• Oogst week 8 – 2026

    Oogst week 8 – 2026

    De Witte Garde

    De Witte Garde (1924) is de eerste roman van Michail Boelgakov, de schrijver die vooral bekend is van zijn roman De Meester en Margarita.

    Het boek is een bewerking van het toneelstuk De dagen der Toerbins, een van de meest populaire stukken van Stalin.
    Een deel van De Witte garde verscheen in eerste instantie als feuilleton in een Russisch tijdschrift en werd later pas in zijn geheel in Frankrijk uitgegeven. De Sovjets onderkenden Boelgakovs talent wel, maar vonden zijn werk te reactionair.

    In het (deels autobiografische) De Witte Garde beschrijft Boelgakov de ineenstorting van het tsaristisch Rusland. Het speelt zich af in Kiev tijdens de Russische Burgeroorlog als de Witten zich verzetten tegen de Bolsjewieken om hun vertrouwde wereld te behouden. Het boek speelt in 1918 in een tijd van tal van machtswisselingen en een stad vol vluchtelingen, en draait om de familie Toerbin die lang loyaal blijft aan de tsaar, maar ook aan hun stad. Het brengt hen in een lastige situatie.
    De Witte Garde biedt inzicht in een periode uit de gecompliceerde geschiedenis van Oekraïne.

     

    De Witte Garde
    Auteur: Michail Boelgakov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2025)

    Feniks

    Tien jaar heeft Jacky Kuiper gedaan over het schrijven van Feniks, haar debuut. Het was ‘alles of niets’ voor haar. Het werd ‘alles’ want uitgeverij Atlas|Contact wilde het uitgeven.
    Feniks is geen autobiografie, maar is wel voor een deel gebaseerd op het leven van Kuiper zelf.

    Zij vond het vroeger heel normaal dat je niet sprak over wat er thuis gebeurde, en waar je vader zijn geld mee verdiende. Als er vriendinnetjes kwamen spelen ging op de overloop het gordijn dicht naar de wietplantage, geen haan die ernaar kraaide en werden gewoon de barbies tevoorschijn gehaald.

    Feniks gaat over Eva die opgroeit met een gewelddadige vader. Ze komt erachter dat haar vader niet is zoals andere vaders, maar iedereen in het gezin houdt hem de hand boven het hoofd. Aan haar moeder heeft ze weinig in deze situatie, ze heeft meer aan haar grootmoeder. Eva heeft moeite met emoties, kruipt in haar schulp en verwondt zichzelf. Als ze ouder wordt wil ze dit leven niet meer en probeert ze los te komen van haar familie. Ze komt uiteindelijk in Suriname terecht en voelt zich daar veilig en enigszins bevrijd.

    Jacky Kuiper (1988) groeide op in Lelystad en Amsterdam en woont nu met haar gezin in Groningen. Ze studeerde journalistiek, Spaans en literatuurwetenschappen.

    Feniks
    Auteur: Jacky Kuiper
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas|Contact

    Amerika en wij

    In september vorig jaar verscheen bij uitgeverij Balans het boek Amerika en wij van Rob de Wijk.

    Hierin gaat De Wijk in op de nieuwe verhoudingen tussen de Verenigde Staten en Europa. Er is immers nogal wat veranderd sinds Trump aan zijn tweede presidentstermijn begonnen is.
    Wat is er allemaal gebeurd sindsdien? Hoe zou Europa moeten reageren?
    Volgens De Wijk kunnen we sterker uit deze situatie komen, mits Europa de veranderingen aanvaardt en er vervolgens naar handelt en het spel slim speelt.

    Hoogleraar De Wijk is een veelgevraagd commentator op het gebied van veiligheidsvraagstukken en Europese integratie. Hij staat bekend om zijn realistische en heldere analyses.

    Samen met Arend Jan Boekestijn en Hugo Reitsma maakt hij een podcast voor BNR Nieuwsradio. Hij publiceerde diverse boeken en schreef honderden artikelen en heeft adviesfuncties in binnen- en buitenland.

    Amerika en wij
    Auteur: Rob de Wijk
    Uitgeverij: Uitgeverij Balans (2025)
  • Het bewogen leven van Betje Wolff

    Het bewogen leven van Betje Wolff

    Marita Mathijsen heeft dit jaar Een vrije geest, de biografie van Betje Wolff (1738-1804) gepubliceerd, voorbeeldig uitgegeven door uitgeverij Balans. Wolff is vooral bekend van de brievenroman Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart die ze samen met Aagje Deken (1741-1804) schreef. Er is natuurlijk veel meer over haar leven en werk te vertellen en dat doet Mathijsen met veel inlevingsvermogen.

    Mathijsen begint de biografie van Wolff op het moment dat ze op de boot stapt die haar van haar geboortestad Vlissingen naar de Beemster zal brengen als toekomstig echtgenote van de veel oudere dominee Adriaan Wolff (1707-1777). Dat roept meteen de vraag op waarom ze haar familie verlaat en kiest voor een onzekere toekomst bij een veel oudere dominee. Dat heeft te maken met een gebeurtenis die vier jaar eerder heeft plaatsgevonden: Wolff is er als zeventienjarige vandoor gegaan met een geliefde, de militair Matthijs Gargon (1731-1772). Dat is in haar tijd natuurlijk een schandaal en haar vader haalt haar dan ook terug. De orthodoxe protestanten bepalen dat ze niet meer deel mag nemen aan het avondmaal en dreigen met excommunicatie. Ze is opgelucht dat de veel oudere dominee haar verlost uit haar isolement waar ze na haar liefdesvlucht in terecht is gekomen.

    In de Beemster

    Het leven van Wolff in de Beemster is saai, maar ze heeft wel tijd voor wat ze het liefste doet: boeken lezen en schrijven, zoals de Zedenzang, aan de menschenliefde, by het verbranden des Amsteldamschen Schouwburgs. Dat schrijft ze nadat op 11 mei 1772 brand is uitgebroken tijdens een voorstelling in de houten Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht waarbij achttien doden vallen. Rechtzinnige dominees grijpen de brand aan om het theaterbezoek te veroordelen: de brand is een straf van God en wie op zo’n plaats aan zijn einde komt, kan het eeuwige leven wel vergeten. Sinds haar jeugd in Vlissingen koestert Wolff al een wrok tegen dit soort orthodoxe protestanten en ze prijst juist de helden die om zijn gekomen bij de brand omdat ze geprobeerd hebben anderen te redden.

    Het schrijversduo Wolff en Deken

    Deken stuurt Wolff op 29 juli 1776 een brief waarin ze zich erover beklaagt dat Wolff kwaad over haar gesproken zou hebben. Diep beledigd is Wolff en ze antwoordt met een lange brief op 4 augustus. Ruim een maand later, op 13 oktober, ontmoeten ze elkaar voor het eerst en worden de misverstanden uit de wereld geholpen.
    Na de dood van Wolffs echtgenoot op 29 april 1777 komt Aagje Deken bij haar in de Beemster wonen. Wanneer Wolff later dat jaar de pastorie moet verlaten, verhuizen ze naar De Rijp waar ze leven van Wolffs pensioen waar ze recht op heeft als weduwe van een predikant. De Rijp is echter een ongezonde plek om te wonen: er hangt een penetrante stank van de dierenbotten en -huiden die liggen te rotten om er lijm uit te winnen, en van de traankokerijen waarin het vet van walvissen wordt gekookt. Ze krijgen dan ook te maken met ziektes die veroorzaakt of verergerd worden door de ongezonde lucht.

    In 1781 erft Deken ruim dertienduizend gulden en van dat geld kopen ze een kapitale villa in Beverwijk die ze Lommerlust noemen. De ongezonde lucht van De Rijp is nu verleden tijd. Twee jaar later wordt ook Wolff vermogend: haar vader overlijdt en laat haar ongeveer twintigduizend gulden na.

    De brievenroman Sara Burgerhart van het schrijversduo Wolff en Deken verschijnt in 1782 bij Isaac van Cleef. Het boek is meteen een succes: binnen drie maanden is de eerste druk uitverkocht en in 1786 verschijnt al de vierde druk. Ze geven een Hollandse draai aan het genre van de brievenroman, omdat het milieu en de personages zo door en door Noord-Hollands zijn. Hun volgende brievenroman, Historie van den Heer Willem Leevend, bestaat uit acht delen van in totaal zo’n 3.100 pagina’s en komt uit in 1784 en 1785. Dit boek is een stuk minder succesvol dan Sara Burgerhart: tijdens hun leven wordt het niet herdrukt.

    Patriotten en orangisten

    De denkbeelden van Wolff en Deken over burgerparticipatie en opvoeding sluiten goed aan bij die van de patriotten, burgers uit gegoede huize die het landsbestuur willen democratiseren. Ze eisen hervormingen, bewapenen zich en dringen aan op verkiezingen voor het stadsbestuur. Tegenover de patriotten staan de orangisten: enerzijds regenten die profiteren van hun bevoorrechte positie, en anderzijds het lagere volk dat ervan uitgaat dat de stadhouder door God aangesteld is om het land te leiden. De orangistische regenten maken gebruik van ‘het Oranjegepeupel’ om patriotten te bedreigen.

    De tegenstellingen tussen patriotten en orangisten hebben ook hun weerslag op het leven van Wolff en Deken: ze voelen zich met hun patriottische denkbeelden bedreigd in de Republiek en verhuizen in 1788 naar Trévoux, dat 25 kilometer ten noorden van Lyon ligt. Het is een lieflijk, kalm en overzichtelijk stadje en brengt aanvankelijk de idylle waar de dames op hopen: ze wonen in een prachtig gelegen buitenhuis en genieten van de natuur. De Franse Revolutie van 1789 werpt echter alle zekerheden omver. De Franse koning wordt op 21 januari 1793 publiekelijk in Parijs onthoofd. Rond juni begint de terreur waarbij vijanden meedogenloos worden uitgeschakeld: wie ook maar het minste teken van koningsgezindheid of contrarevolutionair denken vertoont, komt onder de guillotine.

    Wolff en Deken zelf komen in 1794 in hun nieuwe woonplaats onder vuur te liggen: iemand heeft verraden dat de Hollandse dames suiker verborgen houden en dat is verboden. Suiker moet namelijk ter beschikking gesteld worden aan het leger en de ziekenhuizen. Hun huis wordt onderzocht, er worden inderdaad vijf suikerbroden gevonden die in beslag worden genomen. Er volgt geen veroordeling omdat hun voorraden graan, aardappelen, bonen, linzen, meel en noten binnen de vastgestelde normen liggen.

    De Bataafse republiek

    Wanneer Frankrijk bezig is zijn gebied uit te breiden zien de patriotten daarin kansen: de revolutie die in Frankrijk heeft plaatsgevonden, kan zo geëxporteerd worden naar de Republiek. Ze formeren het Bataafs Legioen en trekken met de Franse troepen op naar de Republiek. In 1795 ontstaat de Bataafse Republiek waar niet alleen zeggenschap is voor de burgerij, maar ook godsdienstvrijheid en vrijheid van drukpers. Wolff en Deken staan nu voor de keuze: in Frankrijk blijven of terugkeren? Ze kiezen voor het laatste en vertrekken naar Den Haag. Mathijsen schetst met veel empathie de toestand waarin Wolff en Deken verkeren, wanneer ze daar in 1797 aankomen. Ze zijn als welgestelde dames in 1788 naar Frankrijk vertrokken, ze keren in armoede terug. Ook van hun literaire roem is niet veel meer over. Daardoor zijn ze afhankelijk van vrienden die hun af en toe wat geld toestoppen. Met de nodige zelfspot spreken ze over die vrienden: dankzij het feit dat ze financieel krap zitten, leren ze namelijk hun echte vrienden kennen.

    Een pijnlijk einde

    Wolff ligt vanaf 1801 voornamelijk in bed, verzorgd door Deken, die evenmin vrij van kwalen is: ze lijdt aan jicht. In 1802 brengt Van Cleef een nieuwe uitgave van hen op de markt: Geschrift eener bejaarde vrouw, in twee delen (achthonderd pagina’s). Het is bedoeld als handleiding voor het opvoeden. Een derde deel zal nog volgen. De reacties in de pers zijn vernietigend: het is ‘oude wyven praat’ en gebabbel. Het boek verkoopt dan ook slecht en het in het vooruitzicht gestelde derde deel wordt niet uitgegeven (het is wel in handschrift aanwezig in de Universiteitsbibliotheek Leiden).

    Op 5 november 1804 brengt Wolff nog uit dat ze kramp heeft; daarna is ze rustig, maar met een pijnlijke trek op haar gelaat, gestorven. Aagje regelt de begrafenis op het Scheveningse kerkhof Ter Navolging, het eerste Haagse kerkhof dat buiten de stad ligt. Om hygiënische redenen is er een beweging opgekomen tegen het begraven in of om de kerk en daar hebben Wolff en Deken zich bij aangesloten. De volgende dag is Deken ziek: ze heeft hoge koorts en brengt geen verstaanbaar woord meer uit. Op 11 november weigert ze nog te drinken of medicijnen te nemen en ze overlijdt drie dagen later. Aan een gebroken hart, meent Mathijsen. Het graf ligt nog open wanneer Deken naar het kerkhof gebracht wordt. Daar worden de twee vrouwen in hun kist met elkaar herenigd.

    Na hun overlijden bloeit de belangstelling voor het werk van Wolff en Deken weer op, in de negentiende eeuw verschijnt de ene na de andere herdruk van Sara Burgerhart. Ze staan nu in de Nederlandse canon en de brievenroman is nog steeds, ondanks de teloorgang van kennis over het literaire verleden, een bekend boek. Mathijsen vindt dat ook hun andere boeken zich lenen voor herdrukken, bewerkingen, hertalingen of inkortingen, en zelfs als basis voor tv- of streaming-series. Haar prettig leesbare biografie van een bewogen leven zal daar zeker aan bijdragen.

  • Vergeten woorden

    Vergeten woorden

    ‘”Oelewapper! Ben je belatafeld!  Je maakt me kierewiet met dat gemiereneuk.” riep ze nuffig.
    “Ja dat is de kift”, glunderde Jaap’. In deze twee zinnen zitten zeven woorden die veel millennials (geboren tussen 1985 en 2000) vermoedelijk niet meer kennen en de Z-generatie al helemaal niet. Ten minste naar de ervaring van tv- en filmscenario schrijver en radiomaker Rogier Proper, de bedenker van de eerste Nederlandse soapserie GTST. Hij merkte dat sommige woorden die voor hem gesneden koek waren (ook al zo’n verouderde uitdrukking) door jonge mensen niet meer begrepen werden, en begon daar een alfabetische lijst van aan te leggen. Die verscheen onlangs bij uitgeverij Balans onder de titel ‘Van Allegaartje tot Zeebenen – een niet zo gebruikelijk woordenboek.

    En inderdaad, wie weet bijvoorbeeld nog wat een bakvis is. Vishandel ‘De Bakvis’ in Hengelo verkoopt ze voor een habbekrats. Daar is de oude betekenis nog van kracht: (te) kleine visjes die je het best in twee- of drietallen kon bakken. Dat er tot in de jaren vijftig/zestig een meisje in de puberteit mee bedoeld werd, is achteraf eigenlijk wel vreemd en niet goed te verklaren, vindt Proper. Hij geeft van alle woorden de betekenis en koppelt daar van alles aan vast. Van kookadvies bij ‘bekokstoven’ (‘kool bijvoorbeeld, met wat verse gember, knoflook en bakolie is zeer aan te bevelen’)  tot mini-fantasie (‘Al dagenlang sjokte de mierenneuker mismoedig door het herfstbos (..) Geen mier te bekennen!’) tot – vele! – persoonlijke bekentenissen en herinneringen. Zoals bij het woord opkrassen.

    ‘Het is 1956. Russische tanks donderen Boedapest binnen om de opstand tegen het communistisch regime neer te slaan. Op het schoolplein van het gymnasium in Haarlem omringt een groepje leerlingen uit de hoogste klas een jongetje uit de tweede, wiens vader een bekende plaatselijke communist is.
    “Zo kereltje, en wat vind jij van de inval in Hongarije, hè?” Het jongetje is benauwd, maar fier. “Ik ben er ook tegen, meneer,” piept hij. Een lerares nadert, juffrouw Appeldoorn, bijgenaamd Appeltje, en roept: “Willen jullie wel ’s onmiddellijk opkrassen?!” Haastig maken ze zich uit de voeten.’

    Propers vader was mr. Michael Dirk Proper, hoofdbestuurslid van de CPN. Dan heb je het als klein uitgevallen zoontje lastig als je dertien bent en de Russen vallen Hongarije binnen. Deze herinnering roept trouwens de vraag op of de term ‘Hongaarse Opstand’ nog bekend zou zijn bij de millennials? Ik denk het niet. Dat is dan al één uitbreiding voor een tweede druk. Want daar ga je als lezer van dit woordenboek natuurlijk meteen naar op zoek. Welke woorden ontbreken en moeten er in een volgende druk worden toegevoegd. ‘Meesmuilend’ wordt node gemist, kon ik al snel constateren. Ook ontbreken er enkele van mijn literaire heimwee-woorden. 

    Woorden die mij doen denken aan de boeken die ik in mijn jeugd las. Boeken van schrijvers als Johan Kieviet of J.B. Schuil , die ik nu vermoedelijk niet meer kan lezen zonder te gruwen, maar destijds manna uit de hemel waren. Een woord als ‘subiet’, of ‘bruusk’ bijvoorbeeld. Of zelfs een eenvoudig woord als ’terstond’ (‘dat gaan we terstond doen!’). Maar dat is natuurlijk ‘muggenzifterij’. Laten we blij zijn met wat Proper bijeen heeft gebracht aan in onbruik geraakte woorden, ruim vijfhonderd. Als we ze gewoon weer vaak gebruiken, dan komen de goede oude tijden vanzelf terug!

     

     

    Van Allegaartje tot Zeebenen – een niet zo gebruikelijk woordenboek / Rogier Proper / 160 blz. / Uitgeverij Balans



    Hans Vervoort (1939) publiceerde tussen 1970 en 2020  vijfentwintig titels waaronder de verhalenbundel Heden Mosselen Morgen Gij en de trilogie Het Bedrijf.

  • Diepgravend onderzoek overschaduwd door zweverigheid

    Diepgravend onderzoek overschaduwd door zweverigheid

    Meer dan een half miljoen Nederlandse jongens en jonge mannen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter gedwongen in de Duitse oorlogsindustrie te gaan werken. Over hoe dat ging en welke gevolgen dit had voor de tewerkgestelden is bar weinig bekend. Wie terugkeerde, soms na jarenlange dwangarbeid, deed er doorgaans het zwijgen toe. Zo ook de vader van journalist en schrijver Tim Overdiek. In Zwijgende vaders, Het onbekende verhaal van de dwangarbeid doet hij een poging te achterhalen hoe het zijn vader in Duitsland verging en waarom er thuis altijd over werd gezwegen: ‘Ik wil Paul Overdiek weer tot leven brengen’, schrijft hij. Het is goed dat Overdiek deze voor veel van zijn generatiegenoten herkenbare problematiek heeft onderzocht. Toch schuurt er iets. 

    Paul Overdiek sterft op 27 april 1978. Hij is 55 jaar oud. Zijn zoon Tim is net dertien en voelt ‘een stiekeme opluchting’, want bepaald makkelijk was zijn vader niet geweest. ‘Hij was een grootmeester in het verbaal oorlog voeren. Of keihard zwijgen. Ik wist het niet met hem.’ Vader was een ‘grillige tijdbom’, die zonder waarschuwing kon ontploffen. Maar hij kon ook heel lief zijn en ‘superleuke dingen’ met zijn kinderen doen. Overdiek, inmiddels zelf ouder dan zijn vader is geworden, vraagt zich af in hoeverre de onberekenbaarheid van zijn vader het gevolg kon zijn van diens jarenlange dwangarbeid tijdens de oorlog in een metaalfabriek in Krefeld. Zelf wilde zijn vader daar nooit over praten. ‘Ja ja, dat was een rottijd’, zei hij dan en liep weg. 

    Foto als startpunt

    Paul Overdiek was niet de enige die ervoor koos te zwijgen over zijn tijd in de Duitse oorlogsindustrie. Toch lukt het zijn zoon Tim behoorlijk wat informatie boven tafel te krijgen over de tijd in Krefeld. Zijn startpunt is een foto die zijn vader had bewaard. Er staan zestien mannen op, sommigen geknield, anderen gebukt en de achterste rij recht overeind, als op een voetbalelftalfoto. Een van de gefotografeerden is Paul. De mannen zien er goed uit, de sfeer lijkt ontspannen, iemand speelt zelfs op een banjo. Overdiek herkent een paar gezichten op de foto; in de jaren na de oorlog was er wel sprake van wederzijds familiebezoek. Er zijn meer foto’s uit Krefeld, maar Paul Overdiek is verder nergens te bekennen – misschien omdat hij zelf de fotograaf was. 

    Overdiek zoekt de nabestaanden van de mannen op de foto op en merkt dat zijn generatiegenoten veelal dezelfde ervaringen hebben als hij – vader was nooit erg mededeelzaam geweest over de ‘Arbeitseinsatz’. Was het schaamte, verdringing? Feit is dat lang niet iedereen gehoor gaf aan de oproep van de bezetter. Velen doken onder. Was het dan niet een vorm van vrijwilligheid, en feitelijk zelfs landverraad, als je je wél netjes meldde en naar Duitsland liet brengen? Zo beschouwd (en het werd na de oorlog vaak ‘zo beschouwd’) is dat zwijgen goed te begrijpen. Toch komt Overdiep in zijn onderzoek nog veel te weten over de mannen in Krefeld en hoe ze daar hun tijd doorbrachten.

    Door de week was het keihard werken in de snikhete staalfabriek. Het eten was vies, karig en nauwelijks voedzaam, het onderkomen een slecht verwarmde, vochtige barak. Overtredingen en wangedrag werden zwaar bestraft, soms met opsluiting. Van zijn vader wist Overdiek dat die na een conflict (‘Pa zou een lepel naar een Duitser hebben gegooid’) een paar dagen in een bunker werd opgesloten waarin hij niet rechtop kon staan. Toch was er ook ontspanning. In het weekend trokken de mannen Krefeld in om bier te drinken. Kerkbezoek was mogelijk. En soms had men verlof en werd er met de trein naar huis gereisd. Uit de foto’s en de dagboeken die Overdiek onder ogen krijgt, blijkt dat er sprake was van veel kameraadschap en onderlinge loyaliteit onder de dwangarbeiders. 

    Buiten beeld

    Gaandeweg ontstaat zo een goed beeld van de manier waarop de ‘Arbeitseinsatz’ in zijn werk ging en leren we verschillende lotgenoten van Paul Overdiek wat beter kennen. Alleen over hemzelf komen, tot grote frustratie van de schrijver, we weinig tot niets te weten. Zijn vader blijft letterlijk en figuurlijk buiten beeld, zowel tijdens als na de oorlog. De vragen uit het begin van het boek blijven onbeantwoord. Wat ging er werkelijk om in het hoofd en het hart van zijn vader? ‘Hoe is hij geworden wie hij was? Waar heeft hij afslagen in zijn leven gemist? Welke onmacht heeft hij gevoeld? En net zo belangrijk: hoe ben ik daardoor geworden wie ik ben?’

    Hm, ‘net zo belangrijk’? Het lijkt erop dat Overdiek het gebrek aan informatie over zijn vader tracht te compenseren met aandacht voor zichzelf. Overdiek is niet alleen journalist en schrijver, maar ook ‘therapeutisch mannencoach’, zoals op de achterflap van het boek vermeld staat. Daarom begrijpt hij hoe het komt dat twee zoons van een (overigens foute) dwangarbeider aanvankelijk zo boos reageren als Overdiek hen benadert voor een gesprek: ‘Als therapeutisch coach weet ik hoe oude emoties dicht aan het oppervlak zitten.’

    En dat niet alleen: hij begrijpt ook zijn eigen reacties. Overdiek belt met Henry Kissinger, die na de oorlog een rol had in het normaliseren van de situatie in Krefeld: ‘Ik merk hoe het me raakt als hij het over “your father” heeft. Mijn papa.’ Een oud-collega op de leerfabriek waar Paul Overdiek na de oorlog bescheiden carrière maakte, zegt: ‘Het was wel duidelijk dat hij het in het leven heel zwaar heeft gehad.’ Waarop Overdiek schrijft: ‘Ik voel mijn hart verzachten.’ Verderop noemt hij zich zelfs ‘een kind van de oorlog’.

    Hij voelt een door de historicus en tv-maker Hans Goedkoop uitgesproken zin over het in ere houden van de 4 mei-herdenking, ‘in alle vezels van mijn lijf’. Na zijn zoektocht naar de feiten vraagt Overdiek zich af of hij ‘ook emotioneel dichterbij [zijn vader is] gekomen’. Opnieuw duikt de therapeutisch coach op. Overdiek beschrijft hoe hij tijdens een mannenworkshop ‘in een zweethut’ ging om ‘half hallucinerend zowaar mijn vader ‘tegen te komen’’. Tijdens een ‘tantrafestival’ nam hij deel aan een sjamanistisch ritueel, waarbij hij zich ‘half gehypnotiseerd kon verplaatsen naar de dodenwereld, waar hij het sterven van zijn vader herbeleefde, waarbij ‘kinderlijke razernij’ om het in de steek laten omslaat in vergiffenis schenken. Tijdens een ‘ayahuasca-ceremonie’ in 2023 kwam hij wederom in contact met zijn vader: ‘ik nodigde hem uit in mijn hart’. Het is bijzonder jammer dat Overdiek zijn diepgravende en verhelderende journalistieke prestatie laat overschaduwen door iets wat veel lezers als zweverige onzin zullen beschouwen. 



  • Wat kunnen personages ons leren over The meaning of life?

    Wat kunnen personages ons leren over The meaning of life?

    De boektitel Papieren vrienden van literatuurwetenschapper Jan Konst bestaat uit zestien letters. Toeval? Grappig in elk geval wel, want het zijn zestien romanpersonages die de auteur aan een diepgaand onderzoek onderwerpt om te achterhalen wat hun idee over de zin van het leven zou kunnen zijn. In dat onderzoek betrekt Konst ook zichzelf, want in elk hoofdstuk (één per personage) stipt hij herinneringen of ervaringen uit zijn eigen leven aan. De aanleiding voor dit onderzoek is zo’n persoonlijke ervaring.

    De dood van zijn vader confronteerde hem met existentiële vragen rond the meaning of life. Hij vroeg zich af of het antwoord misschien te vinden was met behulp van protagonisten uit romans en toneelstukken die ooit een onuitwisbare indruk op hem hadden gemaakt. Het zijn uiteenlopende figuren van allerlei slag uit zo’n veertig jaar lezen en een tijdsbestek van acht eeuwen. Passend bij de auteur, die hoogleraar Nederlandse literatuur is aan de Freie Universität in Berlijn, komen de vrienden alleen uit Nederlandstalige werken en zijn het bijna allemaal Nederlanders (uitzonderingen zijn rechter Jephta uit Vondels Jephta of offerbelofte (1659), Medea uit Medea. Treurspel van Jan Vos (1667) en Deirdre uit Deirdre en de zonen van Usnachvan Adriaan Roland Holst (1920) – Samir Zafra uit De belofte van Pisa van Mano Benzamour (2013) is Nederlander met Marokkaanse ouders).

    Frames

    Wat zou het leven voor iemand zin kunnen geven? Konst onderzoekt dat voor zijn papieren vrienden aan de hand van vijf frames uit de existentiële psychologie: [1] ‘de verticale transcendentie’ (grof gezegd de religie die belooft dat de eeuwige beloning voor deugdzaam leven in het hiernamaals komt), [2] de ‘horizontale transcendentie’ (die spiritualiteit ervaart in het aardse leven door de mystieke beleving van de natuur of in een idealisme), [3] de zelfontplooiing en het streven naar vervulling van levensdoelen, [4] het gevoel deel te zijn van een gemeenschap van normen en waarden waarop je kunt vertrouwen, en tot slot [5] de verbondenheid met naasten in vriendschap en liefde.

    Konst benadert elk van zijn papieren vrienden met de vraag welk van die frames het beste bij hem of haar past. Het antwoord is zelden eenduidig. Sommigen passen in meerdere frames, maar er zijn ook protagonisten die het leven volkomen zinloos vinden (Bert Alberegt uit Herinneringen van een engelbewaarder van W.F. Hermans, Walter van Raamsdonk uit Gimmick van Joost Zwagerman en Onno Quist uit De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch). De duidelijkste frames vindt Konst bijvoorbeeld bij ridder Ferguut (uit 1250) voor wie de verticale transcendentie opgaat, bij Marie Deniet uit De wetten van Connie Palmen voor wie zelfontplooiing leidend is, bij boer Wortel uit Boerenpsalm van Felix Timmermens, die zich deel weet van een traditionele gemeenschap en bij Sofie Lamaker uit De geschiedenis van mijn seksualiteit die de zin vindt in verbondenheid met haar omgeving.

    Speculatief

    De zestien hoofdstukken zijn met elkaar verbonden als – zo noemt Konst het – ‘een dominospel’. Hij bedoelt ermee dat geen enkele beschouwing in een isolement staat. Voortdurend grijpt hij bij het schrijven over de ene vriend terug op een andere of verwijst hij vooruit naar een komende. Het levert voortdurend vergelijkingen – parallellen en verschillen – op. Bovendien toetst hij de analyses aan zijn eigen persoonlijke leven in enigszins vergelijkbare ervaringen.
    Papieren vrienden is daarmee een interessante benadering van zestien literaire figuren uit de Nederlandse literatuur. Het boek is nadrukkelijk geen literatuurbeschouwing. Konst gaat niet in op genres of structuren en laat de geestelijke vaders en moeders van de vrienden volkomen buiten beschouwing. Daarnaast schrijft hij behoorlijk speculatief en veroorlooft hij zich bewust interpretatieve oordelen die hij in wetenschappelijke zin niet kan onderbouwen.

    Doorgeploeterd

    Hoe interessant de invalshoek ook is, het boek is bepaald geen pageturner. Dat komt vooral door de alwetendheid van de auteur ten opzichte van de lezer. In een nawoord schrijft Konst ergens dat hij sommige van de titels waarin zijn vrienden onderdak vonden ‘een keer of tien doorploeterde’. Dat zullen weinig lezers hem na kunnen zeggen. En dat maakt Papieren vrienden soms erg exclusief. Als lezer raak je geregeld de draad kwijt als Konst in het ene hoofdstuk teruggrijpt op een karaktertrek van een eerder besproken personage dat al weer een beetje uit het geheugen is weggezakt. Dit betreft vooral de personages die je als lezer nog niet kende. Het is voor iedereen anders, maar bovengetekende las de hoofdstukken over Marie Deniet en Sofie Lakmaker vanwege eigen herinneringen aan de romans een stuk geboeider dan bijvoorbeeld dat over Robert van Maeren uit Noodlot van Louis Couperus, simpelweg omdat dat laatste boek nooit op de leestafel heeft gelegen.

     

     

  • Gewoon een heel goed boek

    Gewoon een heel goed boek

    Op sommige schrijvers wacht je trouw als de denkbeeldige hond die voor de supermarkt aan een denkbeeldige lantaarnpaal vastzit. Soms tref je de schrijver bij een kringloopwinkel tussen de boeken. Je denkt: Hé, kijk nou, daar staat Hiske Dibbets. Je pakt haar eruit en leest haar verhalen met hun bevreemdende, hilarische werking. Waar je van houdt. Haar verhalenbundel en romans hebben een ‘no nonsense’ toon, ik vermaakte me er kostelijk mee. Nog niet zo lang geleden kwam ik haar tegen in Dagboek 1978 – 1982 van Mensje van Keulen, die eind jaren zeventig voor een etentje bij kunstenaar Jan Dibbets en zijn vrouw was. ‘zijn dochtertje, (…) Een lief meisje met een tandbeugel’. 

    Nu is er nieuw werk van Hiske Dibbets verschenen, Niet niks, en gaat over het jaar nadat haar op 1 oktober 2020 de dood werd aangezegd (niks Ispahaan, gewoon vanachter het bureau door een oncoloog), met de diagnose ongeneeslijke endeldarmkanker. Met dertig jaar minder dan haar levensverwachting zou kunnen zijn, treedt er een fase van rouw in om de dingen die niet meer zullen komen. Ze schrijft over haar leven en liefde voor haar man en dochter, vriendschappen die zich verdiepen. Ze vraagt de man, waarmee ze al meer dan dertig jaar samenwoont, met haar te trouwen. Zij die nooit wilde trouwen, besluit anders. Er had zich in het afgelopen halfjaar vanaf de diagnose, ‘een omkering van waarden voltrokken’ schrijft ze. Ze besloot dat ze twee levens had: een speelde zich af in het ziekenhuis, het andere in de werkelijkheid. ‘Dat die levens zich in twee tegengestelde richtingen ontwikkelden, zei iets over de surrealistische situatie waarin ik zat.’

    Ze herinnert zich haar tijd (1991) in Moskou, schrijvend voor Moskow Magazine van Derk Sauer. In datzelfde jaar leerde ze haar man kennen, die voor een maand naar Moskou komt, ze raakt zwanger van haar dochter, (‘made in Russia’) en keert terug naar Nederland. Daar begint ze verhalen te schrijven. Ze herinnert zich het plezier van het schrijven, hoe de verhalen zich ‘loswrikten’ uit haar verbeelding: ‘Op het moment zelf gebeurde er iets magisch: het verhaal ontstond vanzelf, de ene associatie riep de andere op.’ Haar debuut, Droomkeuken, wordt uitgegeven door Mai Spijkers. Later werkt ze er als lector, manuscripten doorspitten op literaire kwaliteiten. Dat de titel van haar debuut serieus bedoeld was, ze droomde van vervanging van haar jaren vijftig Bruynzeel keukentje. 

    Na haar derde boek stopt ze met schrijven, denkt het later weer op te pakken. Nu er geen ‘later’ meer is, ontstond het idee te gaan schrijven over haar beperkte leef-tijd, over ‘Een jaar met de dood op mijn hielen’. Voorbij de helft van het boek, schrijft ze dat ze kans ziet nog een boek te schrijven, over haar ziekte. Maar het zou niet alleen over kanker gaan; ‘het was ook een getuigenis van een tijd waarin herinneringen zich opdrongen en opstapelden.’ Die opeenstapeling ziet ze als een afdruk van haar leven, ‘zoals een fossiel in een steenlaag’. Dat wil ze vastleggen, ‘omdat een mens uiteindelijk niet veel meer is dan zijn herinneringen’. In het zoeken naar een beeld om de situatie waarin ze zich bevond te vangen, herinnert ze zich een logeerpartij bij een vriendinnetje. Ze noteert: ‘ Zazies kamer was behangen met aluminiumfolie. Vlak boven het logeerbed zat er een gat in. Als klein meisje verdween ik daarin tijdens een nachtmerrie en kon daarna de weg terug niet meer vinden.’ Het boek opent met dit beeld. 

    Anekdotes over een manuscript waarin de vrouw aan kanker lijdt en de man het nachtleven induikt. Een auteur die zichzelf voorstelt als: ‘reclamemaker met veel invloedrijke vrienden in de grachtengordel’. Ze vond het ridicuul, vroeg zich af welk punt de schrijver wilde maken, ‘ga vreemd terwijl je vrouw op sterven ligt?’ Het wordt hilarisch als ze schrijft: ‘Ik vermoedde dat het verhaal autobiografisch was en dat de schrijver een persoonlijkheidsstoornis had. Zijn naam was ook al zo irritant: Kluun. Afgewezen.’ Het boek verschijnt, (zoals bekend), bij een andere uitgeverij, wordt een verkoophit. Maar haar waarde oordeel wordt op het moment van lezen geëerd.
    Dan over een schilderij waarop medewerkers van de uitgeverij staan afgebeeld. Dat er af en toe mensen op geheimzinnige wijze van het doek verdwenen. ‘Mai Spijkers gaf [de schilder] weleens de opdracht iemand weg te schilderen, meestal vlak voordat degene werd ontslagen.’ Het werd ‘het stalinistische spookschilderij’ genoemd. 

    Dit boek leest als het in kaart brengen van een leven dat nog niet voorbij is maar ook niet meer vooruit geleefd kan worden. Ondanks de fijne verhalen, de anekdotes, de kracht die eruit spreekt het leven zo gewoon mogelijk te nemen, is er iets dat je terughoudt. Memoires meanderend door de bittere werkelijkheid van uitbehandeld zijn, langs ongemakkelijke gesprekken met artsen, het conflict met haar vader. En dan het gevoel, ‘Wacht, dit gaat over iemand die veel te vroeg gaat sterven, mag ik hier wel van genieten?’ Maar jemig, uit dit alles ontstijgt gewoon een heel goed boek.

     

     

    Niet Niks, Een jaar met de dood op mijn hielen / Hiske Dibbets / 231 blz. / uitgeverij Balans


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Alleen beschuitjes op het geborduurde kleedje

    Alleen beschuitjes op het geborduurde kleedje

    Op 16 december 1920 schrijft Rilke aan zijn geliefde ‘Merline’ dat hij flink bezig is geweest om zijn correspondentieachterstand weg te werken: ‘Denk je eens in (ik heb ze vanochtend geteld) ik heb 115 brieven geschreven (…) geen enkele van minder dan vier bladzijden, en veel van acht of zelfs twaalf kantjes, vrij klein geschreven. (Natuurlijk reken ik daarbij niet al wat naar jou is gestuurd, dat is geen schrijven, dat is ademen door middel van de pen)’.
    Hoewel Rilke geen tijdsbestek noemt waarbinnen die epistolaire activiteit zich afspeelde, is wel duidelijk dat hij vaak in de pen klom om relaties en vrienden brieven te sturen. Daar zijn er erg veel van bewaard gebleven. In 1939 was voor de (toen bekende) totale collectie al een Duitse uitgave in zeven delen nodig. De titel Verzamelde brieven van Rainer Maria Rilke die dit jaar in Nederlandse vertaling (369 pagina’s) uitkwam is dus op zijn zachts gezegd nogal pretentieus.

    Deze Verzamelde brieven zijn een bundeling van vijf eerder tussen 1929 en 1993 in Nederlandse vertaling verschenen edities van brieven aan steeds één geadresseerde. Maar Rilke schreef er veel meer. Bovendien bevat het hoofdstuk met brieven aan ‘Merline’, maar een selectie van wat hij haar stuurde.

    Kappus

    De vijf brievencollecties staan in chronologische volgorde in vijf hoofdstukken. Of die chronologie iets duidelijk maakt over de ontwikkeling van Rilke’s correspondentiestijl in de loop der tijd is moeilijk te zeggen. Het valt op dat in het eerste hoofdstuk de teksten van de brieven aan een jonge dichter (uit 1903 en 1904) afstandelijker zijn dan die aan ‘Merline’ (van 1919 tot 1922), maar dat zal waarschijnlijk ook te maken hebben met de geadresseerde. De jonge dichter uit het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld is Franz Kappus, een nu totaal vergeten man, die een bewonderaar van Rilke was en zijn eigen kansen op eeuwige roem wilde vergroten door steeds nieuwe verzen aan zijn grote voorbeeld ter beoordeling voor te leggen. Rilke had er geen hoge dunk van, maar draait er in zijn brieven aan Kappus eigenlijk steeds omheen. Hij wilde hem niet kwetsen en Kappus had goed tussen de regels door moeten lezen om door te krijgen dat Rilke geen dichterscarrière voor hem zag zitten. Dat besef lijkt bij de jonge dichter niet te zijn doorgedrongen.

    ‘Mijn tedere’

    Heel anders zijn de brieven in het laatste hoofdstuk aan ‘Merline’. Zo noemde Rilke zijn toenmalige liefde, de Duitse kunstschilder Baladine Klossowska; haar troetelnaam was de vrouwelijke vorm van de tovenaar Merlijn uit de Arthursagen. Die teksten zijn, hoewel soms wat gedragen, af en toe zelfs speels en laten meer van de persoon van Rilke en zijn dagelijkse leven zien. Begint hij zijn brieven aan haar in augustus 1919 nog met ‘Lieve Mevrouw’ en ‘Lieve Mevrouw en vriendin’, een jaar later is dat ‘Lieve, o lieve’ en nog later ‘Mijn lieve, mijn tedere’. Tussen troostende woorden aan haar als ze in slechte doen is, beschouwingen over het wonder van de natuur en filosofieën over het menselijke gedrag, staan de bijna puberaal-sentimentele teksten als (Rilke is dan al dik 40): ‘Ik heb steeds het zakdoekje dat doorweekt was van je tranen bij me; ik draag het mee als symbool dat je tranen altijd op mijn hart zullen opdrogen’ of de mededeling dat hij op het kleedje dat ze voor hem heeft geborduurd alleen beschuitjes legt; ‘brood zou te zwaar zijn voor je geborduurde blaadjes en je met bloemetjes versierde naam’.
    Zo kneuterig is natuurlijk niet alles wat hij ‘Merline’ schrijft. Intrigerender is dat het lijkt dat hij zijn Baladine het liefst maar de hele dag bij zich heeft, terwijl hij haar in werkelijkheid op afstand houdt, of zoals Jean Pierre Rawie in zijn Woord vooraf schrijft: ‘Het is dat je een groot dichter veel vergeeft, maar anders zou je toch oordelen dat hij haar aan het lijntje heeft gehouden’.

    Slap aftreksel

    In deze Verzamelde brieven staan meer ontboezemingen aan een vriendin. Het tweede hoofdstuk bestaat uit de brieven aan ‘Benvenuta’ – zoiets als de vrouwelijke vorm van het Italiaanse ‘Welkom’ – waarmee hij de concertpianiste Magda von Hattingberg aansprak. Omdat in dit hoofdstuk ook brieven van Magda zelf zijn opgenomen valt des te meer op dat Rilke het liever over zichzelf heeft dan echt op haar in te gaan.  ‘Opmerkelijk is hoe de twee langs elkaar heen praten’, stelt Rawie vast. De brieven die Rilke schrijft zijn nogal theatraal en pathetisch en in literair-historisch opzicht niet bijzonder interessant. Zo noemt hij Proust een ‘zonderlinge Franse schrijver’, maar licht hij die opvatting niet toe.

    Het meest interessant is de in het derde hoofdstuk opgenomen brief van een jonge arbeider aan een zekere V. Waarschijnlijk is het een gefingeerde brief (uit 1915) waarvan de schrijver en de geadresseerde dezelfde persoon zijn, namelijk Rilke zelf. In de brief rekent Rilke af met de manier waarop de kerk God en Christus heeft misbruikt: ‘Wat een waanzin toch om onze gedachten op een hiernamaals te richten terwijl de aarde toch boordevol  is met taken, verwachtingen en dingen die op ons op toekomen. Wat een bedrog om ons het zicht op de aardse verrukkingen te benemen, en ze dan achter onze rug aan de hemel te verkopen’. Rilke heeft het helemaal gehad met het ‘steeds slappere aftreksel van de kruidendrank die – naar men zegt – uit de eerste tere blaadjes van dat christendom bereid is’.

    Noten

    Rilke is hier duidelijk en stellig, veel meer dan in de andere brieven in deze verzameling. In dit stuk sleept hij de lezer mee terwijl die bij andere teksten nog wel eens verdwaald wil raken door Rilkes omzichtigheid en zelfs gedraai. Af en toe komt hetgeen hij schrijft nogal cryptisch en ongrijpbaar over: ‘Ik verbaas me slechts zo bot over de maan en verdenk hem van wanordelijkheid bij zijn hemels gedrag, – zo is een ieder van ons de wereld ongelijk ver toegenegen. Ik zou het niet door list en spionage aan de weet willen komen, nee, – alleen zo voortdurend uit aanschouwing en vreugde overal de wet binnengaan, want daar heeft men een lichte tred en bestaat geen vermoeienis’.

    Een punt van kritiek op Verzamelde brieven mag zijn dat de bundel enigszins gemakzuchtig is samengesteld. De bezorger/uitgever heeft volstaan met de letterlijke overheveling van de eerdere afzonderlijke uitgaven naar deze editie zonder daar eerst nog een kritisch oog overheen te laten gaan. Daardoor is een kans gemist om de hier en daar stroperige vertaling op te poetsen en iets te doen aan het notenapparaat. Die noten zijn er alleen bij de Brieven aan Benvenuta, maar omdat ze letterlijk zijn overgenomen uit de uitgave van 1993 zijn daarin verwijzingen naar de oorspronkelijke paginanummers en naar foto’s blijven staan die in deze bundeling niet zijn opgenomen. Daarentegen passeren in de Brieven aan ‘Merline’ namen en gebeurtenissen waar de lezer misschien ook wat annotaties van dienst hadden kunnen zijn, maar die ontbreken hier nu juist.

     

     

  • Albertine Agnes, een bijzondere vrouw van haar tijd

    Albertine Agnes, een bijzondere vrouw van haar tijd

    ‘Den 3 may vrijdach ben ick eerst bij de princes Albertina te bedde gegaen’. Dit noteerde de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz daags na zijn huwelijk met Albertine Agnes van Oranje Nassau in zijn dagboek. Het ging in dit huwelijk niet om liefde, maar om nageslacht. De dynastie moest voortbestaan. In het huwelijkscontract liet Willem Frederik vastleggen dat de ‘bruijloft ende copulatie’ meteen na de ondertekening van het huwelijkscontract zouden plaatsvinden.

    Wie is Albertine Agnes?

    Als vijfde dochter uit het huwelijk van stadhouder Frederik Hendrik met Amalia van Solms is Albertine Agnes politiek alleen van betekenis als mogelijke huwelijkspartner. De rol van vrouwen in het politieke leven was in de 17e eeuw marginaal. Alles draaide om de zoon, de erfopvolger, haar oudere broer, de toekomstige stadhouder Willem II. Voor de meeste mensen is Albertine Agnes dan ook een vrijwel onbekende vrouw. Het feit dat Sunny Jansen een biografie schrijft over Albertine Agnes prikkelt dan ook de nieuwsgierigheid, zeker omdat zij gepresenteerd wordt als de redder van Friesland in het Rampjaar 1672.

    Vorstelijke ambities

    Aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog was de Republiek uitgegroeid tot een van de economisch machtigste staten van Europa. Frederik Hendrik en Amalia van Solms wilden dit ook uitstralen door zich koninklijke allures aan te meten, hoewel de Oranjes zich in status totaal niet konden meten met die van echte koningen. Zij putten zich uit in het bouwen van schitterende paleizen beschilderd door de grootste schilders van hun tijd. Het hof van Amalia van Solms werd gefrequenteerd door alle groten der aarde. Albertine Agnes groeide op in weelde en met het besef dat status en macht twee kanten zijn van dezelfde medaille. Haar moeder, Amalia van Solms, deed er alles aan om voor haar kinderen een aanzienlijke partij te vinden. Haar zoon Willem II liet zij trouwen met Mary Stuart, een dochter van de Engelse koning Karel I, maar toen de Friese stadhouder en familielid Willem Frederik zijn oog op Albertine Agnes liet vallen, hield Amalia de boot af. De Haagse en de Friese Oranjes waren met elkaar gebrouilleerd om politieke redenen. Bovendien vonden zij en Albertine Agnes Willem Frederik te oud, te saai en was zijn Friese hof te armoedig en te provinciaal. Uit zijn dagboeken weten wij dat Willem Frederik vasthoudend was en niet van plan zich gemakkelijk te laten afschepen. Pas jaren later, toen de politieke verhoudingen veranderd waren, stemde Amalia toch toe in het huwelijk. Zelf had Albertine Agnes hier weinig over te zeggen. Op 18 januari 1657 was het dan zover, de geboorte van een Friese troonopvolger, Hendrik Casimir II.

    Van goede leerling tot politiek zwaargewicht

    Willem Frederik had zich inmiddels goed ingewerkt en zich de finesses van de ingewikkelde Friese politiek eigen gemaakt. De invloed van de plattelandsadel, de grietenijen, was in Friesland veel groter dan in Holland. Landbezit legde een veel groter gewicht in de schaal dan de handel. Hij slaagde erin een heel netwerk op te bouwen van relaties bij de Friese adel en regenten. Zo wist hij niet alleen zijn opvolging veilig te stellen, maar ook steun van de adellijke heren los te krijgen in geval Albertine Agnes als voogd zou moeten optreden voor haar zoon. Als Willem Frederik zich in 1664 per ongeluk zelf dodelijk verwondt met een pistoolschot, komt Albertine Agnes er alleen voor te staan. Zij heeft haar tijd echter goed besteed en zich de werkwijze van haar man zaliger eigen gemaakt door zich in te werken in diens netwerk en daar haar eigen stempel op te drukken. Sunny Jansen slaagt er in de figuur van Albertine Agnes in de ontwikkeling van dit politieke steekspel tot leven te brengen. Zij laat zien hoe Albertine Agnes zich steeds meer ontpopt tot een gezaghebbende figuur in het Friese politieke krachtenveld en vecht voor de belangen van haar zoon. Dit doet zij door optimaal gebruik te maken van de formele en vooral de informele kant van haar voogdijschap en later haar regentschap. Jansen laat haar held steeds verder groeien en weet haar zelfs te promoveren tot een soort moeder van Friesland als zij erin slaagt in het Rampjaar 1672 de Münsterse bisschop ‘Bommen Berend’ met de staart tussen de benen te laten afdruipen. Albertine Agnes weet door daadkrachtig optreden en gesteund door de gereformeerde predikanten (Doelisten) die grote invloed hebben op het ‘gemene’ volk de inertie van de Friese regenten en de Friese adel om daadwerkelijk maatregelen te nemen ter verdediging van Friesland te breken. Toch levert zij zich niet helemaal uit aan de Doelisten. Zij weet dat zij in de toekomst de regenten en de adel weer nodig zal hebben om de belangen van de dynastie veilig te stellen.

    Meer dan alleen een biografie

    Sunny Jansen heeft haar boek gebaseerd op prachtig bronnenmateriaal en zij geeft een uitgebreide literaire verantwoording. Een aantrekkelijke kant van het boek ligt in het feit dat het Rampjaar nu eens niet belicht wordt vanuit het Hollandse perspectief zoals in het standaardwerk van Luc Panhuysen daarover, maar vanuit het Friese perspectief, waar niet alleen een andere tak van de Oranjes in het zadel zat, maar waar ook de politieke verhoudingen totaal anders waren. Het laat zien dat de Republiek meer was dan Holland alleen. Jansens keuze om dit te laten zien aan de hand van een biografie van Albertine Agnes is zonder meer geslaagd te noemen. Het maakt een taaie materie invoelbaar en levend. Jansen laat Albertine Agnes zien als een onvermoeibare en geraffineerde strijder voor de belangen van haar zoon en de dynastie. Haar drijfveren om op te komen voor de belangen van Friesland zijn vooral van dynastieke aard, niet nationaal. Jansen portretteert haar als een weliswaar sterke vrouw met grote capaciteiten, maar niet als een feminist avant la lettre. Albertine Agnes is een conservatieve vrouw en representant van de normen en waarden die passen bij de standenmaatschappij van de 17e eeuw.

     

     

  • Nora Krug over het ontstaan van haar boek ‘Heimat’

    https://youtu.be/-BDvivdedEw

    Kunstenares Nora Krug schreef en tekende een familiegeschiedenis als appel tegen het vergeten. Krug woont sinds zestien jaar in New York. Ze heeft zich altijd ongemakkelijk gevoeld met het verleden van haar geboorteland Duitsland.

  • Oogst week 15 – 2019

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen

    Hoewel dit autobiografische verhaal van de van oorsprong Schotse Grace Dalrymple Elliott (1754-1823) door historici niet helemaal geloofwaardig wordt gevonden, – het is zo hier en daar wel erg toevallig en gekleurd -, is het wel ‘een prachtige blik van binnenuit op het gekonkel aan het koninklijk hof en van de intriges in revolutionaire kringen ten tijde van de Franse Revolutie’.

    Zo’n tweehonderd jaar geleden heeft deze courtisane haar memoires geschreven. De Engelse koning George III had haar gevraagd haar belevenissen uit de jaren tussen 1789 en 1794 in Parijs voor hem op te schrijven. Als maîtresse van Louis- Philippe d’Orléans, intrigant en neef van de onthoofde Franse koning Lodewijk XVI, maakte ze de Franse Revolutie van nabij mee. Haar boek is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.

    Joris Verbeurgt vertaalde haar boek en voorzag het van een inleiding en een uitgebreid register met informatie over tal van personages die erin voorkomen, van adelijken tot aan het  personeel.

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen
    Auteur: Joris Verbeurgt
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    De Chinese Droom

    Jarenlang was Oscar Garschagen correspondent voor het NRC in China.
    De Volksrepubliek China viert op 1 oktober 2019 haar zeventigste verjaardag. Trots wordt gevierd dat het ‘Land van het Midden’ welvarender en machtiger is dan ooit. Onder de strakke regie van partijleider en president Xi Jinping ontstaat een socialistische supermacht met een modern leger en ambitieuze plannen voor nieuwe zijderoutes en hoogtechnologische vernieuwing. In De Chinese droom beschrijft Oscar Garschagen hoe de grootste, bijna honderdjarige Communistische Partij zich voortdurend vernieuwt en brede steun behoudt, zonder democratische hervormingen – de nachtmerries van de armen, de repressie van christenen, minderheden en de media ten spijt.

    De Chinese Droom
    Auteur: Oscar Garschagen
    Uitgeverij: De Geus

    Niemand bleef

    Met Niemand bleef, het Dagboek van Meneer B. legde Alfred Birney volgens de uitgeverij de kiem voor De tolk van Java, het grote succes van Birney uit 2016 waar hij de Libris Literatuur Prijs en de Henriette Roland Holst-prijs mee won.

    ‘”De nacht is mijn vijand als ik slaap, mijn vriend als ik waak.” In 2005 wordt de wereld van Meneer B. kleiner als hij het na een hartinfarct rustig aan moet doen. In dit dagboek mijmert hij tijdens het herstel zonder schroom over voorbije liefdes, muziek maken, het schrijven, de boeken en de schrijvers die hem irriteren of inspireren. Hij fantaseert bij het uitzicht dat hij vanuit zijn flat heeft op vrijmoedige buurvrouwen. Hij maakt zich zorgen over zijn zoon die bij hem woont en zich afsluit. Gaandeweg herwint Meneer B. de lust om te schrijven en hij preludeert op een groots plan.’

    .

     

    Niemand bleef
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur

    ‘De Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee is vooral bekend als romanschrijver. Wat vele lezers niet weten, is dat zijn werk doordrenkt is van filosofie. Door de thematiek in zijn romans en verwijzingen naar bekende denkers als Jacques Derrida en Michel Foucault, laat Coetzee zien dat hij ook als filosoof een waardevolle gesprekspartner is. In Coetzee, een filosofisch leesavontuur gaat Hans Achterhuis op zoek naar deze filosofie in het werk van Coetzee. In het verlengde van iedere roman ligt een maatschappelijk vraagstuk. Zo koppelt Achterhuis bijvoorbeeld In ongenade aan de MeToo-discussie, Schemerlanden aan onze omgang met het koloniale verleden en Mr. Foe en Mrs. Barton aan de postmodernistische ideeën over de relatie tussen feiten, interpretatie en leugens. Hij geeft niet alleen een introductie in het werk van Coetzee, maar biedt ook nieuwe interpretaties’

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur
    Auteur: Hans Achterhuis
    Uitgeverij: Uitgeverij Lemniscaat

    Heimat

    Een bijzondere graphic novel tot slot. Hij is van de Duitse Nora Krug, kunstenaar in New York. Zij leeft al jaren in de Verenigde Staten als zij op zoek gaat naar de oorlogsgeschiedenis van haar familie.

    De uitgeverij: ‘In het schitterende en volkomen originele Heimat graphic novel, familieplakboek en onderzoeksjournalistiek in een – maakt Nora Krug gebruik van brieven, archiefmateriaal, spullen van de vlooienmarkt en foto’s om duidelijk te maken wat het betekent om bij een land te horen en bij een familie.’

    Heimat
    Auteur: Nora Krug
    Uitgeverij: Uitgeverij Balans
  • Teveel wijsheid en te weinig dwaasheid

    Teveel wijsheid en te weinig dwaasheid

     

    Het afgelopen jaar, 2011, is uitgeroepen tot het jaar van de chemie, de boerenzwaluw en de bossen, maar ook tot dat van Erasmus. Aanleiding voor het vieren van een Erasmusjaar is niet de vijfhonderdste verjaardag van de geleerde Rotterdammer maar die van zijn bekendste boek, de Lof der Zotheid. Over het exacte geboortejaar van Erasmus bestaan wat onduidelijkheden, wat een viering bemoeilijkt. Bovendien wordt de Lof der Zotheid zo vaak in één adem genoemd met de naam van de auteur dat de vijfhonderdste verjaardag van het boek reden genoeg vormt om 2011 tot Erasmusjaar uit te roepen.

    Pas de laatste eeuw kreeg de Lof der Zotheid de reputatie van Erasmus’ meest belangrijke werk. Het boek verscheen in 1511 in het Latijn, met de Griekse titel Moriae Encomium, en werd opgevat, ook door Erasmus zelf, als een relatief klein werk. Het duurde maar liefst 39 jaar voordat er een vertaling in het Nederlands verscheen. Dat was voor een boek van Erasmus uitzonderlijk lang. Eerdere werken, zoals de verzamelde citaten uit de klassieke literatuur (Adagium) en zijn Handboek voor de ware Christen (Enchiridion) waren in verschillende talen vertaald en bovendien succesvoller en invloedrijker. Erasmus mocht zich in het begin van de zestiende eeuw de bekendste humanist en meest gelezen auteur van Europa noemen. Zijn intellectuele invloed was enorm.

    Toch heeft vijf eeuwen later het werk van de grote Erasmus iets dubbelzinnigs. Ondanks het historische belang is het lezen van zijn werk vaak een teleurstellende ervaring. De Lof vormt daarop een uitzondering. De historicus Johan Huizinga zei het al in zijn biografie Erasmus (1924):

    ‘Moet men er Erasmus om beklagen, dat van al zijn geschriften, in tien folio delen verenigd, eigenlijk alleen de Lof der Zotheid werkelijk levend is gebleven? Het is, met de Colloquia wellicht, het enige van zijn werken, dat nog gelezen wordt om zijns zelfs wil. De rest wordt enkel meer bestudeerd uit een historisch oogpunt, terwille van de kennis van den persoon of van zijn tijd. Het schijnt mij, dat de tijd hier volkomen recht heeft gedaan. De Lof der Zotheid is zijn beste werk geweest. Andere schreef hij er, geleerder, vromer misschien, wellicht ook van evenveel of meer invloed op zijn tijd. Zij hebben hun tijd gehad.’

    Terugkijken op vijfhonderd jaar Erasmus is dan ook niet hetzelfde als terugkijken op vijfhonderd jaar Lof der Zotheid. Hans Trapman, Bijzonder Hoogleraar Culturele Geschiedenis, maakt dat ook duidelijk in zijn boek Wijze Dwaasheid, vijfhonderd jaar Lof der Zotheid in Nederland. Wat is nu precies de aanwijsbare invloed geweest van Erasmus’ meesterwerk? Die vraag is het uitgangspunt van Trapmans boek, waarbij het woord aanwijsbaar benadrukt moet worden.

    Trapman heeft in dit boek weinig oog voor de algemene invloed van Erasmus op de Nederlandse cultuur. Hij stelt vast dat deze groot is geweest, maar beperkt zich met opzet tot de invloed van de Lof der Zotheid. In dat opzicht verschilt Wijze dwaasheid hemelsbreed van het werk van Herman Pleij, die bijvoorbeeld in 2005 nog het boek Erasmus en het poldermodel uitbracht. Pleij verbindt de lofrede van de Dwaasheid moeiteloos met hossende voetbalsupporters en de Nederlandse mentaliteit van ‘Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’.

    Trapman beperkt zich dus bewust tot de aanwijsbare invloeden van de Lof der Zotheid op andere geschriften – al behandelt hij ook kort de illustraties van diverse uitgaven. Die precieze, wetenschappelijke vraagstelling maakt het onderwerp en daarmee ook het boek nogal saai. Wat overblijft, is een reeks besprekingen van bewerkingen, vertalingen en navolgingen door de eeuwen heen. Zo lezen we  o.a. over drie zeventiende-eeuwse bewerkingen in dichtvorm, een Lof der Geldzucht, een achttiende-eeuwse atheïstische Lof en  Arnon Grunbergs De Mensheid zij geprezen, Lof der Zotheid 2001. Elk boek wordt zorgvuldig naast de Lof der Zotheid gehouden en overeenkomsten en verschillen worden aangeduid. Op zich doet Trapman dat niet onaardig. Hij weidt niet teveel uit, zijn hoofdstukken zijn relatief kort en zijn taalgebruik is meestal helder en niet onnodig ingewikkeld.

    Maar nergens wordt een boek geprezen of bekritiseerd. Trapman houdt zijn enthousiasme of afkeur voor zich omdat hij het niet tot zijn taak vindt behoren een oordeel te geven. Uit wetenschappelijk oogpunt is deze houding te begrijpen maar het leidt wel tot een betoog dat niet echt tot leven wil komen.

    Bovendien leidt de nadruk op tekstuele vergelijkingen tot een verwaarlozing van de tijd waarin de boeken zijn verschenen. Trapman merkt bijvoorbeeld op dat in de zeventiende eeuw de Lof der Geldsucht van Jeremias de Decker, en de berijmde bewerking van Adraen Stikke bijzonder aangesproken woorden door de geldzucht. Hij doet verder geen moeite een verklaring te formuleren. Toch ligt hier een verwijzing naar bijvoorbeeld Simon Schama’s Embarrassment of Riches voor de hand. De Gouden Eeuw is volgens Schama niet alleen een tijd van rijkdom en macht voor de Republiek, het is ook een tijd waarin humanisme en religie oproepen tot matiging. Materiële welvaart verdroeg zich nu eenmaal slecht met geestelijke rijkdom en in de Nederlandse cultuur uit dat onbehagen zich in allerlei vormen van vermaning en speelse oproepen tot matiging. Een werk als de Lof der Geldsucht is er een prima voorbeeld van.

    Maar Trapman laat dergelijke uitstapjes met opzet achterwege. Het hoort simpelweg niet bij de vraagstelling van zijn boek want invloed van de tekst van de Lof der Zotheid is hier immers niet aantoonbaar. Trapman toont zich hier een precieze wetenschapper voor wie het begrip ‘invloed’ een exacte betekenis heeft: ‘wanneer het gaat om het vage begrip ‘invloed’ zoek ik bij voorkeur naar iets tastbaars.’ Waar aanwijsbare, overtuigende bewijzen ontbreken, kijkt Trapman kritisch naar de feiten. Zo wordt de door Erasmuskenners vaak aangehaalde invloed van de Lof op de zestiende-eeuwse rederijkers na nadere beschouwing door Trapman verworpen. Herman Pleij beschreef in 2007 die invloed nog enthousiast in zijn literatuurgeschiedenis Het gevleugelde woord. Trapman overtuigt met zijn benadering wel, al wordt tijdens het verder lezen in Wijze Dwaasheid de waardering voor Pleijs manier van vertellen alleen maar groter.

    Trapman weet wel wat meer inzicht te geven in de opbouw en geschiedenis van Erasmus belangrijkste werk. Wie feiten wil, kan die bij Trapman zeker vinden. Zo komen we te weten dat de Moria, zoals specialisten het werk noemen, oorspronkelijk geen genummerde paragrafen kende. En wie van vertalingen houdt kan in een bijlage maar liefst negen vertalingen vergelijken met een oorspronkelijke, Latijnse paragraaf.

    Je zou kunnen stellen dat Wijze Dwaasheid teveel wijsheid en veel te weinig dwaasheid bevat. En zoals Erasmus de Dwaasheid laat zeggen: “hoe verder de mens van mij afraakt, des te minder leven zit erin.”

    Wie echte wijze dwaasheden wil lezen kan dan ook beter het werk oppakken waar het in 2011 allemaal om te doen was. Ook in 2012 kan de vijfhonderd jaar oude Dwaasheid ons nog heel wat leren.

     

     

  • ‘Nu leeft hij tenminste nog’

    recensie door: Sunny Jansen

    Bernie Spier en Ellis Paraira zijn achttien jaar en erg verliefd. Maar ze zijn ook Joods in het bezette Scheveningen van 1942. Als Ellis en haar vader een oproep krijgen om te werken in het oosten besluit het gezin Paraira onder te duiken. Het verliefde stel raakt na een relatie van een half jaar gescheiden. Het afscheid valt hen zwaar en ze spreken af allebei een dagboek bij te houden, zodat ze na de oorlog kunnen lezen wat de ander heeft meegemaakt, gedacht en gevoeld. Bernie en Ellis maken nog een tweede afspraak: na de oorlog zullen ze elkaar op dinsdagmiddag om vier uur ontmoeten op het Belgisch Plein in Den Haag.

    Eind mei 1945 is het voor Ellis veilig genoeg om op het bankje waar ze elkaar voor het eerst kusten op haar verloofde te wachten. Wekenlang wacht Ellis op dinsdagmiddag op Bernie, tevergeefs, hij komt niet. In de trieste wetenschap dat Bernie de oorlog niet heeft overleefd, gaat Ellis verder met haar leven. Ze trouwt in december 1945 met een soldaat uit Palestina en verhuist met hem naar Israël. Jarenlang liggen haar dagboeken en die van Bernie ongelezen bij Ellis Lehman in de kelder. Haar familie weet van het bestaan van deze dagboeken, maar niemand praat er over; dat is te pijnlijk. Ruim 65 jaar na de oorlog besluiten Ellis en haar dochter Shulamith de dagboeken toch te lezen en uit te geven. Een hoofdstuk geschreven door de Ellis van nu vormt een inleiding op het leven van Bernie en Ellis tot het moment dat de dagboeken beginnen. Dagboekfragmenten van Ellis en Bernie worden chronologisch afgewisseld, aangevuld met commentaar en uitleg van de Ellis van nu en af en toe onderbroken door hoofdstukken van de hand van Shulamith. Zij doet verslag van het lezen en het vertalen van de dagboeken in het Hebreeuws en de zoektocht naar de mensen die in de dagboeken genoemd worden.

    Ellis en haar familie duiken onder op 20 juli 1942. Zij zijn relatief veilig in een vakantiehuisje in de bossen. Tot op zekere hoogte kunnen zij zich vrij bewegen, ze zoeken zelfs in de bossen naar paddenstoelen en bramen. Er is genoeg te eten en een betrouwbare bakker stopt hen regelmatig iets extra’s toe. Terwijl Ellis al ondergedoken zit, worstelt Bernie met de moeilijke afweging hoe lang hij nog veilig is. Hoe lang kan hij nog vertrouwen op zijn papieren van de Joodse Raad?
    Ellis’ dagboek leest als een lange liefdesbrief aan haar ‘Berry-Ber’. Ook Bernie schrijft intens over het gemis van zijn ‘Ellis-popje’. Ondanks de vele herhalingen en de oneindige reeks liefdesbetuigingen van twee wanhopige pubers, zijn de dagboeken indrukwekkend.
    ‘Bij het naar huis gaan moest ik omlopen. In de Stevinstraat werden Joodse mannen opgepakt ‘zum arbeiten’. Heelhuids ben ik echter thuis gekomen’ schrijft Bernie bijna tussen de regels door. Voor hem is dit gegeven bijna van ondergeschikt belang: het gemis van Ellis weegt zoveel zwaarder dan ‘dit ongemak’.

    Naarmate zijn dagboek vordert, worden Bernies stukjes korter, hij lijkt stiller en verdrietiger te worden. Dan komt het onvermijdelijke moment dat ook Bernie moet onderduiken. Hij heeft minder geluk en minder bewegingsruimte dan Ellis: hij kwijnt weg in de kleine kamer waar hij gevangen zit. Terwijl Ellis er als een 18-jarige puber verliefd op los fantaseert, worden Bernies teksten zwaarmoediger. De moeite die het hem en zijn ouders kost om steeds weer een veilig onderduikadres te vinden en de vele gevaarlijke verhuizingen drukken zwaar op hem. Zijn teksten zijn doordrongen van een wanhopige uitzichtloosheid en een alom aanwezige dreiging.

    Ook Ellis, met haar relatieve vrijheid en veiligheid, ervaart de dreiging en beperkingen als een zware last. ‘Maar mijn stemming is soms zo triest dat het niet anders dan een klaagzang zou worden, niet erg opwekkend voor jou om te lezen wanneer ik weer bij je ben.’ Toch zijn er ook momenten dat zij met humor bericht over de vaak vreselijke dingen die hen overkomen.

    Schokkend is Ellis’ notitie van 5 augustus 1942: ‘Ik zou wel naar Polen willen gaan om te werken, maar wij mogen daar helemaal niet WERKEN!!! Ze maken ons daar DOOD!!! EN IK WIL NIET DOOD!!!’
    Over het afschuwelijke lot van hun Joodse landgenoten was tijdens de oorlog maar weinig bekend. Nederlanders wisten eigenlijk niets van de verschrikkingen in de kampen en al helemaal niet van de massamoorden. Maar hier schrijft een achttienjarig meisje helder en direct in haar dagboek dat zij weet dat Joden gedood worden. Flarden van berichten en geruchten over de vele doden in de werkkampen, ongeloofwaardige overlijdensberichten van familieleden die in Polen moesten werken en de vele razzia’s waren voor de familie Paraira genoeg om hun eigen conclusies te trekken en niets te geloven van ‘het werken in het oosten’.

    Delen van haar dagboek heeft Ellis ‘gecensureerd’. Telkens als zij naar een andere schuilplaats moet, gumt ze namen en bijzonderheden uit, zodat de mensen die hen helpen niet getraceerd kunnen worden als haar dagboek in verkeerde handen zou vallen. Want zo schrijft ze, ‘ieder uur kan weer iets anders brengen: iets prettigs maar ook iets verschrikkelijks.’ En dat maakt het leven voor de onderduikers en hun helpers ondraaglijk zwaar.
    In soms pagina lange noten vult Ellis in deze uitgave de leemten, de gebeurtenissen waar ze toen niet over kon of durfde te schrijven. ‘Ik kon ze zien, ik zag ze, tientallen Grüne Polizei die over het terrein renden.’ Ellis en haar familie ontspringen de dans, terwijl een ander Joods gezin wordt weggevoerd.
    Bernie klinkt op hetzelfde moment dat Ellis in gevaar verkeert steeds wanhopiger: ‘De moeilijkheden zijn buitengewoon groot’ schrijft hij. Hoe verder ze komen in het dagboek van Bernie, hoe moeilijker het voor Ellis en haar dochter wordt om verder te lezen, want ‘nu leeft hij tenminste nog’. Ook betekent verder lezen voor Ellis een benauwende confrontatie met haar eigen overleven. Zij leeft nog, zij is doorgegaan met haar leven, heeft kinderen en kleinkinderen gekregen, terwijl voor Bernie alles stopte.

    De dagboeken van Bernie en Ellis zijn een belangrijk historisch document. Ze geven een indringend beeld hoe het voelt om te moeten onderduiken, om te leven met angst en continue dreiging. Hoe het is om afhankelijk te zijn van andere mensen, om je leven aan onbekenden te moeten toevertrouwen. De dagboeken van Bernie vormen een trieste kroniek van het uitroeien van de Joodse gemeenschap in Scheveningen. Nauwkeurig en gedetailleerd beschrijft hij hoe de deportaties verlopen en welke families wanneer worden weggevoerd. Ook de moeilijke rol van de Joodse Raad blijkt uit zijn dagboekaantekeningen.

    Op 6 november 1942 richt Bernie zich in zijn dagboek rechtstreeks tot Ellis. Hij schrijft haar een emotionele afscheidsbrief. Daarna stopt zijn dagboek. Drie maanden later schrijft Ellis haar laatste dagboekbrief.
    Helaas stopt het boek De dagboeken van Bernie en Ellis niet tegelijk met de dagboeken. Het boek was een stuk sterker geweest als de auteurs geëindigd waren met een scène van Ellis, zittend op het bankje tevergeefs wachtend op Bernie. Maar het boek gaat verder en de auteurs blijven maar uitleggen en toelichten. Na een warrig en onsamenhangend relaas van de hedendaagse Ellis komt Shulamith weer aan het woord. Waren de tussentijdse notities van Shulamith in het eerste deel van het boek een welkome afwisseling tussen de frivole verliefdheid van Ellis en de zwaarmoedigheid van Bernie, nu wordt het storend: er valt niets meer te vertellen, het verhaal is uit.
    Toch is De dagboeken van Bernie en Ellis het lezen zeker waard. De lezer voelt de onzekerheid, de onveiligheid, het opgejaagd worden. En dat maakt indruk.

    De dagboeken van Bernie en Ellis
    Het verhaal van een Scheveningse liefde in oorlogstijd

    Auteur: Ellis Lehman en Shulamith Bitran
    Verschenen bij: Uitgeverij Balans
    Aantal pagina’s: 368
    Prijs: 17,95