In zijn inleiding bij de vertaling van Het boek van honderd-en-een nacht geeft Richard van Leeuwen een verantwoording voor deze uitgave. Daarin verwijst hij naar De vertellingen van duizend-en-een-nacht, waaraan dit boek duidelijk verwant is, gezien de overeenkomstige vertelstructuur.
Een koning ontdekt dat zijn vrouw hem bedriegt met een brute, zwarte man en dat zij van plan is hem te doden. De koning brengt daarop zijn vrouw, haar slavinnen en de zwarte man ter dood en besluit om in het vervolg elke ochtend het meisje te vermoorden met wie hij de nacht heeft doorgebracht. Elke nacht een ander meisje tot er nog maar twee meisjes over zijn in zijn rijk, de zusjes Dinarzaad en Sjahrazaad. Sjahrazaad weet de koning, die erg van mooie verhalen houdt, zover te krijgen het leven van haar zusje, na de nacht met haar, te sparen door hem een verhaal te vertellen dat zij vóór het aanbreken van de dageraad afbreekt om het de volgende nacht voort te zetten. Zo gaat het honderd-en-één nachten door tot Dinarzaad zwanger blijkt te zijn van de koning. Daarop belooft de koning hen te sparen en komt er een einde aan de vertellingen van Sjahrazaad.
Werk aan de winkel voor cultuurhistorici
Terwijl Duizend-en-een-nacht een schijnbaar oneindige stroom verhalen bevat die alle kanten uitwaaiert, is Honderd-en-een nacht veel compacter en strakker gecomponeerd. Dat roept de vraag op naar de relatie tussen beide verhalencycli. Daar zijn de geleerden echter niet uit, aangezien de ontstaansgeschiedenis van beide teksten in nevelen gehuld is. Wel is duidelijk dat de oorsprong van beiden gezocht moet worden in de mondelinge verteltraditie, die samenhangt met de expansie van de islam naar Perzië en Zuidoost-Azië. Vanaf de dertiende tot de zestiende eeuw, tijdens de Mammelukkendynastie in Egypte en Syrië, werden dit soort verhalen pas opgetekend in het Arabisch. In de archieven liggen nog talloze manuscripten in alle denkbare talen van Azië en het Midden-Oosten te wachten om ontsloten te worden.
Een meesterwerk met kanttekeningen
De invloed op de Europese literatuur is evident. In de Middeleeuwse ridder- en liefdesromans zitten steevast episodes die zich afspelen in een oosterse toverwereld. Toen in de zestiende eeuw Constantinopel werd veroverd door de Ottomaanse Turken en er een einde kwam aan het Grieks-Romeinse Byzantijnse rijk, begon men in Europa, het begin van de Renaissance, systematisch oosterse manuscripten te verzamelen en vertalen. De achttiende-eeuwse Franse vertaling van Duizend-en-een nacht is onmiddellijk een groot succes en heeft zich definitief een plaatsje verworven in de Europese literatuur en cultuur met in haar kielzog Honderd-en-een nacht.
Van Leeuwen wijst erop dat het karakter van deze verhalen niet altijd meer strookt met onze huidige normen en waarden en fatsoensnormen. Ze zitten vol stereotyperingen. Alle prinsessen zijn bloedmooi, moeten veroverd worden door knappe en dappere prinsen om tenslotte, na een feestmaal met uitgelezen spijzen van ettelijke weken of maanden, ontmaagd te worden en masculien koninklijk nageslacht te baren. In zijn algemeenheid zijn vrouwen handelswaar dat cadeau gegeven wordt aan ieder die de koning behaagt. Een goed voorbeeld van dit vrouwvijandige karakter van veel verhalen is het verhaal van de ‘Prins en de zeven viziers’, waarin vrouwen zelfs als een bedreiging van de sociale orde worden gezien. Waarom dan toch deze vertaling?
Zoveel moois!
Volgens Van Leeuwen zijn deze verhalen, hoe onaangenaam de stereotyperingen ook zijn voor de hedendaagse lezer, onlosmakelijk verbonden met het mondiale culturele erfgoed. Van Leeuwen hoopt dat een beter inzicht in het functioneren van dit soort stereotyperingen in de literatuur door de tijden en culturen heen uiteindelijk zal bijdragen aan ‘een genuanceerde en verdraagzame vorm van inclusiviteit en algemene erkenning van menselijke waardigheid’. Voorwaar een mooie gedachte. Of dat werkelijk zo uitpakt, valt te bezien, maar dat ze behoren tot ons culturele erfgoed is zeker. Er valt trouwens nog heel wat te genieten van al die verhalen, bijvoorbeeld van het verhaal ‘De druppel honing’, waarin te zien is hoe een kleinigheid kan leiden tot een grote ramp. Een pareltje. Prachtig is ook ‘Leeuwenspoor’. Daarin wijst een deugdzame echtgenote de avances van de koning af, die zijn zinnen op haar had gezet en daarvoor haar man heeft uitgezonden op een of andere missie. Dit verhaal doet denken aan het Bijbelverhaal van koning David en Bathseba. Maar het mooiste verhaal is ‘Het verhaal van de vier vrienden’, een schelmenverhaal waarin vier vrienden, een dief, een spoorzoeker, een timmerman en een boogschutter strijden om het bezit van ‘een meisje zo mooi als de rijzende volle maan’. Uiteindelijk is het natuurlijk de dief die er met de buit vandoor gaat.
Het is al met al een heerlijk boek geworden, vol sprookjesachtige elementen met boze geesten en tovernarij, prinsen en prinsessen, die wonen in schitterende paleizen. Fijn dat Richard van Leeuwen deze verhalen voor ons toegankelijk heeft gemaakt.
