• Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • De Parelduiker en Dola de Jong

    De Parelduiker en Dola de Jong

    Gesignaleerd door de redactie

    In het nieuwste nummer van De Parelduiker brengt voormalig NRC-correspondent in New York, Lucas Ligtenberg het vergeten leven van de schrijfster en danseres Dola de Jong (1911-2003) weer in herinnering.

    Zij dreef Willem Frederik Hermans tot zo’n razernij dat hij haar in Amsterdam op straat wilde aanvallen. Ze maakte de eerste Engelse vertaling van het dagboek van Anne Frank. Ze was gedurende een halve eeuw de beste Nederlandse vriendin van Leo en Tineke Vroman in New York. Haar naam werd medio jaren vijftig in één adem genoemd met die van Anna Blaman en A.H. Nijhoff vanwege een openhartige roman over een lesbische verliefdheid. En tenslotte, Dola de Jong schreef de roman En de akker is de wereld (1946), die zo beeldend is dat er met enkele handgrepen een filmscenario van te maken zou zijn.

    Haar naoorlogse maar inmiddels vervlogen roem berust voornamelijk op dit boek, dat over vluchtelingenkinderen gaat, ontheemden die hun jeugd aan het verliezen zijn terwijl we ze gadeslaan. De joodse Dola de Jong vluchtte voor de Duitsers – haar familie kwam om in de Duitse concentratiekampen. Via Noord-Afrika wam ze in New York terecht, waar ze een nieuw leven opbouwde. Een roman die over de refugié, de ontwortelde mens in Amerika, zou moeten gaan, is er nooit gekomen. Ook een autobiografie lukte niet meer, zo verklaarde ze in 1990: ‘De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hebben een zware stempel op mijn leven gedrukt. Als ik een autobiografie zou schrijven, zou ik alles opnieuw beleven. Dat kan ik niet meer aan.’ Ligtenberg pleit ervoor En de akker is de wereld op te nemen in de literaire canon.

     

    De Parelduiker 2012/5
    72 blz. € 10,50.
    Abonnement (5 nummers p.j.) € 49,90
    Digitaal abonnement (pdf) € 34,90
    www.parelduiker.nl

    De Parelduiker is een uitgave van Uitgeverij Bas Lubberhuizen en verschijnt met steun van het Nederlands Letterenfonds.

     

  • Leven alsof je alle tijd van de wereld hebt

    Leven alsof je alle tijd van de wereld hebt

    De wereld wordt steeds kleiner. Iemand bij Philips vertelde laatst dat ze daar een kaart hadden gemaakt die in plaats van afstand reistijd liet zien. Ze hadden Eindhoven als het centrum genomen en hoe verder iets op deze kaart van Eindhoven vandaan lag, hoe langer de reistijd (met de auto) er naar toe was.

    Een reistijdkaart ziet er heel vreemd uit. Als ik bijvoorbeeld vanaf het kantoor waar ik werk in Amsterdam naar Londen wil reizen doe ik er minstens twee uur over voordat ik een vliegtuig op Schiphol in stap. Vervolgens doe ik er minder dan twee uur over om in Londen uit te stappen. Op een reistijdkaart ligt Londen dus dichter bij Schiphol dan bij Amsterdam. En Schiphol zelf moet een enorme vlek op de kaart zijn die weergeeft hoe ellendig lang je er moet wachten voordat je kilometers mag maken.

    Wie ver reizen wil, moet al gauw wachten. Wachten op luchthavens, op treinen, bussen, in de file en bij grenscontroles. Het zijn juist de plaatsen waar je niet wilt stilstaan die al wachtend groter worden. De wereld zelf wordt steeds kleiner maar dat is alleen zo voor de reiziger die op wil schieten en in beweging blijft. Wie alle tijd van de wereld heeft en regelmatig, ongedwongen stil staat maakt de wereld juist groter.

    Langzaam, bijna stilstaand reizen is een kunst die niet veel mensen beheersen. Voor wie wil weten hoe dat moet, is er het boek de De wegen van de wereld van de Zwitser Nicolas Bouvier. Bouvier maakte samen met zijn vriend Thiery Vernet begin jaren vijftig in een klein Fiatje een reis van Bosnië, via Turkije naar Iran, Pakistan en uiteindelijk India.

    De afstand en richting van de tocht doen een beetje denken aan die beroemde reis uit de oudheid, die van Alexander de Grote. Maar bij nadere beschouwing is de reis van Bouvier in veel opzichten totaal tegengesteld aan die van de beroemde Macedonische veldheer. Waar Alexander er op uit ging om de wereld te veroveren, laat Bouvier zich juist veroveren door de wereld. En terwijl Alexander te voet met een leger de grenzen van de bekende wereld verlegt, daar reist Bouvier in een Fiatje met zijn vriend door steden en dorpen alsof het zijn thuis is. Waar nodig blijven ze langer, om te kunnen werken voor de kost en om de reis weer te kunnen voortzetten.

    De wegen van de wereld is inmiddels een klassieker van de reisliteratuur geworden, maar je kunt je afvragen of de beschrijving van de reis zelf, het boek zo goed maakt . Bouvier is prachtig in staat om op onverwachte momenten stil te staan en je mee te voeren in een bijna dromerige toestand. Er gaat vanaf de eerste bladzijde iets betoverends uit van zijn zinnen en het is moeilijk de vinger op de details te leggen en te beschrijven waar dit ‘m nu in zit.

    De reis speelt natuurlijk wel een rol in de betovering die Bouvier de lezer laat ondergaan, maar het zijn niet de gebeurtenissen, de avonturen of de bezienswaardigheden die zijn aandacht trekken. De decors van zuidelijke en verre landschappen en culturen geven de beschrijvingen een romantische glans.  En ook de tijd waarin de reis plaats vond, de jaren vijftig van de twintigste eeuw, voegen iets van nostalgie toe.

    Bovendien, Bouvier en zijn vriend Thierry zijn jong. Het jeugdig enthousiasme en het verlangen kunstenaar, schrijver te worden en de wereld te zien, spat van de bladzijden. De tekeningen die Thierry tijdens de reis maakten zijn dan ook in het boek opgenomen. Het zijn naïeve, ietwat gedateerde zwart-wit afbeeldingen die door hun eenvoud en hun plaats in het boek je sympathie weten te winnen.

    De beste delen van het boek zijn die waarin het tweetal langer in een plaats verblijft, om er in primitieve omstandigheden te leven en wat geld te verdienen voor het vervolg van de reis. Bouvier beschrijft de omgeving, de mensen waarmee hij leeft, de pogingen geld met lezingen te verdienen, en tal van dagelijkse, op zich onopmerkelijke gebeurtenissen. Hij doet echter met een uitzonderlijke intensiteit die het lezen erg aangenaam maken.

    Bouvier doet daarbij denken aan de Russische schrijver Konstantin Paustovskij die in zijn dagboeken af en toe hetzelfde effect teweeg weet te brengen. Beide schrijvers weten de natuur en de mensen om hen heen zo dromerig en liefdevol te beschrijven dat je er onwillekeurig in mee gezogen wordt. Maar Paustovskij’s dagboeken bevatten ook het drama van de Russische geschiedenis, de oorlog en de revolutie. In De wegen van de wereld is er geen sprake van grote verhalen, er gebeurt vreemd genoeg niet zo veel.

    Gebeurt er dan helemaal niets op de lange reis? Jawel. Thierry wordt een keer hardhandig beroofd maar Bouvier wijdt er maar een paar regels aan. En natuurlijk begeeft de Fiat het op een gegeven moment, maar ook dit is voor Bouvier geen reden om er een drama van te maken. Het enige voorval waar hij zich uitdrukkelijk over opwindt, vindt plaats tegen het einde van de reis. Een overijverige schoonmaker heeft zijn reisaantekeningen voor vuil aangezien en weggegooid. Bouvier is in alle staten en gaat zelfs op de vuilnisbelt nog zoeken naar zijn verloren papieren. De uitkomst weten we al, want in het voorwoord is ons verteld dat Bouvier zo goed als alle aantekeningen kwijt is geraakt.

    De plotselinge opwinding doet je wel beseffen dat het boek wel heel erg kabbelt. Eigenlijk is het net iets te lang. Bouvier kan prachtig schrijven, maar hier en daar zou er wel iets meer mogen gebeuren, een beetje meer drama hier en daar, zou geen kwaad kunnen. Maar de dromerige stijl is bij vlagen zo sterk en verslavend dat je dergelijke kritiek misschien helemaal niet moet uitspreken.

    Als je dan al kritiek op dit boek moet hebben dan moet het gaan over de constructie die dit reisverslag, deels noodgedwongen is. Bouvier heeft na de reis drie jaar aan het boek gewerkt en hoewel het geheel overkomt als een spontane reisbeschrijving wordt de betovering af en toe onderbroken door wat verplicht aandoende geschiedenislesjes. Over de landen, de culturen en de plaatsen die Bouvier bezoekt, leren we merkwaardig genoeg maar heel weinig.

    Een opmerkelijke uitzondering is het gesprek dat Bouvier in Iran heeft met een Amerikaan die voor en met de lokale bevolking een school wil bouwen. De Amerikaan zit vol goede bedoelingen maar wordt niet vertrouwd. De bouwmaterialen verdwijnen spontaan, de lokale bevolking is niet geïnteresseerd en het project mislukt dan ook volledig. Bouvier weet een prachtige analyse te geven van het hoe en waarom van deze mislukking. Natuurlijk draait alles om het wederzijdse onbegrip tussen de lokale bevolking en de Amerikanen. De les lijkt zo erg op de jongste ervaringen van de Amerikanen in Irak en Afghanistan dat de gedachte zich opdringt dat men nooit van de geschiedenis zal leren.

    Stroever zijn de paragrafen die Bouvier thuis heeft ingevoegd en die feitelijke informatie over land of streek moeten geven. Hij had zich die moeite kunnen besparen. De schoonheid van De wegen van de wereld bestaat voor een groot deel juist uit de gedachte dat de waarde van het reizen niet afhangt van kennis van feitjes. Het is vooral een manier van kijken, van ervaren, van beleven van afstand en tijd, van leven alsof je alle tijd van de wereld hebt. Bouvier weet al reizend stil te staan terwijl je als lezer stilzit maar innerlijk beweegt. Meer mag je van een reisboek toch niet vragen.

     

  • Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Ondanks dat het werk van Henk Romein Meijer als zeer toegankelijke gold, genoot hij geen grote bekendheid in literaire kringen. Marja Pruis schreef dat Romijn Meijer in zijn tijd al een ‘geheimtip’ was, Tom van Deel is van mening dat hij nog steeds een schrijver is die ontdekt moet worden en Aleid Truijens concludeerde dat hij schromelijk onderschat was en kortweg te weinig gelezen werd.

    Literair executeur Gerben Wynia schafte zich tijdens zijn studie Nederlands in Groningen in 1982 de verhalenbundel Bang weer van Henk Romijn Meijer (1929-2008) aan. Waarna zijn bewondering voor Romijn Meijer als schrijver gewekt was. Negen jaar later besprak hij, als recensent van De Twentsche Courant, enkele verhalenbundels van Romijn Meijer. Een lovende recensie, waarop hij een vriendelijke brief van Romijn Meijer ontving. Hierna ontstond een vriendschap die tot de dood van de schrijver in 2008 duurde waarna Wynia, op verzoek van Romijn Meijer tot zijn literair executeur werd benoemd. Wynia beschrijft hoe hij in die hoedanigheid in de zomer van 2008 het Franse plaatsje Souillac bezoekt, waar de schrijver de laatste jaren van zijn leven met zijn vrouw Elisabeth Mollison (Mollie) woonde. Hoe hij samen met Mollie de werkkamer van de schrijver doorwerkt: ‘(…) een schrijversleven ging door onze handen.’ En hij naar een paar dagen met ‘een rugzak vol kostbaarheden’ (brieven, foto’s manuscripten en dagboekcahiers) naar huis vertrekt. Wynia tipt verder nog het kortstondig dichterschap van Romijn Meijer aan en de daaruit voortkomende kennismaking met Gerrit Achterberg. En schrijft in Een trans-Atlantische vriendschap over de vriendschap van Bernard Malamud en Romijn Meijer die bijna een kwart eeuw duurde. Een vechtvriendschap gaat over de moeizame vriendschap met Han Voskuil.

    Een liefdevol stuk (Engelstalig) van Elisabeth Mollison over hun eerste ontmoeting in Henk and I begin vijftiger jaren. In dagboeknotities is te lezen over hun vriendschap met o.a. Han en Lousje Voskuil en Hannie Michaelis en Gerard van het Reve. Ook zijn er verschillende bijdragen van Henk Romijn Meijer zelf, dagboekaantekeningen uit Dagboek 1954-1955, Dagboek 2002 en Dagboek 2007 en het verhaal Slaap, dat een realistisch verslag is van een verblijf in Parijs van Romijn Meijer met zijn vrouw.

    In Censuur bij de Reina Prinsen Geerligsprijs schrijft Wynia dat Romijn Meijer in vrijwel al zijn verhalen dicht bij de personen en plaatsen blijft die hem inspireerden. Een manier van schrijven die veel schrijvers eigen is, maar Romijn Meijer schreef zo dicht op de werkelijkheid dat hij bij het verkrijgen van de Reina Prinsen Geerligsprijs (1954), waarvoor hij zeven verhalen inzond, het verzoek kreeg het verhaal Na het concert alstublieft niet voor te lezen bij de prijsuitreiking, omdat het te zeer naar de werkelijkheid beschreven was. Hier heeft de dan 25 jarige auteur zijn stijl van schrijven al gevonden; zijn personages worden herkenbaar en naar het leven getekend. Ondanks dat hem voorspeld werd (door o.a. zijn vader) dat het hem problemen zou opleveren als hij zo bleef schrijven, bleef hij deze uitgangspunten en technieken zijn hele leven als schrijver trouw.

    Over de relatie tussen Henk Romijn Meijer en zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot dat eindigde in een conflict, een stuk van Arjan Fortuin. Van Oorschot verweet Romijn Meijer onder meer dat er geen ‘klik’ was tussen hen. In een briefwisseling tussen Romijn Meijer en Geert van Oorschot waarin de onverkoopbaarheid van Meijers werk centraal staat, eindigt Romijn Meijer aan Van Oorschot met: ‘Ik vind je overigens ook best aardig, ook soms half aardig, soms opgeblazen en vervelend. Eveneens sans rancune, met hartelijke groeten, Henk’. Tussen hen is het nooit meer echt goed gekomen. Evenals de breuk met Voskuil, bereikte Romijn Meijer een grens waar hij niet van terug kon.

    Overige bijdragen van Theo Sontrop Stuur weer eens gauw iets voor Maatstaf, Mischa Andriessen De tijd die niet voorbij gaat. Over jazz in het proza van Henk Romijn Meijer, Willem van Manen Herinneringen aan Henk,Laurens van Krevelen HRM en de opstand der realisten, Peter Verstegen Hondsdagen in perspectief, Maarten Asscher Daar zijn ze weer. Over De Amerikaantjes van HRM en Chantal van Dam Gracias a la vida. Een correspondentie in ansichtkaarten.

    Henk Romijn Meijer heeft meer dan 25 titels op zijn naam staan en als schrijver bewees hij zich een ironicus, een scherp observator en een groot verteller. De vele foto’s en afbeeldingen van persoonlijke documenten en boekcovers completeren het beeld van de schrijver. Overigens begint het tijdens lezing van dit nummer dusdanig te kriebelen dat je je een verhalenbundel van deze schrijver zou willen aanschaffen om over dat alles, dat zijn leven zo in beweging bracht te lezen. Vooruit, naar de winkel!

     

    www.parelduiker.nl

  • ‘Gezegend is daar het bestaan.’

    ‘Gezegend is daar het bestaan.’

    Het is zonder meer al de moeite waard om de havenstad Odessa te bezoeken, met dit boek in de hand kan het een mooie literaire reis worden. Want Odessa is een stad waar veel grote schrijvers gewoond en gewerkt hebben, vooral enkele grote humoristen zoals het schrijversduo Ilf en Petrov. En wandelend door de stad proef je de sfeer van deze internationale, vrolijke stad. Er is een literair museum, waar van iedere schrijver die er gewoond heeft een complete zaal is ingericht.

    Dit boek De mythe van Odessa uit de serie Het oog in ’t zeil sluit aan bij het boek met dezelfde titel uit 1993. Het is een schitterende aanvulling en wie het eerste boek niet heeft gelezen, kan door deze publicatie op een uitstekende manier kennismaken met de stad Odessa en haar schrijvers.

    In het inleidende hoofdstuk is de stad als handelshaven beschreven, en wordt verteld over de literatuur, de filmwereld, de theaterwereld en de kosmopolitische sfeer. Die er eigenlijk nog is. Kuierend door de stad ervaar je een gevoel van vrijheid, van ontspanning, van gezelligheid.

    In de stad staat niet voor niets een standbeeld van de grote dichter Alexander Poesjkin, hij beschreef al de status van vrijhandelsstad in een gedicht: ‘… Vooral wanneer op wijn en port, geen invoerrecht geheven wordt. En dan de zee, de zon van ’t Zuiden… Wat meer nog vrienden staat u aan? Gezegend is daar het bestaan!’

    Het hoofdstuk over de latere Nobelprijswinnaar Ivan Boenin is het enige, dat ook in de eerdere uitgave over Odessa heeft gestaan. Boenin staat op de drempel van een nieuw leven, hij moet, hij wil zijn oude leven loslaten, hij kan de politieke ontwikkelingen niet aan. Hij moet beslissen: wel of niet naar het buitenland en hij gaat, naar Frankrijk, waar hij weliswaar in rust leefde maar waar ‘zijn wereld minder mooi was geworden’. De melancholie van veel Russen in het buitenland beheerste ook zijn leven.

    Konstantin Paustovski heeft in zijn autobiografische kroniek hele stukken aan Odessa en aan de schrijvers uit die stad gewijd. Hij schreef over Babel, van wie hij geleerd had hoe hij mensen moest beschrijven. Hij schreef over de Witten, die de stad innamen, gevolgd door de Roden, de strijd, de pijn, de onzekerheid en de armoede. Paustovski beschreef vooral de beelden, de kleuren en de geuren van de stad in de jaren 1919 tot 1922. Indrukwekkende verhalen over het dagelijks leven. Vanuit Frankrijk complimenteerde Boenin Paustovski met een van zijn verhalen, hij was vergeten, dat hij hem ooit in Odessa had ontmoet.

    In 1894 werd Isaak Babel in Odessa geboren en zijn romans en verhalen zijn vrijwel allen onlosmakelijk met de stad verbonden. Sommige verhalen noemt men typische ‘Odessa-verhalen’, omdat ze in een speciale wijk spelen – de Moldavanka, omdat ze over typische Joodse Odessieten gaan, zoals Benja Krik. In 1916 woonde Babel een tijdje in Petrograd – het huidige St. Petersburg – en schreef daar een ironisch verhaal over Odessa. Het begon zo: ‘Odessa is een verschrikkelijke stad. Iedereen weet, hoe ze daar de taal om zeep brengen. En toch geloof ik dat je heel wat ten gunste van de stad kunt aanvoeren, die meer charme bezit dan welke andere ook in het Russische keizerrijk. …’ Babel was een groot schrijver, al zijn collega’s bewonderden hem. Helaas was het politieke klimaat hem niet welgezind, in 1940 werd hij door de geheime dienst doodgeschoten.

    Ilja Ilf en Jevgeni Petrov waren allebei in Odessa geboren en leerden elkaar kennen in Moskou. Daar schreven ze samen de onovertroffen humoristische roman De twaalf stoelen, deze werd later gevolgd door Het gouden kalf. In het eerste boek maken we een rondreis door het revolutionaire Rusland in een hilarische zoektocht naar die ene stoel waar diamanten en familiejuwelen in verstopt waren. Ostap Bender, de sympathieke boef, is een figuur geworden, die alle Russen kennen. Noem zijn naam en ze beginnen te lachen, weten anekdotes uit de roman te vertellen. In de tweede roman komt de stad Odessa meer in beeld.

    De laatste twee hoofdstukken in deze bundel gaan over Valentin Katajev en Joeri Olesja. Vooral bij Katajev is Odessa de locatie van zijn romans en verhalen. Olesja schreef naast een bekend kinderboek en een roman een aantal autobiografische schetsen, waarin hij herinneringen aan zijn jeugd beschrijft. En waarin hij onder andere na een ontmoeting met een buurman, die lang gevaren heeft, schrijft: ‘In Odessa was je al op reis’. Hij beschrijft de eerste tram, de 1e schrijfmachine, maar ook straten beplant met platanen, acacia’s en kastanjes.

    En voor die straten moet je naar Odessa gaan, want zelfs het type bomen toont de weg in de stad, de straten richting de zee zijn beplant met acacia’s, dus zelfs zonder kaart of met een glaasje te veel op, kunnen zeelieden (of toeristen) altijd de haven vinden, zal een gids je vertellen.

    Stop dit boek in je tas en reis naar Odessa. Ontdek op het centrale plein het beeldje met ‘de stoel’ uit Ilf en Petrov, bezoek het literatuurmuseum, wandel door de straten waar schrijvers als Poesjkin, Boenin en Babel ooit gelopen hebben. En geniet van het klimaat, de mensen en de sfeer van deze kosmopolitische stad.

     

     

  • Uit de nalatenschap – nieuw hoofdstuk Chr. J. van Geel

    door Ingrid van der Graaf

    Elly de Waard plaatst alle gedichten van Chr. J. van Geel, die eerder posthuum verschenen zijn, op haar website. Op het speciaal daarvoor geopende deel over leven en werk van kunstenaar en dichter Chr. J. van Geel.

    Geplaatst onder de titel Uit de nalatenschap is een nieuw hoofdstuk geopend over het werk van Chr. J. van Geel (1917-1974) door dichteres Elly de Waard. De gedichten zijn eerder posthuum, dus niet geautoriseerd, in de bundels Vluchtige Verhuizing en Dierenalfabet verschenen, meestal onder redactie van Tom dan Deel en De Waard. Deze gedichten zijn niet in de Verzamelde Gedichten – omdat ze ongeautoriseerd zijn – opgenomen en de hierboven genoemde bundels zijn niet meer verkrijgbaar. Daarom is het dat De Waard de gedichten online zet zodat – voor wie de gedichten van Van Geel liefheeft – ze daar kan vinden. Op dit moment zijn er 28 gedichten geplaatst en er volgen er nog vele. Hieronder een voorproefje met het openingsgedicht uit het nieuwe hoofdstuk over Chr. J. van Geel op de site.

    Zwanenpaar

    Zij die bij dag niet witter zijn, zij slapen
    nooit in het licht hun droom van witte pauw
    maar in het donker als hun hals zich vouwt
    in veren, als zij niet op vleugels gaan.

    Zij werpen lussen schaduw op elkaar,
    halsdun in hun aanhankelijk beschrijven,
    in hun voor elke tijd bestemd vertoon
    van drijvend boven overleven staan.

    Uit: Vluchtige verhuizing

    Hierna gaat De Waard over tot het plaatsen van werk uit de nalatenschap dat tot nog toe volkomen onbekend is. Als voorproefje daarvan staat er – als een soort motto – een regel van Chr. J. van Geel aan het begin van het onlangs geopende hoofdstuk: ‘Poëzie is een antwoord zoals een maaltijd van meer dan een rauwe wortel een antwoord is op honger.’

    Bezoek de website: www.ellydewaard.nl

    Verzamelde gedichten van Chr. van Geel is te verkrijgen bij uitgeverij Van Oorschot.
    Blz: 1084
    Gebonden € 45,00 .
    Bestellen kan hier.

    De Parelduiker, waarvan hierboven de afbeelding met Chr. J. van Geel en geheel aan hem gewijd, kwam uit in 2009 en is nog te verkrijgen bij www.lubberhuizen.nl/detail.php?id=424.

     
  • De Parelduiker 2010 Nr. 5

    Literaire tijdschriften zijn niet alleen voor de echte literatuurkenner interessant maar vooral ook voor de liefhebber.   Een  literair blad is een  mooi platform om je onder meer te laten verrassen door literaire binnenkomers of vergeten schrijvers en boekfanaten.

    De voorlaatste Parelduiker ( 2010 nr. 5) opent met het literaire levensverhaal van Kees Lekkerkerker, geschreven door Menno Voskuil. In 2002 bezocht Voskuil de tweeennegentig jarige Lekkerkerker. Met een kop thee binnen handbereik ontvouwt Kees Lekkerkerker in enkele zinnen aan de vijfentwintig jarige Voskuil zijn visie op de mens. Die kort gezegd hierop neerkomt: In de literatuur en in de wetenschap heb je hogere en lagere apen. Hogere apen vinden hun eigen persoon het belangrijkste en de lagere stelt zichzelf in dienst van de literatuur en de wetenschap. En Lekkerkerker rekende zichzelf tot de lagere apen. Toen Menno Voskuil iets tegen deze apentheorie wilde inbrengen werd hij direct bestempeld als zijnde een hogere aap omdat hij volgens Lekkerkerker niets van een lagere aap aanneemt. Einde discussie; en Voskuil spoelde de rest van zijn weerwoord snel door met een slok van zijn lauwe thee.

    Kees Lekkerkerker, autodidact in de literatuur, werd als de schatbewaarder van Slauerhoff gezien. De houten scheepskist van Slauerhoff, die hem op al zijn reizen vergezeld had, was in het bezit van Lekkerkerker. Deze was een groot liefhebber van Slauerhoff en verzamelde elke publicatie van de dichter. Hij werd in 1936, kort na het overlijden van Slauerhoff, benoemd tot secretaris van de commissie die zich tot doel stelde het verzameld werk van Slauerhoff uit te geven. Van 1941 tot 1947 werkte Lekkerkerker als eerste redactionele assistent van de directie bij Uitgeverij Contact. Hij werd geprezen om zijn ‘uitstekende literaire smaak’. Maar door zijn autodidactschap voelde Lekkerkerker zich ook een outsider, vooral op die gebieden waar een academische titel of opleiding in aanzien stonden. Een zeer geliefde functie als conservator bij het Letterkundig Museum ging, vanwege het ontbreken van zo’n titel, aan hem voorbij. Uit deze tijd stamt waarschijnlijk Lekkerkerkers visie van de hogere en lagere apen, : ‘(…) het werk moet centraal staan, niet de maker.’ Kees Lekkerkerker was een gedreven literatuur liefhebber die naast het Verzameld werk van Slauerhoff ook de Verzamelde werken van Ed. Hoornik en Jacob Israel de Haan verzorgde.

    Verder in dit nummer een biografische schets van schrijfster Greeth Gilhuis-Smitskamp en drukker van exclusieve uitgaven, Jan Erik Bouman. De eerste een vergeten literaire duizendpoot, columnist en verhalenschrijfster die te vergelijken is met Annie M.G. Schmidt en Freek de Jonge, volgens Monica Soeting. Soeting (recensent voor Trouw en hoofdredacteur van Biografie Bulletin ) beschrijft het leven van Gilhuis-Smitskamp op een betrokken wijze waarbij ze de wens uitspreekt dat er, ‘ooit in Nederland een uitgeverij wordt opgericht die zich, (…) om het werk van onterecht vergeten schrijvers bekommert.’ Wie weet wordt deze wens nog eens vervult.

    Jan Erik Bouman was een fanatiek lezer, collectioneur en looddrukker. Hij verzorgde exclusieve uitgaven onder het impressum Hugin & Munin. Op integere wijze beschrijft Jan Paul Hinrichs (vakreferent Nederlands, Oost-Europees en Duits op de Leidse UB), zijn ontmoeting met deze looddrukker te Utrecht. En hoe deze, voor Hinrichs vrijwel onbekende man, hem vanaf zijn sterfbed een exclusief oeuvre toevertrouwde van teksten van o.a.de Utrechter Kees Ouwens en de Amerikaanse auteur James Purdy.

    Alle bijdragen uit de Parelduiker zijn geillustreerd met mooie foto’s.

    Inhoud:
    Menno Voskuil – In dienst van de letteren. Het literaire leven van Kees Lekkerkerker (1910-2006)
    Peter Hofman – De controverse en verzoening tussen Lucebert en Bertus Aafjes
    Monica Soeting – De troost van het dagelijkse. Het vergeten werk van Greeth Gilhuis-Smitskamp (1908-2008)
    LAAGWATER – De waard danst dada / Wie was Hans Boslowits (addendum)
    Jos Perry – Estrella. Een revolutie-cantate die niet doorging [Theun de Vries en Louis Andriessen]
    Jan Paul Hinrichs – Jan Erik Bouman (1947-2010) en de exclusieve pers Hugin & Munin
    Onbekende portretfoto’s van Harry Mulisch door Annelies Romein
    DE LAATSTE PAGINA – Willem Ellenbroek, Harry Mulisch (1927-2010) over zichzelf

    De Parelduiker
    Uitgegeven door:
    Stichting Het Oog in ’t Zeil / Uitgeverij Bas Lubberhuizen
    verschijnt 5 keer p.j.

    Prijs los nummer: € 9,50
    Abonnementen:    € 39,50 (buitenland € 45,–)

    Zie voor meer: www.literairetijdschriften.org