiek-religieuze belangstelling, maar vooral vanwege hun gedeelde visie op het schrijverschap. Schrijven is onderzoek, het stellen van een probleem en het analyseren daarvan tijdens het schrijven. “Al schrijvend leer ik mijn eigen gevoelens begrijpen. Ik schrijf niet iets van me af, maar naar me toe.”

    Over haar nieuwste roman De vrouw met de sleutel: Vrouw, 59 jaar, moederlijk voorkomen, brede heupen, prettige stem, komt u voor het slapen instoppen en voorlezen. Discr. verzek. Beslist geen seks. bedoel.

    Een vrouw blijft na de plotselinge dood van haar man berooid achter. Ze moet geld verdienen en plaatst een advertentie.
    Haar werk voert haar naar de slaapkamers van de meest uiteenlopende mensen: een elfjarig meisje, een stewardess, een veertigjarige werkloze man. Meer en meer raakt ze bij haar klanten betrokken.
    De vrouw met de sleutel gaat over onze onstilbare honger naar verhalen, en wat een verhaal in een leven teweegbrengt.

    Vanaf april zullen verschillende romans van Van der Meer gebundeld worden en als omnibus uitgegeven worden. Zie ook: www.uitgeverijcontact.nl

     

  • Recensie: de trektocht – Albertina Soepboer

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Lachende lelie, dode maagd

    De nieuwe, dik uitgevallen bundel, de trektocht, van de Friese Albertina Soepboer (1969) telt bruto 102 stuks gedichten. Netto 68, wanneer je bedenkt dat de 34 Friese gedichten erin van een Nederlandse vertaling zijn voorzien. De bundel is uit twee delen opgebouwd: pleisterplaatsen en het nest. Deze twee delen bevatten diverse onderafdelingen die vrijwel allemaal titels dragen die het op weg/onderweg zijn betreffen.

    Er wordt net als in haar vorige bundel Zone (2005) veelvuldig gereisd, al dan niet met ondersteuning van werkbeurzen. En net als in Zone is hier ook weer een openingsgedicht dat de toon wil zetten voor een verhaal, als het vertrekpunt van de reis. Maar waar in Zone nog vaak steun gezocht werd bij een flard van een songtekst of een verdwaald stukje werkelijkheid, is de trektocht geheel opgebouwd uit één stemregister dat een bijna mythisch verhaal doet opklinken. En wat in Zone het meest trof, die even weerbarstige als lyrische stem die tegen de stroom van een verhaal in zijn woorden aan het gedicht oplegt, komt in deze bundel nog overtuigender tot zijn recht. Soepboer heeft namelijk voor haar jongste bundel de gelukkige keuze gemaakt om deze stem in het stramien van sonnetten te vangen. Sonnetten waarin de zinnen zonder hoofdletter beginnen, en zonder punt of rijmwoord eindigen. Dit versterkt de onderlinge samenhang en laat de betoverende cadans van de beeldende zinnen de vrije hand. Tegelijkertijd biedt de sonnetvorm een bedding aan deze stroming. Een houvast, zonder welk je als lezer makkelijk kopje onder zou gaan. De beelden kunnen zomaar kantelen, zinnen over elkaar heen spoelen, maar de stem van de dichteres blijft overeind. En ik zeg het maar gelijk: deze bundel overtuigt in zijn geheel, van begin tot eind. In de kracht van de woorden, de zinnen, de beelden, de stem van het totaal. Het is meeslepende poëzie. Bij dit soort poëzie, vraag je je niet eens af, sterker nog: wil je niet eens weten waar de klepel hangt, zolang je de klok maar kunt horen luiden. Want het verhaal blijft bij deze doorstroming van beelden schimmig. Er zijn beelden die terugkeren (onder andere: nacht – wind – bomen – mond – schrijven – zee – water – land – einde – maan – sterren – bed – slapen -brief , maar vooral: vogel) soms in een net even andere constellatie. Gaandeweg ga je er de contouren van een verhaal in herkennen, bijna zoals in een Rorschachtest. Het aanvangsvers, de vogelvrouw,  stelt ons namelijk een verhaal in het vooruitzicht:

    ‘zo moet het verhaal gaan: op een dag zien we elkaar
    jarenlang waren we onderweg, de inkt woonde
    onder de basaltstenen, ze hipte erover heen of
    moet ik schrijven dat ze klauterde, geen vorm had

    dan het kabaal van de witte golven die aanstormden
    op een zware zuidwester, de vleugels terzijde streek
    het dorre zand liet opwaaien, het lichte zicht wegnam
    en ik de hemel maar moest raden onder een zwart pak

    zoals ze daar staat, wat ik mezelf keer op keer dwing
    te herinneren: ze is rechtovereind van de nacht in de zon
    weg en wit, dat zuivere wit, zonder een mensenhand

    onder schuim van de golven onder eeuwige lijnen
    tuimelt het blauw en daarom zet de zee haar stem bij
    wat ik hoor, gelijk de ruis:  de aarde van dit verhaal’

    Voilà, daar is geen woord Frans bij en toch valt er op het eerste gezicht weinig chocola van te maken. Veel beelden, weinig coherentie. Maar samenhang zal de volhoudende lezer gegund zijn. Ook is in dit openingsvers sprake van een ‘ik’ dat reflecteert over de gebeurtenissen, als ook over hoe het onder woorden kan worden gebracht.

    De ‘ik’ betreft een vrouw die alleen is, maar daarover geen klaagzang aanheft:

    ‘ik wil zeggen dat het meevalt, dat het alleen zijn//
    geen honger in de hals is, geen dorst in zich
    draagt dan helder water’.

    De vrouw lijkt verlaten te zijn door een man, op wiens terugkomst ze wachtende is maar wiens hart vooralsnog mogelijk gedeeld wordt met een ander. Komt er intussen ook nog een andere man langs? Niet echt helder. Wel lijkt er aan het einde sprake van een hereniging met de man in kwestie. Weldra is er dan ook nog nieuw leven in de vorm van een zoontje. Het blijft echter allemaal in het vage. Maar deze poëzie heeft het verhaal als alibi niet nodig om los te gaan. Deze poëzie getuigt van zichzelf. Dit is beeldenrijke, totaal van ironie gespeende poëzie. Erg welkom om te lezen. Alles gebeiteld in krachtige, zelfbewuste, soms ook poëticaal te lezen zinnen, zoals bijvoorbeeld die waarin ‘de lucht zich ’s avonds vol komma’s waait’. Met dit soort zinnen vervlechten de gebeurtenissen zich met de taal waarin ze worden verwoord.

    ‘(..) met zout op de tong
    sta ik in het natte zand, weer al de nieuwe tekens
    die zullen zijn, de horizon is mijn witte regel

    met de rouwrand van oudjaar en ik weet dat het niets
    te zeggen is, want ik timmer licht in de zee
    voel haar stevige glimlach op mijn schouder vallen’

    Dit citaat staat nog in het begin (p. 16) te lezen. Op pagina 45 lezen we: ‘de verte is een hand en waait het verhaal de deur in’. In het allerlaatste gedicht staat: ‘en/ de horizon is weer die trillende strook van/ alles simpel als wat’. Is de horizon weer een schone lei? Lijkt het verhaal daarmee gezegd? Zijn de dingen volbracht? Is het daarom dat de vogel, waarmee de ‘ik’ zich goed kan verstaan (‘onder een telefoonpaal belt de bonte kraai haar op’), in de allerlaatste regel ‘snavelvol’ verder vliegt en de aarde weer overlaat aan de vrouw, de man en het zoontje?

    Omdat een vogel niet aan plaats en ruimte is gebonden, is het niet verwonderlijk dat de zich voortdurend van pleisterplaats naar pleisterplaats bewegende ‘ik’ zich ermee vereenzelvigt. Behalve dat de ‘ik’ de tekenen van de tweevoeters verstaat (een gedicht dat in Rome speelt, spreekt van ‘auguri’), leest ze ook verbanden in de sterren: ‘zo hoog dat // de sterren het niet eens weten’, of: ‘andere sterren die ik kus als niemand er nog is.’ En als we elders dan ook nog lezen ‘ons verhaal voorspelt zich / in de dingen die langswaaien op de zomerwendewind’, en we daarbij bedenken dat de bundel ook een afdeling kent die Avalon heet, zou de indruk kunnen ontstaan dat we hier van doen hebben met een dichteres die in het spoor van A. Roland Holst wil treden. Eentje die een mythisch verband vermoedt tussen onze wereld en een eentje op een geheime, verborgen locatie, waar vogels weet van hebben. Maar zover gaat het in deze bundel echter niet. Ter geruststelling zij gezegd dat er in deze gedichten ook tafels worden afgeruimd en thee wordt gezet.

    Hoog tijd om maar weer eens  een volledig sonnet te citeren.

    ’terwijl thuis

    en dan tilt de deken op, het licht is hier van oker
    als de vroege avond komt, ik steek de straat over, fietser
    gaat voorbij, misschien is dit de zomernacht, intussen
    speelt de gamelan, de geluiden zijn een tweede huid

    weer het licht op de markt, dat zwembad van kleur
    van roodbijtende pepers, nu de zon zomaar zakt
    diepbruin van de muskaatnoten en het groen, vanzelf
    groen, dit is de smalle eeuwigheid, om te koesteren

    zet koel water op een tafel, laat de warme avond binnen
    bijt al die oude weemoed kapot als een dunne draad nu
    thuis is de stoel, is de tafel, alle andere woorden in mij

    als de een tegenover me staat, de ander altijd weer een ander is
    ik bedenk weer hoe en wat en ergens anders de trein
    uit het wad rijdt en mijn huis altijd weer onderweg is’

    Dit is zeer concrete poëzie, gecombineerd met reflectie. Aards. Warm.

    Maar het concrete kan zomaar zijn vaste vorm verliezen:

    ‘op deze eerste dag komt de oude tijd langs
    gedachten stijgen op in een warme melkbel
    ik bedenk pannenkoeken en andere cirkels
    waar ik in geslapen heb: licht, wit, de zee’

    Het hierop volgende gedicht spreekt van:

    ‘het licht speelt zich ’s ochtends af als zoiets
    tussen ons waar we menselijk niet inpassen
    het is woest onhandige taal, schudt ons dan
    leeg in een beslagkom van de oude woorden’

    De taal schiet tekort maar de dichter dient ons dat tekort in treffende beelden op. En de beslagkom komt in ieder geval na die pannenkoeken uit het vorige sonnet niet zomaar uit de lucht vallen. Ik bedoel: als hier waanzin staat, dan zit er in ieder geval systeem in. De gedichten lijken zo met elkaar een grote keten te vormen. Deze bundel dwingt je alert te lezen en wie dat doet, wordt rijkelijk beloond. Die lukt het mee te liften op de cadans van deze beeldenrijke poëzie. Met mooie, scherpe beeldende zinnen waarin de eenzame nacht omschreven is ‘als het laken vol / raakt van eenzaamheid en nachtelijke vogels’. Waar staat: ‘mensen die de tijd in / houden en opgelucht ademhalen als de zon terug is’. of: ‘de berk zal daar / breken waar het begin is’ of: ‘dat hij het zocht / de hel met uitzicht, lachende lelie, dode maagd’ Of: ‘ach, dat voorjaar dat zich lustig en rustig spreidt / ik verbreek mijn gedachten in begrijpen en niet/ kunnen slapen en andere dingen die ademhalen’. Het is verleidelijk om met langere citaten te strooien, omdat die ene zin die ik wilde citeren zomaar overgaat in een andere die er niet voor onderdoet. Zo vangt bijvoorbeeld het gedicht ‘de lotus geeft zich bloot’ aan:

    ‘die geluiden: eindeloos de gamelan, het zuchten van duister
    en de messen op een bord, snijdend, je blote voeten
    zoekend onder de tafel, of er nog witte wijn is, koel
    dan het ijs, het zweet, die lange verhalen over hoe het lichaam heen en

    zo worden we, een regel in een kort verhaal misschien maar
    zo wonen we ergens, als was het los citaat bij liefde maar
    al blijft de knoop van hoop, de paradox zonder uitweg’ Enz. enz.

    Een voorbeeld van hoe snel de beelden rondgaan in de regels:

    ‘en ik zoek naar dat ene woord: om het stof te zijn

    achteloos die vraag: komt de tijd voor een kachel
    aan het voeteneind van jong zijn, onbeschreven
    niet blanco ? kijk, er zit een merel in de boom

    opnieuw zet ik de thee klaar ? ik weet niets meer dan
    dat de tijd kan zingen, dat de dingen gereed zijn
    keer op keer giet ik het mezelf in: het is niet te keren’

    Fraai is het beeld van de tijd die gaat zingen gekoppeld aan het theewater dat zijn kookpunt middels een fluittoon zal aangeven. Niet alleen in dit citaat, ook elders stuit je op veel passages die over het schrijven zelf gaan. Dit is bij wijze van voorbeeld het sextet van ‘faunus’

    ‘het gezicht van de boom glimlacht en hij is de bekende
    op deze plek, zijn puntige vingers zwaaien altijd weer
    naar mij, zo wijd open, dat alleen nog overblijft

    wat het woord is dat op de bruine lippen stolt
    en dat ik aan de schrijftafel openvouw: de brief
    van een langverwachte, het taalspoor naar binnen’

    Bovenal koestert de dichteres, de vogelvrouw, de wens ‘het allemaal [te] zeggen’. ‘Ik wil een kop met droomthee, ik wil vastleggen’. Hier lijkt iemand er veel aan gelegen te zijn om een alleszins onthutsende werkelijkheid in taal te gieten. De slotterzine van ‘de geheime volgorde’ luidt:

    ‘als ik naar de onderkanten van het paradijs glijd
    waar we rusteloos gaan zoeken – naar de mond
    die het benoemt – houd mij vast – heel de tijd’

    en tot slot nog een sonnet voluit

    de brief

    op deze ochtend ontbijt de haast in mijn benen
    slaat mijn windroos naar al jouw richtingen uit
    licht tilt de deur open, zo uitnodigend naar wat
    ik weet dan ik niet kan weten, lach ik hopeloos

    terwijl ik door bekende straten ren, is het dit
    wat ik nooit eerder gezien heb: iemand tikt mij
    op mijn schouder, de postbode geeft brieven af
    en mijn naam is altijd dezelfde hier: thuis zijn

    zo sta ik op het plein van alle letters, van wat
    zich snel zal gaan zeggen, zuidelijke wind komt
    in hoge bomen waar ik tegen rust en dan luister

    ik pak de namen, de brieven, zwaai rusteloos
    tot de windroos zijn vleugels opent: dit is het
    niet benoemen, het vallen in de wijde cirkels’

    Bij het lezen van deze bundel had ik voortdurend het gevoel: dit is poëzie zoals poëzie bedoeld is. Wanneer iemand mij morgen met het mes op keel zou vragen hem een bundel vol overrompelende lyriek te noemen, zou ik zonder aarzeling antwoorden: ‘de trektocht van Albertina Soepboer!’

    de trektocht

    Auteur: Albertina Soepboer
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 21,95