• Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

     

    In zijn nieuwe boek Kant & Co probeert hoogleraar Burgerlijk Recht Hans Nieuwenhuis de rechtspraak te verbinden aan de literatuur. Door de eeuwen heen heeft de literatuur immers de mens beschreven en die voorstellingen en opvattingen kunnen we soms terug vinden in de moderne rechtspraak. Helemaal overtuigend is deze redenering misschien nog niet en Nieuwenhuis doet dan ook een beroep op de filosofie om de kloof tussen literatuur en rechtspraak te dichten. Het resultaat is een beknopte, leesbare, maar toch wat droge kennismaking met de filosofie van het recht.

    Literatuur speelt in Kant & Co vooral de rol van illustratie. Theodore Fontanes Effi Briest (1895) wordt aangehaald in een voorbeeld over overspel, Aldous Huxleys Brave New World (1932) wordt genoemd bij de bespreking van de dilemma’s rond reageerbuiskinderen en uit de Max Havelaar (1860)wordt uitgebreid geciteerd als een voorbeeld van ‘een samenspanning van literatuur en recht in haar meest elementaire vorm; de frontale aanval op elementair onrecht.’ Maar de geciteerde werken komen niet tot leven. Nieuwenhuis probeert wel tot lezen en herlezen aan te zetten maar zijn poging strandt in goede bedoelingen. Een aantal keer schrijft hij in gebiedende wijs: ‘Lees Sophie’s choice…’ en ‘Lees L’étranger…’ maar je voelt nergens de behoefte dat straks ook echt te gaan doen. Zelfs de uitgebreide citaten uit de Max Havelaar zetten niet aan tot lezen of herlezen. Daarbij komt nog dat Nieuwenhuis een aantal van de besproken boeken veel beter in zijn betoog had kunnen gebruiken. Maar laat ik eerst iets vertellen over de structuur van het boek.

    Aan de basis van het betoog van Nieuwenhuis staan drie ‘mensbeelden’. Het zijn visies op het menselijke handelen die onderling verschillen in de manier waarop ze omgaan met rechtvaardigheid, straf en vrije wil. Het eerste mensbeeld dat Nieuwenhuis bespreekt, is geïnspireerd door het geloof in God en wordt vertegenwoordigd door de Apostel Paulus. Wie dit mensbeeld aanhangt beziet de mens niet alleen als schepsel van God maar ziet de schepper ook als bron van rechtvaardigheid. Anders is dat bij aanhangers van het tweede mensbeeld, dat van Immanuel Kant. Hier staat de vrije wil en de menselijke waardigheid centraal. Het derde beeld is geïnspireerd op de evolutietheorie en beschrijft de mens als dier. Nieuwenhuis verbindt de naam van Darwin aan deze visie.

    Nieuwenhuis geeft een voorbeeld hoe deze visies tot uitdrukking komen in het recht. Een Britse vrouw liet samen met haar vriend embryo’s invriezen omdat haar eierstokken verwijderd moesten worden. De embryo’s konden zo in de toekomst worden gebruikt voor een IVF-behandeling. Een jaar later gaat de relatie ten onder en de man trekt zijn toestemming voor gebruik van de embryo’s in. De vrouw ziet haar laatste kans om een eigen kind te krijgen bedreigd worden en stapt naar de rechter. Wat te doen? De drie mensbeelden geven elk een eigen antwoord.

    Op grond van de visie van Paulus is het embryonale leven door God gegeven en krijgt de vrouw haar zin. Volgens het Kantiaanse mensbeeld is de vrije wil en de autonomie van de man in het geding en krijgt hij gelijk. Wie met een biologische bril kijkt, geeft, volgens Nieuwenhuis, de vrouw gelijk omdat ‘volgens de wet van de natuur de keuze van de vrouw [in het geval van zwangerschap MJ]  voorrang heeft boven die van de man.’

    (Het citaat geeft hier overigens niet de mening van Nieuwenhuis weer. Hij verwijst hier naar een tekst uit de Engelse krant The Guardian. Het beroep op de ‘wet van de natuur’ is in dit citaat ook uitermate merkwaardig, een dergelijke wet bestaat immers niet. Het lijkt erop dat het juridische begrip wet hier verward wordt met het wetenschappelijke begrip.)

    Het aardige is dat Nieuwenhuis geen voorkeur uitspreekt voor een van deze mensbeelden. Hij laat zien hoe in de rechtspraak de drie visies een rol spelen in de juridische praktijk. Het ‘darwinistisch’ mensbeeld is in dit opzicht misschien wel het meest controversieel. Nieuwenhuis legt het goed uit. Het gegeven dat een groot deel van ons handelen is vastgelegd in hersenen en/of genen brengt sommigen op nieuwe ideeën over rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. Je kunt iemand verwijten dat hij te veel drinkt, maar de wetenschap dat zijn alcoholisme te wijten is aan een gen, kan iets aan dat verwijt af doen. Dergelijke wetenschappelijke inzichten roepen dan ook de vraag op, hoe vrij in ons handelen we eigenlijk zijn. Bepalen onze genen of we misdaden begaan, ons agressief opstellen of brave burgers worden? En zo ja, betekent het dat we dan zelf niet meer, of minder verantwoordelijk zijn voor ons eigen handelen? Blijken de meeste keuzes voor goed of kwaad dan helemaal geen keuzes te zijn en liggen ze besloten in DNA of hersenweefsel?

    Wie gelooft dat de vrije wil niet bestaat, maar dat de belangrijkste keuzes voor ons al gemaakt zijn door de aanwezigheid van ons DNA, zou je een genetisch fatalist kunnen noemen. Nieuwenhuis gebruikt het woord ‘fatalisme’ niet en dat is jammer want het had hem een reden gegeven om naar Sophocles’ Oedipus te verwijzen. Nu gebruikt hij dit beroemde toneelstuk wel in zijn betoog, maar alleen om aan te geven hoe belangrijk familierelaties zijn in onze opvattingen over rechtvaardigheid. Nieuwenhuis vat het beroemde Griekse drama keurig samen, maar vergeet daarbij één cruciaal element: Oedipus wist van te voren dat hij zijn vader zou doden en zijn moeder zou trouwen. Het was namelijk meermalen voorspeld. Zowel Oedipus als zijn vader probeert dan ook het lot te ontwijken. Tevergeefs.

    De Oedipus mythe is een voorbeeld van fatalisme, van lotsbeschikking, van een gebrek aan vrije keuze. En een fatalistische levensbeschouwing heeft tal van gevolgen voor de visie op rechtvaardigheid. Was Oedipus schuldig aan moord en incest? Valt hem iets te verwijten? Het zijn vragen die direct betrekking hebben op de thema’s die in Kant & Co worden behandeld.

    Nu is de discussie over de vrije wil een belangrijk thema in Kant & Co en het is jammer om te zien dat Nieuwenhuis een zo mooie kans om de literatuur erbij te betrekken laat liggen. Hier was een kans geweest om dieper door te dringen in de literatuur, om het oude Griekse drama meer te laten zijn dan een haast verplichte illustratie bij een betoog. Naar mijn idee, mist Nieuwenhuis een aantal keer een dergelijke kans. Ik geef nog een voorbeeld.

    Nieuwenhuis citeert Huxleys toekomstroman Brave New World bij het bespreken van de problematiek rond reageerbuisbevruchtingen. Dat is aardig, maar niet veel meer dan dat; de essentie van de roman raak je er niet mee. Brave New World kun je beschouwen als een waarschuwing voor een maatschappijvisie die uitgaat van wetenschappelijke inzichten. Er spreekt een diep wantrouwen in wetenschap en techniek uit deze prachtige roman. In Brave New World is het individu gevangen in een systeem dat zo ideaal mogelijk lijkt te zijn afgestemd op de biologische en psychologische inzichten van de tijd waarin het geschreven is. Het resultaat is een benauwde dystopie, een wereld waarin je niet leven wilt. Ook dat thema is uiterst relevant in Kant & Co. Nieuwenhuis laat zien dat aanhangers van het darwinistische mensbeeld nogal eens aandringen om wetenschappelijke inzichten te gebruiken in de rechtsgang. Sommigen gaan daarin vrij ver. Nieuwenhuis weet een aantal van hun argumenten feitelijk te pareren maar het was nu juist zo leuk geweest als hij hier ook de literatuur bij gebruikt had.

    Ten slotte, het taalgebruik van Nieuwenhuis is ietwat droog en academisch. De eerste zinnen van het hoofdstuk ‘Een wil gericht op rechtsgevolg’ luiden bijvoorbeeld als volgt: ‘Niet slechts het strafrecht en het civielrechtelijk aansprakelijkheidsrecht, ook andere belangrijke onderdelen van het recht veronderstellen naar gangbare opvatting dat de rechtsgenoten beschikken over vrije wil.’

    De tekst is weliswaar niet overal zo academisch verantwoord als hier maar echt lekker losjes wordt het nergens. Daar staat tegenover dat de academische benadering het boek net en overzichtelijk maakt. Kortom, een inleiding in de filosofie van het recht, waarbij de literatuur dienst doet als versiering. Een gemiste kans.

     

     

    Kant & Co

    Auteur: Hans Nieuwenhuis
    Verschenen bij: Uitgeverij Balans
    Aantal pagina: 176
    Prijs: €19,50Hans

     

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Als er een serie boeken zou zijn, waarbij nieuwe Nederlanders over onze geschiedenis konden lezen, dan zou dit boek daar zeker een plek in verdienen. Het boek geeft een prachtig tijdsbeeld. Maar vooral is het een monument voor een vader. Een liefdevol portret vol mededogen en weemoed.

    De ouders van de schrijver trouwden en gingen in de manufacturenzaak van grootvader Theo van der Meulen. Moeder Anny bleek een groot talent voor de winkel te hebben en werkte er met veel plezier. Ze adviseerde haar klanten met flair en kennis van zaken over knopen en corsetten, lingerie en ander textiel. Vader Jan was niet zo enthousiast en was eigenlijk vooral gelukkig in zijn schuurtje, achter het huis, waar hij kon experimenteren en knutselen. In zijn beige stofjas, zoals de foto op het omslag laat zien. Hij vond het heerlijk om dingen te bedenken, uit te vinden, te maken. Een oom in Duitsland, oom Heinrich, bleek dezelfde liefhebberij te hebben en samen werkten ze jaren aan de ontwikkeling van een gelijkstroommagneethamer, een voor die tijd revolutionair apparaat.

    Tony van der Meulen beschrijft prachtig de sfeer in het dorp Joure in die tijd. ‘Onze dorpswereld was overzichtelijk en de scheidslijn was helder. Armen waren arm, gekken waren gek, kinderen met een waterhoofd gingen vroeg dood en met de rooien moest je oppassen…’ Katholieke mensen kochten hun waren in winkels waarvan ze de eigenaren ook in hun kerk tegenkwamen. Van protestanten wist men niets en wilde men ook niets weten. Een typisch voorbeeld voor die tijd was de pastoor, die kwam bespreken dat een van de zoons, in dit geval Tony  (de toekomstige schrijver) naar het seminarie zou moeten gaan. De ouders waren vereerd, zo ging dat. Tony ging naar Apeldoorn, naar het seminarie en vond het er vreselijk. Op een dag is hij gewoon naar huis terug gegaan, tot teleurstelling van vooral zijn moeder.

    Als jongen had Tony een goede band met zijn vader, vaak waren ze samen in het schuurtje in de weer. Tony mocht er op de kleine zolder zijn kostbaarheden verzamelen. Hij werd deelgenoot van de droom van zijn vader: het verkrijgen van het patent op zijn uitvinding. Uitgebreid komt de jarenlange correspondentie tussen vader Jan en oom Heinrich in het boek aan de orde. Als lezer voel je al bijna op je klompen aan, dat het niet gaat lukken. En toch, als dat dan ook uiteindelijk – en anders dan verwacht –  gebeurt, ben je ook teleurgesteld. En tegelijk verbaasd, dat de reactie thuis zo flauw, zo timide is. Kennelijk heeft ook vader Jan er diep in zijn hart rekening mee gehouden.

    Zijn vader overleed op zijn vierenzestigste. Zijn moeder bijna twintig jaar later. Na haar dood vindt de schrijver nog een doosje met brieven. Daarbij zijn brieven van zijn vader, die, zoals veel later bleek tijdens de oorlog onterecht in de gevangenis van Leeuwarden had gezeten. Bij een lezing in Leeuwarden ontmoet de schrijver een oudere man, met dezelfde naam, die tijdens de oorlog in het verzet zat. Vermoedelijk heeft men destijds deze twee mannen verwisseld. Het is mooi om te lezen, dat de schrijver, de zoon die het familieverhaal opschrijft deze informatie nog te weten komt.

    Tony van der Meulen, journalist en oud-hoofdredacteur van Het Brabants Dagblad en De Tijd schreef een boeiende familiegeschiedenis en een prachtige hommage aan zijn vader.

    Het patent
    Een familiegeschiedenis
    Auteur: Tony van der Meulen
    Verschenen bij: Uitgeverij Balans
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17.95

  • Biografie haalt schrijver niet uit de vergetelheid

    Biografie haalt schrijver niet uit de vergetelheid

    Wil een auteur na zijn dood voortleven, kan hij het best als volgt te werk gaan. Hij moet tijdens zijn leven het één en ander publiceren, sterven en een tijd vergeten worden  om daarna weer ontdekt te worden. Het lukt de meeste auteurs heel aardig. Al kan het opnieuw ontdekt worden een probleem zijn. Bekendheid bij leven biedt geen garantie voor de waardering van zijn of haar werk na de dood.
    J.B. Charles (1910-1983) is een schrijver die na zijn dood zo goed als vergeten is geraakt. Zijn boeken worden niet meer herdrukt en zijn alleen nog in antiquariaten te vinden. Tijdens zijn leven, was hij in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een bekend persoon in de Nederlandse literaire wereld.

    Charles publiceerde onder het pseudoniem van Willem Hendrik Nagel. Hij dichtte, schreef een roman, een verhalenbundel, en leverde talrijke bijdragen aan maatschappelijke discussies in kranten, tijdschriften en ook in boekvorm. Echt bekend werd hij in 1953 door de publicatie van Volg het spoor terug, dat elf keer herdrukt werd. Het was in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een bestseller en J.B. Charles’ meest succesvolle boek.

    Het spoor terug 

    Nu lijkt de belangstelling voor het werk van J.B. Charles zo goed als uitgestorven. De moderne lezer is hem vergeten en alleen lezers op leeftijd zullen zich hem herinneren. Toch heeft uitgeverij Balans het aangedurfd om de bijna 500 bladzijden tellende biografie over hem, geschreven door Kees Schuyt, uit te geven. Dat suggereert dat er hier iets te ontdekken valt, want wie leest er nu graag over het leven en werk van een schrijver die zelfs in de betere boekhandel niet meer te vinden is?

    De titel van de biografie Het spoor terug, verwijst uiteraard naar Charles’ succesvolle Volg het spoor terug, maar is ook de naam van de historische reportageserie van het radioprogramma OVT. Dat is niet geheel toevallig want de VPRO heeft net als Schuyt de titel aan Charles’ boek ontleend. Er zijn meer overeenkomsten tussen deze radiorubriek en biografie, want wat Schuyt’s biografie geslaagd maakt, is het terugkijken in de geschiedenis aan de hand van een man die verrassend veelzijdig was. Je zou kunnen zeggen dat het een mooie OVT reportage in boekvorm is geworden.

    Schuyt begint zijn biografie met het opsommen van de vele kanten van Willem Hendrik Nagel. Hij komt er tot vijf: verzetsman, literator, jurist, dichter, wetenschapper en public intellectual. Die indeling is enigszins arbitrair. Je zou literator en dichter heel goed samen kunnen nemen en er bijvoorbeeld ‘vader’ aan kunnen toevoegen. De boodschap luidt dat Nagel een veelzijdig man was en Schuyt weet dat in zijn verhaal goed uit te buiten.

    Opgroeien in Groningen en in het verzet

    Willem Nagel groeide op in een groot, gereformeerd gezin in Groningen. Zijn dominante vader was een trouw aanhanger van Abraham Kuyper en zoon Willem zet zich al snel af tegen geloof en vaderlijk gezag. In de jaren dertig behoort hij tot de kleine, selecte groep die rechten studeert en hij erkent de dreiging van het nationaal socialisme al vroeg. Vlak voor de Duitsers in mei 1940 binnenvallen verricht hij zelfs wat inlichtingenwerk door onder het mom van een studiereis over de grens Duitse troepenbewegingen in kaart te brengen.

    Tijdens de bezetting kiest hij bijna meteen voor verzet. Opvallend is dat trouw aan God, koningin of vaderland geen rol spelen bij Nagels’ besluit zich te verzetten. Voor hem is het een gewetenskwestie en een vanzelfsprekendheid. Zijn houding vatte hij later samen met de woorden ‘Ik verdom het’ en het zou zijn levensmotto worden. In Volg het spoor terug schrijft hij:
    ‘Als wij nog eens van wapenspreuk veranderen, stel ik voor: ‘Ik zal trachten wat te handhaven en wat te veranderen,maar verwacht er niet te veel van’. ‘Ik verdom het’ zou nog beter zijn. Ik geef evenwel toe, dat het allebei wat vreemd staat onder twee steigerende leeuwen, maar wij zouden als de christelijke natie die wij zeggen te zijn, als totemdier óók een lieveheersbeestje kunnen kiezen. Twee lieveheersbeestjes schuin tegen elkaar open op het ontplooide lint daaronder ‘Ik Verdom Het’. Ik laat mij morgen zo’n wapen maken.’

    Tijdens de oorlog komt Nagel te werken bij het Ministerie van Landbouw als ambtenaar voor de Tuchtrechtspraak. In zijn vrije tijd houdt hij zich bezig met verzetsactiviteiten die langzamerhand steeds serieuzer worden. Ook begint hij gedichten te publiceren, ‘omdat het niet mocht’, zoals hij later verklaarde. Zo ontstaat er een vriendschap met de Groningse kunstenaar H. N. Werkman, die de oorlog niet zou overleven. Zelf weet Nagel maar nauwelijks te ontkomen aan de Duitse Sicherheitsdienst (SD), die vanuit het Groningse Scholtenhuis een vreselijk terreurbewind voert. Hij vlucht naar Utrecht, wordt nu fulltime verzetsstrijder en neemt de naam Charles aan als deel van zijn nieuwe identiteit.

    Naoorlogse beschuldigingen van W.F. Hermans

    Na de oorlog pakt de jurist Nagel zijn juridisch werk weer op, promoveert, raakt betrokken bij het gevangeniswezen en interesseert zich voor de rol van het slachtoffer in het recht. Later ontwikkelt hij zich als internationaal vermaard hoogleraar in de criminologie. Als J.B. Charles neemt hij zijn literaire carière na de oorlog pas echt serieus. Zijn pseudoniem gebruikt hij om zijn juridische identiteit strict te scheiden van zijn literaire. Het is een geheim dat W.F. Hermans uiteindelijk publiek maakt.
    Met Hermans krijgt J.B. Charles het vanaf 1955 echt aan de stok. De twee maken dan deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Podium dat moeite heeft overeind te blijven. In de polemiek Mandarijnen op zwavelzuur suggereert Hermans dat Charles tijdens de bezetting heeft gecollaboreerd. Hij doet dat op grond van het feit dat Charles ambtenaar voor de Tuchtrechtspraak was. Het tuchtrecht in die dagen kon volgens Hermans gezien worden ‘als een begin van typisch nationaal-socialistische rechtsverkrachting’. Charles heeft daar aan meegewerkt.

    Hermans had ongelijk. Lezend in Schuyts biografie vraag je je af wat Hermans bezield heeft om zo’n ongefundeerde beschuldiging te uiten. Het deel van de Tuchtrechtspraak waar Nagel als ambtenaar voor werkte, was een Nederlandse aangelegenheid en was door de Duitse wetgeving onaangeroerd gebleven. Charles heeft zelf nooit op de beschuldiging gereageerd, waarschijnlijk uit diepe verontwaardiging over de onrechtvaardigheid van de beschuldigingen. Hij wilde de naam W.F. Hermans nooit meer horen. De affaire is echter opvallend lang door blijven klinken. Schuyt laat zien dat tot 1990 Hermans’ beschuldiging door anderen als feiten werden overgenomen.

    Het hele idee van Goed en Fout beheerst het leven van de schrijver Charles en de jurist/criminoloog Nagel. De persoon en zijn pseudoniem lopen in elkaar over als het gaat om actuele kwesties waar Goed en Fout een rol spelen. En die zijn er na de oorlog genoeg: de Russische inval in Hongarije in 1956, het huwelijk tussen Beatrix en de Duitser Claus, de vier, drie, twee van Breda, de eerste provo-acties, en de arrestatie van de antirookmagiër Jasper Grootveld op beschuldiging van de verkoop van ‘zinnenprikkelende’ afbeeldingen. Met al die zaken bemoeit Charles zich en in het geval van Jasper Grootveld treedt hij als deskundige voor de verdediging op. Zijn uitspraak ‘Waartoe heb ik mijn zinnen als ze niet geprikkeld mogen worden’ wordt zelfs een gevleugelde uitspraak.

    Criminoloog in tegenspraak met schrijver

    De schrijver Charles en de criminoloog Nagel vullen elkaar aan en spreken elkaar soms tegen. Nagel hield zich beroepsmatig wetenschappelijk bezig met kwesties als vergelding, straf, schuld en boete, maar die begrippen komen tot leven in het literaire werk van Charles. De verzetstrijder Charles lijkt tussen beiden in te zitten.

    Zo spant hij zich in om een vrouw die hij uit de oorlog kende als een verraadster, gratie te verlenen nadat ze berouw had getoond. Het is een opmerkelijke daad omdat haar verraad hem zelf bijna het leven kostte. Het is de rationele, juridische Nagel die zich keert tegen de doodstraf en zelfs tegen levenslange opsluiting van oorlogsmisdadigers. De polemische J.B. Charles is woedend op Duitse generaals die na de oorlog om politieke redenen ongestraft in functie bleven en over het opnemen van het fascistische Spanje in de NAVO. Woede en teleurstelling zijn ook te vinden in Volg het spoor terug en later in de Van het kleine koude front, dat bestaat uit stukken over toen actuele, koude oorlogskwesties die hij eerder in Maatstaf publiceerde.

    Uiteindelijk lijkt het onderscheid tussen Goed en Fout bijna een obsessie voor Charles te worden. Schuyt wijst op zijn te nauw begrip van het fascisme en het negeren van sociale en historische verklaringen. Charles zoekt het kwaad, het fascistische in het karakter van de mens en meent het ook eenvoudig te kunnen herkennen. Wie niet van Karel Appel houdt maar wel van oranje, blanje, bleu, voor het strenger straffen van jongeren is, ingezonden stukken schrijft over vlaggen die na zes uur bleven hangen, voor de doodstraf en tegen hogere belastingen is, die komt aardig in de buurt van een fascistische persoonlijkheid. Zijn houding leidt er toe dat sommige mensen moeite met hem kregen, zoals de secretaresse van zijn vriend en uitgever Bert Bakker.

    Verwant voelend aan terroristen

    In de jaren zeventig neemt zijn literaire productiviteit sterk af. Hij richt zich op zijn wetenschappelijk werk, interesseert zich voor het opkomende terrorisme in onder andere Duitsland en Israël. Door zijn verzetsverleden voelt hij zich verwant aan terroristen en hij spreekt vergoelijkend over de daden van de Baader Meinhof groep. Duitsland vertrouwt hij halverwege de jaren zeventig nog steeds niet. Het land was volgens hem nauwelijks veranderd. Het zijn geluiden die verbazen uit de mond van een man die zo vergevingsgezind kon zijn tegenover veroordeelde oorlogsmisdadigers. Het is een tegenstelling die velen hebben opgemerkt .

    Wat Schuyt goed laat zien in deze biografie is hoe het Zwart Wit, het Goed en Fout van de oorlog nog lang nadreunt in literair en politiek Nederland. In elke kwestie moest stelling genomen worden en voor grijstinten was weinig tot geen ruimte. Charles heeft die situatie zowel betreurd als bevestigd. Genuanceerd was hij door te pleiten voor een Derde weg tussen Amerikaans kapitalisme en communisme. Ongenuanceerd zwart wit was hij in zijn opvattingen over nationalisme en fascisme. Aan het eind van het leven leidt dat ongenuanceerde nog tot een pijnlijke affaire. Naar aanleiding van een ingezonden stuk in NRC Handelsblad levert hij harde kritiek op Isräel in woorden die op z’n minst ongelukkig zijn. Het leidt tot allerlei beschuldigingen van antisemitisme aan zijn adres. De verzetsheld lijkt het spoor bijster te zijn.

    Kees Schuyt heeft een boeiende biografie geschreven die het ook waard is om gelezen te worden zonder kennis van het werk van J.B. Charles. Het is, zoals de achterflap meldt, inderdaad een ‘meeslepende biografie’ waarin een fraai beeld wordt geschetst van Nederland voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

    Na biografie blijkt zijn werk verouderd

    De vraag blijft of Charles’ werk het waard is om opnieuw gelezen te worden. Zijn enige roman De vrouw van Jupiter werd bij verschijning als gedeeltelijk mislukt beschouwd en Schuyt bevestigt dat beeld nog eens. Nog minder geslaagd was de verhalenbundel De menseneter van Nowawes waar W.F. Hermans indertijd zijn kwaliteitsgehakt van maakte. De indertijd succesvolle bundel Van het kleine koude front, is volgens Schuyt nauwelijks leesbaar zonder een uitvoerige uitleg van de genoemde personen en kwesties. Hermans had al voorspeld dat niets zo snel veroudert als een polemiek vol serieuze argumenten en zwaarwichtige redeneringen. In dit geval had hij gelijk.

    J.B. Charles was een dichter die niet behoorde tot de traditionelen (Achterberg, Bloem) maar ook niet tot de experimentelen van de jaren vijftig. Zijn poëzie is verrassend eenvoudig en doet af en toe erg modern aan. Met een gedicht als Een zonnebril van plastic kun je zo voor de dag komen op een slam poetry festival.

    De grootste kans om herontdekt te worden maakt Volg het spoor terug. De laatste, serieuze bespreking van het boek dateert uit 1999 en prijst het als ‘de meest indrukwekkende getuigenis van het illegale werk die de Nederlandse literatuur heeft opgeleverd.’ Het is een verzameling herinneringen, bespiegelingen en meningen waarbij de oorlog, het verzet maar ook actuele kwesties een rol spelen. In 1953 was het één van de eerste boeken waarin openlijk over het verzet en oorlogservaringen gesproken werd. Het is een persoonlijk, chaotisch boek waar Charles zijn woede vaak de vrije loop laat. Aan die persoonlijke houding ontleent het ook voor een groot deel zijn kracht.

    Inmiddels is Volg het spoor terug alleen nog antiquarisch verkrijgbaar, of gratis te downloaden via de internetsite van de dbnl. Ontdekken kan tegenwoordig dus ook via de e-reader.

     

     

     

  • Recensie door: Marjolein Paalvast

    Recensie door: Marjolein Paalvast

    Het verleden wordt door mensenhanden gemaakt. Het is een sociale reconstructie, gebaseerd op gebeurtenissen die we belangrijk genoeg vinden om te onthouden. De Tweede Wereldoorlog is zo’n gebeurtenis. Over deze ontluisterende periode uit de westerse geschiedenis zijn al ontelbare verhalen geschreven, herinneringen genoteerd. Een hemel zonder vogels, waarin Esther Göbel het levensverhaal van de joodse Janny Moffie-Bolle uit Amsterdam optekent, vormt op dit corpus van verhalen een waardevolle aanvulling die je ? opnieuw ? met kippenvel en een gevoel van verbijstering achterlaat.

    Het verleden dat Göbel schept ? in de eerste plaats gebaseerd op interviews met Janny Moffie-Bolle – bestaat uit vijf delen. Het eerste deel beschrijft het joodse leven in Amsterdam van vóór de oorlog. De warme sfeerbeschrijvingen laten zien hoe Janny opgroeit in een gegoede joodse familie en hoe de oorlog langzaam maar zeker het dagelijks leven binnen sijpelt: ‘Op de dag dat de Duitse troepen Nederland binnenvielen, waren mijn broer Jaap en ik thuis bij mijn ouders. Het luchtalarm ging af en we hoorden vliegtuigen overkomen. Kort daarna hoorden we dat Duitse troepen de grens waren overgetrokken. Dat gaf een unheimisch gevoel, voor iedereen: Nederland was in oorlog. Maar wat ik mij daarbij moest voorstellen, dat wist ik niet.’

    Duitse maatregelen als het J-stempel, de gele ster, het Judenviertel, de oproepen voor joden om zich te melden voor tewerkstelling in Duitsland, het verbod voor joodse studenten om nog examens af te leggen en de ‘vrijwillige’ sterilisatie bij gemengd gehuwde joden, maken echter al snel duidelijk dat het menens is. In mei 1943 wordt binnen een week bijna heel Janny’s gezin gedeporteerd: broer Jaap (Sobibor), vader Levie (Auschwitz-Birkenau), broer Nico (Westerbork, Warschau) en schoonzusje Esther (Auschwitz-Birkenau), zus Martha en schoonbroer Leendert (Auschwitz-Birkenau). ‘Iedereen was weg, binnen een week. Ik kan het alleen maar zo achter elkaar vertellen, een andere manier is niet mogelijk. Dan komt het te dichtbij, dan ga ik kapot.’

    In oktober 1943 begint Janny’s eigen oorlog. In een stijl die doet denken aan die van Primo Levi beschrijft Göbel hoe Janny, nadat ze vermomd is weggevlucht uit het Portugeesch-Israelitisch Ziekenhuis (PIZ), met haar man onderduikt. Het mag niet lang duren. In december ’43 worden ze opgepakt en weggevoerd naar Westerbork: ‘Overal hadden ze mensen vandaan gehaald, uit het Huis van Bewaring aan de Amstelveense weg en het bureau Weteringschans. Het was gewoon de ophaaldienst.’

    Na Westerbork overleefde Janny vier kampen – Auschwitz-Birkenau, Gross-Rosen, Gräben en Bergen-Belsen. Door Göbels integere verslaglegging en Janny’s gedetailleerde herinneringen, ontstaat een sprekend beeld van een hoopvolle, jonge vrouw die in onmenselijke omstandigheden weet te overleven: ‘Ik heb nooit vogels horen fluiten in Birkenau. Misschien waren ze er wel, maar een beschrijving van dit kamp tart dermate het menselijk bevattingsvermogen ? daar konden gewoon geen vogels zijn.’ Ontluisterend is ook vooral de ontvangst die Janny als overlevende van de kampen in Nederland ten deel viel. Onbegrip, angst en weerstand zijn voelbaar bij de achterblijvers. Wie zijn die vreemde, uitgemergelde, kaalgeschoren wezens?

    Gedurende het lezen van Janny’s belevenissen dringt langzaam het besef door: dit is het verschrikkelijke verhaal van één overlevende. Maar zo zijn er duizenden. Zoals bij iedere grote gebeurtenis komt er een moment dat de generatie die die gebeurtenis heel bewust heeft meegemaakt, langzaam ophoudt te bestaan. Voor de Tweede Wereldoorlog is dat moment nu aangebroken. Een hemel zonder vogels is een mensonterend verhaal, maar ook een unieke familiekroniek, die ons op een bijzondere manier de mogelijkheid biedt om de herinnering aan deze gebeurtenissen levend te houden.

    Een hemel zonder vogels
    Het aangrijpende levensverhaal van Janny Moffie-Bolle.

    Auteur: Esther Göbel
    Verschenen bij: Uitgeverij Balans (2010)
    Prijs: € 18,95

  • Terdege stukje Nederlandse filmgeschiedenis

    Terdege stukje Nederlandse filmgeschiedenis

    Filmhistoricus Hans Schoots promoveerde in 2009 op de dissertatie Bert Haanstra, Filmer van Nederland, bij de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. De dissertatie werd tegelijkertijd als handelseditie uitgegeven bij Uitgeverij Mets & Schilt. Daar deze uitgeverij ter ziele ging, is het nu verkrijgbaar bij Uitgeverij Balans te Amsterdam, die het als biografie aanbiedt. Voorheen heeft Schoots zich met succes gewijd aan de lijvige biografie, Gevaarlijk leven, Een biografie van Joris Ivens (1995, genomineerd voor de Gouden Uil 1996 ).

    In het voorwoord waarschuwt Hans Schoots de lezer echter dat de studie naar het leven en werk van Bert Haanstra wel riekt naar een verhalende biografie maar dat het dat dus niet is. Hij heeft niet beoogd een levensverhaal te schrijven. Het is hem te doen om het werk van Haanstra. Niet om de man die achter dat werk schuil ging. En dat is hem goed gelukt. Bert Haanstra, Filmer van Nederland is een prachtige studie geworden over de ontwikkeling van de Nederlandse film. Dat het uiteindelijk moeilijk is deze gedachte zuiver te houden als er tegelijkertijd veel persoonlijk materiaal wordt aangedragen, blijkt uit het omvangrijke en op twee benen hinkende boek waarin het een: het werk van Haanstra en twee: de persoon Haanstra niet met elkaar verenigd kunnen worden omdat de schrijver dit zo besloten heeft. Als historicus richt Schoots zich op de invloed van Bert Haanstra in de filmwereld in de naoorlogse jaren en de omstandigheden onder welke zijn films en documentaires vorm kregen. Welke invloeden daar toe bijgedragen hebben en wat Haanstra heeft nagelaten aan de nieuwe generatie filmers. De drijfveer van Haanstra blijft door Schoots onuitgesproken. Haanstra zelf gaf zich bloot met de uitspraak: ‘Ik heb nooit overgelopen van zelfvertrouwen. Dat ik toch al die films heb gemaakt komt vooral door de bezetenheid om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken, niet door het besef dat ik het zo goed kan.’

    In vijftien hoofdstukken geeft Hans Schoots een beeld van het milieu waar Haanstra in opgroeide, een overzicht van de films die Haanstra maakte, hoe ze tot stand kwamen en ontvangen werden bij pers en publiek. Een groot deel is gewijd aan reacties en acties van collega-filmers en studenten van de filmacademie in de jaren zestig/zeventig.
    Bert Haanstra, (1916 – 1997) was een autodidact die tot geen enkel school behoorde en als enige collega-filmers de Franse Tati en de Britse Grierson bewonderde. Haanstra groeide op in Goor. Hij was de derde jongen uit een kunst- en muziekminnend gezin met vier zonen. Zijn eerste kennismaking met film was tijdens zijn middelbare schooltijd. Elke zondag werd er in de sociëteit van Goor, een film gedraaid. Coen Betzhold was de plaatselijke operateur. Deze man maakte hem tot assistent met de taak door een raampje de zaal in te kijken en de scherpte van het beeld te beoordelen en de operateur een seintje te geven wanneer de filmrol gewisseld moest worden. Haanstra beschouwde deze operateur als iemand die een belangrijke rol heeft gespeeld op zijn weg naar de film. Op vijftienjarige leeftijd heef hij al de wens om filmer te worden. Zijn plan om dit te bereiken luidde als volgt: ‘(…) als ik begin fotograaf te worden, kan ik wellicht in de persfotografie terecht komen en zal dan van tijd tot tijd op die actualiteiten aanwezig zijn waar het Polygoonjournaal ook z’n opnamen maakt. (…) Daar zou ik de cameramensen kunnen leren kennen en te weten komen hoe ik bij het filmbedrijf zou kunnen gaan werken.’

    Na een mislukte opleiding aan de kweekschool, die hij bezoekt omwille van zijn vader die in het onderwijs zit, treedt hij in de zomer van 1933 als leerling in dienst bij Staals Twentsche Fotohandel te Hengelo. Zijn voornaamste werk is het ontwikkelen en afdrukken van amateurfoto’s. In 1934 maakt de net achttienjarige Haanstra zijn eerste, zij het commerciële filmpje, dat vertoond wordt op openbare scholen. Vanaf zijn achttiende gaat hij op kamers in Amsterdam en vindt een baantje als onbezoldigd leerling bij Foto Varia. Op 18 november 1934 wordt zijn eerste persfoto gepubliceerd op de fotopagina van het Algemeen Dagblad. Na diverse wisselende werkgevers of partners in de fotografie, wil hij uiteindelijk meer zekerheid in zijn bestaan en wordt hij in 1939 assistent tekenaar bij het GEB Amsterdam. Begin 1942 ontmoet hij Nita Wijtmans met wie hij in 1944 trouwt, hij is dan 28 jaar. Samen krijgen zij twee zoons.

    Zonder dat Haanstra enig noemenswaardige filmervaring heeft, maakt hij in 1947 in samenwerking met Paul Bruno Schreiber, een in de oorlogsjaren naar Nederland gevluchte Duitse regisseur de film Myrte. Schreiber hield er een tergend trage en lakse manier van werken op na die Haanstra tot wanhoop dreef en zijn temperament deed gelden: dit uitte zich in zenuwaanvallen en woede-uitbarstingen. Kijk, dat zegt wat over de persoon. Haanstra bleek een man met sterk wisselende stemmingen. Ondanks zijn lankmoedige en milde uitstraling voor de buitenwereld kon hij zijn medewerkers flink schofferen en demotiveren met zijn opmerkingen. Na afloop scheen hij dan wel steeds zijn verontschuldigingen aan te bieden.

    Haanstra maakte meer dan zestig films en had een voorliefde voor de filmmontage. Op dat gebied was hij volgens Hans Schoots een wereldtalent. Opvallend is dat Haanstra na de jaren vijftig amper naar de bioscoop ging en dat hij, toen hij in de jaren negentig gevraagd werd naar zijn persoonlijke filmtoptien, hij Chaplin’s Modern Times (1936), Frank Capra’s It’s a wonderful life (1946) en Jean Cocteaus Les parents terribles (1948) noemde.

    Na het lezen van het omvangrijke boek kom je tot de ontdekking dat Haanstra een ‘einzelgänger’ was, niet geëngageerd was en geen ‘statement’ had.
    In de jaren zeventig kreeg Haanstra het daarom zwaar te verduren toen hij door de jongere generatie filmers, waaronder Pim de la Parra en Wim Verstappen sterk werd bekritiseerd in zijn zuiverheid van filmen. Ze vielen hem aan op datgene, waar hij in zijn tijd zo om geprezen werd: het op de montagetafel manipuleren van het filmmateriaal. Dit trof Haanstra diep en hij trok zich meer en meer terug.
    Toch liet hij zich niet van de wijs brengen. Hij wist zeer goed wat en hoe hij het wilde en was het volstrekt niet eens met de nieuwe generatie filmers. Hij was zeker niet geëngageerd maar had een sterke drijfveer, die hij zelf als ‘bezetenheid’ omschreef.

    Ondanks dat Schoots zegt geen levensverhaal te willen vertellen, blijft de vraag waarom hij zoveel weetjes en verhalen over de mens Haanstra gebruikt heeft in de studie naar de filmer Haanstra wanneer hij deze toch niet verbindt met elkaar. Zo blijven de motieven van Bert Haanstra, om te filmen zoals hij filmde, onbelicht. En dat zou de liefhebbers van Haanstra, die in 2007 de film Alleman (1963) verkozen tot beste Nederlandse naoorlogse documentaire, beslist interesseren.