• Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Na het succes van Baltische Zielen uit 2010 heeft uitgeverij Atlas een Brokken-klassieker uit 1991 opnieuw uitgebracht: De regenvogel. Als om aan te geven dat waar Baltische Zielen om geprezen werden, ook al in De regenvogel aanwezig was: knap gecomponeerde reportages, die het midden houden tussen essay en verhaal. Maar vooral ook de meerstemmigheid erin: het subtiel laten verweven van opgetekende verhalen van ontmoetingen met inwoners en Brokkens eigen observaties, met de levensverhalen van verscheidene historische personages. Zo wisselen meerdere visies elkaar af. Negentien jaar daarvoor werd met De regenvogel reeds die toon gezet.

    Ging het in Baltische Zielen om namen als Jakob Lipchitz, Mark Rothko, Emile Ajar of Hannah Arendt. In De regenvogel zijn het personen uit de laat 19de begin 20ste eeuw zoals bijvoorbeeld de ontdekkingsreizigers graaf Brazza en zijn tegenpool Stanley, de gorillajager Paul Belloni du Chaillu, de Engelse reisschrijfster Mary Kingsley, of tropenarts Albert Schweizer. Historische figuren die in Brokkens anekdotische schrijfstijl tot leven worden gewekt en waaromheen als een klimop zich de verhalen van de toevallige ontmoetingen met gidsen en chauffeurs als Massandé, Diko en Charlie slingeren. Deze plaatselijke inwoners voegen weer informatie toe over de typische Afrikaanse producten als bijgeloof, magie, kannibalisme, en de getroebleerde verhouding tussen zwart en blank, de tweespalt tussen de eeuwenoude tradities en de moderne tijd. Maar ook een fictief personage kan de spil van het verhaal zijn. In het eerste hoofdstuk leidt Simenons personage Joseph Timar ons Gabon binnen. En Brokken reist hem achterna door in hetzelfde hotel te verblijven als waarin Simenon hem liet logeren. Van Timar schuift de focus naar Simenon en diens notities over Afrika toetst Brokken weer aan de zijne. Het recept onthult Brokken zelf: ‘Zo gaat dat met reizigers, ze gebruiken elkaars ervaringen; Brazza trok na lezing van Du Chaillu’s reisverslag naar Gabon en ging verder waar zijn voorganger was blijven steken, en Brazza op zijn beurt werd weer nagereisd door Mary Kingsley’.

    Voorafgaand aan het schrijven van dit boek moet de auteur zich behoorlijk goed hebben ingelezen. De literatuurlijst achterin doet niet onder voor die van een geleerd boek. Het resultaat is echter het tegendeel van een gortdroge opsomming van historische, biografische en antropologische feiten. De rasverteller die Brokken is heeft van de vele feitelijke passages ook een spannend verhaal gevlochten. Zo volgt Brokken in het hoofdstuk De graaf en de bastaard de ontdekkingsreizen die de grote rivalen Pierre Savorgnan de Brazza en Henry Stanley (de man die en passant Livingstone opspoorde) maakten. De stoere openingszin, ‘Hij had de graaf gekend, hij had hem in de rimboe gadegeslagen, wat afgezien van het doodsbed de beste plaats was om iemand op zijn juiste waarde te schatten’, trekt je meteen in het verhaal. Dat van de van Rome geboortige aristocraat Brazza, de diplomaat onder de ontdekkingsreizigers, versus Stanley, het tot Amerikaan naturaliseerde onwettige kind uit Wales, de ‘schietgrage cowboy’. Beiden streden in de wedloop om Afrika wie de eerste zou zijn die het grondstofrijke gebied van Centraal Afrika in kaart kon brengen en het zo kon onderwerpen ter meerdere glorie van de natie waarvoor men was uitgevaren. Bazzra was afgevaardigd door Frankrijk en Stanley reisde in dienst van België. Uiteindelijk ontmoetten de rivalen elkaar ergens in Afrika. De graaf gooit daarbij zijn diplomatieke gaven vol in de strijd door zich nederig op te stellen en zijn eigen ontdekkingen voor zich te houden, om zo Stanley de gelegenheid te geven  ‘zijn heldendaden breed uit te meten.’ Deze waant zich winnaar om er vervolgens een jaar later achter te komen, wanneer hij ziet welke strategische gebieden Brazza inmiddels onder Frans protectoraat had weten te stellen, hoezeer hij door zijn concurrent om de tuin was geleid. De graaf stichtte Brazzaville, hoofdstad van de republiek Congo, de bastaard Stanleyville, dat later echter werd omgedoopt in een andere naam.  ‘Bij Stanleys durf en doorzettingsvermogen zou niemand een vraagteken zetten, de inboorlingen noemden hem Boula Matari, “breker van rotsen”, maar Brazza noemden ze Rocamambo, “de grote bevelhebber”, en dat ze juist aan de vreedzaamste van de twee de bijnaam van de grote bevelhebber gaven, mocht Brazza als zijn grootste overwinning opvatten.’ Beide mannen waren bereid tot het uiterste te gaan. De dood schrok hen niet af. ‘Kennelijk hoorde die zelfverloochening bij het ontdekkingsreizen, of was er het laatste stadium van.’

    Behalve dat in De regenvogel context en drijfveren van de ontdekkingsreizigers belicht worden, gaat het de lezer ook dagen wat betreft de aard van Gabon. Dat er ‘twee Afrika’s bestaan, dat van de dag en dat van de nacht; onder de maan kruipen de mensen dicht bij elkaar en praten om het onheilspellende geritsel van de bladeren te vergeten; in dat nachtelijke Afrika heerst de huiver, en juist daardoor ontstaat een grote mate van vertrouwelijkheid.’ Dat het drukkend, vochtige klimaat in de regenwouden een niet te nemen barrière is geweest voor menig Europeaan in Afrika. Hij gaat er vroeg of laat aan onderdoor, terwijl de Afrikaan het er uithoudt dankzij de magie, die vooral ook een strategie is om zich staande te houden in de jungle. Het boek handelt ook over het moeizame proces van wennen tussen de Afrikaan en de Europeaan. ‘Want de blanken waren niet aardig.’ Zo noteerde een negentiende-eeuwse Europeaan die zich een Afrikaanse vrouw had genomen: ‘Ik blijf maar denken dat ik met een gorilla in bed lig.’

    De blanke Brokken moet soms ook ondervinden dat hij in donker Afrika een vreemde eend in de bijt is. ‘Het meisje achter de bar drukte haar platte neus op de rug van mijn hand om na te gaan hoe een witte huid rook. “Naar geitenmelk”, zei Charlie en zij beaamde het. “Weeïg, niet vies en ook niet lekker.”’ Ook stipt De regenvogel het door het koloniale verleden verstoorde identiteitsbesef van Afrika aan. ‘We ontdekten dat onze blanke broeders ons alles konden geven, behalve een eigen geschiedenis’. Een Gabonees verwoordt het lijdzaam ‘Het voorbije gaat aan ons voorbij’.  Na lezing van dit boek beseft men dat het leven in Afrika het ritme van voor westerlingen dikwijls schier onbegrijpelijke rituelen volgt, maar dat Afrika ook het continent is waar men de vreemdeling met de grootste hoffelijkheid bejegent en, ondanks schaarste, kosten noch moeite wil sparen om hem een uitgebreide maaltijd voor te schotelen als ‘bekroning van het welkom’. Jan Brokken heeft er enkele zeer hartelijke ontmoetingen mogen beleven.

    Toen De Regenvogel in 1991 verscheen was het literaire klimaat in Nederland nog niet rijp voor een warm onthaal van dergelijke non-fictie. Reisverhalen waren alleen bon ton als ze à la Bob den Uyl de frustraties over te kleine bedden, vieze badkamers of onbeleefd hotelpersoneel breed uitmaten. In de loop der jaren keerde het tij en nu kan men Jan Brokken zelfs zien als de peetvader van het reportageverhaal dat geen zuiver reisboek, geen zuiver antropologisch, historisch boek wil zijn, maar des te meer iets treffends ertussenin. Het lezen ervan is zonder meer een verrijkende ervaring. Wie zou in een boek over Afrika verwachten dat hij eruit leert dat de uitdrukking ‘als God in Frankrijk’ van oorsprong Pools is?

     

     

    De regenvogel

    Jan Brokken
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs:€ 19,95

  • Ademruis – Mark van Tongele

    Mark Van Tongele (1956) geldt als een geheimtip van de Nederlandstalige poëzie uit Vlaanderen. Hij is de ‘componist met het ruimste klankregister onder de Vlaamse dichters’ (Paul Demets), een dichter die liefde voor de taal koppelt aan die voor het leven. Van Tongele is bovenal een oeuvrebouwer, een opusdichter, en de ‘ontwerper van een inmiddels imposant taallichaam dat de afgelopen jaren in een serieel verband is gepresenteerd’.

    Marc van Tongele studeerde geneeskunde maar brak deze af na een ernstig ongeluk, waarna hij tijdelijk in coma lag. Hij is hierna gaan schrijven  voor zowel de geschreven als de gesproken pers. Ook schreef hij scenario’s en teksten voor diverse video- en multimediaprojecten In 1994 debuteerde hij als dichter met de bundel Zij gedichten. Daarna verschenen Vaderlatingen (1997), Lopend licht (2001), Ochtendrood en co (2002), Taalwaterval (2003) en Luchthonger (2004). In 2005 werd al zijn poetische werk gebundeld in Gedichten, waarmee de cyclus waaraan hij zo’n twintig jaar had gewerkt werd voltooid. In 2007 verscheen de bundel Met de plezierboot mee. En dan nu de bundel Ademruis. Hieruit het volgende gedicht ter illustratie van de taalkunst van Van Tongele.

    Ademteken

    Woordzeesnaaraangedreven tongvaren,
    mijn bedremmelde stemmingswolken-

    spiegelkreeftengang emmerloos tegen-
    spreken lichtfibrillerig zwirrelend over-

    trillend van de zeik in de sterrentinteldrop,
    onvervalst de inspraak van het bloed volgen:

    parelzaad, azuren trans, kwastjes zilverdraad,
    zinnepluisfluweel, oogjesgoed, gloriazijde.

    Zoals gezegd is Mark van Tongele ook een taalkunstenaar. Door de taal te ontregelen laat hij mogelijke betekenissen alle ruimte, door woorden te deformeren laadt hij ze op met nieuwe betekenissen. En in zijn spel met interpunctie, woordafbrekingen, neologismen en andere verrassende taalvondsten, zegt hij meer dan gewone woorden vermogen.

    ‘Ademruis is een ode aan het leven, de wereld, de natuur, de geliefden. Bij het lezen van Mark Van Tongele kan een mens niet anders dan de hele tijd denken: wat een gedegen dichter, wat een innemende man.’
    Philip Hoorne in Knack

     

    Ademruis

    Mark van Tongele
    Blz.: 64
    Prijs: € 19.95
    Verschenen bij Uitgeverij Atlas

     

     

     

  • Grote betrokkenheid en felle kritiek op Belgische staatsinrichting

    Grote betrokkenheid en felle kritiek op Belgische staatsinrichting

    Hoe lang kan het formeren van een regering duren? In België is men bezig met de langste formatie uit de wereldgeschiedenis. Op 13 juni 2010 waren er verkiezingen en pas halverwege deze maand (augustus 2011) gaan de onderhandelingen weer van start. Een dik jaar voor een regeringsformatie is een wereldrecord waar niemand jaloers op zal zijn.

    Voor de Brusselaar Geert van Istendael is de eerste verjaardag van de formatie aanleiding geweest zijn boek Het labyrint van België geheel te herzien en opnieuw uit te brengen. Het is een uiterst leerzame en amusante gids voor wie zich af en toe op het achterhoofd krabt en meewarig het hoofd schudt na het aanhoren van alle politieke moeilijkheden bij onze zuiderburen. Hoe dichtbij België ook ligt en hoe eenvoudig het ook is om de landsgrens naar Vlaanderen over te steken, voor de meeste Nederlanders zal België altijd wel een raadsel blijven. Er is geen land ter wereld dat tegelijkertijd zoveel op Nederland lijkt als ervan verschilt.

    Van Istendael leidt zijn boek in met een opsomming van wat hij bemint en haat in België. Die houding, van grote betrokkenheid en tegelijkertijd felle kritiek, houdt hij het hele boek vol. Het is meer dan opmerkelijk dat iemand over een onderwerp als Belgische staatsinrichting en politieke geschiedenis zo’n bevlogen en bij vlagen amusant boek kan schrijven. Van Istendael slaagt hierin doordat hij afstand neemt van zijn onderwerp maar tegelijkertijd nadrukkelijk aanwezig blijft. Hij geeft een goed gedocumenteerd beeld van de Belgische politieke geschiedenis en verhoudingen en geeft af en toe duidelijk te kennen wat hem wel en niet bevalt. Dat laatste doet hij vaak op een geestige manier waardoor het lezen van dit boek bijna nergens saai wordt.

    Het meest betrokken en enthousiast weet Van Istendael te vertellen over taal. Taal in België is de wortel van veel problemen, zo lijkt het, maar ook de basis van veel wat de moeite waard is. Van Istendael heeft het niet alleen over de taalstrijd tussen Frans- en Nederlandstaligen, maar ook over het Vlaams, dialecten als het Brabants en het Limburgs, het Duits, taalvervuiling (‘verkavelings Vlaams’) en de tientallen talen (‘je komt vingers en tenen te kort’) die je in Brussel kunt horen. De taalstrijd, oorzaak en gevolgen, krijgen ruim aandacht in het boek, maar het is bijzonder aardig dat Van Istendael ook aandacht heeft voor andere talen en dialecten.

    Ruim aandacht krijgt ook de geschiedenis, voor zover deze iets bij kan dragen aan het inzicht in de huidige politieke en sociale verhoudingen in België. Een kort hoofdstuk vertelt in vogelvlucht de ontwikkelingen van de Spaanse opstand tot de twintigste eeuw. Daarna worden de Eerste en de Tweede Wereldoorlog uitgebreid behandeld. De tragiek van België is de tragiek van de alsmaar dreigende tweedeling. De geschiedenis heeft België een aantal keren verscheurd of afgesneden. Tijdens de Spaanse overheersing, de Tachtigjarige Oorlog, waren het de zuidelijke Nederlanden die afgesneden werden van het noorden. Het rijke Zuiden verviel in armoede en bleef katholiek. Het zag velen vluchten naar de protestantse Nederlanden dat met hulp van de Vlaamse nieuwkomers een gouden eeuw tegemoet ging.

    Letterlijk verscheurd raakt België in de Eerste Wereldoorlog, beter bekend als de Grote Oorlog. Het grote Duitsland besloot Frankrijk vanuit het noorden aan te vallen. Op de Duitsers maakte de Belgische neutraliteit en de weigering een Duits leger toegang te verlenen geen enkele indruk. Het Duitse leger liep België onder de voet en het verwoestende front bleef jarenlang binnen of net buiten de Belgische landsgrenzen liggen. Veel Belgen vluchtten naar Nederland waar je in Amersfoort en Ede nog Belgische monumenten van dankbaarheid kunt vinden. Maar behalve de verwoesting van steden en mensenlevens laat de oorlog nog andere sporen na. Van Istendael beschrijft hoe vooral het Vlaams nationalisme in de Grote Oorlog een behoorlijke knauw krijgt. Een deel van de nationalisten laat zich verleiden door Duitse beloftes voor zelfbestuur en onafhankelijkheid. Landverraad roepen velen. De Vlaamse beweging worstelt er jaren later nog mee. Van Istendael wijdt een heel hoofdstuk aan de IJzerbedevaart, de jaarlijkse herdenking van de Vlaamse gevallenen in Diksmuide, bij het riviertje de IJzer. De bedoelingen waren vanaf het begin af aan goed en onschuldig betoogt hij, maar de uitvoering zo vreselijk onhandig. Wat begon als een bijeenkomst tegen oorlog en voor een zelfbewust Vlaanderen, komt in de loop der jaren steeds meer in de greep van extreem rechts en neo-nazi’s. Het is een verhaal dat ook bij Van Istendael zowel ergernis als treurigheid oproept.

    Het Vlaams nationalisme krijgt opnieuw een klap tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Na de bezetting dragen de nationalisten opnieuw het stempel van collaboratie, de Walen die van verzet. Van Istendael corrigeert dat beeld behoorlijk. Vlamingen namen deel aan het verzet en ook Walen collaboreerden. Hij windt zich behoorlijk op over het zelfmedelijden van sommige Vlaams nationalisten die zich beklaagden over de ‘repressie’, de strafmaatregelen en zuiveringen die na de oorlog plaats vonden. Het is duidelijk dat de Duitse bezetting, diepe wonden slaat die lang voelbaar blijven. In België zet het de bestaande politieke en sociale verhoudingen extra onder de druk.

    Na de oorlog bouwt België zich als de meeste West Europese landen zich snel op. Vrouwen mogen eindelijk stemmen (vanaf 1946) en de Waalse staalindustrie behoort tot de grootsten ter wereld. Dat duurt tot de jaren zestig waarna de rollen van het altijd zo arme Vlaanderen en het zo welvarende Wallonië langzaam worden omgedraaid. Vlaanderen ontdoet zich van het loodzware katholieke juk. En bij vlagen laait taalstrijd hoog op. Het is het Belgische probleem bij uitstek dat ook in de huidige formatie een grote rol speelt.

    Bij de taalstrijd is het waar het echte Belgische labyrint begint. De taalstrijd voedt het Vlaams nationalisme wat weer aanleiding geeft tot de ontwikkeling van een Waals volksgevoel. Dat heeft aanleiding gegeven tot een vaak gewijzigde grondwet. Nederlandstaligen mogen alleen stemmen op Nederlandstalige politici, Franstaligen op Franstalige politici. Dan zijn er nog gewesten en er zijn gemeenschappen. ‘Wie de twee niet uit elkaar kan houden wordt opgeslokt door het Belgisch labyrint,’ waarschuwt van Istendael en inderdaad, het is eenvoudig hier het spoor bijster te raken. Er is ook een Waals, Vlaams en federaal parlement, waarbij we de Duitstalige Belgen even vergeten. Er zijn provincies en er zijn kieskringen. Er is één kieskring die niet samenvalt met een provincie. En daarmee komen we aan bij de duisterste gangen van het labyrint, aangeduid met de bijna onheilspellende letters BHV. Wie BHV kan oplossen heeft de sleutel voor de regeringsformatie in handen.

    BHV staat voor Brussel-Halle-Vilvoorde, de kieskring voor Brussel en omgeving, die in 2003 ongrondwettelijk werd verklaard maar desondanks nog steeds bestaat. Het probleem komt er kort gezegd op neer dat Franstalige politici verkiesbaar zijn in het Nederlandstalige Halle-Vilvoorde waardoor Franstalige Brusselaars stemmen kunnen ronselen in Nederlandstalig gebied. Vlaamse partijen kunnen niet over hun taalgrens stemmen trekken. Het is een probleem dat zo nijpend is dat Van Istendael de suggestie doet om 1 miljoen euro uit te betalen aan diegene die met de oplossing komt. (Geïnteresseerden kunnen zich melden bij het Koninklijk Paleis in Brussel. ‘Vragen naar Albert.’) Ik vrees dat het te weinig is.

    De Belgische politiek blijft voor Nederlanders, ondanks Van Istendaels voortreffelijke rondleiding, een waar labyrint. Wat desondanks herkenbaar is, is de alles overstijgende overlegcultuur en de vanzelfsprekendheid om er al pratend uit te komen. Dat de botsing van twee talen en de gevoelens van nationalisme niet zijn uitgelopen tot een gewapende strijd kun je gerust een klein wonder noemen.

    Van Istendael besluit zijn boek dan ook met de vurige wens dat België niet uit elkaar zal vallen en dienst zal blijven doen als een Europees waarschuwingssignaal. ‘[…] een signaal dat ons meldt: kijk eens hoe moeizaam en breekbaar het samenleven tussen verschillende talen en culturen is. Hoe fascinerend. Hoe hartstochtelijk. Hoe moeilijk. Hoe ergerlijk.’ Een betere pleitbezorger kan de Belgische staat zich moeilijk wensen. Nu maar snel een regering.

     

  • Biografie van een avontuurlijk leven

    Biografie van een avontuurlijk leven

    Schrijver en journalist A. den Doolaard (1901 – 1994) was een opmerkelijke verschijning in de Nederlandse letteren. Geen navelstaarderij of getob in de binnenkamers van zijn ziel, maar een leven van zwerven, actie en avontuur. Dat vroeg om een biografie. Die is er nu, van de hand van Hans Olink, onder de veelzeggende titel Dronken van het leven.

    In 29 hoofdstukken verdeeld over 400 bladzijden trekt het leven van Den Doolaard aan de lezer voorbij. Hij werd geboren in Zuid-Afrika als Cornelis Spoelstra, zoon van een bevindelijke dominee. Na een jaar repatrieerde het gezin naar Den Haag. Vader keerde terug naar Afrika, werkte als onderzoeker en prediker, en keerde zenuwziek terug naar Nederland, waar hij overleed aan Parkinson in 1918. Den Doolaard groeide op in ´nette armoede´, en werd gegrepen door boeken (Robinson Crusoë), sport en zwerven. Tijdens schoolvakanties wandelde hij in zijn eentje half Nederland door en hij schaatste de Elfstedentocht toen hij nog maar 15 was. Na de middelbare school leek het avontuurlijke leven voorbij. Er was geen geld voor de universiteit en dus nam hij een baan op kantoor bij de Bataafse Petroleummaatschappij. Maar diep van binnen voelde hij zich dichter. Met het pseudoniem Den Doolaard verhulde hij voor zijn boekhoudende collega’s dat hij verzen en artikelen publiceerde in onder andere de Vrije Bladen, het tijdschrift van het vitalisme. Hij werd onthaald als een talent, maar dan een in de categorie ruwe diamant. De grote vitalist Marsman vond de gedichten van Den Doolaard ‘te opgewonden’ en ‘bicepspoëzie’: ‘De ziel, schrik niet, ontbreekt!’

    Zwerven om te schrijven

    Den Doolaard stapte over naar het progressief-katholieke De Gemeenschap, en volgde zijn vriend en redacteur Albert Kuyle naar de Nieuwe Gemeenschap, totdat dat al te fascistisch en antisemitisch werd. Maar toen had Den Doolaard zijn leven van boekhouden, sporten en schrijven in de avonduren al omgegooid. Hij nam ontslag bij ´de Bataafsche´ en joeg zijn gouden handdruk van 7000 gulden er doorheen in een jaar van feesten en nietsdoen. Toen trok hij naar Frankrijk, waar hij een halsbrekende winterbeklimming van de Mont Blanc overleefde en de Franse schaatskampioen op de 1500 meter versloeg. Hij ontdekte de skisport en schreef er als eerste Nederlander een boek over.

    Voort trok hij naar de Provence, waar hij druiven plukte met rondzwervende seizoensarbeiders (roman: De druivenplukkers) en mee reisde met nomadische herders en de cowboys van de Camargue (boek: De laatste wilden). Tussen de bedrijven door leidde hij in Nederland een vrouwenverslindend feestleven. Onder zijn veroveringen waren de danseres Darja Collin (die met Slauerhoff trouwde) en actrice Eline Pisuisse. In een berghut op de Mont Blanc belandde hij zelfs tussen de paardendekens met Leni Riefenstahl, de filmster en latere regisseuse van de nazi-film Triumf des Willens. Hij stootte door naar de Balkan waar hij decennia lang zou reizen en zelfs wonen, gefascineerd als hij was door het primitieve, tribale leven, waar de gastvrijheid geen grenzen kende en de bloedwraak het leven spannend hield. Hij zou er zijn meest succesvolle reportages en romans over publiceren. Classics als De herberg met het hoefijzer, Het land achter Gods rug, Oriënt-Express en De Bruiloft der zeven zigeuners. Nog in de jaren zeventig stond Den Doolaard in de top tien van meest verkochte auteurs, tussen de nieuwe goden Wolkers, Cremer en Hermans.

    Het juiste moment, de juiste plaats

    De romantiek van het zwerversleven verwerkte Doolaard in zijn romans en in sommige van zijn lyrische reportages. Maar zijn journalistieke werk en pamfletten signaleerden sociale misstanden en politieke dreigementen. Hij had er een haarscherp oog voor. In 1930 maakte Den Doolaard zich nog belachelijk door te verklaren dat Hitler de gevaarlijkste man van Europa was. In 1938 publiceerde hij een pamflet tegen de wapenindustrie en publiceerde hij over de listen en lagen van het nazisme. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak vluchtte hij via Frankrijk, Spanje en Portugal naar Londen. Daar dronk hij thee met koningin Wilhelmina en borrels met premier in ballingschap De Geer. Hij werd de stem van radio Oranje en sprak de Nederlandse burgers in nood moed in. Na de oorlog vond Den Doolaard meer vastigheid: met zijn tweede vrouw `Wampie´ (Erie Meijer) en dochters woonde hij in Hoenderlo op de Veluwe. Van daaruit ondernam hij ieder jaar weer lange reizen. Met een vast contract van De Gelderlander trok hij door Europa, Noord-Afrika en India – toen de eerste hippies de weg naar dat land nog niet gevonden hadden. Hij schreef over de verwoesting en ontreddering in het naoorlogse Duitsland, over de coupe van de kolonels in Griekenland, en protesteerde tegen de wapenwedloop, tegen milieuvervuiling en overbevolking. Als secretaris van de Nederlandse PEN deed hij ´illegaal´ werk ten behoeve van verdrukte schrijvers in het Oostblok. Hij was verbazingwekkend vaak op het juiste moment op de juiste plaats, en deed daar vaak ook nog goede dingen.

    Fatale omkering

    Een biografie over zo’n avontuurlijk leven kan haast niet mislukken, en Olink weet er een meeslepend verhaal van te maken. Maar daarmee is het nog geen volmaakte biografie. Olink blijft te dicht bij zijn bronnen en dat zijn maar al te vaak de boeken van Den Doolaard zelf, zoals diens memoires Ogen op de rug en Leven van een landloper. Dat leidt tot naverteld proza dat de tekst vlak maakt en bovendien niet de afstand creëert die een biograaf tot zijn onderwerp moet hebben. Erger wordt het als Olink ingaat op een van de drama´s in Den Doolaards leven. Zijn eerste vrouw, de Franse Daisy Roulot, gaat tijdens hun reizen vreemd. Eerst met een Bulgaarse bendeleider en later met een agent van de Roemeense geheime dienst. Die sterft door een kogel uit Den Doolaards pistool. Een ongeluk, volgens de politieverslagen. Een crime passionel, zegt Olink. Dat doet hij op grond van de roman Samen is twee keer alleen, die Den Doolaard 34 jaar na dato schreef.

    Hier draait Olink de verhouding tussen fictie en werkelijkheid op een fatale manier om. Waarom zou Den Doolaard de waarheid veranderen, als het Nederlandse publiek hier toch niets vanaf weet?, vraagt Olink retorisch. Het antwoord is ligt voor de hand: omdat bloedwraak en crime passionel een beter verhaal opleveren dan een lullig ongeluk met een pistool. En omdat die motieven naadloos passen binnen de thematiek van Den Doolaards werk. Wat ik daarnaast miste is een duidelijker plaatsing van Den Doolaard in het literaire klimaat. Je wilt meer weten over het vitalisme als literaire stroming en over Den Doolaards polemiek en breuk met Marsman. Meer ook over zijn loyaliteit aan ‘de foute’ Albert Kuyle, en ‘stalinist’ Theun de Vries.

    In 1949 schreef Den Doolaard een artikel waarin hij fel protesteerde tegen het naoorlogse publicatieverbod voor Kuyle. Nota bene in de uiterst rechts-katholieke Linie, een blad dat er in slaagde fout te zijn na de oorlog. Hoe zat dat? En hoe zat het met de depressies en crises van den Doolaard, die frequenter werden naarmate hij ouder werd? Hadden die iets te maken met de zenuwziekte van zijn vader? En wat had zijn panische zwerflust en roekeloosheid daarmee van doen? Wat meer eigen visie en wat minder navertellen van Ogen op de rug. Wat meer culturele en maatschappelijke context, en wat meer turen in de ziel van Den Doolaard – het had een betere biografie opgeleverd. Dat neemt niet weg dat Dronken van het leven leest als een Oriënt Express.

     

     

  • Recensie: Een hermelijn in Tsjernopol – Gregor von Rezzori

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Ruim vijftig jaar geleden, in 1959 stond de schrijver Gregor von Rezzori op de voorpagina van het gerenommeerde Duitse tijdschrift Der Spiegel. Een elegante man met een ietwat spottende blik kijkt de lezer aan. Wanneer je zijn boeken leest, herken je waarschijnlijk deze blik. Von Rezzori was een schrijver, die uitermate nauwkeurig observeerde en zijn waarnemingen op verfijnde, soms barokke wijze uitwerkte in zijn verhalen en romans.

    ‘Niemand doet ooit wat anders dan zijn eigen dood tegemoet lopen. Ook hoort hij niet de klaaglijk weemoedige lokroep van de treinen in de verte, die de stad Tsjernopol verlaten om eenzaam de verloren vlakte op te snellen, een andere eenzame en op zichzelf staande, weemoedig verloren werkelijkheid tegemoet: want eenieder is verloren in zijn eenzaamheid, mensen zowel als steden’.
    Voordat het eerste hoofdstuk begint, hebben we deze intrigerende zin al in een soort voorwoord gelezen. Melancholie ten top: klaaglijk, weemoed, verloren, eenzaam. Zo portretteert Von Rezzori de mensen in de ? verzonnen ? stad Tsjernopol.
    Maar de stad is niet alleen eenzaam, de stad kent ook de spotlach. De lach, die tot kunst verheven was, een waarachtige volkskunst. Hier geeft de schrijver een grappige, uitvoerige beschrijving van verschillende manieren van lachen en vertelt dat we ? de burgers van de stad ? hier heel goed in waren.

    Von Rezzori beschrijft de bevolking van de stad, zoals de prefect Tarangolian, de Engelse gouvernante van het gezin miss Rappaport, de huzaar majoor Tilly en zijn vreemde vrouw, kolonel Turturiuk, de leraar Alexiame, meneer Adamovski , professor Ljubanarov en vele andere boeiende figuren. Hij vertelt over de onderlinge spanningen, de uitbundigheid op een bal, de spotlach, de jaloezie en het duel, dat iedereen meeneemt in voor- en tegenstanders. Al lezend vraag je je steeds af: is dit nu echt gebeurd? Waarschijnlijk niet, of misschien wel.

    Hoewel voorin het boek vermeld staat, dat alle gebeurtenissen aan de verbeelding van de auteur zijn ontsproten, is het niet onwaarschijnlijk, dat Von Rezzori veel anekdotes en gebeurtenissen ooit, misschien in iets andere vorm, heeft meegemaakt in het stadje Czernowitz, waar hij is geboren en naar school gegaan. In het laatste hoofdstuk schrijft hij: ‘Maar ik zei toch al vanaf het begin dat wij, die verhalen vertellen, het altijd over onszelf hebben, op de manier dus hoe die verhalen onze verhalen zijn geworden ? en dat betekent niet alleen: hoe wij ze hebben ervaren, maar ook hoe we ze ons eigen hebben gemaakt door ze te vertellen.’
    Dit laatste hoofdstuk heeft de titel: Liefde en dood van de hermelijn, er wordt een nieuw personage opgevoerd: Mititika Pjovartsjuk, een straatmadeliefje. Majoor Tilly zou haar hebben liefgehad, was bereid alles voor haar op te geven, zij wilde een bontmantel kopen, hij betaalt in de kroeg met zijn zegelring. Later komt hij om onder een tram en zij legt haar jas met de kraag van hermelijn over hem heen…

    Voor dit boek moet je de tijd hebben, rustig lezen, soms herlezen. Er staan prachtige fragmenten in. Het heeft een enorme taalrijkdom, sommige overdenkingen zijn boeiend.
    Het is geen boek, dat in de top-tien komt, maar voor fijnproevers is het zeer de moeite waard.

    Gregor von Rezzori is in de Bukowina ? dat toen nog tot het Habsburgse rijk hoorde, geboren. Tegenwoordig ligt het in Oekraïne. Vanaf 1938 woonde hij in Berlijn en Hamburg. Hij schreef voor de Duitse radio en verschillende kranten. Later had hij een huis in Toscane en in New York. Hij is in 1998 in Italië overleden.

    Een hermelijn in Tsjernopol

    Auteur: Gregor von Rezzori
    Vertaald door: Kris Lauwerys
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 29,95

  • Recensie: Gezichten, gestalten – Jeroen Brouwers

    Recensie door: Machiel Jansen

    Wachten op de dood

    Alle grote kranten en persbureaus hebben uitvoerige levensbeschrijvingen van bekende personen klaarliggen zodat ze deze snel kunnen publiceren in het geval de betreffende persoon overlijdt. Beroepsschrijvers die deze stukken schrijven, herdenken de beroemdheid tijdens zijn of haar leven al. Als de dood komt, betekent dat dat het in memoriam afgemaakt kan worden.

    Jeroen Brouwers zou wel eens boos kunnen worden als iemand zou suggereren dat ook hij een dergelijk archief van levensbeschrijvingen bijhield. Wachtend op de dood van een collega om bij het nog warme graf te kunnen publiceren. Zo berekenend terugkijken op een leven komt hard en onoprecht over. We hebben liever dat uit verdriet of weemoed herinneringen worden opgehaald. Maar verdriet en weemoed ontbreken bijna geheel in de achttien literaire portretten die Brouwers in het boek Gezichten, gestalten bij elkaar brengt. Alle achttien mannen zijn overleden en een groot deel van hen is kort na hun dood door Brouwers geportretteerd. Oprechtheid kun je Brouwers niet ontzeggen. Wel zijn zijn beschrijvingen vaak tegen het harde aan. Zwakheden worden niet verzwegen, oude ruzies worden niet met de mantel der liefde bedekt en wat waar was blijft dat ook na de dood. Rancuneus is hij overigens nergens. Maar dat van de doden niets dan goeds is op te merken, is een uiterste dat Brouwers veel te ver gaat.

    Achttien portretten
    De achttien portretten zijn, op twee na, van Vlaamse auteurs. Brouwers werkte vanaf midden jaren zestig, twaalf jaar lang bij de Vlaamse uitgeverij Manteau en leerde zo veel van de beschreven personen kennen. Het zijn niet allemaal beroemdheden, zeker niet in Nederland. Het zou interessant zijn te weten hoeveel van de in literatuur geïnteresseerde Nederlandse lezers de namen kent van schrijvers als Jan Walravens, Paul Snoek, Freddy de Vree, Raymond Brulez en Rob Nieuwenhuys. Onbekendheid is geen excuus om dit boek maar niet te gaan lezen, al is nieuwsgierigheid wel aan te bevelen.

    Het aardige van deze verzameling portretten is dat ze, bij elkaar genomen, lezen als een anekdotische geschiedenis van de Vlaamse literatuur in de twintigste eeuw. Tot de achttien geportretteerden behoren ook bekende schrijvers als Louis Paul Boon, Marnix Gijssen en Jef Geeraerts en oude, bijna vergeten grootheden als Richard Minne, Herman Teirlinck en Cyriel Buysse. De oudste portretten zijn geschreven in de jaren zeventig, de nieuwste enkele jaren geleden. Toch leest deze schijnbaar bijeengeraapte verzameling prettiger dan een reguliere inleiding in de Vlaamse literatuurgeschiedenis van de twintigste eeuw. Een nadeel is wel dat een verantwoording van de teksten ontbreekt. Bij elk hoofdstuk wordt alleen het jaartal van oorspronkelijke publicatie vermeld.

    Van Oorschot en de Vlamingen
    Het boek opent erg sterk met een portret van uitgever, schrijver Geert van Oorschot (1909-1987). Brouwers’ afstandelijke beschrijving van een wel heel markante vriend heeft een enorme vaart. Het is een kritisch, liefdevol en bij vlagen hilarisch portret. Wat begint met een uitgesproken bewondering voor de uitgever, eindigt uiteindelijk in ruzie en de conclusie dat de man even opmerkelijk als onmogelijk is geweest. Dit prachtige portret werd al eerder gepubliceerd bij uitgeverij Van Oorschot, in 1989 onder de titel Het tuurtouw. De betekenis van de titel wordt duidelijk als Van Oorschot Brouwers komt opzoeken in Vlaanderen: ‘ “Jij moet hier weg”, zei hij.
    Om het exact te citeren, hij zei: “Je moet van je tuurtouw los.” Die uitdrukking hoorde ik toen pas voor het eerst. Dat is het touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen.’

    Brouwers krijgt nog het één en ander met de kleurrijke uitgever te stellen. Na het overlijden van zijn vrouw Hilly maakt Geert een stuurloze indruk. Brouwers beschrijft het prachtig: ‘Hij, los van zijn eigen tuurtouw, deed mij denken aan een doof en blind oud schaap, dat nu eens in het prikkeldraad bleef hangen, dan weer de sloot in liep, dan weer zijn poot brak.’

    Het portret van Geert van Oorschot is verreweg het meest geslaagde uit het boek. De overige portretten zijn informatief, aardig of amusant maar alleen bij vlagen zo sterk als het eerste. Het portret van de oude Marnix Gijssen die in zijn wijkje in Brussel niets doet, is een mooi portret. Ook hier is het een combinatie van bewondering en een niets ontzienende beschrijving van eigenaardigheden die de geportretteerde tot leven wekt: ‘Altijd op schuifelpantoffels, alles in grijs- of bruintinten, de heer Gijssen placht enigszins muf te ruiken als een oud, verwaarloosd boek.’

    Een aantal stukken ademen de sfeer van de jaren zestig en zeventig. In een enkel geval zie je dat ook aan de stijl waarin het portret is geschreven. Als Brouwers herinneringen ophaalt aan de dichter Hugues C.Pernath verlaat hij zijn gebruikelijke stijl en begint in genummerde paragrafen anekdotes te vertellen. De taal krijgt krullen, de zinnen worden lang en het doet uiterst gekunsteld aan. Het is alsof de maniërist Pernath ook door lang, krullend taalgebruik tot leven moet worden geroepen: ‘Bij die gelegenheid schraagde hij zich het lichaam met een wandelstok waarvan het holle binnengedeelte plaats bood aan een jachtgeweer, terwijl het ledige omhulsel, dat aan de bovenzijde middels enige uitklapsels tot een zittinkje kon worden omgevormd, bij het aanleggen op wild of gevogelte bij wijze van éénbenig gestoelte onder de bips kon worden geplaatst.’

    Van een heel andere orde zijn de stukken over schrijvers als Buysse, Minne en Teirlinck. Schrijvers die met gepaste afstand, zo lijkt het, worden geportretteerd. Brouwers breekt een lans voor het werk van Buysse, die in 1932 overleed. Diens verzameld werk verscheen bijna onopgemerkt in de jaren zeventig en Brouwers probeerde daar in 1979 verandering in te brengen door het schrijven van dit hoofdstuk. Het betoog voor meer aandacht voor het werk van Buysse past in een grotere lijn die de portretten verbindt; de Vlaamse schrijvers zijn miskend, vergeten of nauwelijks opgemerkt. Volgens Brouwers is dat onterecht en hij laat merken de Vlaamse en Nederlandse literatuur op zijn duimpje te kennen.

    De gestalte van Brouwers
    Brouwers is niet de man die met weemoed terugblikt. Zijn toon is bijna altijd afstandelijk, met een vaak nauwelijks merkbare boosheid als achtergrond. Uit zijn zinnen spreekt af en toe een merkwaardige, lichte vorm van verontwaardiging die ik nauwelijks kan aanwijzen maar wel ervaar. Indirect leren we Brouwers zelf, door zijn portretten van anderen, wel beter kennen. Niet alleen door zijn toon, zijn herinneringen maar ook door het lezen van zijn voor- en afkeuren. Zo noemt hij De man die zijn haar kort liet knippen van Johan Daisne ‘het schitterendste prozawerk dat anderhalve eeuw Vlaamse literatuur heeft voortgebracht’.

    Vreemd genoeg zijn het de portretten waarin Brouwers het meeste van zichzelf laat zien, de minste van dit boek. Het verhaal over Jan Emiel Daele uit 1978 gaat meer over Brouwers zelf dan over de Vlaamse schrijver. Eerst moeten we lezen hoe Brouwers’ vriendin die hij Nachtschade noemt (de nachtschade is een plantenfamilie waartoe ook de aardappel behoort) haar spullen in een ‘vrachttaxi’ stopt en er vandoor gaat. Dat is aanleiding tot Sturm und Drang-zinnen als ‘Bezat ik een vuurwapen, ik zou haar nu…’ en ‘Wie mijn liefde niet wil, liever schiet ik haar dood dan dat zij zal kunnen beweren dat het mijn schuld is dat zij niet van mij maar van een ander houdt. Wie mijn vriendschap niet wil, ik verpletter hem.’ Zoveel zwelgen in het eigen leed is iets teveel voor de nuchtere lezer. Daar komt nog bij dat Brouwers sommige zinnen verminkt door een experimenteel gebruik van de dubbele punt. ‘Wij waren: links waren we dachten we.’
    De relatieperikelen van Brouwers hebben nog wel een functie in het stuk. Ze vormen de opmaat voor de vertelling dat Jan Daele zijn vrouw en zichzelf vermoordt. Brouwers schreef het stuk in 1978, het jaar waarin de dubbelmoord plaats vond. Emoties zullen hem wel bij het schrijven gehinderd hebben, vermoed ik.

    Ook het stuk Niemand, absoluut niemand over de ‘verwekker’, de ‘naamgever’ van Brouwers, komt moeilijk op gang. Het woord ‘vader’ vermijdt hij in eerste instantie en ook het terugkijken op zijn jeugd lijkt hij met tegenzin te doen. ‘Al herinner ik me natuurlijk nog bepaalde dingen over hem, tegelijkertijd lijkt het toch ook of ik hemzelf totaal ben vergeten, of ik hem nooit in levende lijve heb gezien, of hij nooit in mijn leven is geweest.’ Wat volgt is een aarzelend, liefdeloos portret (‘omdat ik zulke liefde niet ken’) van een man die zijn schrijvende zoon nooit de erkenning gaf waar deze nog steeds naar zegt te hunkeren. ‘De vader’ was een onbuigzame man die een internering in een jappenkamp achter de rug had. De pijnlijke feiten worden nauwelijks tot leven gewekt. Ze worden bijna met tegenzin verteld. Wat we lezen is een kille, gevoelloze poging tot een portretbeschrijving van iemand die al vijfentwintig jaar dood is en alleen nog maar wat licht schurende sporen heeft achtergelaten. Invoelbaar wordt het nergens. Over Brouwers zelf zegt dit portret zijn trouwe lezers waarschijnlijk des te meer.

    Al met al is deze bundeling van portretten meer dan een gelegenheidspublicatie voor de boekenweek die het literair portret als thema had. Vorig jaar bracht uitgeverij Atlas Brouwers verzamelde polemieken onder de titel Hamerstukken uit. Nu is het de beurt aan de korte biografie, het in memoriam en het portret.

    Gezichten, gestalten

    Auteur: Jeroen Brouwers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 24,95

  • Atatürk – Klaus Kreiser

    ‘Het officiële portret van Kemal Atatürk is in Turkije nog alomtegenwoordig. Al tijdens zijn leven begon de persoonlijkheidscultus rond de visionaire en besluitvaardige man met de lamswollen muts die westerse en oosterse waarnemers imponeerde. Ondanks de weerstand van de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog bevocht hij de onafhankelijkheid en proclameerde hij in 1923 de eerste Turkse nationale staat. Op onnavolgbare wijze zorgde Atatürk ervoor dat het land brak met zijn tradities: het eerbiedwaardige sultanaat en kalifaat werden afgeschaft, tulbanden, fezzen en gezichtssluiers uit het publieke domein verbannen. De hoofdstad werd verplaatst van Istanbul naar Ankara, het Arabische schrift werd vervangen door het Latijnse en het islamitische onderwijssysteem werd rigoureus onderdrukt. Europese wetgeving leidde tot de gelijkstelling van vrouwen. Hoe kon een uit een bescheiden milieu afkomstige beroepssoldaat staatshoofd en cultuurrevolutionair worden?

    Klaus Kreiser vertelt op een hoogst aanschouwelijke wijze over het leven van Mustafa Kemal en laat zien hoe de historische omstandigheden en de juiste relaties, maar ook machtsbewustzijn en charisma een unieke ontwikkeling mogelijk hebben gemaakt.’

    Klaus Kreiser (1945) is een Duits historicus. Hij heeft in Turkije gewoond en gewerkt. Later was hij hoogleraar Turkse taal, geschiedenis en cultuur aan de Universiteit van Bamberg.

    ‘De grote kracht van Atatürk. Een biografie is dat auteur Klaus Kreiser zich vrijwel uitsluitend op Turkse bronnen heeft gebaseerd. (…) Een goed geschreven, bij vlagen meeslepend en doorwrocht boek.’ – **** in Vrij Nederland

    Atatürk

    Auteur: Klaus Kreiser
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 29,95

  • Recensie: Mijn Zuid-Afrika – Erik van Ees

    Recensie door: Rosalien Koster

    Een half jaar geleden tijdens het wereldkampioenschap voetbal waren alle ogen van de wereld gericht op Zuid-Afrika. Het Afrikaanse land was even het middelpunt van de wereld. Toevallig of niet maar ook de boekwinkels leken overspoeld te worden met boeken over Zuid-Afrika. En nog steeds. Want blijkbaar, zoals ook journalist Erik van Ees laat zien in zijn lijvige verhalenbundel Mijn Zuid-Afrika, blijft Zuid-Afrika tot de verbeelding spreken.

    Vreemd is dat ook niet. Bijna geen land ter wereld heeft zo’n overrompelende geschiedenis als Zuid-Afrika. Het roemruchte Nederlandse verleden, de Britse overheersing met de Boerenoorlogen tot gevolg en meer recent de bloedige strijd om afschaffing van de Apartheid, hebben Zuid-Afrika hardhandig gevormd. Tot op de dag van vandaag zijn de sporen van dit verleden diep verankerd in de samenleving. Met de scherpe tegenstelling tussen zwart en blank als ongewild souvenir.

    Het kan niet ontkend worden. Hoewel Van Ees zijn best doet om ook de andere kant van Zuid-Afrika te laten zien, en hier in zekere zin in slaagt, blijft Zuid-Afrika een land dat diep in de problemen zit. De werkloosheid bedraagt ruim veertig procent. En nergens in de wereld zijn er zoveel mensen met Hiv besmet als in Zuid-Afrika. De lakse houding van de regering Zuma, die de aidsproblematiek als weinig urgent beschouwt, heeft volgens critici de verspreiding van het virus mede mogelijk gemaakt.

    Maar misschien nog wel het grootste probleem waarmee Zuid-Afrika te kampen heeft, is de explosie van geweld. Op de ranglijst van gewelddadigste landen ter wereld staat Zuid-Afrika weinig eervol op de derde plaats. Alleen Sierra Leone en Liberia, beiden herstellende van een zware burgeroorlog, zijn volgens de Wereldgezondheidsorganisatie nog onveiliger. Niemand, blank of zwart, ontspringt de dans in Zuid-Afrika. Hoewel de blanke bevolking zich verschanst in zwaar beveiligde huizen, zijn ook zij dagelijks slachtoffer van beroving, verkrachting of moord.

    Ook Van Ees heeft het nodige gezien en meegemaakt in zijn directe omgeving. Toch blijft zijn liefde voor Zuid-Afrika onuitroeibaar. Zuid-Afrika is meer dan een land dat bungelend boven de afgrond hangt. Zo wil Van Ees de lezer duidelijk maken. En natuurlijk heeft hij gelijk. Het leven in Zuid-Afrika bestaat niet alleen maar uit kommer en kwel. Want er gebeuren ook mooie dingen: blank en zwart dat gebroederlijk samen op de tribune zit te kijken naar een rugbywedstrijd of de man die hem op een tocht door de woestijn zijn laatste beetje water aanbiedt. Van Ees raakt er niet over uitgepraat. En met even grote gepassioneerdheid doet hij bladzijden lang op een bijna hyperlyrische wijze verslag van de Zuid-Afrikaanse natuur.

    De hartstocht voor zijn land, waar hij al bijna zijn hele leven woont en werkt, spat van de bladzijden. Zijn wil om te overtuigen is groot. Toch blijven zijn verhalen, vlot en met grote vaart geschreven, nauwelijks hangen. Daarvoor missen ze diepgang. Want vrijwel nergens gaat Van Ees verder in op de kwesties, en dat zijn er veel, die hij aansnijdt. Wat rest is vooral een impressie van het land dat hij in zijn hart heeft gesloten. Maar dat is niet genoeg om meer dan vierhonderd bladzijden lang te blijven boeien.

    Mijn Zuid-Afrika

    Auteur: Erik van Ees
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 24,90

  • Recensie: Ik neem toch een hond – Marjan Berk

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Is dit ‘granlit’, literatuur voor grootmoeders? Het lijkt er sterk op want het gaat vaak over de aankopen van schoenen, tassen en andere typisch vrouwelijke aangelegenheden.Toch kan het boek heel goed door mannen worden gelezen omdat Marjan Berk, in vaak verrassende formuleringen, met veel humor, de lezer een paar genoeglijke uren bezorgt.

    De hoofdpersoon, Lena Steketee, ervaart de voor- en nadelen van het ouder worden en is vaak beducht op gevaren die haar vanuit de boze buitenwereld zouden kunnen bedreigen. Zo schuift zij s’nachts haar bed voor het raam om zodoende het tuinhekje te kunnen horen wanneer ongenode gasten dit zouden openen. Een hond lijkt de oplossing maar omdat Lena nogal ondernemend en reislustig is, komt het daar voorlopig nog niet van.

    Heel grappig is de beschrijving van de manier waarop Lena en haar vriendin de technische problemen met een afstandsbediening van een bed te lijf gaan. Ronduit hilarisch is de beschrijving, in een flash back, van het huwelijksleven van Lena samen met Gregory. Verondersteld kan worden dat er heel wat autobiografische trekjes in dit verhaal zitten.
    Lena en haar vriendinnen maken zich vrolijk over dementerende ouderen, maar is hun eigen korte geheugen nog wel in orde? Ze heeft haar kleinkinderen lief maar het valt haar toch zwaar om steeds opnieuw zogenaamde leuke dingen met ze te doen.

    Na een bijeenkomst van verontruste vriendinnen en buurvrouwen, waar uit en te na de gevaren worden besproken die alleenstaande vrouwen bedreigen, besluit Lena toch weer en hond te nemen. Ze denkt aan een teckel maar wanneer een buurman, die opgescheept zit met een grote St. Bernard, haar vraagt een weekend op dit grote kalf te passen, verbetert haar humeur en haar lichamelijke conditie. Omdat ze in een wetenschappelijk rapport heeft gelezen dat de aanwezigheid van een hond in grotere mate bijdraagt aan het welbevinden van bejaarde dames dan een mannelijke partner, besluit ze de toenaderingspogingen van de buurman af te houden. Ze gaat met enige regelmaat op allerlei honden passen en blijft intussen dromen van een ondeugende vrolijke en glanzende teckel.

    Een onderhoudend boek, knap geschreven. Het kan tijdens eentonige trein- of vliegreizen heel goed de verveling verdrijven.

    Ik neem toch een hond

    Auteur: Marjan Berk
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: €

  • Maimonides

    Maimonides

    In zijn voorwoord laat de schrijver van dit boek, Sherwin B. Nuland, duidelijk blijken dat het aanvankelijk helemaal niet zijn bedoeling was om in te gaan op de dringende verzoeken van zijn uitgever. Hij had zich, naar eigen zeggen ondergedompeld in de inktzwarte wateren van de maimonidiaanse literatuur en smeekte verlost te worden van een taak waarvoor hij naar zijn stellige overtuiging niet was toegerust. Het werd uiteindelijk een ontmoeting tussen een hedendaagse observator, een joodse arts, en die andere joodse arts en filosoof Maimonides.
    De schrijver is er in geslaagd om niet alleen een historisch overzicht te geven maar ook om duidelijk de ideeën van Maimonides toe te lichten.

    Mosjee ben Maimon (1138-1204) heeft zich gedurende zijn leven als hoogste doel gesteld om het joodse geloof in overeenstemming te brengen met de rede en de wetenschappelijke kennis. Hij was ook de opsteller van de Misjnee Tora, een boek waarin alle joodse wetten duidelijk worden uitgelegd. Het is een universele en gezaghebbende verklaring hoe een jood moet leven en zijn God moet dienen.

    Mosjee ben Maimon wordt geboren als zoon van rabbi Maimon ben Joseef, een rabbinaal rechter aan het hof van Cordoba. In 1148 komt er een einde aan een lange periode van harmonie binnen een islamitische staat. De Almohaden, een gewelddadige dynastie van fundamentalistische moslims veroveren grote delen van het Iberisch schiereiland.  De joodse gemeenschap wordt bedreigd in hun religieuze vrijheid en ook hun leven loopt gevaar. Bekering is geen optie en het gezin vertrekt naar de havenstad Almeria.

    Tijdens deze en alle andere reizen, blijft de jonge Mozes vaak onder moeilijke omstandigheden, ijverig studeren. De Almohaden vallen in 1151 Almeria binnen en de familie Maimon leidt gedurende een aantal jaren een zwervend bestaan en vertrekt uiteindelijk in 1160 naar Fez in Marokko. Hier bevindt zich een aantal seculiere scholen waar Mozes de gelegenheid krijgt zich verder te bekwamen in wiskunde, astronomie, filosofie en natuurkunde. Ook ontwaakt hier zijn belangstelling voor de geneeskunde.

    Veel joden in Fez bekeren zich in schijn tot de Islam maar blijven in het geheim het joodse geloof praktiseren. Uiteindelijk wordt het de familie Maimon te heet onder de voeten en vertrekken zij naar Palestina waar zij ondermeer bezoeken brengen aan de westelijke tempelmuur in Jeruzalem, Hebron en de grot van Machpela. Toch is Palestina een teleurstelling, er wonen slechts kleine groepen verarmde joden en bovendien wordt het land onveilig gemaakt door rondzwervende bendes die afkomstig zijn uit resten van het kruisvaardersleger van weleer. Het is een toevluchtsoord geworden voor dieven, prostituees en gokkers en is geen geschikte plaats voor een serieuze student die zich wil verdiepen in de filosofie en de natuurwetenschappen.

    Rabbi Maimon scheept zich in met zijn familie en vertrekt naar Egypte, het land waar hun voorvaderen in slavernij hebben geleefd maar waar de levensomstandigheden voor joden in die tijd verreweg het gunstigst zijn.

    Het gezin vestigt zich in Alexandrië, waar het hoofd van het gezin, na een kort ziekbed overlijdt. Mozes kan het grootste deel van zijn tijd besteden aan zijn werk als schriftgeleerde terwijl zijn broer David met zijn handel in edelstenen, kostwinner van de familie wordt. In zijn commentaren neemt Maimonides stelling tegen iedere vorm van voorbestemming en verwerpt ook de astrologie in strenge bewoordingen. Een uitspraak: ‘Zuiver uw gedachten van astrologie zoals u een bevlekt kledingstuk reinigt’. De idee van het bestaan van een hel wordt door hem bespot en beschouwd als bijgeloof van dwazen en naïeve geesten.

    In 1180 is de Misjnee Tora voltooid, het wordt niet alleen beschouwd als een gezaghebbende en universele regelgeving maar ook, omdat het is geschreven in een elegant Hebreeuws, als een grote literaire prestatie. In de Misjnee Tora is onder meer vastgelegd dat de eer en de waardigheid van het individu heilig zijn en onder geen geding mogen worden aangetast. Als zodanig is het wellicht te beschouwen als de voorloper van de Verklaring van de Rechten van de Mens . In later jaren wordt duidelijk hoezeer van deze regel werd afgeweken.

    In de christelijke landen wordt de joodse bevolking gedecimeerd door verbanning, gedwongen bekering, moord en worden hele gemeenschappen gedwongen in getto’s te wonen. Daarom dringt Maimonides er bij zijn geloofsgenoten op aan dat zij zich strikt houden aan duidelijke leefregels en dat zij zich laten vertegenwoordigen door sterke leiders. In Egypte krijgt hij steeds meer aanzien, in 1187 wordt hij benoemd tot hofarts van de Egyptische vizier al-Fadil en tot opperrabbijn waarna in 1198 een aanstelling volgt tot hoofd van alle hofartsen. Gaandeweg verzwakt zijn gezondheid als gevolg van de steeds toenemende werkdruk en grote verantwoordelijk die op zijn schouders rust. Op zesenzestigjarige leeftijd, terwijl hij het laatste hoofdstuk van een van zijn boeken dicteert, overlijdt Rabbi Mozes ben Maimon. Hij wordt begraven in Tiberias.

     

  • Avontuurlijke tocht door de vroegere Belgische kolonie

    Avontuurlijke tocht door de vroegere Belgische kolonie

    Recensie door Rein Swart

    Het is 1985. Lieve Joris neemt de lezer mee naar de binnenlanden van Congo, waar haar heeroom, pater Houben, in eerdere decennia zijn levenswerk verrichtte en daarover voor de achterblijvers in de Gerardusbode berichtte. Congo werd in 1960 onafhankelijk van België en in 1971 omgedoopt tot Zaïre. Mobutu regeerde het land met ijzeren hand. Hij riep de verschillende stammen via de radio op tot eenheid en bouwde een dure residentie voor zichzelf in het noordoosten, in de streek waar hij vandaan kwam.

    Heeroom is maar een aanleiding voor Lieve Joris om de cultuur van de zwarten te leren kennen. Ze wil niet in zijn voetsporen treden, al verwacht de inheemse bevolking wel dat zij van alles voor hen heeft meegebracht en voor hen zal doen. Voor haar gaat het meer om sociale betrokkenheid of journalistieke nieuwsgierigheid. De 32-jarige Belgische stuit op een gedachtenwereld die haar soms heel cru voorkomt, bijvoorbeeld als men een ernstig zieke aan boord van de Ebeya, waarop zij landinwaarts vaart, laat creperen omdat hij tot een andere stam behoort. Soms is ze blij dat haar oom niet meer leeft omdat de toestand van het land er sinds de onafhankelijkheid niet op vooruit is gegaan. Als verklaring daarvoor wordt in het boek genoemd dat de Belgen in 1960 weg zijn gegaan zonder een bestuurskader achter te laten, hetgeen corruptie in de hand heeft gewerkt.

    De schrijfster vertrekt vanuit België met de Fabiolaville. Ze acht zich goed voorbereid op de vele vormen van ongedierte die haar zouden kunnen belagen, als op corrupte lieden, dieven en verkrachters, waar het land volgens sommigen mee vol zit. Omkoping is in Congo de gewoonste zaak van de wereld. Haar plan om de brousse, het oerwoud, in te gaan, wordt door haar medereizigers niet serieus genomen. Terwijl ze acclimatiseert in een patershuis in de havenstad waar het schip aanmeert, vraagt ze zichzelf af of ze de risico’s heeft onderschat en daarmee bindt ze de lezer nog meer aan zich.

    Een risico is zeker de spectaculaire boottocht op de Ebeya van Kinshasa naar Kisangani, de plaats waar Kurtz in Hart der duisternis van Joseph Conrad de scepter zwaait. Lieve Joris heeft gedurende haar reis door het land veel ontmoetingen met allerlei zwarten en blanken, die stelden dat de paters er nooit op wezen dat de inheemse cultuur ook zijn waarde had of dat de protestantse zendelingen, anders dan de katholieke paters, de Afrikanen meer zelf lieten doen, en beschrijft hen over het algemeen met mildheid.

    De schrijfster verwijst behalve naar Conrad ook naar Alberto Moravia die betoogde dat Afrikanen de westerse beschaving accepteerden omdat ze technische uitvindingen als iets magisch ervoeren, en naar V.S. Naipaul die in Bocht in de rivier de ‘zaïranisatie’ aanklaagt, het onzalige plan van Mobutu om de buitenlanders uit het land te verjagen.

    Lieve Joris schrijft zonder pretenties en weinig over zichzelf, hetgeen maakt dat de blik naar buiten gericht wordt. Ze leidt ons binnen in een wereld van evolués, d.w.z. Afrikanen die zich in westerse richting ontwikkeld hebben en de deuxième bureau, de bijvrouw met wie een zwarte man zich tijdens sociale aangelegenheden vertoont. Het boek kent een spannende afloop wanneer ze anti-kolonialen ondervraagt en opgepakt wordt door soldaten van het regime, hetgeen veel zegt over de grimmige politieke toestand die daar heerste.

    De tocht door de brousse gaat helaas snel voorbij. Lieve Joris schreef meer boeken over Congo zoals Dans van de luipaard en Het uur van de rebellen. Men kan voor een recente beschrijving van de geschiedenis van het land, dat inmiddels weer Congo heet, ook terecht bij AKO-winnaar 2010 Van Reybrouck. Dit prachtige sfeerportret van Lieve Joris over de periode dat de missionarissen het land kerstenden en de grillige gang van zaken na de onafhankelijkheid wordt al vijfentwintig jaar veel gelezen en geprezen en zal men niet snel vergeten.

     

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    ‘Wie niets gevonden heeft, heeft slecht gezocht!’
    Bezielende natuurbeschouwingen van een Vlaamse Jan Wolkers.

    In de laatste, wat langere beschouwing trekt Achilles Cools met zijn vrouw Brénine het natuurreservaat de Liereman in. Het is lente en dat is voor vogels en vogelaar het hoogtepunt van het jaar.
    ‘Het is nu een en al paren overal. Alles is weer nieuw en wordt nieuw.’

    Cools hoeft geen verre reizen te maken om de wereld te leren begrijpen. In zijn achtertuin vindt hij de meeste antwoorden.
    ‘In de Liereman zijn overal plekken om op je tenen te lopen, om je met open ogen te vergewissen van het vernieuwende om je heen. Het is zoeken naar sporen van de tijd die dit landschap hebben gemaakt tot wat het nu is. (…) Alles wat in de wereld gebeurt, gebeurt ook hier.’
    Cools mag zich gelukkig prijzen dat hij aan de rand van een natuurreservaat woont, maar anderzijds is iemand die zo begaan is met alles wat zich om hem heen in de lucht en op de grond afspeelt daar prima op zijn plaats.

    Vanaf de heide komt hij met Brénine, zijn engelbewaarder, aan wie hij het boek opdraagt, bij een uitkijkpunt over weide en water. Zij treffen daar bekenden zoals Frans, een doorgewinterde vogelaar die zijn hele leven al buiten is, ‘zoals te zien is aan zijn bruingetinte huid die fel afsteekt tegen zijn grijze haren’. Marc vertelt over een klapekster, die ergens moet rondvliegen. Cools en zijn vrouw gaan naar hem op zoek. Tijdens een pauze liggen ze op hun rug naar de wolken te kijken. Brénine ziet een vrouwelijke gestalte in een wolk en dat leidt tot een diepzinnige discussie over de meerwaarde van het vrouwelijke in vergelijking met het mannelijke. Op de terugweg zien ze de klapekster en voldaan keren ze huiswaarts.

    De vergankelijkheid is een belangrijk onderwerp in de beschouwingen. ‘Als er één zuinig is op de dood, dan is het de natuur. Toch is daar niet anders dan sterven, maar wat ten dode opgeschreven staat, schept altijd nieuwe mogelijkheden. Het leven teert op de dood, daar kan het eenvoudig niet buiten. (…) Alles gaat zijn eigen gang, tot het kleinste toe om ten slotte uit te monden in het grote geheel.’

    Cools spreekt met veel liefde over die natuur, over de vogels en hun liefdesleven, dat, behalve bij de tortels, vluchtig is. Hij kan lyrisch worden over de zang een boomleeuwerik en zich boos maken over het geknal tijdens de oudejaarsviering, over Nordic walkers die geen oog hebben voor de natuur en plezierjagers die op vogels schieten. Op het eind van zijn stukjes heeft hij soms een kwinkslag in petto net als de vink die zijn liedje met een vinkenslag beëindigt. Soms komt hij met een grappige anekdote zoals over twee uilenringers die zaten opgesloten in een kerk en voor geestverschijningen werden aangezien en daarom te middernacht maar besloten om de klokken te luiden.

    Zijn nieuwsgierigheid deed me denken aan Jan Wolkers die voor Villa Achterwerk, een jeugdprogramma van de VPRO-televisie, op meeslepende manier kinderen interesse bijbracht voor de natuur dichtbij huis, zoals het volgen van het maken van een spinnenweb.

    Ook schrijft Cools over gewone vogels als de merel, de vink, en vooral de kauw, die door velen rond het huis wordt gedoogd maar die hij als sociaal en schrander kenschetst. In de vlucht van een zwerm spreeuwen ziet hij een voorbeeld van collectieve intelligentie, in het lied van de geelgors herkent hij de eerste noten van de vijfde van Beethoven en van een zomerregen kan hij intens genieten.

    Deze stukjes, die ongetwijfeld eerder als columns zijn verschenen, worden verlevendigd door prachtige illustraties van de hand van Cools en hij komt er zelf soms ook op voor met zijn hoed.
    Hoewel de titel volgens mij expressiever had gekund en men de stukjes het beste gedoseerd tot zich kan nemen, is Vleugels niet alleen leerzaam, maar verlokt het bovendien om zo snel mogelijk de natuur in te gaan en de eigen ogen goed te gebruiken.

    Vleugels

    Auteur: Achilles Cools
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 25,-