• Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Zuiverheid in plaats van verhevenheid a.u.b.

    Zoals de ondertitel aangeeft gaat het in dit boek over het schrijven van romans en verhalen. Brokken gunt ons een een kijkje in de keuken. Hij bespreekt in stukjes van zo’n drie of vier bladzijden voor de hand liggende ingrediënten als toon, personages en compositie, maar komt ook met verrassende onderwerpen als de waarde van de komma en het belang van de ingeving.

    Brokken begint heel stimulerend met een stukje dat Zonder wetten luidt. Hij zegt hierin dat er voor het schrijven geen wetten bestaan. Althans niet die van Meden en Perzen.
    In de loop van het boek geeft hij toch veel aanwijzingen die soms ietwat betweterig overkomen, vooral als het zijn oordelen betreft over boeken.

    In het tweede stukje geeft Brokken aan dat hij in de tijd van de Haagse Post zelf heel perfectionistisch was. Net als Ischa Meijer trouwens. In het tijdperk vóór de computer typte hij een artikel helemaal opnieuw als er een fout in stond. Een schone-tekstenmanie, noemt hij dat zelf. Hij neemt daarmee meteen zijn adagium, dat schrijven herschrijven is, letterlijk.

    In diezelfde tijd maakte hij voor het weekblad een serie over schrijvers, die door de nieuwe technieken inmiddels verouderd is. Verderop refereert hij aan Mulisch, die hem vertelde dat De ontdekking van de hemel zo dik geworden was omdat hij voor het eerst op de computer werkte.

    Ik vind het minder sterk dat Brokken soms zijn eigen werk als voorbeeld neemt maar hij maakt het niet zo bont als Pim Wiersinga die in Het prozaboek een roman van hemzelf uitvoerig ontleedt. Naast prozaïsche stukken komen er bij Brokken ook veel verrassende stukjes voor. Behalve de eerder genoemde voorbeelden denk ik aan de dialoog die altijd een kunstgreep is, de beschrijving van een seksuele handeling die, om geen loze standje te worden zoals gebeurt bij Catherine Millet, altijd in relatie moet staan tot het karakter van het personage of, derde voorbeeld, de spanning die ontstaat door verwachtingen die de schrijver bij de lezer wekt.
    Tenslotte wil ik nog een stukje noemen over de ‘Kanaalkoorts’ waaraan scheepslui vroeger soms leden. Als het schip de haven naderde, verzaakten veel zeelieden hun taken, zodat er levensgevaarlijke situaties ontstonden. Brokken wijst de schrijver op hetzelfde gevaar, dat hem in de eindfase kan overkomen.

    Brokken slaat graag een brug tussen fictie en non-fictie en bespreekt verschillende manieren waarop informatie in een verhaal verwerkt kan worden. In dit verband bekritiseert hij Margriet de Moor die in De verdronkene een hoofdingenieur van Rijkswaterstaat teveel aan het woord laat. In Het meten van de wereld gebruikt Daniël Kehlmann de indirecte dialoog (in de verleden tijd en zonder aanhalingstekens) tussen Von Humboldt en Gaus om aan te geven dat het geen werkelijke gesprekken betrof, maar een interpretatie van de schrijver.

    Iemand die literatuur wil schrijven moet het niet zoeken in verheven taal, maar in zuiverheid, zegt Brokken en geeft als voorbeeld de opening van Pessoa in Ode van de zee.
    Het is leuk om de inhoud terug te lezen van reeds gelezen boeken en enthousiast gemaakt te worden voor de dagboeken van Casanova, Rood en zwart van Stendhal, Ask the dusk (Vraag het aan het stof) van John Fante, In koele bloede van Truman Capote of de biografie To Kill a Mockingbird (Spaar de spotvogels) van Nelle Harper Lee, een journaliste die nauw met Truman Capote samenwerkte. Of voor De wonderen van de heilbot van Oek de Jong, dat ik te zijner tijd nog eens wil bespreken.

    ‘Uiteindelijk gaat het in de literatuur maar om drie dingen: hoe een verhaal wordt verteld, met welke diepgang en met welke intensiteit.’ Aldus vat Jan Brokken na tweehonderdvijftig bladzijden dit inspirerende boek voor elke schrijver (en lezer) in een laatste zin samen.

    De wil en de weg

    Auteur: Jan Brokken
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus (2006)
    Prijs: € 24,50

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Werd uit z’n vorige dichtbundel Kleur de schaduwen de mooiste zin, ‘Zonder noorden komt niemand thuis’, door schrijfster Nelleke Noordervliet ingepikt en gebruikt als titel voor haar eigen boek, de nieuwe en vijfde gedichtenbundel van K. Michel kreeg van zijn schepper dit maal zelf de mooiste zin als titel mee: Bij eb is je eiland groter. Die titel staat natuurlijk als een huis en is het waard om op gevels van pakhuizen te gaan prijken. In zijn speelse diepzinnig- en monterheid is het een typische K. Michel-titel, en de kwalificatie ‘typisch K. Michel’ mag voor de hele bundel gelden.

    De productiefste dichter zal hij wel nooit worden ? tussen zijn dichtbundels zit gemiddeld een jaar of vijf – een herkenbare toon bezit hij intussen wel: lichtvoetige gedachten gepaard aan beheerste en concrete dictie. Wat dat aangaat doet het soms denken aan de schilderijen van René Magritte. Van huis uit is K. Michel filosoof en van het denken lijkt hij evenzeer te genieten als dat het hem blijft verbazen. Want geen antwoord is te goed of er komt een nog betere vraag uit voort. En zijn gedichten vormen de weerslag van de verwondering. Maar omdat K. Michel aan vaagheid een broertje dood heeft, wordt het allemaal in dartele frisheid verwoord. Wijsheid (‘een blinde vlek komt tevoorschijn / door er iets in te laten verdwijnen’) en flauwheid ( ‘stik, ik ben vergeten een ladder / te plaatsen tegen de windroos’) wisselen elkaar af, maar beide worden door een zelfde soort speelse, associërende toon voortgestuwd. Waarbij het toeval op het moment dat het er met de verbeelding vandoor lijkt te gaan, altijd nog door de dichter op tijd wordt betrapt.

    De gedichten zijn minder vaak kort dan lang, maar laten zich in een vaart lezen. Of de versregels nu kort of lang zijn, ze hebben altijd de juiste ritmiek, zodat ze het rijm niet van node hebben om zich van prozaregels te onderscheiden. De dichter lijkt het dan misschien van spitsvondige gedachten en ludieke invalletjes te moeten hebben, in het juiste woord op de juiste plaats is niet minder geïnvesteerd. Waar over de hedendaagse roman wel eens de klaagzang wordt geheven dat het leven van de straat er niet in zou doorklinken, kun je aan de gedichten van K. Michel goed merken dat ze geschreven zijn door een filosoof die liever door de wereld wandelt dan dat hij zijn hersenspinsels laat koesteren in de lichtbundel van zijn bureaulamp. Zo stuit je zomaar op een onvergetelijke typering van onze demissionaire minister-president in het gedicht Brief over het regeringsbeleid aan mijn vader die zich zoals iedere september in de bergen heeft teruggetrokken:

    Solide oplossingen vragen tijd
    Regelvermindering schept ruimte
    Deze ingrepen doen mogelijk pijn en
    Zijn zeker geen sigaar uit eigen doos

    Vertrouwen vraagt vertrouwen
    Dus kan het mag het absoluut niet
    Zo zijn dat je zelf de zak draagt
    Maar je buurman een ezel noemt

    Cultuur verrijkt eenieders leven
    Sport versterkt wederzijds de banden
    Maar naast rechten gelden plichten
    Een ieder moet zijn eigen broek ophouden.

    Vader, tot zover

    In stokregels het najaarsbeleid
    Nog een laatste noot over
    Het hoofd van de regering

    Kijk je diep in zijn ogen
    Dan zie je: het rad draait
    Maar de hamster is afwezig.

    Dit gedicht is overigens een van de drie gedichten in deze 28 gedichtenrijke bundel dat in een andere vorm eerder verscheen in de bundel In een handpalm die essays, verhalen en enige gedichten bevatte. Daarin vereeuwigt een dergelijk Balkenende-gedicht niet alleen ’s mans clichés maar ook diens woordverhaspelingen.

    K. Michel zijn gedichten zijn zeker niet voor één gat te vangen. Misschien heeft het ermee te maken dat twee gedichten in deze bundel op biologen (Tijs Goldschmidt en Dick Hillenius) zijn geïnspireerd dat in deze bundel ook een gedicht, Voor het vertrek geheten, staat waarin zelfs het gras een stem heeft gekregen. Het gedicht is een soort dagboek, logboek en maakt ons deelgenoot van de revolutionaire gedachten die er gisten in het gras wanneer het geconfronteerd wordt met de gevreesde terugkomst van de koeien in het voorjaar:

    ‘Woensdag:
    Iedereen ziet de terugkeer van de koeien
    met vreze tegemoet; het ruk- en trekwerk
    de hoempa van hun passen, het domme
    domme boe, het royale schijtpissen.’

    Omdat het gras ter ore is gekomen dat op de pampa’s en de verre steppen de grassen in vrijheid leven, beraamt het een plan om er van tussen te gaan. ‘Wij bespreken het plan. / Wij dromen van Mongolië.’

    Dit gedicht kent geen strofen, maar in plaats daarvan laat het zich ordenen door de zeven dagen van de week op te sommen. In de gedichten van K. Michel lijkt het er hier en daar soms flink op los te gaan, voor de samenhang, de coherentie heeft de dichter echter wel vooraf zorg gedragen. Die samenhang wordt niet bewerkstelligd door middel van de ouderwetse poëtische lapmiddelen als rijmschema’s en rijmvormen, maar veelal door zelf bedachte retorische oplossingen. Zo wordt in het gedicht Staande golf een eenheid gecreëerd door diverse groepjes zinnen te laten aanvangen met het woord ‘verdiept’:

    ‘Verdiept
    in het rollen van een bal
    in het gesjouw van mieren
    tussen de stenen
    in het vallen van een gum
    de zijwaartse sprongen
    verdiept
    in de schaafwond op je knie
    in het schillen van een appel
    (…).’

    Om een paar ‘verdiepingen’ verder te eindigen met de prachtige regels:

    ‘(..) blijk je zomaar ineens / te zitten in de schaduw van een boom / die je als takje hebt meegenomen uit de tuin van je jeugd.’

    Elders nummert K. Michel simpelweg de regels. Omdat het een gedicht betreft over de diverse stadia van de windkracht, staan de getallen 1 tot en met 12 ook voor de bijbehorende windkracht.

    Een op het eerste oog apart gedicht is Marx ging naar Zaltbommel, gebaseerd op het historische bezoek van Karl Marx aan die stad, waarvan de eerste regel luidt: ‘Marx ging naar Zaltbommel om zijn oom te zien.’ Wie hier nog denkt dat er een pastiche zal volgen op Nijhoffs Moeder de vrouw, wordt in de tweede zin al meteen gewaarschuwd: ‘Zaltbommel ligt aan een rivier die de Waal heet.’ En de derde zin is: ‘Zijn oom was de man van de zus van zijn moeder.’ De vierde zin gaat dan: ‘De man beheerde haar financiële zaken.’

    Het is op deze manier verleidelijk het hele vers te citeren, maar daarvoor is het te lang. Doordat op iedere versregel een witregel volgt, krijgt de schoolopstelachtige toon iets bezwerends als een pianostuk van Satie. Maar tussen die houterige toon, kabbelt iets heel subtiels: de volgende regel herhaalt iets uit de vorige regel en rijgt zich zo aan het geheel, dat gaandeweg iets van een grote rivier krijgt. Een rivier die zich traag voortbeweegt en zijn weg zoekt door een landschap. Het einde van dit trage gedicht heeft Marx dan ook op de kade achtergelaten. De rivier gaat alleen verder:

    ‘Het water zoekt en volgt de laagste weg.

    Voorwaarts naar zee naar zee en verder.

    Het wassende water sleept alle bootjes mee.’

    Een gedicht dat na lezing lang zal blijven hangen. Niet ieder gedicht uit deze bundel zal dat in gelijke mate doen, maar ook niet ieder gedicht lijkt met dat doel geschreven. De wat mindere gedichten vormen overigens een kleine minderheid waarvan mij de kans groter lijkt dat ze meer zullen winnen bij latere lezing dan dat de betere gedichten aan waardering zullen gaan verliezen. Lezen van zijn gedichten verfrist toch altijd weer de binnenkant van je hersenpan. Was K. Michel een Nederlandse voetballer, dan stond hij geheid bij een buitenlandse topclub onder contract. Al met al verrast deze bundel in vergelijking tot zijn eerder werk niet vanwege het niveau, maar vanwege de titel. De vorige moesten het met mindere titels doen.

    Bij eb is je eiland groter

    Auteur: K. Michel
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus (april 2010)
    Prijs: € 17,90