• Over de herijking van het kinderlijk geloof

    Over de herijking van het kinderlijk geloof

    In dit rijke verslag, dat net zoveel kanten bezit als een flonkerende diamant, knoopt Westerman geologische, godsdienstige, politieke en persoonlijke onderwerpen op een vloeiende manier aan elkaar, waarbij de herijking van zijn hervormde geloof voorop staat. De geplande beklimming van de berg Ararat vraagt om bezinning. Geloven en weten, mythe en kille werkelijkheid strijden met elkaar op de flanken van de berg waar volgens de overlevering Noach ooit met zijn ark gestrand zou zijn. Volgens diluvionisten, d.w.z. aanhangers van het geloof in de zondvloed, moet dat op een woensdag geweest zijn.

    De proloog begint verrassend met een vakantie in Frankrijk, waar de twaalfjarige Frank bijna verdronk toen hij met andere kinderen een dam maakte in de rivier. Het verhaal gaat vervolgens verder met een blik op de Ararat vanuit Jerevan waar hij eerder als Russisch correspondent aan het werk was. De Armenen kunnen alleen maar kijken naar hún berg die over de Turkse grens ligt.

    Omdat het boek zoveel facetten kent, geef ik van alle vier bovengenoemde onderwerpen enkele voorbeelden:

    – het geologische speelde al vroeg in het leven van Westerman een rol omdat zijn vader bij de N.A.M. in Noord-Oost Nederland werkte. Het gezin nam eens op een zondag een kijkje bij een boortoren in de buurt, die niet veel later door een ongeluk met de gaswinning de bodem inzonk. Hij bezoekt de plek later met een vroegere werknemer. Geologische lagen werden door elkaar geschud. Later gaat hij naar de Ararat om foto’s te maken voor Armeense geologen die daar niet mogen komen en graag meer over de natuurlijke historie willen weten.

    – wat betreft het godsdienstige viel met het inzicht in de ijstijden het doek voor de diluvionisten. In 1829 werd het onbedwingbaarheidsgebod, dat vanwege godsdienstige redenen een verbod stelde op beklimming, doorbroken door de Duitser Parrot, maar een jaar voor zijn dood werd een klooster, dat op de flanken van de berg lag, door een aardbeving verzwolgen. Arkzoekers gaven echter niet op en bleven komen zoeken naar resten van de ark, waaronder de astronaut Jim Irwin, die zoals meer maanlanders een klap van de molen had gehad en gevallen was voor het creationisme, een stroming die meent dat er een Goddelijk ontwerp aan het bestaan ten grondslag ligt.

    – de Ararat bevindt zich in een politiek explosief gebied met Koerden, Turken, Armenen en Russen en met een Navo-basis aan de noordkant. Westerman noemt het een strategisch bolwerk in een geopolitiek spel. Het verkrijgen van een visum bij de Turkse ambassade was moeilijk omdat hij eerder als correspondent over Armenië had geschreven.

    – het persoonlijke, tenslotte, komt tot uiting als de toekomstige schrijver op de lagere school tijdens het zingen van het lied He’s got the whole world in his hands de vensterbanken in de aula ziet als de reling van de ark. Op de middelbare school brengen de betavakken hem aan het twijfelen. De tweestrijd heerst ook onder leraren. Frank voelt zich een omgekeerde Job die de standvastigheid van zijn ongeloof wil beproeven. Als hij op weg naar de Ararat in Istanbul een moskee bezoekt, verafschuwt hij de collectieve onderwerping van de gelovigen. Pas in het allerlaatste hoofdstuk krijgen we een verslag van de spannende beklimming van de ruim vijf kilometer hoge berg.

    De diversiteit aan onderwerpen maakt het boek levendig. Door de beschouwelijke en dan weer verhalende vorm wordt de informatie op een terloopse manier door de tekst geweven. Vermakelijk is een wadlooptocht waar ook zijn vrouw Suzanna Jansen aan deelneemt om zich te kunnen inleven in de gedachtenwereld van haar man, die een vergelijkbare ervaring wil opdoen als de Joden tijdens de doortocht door de Rode Zee. De jonge vader betrekt ook zijn dochter van drie jaar bij het onderzoek. Hij gaat met haar naar het Teylers museum om daar te kijken naar de zogenaamde zondvloedmens. Hij heeft zelfs het boek aan haar opgedragen.

     

     

     

  • Fluisterende gedachten tot zwijgen gebracht

    Fluisterende gedachten tot zwijgen gebracht

    Het is moeilijk om uit te maken waar Bart van Loo het meest van onder de indruk is, van de zwartharige schoonheid Coraline, van de schitterende oude gebouwen van Antwerpen of van het Verzameld werk van Willem Elsschot. Coraline en Bart ontmoeten elkaar in de Bibliothèque Nationale te Parijs. Niet iedereen vindt het een mooi gebouw maar daar kan Alain Giebens ook niets aan doen. Hij maakte er, net als van de Antwerpse straatbeelden, een prachtige foto van. De beelden zijn heel plezierig om naar te kijken en samen met de prettig leesbare tekst van Bart van Loo vormen zij een monument voor de stad Antwerpen.Het is moeilijk om uit te maken waar Bart van Loo het meest van onder de indruk is, van de zwartharige schoonheid Coraline, van de schitterende oude gebouwen van Antwerpen of van het Verzameld werk van Willem Elsschot. Coraline en Bart ontmoeten elkaar in de Bibliothèque Nationale te Parijs. Niet iedereen vindt het een mooi gebouw maar daar kan Alain Giebens ook niets aan doen. Hij maakte er, net als van de Antwerpse straatbeelden, een prachtige foto van. De beelden zijn heel plezierig om naar te kijken en samen met de prettig leesbare tekst van Bart van Loo vormen zij een monument voor de stad Antwerpen.

    Coraline komt speciaal voor Bart, vanuit Parijs naar Antwerpen. Althans dat denkt hij maar het vermoeden bestaat dat zij ook erg nieuwsgierig is naar het werk van Elsschot. Samen bespreken zij zijn werk en verkennen intussen de stad. Willem Elsschot was een meester van de miniatuur, volgens Bart van Loo, en maakte van het weren van breedsprakige gevoelens zijn handelsmerk en zijn humor balanceert op de rand van de bezadigde glimlach. Mooier kan Elsschot toch niet worden gekarakteriseerd?

    Coraline ontvouwt een nog niet eerder bekende literaire theorie, die van het vooruitwijzende plagiaat. Zij noemt het Le plagiat par anticipation. Elsschot zou hebben gegrasduind in het werk van Albert Camus en gedeelten uit De vreemdeling, dat in 1942 verscheen, hebben opgenomen in zijn roman Kaas, dat al in 1933 van de persen is gerold. Bart beziet zijn vriendin argwanend, het zou wel eens kunnen zijn dat zij hem in het ootje wil nemen. Echter uit haar houding spreekt oprechtheid en zij somt een aantal treffende overeenkomsten op tussen een aantal werken van bekende auteurs. Zo zou Sophocles leentjebuur hebben gespeeld bij Freud. Sommige schrijvers zouden zich hebben laten inspireren door teksten uit de toekomst en een later geschreven verhaal oefent invloed uit op een lang van te voren geschreven tekst. De omgekeerde wereld dus. Bart vraagt zich af of hij soms te veel gedronken heeft.
    De discussie is in zoverre interessant dat de lezer nieuwsgierig wordt naar het werk van de hier genoemde auteurs zoals Georges Perec en Albert Camus. Van het een komt het ander en dit is ook één van de grote verdiensten van dit boek, het spoort aan tot verder onderzoek.

    Elsschot had een voorliefde voor het getal 17. Hij woonde te Parijs in de rue d’Armaillé op nummer 17 en deze straat bevindt zich in het 17 de arrondissement maar in zijn debuutroman Villa des Roses verandert hij het huisnummer 17 in 71. Zowel in Tsjip en in Kaas als in Villa des Roses speelt het getal 17 een geheimzinnige rol. De aandachtige lezer zal het inmiddels opgevallen zijn dat de bladzijde 70, in het boek van Bart van Loo, wordt gevolgd door bladzijde 17. Ook hier weer die eigenaardige omdraaiing. Als ze er over na denken speelt het getal 17 ook een grote rol in het leven van Bart en Coraline. Toeval natuurlijk.

    Wanneer Coraline weer is vertrokken naar Parijs, dwaalt Bart als een geslagen hond door Antwerpen. Wel ontvangt hij, waarschijnlijk door haar toedoen, een uitnodiging om een lezing bij te wonen over Willem Elsschot die wordt gehouden in de Bibliothèque Nationale die wordt georganiseerd door het illustere gezelschap Oulipo (Ouvroir de Literature Potentielle, werkplaats voor potentiële literatuur) Bart besluit tenslotte te kiezen voor het drinken van een Geuze samen met zijn vrienden en de Parijse schone en de verhalen van Elsschot uit zijn hoofd te zetten. Hij heeft aan de uitnodiging geen gehoor gegeven. De wind drijft het drukwerk in de richting van het standbeeld van Rubens. De nog fluisterende gedachten aan Coraline zijn tot zwijgen gebracht.

     

    Elsschot, Antwerpen & Coraline
    Auteurs: Bart van Loo (tekst) en Alain Giebens (foto’s)
    Uitgever, Houtekiet/Atlas
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Bij het lezen van de titel van dit boekje zullen er zeker wenkbrauwen worden gefronst. Is dit serieuze literatuur? Moest er over dit mannetje zo nodig een boek worden geschreven? Zonder de dubbel afgedrukte bladzijden zou het boekje nog dunner zijn geworden en aanvankelijk maakt het een rommelige indruk.

    Toch is Geert van Istendael niet de eerste de beste schrijver en heeft hij zijn sporen op het gebied van onder meer de poëzie duidelijk verdiend. Er wordt van hem gezegd dat hij een zeer toegankelijke poëzie schrijft met een duidelijke voorkeur voor het alledaagse leven in de tegenwoordige tijd. Dit is zonder meer van toepassing op dit verhaal. Er worden vaak platte en plastische uitdrukkingen in gebruikt die zo nu en dan worden afgewisseld met clichés.

    Van Istendael is onder meer gefascineerd door zijn geboortestad Brussel en dat zal hem ertoe gebracht hebben om dit boekje over het kleine mannetje te schrijven. Heel duidelijk is ook dat hij veel onderzoek heeft gedaan naar de historie van Manneke Pis en alle verhalen die in de loop der tijden om hem heen zijn ontstaan. Alle verhalen zijn misschien niet waar gebeurd maar ze zijn in ieder geval wel amusant. Het schrijven van cabaretteksten zou een lucratieve nevenbezigheid kunnen zijn voor Van Istendael.
    Op velerlei manieren draagt Manneke Pis bij aan de economie van de stad Brussel, zijn beeltenis wordt in allerlei vormen te koop aangeboden. Er zijn bierpullen, aanstekers, balpennen, koffiemokken, sleutelhangers en nog tientallen andere voorwerpen met daarop de beeltenis van het kleine jongetje. Het meest interessant is misschien wel de kurkentrekker in de vorm van Manneke Pis. In diverse andere steden vinden we beeltenissen van het mannetje onder andere in Geraardsbergen maar natuurlijk is het beeldje in Brussel de enige echte. Wel kreeg hij een zusje, Jeanneke Pis, waarschijnlijk op aandringen van feministen die vonden dat er een eind gemaakt moest worden aan de ongelijkheid der seksen zoals die tot uitdrukking kwam in het alleen maar tentoonstellen van een bloot mannetje. Wel is het meisje beperkt in haar bewegingsvrijheid doordat zij is opgesteld achter rood geverfde tralies.

    Buitengewoon groot is de verzameling kostuums waarmee Manneke Pis kan worden uitgedost. Vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie hebben een bijdrage geleverd in de vorm van hun nationale klederdrachten. Er is een ruimtevaarderpak en ook de kleding van de stripfiguur Obelix ontbreekt niet. John Bull is vertegenwoordigd evenals Elvis Presley en Mozart maar het meest opmerkelijke kostuum is wel dat van Nelson Mandela compleet met pruik met grijze krulletjes. Niet elk kostuum wordt zonder meer geaccepteerd, er moet over vergaderd worden door de Orde der Vrienden van Manneke Pis samen met de schepen van cultuur en het Geschiedkundig Genootschap van de stad Brussel. Alle reclame-uitingen in de aangeboden kostuums worden geweerd. Het zal de lezer duidelijk worden dat er op een uiterst serieuze wijze wordt omgegaan met Manneke Pis, het is tenslotte het symbool van vrije meningsuiting en Brussel blijft daardoor een vrije en plezante stad.

    Manneke Pis

    Een biografie
    Auteur Geert van Istendael
    Verschenen bij: uitgeverij Atlas
    Prijs: € 14,50

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Babbelzieke beschouwingen van een bevlogen boekenwurm

    Dit boek – een alternatieve titel van de roman Boze geesten van Dostojevski – heeft als ondertitel Over de Russische literatuur en haar lezers. Samen met een ernstig schrijvende Tolstoj op de omslag wekt dat de verwachting dat we veel zullen horen over de klassieke Russische schrijvers, hun levens, werken en de reacties daarop. We komen echter bedrogen uit. De Amerikaanse Batuman fladdert van het ene boek naar het ander en heeft daarbij erg veel aandacht voor human interest, zoals de keer dat ze vergat om een schwarzwalderkirschtorte uit de oven te halen omdat ze zo geboeid was door Babel. Haar beschouwingen over Russische schrijvers, waarbij die over Babel er in de positieve zin uit springt, worden afgewisseld met verslagen over een verblijf in Samarkand, alwaar zij, na haar studie literatuurwetenschappen aan Stanford, Oezbeekse taal- en letterkunde studeerde. Die laatste keuze hing samen met haar Turkse achtergrond, maar erg veel blijken Turken en Oezbeken niet meer met elkaar gemeen te hebben. Ze leerde dat er honderd woorden voor huilen bestaan in het Oezbeeks, maar zelf wist ze evenmin wat ze daarmee aan moet en gaf tenslotte de studie op.

    Meteen al op de eerste bladzijde komt ze tot de hamvraag: hoe kan iemand die geen academische aspiraties koestert uiteindelijk zeven jaar lang in Stanford, Californië de vorm van de Russische roman bestuderen? Batuman gaat daarvoor terug naar de invloed van haar Russische vioolleraar Maxim en de indruk die Jevgeni Onegin van Poesjkin en Anna Karenina van Tolstoj op haar maakten. In die boeken herkende ze iets wezenlijks over het leven. Ze besefte later dat ze als aankomend schrijfster niet teveel romans moest lezen en dat de literatuurtheorie haar alleen maar zou belemmeren. Ze koos daarom aanvankelijk taalkunde als hoofdvak met Russisch als vreemde taal, maar schakelde na een vakantieliefde en dito baantje in Hongarije toch over op de literatuurwetenschap, omdat daar meer leven in zat.

    Ze hield zich na haar afstuderen een poosje bezig met creative writing. Hierdoor raakte ze het idee kwijt dat de theorie het schrijverschap in de weg zou staan. Als schrijfster wilde ze alles uitzoeken over het leven en de werken van haar favoriete schrijvers en niet slechts hun boeken imiteren.

    Ik vroeg me daarbij af hoe zij dacht de theorie te gebruiken in haar eigen boeken en wat voor schrijfster ze wilde zijn. Veel wijzer dan dat ze ten tijde van haar verblijf in Oezbekistan 24 jaar oud was en ongelukkig in de liefde ben ik niet geworden.

    Het is vooral de toon die tegenstaat. Elif zegt niet waar ze heen gaat en als lezer heb je haar maar te volgen. Ze babbelt er vrolijk op los zoals over een vliegreis terug uit Oezbekistan langs Frankfurt. ‘We naderden de aarde al dichter en schampten haast Frankfurt zelf, de geboorteplaats van de kritische theorie en het interdisciplinair materialisme, met zijn zilverglanzende rivier, zijn oude kerken, en de zwartglazen obelisk waar de buchmesse wordt gehouden.’

    Het is wel exotisch wat ze ons voorschotelt, zoals over haar hospita in Oezbekistan en over Het huis van ijs van Lazjetsjnikov, dat handelt over een, in 2006 in Sint-Petersburg gereconstrueerd, ijspaleis dat tsarina Anna ooit liet neerzetten en waarin twee zotten een huwelijksnacht moesten doorbrengen.

    Ik moest tijdens het lezen van dit boek sterk denken aan Leonid Tsjipkin die in Zomer in Baden- Baden tijdens een treinreis van Moskou naar Leningrad een dagboek leest van de vrouw van Dostojevki over hun verblijf in Baden-Baden. Misschien had Batuman, om alle overdaad te vermijden, ook zoiets kunnen doen en dan met Tolstoj. Ze presenteerde tijdens een Tolstoj-congres op het landgoed Jasnaja Poljana een hoofdstuk uit haar proefschrift over de mogelijke doodsoorzaak van Tolstoj, waarin zij overweegt dat zijn vrouw hem heeft vergiftigd uit kwaadheid omdat hij zijn erfenis had weggeschonken aan een fanatieke godsdienstige beweging. Misschien heeft  Batuman van dit overladen project geleerd en verschijnt er straks een ware roman van haar eigen hand.

    p.s. Na het schrijven van deze recensie kwam me een artikel onder ogen in de London Review of Books, waarin Elif Batuman uitvoerig ingaat op het verschil tussen fictie en literatuur. Wat ze in het boek schrijft over creative writing en literatuurstudie, over het imiteren dan wel onderzoeken van de literaire geschiedenis heeft wortels in een discussie die in Amerika gevoerd wordt. Voor geïnteresseerden verwijs ik naar London Review of Books, Vol. 32, No. 18 ; 23 September 2010.    

     

    De bezetenen

    Auteur: Elif Batuman
    Vertaald door: Henk Schreuder
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas (aug. 2010)
    Prijs: € 24,90

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Wat beweegt een uitgever ertoe om een boek dat drieënveertig jaar geleden voor het eerst is verschenen en waarvan zowel de auteur als de vertaler reeds lang zijn overleden, opnieuw te laten drukken? Hebben vogelliefhebbers hier op aangedrongen? Voer voor ornithologen misschien. Niet alleen de slechtvalk wordt gevolgd maar ook vele andere vogelsoorten worden in het boek beschreven. De habitat van de slechtvalk, het platteland van Engeland krijgt ruime aandacht. De geografische positie van dit gebied is moeilijk op te maken uit het verhaal en vogelliefhebbers die op de idee komen om ook eens een bezoek aan dit gebied te brengen wordt het niet gemakkelijk gemaakt. Al op één der eerste bladzijden krijgt de lezer een waarschuwing. ‘Uitvoerige beschrijvingen van een landschap zijn vervelend’.

    Het is zeker aan de uitstekende vertaling van Hans Edinga te danken dat toch een zeer goed leesbaar resultaat is verkregen. Het boek laat zich overigens niet lezen als een roman of een reisbeschrijving. Het vertoont eerder overeenkomsten met een dichtbundel. De beschrijvingen van de observaties van de slechtvalk zijn vaak poëtisch en er kan ook geen sprake van zijn dat dit boek in één adem wordt uitgelezen. Men dient er, net als bij een dichtbundel, elke dag een stukje in te lezen. Een achtervolging van een grutto door een slechtvalk wordt als volgt omschreven: ’De slechtvalk stoot en strekt zijn klauwen. Grutto en slechtvalk schieten heen en weer, maken ontwijkende bewegingen, stikken land en water aan elkaar met flitsende schietspoel’. Pure poëzie en degene die opmerkt dat een schietspoel wordt gebruikt bij het weven en niet bij het stikken, is een kniesoor. Even verderop lezen we: ‘De door de wind aan flarden gescheurde banier van het herfstlicht overkoepelt de groene akker tussen de twee riviermonden’. Al deze lyrische omschrijvingen kunnen toch het uitermate wrede bedrijf van de slechtvalk niet verhullen want de prooi wordt achtervolgd en met uitgestrekte klauwen opgegooid en neergekwakt, als door de hoorns van een stier en komt neer met opengereten hart in een plas bloed. De foto op de omslag van het boek doet vermoeden dat de slechtvalk overeenkomsten vertoont met (sommige) mensen. Grote bek, agressieve blik en een laag voorhoofd. Opmerkelijk is verder dat de slechtvalk zich toch door kraaien op zijn kop laat zitten. Grutto’s, meeuwen, plevieren, houtduiven, allemaal worden ze meedogenloos achtervolgd, aan stukken gereten en verorberd maar de kraaien blijken in staat om de slechtvalk op de vlucht te jagen.

    Ook in Nederland krijgt de slechtvalk ruime aandacht. Op hoge gebouwen en schoorstenen worden nestkasten geplaatst waarbij alle verrichtingen zoals het broeden en uitkomen van de eieren door middel van camera’s worden gevolgd. Het aantal broedparen neemt gestaag toe en men schijnt er in geslaagd te zijn om de slechtvalk te behoeden voor uitsterven.
    Het boek van de natuurkenner James A. Baker geldt in Engeland en de Verenigde Staten als een klassiek meesterwerk.

    De slechtvalk

    Auteur: James A. Baker
    Vertaald door: Hans Edinga
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 18,90

  • Debuutroman over het leven van een grootvader

    Debuutroman over het leven van een grootvader

    Mensen die niet weten wat een vadermoordenaar is, worden misschien door de titel van dit boek op het verkeerde been gezet. De vadermoordenaar van Arno Haijtema is geen morbide of spannend boek. Het is een – ogenschijnlijk – recht-toe-recht-aan verhaal over de Friese boerenzoon, Haijte Haijtema, die niet in de voetsporen van zijn vader wil treden. Hij wil  liever onderwijzer worden maar zakt voor zijn examen. Min of meer gedwongen vertrekt hij naar Alkmaar om daar een kruidenierszaak over te nemen.

    Naast een levensverhaal is het ook de geschiedenis van een man die zich probeert te ontworstelen aan zijn vader, de benauwde sfeer in een klein Fries’ dorp,  het ingesleten ritme van het dagelijkse winkeliersbestaan en bij tijd en wijle aan aangeleerde of zelf opgelegde belemmeringen.
    Al vroeg ervaart Haijte het gebrek aan waardering van zijn vader. Er is moed voor nodig om zijn vader te vertellen dat hij geen boer wil worden. Maar hij heeft allang gevoeld dat zijn vader geen waardering op kan brengen voor zijn oudste zoon die het boerenleven niet koestert.  Haijte voelt in alles de geringschatting van zijn vader. Het zal zijn leven bepalen.

    Opmerkelijk voortvarend bouwt hij samen met zijn vrouw Marie een goedlopende zaak op. Hij wil opvallen, anders dan de anderen zijn. Dat lukt hem uitstekend. Zijn ambities brengen hem tijdens het Interbellum in diverse Europese steden: Berlijn, Milaan, Rome, Parijs en in de Dordogne waar hij de druivenoogst meemaakt. In Berlijn is hij onder de indruk van de ‘Kriegsverletzten’ uit de Eerste Wereldoorlog, in Rome bezoekt hij de Mostra della Rivoluzione Fascista, de grote fascistische tentoonstelling waarmee herdacht werd dat tien jaar eerder de Doets, zoals Haijte en zijn collega’s Mussolini noemen, aan de macht kwam.
    Haijte is niet zo onder de indruk van de Doets en is vrij kritisch over het fascisme. Zijn kritiek wordt overigens niet ingegeven door de leer zelf, maar meer door wat hij noemt: ‘een door katholieke symbolen gevoede vorm van afgoderij’.

    Het boek staat vol vermakelijke anekdotes over zijn belevenissen in het buitenland. Wat hij in Italië gezien en geproefd heeft, wil hij ook de Alkmaarders bieden. Als hij ze  bij wijze van promotie tijdens ‘de Italiaanse dag’ een bordje pasta met tomatensaus aanbiedt, verzucht er één: ‘Tsja, aardappels zijn het niet’.

    Door zijn manier van schrijven, een mengeling van vertellen en ‘in het hoofd kruipen van’ zorgt kleinzoon en schrijver Arno Haijtema ervoor dat je Haijte goed leert kennen. Haijte is een beetje een pedante en ijdele man. Hij voelt zich heel wat, is trots op zichzelf en op wat hij bereikt heeft en hij voelt een manlijke, soms wat vaderlijke ‘verhevenheid’ over ‘zijn’ Marie. Zo ontstaat het beeld van een man waar je een beetje om moet lachen. Niet het beeld van de man die Haijte zo graag geweest zou zijn. Toch is hij wel sympathiek, zijn superioriteitsgevoel ten spijt. Je moet het verhaal immers wel lezen tegen de achtergrond van de tijd: de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. En hij onderneemt, tegen de tijdgeest in en in weerwil van zijn eigen gemoed, toch bijzondere reizen naar het buitenland en laat zich daardoor inspireren.

    Zijn losmaking heeft minder met onafhankelijkheid en zelfstandigheid te maken, dan met zijn frustraties als gevolg van het hoge verwachtingspatroon van zijn vader. Dit is dan ook de reden dat hij op dat terrein weinig geleerd heeft: hij is net zo teleurgesteld als zijn vader was als blijkt dat zijn zoons hun leven anders gaan inrichten dan hij voor ogen had.
    Tot op zekere hoogte lukt het Haijte wel om zich te ontworstelen. Diep in zijn hart geniet hij van al zijn reizen en ondernemingen, maar calvinist tot in zijn tenen, staat hij dit zichzelf niet toe. Was hij nou maar katholiek opgevoed, dan had hij zich dit waarschijnlijk wel gegund.

    Hoewel dit boek voor een deel gaat over de beklemmende belemmering die mensen opgelegd krijgen, of misschien meer nog zichzelf opleggen, is De vadermoordenaar geen benauwend boek. Integendeel. Het is een mooi verhaal, ‘leest als een trein’, is prachtig geschreven en zit boordevol leuke zijsporen. Stijl en woordkeuze zijn aangepast aan het tijdsgewricht.

    De vadermoordenaar is de debuutroman van Arno Haijtema (1959) over het leven van zijn grootvader. Als kind al was Arno Haijtma gefascineerd door de verhalen over en de reisboeken en souvenirs van zijn grootvader. In 2007 volgde hij per trein de route die Haijte ook gereisd heeft. Daarna heeft hij deze roman geschreven. Haijtema is redacteur bij de Volkskrant.

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen         

    Recensie door: Machiel Jansen         

    Het kruispunt van religie en democratie

    De Duitse filosoof Gottfried Leibniz (1646-1716) had zo’n groot vertrouwen in de mogelijkheden van de wetenschap en de wiskunde dat hij dacht dat in de toekomst mensen bij een meningsverschil niet meer met elkaar in discussie zouden gaan maar tegen elkaar zouden zeggen: laten we het uitrekenen.

    In het huidige digitale tijdperk zijn computers overal, maar gediscussieerd wordt er nog wel degelijk en emoties lopen soms hoog op, vooral als het gaat over de plaats van de religie in de huidige samenleving, en al helemaal als de islam ter sprake komt. Aan meningen hebben we geen gebrek, aan genuanceerde op feiten gebaseerde bijdragen des te meer. Maar al te vaak worden rationele argumenten opzij gezet met verwijten van verraad, verzoening, racisme en gezamenlijk thee drinken.

    Het aanmoedigen van de rede in plaats van emotie in het debat was één van de doelstellingen van de Schotse filosoof David Hume (1711-1776). Vooral religieuze enthousiastelingen waren niet voor rede vatbaar. ‘Hoop, trots, aanmatiging en een levendige fantasie, gecombineerd met onwetendheid vormen de ware bronnen van het enthousiasme.’ 

    Net als Leibniz was ook Hume een man van de Verlichting, een periode in de Europese geschiedenis waarin rede, rationaliteit en wetenschap werden gezien als de basis voor politieke en maatschappelijke opvattingen. Religie werd gezien als irrationeel en een bedreiging voor de maatschappij die men voor ogen had. De verschillende filosofen uit die periode verschillen nogal in de maatschappelijke rol die ze toebedeelden aan religie maar allemaal beschouwden ze religieuze waarden als relatief, niet universeel. Ideeën als de scheiding tussen kerk en staat en de scheiding tussen  wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht zijn opgekomen in de Verlichting.

    De ideeën van de Verlichting worden tegenwoordig weer van stal gehaald als het gaat om het verdedigen van moderne Westerse waarden tegenover religieuze opvattingen, met name de islam. De Nederlandse schrijver, essayist Ian Buruma (1946) constateert het in zijn nieuwe boek God op zijn plaats. Het kruispunt van religie en democratie. De verdedigers van Westerse Verlichtingsidealen richten hun pijlen niet alleen op moslimfundamentalisten maar ook op de aanhangers van de multiculturele samenleving. Het is vooral in die laatste verbale strijd dat de verdachtmakingen van vriend, vijand, verzoener, racist, fascist en theedrinker over en weer het hardst klinken.  Maar een debat in de geest van de Verlichting is nu juist op rationele argumenten gebaseerd.  

    Ian Buruma is één van de essayisten die de rationaliteit probeert terug te vinden in het debat. Hij is bepaald geen nieuwkomer waar het gaat over onderwerpen als de islam in Europa en de relatie tussen Oost en West. Zijn essays en commentaren verschijnen regelmatig in NRC Handelsblad, The New Yorker, The New York Review of Books en The Guardian. Buruma is met Hirsi Ali waarschijnlijk de enige Nederlander die kan rekenen op een internationaal lezerspubliek waar het gaat om bijdragen aan het cultureel politieke debat. Zijn boek over de Moord op Theo van Gogh (Murder in Amsterdam/ Dood van een gezonde roker, 2006) is wereldwijd besproken en gelezen. In 2008 ontving hij de Nederlandse Erasmusprijs.   

    In zijn nieuwe boek besteedt Buruma ruim aandacht aan verschillende denkers uit de Verlichting. God op zijn plaats gaat over de verhouding tussen politiek en religieus gezag op drie continenten. Dat is een ambitieus onderwerp en Buruma behandelt het in nog geen 150 bladzijden. Het resultaat is een interessante, zeer leesbare verzameling uiteenzettingen die echter te kort en daardoor soms opvallend onvolledig is. Die beknoptheid is wel te verklaren. Buruma presenteerde de drie hoofdstukken in dit boek namelijk als lezingen voor Princeton University.  

    In de inleiding zet Buruma zijn doel duidelijk uiteen. Zijn raadgever is de Franse denker Alexis deTocqueville (1805-1859) en leidend is de vraag: wat is er nodig, naast stemrecht en vrijheid van meningsuiting, om democratische samenlevingen bijeen te houden?

    Het eerste hoofdstuk begint met de vraag waarom in de Verenigde Staten het geloof een veel belangrijkere rol speelt dan in Europa. Het antwoord zoekt Buruma in de geschiedenis, of beter, in de ideeëngeschiedenis. Daarbij gebruikt hij de observaties van de Tocqueville die tijdens The Second  Awakening (1790-1840), een periode van religieuze opleving, in de Verenigde  Staten rondreisde en uitgebreid verslag deed van de Amerikaanse samenleving. In Europa, merkt de Tocqueville op, bestrijden de niet gelovigen en gelovigen elkaar als politieke tegenstanders. In Amerika, waar de macht van de Katholieke kerk niet aanwezig was, lag dat anders.Vrijheid is het sleutelbegrip in de observaties van de Tocqueville. Vrijheid in religieuze beleving en een volledige vrijheid van kerk en staat gaan in de Verenigde Staten samen, en dat heeft alles met het protestantisme te maken. Het was Luther die twee en een halve eeuw eerder al een grote aanzet had gegeven voor het scheiden van kerk en staat met zijn doctrine van de twee kerken. Buruma vermeldt Luthers bijdrage echter niet.

    In Europa, waar de invloed van de Katholieke kerk veel groter is geweest, verschillen de landen onderling aanzienlijk in hun kijk op religie en gezag. Buruma richt zich vooral op Engeland en Frankrijk. De filosofen Hume en Burke dienen als voorbeeld dat traditie in het conservatieve Engeland belangrijk is. Frankrijk heeft met de Franse Revolutie gekozen voor een radicalere vorm van verlichting, min of meer gebaseerd op de ideeën van Spinoza en Rousseau. Die geschiedenis verklaart huidige verschillen in de aanpak van religieuze spanningen in de verschillende landen van Europa. In Frankrijk wordt de scheiding tussen kerk en staat ver doorgevoerd. Op Franse scholen zijn religieuze afbeeldingen of kledingstukken taboe. In Engeland en Nederland is de situatie anders en is er ruimte voor de overheid om het religieuze karakter van openbare instellingen, waaronder scholen toe te staan en te steunen.

    Andere Europese landen, waaronder Duitsland, worden in dit betoog om onduidelijke redenen buiten beschouwing gelaten. Buruma vat de relevante opvattingen van o.a. Hume, Jefferson, Spinoza en Hobbes bondig samen, en zijn uiteenzetting van de verschillen en overeenkomsten tussen de naties overtuigt ook wel. Toch is het hoofdstuk wel heel beknopt en maakt het uiteindelijk de indruk dat je een samenvatting  gelezen hebt.  Die trend zet zich door in het tweede hoofdstuk Oosterse wijsheid dat het Aziatisch continent, althans China en Japan, behandelt. Buruma studeerde Chinese letterkunde in Leiden en woonde een tijd in Japan. Dat schept verwachtingen. Maar dit hoofdstuk lijdt vooral onder  de lengte, die veel te kort is: 23 pagina’s over China en 14 over Japan. Als een handige samenvatting voor studenten voldoet het misschien maar de reis door de geschiedenis duurt zo kort dat er niet veel meer dan een flits overblijft.   

    Het derde hoofdstuk met de titel De waarden van de Verlichting, trekt de meeste aandacht. Buruma beschrijft de problematiek van de islam in Europa en meer dan in de vorige twee hoofdstukken klinkt hier zijn mening door. De poging om een afstandelijke, deels objectieve samenvatting van de belangrijkste gebeurtenissen, van de Rushdie-affaire tot aan de discussie rondom Tariq Ramadan,  te geven, dwingt respect af. Het eens goed op een rijtje zetten van wat er nu precies is gebeurd, levert ook aardige inzichten op. Zo beschrijft Buruma de verwarring die zich meester maakte van jongerenwerkers in Engeland die het muliculturalisme aanhingen en moslimjongeren verdedigden en door dik en dun steunden. Tot hun ontzetting bleken dezelfde jongeren nu bereid om tijdens de Rushdie-affaire aan een openbare boekverbranding mee te doen. Hun opvattingen over de multicurele samenleving veranderde daardoor radicaal.

    Ook bij rechts is er sprake van een enorme draai. Rechtse verdedigers van de Westerse waarden verdedigen harstochtelijk tolerantie ten opzichte van homosexualiteit en vrouwenemancipatie tegenover conservatieve moslims. Die onderwerpen golden tot voor kort juist als typische linkse stokpaardjes.

    Buruma bekritiseert het multiculturalisme, maar merkt wel op dat Nederland met zijn zuilenmaatschappij tot voor kort in feite een multiculturele samenleving is geweest. Het moderne multiculturele denken waarbij culturele minderheden  aangemoedigd worden hun eigen cultuur te behouden en deze zelfs superieur te achten boven Westerse waarden is een idee dat hij duidelijk bestrijd. ‘Zoals alle ideeën die tot dogma verheven worden zit het multiculturalisme er vaak naast.’

    Soms gaat Buruma wel heel kort door de bocht, bijvoorbeeld bij het afschrijven van de theorie van de botsing der beschavingen. ‘Een oppervlakkige blik op enkele van de mensen die terreurdaden op hun geweten hebben, leert ons al snel dat een zeer wijdverbreide mening (…) dat we hier te maken hebben met een “botsing der beschavingen”, nergens op gebaseerd is.’

    Daarmee suggereert hij toch dat de ‘botsing der beschavingen’, voor het eerst door Bernard Lewis zo genoemd, met oppervlakkige waarnemingen kan worden weerlegd. Naar mijn idee is dat een te simpele voorstelling van zaken en doet dat geen recht aan de nuances van Lewis’ opvattingen, zoals bijvoorbeeld in The Roots of Muslim Rage

    Ook de bewering ‘alle grote godsdiensten zijn fundamentalistisch in de zin dat zij menen de absolute waarheid te verkondigen’ lijkt me wel voer bieden voor verdere discussie. Voortbouwend op dat idee kom je tot de conclusie dat ook een filosoof als Kant, die de het absolute en universele van ethische waarden verkondigde, fundamentalistisch is.  Paul Cliteur bekritiseerde Buruma eerder op soortgelijke uitspraken.

    Toch kun je Buruma niet beschuldigen van relativisme, de opvatting dat andere culturen met andere, mogelijk tegengestelde waarden en opvattingen evenveel recht op bestaan hebben als de onze. Hij pleit nadrukkelijk voor het scheiden van politiek en religie. De wet dient als basis maar Buruma legt een grote nadruk op de mores, de ongeschreven regels en tradities die een grote bindende kracht zijn in een maatschappij. Daarin is ruimte voor minderheden, ook voor religieuze orthodoxie maar niet voor oproepen tot geweld. Vrijheid van meningsuiting is een grondbeginsel waar Buruma niet aan toornt. Integendeel:  ‘Democratieën varen niet wel bij wetten die de vrijheid van meningsuiting beperken, zoals wetten tegen godslastering, het ontkennen van de Holocaust of de Armeense genocide.’

    Zijn pleidooi voor het scheiden van religie en politiek lijkt me de kern van God op zijn plaats. Het is ook eenvoudig de redelijkheid hiervan in te zien, aan de andere kant doemt de moeilijkheid op dat nu juist de religieuze extremisten deze scheiding weigeren te maken. Zij beroepen zich op religie bij hun politieke terreuracties en zoeken in religieuze bronnen rechtvaardiging voor hun daden. Voor Buruma is dat laatste niet de kern van het probleem. Volgens hem had Mohammed B. als hij in de jaren 70 een Duitser was geweest zich gemakkelijk kunnen aansluiten bij de RAF.

    Een dergelijke stelling zal sommigen wel in het verkeerde keelgat schieten. Van Leibniz ideaal van het koel uitrekenen van meningsverschillen zijn we nog ver verwijderd. Tot dan toe moeten we het doen met geïnformeerde meningen en analyses, waaronder die van Ian Buruma.

    God op zijn plaats

    Het kruispunt van religie en democratie
    Auteur: Ian Buruma
    Vertaald door: Suzan de Wilde
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs:  €18,50

  • Een boek ontstaan uit liefde en bewondering voor een beeld

    Een boek ontstaan uit liefde en bewondering voor een beeld

    Als correspondent in Parijs voor NRC Handelsblad maakte Peter van Dijk in 1986 voor het eerst kennis met Madame Sabatier. Met W.F.Hermans, die in die tijd voor het Cultureel Supplement van de NRC schreef, waren ze uitgenodigd om de opening van het nieuwe Musée d’Orsay als schrijvende pers wereldkundig te maken. In een zaaltje achteraf wordt de auteur verrast door de aanblik van een witmarmeren naakte vrouw, in liggende pose met een wonderlijk extatische draai van de romp. Het beeld Femme piquée par un serpent, gemaakt door de beeldhouwer Auguste Clésinger werd voor het eerst tentoongesteld op de Parijse salon in 1847. De vrouw die hiervoor model heeft gelegen was Madame Sabatier.

    Madame Sabatier leefde van 1822 tot 1890. Ze was een onwettig kind van een wasvrouw. Vanaf haar vijftiende woonde ze met haar moeder in Parijs. Op deze leeftijd stond zij al model. Toen ze eind twintig was, leidde ze een salon van kunstenaars. De salon van La Présidente, zoals ze in die kringen genoemd werd en waarvan Théophile Gautier de spil was, was een van de beroemdste salons in die tijd.

    Dankzij Auguste Clésinger werd de toen nog geheten Agléa Sabatier op slag beroemd door haar beeltenis in marmer van Femme piquée par un serpent.  Tekenend voor Madame Sabatier is dat zij in een tijd dat het voor een vrouw alleen niet ongewoon was zich door verschillende minnaars te laten onderhouden, zij trouw was aan één man. Veertien jaar lang was zij de maîtresse van Alfred Mosselman, een Belgisch-Franse industrieel. Nadat deze haar liet vallen voor een jeugdiger maîtresse, weigerde zij van hem een jaargeld aan te nemen en was ze er niet op uit opnieuw een minnaar te zoeken voor haar onderhoud.

    De auteur geeft in zes hoofdstukken, waarin verschillende negentiende eeuwse kunstenaars centraal staan, stukje bij beetje informatie over een vrouw die op het eerste gezicht onbetekenend lijkt te zijn geweest voor haar tijd (wie had er ooit gehoord van Apollonie Sabatier). Achteraf blijkt deze dame van zeer grote invloed te zijn geweest als muze van poëten en model van beeldend kunstenaars. Laat dat voorop staan. En ook dat, ondanks dat de auteur een zeer mooie en sensuele vrouw tot onderwerp genomen heeft, hij zich vooral richt op de mannen rondom haar waardoor het een soort mannenboek is geworden. Per hoofdstuk staan één of meerdere kunstenaars centraal die deel uitmaakten van de kring rond Madame Sabatier. Achtereenvolgens zijn dat: Auguste Clésinger, de kunstcriticus Théophile Gautier, schrijver Gustave Flaubert en de dichter Charles Baudelaire hebben ieder een hoofdstuk voor zich. In hoofdstuk vijf is de aandacht verdeeld tussen de miniatuurschilder Ernest Meissonier, muurschilder Gustave Ricard en de schilder Gustave Courbet. In het laatste hoofdstuk staat de collectioneur Richard Wallace centraal.

    De schets die Peter van Dijk neerzet van Madame Sabatier is ontstaan door gebruik te maken van archieven en werken van kunstenaars waarbij zij een rol speelde. Hierbij wordt duidelijk dat hij een Baudelaire kenner is. Het is een zeer bijzondere manier om een beeld neer te zetten van een persoon die verder niet beschreven wordt. Maar meer nog geeft dit boek een beeld van de kunstenaars om haar heen en de culturele ontwikkelingen in het Frankrijk na de Franse revolutie.  Het is overduidelijk dat vrouwen toentertijd van weinig betekenis waren. Zoals Baudelaire in een brief (na hun enige liefdesnacht) aan haar stelt, ‘U hebt een mooie ziel, maar uiteindelijk is het de ziel van een vrouw.’ (pag. 163).

    Jammer dat er niet meer van haar eigen hand is opgenomen. Zoals de olieverfminiatuurtjes  waarmee ze in 1861 werd toegelaten op de Salon. Daar word je als lezer die Madame Sabatier wil leren kennen, nieuwsgierig naar. Ze heette een leerling van Meissonier te zijn, een gewild schilder van miniatuurtjes. Ook in 1863 en 1864 exposeerde ze op de Salons. Wellicht waren er geen afbeeldingen van deze miniatuurtjes in omloop.

    In een interview met Heide Lenaerts (Belgische progamma Babel) liet de auteur weten dat het naaktmodel dat het omslag siert, niet Madame Sabatier is. Opmerkelijk is dat zij wel op het schilderij voorkomt maar van het omslag is afgesneden. Naar een idee van de uitgever, zo liet Peter van Dijk weten, in de hoop dat het boek beter zou verkopen. Het schilderij staat in het boek (pag.210) in zijn geheel afgebeeld en daar ziet men Madame Sabatier gearmd met haar minnaar Alfred Mosselman. Enkele pagina’s verder ziet men haar zelfs in detail (pag.215).

    Peter van Dijk heeft bewust niet een geromantiseerd levensverhaal willen schrijven. Zijn opzet was om met de gegevens die er bestaan, de lezer in staat te stellen om over de levenswandel en persoonlijkheid van Madame Sabatier een oordeel te vellen. Het is zeer te waarderen dat hij een zo sober mogelijk en getrouw  beeld van haar heeft neergezet. Apollonie Sabatier komt pas echt tot leven in de brieven die zij aan Charles Baudelaire schreef, na de affaire van één nacht (p.162) en Baudelaire eigenlijk niets meer van haar wil weten omdat hij haar liever als een onaantastbare engel ziet.

    Peter van Dijk schrijft gepassioneerd over het negentiende eeuwse culturele leven in Parijs. Het is een genot om te lezen, de sfeer die het oproept. Hele stukken zijn puur geschiedenislessen maar met verve geschreven. Wel leidt dit soms enorm af van het onderwerp en is het vaak zoeken naar Madame Sabatier, vooral omdat wat erover haar bekend is niet in verhouding staat tot de gegevens die Van Dijk aandraagt. Wachten is het nu op de geromantiseerde biografie van Apollonie Sabatier.

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Eén, twee, hupsakee en daar is weer een brievenboek!

    Deze roman in brieven, zoals de ondertitel luidt, is voornamelijk gericht aan Benno Barnard, zo wordt al snel duidelijk door de verwijzing naar de site van De Contrabas, een poëzie weblog waar Barnard regelmatig columns op schrijft.
    De brieven, in de vorm van e-mails aan hem gericht, zijn ongedateerd, maar er bevinden zich aanknopingspunten in de inhoud, zoals bijvoorbeeld de cryptische maar onvergetelijke zin ‘9 mei aanstaande, om negen uur ’s morgens, word ik wees.’
    Dat moet in 2007 geweest zijn, want rond die tijd verschijnt zijn vorige brievenboek Het boek is beter dan de vrouw.

    Koenraad is een Gents dichter zonder werk en relatie. In een eigen biografietje voor een sollicitatie schreef hij: ‘dat ik tweeënveertig jaar was, ongehuwd, kinderloos, niet in het bezit van een wagen, niet samenwonend, geen huisdier, erg valide en pakweg al een kwarteeuw zoekende naar werk.’
    Deze romanticus die volgens eigen zeggen zijn beste gedichten produceert met veel drank op, besluit na enige mislukte baantjes om het als taxichauffeur te proberen.
    Het overlijden van de vader door euthanasie , waarop het eerste citaat (9 mei) doelde, brengt hem ertoe om een mis bij te wonen in de St. Baafskathedraal en zich te storten op christelijke literatuur, onder andere van de huidige paus Ratzinger.
    Die ontwikkeling maakt een vreemde indruk na een sterk werelds en overmoedig begin. Onlangs was er nog commotie op Facebook over de ouderwetse kerkelijke opvattingen van Benno Barnard, maar Koenraad heeft hem hoog zitten. Hij kijkt tegen hem op als tegen een oudere geleerde broer, gehuwd, kinderen en maatschappelijk geslaagd. Hij is vol bewondering over diens Engeland-boek Een vage buitenlander dat ik eerder besprak op deze site.

    In het tweede deel dat bestaat uit de correspondentie met een Hollandse vrouw, die zeer romantisch van toon is, verklaart Goudeseune geen gelovige te zijn, maar iemand die geïnteresseerd in de dichterlijke taal waarin onder andere het boek Job en het Hooglied geschreven zijn.
    De mails of brieven aan Barnard worden gaandeweg minder interessant. Het komt niet verder dan berichten over de zoveelste relationele mislukking, een klaagzang over een geweigerde toelage van het letterenfonds en de geringe opbrengst van een gedicht in de Vlaamse poëzieverzamelbundel Hotel New Flandres.
    In één van de mails gaat Goudeseune, omdat uitgever Hans wil dat hij een roman schrijft, in op het verschil met het genre van het brievenboek:

    ‘En dat Hans mij opport om in plaats van lekkere brieven een roman te schrijven, verbijstert me. Zijn er al niet genoeg van die uitgesponnen anekdotes? Is er van die verveling al geen pap genoeg? Bovendien kan ik geen roman schrijven.’

    Een andere reden voor een brievenboek is dat hij temidden van proza-gedeelten zijn gedichten kwijt kan.

    Hij komt er echter achter dat hij zich in zijn naïviteit over het brievenboek gruwelijk heeft vergist.

    ‘Meer en meer de idee dat ik mijn tijd verpruts door zo mijn ziel te liggen spellen, een glimp licht levert het niet op.’

    De correspondentie met de hiervoor genoemde Hollandse, met wie Koenraad via www.relatieplanet in contact treedt, aan wie hij romantische mails verstuurt en met wie hij een kort avontuur beleeft dat treurig afloopt, en ook de gedachtewisseling met de Vlaamse Claesgen, die een moeilijke verhouding heeft met een derde, brengen evenmin verlichting. Koenraad verzucht zelf, als een variant op de titel: ‘En wat doe ik er lang over om met die steen geen meter vooruit te komen.’

    Het lijkt erg sneu allemaal. Maar misschien moeten we het literair opvatten zoals we dat doen met de drank- en sekslust van Brusselmans. Misschien zou Koenraad Goudeseune aan hem een voorbeeld kunnen nemen en, niet alleen om uitgever Hans tevreden te stellen en een financiële toelage in de wacht te slepen, toch eens aan een roman kunnen denken, waarin hij met zijn mooie schrijfkunst andere zielen kan spellen.

    Wat duurt op drift zijn lang

    Auteur: Koenraad Goudeseune
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas (maart 2010)
    Prijs: € 18,90

  • Over dromen en verwachtingen

    Over dromen en verwachtingen

    Stefanie Zweig (1932) (geen familie van Stefan Zweig) was haar hele leven journalist en filmcriticus voor zij zich aan het schrijven van een boek waagde. In 1980 debuteerde ze met het kinderboek, Een mond vol aarde, in 1995 bekroond met de Gouden Globe. Daarna volgden drie autobiografische romans over haar leven als joods meisje dat in 1938 met haar ouders naar Kenia vertrekt, op de vlucht voor de nazi’s.
    Het begon in Afrika (2004) is haar laatst vertaalde boek. Opmerkelijk gegeven is dat dit boek gebaseerd is op de herinneringen van drie vriendinnen, die net als zij eind jaren dertig met hun families naar Afrika gevlucht zijn, en die na de verfilming van haar boek Nergens in Afrika (2002), contact met haar hebben opgenomen.

    Het boek gaat over de dromen en verwachtingen van vier joodse meisjes in de periode dat ze op een Engels internaat zaten in Kenia, en wat daarvan terecht gekomen is. Wanneer ze na de Tweede Wereldoorlog Kenia verlaten hebben, verliezen ze elkaar uit het oog. Pas na vertoning van de verfilmde roman Nergens in Afrika wordt, zoals hierboven vermeldt, het contact weer hersteld.

    Vicky, de engelachtige, Leah de zwijgzame, Liesel de daadkrachtige en Regina (alter ego van de schrijfster) de nadenkende, treffen elkaar vaak onder de eucalyptusboom. Op de dag dat Vicky twaalf jaar is geworden zitten ze daar ook. Leah is niet aanwezig omdat ze misschien de bof heeft. Achteraf blijkt ze niet ziek te zijn. Dit wordt haar door de overige vriendinnen haast verweten: dat zelfs dat haar niet lukt, een ziekte te hebben die er toe doet, zoals de bof of mazelen. Het hele meidengroepje zou dan geïsoleerd worden van de rest van de school. Dit zou hen vrijwaren van vele plichten zoals de kerkgang op zondag, waar ze normaal gesproken, ondanks hun joodse geloof niet onderuit komen. Regina stelt voor, terwijl ze onder die eucalyptusboom staan, dat ze elkaar gaan vertellen hoe hun leven er over tien jaar uitziet. Hoewel de vriendinnen hier niet direct gretig op ingaan zet Regina door, ‘Over tien jaar’, begon ze opnieuw, ‘komen we bij elkaar. Dan zijn we allemaal tweeëntwintig. En misschien wel rijk. Of beroemd.’

    Vervolgens worden de verschillende levens van de meisjes beschreven, hun achtergrond, hun toekomst en huidige leven, welk zich begrenst tot de jaren 1944 – 1957. In een epiloog vertelt de auteur dat alleen Regina’s droom is uitgekomen, zij werd schrijfster, en dat er tussen Liesel en Regina een hernieuwde vriendschap is ontstaan. Liesel was sowieso in Kenia haar enige echte hartsvriendin.

    Als lezer mag je verwachten dat alle ten tonele gevoerde personen en geschetste situaties er toe doen. Dat ze van belang zijn voor het verhaal dat zonder die gegevens niet verteld kan worden. In Het begon in Afrika, staan veel gegevens die er niet toe doen en die het verhaal zeer vertragen. Uit de uitgebreide beschrijving van de meisjes heeft de lezer al begrepen dat bijvoorbeeld Vicky een charmant en mooi meisje is. Twee pagina’s verder wordt dit door de auteur nog eens samengevat als,’Vicky was een mooi kind, met een charme die zelfs leeftijdgenoten betoverde; ze was het kleinste en, al verschilde ze maar vijf maanden met Regina, het jongste van de joodse meisjes op de slaapzaal van Miss Chart.’  Hiermee wordt gelijk de manier van schrijven aangetoond. Bijna alle zinnen bestaan uit vele bijzinnen, waardoor ze vijf tot zes regels beslaan. Het heeft een sfeer van ademloos vertellen waarbij je afstevent op de essentie van het verhaal maar die nimmer raakt omdat alweer een ander gegeven zich heeft aangediend.

    Naast de hierboven genoemde vier vriendinnen worden in één adem nog twee meisjes opgevoerd, Friederike en Hermine. Deze komen verder in het boek niet meer voor en hun aanwezigheid dient geen enkel belang. Zo worden er meer gebeurtenissen of personen opgevoerd die ook zo weer achtergelaten worden.

    Er zitten vele mooie metaforen in als: ‘Na een tijdje, toen het zwijgen te dik en te mistig werd (…)’, hier voel je de zwaarte van een ongemakkelijk zwijgen. Toch krijg je niet echt grip op de personages, het beeld blijft wazig en geen persoonlijkheid blijft je bij.
    Het verhaal raakt ook nog even aan de geschiedenis van Karen Blixen. ‘(…) Hij woonde in Ngong, waar hij een eigen koffieplantage had, pal naast die van die mesjoegene Deense barones, die failliet ging en er daarna een boek overschreef.’ Even licht het verhaal daardoor op maar ook hier wordt verder niets mee gedaan.
    Je zou denken dat er redactioneel veel werk is blijven liggen waardoor het verhaal er niet uitkomt.

    Het begon in Afrika onderscheidt zich als titel niet echt van Nergens in Afrika en Ergens in Duitsland.
    De eerste regel van de epiloog luidt: ‘De voormalige scholieren van de Nakuru School hebben nooit meer onder de eucalyptusboom gezeten, die luisterde naar hun dromen en verwachtingen.’ Wat er nu werkelijk ‘begon’ in Afrika wordt niet duidelijk.

  • De rivier als psychotherapeut

    De rivier als psychotherapeut

    Recensie door Rein Swart

    De in Nederland vrij onbekende Vlaming Mark van Tongele verblijft in het zomerseizoen op de eenvoudige camping à la ferme in de Lozère in Frankrijk. Hij is het moderne leven ontvlucht om de natuur op te zoeken. De rivier Chassezac die langs de camping stroomt, heeft daarin een belangrijk aandeel. De vroegere student geneeskunde en latere vermogensbeheerder bij een bank, die het gevoel van de sixties nooit is kwijtgeraakt, heeft vrouw, dochter en kleinkind enige tijd achtergelaten om de rust te vinden die in het beroepsleven en zelfs in het privé-leven niet meer te vinden is. De westerse maatschappij gaat steeds meer gebukt onder het op hebzucht en egoïsme gebaseerde principe van de commercie.

    Mark keuvelt met boer Bernard en mede-kampeerders, zoals een gepensioneerde gendarme en een Hollandse paracommando, peinst over de oorsprong van de aarde, doet boodschappen in een naburig stadje en maakt uitstapjes naar dolmens en menhirs. Het gebied tussen Alpen en Centraal Massief is al vroeg bewoond geweest en sporen daarvan zijn in de buurt van de camping te vinden. Er doen legenden de ronde over spoken, feeën en draken.
    Diepzinnige gedachten over de aard van het leven worden afgewisseld met oppervlakkig gekeuvel. Hetzelfde geldt voor prozafragmenten met sensitieve, soms cryptische gedichten. Van Tongele eindigt een bespiegeling vaak met een rits fantasiewoorden, alsof zijn brein er geen genoeg van kan krijgen en hij de overvloed aan nieuwe woorden toch op een of andere manier kwijt moest.

    De comateuze toestand, waarin hij na een auto-ongeluk terechtkwam, heeft hem ontvankelijk gemaakt voor de betrekkelijkheid en schoonheid van het leven. ‘Is het levensecht dat we verblind zijn door de dood?’ vraagt Van Tongele zich verschillende keren af. Hij meent dat onze doodsangst ons wordt aangepraat en dat die wordt geëxploiteerd. Het ongeval heeft hem de ogen geopend voor de machtshonger van de westerse mens, die verslaafd is geraakt aan steeds nieuwere ontwikkelingen op het gebied van kennen en kunnen. Van Tongele leent zijn oor liever aan de mystica Hadewijch die ‘de minne’ aanbeveelt en de filosoof Levinas, die de medemens een prominente plaats in zijn denken toekent. Tijdens de vakantie mijmert Van Tongele over zijn dichterschap. Hoewel hij zelf weet dat zijn inzicht in de werkzaamheid van deze bezigheid hopeloos tekort moet schieten, komt hij tot de volgende vaststelling:

    ‘Ik wil hoe dan ook levenslang mijn vermogen tot verwondering, tot het tederste, tot het hart van de lichttrillingen oerdeelachtig in mij, doodgemoedereerd intens en kwetsbaar naakt, openhouden, al is het maar een fractie van een seconde, mijn diepste levensnoodzakelijkheid.’

    De bespiegelingen van deze nazaat van Simon Vinkenoog leveren heerlijke vakantieliteratuur op of in ieder geval een boek, dat je ernaar doet verlangen om een stil natuurgebied in te trekken, waar je op een simpele camping alleen de rivier hoort ruisen en af en toe de boer op zijn trekker hoort wegscheuren, waarna de hemelse rust weerkeert.

     

     

  • Wat beweegt de onbewoonde schommel

    Wat beweegt de onbewoonde schommel

    Recensie door Anita Meuleman

    Juweeltjes zijn het. De vertellingen van Bernard Dewulf. En dat verdient erkenning. Zijn laatste boek Kleine dagen staat op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2010. Op 22 maart wordt bekend of Dewulf bij de zes genomineerden voor de prijs behoort. Kleine dagen is een selectie van columns van Dewulf gepubliceerd op de voorpagina van het Belgische dagblad De Morgen.

    Bernard Dewulf is behalve inmiddels ex-columnist – ook dichter. En dat resoneert in vrijwel elke zin die hij schrijft in zijn boek Kleine dagen. Dat maakt ook dat je als lezer de observaties en gedachtespinsels van Dewulf heel langzaam consumeert. Een voor mij nieuw fenomeen. Ik heb de bundel gekoesterd. Telkens weer verwonderd om de nieuwe sprankelende ‘kleuren’ die maar tevoorschijn blijven komen. Hij spreekt van ‘Stilstaan bij het geheugen van het huis’ en ‘het wegsluipen van zijn kind uit de zwaartekracht’ en over de twijfels van de schrijver zelve.’Ik schrijf alles wat ik niet schrijf. (…). Even was ik er blij mee. Domper op de feestvreugde is altijd weer: wat betekent het?’

    Filosofische beschouwingen en mooie observaties over de kleine verschijnselen van alledag, ‘Briesjes zijn de edelste soort wind.’ Dewulf laat zijn woorden schijnen over dingen die eenieder als vanzelfsprekend beschouwt en geeft begrippen een nieuw beeldend gezicht met onverwachte wendingen: ‘De genetische valkuil die ouderdom heet: een zelfmoordaanslag van de tijd.’ En, ‘Een zondagochtend vol verveling. Het huis staat vol doofstomme boeken en het speelgoed staart waardeloos uit hoeken en gaten.’

    Voor de lezer is er herkenning. Een annotatie van een verre jeugd, een nostalgisch gevoel van herkenning. ‘De eerste schooldag. Zoveel kindjes. Een zee van moeders’  Of nog mooier: ‘Meisjes kunnen dat, zeggen ze. Zoals ze nu kijken naar elkaar: een verstandhouding van gewapend suikerglas.’

    De onderwerpen vindt hij letterlijk dichtbij huis, in zijn eigen omgeving waar zijn kinderen, zijn vrouw en hijzelf participeren in zijn dagelijkse overpeinzingen. Overigens wel vanaf een zekere afstand, geschreven in de derde persoon. ‘Morgen fietst hij mij voorbij, keihard onderweg, ontsnapt naar zijn toekomst.’ Dewullfs woordgebruik is doorspekt met metaforen en verbeeldende ? Vlaamse –  woorden: koket, woelwater, wenssteen, scharten. Scharten?

    ‘Er groeit een vrouw in mijn huis.
    Een-twee-drie is ze vijf geworden.
    Op een ochtend kwam ze de keuken binnen. Ze zei dag en het was anders. Ze gaf een zoen en hij verschilde. Haar haar hing los, ze had een rokje aan en daaronder lange kousen. Daarin waren haar benen gestegen en ze stapte, ik zocht in verwarring het woord, pront. Parmantig. Koket.’

    Dewulfs kleine overpeinzingen zijn mooi in balans. De afgeronde stukjes – alle zo’n driehonderd woorden – hebben een nostalgische ondertoon waar je als lezer wel ruimte voor moet maken. Al betrap ik mezelf ook wel op haast bij zoveel rust.‘Het jongentje ziet en kijkt. Tuin en tijd aan zijn voeten.(….) Wat verdwijnt hij nu haastig in het dikkende donker.’

    De titelloze kronieken zijn stuk voor stuk pareltjes die je langzaam tot je moet nemen om de essentie tot je door te laten dringen. Langzaam, laag voor laag. Als een toverbal.

    ‘Ben jij opa? vraagt ze. Het is geen vraag, het is een marsorder. (…) En zolang ik onderdanig meespeel is zij verlicht. Maar hapert mijn inlevingsvermogen, taant mijn belangstelling of ben ik iets te tegendraads dan vaardigt ze streng haar ultieme oekaze uit. ‘Jij weet niet wie jij bent.’’

    Bernard Dewulf (Brussel 1960) studeerde Germaanse filologie en is schrijver, columnist, vertaler, dichter en essayist.
    Van Dewulf verschenen al eerder verzamelde gedichten in de bundels Waar de egel gaat en Blauwziek. Loerhoek, is een eerdere selectie van de columns van Dewulf in De Morgen. Bijlichtingen en Naderingen, bevatten essays en reisverhalen over kunst.