• Typisch

    Typisch

    Als een boek mijn aandacht trekt, bestel ik dat het liefst gelijk. Alsof er niet genoeg te lezen is in dit huis. En nee, ik zal niet vertellen hoe het is om bij een plaatselijke boekhandel een online bestelling te plaatsen. Hoe boeken uit winkelwagentjes verdwijnen, er geen zoekfunctie is, of winkelwagentjes waarin maar een boek past. Zo anders als bij die grote virtuele boekwinkel. Waar je je karretje vollaadt, het op een ander adres kan laten bezorgen, een boodschap bij kan schrijven, betalen eenvoudig is. Het maakt me tot onbetrouwbare klant van de echte boekhandel. Deze week gaf ik het twee keer op, verliet geagiteerd de online bestelpagina van een boekhandel. Maar daar zou ik het niet over hebben. Ik vroeg me af waarom er na het kijken van Mondo nooit een gedachte aan een boek dat ik zou willen lezen blijft hangen.

    Sinds ik iets mis inzake literatuur op tv, ging ik het boekenprogramma met Wim Brands terugkijken. Meteen begreep ik waarom het nieuwe programma waarvoor Boeken plaats moest maken, niet aanzet tot gretige boekaankopen. Mondo leidt tot ongemakkelijk schuiven op de bank. Kijkend naar een presentatrice die, omgeven door bewegende beelden, een oog dichtknijpt zogauw het gesprek interessant wordt, een soort knipoog (maar het is géén knipoog). Ik zie de prachtige haren die voor of achterlangs een oor gewerkt worden, het rechteroortje dat bevoeld wordt, het veelvuldig bewegende, knikkende, luisterhoofd. Als die buurvrouw, die met een soort gulzigheid de woorden uit mijn mond wil halen, die het al begrijpt nog voor ik uitgesproken ben. Knikkend beamend, door te vroeg gestelde vragen onderbroken, worden woorden van betekenis ontdaan. Door schaamte bevangen glijd ik van de bank. Vanaf de grond, frutsend aan mijn haar, zit ik het programma met geloken ogen uit. Mijn lief vindt dat iedereen een kans moet krijgen.

    Terwijl ik me verbeeld dat in de ogen van de genodigde schrijvers naast ontreddering een verlangen schemert. Verlangen naar een eenvoudige tafel met boeken, een glas water en twee stoelen, tegenover elkaar. Waar de enige afleiding bestaat uit een voorbijrammelende tram, of zicht op water, een haven. Zicht op iets dat geen bedoeling heeft.

    In een aflevering uit 2012 is Wim Brands in gesprek met de regisseur van de film En un Momento Dado, Ramon Gieling. Over zijn boek De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen. Brands stelt vragen die verhalen ontlokken aan de schrijver, tijd speelt geen rol. Hij lokt de schrijver met een,’Toe, vertel nu nog even hoe dat citaat van Luis Buñuel gaat dat voor in het boek staat. Kun je dat? Uit je hoofd?’ Want uit het hoofd, dan staat een tekst pas echt, wordt het een boegbeeld. En de schrijver kon dat, hij sprak: ‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik niet denken aan een wonder. Ik zou gewoon denken: Luis, daar heb je nou weer typisch iets wat je niet begrijpt.’
    Dit was dus zo’n boek dat ik moest hebben. Om de titel, het citaat van Buñuel, en dan die verhalen, schrijnend mooie verhalen, niet te filmen zo mooi.

     

    De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen / Ramon Gieling / Uitgeverij Augustus (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, bestelt boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Onschuldige ongerijmdheden van het moderne leven

    Onschuldige ongerijmdheden van het moderne leven

    We leven in een ironische tijd en we weten het. In de bundel En hier een plaatje van een kat & andere ongerijmdheden van het moderne leven temperatuurt Arjen van Veelen, redacteur, essayist en columnist van NRC Next en NRC Handelsblad, en auteur van het debuut Over Rusteloosheid, onze bijkans aan ironie bezwijkende tijdgeest. Hij zoekt naar rare gewoontes van deze tijd en van hemzelf. Besmet met de ziekte waarover hij schrijft, laat hij zich leiden door de alleszins gezonde vraag: ‘waarom doe ik dit eigenlijk?’

    Niets menselijks en eigentijds is Van Veelen vreemd. In de verantwoording van deze bundeling van veelal eerder gepubliceerde, maar niet zelden daarna herschreven artikelen, refereert hij aan het boek Mythologies (1957), waarin de Franse literatuurcriticus, filosoof Roland Barthes aan de hand van uiteenlopende beelden en alledaagse onderwerpen uit de eigentijdse populaire cultuur de slinkse trucs van de bourgeoisie ontmaskerde. Barthes liet zien dat onder de populaire cultuuruitingen verborgen betekenissen schuilgingen die ons als natuurlijk en vanzelfsprekend worden voorgeschoteld, maar die in werkelijkheid op geraffineerde wijze naar burgerlijke leest zijn gevormd. Zo kreeg bijvoorbeeld destijds de Citroën DS in een uitgekiende advertentie een weloverwogen goddelijke connotatie mee binnen een huiselijke context. Barthes morrelde met verve aan de zogenaamde natuurlijke vanzelfsprekendheid van het ons zo vertrouwd gemaakte beeldenarsenaal, en toonde aan dat daarachter een heel patroon van geruststellende, kleinburgerlijke waarden schuil ging.

    Waren Barthes’ essays niet helemaal vrij van neo-marxistische opzet, Arjen van Veelen voert in zijn boek een onpartijdigere ontmaskering van de tijdgeest op. In een persoonlijke en zeer leesbare stijl loodst hij zijn lezer door onze listig door reclamejongens opgetuigde werkelijkheid. Bij vlagen doet hij dat zeer geestig en gevat. Diverse gadgets en trends passeren de revue. Het boek en het vuur begint zo: ‘Het feestje is bij ons thuis in de achtertuin. ’t Is rond middernacht. Er zijn enkele tientallen genodigden. In de tuin brandt hout in een vuurkorf. Er is drank te over. Het lijkt wel een studentenfeestje, alleen de happen zijn beter, want we zijn rijker dan toen.’

    Voor wie wil mag in die vuurkorf iets van zichzelf ritueel verbranden. En dan blijkt dat men met het grootste gemak van alles aan de vuurkorf toevertrouwt, nou ja bijna alles…behalve boeken! Boeken beschikken in het digitale tijdperk blijkbaar nog steeds over een ‘ziel’. ‘Weinig mensen hebben moeite met het deleten van een tekstbestand of het weggooien van een krant. Maar een boek in het vuur? Dat voelt gek.’ Na enige uitleg volgt de bijna dooddoener: ‘Juist in een wereld die digitaliseert groeit de hang naar het fysieke’. Maar daarmee neemt de schrijver gelukkig geen genoegen. Hij verduidelijkt dat de mens van zijn computerscherm, dat allerlei zintuigen ‘miskent’, wegvlucht. ‘Waarom in vredesnaam je zintuigen tekort doen en dat vooruitgang noemen? Het is net als met ledlicht: prima als fietsverlichting, maar in je tuin liever een vuurkorf.’ Het papieren boek heeft heden ten dage afgedaan als drager van de waarheid, die immers sneller gediend is in digitale vorm. De functie van het papieren boek is daarmee een andere geworden: het biedt tegenwicht tegen de schermwereld: ‘het boek is nu antidotum tegen werkelijkheidswee.’

    Dit zogeheten werkelijkheidswee, dat een tegenreactie tegen de virtuele wereld ontketent, loopt als een rode draad door zijn essays. De schrijver toont keer op keer aan hoe het komt dat we terugverlangen naar de vermeende echtheid en authenticiteit van voorbije tijden. Hoe 2.0 en 3D alles ook moge zijn, het beeldscherm wordt door velen nog steeds als scheidslijn tussen ons en de  werkelijkheid ervaren.

    Arjen van Veelen kan scherp zijn: ‘Reclame, dacht ik altijd, wijst je op oplossingen voor problemen die je niet had.’ Soms balanceren zijn oneliners gevaarlijk op het randje van de open deur: ‘Ons grootste probleem is dat we geen grote problemen kennen.’ Maar je vergeeft het deze winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs uit 2009 graag wanneer hij elders op z’n geestigst voor de dag komt met zijn stuk over de vouwfiets. ‘De vouwfiets is handig, zeggen liefhebbers – het is hun enige argument. De vouwfietser behoort tot het type mensen dat zich niet bekommert om esthetica en lak heeft aan prestige. Het is de antipode van de Harley-rijder. Laat de mensen toch lachen, als wij maar efficiënt van a naar b kunnen trappelen. Het is de esthetica van de afritsbroek.’

    Net als men de voorkeuren van deze schrijver wel zo’n beetje denkt te kennen, belandt men van de afwijzing van het ene fenomeen in de omhelzing van het andere. Zo kan opeens een lans gebroken worden voor het ‘bliepje’, het door de meesten als irritant ervaren geluid dat alle moderne apparaten in een digitaal soort Esperanto wereldwijd probleemloos kunnen afscheiden. Van Veelen ontwaart er echter een ‘symbool [in] voor de liefdevolle verstrengeling van mens en ding.’ Hij schiet wat door in zijn liefdesverklaring aan de bliep wanneer hij schrijft: ‘De bliep is dus je beste vriend – probeer het woord bliep maar eens uit te spreken met een boze stem.’

    Witte muren en dingen die je niet snapt is een pleidooi voor het soort musea waarin alles nu eens niet in hapklare brokjes voor de bezoeker is versneden. ‘Een museum moet niet vriendelijk zijn.’ Sterker, de bezoeker moet zich er zelfs nietig kunnen voelen tegenover de, het liefst met minuscule naambordjes gepresenteerde kunst, die daardoor des te meer weet te overweldigen. ‘De witte muren en de leegte van de zalen werken net zo op je geest als witregels in de poëzie. De lege bladspiegel geeft extra lading aan die paar woorden die er wel staan.’

    Het laatste stuk is getooid met de boektitel en is mede vanwege de erin opgenomen kattenplaatjes het langst. Maar ook op een ander punt onderscheidt het zich. Voorheen kon de lezer nog menen dat Van Veelen louter gedreven werd door journalistieke nieuwsgierigheid en zelfonderzoek. Maar waar de auteur zich in dit laatste stuk erover verbaast dat miljoenen mensen naar domme en toch weer schattige kattenfoto’s en –filmpjes op het internet kijken, constateert hij opeens, bij wijze van moralistische oprisping, dat ‘het wilde web tam’ is geworden. De moralistische tendens verraadt zich helemaal bij de aanblik van een ‘in zichzelf gekeerde mensheid, die unaniem is gestopt met denken, met scheppen (…) Daarom besloot ik het virus te onderzoeken, om, als dat nog nodig was, de mensheid op tijd van een vaccin te voorzien.’ Voor die passiviteit wacht Van Veelen. ‘Liever jaag ik eenzaam de waarheid na dan mij zomaar over te geven aan loos gemiauw.’ Ach, een beetje moralisme kan dit boek over tamelijk onschuldige ongerijmdheden van het moderne leven wel verdragen.

     

     

  • Onaangepast gedrag in veranderende tijden

    Onaangepast gedrag in veranderende tijden

     Op 19 juni 1997 vraagt Oek de Jong zich af of hij schrijver is van ‘autobiografische verhalen’ of ‘verzonnen verhalen’. Zo schrijft hij in zijn in 2002 uitgekomen dagboek, De wonderen van de heilbot. Opwaaiende zomerjurken (1979) en Cirkel in het gras (1985) zijn al geschreven. Hokwerda’s kind (2002) ontstaat gedurende de jaren dat hij bovengenoemd dagboek bijhoudt. Van Pier en oceaan, zijn zogenaamde magnum opus heeft De Jong dan niet het flauwste vermoeden dat dit boek er komen gaat. Tot De Jong in 2004 begint te schrijven over het Sas bij Goes in Zuid-Beveland. De plek waar de schrijver zijn jeugd doorbracht. Evenals zijn alter ego Abel Roorda in Pier en oceaan, is De Jong geboren in Breda, bracht hij zijn kinderjaren deels door in Friesland, groeide verder op in Zeeland en vertrok op zijn achttiende als student en met het stellige voornemen schrijver te worden naar Amsterdam.

    Kort verhaal wordt roman

    Het Sas bij Goes is de inspiratiebron van, wat de schrijver in eerste instantie voor ogen had, een klein literair werk. Na honderd pagina’s beseft hij dat het de kern van een veel groter werk gaat worden, en wat in acht jaar tijd uitgroeide tot Pier en oceaan. Zo zintuiglijk als zijn romans zijn, zo schijnbaar zintuiglijk zijn ze geschreven. De Jong heeft geen uitgewerkt plan voor hij aan het werk gaat. Het ontstaan vanuit een idee dat zich steeds wijder vertakt en uiteindelijk een roman oplevert, is zijn manier van werken. Ook zijn voorlaatste roman ontstond uit een kort verhaal dat hij schreef voor een daklozenkrant. Een verhaal dat uitgroeide tot de roman Hokwerda’s kind.

    Wat gebeurt er eigenlijk in de autobiografische roman Pier en oceaan waardoor je wilt blijven doorlezen aan de eettafel, in bed, in bad en op reis? Want eenmaal begonnen in Pier en oceaan is het moeilijk wegleggen. Het is De Jong er niet om te doen de dingen te duiden. Het gaat om het beleven, waarbij voelen, zien en ruiken zo intens zijn beschreven dat het een magnetiserende werking heeft. Zijn romans kenmerken zich naast de gedetailleerde beschrijvingen, door de onaangepastheid van de personages. In elke roman komt een karakter voor dat zich verzet tegen de heersende orde. Personages die hun emoties niet de baas zijn, de ander schofferen en die geobsedeerd raken door de rafelige randen van het leven. In Cirkel in het gras is dat Hanna Picard, in Hokwerda’s kind is het Lin en in Pier en oceaan is het Abel die het onaangepaste vertegenwoordigt.

    Vergeten wat er was

    Pier en oceaan opent met: ‘Toen Dina wakker werd, was ze vergeten dat ze zwanger was.’  Zwangerschap is een staat van zijn waar je niet omheen kunt. Je kunt het niet ergens ‘achterlaten’ en het dan ‘vergeten’ zijn. Maar na de tweede zin wordt duidelijk dat Dina ver van zichzelf is geraakt. De werkelijkheid beroert haar niet meer en zo ook haar zwangerschap niet.
    ‘Ze werd gewekt door het gerinkel van melkflessen, dat weerklonk over het water van de Delpratsingel.’ Ze luisterde naar de voetstappen van de melkboer, het rinkelen van de lege flessen in het rek bij elke stap die hij zette. Ze hoorde hoe hij de lege flessen voor volle omruilde en terugliep naar de huizenrij. Tegelijkertijd voelde ze de koele lucht die door het dakraampje naar binnenstroomde en over haar gezicht gleed. Met gesloten ogen luisterde ze hoe de melkman van huis tot huis ging. Toen ze zich op haar zij draaide, voelde ze het kind bewegen in haar buik. Er trok een blos over haar wangen. (…) Ze was vergeten dat het er was.’

    Niets is meer mogelijk

    Het is 1952 als Dina Houttuyn, na een relatie van zeven jaar, zwanger wordt van haar verloofde Lieuwe. De lesbische verhouding met Elena, haar leidinggevende in een kindertehuis, waarmee ze voor het eerst de liefde  beleeft, kan ze geen plaats geven in haar leven. Dus laat ze zich zwanger maken waarna er getrouwd moet worden. Na haar huwelijk vervalt ze in een lethargie die ze, overigens zonder resultaat, probeert te verdrijven door een vertaling van Homerus te lezen. Alles wat voor het huwelijk aan mogelijkheden voor haar open lag, is na het huwelijk teruggebracht tot dienstbaar zijn als vrouw en moeder. Wat haar absoluut niet goed afgaat gezien de irritaties,  al snel uitgroeiend tot ware minachting van haar man, Lieuwe.

    Lieuwe Roorda is een zelfingenomen man die zich niet kan inleven in andere mensen. Zo’n man die belangstelling in een ander veinst om zodoende over zichzelf te kunnen praten. Hij is gewoon niet in staat van iemand te houden, al dagdroomt hij daarover.
    ‘Als hij na zijn wekelijkse bespeling van het carillon uit de toren afdaalde naar de straat, dacht hij steevast aan een vrouw die hem opwachtte, (…) Hij volgde haar door de straten, stapte in een steeg in een auto en reed met haar de stad uit, voorgoed.’
    De grootvader, Roorda senior, is meubelmaker en ziet zichzelf als industrieel. Hij draagt maatpakken, heeft een auto en speelt cello. Wanneer zijn ambities hem geen uitkomst bieden treedt hij toe tot de gemeentepolitiek maar brengt het niet verder dan wethouder.

    Zoon overheerst de vader

    Abel voelt voor zijn vader Lieuwe een mengeling van vluchtig medelijden en diepe minachting. Wanneer Abel 16 jaar is, betaalt hij zijn vader met gelijke munt terug wanneer deze hem belachelijk maakt om zijn uiterlijk (lange haren, spijkerbroek, suède jasje van zijn moeder). Hij bootst Lieuwes optreden na en maakt hem uit voor ‘Slappeling’ en ‘Laffe zak’. Het eindigt met een handgemeen waarbij Lieuwe, Abel een paar trappen geeft maar uiteindelijk het onderspit delft.

    Waar alle personages teleurgesteld worden in hun verwachtingen van het leven is Abel de enige, als zoon van Dina en Lieuwe Roorda en kleinzoon van Roorda senior, die zijn droom daadwerkelijk achterna gaat. Dat is wat zijn onaangepaste gedrag hem in veranderende tijden oplevert. In een mooie scène aan het einde van de roman weet Abel dat hij naar Amsterdam zal gaan om schrijver te worden.

    Publiceren na lang rijpingsproces

    Tijdens het literaire festival City2Cities 2013  vertelde de Portugese schrijver Gonçalo M. Tavares (zijn boek Jeruzalem ontving de José Saramagoprijs), dat hij zijn aantekeningen en ideeën altijd voor een periode van vijf jaar in de la laat liggen alvorens het geschikt te vinden voor bewerking en publicatie. Ook Oek de Jong is zo’n schrijver die zijn werk een lang rijpingsproces gunt waardoor het tot volle wasdom komt. Dat, en de kunst van De Jong om met zijn beschrijvingen de indruk te wekken als was hij met penseel en verf in de weer geweest waardoor herkenbare taferelen worden opgeroepen van voorbije jaren (zonder die in te kleuren met de gebeurtenissen die geschiedenis maakten), maken van Pier en oceaan met recht een grootse roman.

     

  • De ontmoeting die niet plaatsvond

    De ontmoeting die niet plaatsvond

    ‘De ontmoeting met Menno Molenaar vond strikt genomen niet plaats.’ Zo luidt de eerste zin van de historische roman van Nelleke Noordervliet en het is een verwijzing naar de constructie die de auteur gebruikt in haar zoektocht naar het leven in de Gouden Eeuw: ze  stapt als schrijfster zelf in haar verhaal om in Woodstock, op het dorsplein Menno Molenaar te ontmoeten, de hoofdpersoon in haar historische roman Vrij Man. Het is 6 oktober, maar voor Menno in de 17e eeuw en voor de auteur in de 21e eeuw.  De schrijfster gaat in gesprek met haar eigen romanpersonage en dat levert ons informatie op over het leven in de Gouden Eeuw, maar het geeft ons ook een beeld van het proces dat Noordervliet als onderzoekster moet doorlopen in haar zoektocht.  Ze maakt ons deelgenoot van haar twijfels, emoties en ambities ten aanzien hiervan. Noordervliet kiest ervoor om Menno ‘te laten blijven’ en ze neemt hem mee als ze weer terugkeert naar Nederland. Het is het begin van een interessant onderzoek.

    Menno Maartenszoon Molenaar gaat in Leiden theologie studeren met een beurs van de stad Rotterdam, geregeld via de familie van zijn moeder. Eigenlijk had hij liever medicijnen of rechten willen gaan doen, maar in deze fase van zijn leven is hij nog niet vrij om te kiezen: zijn oom bepaalt, want hij betaalt. Hij sluit zich aan bij een viertal vrienden: Adriaan  en Johannes Koerbagh, Lodewijk Meijer en Bento van Doorn, allen studenten en kritische, onafhankelijke, vrije denkers. Menno wordt vanwege zijn frivole levenswandel, naar kroeg en bordeel, al gauw verbannen van het Statencollege, het internaat voor theologiestudenten met een beurs. Het binnensmokkelen van een hoertje is de druppel voor bestuurder en mentor Jacob Revius. Via zijn vriend Adriaan, wordt hij een hulpje van de assistent van Van Horn, professor in de anatomie. Menno, die zeer geïnteresseerd is in de dood, heeft als taak lijken, vaak pas opgehangen misdadigers, te vervoeren naar de snijzaal. Zo krijgt Menno in het  Theatrum Anatomicum  alsnog een kans kennis over de anatomie van het menselijke lichaam op te doen. Deze kennis komt goed van pas als hij later bijverdient als aborteur, een dienst die hij samen met zijn hospita uitvoert.

    In het Theatrum is Menno ook gids voor bezoekers die soms bij een sectie aanwezig mogen zijn. Via een van die bezoekers komt hij in contact met een rijke koopman in katoen, de Engelse lakenreder Henry Dixon. Dixon werpt zich op als zijn mecenas: hij kan rechten gaan studeren in Leiden, maar niet voor niets: Dixon eist daarvoor tegenprestaties op zowel  seksueel als politiek gebied. Als spion werkt Menno op die manier indirect voor Charles II van Engeland. Ondertussen is hij ook de minnaar van Elisabeth Dixon, de echtgenote van zijn ‘weldoener’ en opdrachtgever.

    Om Menno dichter bij Johan de Witt, Raadspensionaris van de Republiek, te krijgen, zorgt Dixon voor een baantje als hulpgriffier bij de Staten-Generaal. In die positie is hij echter ook interessant voor Lieuwe van Aitzema, geschiedschrijver en agent van de Hanzesteden met een groot netwerk van boodschappers. Ook Van Aitzema wil informatie van Menno; hij wil een boodschapper die zo objectief mogelijk verslag doet van alles wat er zich afspeelt rondom De Witt. Menno Molenaar, afwisselend in de wereld van de Haagse politiek, van de arme burgers aan de zelfkant van de maatschappij, van de chanterende Dixon en van zijn vrije, kritisch denkende vrienden, komt door zijn dubbelrol in een precaire positie. Uiteindelijk verlost hij zichzelf van Dixon, waarna hij vlucht naar de Nieuwe Wereld. In Amerika, op het landgoed Wieskottine, kan hij een nieuw leven beginnen en zijn eigen ideeën en idealen in praktijk brengen.

    Of  Menno Molenaar in zijn leven echt een vrij man was, is achteraf gezien maar de vraag. Door zich aan niemand te binden en door zijn onafhankelijke, onderzoekende, soms egoïstische houding, maakte hij bijna geen vrienden en maakte hij geen principiële keuzes. Uiteindelijke bracht  hem dat in een dusdanig gevaarlijke  positie, dat hij het noodzakelijk  vond om te vluchten naar de Nieuwe Wereld.

    In deze historische roman wordt het leven van de fictieve Menno vervlochten met andere ‘verzonnen’ personages, maar ook met historische figuren. Lieuwe van Aitzema en Adriaen van Koerbagh bijvoorbeeld zijn ‘echte’ mannen uit de Gouden Eeuw die door hun geschriften veel informatie over hun tijd en hun leven hebben achtergelaten. Het doek De magere Compagnie van Frans Hals bestaat echt en met Bento van Doorn wordt naar Baruch Spinoza verwezen, een van de grote filosofen uit die tijd. De roman nodigt uit om weggezakte kennis over de politieke verhoudingen in de 17e eeuw weer eens op te halen en als je dat doet, maakt dat het lezen wat eenvoudiger.

    Ook het vertellerperspectief maakt het ons als lezer niet gemakkelijk: Noordervliet vertelt vanuit haar perspectief als alwetende schrijfster, die zelf een aanzienlijke rol speelt binnen de roman, maar ze laat ook regelmatig een van de personages aan het woord. Zo zien we Menno bijvoorbeeld door de ogen van zijn vriend Adriaan, van zijn minnares Elisabeth, van zijn moeder Catharina en van zijn mecenas Henry Dixon. Een wisselend perspectief, maar tegelijkertijd weten we natuurlijk dat Noordervliet zelf al deze rollen invult; zij probeert een levendig tijdsbeeld neer te zetten en de personages moeten dit beeld zo authentiek mogelijk maken. ‘Ik heb meer materiaal nodig. Ik moet hulp halen. Getuigen horen, stemmen en tegenstemmen.’ (blz. 67). Of  die constructie geslaagd is, is aan de lezer. Opvallend is het zeker, maar je moet als lezer wel bij de les blijven.

    Historische romans zijn aangenaam om te lezen, zeker als ze je de prettige illusie geven een waarheidsgetrouw beeld te geven. En, zoals genoemd, zorgen ze er soms voor dat je weer eens in de geschiedenisboeken duikt, en dat is een positieve bijwerking. Verder is het verhaal van Menno Molenaar op zich ook de moeite waard.

    Nelleke Noordervliet, is op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Ze studeerde Nederlands in Leiden en Utrecht. Ze debuteerde in 1987 met Tine of De dalen waar het leven woont. Voor De naam van de Vader kreeg ze in 1994 de Multatuliprijs. Op de zeef van de tijd is een eerder werk van Noordervliet waarin ze een historische gebeurtenis uit de vaderlandse geschiedenis eerst feitelijk beschrijft, geïllustreerd met historische objecten en schilderijen, en laat volgen door een vertelling waarin ze een fictieve tijdgenoot laat vertellen en de gebeurtenis laat beleven. Dat boek is wellicht als een voorloper van deze roman te zien.

     

     

     

  • Hoe nu verder?

    Hoe nu verder?

     

    De naam Mirjam Boelsums klinkt waarschijnlijk nog weinig lezers bekend in de oren, maar deze schrijfster en documentairemaakster heeft sinds 1998 twee boeken gepubliceerd, die beiden positief ontvangen werden. Voor de roman Slangen aaien (1998), die handelt over een zeventienjarige scholiere die betrokken is bij de dood van een leraar, ontving Boelsums zelfs de Debutantenprijs. Ook veroverde deze coming-of-age roman een plekje op de longlist van de Libris Literatuurprijs. Critici prijzen Boelsums’ grote psychologische inzicht en heldere, directe schrijfstijl. Deze kenmerken zijn ook terug te vinden in Boelsums’ nieuwste boek, Dronk.

    Dronk is een bundel van achttien verhalen, alle geschreven rond het thema van het keerpunt. De personages worden geconfronteerd met een nieuwe wending in hun leven. Sommigen voelen zich thuis in hun veilige, voorspelbare bestaan dat al jaren rustig voortkabbelt, zoals de huisvader Ronald in ‘Zijn hond’, een van de beste verhalen van de bundel. Met zijn vrouw Andrea is hij al meer dan tien jaar getrouwd en ze hebben samen twee kinderen. Andrea leidt een druk leven buitenshuis, terwijl Ronald thuis aan zijn proefschrift werkt. Door de dood van zijn hond, die hij  aanschafte toen hij Andrea leerde kennen, begint hij zich te realiseren dat zijn vrouw hem bedriegt. Zoals in vrijwel alle verhalen in Dronk werpt zich de vraag op: hoe nu verder?

    Meestal geeft Boelsums geen antwoord op deze prangende vraag. Ze schetst de situatie van onzekerheid en verwarring en laat het personage – en de lezer – dan aan zijn lot over. Hoewel de vele open eindes gemakzuchtig over kunnen komen, zijn ze in Dronk niet storend. De nadruk ligt in de verhalen namelijk op het keerpunt zelf én de geschiedenis die daaraan voorafging. Zo wordt in ‘Zoethout’ pas in de loop van het verhaal duidelijk dat Josefien jaren geleden haar toenmalige vriend verloor door een ongeluk. Sindsdien ging ze elk contact met mannen uit de weg. Nu staat ze onder het portiek van haar huis te schuilen voor de regen – samen met haar vermeende overbuurman. Ze overweegt hem mee naar binnen te nemen.

    Dronk is een knappe, goed geschreven verhalenbundel met personages die worstelen met de onzekerheid in hun bestaan. De verhalen hebben een verschillende lengte, maar delen dezelfde structuur. Veelal opent het verhaal in medias res en bevindt de lezer zich meteen in de (ongemakkelijke) situatie van het personage. De situatie krijgt vervolgens betekenis door datgene wat aan de situatie vooraf is gegaan. Langzaam wordt duidelijk waarom Mark, de hoofdpersoon van ‘Hoog over het water’, het lot wil tarten door met zijn zweefvliegtuig de Noordzee over te vliegen. Mark heeft, evenals de meeste andere personages in de bundel, een traumatische ervaring gehad die zijn opmerkelijke gedrag verklaart.

    ‘E=mc2′, het autobiografische verhaal waarmee de bundel eindigt, is de vreemde eend in de bijt. Waar de andere verhalen nooit meer dan twintig pagina’s tellen, heeft dit relaas over de overgrootvader van Boelsums er ruim veertig. Boelsums vertelt over haar ontmoeting met haar verre familie in Brazilië en het veelbewogen leven van de broer van haar overgrootvader. Vreemd genoeg valt dit verhaal, dat Boelsums met veel plezier geschreven moet hebben, uit de toon bij de andere verhalen, die alle gekenmerkt worden door een vlot tempo en een strakke regie. Hoewel de twee verhaallijnen in ‘E=mc2’ zorgen voor de nodige afwisseling, mist met name het verslag van Boelsums’ verblijf in Brazilië urgentie. Dagen gaan voorbij waarin er niets gebeurt. De schrijfster is op zoek naar iets, maar wat eigenlijk? Natuurlijk, ze is door haar verre achter-achternicht uitgenodigd om het leven van haar Nederlandse overgrootvader in kaart brengen, maar Boelsums komt er al snel achter dat haar verre Braziliaanse familie eigenlijk niet zo op haar zit te wachten.

    Wat thematiek betreft sluit Boelsums’ persoonlijke verslag natuurlijk aan op de niet-autobiografische verhalen: het leven van de schrijfster krijgt een andere wending nadat ze verre familie aan de andere kant van de oceaan blijkt te hebben. Hoewel ze hoopt op een warm onthaal als ‘verloren’ familielid, voelt ze zich al snel een buitenstaander en wordt ze teruggeworpen op zichzelf. Ook Jo, Boelsums verre bloedverwant die naar Brazilië emigreerde, was een einzelgänger en het is interessant om te lezen over zijn ongewone leven vol hoogte- en dieptepunten. Toch vraag je je af: waar wil de schrijfster naartoe, wat wil ze hiermee zeggen? Boelsums is beter in het beschrijven van andermans levens; daar staat ze verder vanaf.

     

  • Tussen waan en werkelijkheid

    Tussen waan en werkelijkheid

    Een Nederlandse diplomaat wordt op een safari in Kenia aangereden door een bus, die in dichte stofwolken verdwijnt.
    Een pizzakoerier wordt gegijzeld door twee mannen die hij ooit bijna doodsloeg.
    Een echtpaar verliest hun kind aan twee niet-bestaande serveersters.
    Een man is in 2010 getuige van de ophanden zijnde arrestatie van de dichter Lorca die plaatsvond in 1936.
    Een egoïstische vader die zijn dochter heeft verlaten, bedenkt zich na een gesprek met een zwerfkat. Een kleine greep uit de dertien wonderlijke verhalen in de bundel De hoofdletter pijn. Onverfilmbare verhalen van Ramon Gieling.

    Filmmaker Ramon Gieling introduceert zijn personages met snelle pennenstreken.
    ‘Johannes Firmin Metz was een beminnelijke diplomaat op de Nederlandse ambassade in Nairobi.’ begint het eerste verhaal in De hoofdletter pijn. Veel meer dan dit en ‘Hij leefde zijn leven al vijftig jaar op dienstbare en plichtgetrouwe wijze omdat hij dacht dat het moest, niet omdat hij er ooit voor had gekozen.’ komt de lezer niet over Johannes te weten. En dat blijkt niet genoeg te boeien om met hem mee het verhaal in te gaan. Een paar alinea’s verder wordt Johannes tijdens een safari platgewalst door een bus, die niet lijkt te bestaan. Op zich een aardig gegeven, het ligt immers meer in de lijn der verwachting dat hij op de savanne wordt platgewalst door een buffel of een neushoorn dan door een bus die niemand zich kan herinneren. Johannes komt uit coma als een ander mens. ‘Het land dat ik bewoon is vreemder dan de dood.’ verklaart hij. En deze strekking is typerend voor alle verhalen in de bundel. Ze beginnen alledaags, maar geleidelijk sluipt er iets surrealistisch in. Al is er in sommige verhalen eerder sprake van binnendringen dan binnensluipen. Er gebeurt iets vreemds of onverklaarbaars en dat leidt tot een leven tussen waan en werkelijkheid.

    Helaas wordt dit interessante gegeven niet goed uitgewerkt. De verhalen zijn stilistisch en inhoudelijk niet sterk. De hond mist een plot en ook in De hemel op zondag is geen enkele lijn te ontdekken. De verrassende wendingen die in de eerste paar verhalen misschien inderdaad nog verrassend waren, worden in het merendeel van de verhalen wel heel stereotiep ingeluid met ‘plotseling’ of ‘En toen gebeurde er iets vreemds.’ Aan zijn schrijfstijl is te zien dat Gieling filmmaker is. Hij registreert en springt van shot naar shot. En dat, in combinatie met de eerder genoemde summiere uitwerking van de personages, hij toont geen diepgang of betrokkenheid, maakt dat de verhalen niet raken. Daarnaast is hij ook erg expliciet in zijn taalgebruik. Niets wordt aan de verbeelding van de lezer overgelaten. In De exacte intelligentie van de huid belandt een stel tijdens een bezoekje aan een nachtclub in een andere dimensie. De lezer wordt wel erg aan het handje meegenomen als een van de hoofdpersonen – natuurlijk ook weer vooraf gegaan door ‘plotseling’ – verklaart: ‘Het enige wat ik kan bedenken,’ zei ik, ‘is dat we in een andere tijdzone zijn gekomen.’

    Het grote manco van deze bundel is dat er enkel oppervlakkig geregistreerd wordt, het maakt dat de potentiële dreiging of het ‘unheimliche‘ gevoel die deze verhalen bij een beter uitwerking hadden kunnen oproepen uitblijft. Nu neem je als lezer de dreiging voor kennisgeving aan en laat deze als het verhaal uit is weer van je afglijden, zonder dat je hem voelt of ervaart. En dat is jammer, de beelden die Gieling kiest zijn soms echt mooi. ‘Wanda dacht aan de toekomst die nu een steile afgrond was.’ lezen we in Zoveel hield ik van je. En in hetzelfde verhaal: ‘Lucy was in het niets verdwenen, ’s nachts omhelsde hij alleen nog haar afwezigheid.’ Zoveel hield ik van je is het sterkste verhaal uit de bundel omdat de auteur hier de tijd neemt om het verhaal te vertellen en niet van scène naar scène gaat.

    De cover toont een tekening van de hand van de auteur, die een naakte man met een stier op schoot en een vis bij zijn hoofd voorstelt. Helaas wordt het niet duidelijk wat deze tekening met de verhalen in de bundel te maken heeft. Datzelfde geldt trouwens voor de ondertitel. De hoofdletter pijn. Onverfilmbare verhalen. Deze verhalen zijn best te verfilmen, de vraag is alleen waarom zou je het willen? Op de achterflap wordt Hans Croiset geciteerd: ‘Lees deze Gieling-stories met een stevige borrel op….’. Dat is misschien inderdaad het beste.

     

     

  • Een foto lezen als een kort verhaal

    Een foto lezen als een kort verhaal

    Het korte verhaal werd ooit gezien als een soort vingeroefening voor de schrijver, die pas na zijn verhalendebuut (en de goede ontvangst daarvan), geacht werd een groter werk te publiceren waarna het korte verhaal zijn nut bewezen had en kon worden vergeten. Het korte verhaal diende om de literatuur binnen te komen en kreeg nooit de welverdiende plek binnen de Nederlandse letteren. Maar daar kan wel eens verandering in komen sinds zeer korte verhalenschrijver A.L. Snijders vorig jaar voor zijn gehele oeuvre de Constantijn Huygens Prijs ontving, en Ton Rozeman zich als pleitbezorger van dit genre presenteert.

    Ton Rozeman (Den Haag, 1968) publiceerde zelf twee lovend ontvangen verhalenbundels en een novelle. Hij is hoofdredacteur van Shortstory.nu en het blog Korte Verhalen Schrijven en is als docent verbonden aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Het belangrijkste dat Ton Rozeman vertegenwoordigt is het korte verhaal; hij geeft er les in, schrijft ze en bespreekt auteurs en hun korte verhalen op een uitvoerige wijze op zijn sites. En nu is daar zijn handboek Korte verhalen schrijven voor de aspirant-schrijvers onder ons.

    Ton Rozeman heeft een prettige manier van verhalen vertellen en uit zijn handboek blijkt dat hij ook een prettige manier van uitleggen heeft. Aan de hand van bestaande verhalen en door de vergelijking van een goed verhaal met een geslaagde foto, laat hij laagje voor laagje en vanuit verschillende invalshoeken zien hoe je een verhaal  kunt opbouwen. Tegelijk laat hij zien hoe een reeds bestaand verhaal in elkaar steekt. Daarbij is het onderwerp zèlf niet het belangrijkste maar ‘hoe’ en in welk licht dit onderwerp gefotografeerd, dan wel beschreven wordt.

    Korte verhalen schrijven is opgebouwd uit drie delen waarvan het eerste deel, Technieken de verschillende schrijftechnieken behandelt, het bepalen van het kader waarin je het verhaal wilt plaatsen en het licht dat je erop wilt laten schijnen (denk aan een foto nemen). Het tweede deel, Sjablonen behandelt de afstand tot het verhaal, wordt het een portretverhaal, een panoramaverhaal of een standaardverhaal (ook hierbij: denk aan het nemen van een foto). In deel drie, Voorbeeldverhalen maakt Rozeman een analyse met behulp van enkele fragmenten uit een kort verhaal. Waarbij hij de theorie  steeds afrondt met een visualisatie van een toegepaste techniek, daarvoor gebruikt hij verhaalfragmenten uit het werk van onder meer Judith Hermann, Raymond Carver, Lydia Davis en Sanneke van Hassel.

    Rozeman beschrijft duidelijk en helder welke techniek in welke situatie toe te passen is, waarbij hij geregeld benadrukt dat schrijven een persoonlijk proces is en dat het handboek je niet kan vertellen wat je moet doen, dat je uiteindelijk zelf de keuze moet maken welke techniek je wilt gebruiken en hoe je die toe kunt passen. En dat is prettig dat hij dat aangeeft, want het boek is zo helder en uitputtend geschreven dat het gevaar om de hoek ligt dat het lijkt of ‘een kind de was kan doen’.
    In een kort verhaal gaat het erom dat de lezer vanaf de eerste tot aan de laatste zin geboeid blijft en dat het verhaal hem nadien een verrassend nieuw inzicht over een eenvoudig gegeven oplevert. Want het gaat vaak over eenvoudige dingen. Zoals over een leeg wijnglas op een  ruwhouten keukentafel waar via het smoezelige venster een straal zonlicht overheen gaat. Dat de combinatie van het beeld (foto) en dat wat niet te zien is op een foto, de stof levert voor een kort verhaal, is te lezen/leren uit het handboek van Rozeman. Een handig gekozen metafoor: fotografie – verhalen schrijven. Maar pas op. Het kan ook een valkuil zijn; het visuele in een foto krijg je nooit, met welke technieken dan ook, overgebracht in een verhaal. Het is een handig hulpmiddel, meer niet zoals Rozeman zelf aangeeft in de Opbouw van dit boek.

    Het mag duidelijk zijn, en dat is hoopgevend voor de aspirant-schrijver, dat Ton Rozeman alle valkuilen en misstappen in het beoefenen van dit genre zelf ondervonden heeft. Korte verhalen schrijven is een leerzaam en inzichtelijk geschreven handboek waarin tools worden aangereikt om met andere ogen naar het korte verhaal te kijken, zowel voor de schrijver als voor de lezer van korte verhalen. Met als extraatje twee korte verhalen van de master himself. Waarvan vooral Je ziet er niets van meesterlijk is.

     

  • Religieuze zoektocht

    Religieuze zoektocht

    De vrouwelijke oerkracht, godinnenkracht, dat is wat Marnel Breure zoekt in haar boek Dochters van Durga.  Ze denkt deze oerkracht te kunnen vinden in het land waar  godinnen sinds mensenheugenis een erg belangrijke rol spelen in het dagelijkse leven van de bevolking en waar  Durga, Kali, Parvati en Saraswati in een grote verscheidenheid van rituelen vereerd worden. De titel verwijst naar deze verschillende godinnen, maar verwijst tegelijkertijd naar de vrouwen met wie Breure een vriendschappelijke band opbouwt en aan wie ze haar boek opdraagt: ‘Voor Lakshmi Tripathi en andere vrouwen (m/v) die het lef hebben om de hokjesgeest te doorbreken’.  Breure neemt haar lezers mee op een religieuze, maar vooral persoonlijke zoektocht naar de godinnenkracht in de hindoeïstische cultuur van India. Tijdens deze tocht presenteert Breure  mooie en verrassende kanten van de Indiase samenleving, maar belicht ze ook de donkere, soms gruwelijke kanten.

    De zoektocht van Breure start in Uttarkashi, bij de gletsjer van Gangotri waar de Ganges ontspringt. ‘Ma Ganga’, in heel India vereerd en aanbeden als godin die miljoenen mensen het leven schenkt. Via  Varanasi, Assem, Calcutta en Bombay, reist Breure  naar de monding in de Golf van Bengalen en onderweg leert ze een aantal kleurrijke en opmerkelijke mensen kennen die allen hun eigen beeld van India en haar godinnentraditie geven. Vier van deze vriendschappen vormen een rode draad in het boek en deze worden op een heel persoonlijke, soms intieme manier door Breure beschreven.

    De eerste vriendschap die Breure beschrijft is die met Harshwanti Bisht, econome en bergbeklimster. Zij woont in Uttarkashi en is als natuurbeschermster actief, o.a. vanwege de problemen die de stuwdammen in de Ganges veroorzaken, en de zorgen om de natuur in de Himalaya.

    De tweede vriendschap en tevens de belangrijkste, sluit Breure met yogalerares Smriti Chakravorty in Varanasi. Met haar voelt Breure een diepe verwantschap en verbondenheid. Ten eerste brengt zij haar door haar yogalessen dichter bij shakti: vrouwelijke energie die de drijvende kracht achter alle actie en existentie in het universum is, vrouwelijke scheppingskracht. Daarnaast geeft ze een goed beeld van het dagelijkse bestaan van vrouwen in India. Ze schetst de moeilijkheden en dilemma’s voor vrouwen, verankerd in de vele tradities omtrent familierelaties, hiërarchie en echtelijke plicht en funest voor de persoonlijke vrijheid. De kracht en macht van het vrouwelijke in de godenwereld blijkt niet aanwezig in de mensenwereld. Mannen beschikken over de vrijheid van hun vrouw of vrouwen en zij onderdrukken de vrouwelijke seksualiteit.

    Met professor Kusumlata Kediya, directeur van het Gandhi-instituut in Varanasi sluit Breure wel vriendschap, maar haar politieke ideeën zorgen voor tegenstrijdige gevoelens. Kusumlata bestrijdt dat de hindoeïstische cultuur gedomineerd wordt door mannen en dat vrouwen onderdrukt worden. Daarnaast blijkt ze, als aanhangster van de RSS, nogal rechts-nationalistische ideeën te hebben. Daar tegenover staat dat ze een sterke, dappere, eigenzinnige vrouw is, met wie Breure graag optrekt.

    De merkwaardigste vriendschap sluit Breure aan het einde van haar reis in Bombay, nl. die met Lakshmi Narayan Tripathi, een hijra: India’s derde sekse van jongens die zich vrouw voelen en als vrouw door het leven gaan. Door deze kennismaking komt Breure in een heel wonderlijke, lichamelijke, erotische wereld terecht waar ze zelf helemaal in meegaat. Lakshmi heeft in zijn wereld de rol van goeroe en leeft omringd door tientallen chela’s, volgelingen. Deze gesloten cultuur kent zijn eigen vragen en problemen: wat voor borsten wil ik hebben en doe ik wel of geen penisamputatie.

    Naast deze nieuwe vriendinnen, ontmoet Breure nog veel meer vrouwen, schrijfsters, heiligen, hoeren, die allemaal op een heel eigen manier een rol spelen in de  Indiase maatschappij. Vrouwen die op hun eigen manier proberen het leven en de positie van zichzelf, maar ook die van andere vrouwen te verbeteren.

    Over zichzelf laat Breure niet veel los. Pas halverwege het boek komen we te weten dat ze zichzelf ziet als iemand die al haar hele leven haar eigen plan trekt en vooral onafhankelijk wil zijn, niet gehinderd door vaste relaties. Als journalist werkte ze in Afrika, Zuid-Amerika en Azië, vaak onder moeilijke omstandigheden. Eigenlijk  concludeert ze dat ze de rol van een ‘mannelijke’ held speelt. Op haar eigen website, www.marnelbreure.nl,  is meer over haar activiteiten als redacteur, journalist en schrijver te vinden. In ieder geval is Breure een ervaren reiziger en schrijver, die weet welke onderwerpen er spelen in de landen die zij bezoekt.

    Breures boek is een heel persoonlijk, in de ik-vorm geschreven verslag van een indrukwekkende, religieuze zoektocht waarbij ze het feitelijke en het persoonlijke met elkaar vervlecht. Ze laat ons in de eerste plaats nadenken over het fenomeen vrouwen- of godinnenverering in onze hedendaagse wereld. In deze wereld is binnen de verschillende religies de hoofdrol voor een mannelijke god weggelegd. De rol van vrouwen, bijv. die van Maria, is veel minder van belang. Daarnaast geeft ze ons een beschrijving van India, van het land en de steden die ze bezoekt, de hindoestaanse cultuur en de positie van de vrouw daarin, de Indiase godinnencultuur en de rol van de tradities in het dagelijkse leven. Dikwijls wordt deze informatie verwoord door de mensen die ze tijdens haar reis ontmoet. Uit hun mond komen de verhalen over  het dagelijkse leven, de familiebanden, de godinnen, het kastenstelsel, de weduwenverbrandingen, etc. Daarnaast delen we haar persoonlijke ervaringen die haar eigen zelfbeeld en haar maatschappelijke en politieke ideeën beïnvloeden, zeker op de momenten waarop ze zich bewust wordt van haar gevoelens voor haar nieuwe vriendinnen.

    Het resultaat is een boek dat, ondanks alle lastige namen, vlot en lekker leest. Breure schetst een duidelijk, levendig en vooral persoonlijk beeld van het land en het  landschap waarin ze reist en van de mensen die ze ontmoet. Dat ze ons daarbij deelgenoot maakt van haar eigen intiemste gedachten is misschien voor sommige lezers overbodig, maar het is niet storend. Tenslotte is deze reis al vanaf de start een persoonlijke zoektocht om haar dichter bij de ‘Ultieme Waarheid’ te brengen: ‘Ik wil niets liever dan mijn lichaam en geest ontvankelijk maken, zodat de Godin in mij kan neerdalen en opstijgen.’ En dat daarbij de vrouwelijke oerkracht centraal staat, is vanaf de eerste bladzijde een vast en vaak herhaald gegeven. Of Breure de ultieme waarheid vindt, moet de lezer zelf maar ontdekken. Het persoonlijke verslag en het beeld over het land langs ‘Ma Ganga’ krijgt hij er dan maar mooi bij en dat is het lezen waard.

     

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Niet alle mensen die naar een museum gaan doen dat om de tentoongestelde werken te bekijken. In plaats daarvan pakken ze hun mobieltje en fotograferen ze het kunstwerk, waarna ze weer doorlopen. Als je in de weg staat wordt er van je verwacht dat je een stapje opzij doet. Of ze die foto’s ooit bekijken, betwijfel ik. De museumwinkel verkoopt betere reproducties. Een kunstwerk fotograferen is voor sommigen blijkbaar aantrekkelijker dan er naar te kijken.

    Op plaatsen waar veel beroemde werken hangen, willen velen het liefst samen met het kunstwerk op de foto. In het Louvre heb ik meisjes Griekse beelden zien kussen omdat dat wel eens een leuk plaatje op zou kunnen leveren. Jongens legden hun arm op, of net boven de marmeren schouders alsof ze met een bekende acteur op de foto gingen. De suppoosten hadden al lang geen zin meer er iets van te zeggen.

    Lang kijken naar een kunstwerk is al helemaal geen vanzelfsprekendheid meer. Dat ligt niet alleen aan het publiek, maar ook aan de musea en de kunstenaars. Allemaal lijken ze in toenemende mate uitgekeken op het idee dat kunst passief aan de muur hangt, of op de grond staat om daar in stilte bekeken te worden.

    Maar niet iedereen is overtuigd dat het interactiever moet, dat een museum bezoek fun moet zijn en dat je zonder experience je tijd verdoet. Zij kijken bijvoorbeeld met plezier rond in het Teylers museum in Haarlem waar sinds de 19e eeuw de tijd heeft stil gestaan. In het oude deel van het museum is het er verfrissend ouderwets. Peter Delpeut is zo iemand die daar van genieten kan. Hij schrijft regelmatig over kunst voor het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer. Een aantal van zijn artikelen is nu gebundeld onder de veelzeggende titel Pleidooi voor het treuzelen.

    Treuzelen betekent voor Delpeut de tijd nemen om te kijken, te genieten en vooral te ervaren. Bewust kijken, zou je het kunnen noemen. Kennis en ervaring spelen bij dat kijken bepaald geen ondergeschikte rol. De schilderijen die we zo aandachtig in het museum hebben bekeken, bepalen voor een groot deel hoe we naar de wereld kijken, betoogt Delpeut. Verdiep je je bijvoorbeeld in de Haagse school dan zie je op fietstochten door polders en weilanden opeens de schilderijen van Israëls, Mauve en Maris tot leven komen. Je stelt je open voor het landschap, voor die elementen die je kent van de schilderijen. Kunst voegt op die manier iets toe aan je blik op de wereld.

    Fietsend door Nederland zie je ook genoeg dat helemaal niet voorkomt op schilderijen. Verkeersborden, strepen op de weg, lantaarn- en flitspalen, vangrails en vooral veel asfalt. Je ziet het wel, maar kijk je er ook naar? Eigenlijk niet, concludeert Delpeut. Er zijn exposities van fotografen als Hans Aarsman voor nodig om ons op al die moderne, vanzelfsprekende elementen in het landschap opmerkzaam te maken. Pas na het zien van deze foto’s waarop de Nederlandse lelijkheid een plaats krijgt, zijn we in staat anders, beter naar ons land te kijken. Zo kan lelijkheid opeens mooi worden, alleen maar omdat je anders leert te kijken.

    Een andere manier van kijken die Delpeut beschrijft is met behulp van een obscuur en vergeten instrument: een zogenaamde Claude spiegel. Dit is een kleine, ovale, wat bolle spiegel die het licht een beetje tempert en zijn naam te danken heeft aan de Franse landschapschilder Claude Lorrain (1600-1682). In de late achttiende eeuw was het een populair instrumentje om mee te nemen op wandeltochten. Je kon met je rug naar het mooiste deel van het landschap in het spiegeltje een plaatje als op een schilderij zien. De bomen, de lucht, het gras, het werd samen keurig van een lijstje voorzien en het donkere spiegelglas zorgde ervoor dat je je kon voorstellen dat je naar het werk van een kunstenaar keek.

    Kijken, goed kijken doet iets met je, beweert Delpeut. De persoonlijke ervaring speelt een belangrijke rol in zijn stukken, die meestal geschreven zijn naar aanleiding van een tentoonstelling die hij bezocht heeft. De werken die hij ziet, veranderen zijn persoonlijke blik en hij weet die indruk goed over te brengen op de lezer. Daarbij gebruikt hij zijn kennis van de kunstgeschiedenis. In een stuk naar aanleiding van de tentoonstelling in de Amsterdamse Hermitage over Caspar David Friedrich, legt hij prima uit wat het ‘sublieme’ nu precies is. Naar aanleiding van een herinnering aan een gevaarlijke klimpartij in de bergen, kan hij in de romantische schilderijen van Friedrich keurig aanwijzen wat het sublieme nu precies inhoudt. Het is de gevaarlijke, ontzagwekkende ervaring dat wij zo nietig afsteken bij de grootsheid van de bergen en de woestheid van de natuur. De romantiek van Friedrich wordt op deze manier niet alleen uitgelegd, maar ook invoelbaar gemaakt.

    Op die manier schrijft Delpeut wel bijna volmaakte stukken voor een culturele bijlage van een krant of tijdschrift. Het dreigende gevaar van dergelijke perfectie is dat de stukken soms wat saai zijn voor wie zijn kunstgeschiedenis goed kent. Zo bevat Delpeuts stuk over Friedrich niets nieuws. Het bevat geen schurende meningen of provocerende uitspraken, geen verrassende invalshoek of nieuw inzicht. Hetzelfde kan gezegd worden van stukken over Gilbert & George en Alma-Tadema. Van een verzameling essays mag je misschien net iets meer verwachten.

    Dat ietsje extra wordt wel degelijk geboden in een stuk naar aanleiding van een tentoonstelling over Nederlandse oriëntalisten, navolgers van Franse meesters als Délacroix, Gérôme en Liotard. Deze negentiende eeuwse schilders toonden de wereld van de moslims , compleet met vooroordelen en soms groteske fantasie. Met het echte leven van de moslims in Noord Afrika en Turkije hadden de schilderijen niet zo heel veel te maken. Sinds het eind van de twintigste eeuw was het daarom politiek incorrect om je erg lovend uit te laten over dergelijke schilderijen. Delpeut is het opgeheven vingertje dat ook op deze tentoonstelling de kijker waarschuwt dat hij naar stereotypen kijkt, een beetje zat en geeft tegengas.

    ‘Het vertoog over oriëntalistische verbeelding en stereotypering lijkt dermate gepolitiseerd en daarmee verengd, dat ons het zicht op een aantal andere aspecten van het oriëntalisme wordt ontnomen. Waarom deze schilderijen überhaupt bijeengezocht als we er louter met negatieve energie naar mogen kijken? Is er geen positieve kijk mogelijk, is nog slechts een schaamtevolle blik geoorloofd.’

    Dergelijke kritiek kan het boek wel gebruiken. Het maakt net het verschil tussen het goed geïnformeerde krantenartikel en een essay dat je aan het denken zet.

    Pleidooi voor het treuzelen is behalve een oproep tot bedachtzaam kijken ook een pleidooi voor een herwaardering van negentiende eeuwse kunst. Delpeut heeft duidelijk een voorliefde voor stromingen die door de opkomst van de avant-garde in de eind van de negentiende, begin twintigste eeuw als waardeloos werden afgedaan. De opkomst van stromingen als impressionisme, expressionisme, kubisme zorgden ervoor dat de populariteit van kunstenaars als Alma-Tadema, Waterhouse en iedereen die volgens de opvattingen van de academies schilderden, tot onder het nulpunt daalden. Het oude moest wijken voor de vernieuwing. Delpeut voelt zich prima thuis bij de negentiende eeuwse traditie die hem in staat stelt aangenaam te treuzelen en te kijken.

    Dat Pleidooi voor het treuzelen een bundeling van artikelen is, is nauwelijks een nadeel. De artikelen zijn thematisch gegroepeerd en vormen een duidelijke eenheid. Sommigen zijn duidelijk geschreven om de lezer te stimuleren een tentoonstelling te bezoeken. Die zijn natuurlijk nu niet meer te zien en de werken zijn inmiddels weer verspreid en de lezer moet op reis of het internet op om alle beschreven werken te kunnen bekijken. Dat is jammer want je wilt na het lezen natuurlijk ook net als Delpeut slenterend de werken langs. Gelukkig hoef je het tijdens het lezen niet alleen met tekst te doen. De belangrijkste werken zijn fraai in kleur afgedrukt in een verder ook keurig verzorgd boek.

    Pleidooi voor het treuzelen

    Auteur: Peter Delpeut
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus
    Pagina’s: 192
    Prijs: € 24.95

  • Hoe recht in de leer kan je zijn?

    Hoe recht in de leer kan je zijn?

    Mulder voelt zich oud en onzeker na een beroerte. Hij ontmoet zijn oude verzetsvriend Donald die hem aanspreekt met zijn naam van toen: Marten. Samen zijn ze lid geweest van Fraternité, een geheime anti-Apartheidsorganisatie. Donald nodigt hem uit om naar Zuid-Afrika te komen om een paar tochten, ‘sentimental journeys’, te maken. ‘Om herinneringen op te delven, hoe bezwaarlijk ook.’

    Zo die herinneringen al bezwaarlijk zijn, de realiteit in het huidige Zuid-Afrika blijkt bepaald niet rooskleurig, en in het geheel niet conform de idealen die de vrienden eertijds koesterden.

    Mulder wil niet logeren in het grote, goed beveiligde en comfortabele huis van zijn vriend. Daarom huurt hij een afgeleefd, eenvoudig zomerhuis: ‘zonder luxe woont u veiliger’. De troosteloosheid druipt vervolgens van de eerste pagina’s af. Zijn huisje is een vieze bouwval, het dorp is arm en verloederd, de zwarte jeugd is verslaafd aan de tik en daardoor crimineel en de blanke bevolking leeft in angst en achter dikke muren en sloten. En Mulder is naïef. Hij gaat niet in op het aanbod van Donald om met de auto naar het naburige Distriksdorp te rijden om inkopen te doen. Hij gaat liever naar de winkeltjes waar de bevolking zelf ook koopt. ‘Hij stond erop alles zelf te ontdekken.’
    Binnen no time is hij verdwaald en komt hij terecht in een krottenwijk, wordt hij belaagd door een groepje bedelende kinderen en loopt hij een nare wond op als gevolg van een hondenbeet.

    Met maar weinig woorden weet Van Dis de huidige situatie in Zuid-Afrika te schetsen. Het is geen hoopgevend beeld dat je krijgt. ‘[…] de vissers dronken in de haven – hun boten voor lijk op de helling – en de vrouwen klagend, en de dochters barende, en de stropers met de prikstok omhoog, en de blanken achter hun muren, en de tikkoppe die speling zochten in hun hel.
    Was dit waar ze in Parijs van droomden? Waarom had Donald zijn hoop tot een duinpan teruggebracht?’ (p. 92)

    Pas na een tijdje krijg je door dat het verhaal in Tikkop een kapstok is. Waar het om draait is de liefde voor een land. En om gezamenlijke idealen, al hebben die dan een verschillende oorsprong. Want dat de drijfveer achter Marten’s lidmaatschap van de verzetsbeweging een totaal andere was dan die van Donald wordt allengs duidelijker. Ook in hun houding en gedrag in de huidige situatie verschillen de beiden vrienden. Mulder lijkt socialer maar is naïef, Donald is door schade en schande wijzer geworden maar hij boet uiteindelijk in als de werkelijkheid hem inhaalt.

    Ligt de nadruk in het eerste deel van het boek vooral op Mulder, gaandeweg de roman verschuift die naar Donald. Hij worstelt nog steeds. Met zichzelf, met de keuzes die hij gemaakt heeft, met zijn achtergrond en opvoeding en met zijn omgeving. Dat dat ingewikkeld is, wordt duidelijker naarmate je meer over hem te weten komt. Donald blijkt de zoon van een invloedrijke ‘apartheidsideoloog’.
    In een van hun laatste gesprekken is Mulder vlijmscherp: ‘[…] In Parijs was je het strengst van allemaal, altijd gespitst op verraad, omdat je jezelf wantrouwde. Je wou niet als je vader worden, maar hij zit wel in je. En je wou je losmaken van die Afrikanerkliek, die zit ook in je. En die klote Apartheid zit in je, zoals bij iedereen van jouw generatie die in dit zieke land is opgegroeid. Toch stond je je voor op de zuiverste motieven. Analyses, geen sentiment. Geloof je het zelf? Je bent net zo zwak als ik. […]’ (p. 200).
    Het boek zit vol met dit soort rake dialogen.

    Boeiend is de manier waarop de oude vriendschap zich opnieuw ontwikkelt. Twijfelde Mulder in het begin nog wel eens aan het contact dat hij had met Donald, uit hun gesprekken blijkt later dat er sprake is van steeds meer diepgang. Hard kunnen ze zijn tegen elkaar, maar eerlijk zijn ze ook.
    In het begin van het boek zegt Donald: ‘Ek hou van hierdie plek’. Mulder antwoordt: ‘Om het verleden?’ ‘Nee, om de toekomst.’ antwoordt Donald. Dat hij daarna afgeserveerd wordt door Mulder doet niets af aan de schoonheid van die woorden. En al helemaal niet aan de hoop die eruit spreekt. Een prachtig boek die het verdiend gelezen te worden.

     

     

     

  • Zeer vermakelijke essays

    Zeer vermakelijke essays

    Arjen van Veelen is classicus en publiceerde eerder essays in onder andere NRC.Next. In 2009 ontving hij de Kleine Jan Hanlo Essayprijs met het essay, Suum Cuique, ieder het zijne, welke ook is opgenomen in deze bundel.

    Zijn debuut Over rusteloosheid bevat twintig essays over hoe grip te krijgen op deze moderne wereld, welke leidraad te volgen. Hoe te selecteren uit het grote, onuitputtelijke aanbod waar je dagelijks steeds opnieuw de bakens mee moet zetten. ‘Alles stroomt en niets beklijft, wist de Griekse filosoof Heraclitus in het jaar 540 v. Chr. al. Zo constateert Van Veelen dat het medium internet voortdurend van gezicht verandert en zichzelf onafgebroken vernieuwt, ‘(…) en de inkt droogt er nooit van op. Er is geen kop. Geen staart. Geen verhaal.’ (p. 9)

    ‘Het internet is soms een hysterische bibliotheek, waar de bezoekers, nerveus als een kolibrie met tien espresso´s op, boeken lezen, boeken schrijven, boeken recenseren en de recensies van boeken recenseren, terwijl iedereen loert naar de uitleentoptien.´ (p.100).

    Van Veelen verlangt naar een begin, een midden en een einde. Hij verlangt naar iets dat af is en overzichtelijk, zoals de oudheid dus. Hij schrijft (p.10): ‘De oudheid is af. Onveranderlijk, uitgekristalliseerd, in kannen en kruiken. De inkt is al eeuwen droog.’ En past, dankzij de bankier James Loeb die in 1911 startte met de uitgave van All that is important in Greek and Latin literature, in twee Billy’s. De inhoud van deze Billy’s raadpleegt Van Veelen dankbaar wanneer het moderne leven hem weer eens teveel wordt. Zich zo rusteloos voelt als Fernando Pessoa, niet omdat hij hoogsensitief is maar omdat het aanbod te groot is. Dan wil hij nog wel eens, zoals het een ware classicus betaamt, een ribbroek aantrekken met een lamswollen trui compleet met tweedjasje. Daarin wandelt hij dan naar de studiezaal der klassieken om in Seneca Deel IV, de Brieven aan Lucilius, te lezen: ‘(…) krijg ik goede hoop over jou. Je rent niet van hot naar her en wisselt niet steeds van plaats met alle onrust van dien. (…) Je moet je bij een beperkt aantal denkers houden en je daarmee voeden, als je er tenminste iets uit wilt halen wat zich echt vastzet in je geest. Wie overal is, is nergens.’ Uiteraard leest Van Veelen dit alles in de oorspronkelijke taal, Latijn.

    Wanneer hij zich in Alles uit je leven, op het Griekse eiland Kreta bevindt, tracht hij zich over te geven aan ‘eens even helemaal weg te zijn’ maar wordt geconfronteerd met de vragen: Make the most of now en, Get more out of your life, of hij wel genoeg uit zijn leven haalt. Wanneer de onrust bezit van hem neemt en hij uit duizenden aanbiedingen geen kan kiezen, komt look-a-like Valerio Zeno, de volgens Van Veelen leukste BNN-presentator, langs lopen. Dat brengt hem naar zijn Billy’s om daar het boek uit te trekken waarin te lezen is over de Griek Zeno van Citium, de stichter van het Stoïcisme. Zeno zei, ‘Geluk is flow’. ‘Zeno is de Jack Johnson onder de antieke filosofen´, vindt Van Veelen.

    In het essay Perfect smile, laat Van Veelen zich verleiden tot het bleken van zijn tanden door een reclame banner naast zijn mailbox. Voor hij een afspraak maakt, verricht hij research naar het hoe en waarom van het bleken der tanden. Hij denkt terug aan een eerstejaarscollege archeologie over de archaïsche lach. De archaïsche glimlach die alleen wordt aangetroffen op beelden gemaakt in de periode 600 tot ongeveer 480 v. Chr. Daarna worden de glimlachjes op de beelden steeds sporadischer om in 130 v. Chr. helemaal te verdwijnen. Waarom, is een raadsel. Dan is daar in 1961 de classicus en filosoof dr. C.W.M. Verhoeven, die in de archaïsche glimlach de eerste aanzet zag tot de moderne lach. (…) de lach die melancholie en verlegenheid compleet heeft overwonnen, waardoor de mondhoeken zover opkrullen dat de tanden victorieus bloot komen te liggen: de perfecte lach.´ Deze lach vraagt om witte tanden.’ Op de vele websites leert Van Veelen dat je een thuissetje bleken kunt bestellen of een afspraak maken met de betreffende kliniek. Johnny Depp en Justin Timberlake gingen hem voor in het perfect wit maken met behulp van porseleinen plaatjes die over de tanden geschoven worden. En David Bowie, hoe zijn hoofd steeds ouder wordt, maar zijn tanden steeds jonger. En denkend aan de Latijn citerende student uit Vestdijks roman Ivoren Wachters, die zijn tanden verwaarloosde tot en grauw afbrokkelend gebit, laat Van Veelen zijn tanden enkele nuances witter maken. ´Buiten op straat voel ik hoe mijn tong als een argwanend huisdier begint te snuffelen aan de nieuwe, spekgladde muren van zijn hok. “Rustig, rustig”, zeg ik, “het is goed volk”’. (p.31)

    Het essay Steden Zonder Verleden, leest als een reisgids (dit genre heeft hij in zijn studententijd ook beoefend) en is een prachtige ode aan de schrijver Albert Camus.

    In Intake gesprek, voelt Van Veelen zich opgejaagd door alleen al te kijken naar zijn kamerplanten. Hij begint te geloven dat hij nu toch echt, zei het onwillig, een levenscoach moet zoeken. Daar klaagt hij dat het leven ingewikkeld is geworden: ‘En zekerheden van vroeger, goden, partijen, energieleveranciers – het is allemaal weg. Soms zijn we dan op zoek naar echte liefde. Soms hunkeren we gewoon zo naar echte aandacht. Ogen die je aankijken. Een hand die je even aanraakt. (…) En vaak voelen we ons zo opgejaagd door alles. En als we dan… Als we dan bijvoorbeeld onze kamerplanten zien, hoe ze dag in dag uit, heel rustig zichzelf zijn, dan… dan … ‘. Waarna de coach hem een kleenex aanbiedt.

    Lees!, lees!, lees! dit zeer vermakelijke, met kennis van zaken en humor geschreven boek en, hoewel de classicus dit schuwt want die keurt immers af dat er in hap snap porties Latijn en Grieks tot zich genomen wordt, je steekt er nog wat van op ook. En dan gun je het de middelbare scholieren dat Latijn en Grieks als verplichte vakken in het onderwijs terugkeren.

     

     

     

  • Recensie door: Dominique Rothengatter

    Recensie door: Dominique Rothengatter

    Nomade is een pakkend en helder betoog van een waar vertelster.

    Aanvankelijk stond ik sceptisch tegenover dit tweede boek van Ayaan Hirsi Ali. Dit daar ze in de media de afgelopen jaren niet altijd even positief geportretteerd is, mede door haar pittige uitlatingen als politicus op het gebied van de islam. Maar tegelijkertijd was ik óók heel nieuwsgierig naar wat Ayaan allemaal te vertellen zou hebben in Nomade.

    Al lezende kwam ik bij de onderstaande passage in het boek. Het is één van de mogelijke scenario’s die Ayaan zich van de toekomst van haar nichtje Sagal voorstelt.  

    ‘Maar misschien wordt Sagal wel naar een van de openbare scholen in de wijk gestuurd. Gezien de etnische mengelmoes van Whitechapel is de kans groot dat de klassen van deze scholen zijn gevuld met kinderen uit immigrantengezinnen ? vaak polygame gezinnen of eenoudergezinnen waar de kans dat er Engels wordt gesproken erg klein is. Dergelijke scholen staan vaak in gebieden die onveilig zijn voor kinderen, vol drugsdealers, dreigende hangjongeren en angstaanjagend geweld.’

    Terwijl ik deze passage las voelde ik een zekere mate van irritatie opkomen. Dit omdat deze voorstelling me te negatief en overdreven leek en gekleurd vanuit Ayaan’s persoonlijke ervaringen.

    Maar tijdens het lezen ben ik Ayaan en wat ze vertelt anders gaan ervaren. Naast de meer theoretische en filosofische verhandelingen over de islam, vertelt ze ook haar persoonlijke verhaal over haar jeugd in een moslimfamilie.

    Ayaan groeit op met broer en zus, Haweya en Mahad en moeder en vader. Haar vader beschrijft ze als een leeuw van een man, een geboren leider en zeer gelovig. Tot het laatst toe probeert hij Ayaan weer terug te brengen tot het geloof.

    De moeder van Ayaan is een moeilijke en verbitterde vrouw, die weggegaan is bij Ayaans vader nadat hij een tweede vrouw trouwde en van haar zonen kreeg.

    Als broer heeft Mahad de taak de eer van zijn zussen te bewaken. Met zijn vader heeft hij een dubbelzinnige band. Als oudste zoon wordt hij aan de ene kant gezien als ‘de man’ en als een soort van prins die alle mogelijkheden en rechten heeft die hij zich maar wenst. Maar aan de andere kant ziet zijn vader hem als een soort mislukkeling. Door slaag en een strenge behandeling wil hij zijn zoon de gewenste houding bijbrengen.

    Mahad kan heel goed leren maar heeft perioden dat hij zichzelf heel slecht verzorgt, in bed blijft liggen en niet naar school wil. Ook Haweya ontwikkelt door de jaren heen depressieve klachten. Ayaan geeft aan dat het een familiekwaal is.

    Het verhaal is boeiend, op sommige punten triest en op andere momenten bewonderenswaardig.  Ayaan maakt je deelgenoot van haar bestaan als ‘moderne’ nomade, eerst tijdens haar jeugd in Somalië, Kenia, Ethiopië en Saoedie Arabië en later in het westen: Nederland en de Verenigde Staten. Door dit verhaal ben ik meer te weten gekomen over haar achtergrond. Hierdoor begrijp ik beter waar Ayaans visie over de positie van de vrouw in de islam vandaan komt.

    De boodschap van Ayaan doet iets met je als lezer, het grijpt je aan en stemt tot nadenken. Ik ging me in navolging van wat ze schrijft, afvragen of we in het westen de kloof met de islamitische wereld inderdaad zo erg onderschatten en of we in een land als Nederland de mensen die inburgeren teveel aan hun lot overlaten? Dat we er teveel vanuit zouden gaan dat het vanzelf wel goed komt met de integratie en het aanpassen aan de westerse cultuur.

    Ayaan oppert op een gegeven moment dat de christelijke traditie een goed tegenwicht zou kunnen vormen tegen de islamitische boodschap. De christelijke kerken zouden volgens haar moeten gaan concurreren met de islam. Volgens mij is dit, wat Nederland betreft, geen juist idee van Ayaan. In de westerse samenleving is de rol van de kerk niet meer zo sterk als vroeger, dit in tegenstelling tot de islam.

    Volgens Ayaan is de kloof erg groot tussen de Somalische en de westerse cultuur waardoor het voor een nieuwkomer niet gemakkelijk is hiermee bekend te raken. Daarnaast is de Somalische cultuur een clancultuur, waarin je voor je familie zorgt en mannen de zeggenschap hebben. Een groot verschil met het individualistische westen, waarin vrouwen net zo veel vrijheid en mogelijkheden hebben als mannen.

    Dit verhaal is zeer zeker de moeite van het lezen waard. Het geeft inzicht in de beweegredenen van een gedreven vrouw met een missie: vrijheid voor vrouwen binnen de islam. Op een ander niveau vormt dit boek mijns inziens ook een vorm van verzoening met haar afkomst, familie maar bovenal met haar vader. 

    ‘Aan het sterfbed van mijn vader besefte ik dat zijn waarden en die van mij nooit met elkaar zouden worden verzoend. Hij heeft mijn ongeloof nooit begrepen. Tot op het moment waarop hij zijn laatste adem uitblies, heeft hij voor mij gebeden.  En ik kon onmogelijk terugkeren naar zijn geloof in Allah, profeten, heilige boeken, engelen en hiernamaals. Maar onze onvoorwaardelijke liefde voor elkaar ? de liefde tussen een ouder en een kind ? was veel sterker dan dat geloof.’

    Over de schrijfster:

    Ayaan Hirsi Ali is op 13 november 1969 geboren in Mogadishu, Somalië. In 1992 is ze naar Nederland gekomen. Later blijkt dat ze eigenlijk economisch vluchteling was. In 1995 is Ayaan genaturaliseerd.

    In 2004 is haar film Submission te zien in Zomergasten. Deze film is geregisseerd door Theo van Gogh. In het najaar wordt Van Gogh vermoord door Mohammed B. Deze laatste laat een brief achter gericht aan Ayaan die vervolgens moet onderduiken.

    Tot 2006 is ze actief in de Tweede Kamer, eerst als PVDA-lid en later als lid van de VVD. Dan nog ‘Minister’ Verdonk geeft aan dat Ayaan illegaal het land is binnengekomen en nooit het Nederlanderschap heeft gekregen, ook wel de ‘paspoortaffaire’ genoemd. Door deze affaire valt het kabinet.

    Ayaan publiceert in 2006 haar autobiografie Mijn vrijheid.

    Nomade

    Auteur: Ayaan Hirsi Ali
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus
    Prijs: € 19,90