• Wijdlopige beschouwing over een mislukte liefdesrelatie

    Wijdlopige beschouwing over een mislukte liefdesrelatie

    Recensie door Rein Swart

    Een verloren liefde is een veelbesproken onderwerp in de literatuur. Dat zal nog wel zo blijven, want een roman biedt een ideale vorm om pijnlijke gevoelens te verwerken.

    In Het eind van het lied, een titel die het verlies al in zich draagt, blikt Peter terug op de moeilijke verhouding die hij had met Asja. Hij leerde haar – brunet en pezig, noemt hij haar ergens – kennen via een vriend die een relatie had met haar jongere zus. Langzaamaan ontstond er een intieme band tussen Peter en Asja in het Sallandse buitenverblijf De Bosrank, dat de moeder van Asja na de dood van haar man kocht om in de weekenden met het gezin bijeen te zijn.

    De verlegen Peter durfde alleen stil naar Asja te kijken, maar zij nam, dominant en ongeduldig als ze was, het initiatief om hem mee te vragen naar de disco. Omdat het laat werd nodigde ze hem uit bij haar in bed. Terwijl Asja snel met haar rug naar hem toe in slaap viel, bleef Peter de hele nacht wakker met zijn fantasieën over haar. Na verloop van tijd gaf Asja toe aan zijn verlangen, met de botte toevoeging dat hij niet de juiste man voor haar was. Toch kwamen ze niet los van elkaar. Ze kregen zelfs een kind, Marie, dat in haar puberteit enkele jaren bij Peter woonde en daarna uit hun leven verdween.

    Voordat de verteller de dertig jaar durende verhouding minutieus fileert, beschrijft hij uitgebreid de natuur in een nazomerbos. Peter is inmiddels in een boshut getrokken, maar heeft nog wel de hond van Asja bij zich. Samen met de hond, die kenmerkend genoeg geen eigen naam heeft maar als ‘de hond van Asja’ door het leven gaat, zit hij op een plekje in het bos in de zon.
    ‘Er ging iets hallucinerends uit van die telkens optredende vertraging tussen zien en horen, alsof de tijd zelf, die nooit haperende motor, aan het sputteren was geslagen.’ Verontrusting is zijn gevoel. Daaromtrent zal hij de lezer tot vervelens toe inlichten.

    De wijdlopige zinnen zonder enige dialoog kennen weinig afwisseling. De verteller herhaalt zichzelf vaak, tot het hallucinerende aan toe. Als het om de feiten gaat is hij echter minder scheutig. Net als de naamloze hond van Asja noemt hij geen plaatsnamen waar zich de verhouding afspeelt. Daarentegen typeert hij de perioden in de relatie tussen Peter en Asja met de kleuren grijs, groen en blauw, de laatste kleur vanwege hun blauwe nachten op de stadszolder. Wollig zijn zinnen in de nabeschouwing als: ‘Wel was dit leven gepaard gegaan met hoge golven van emotie, maar hij was geneigd de belangrijkheid daarvan achteraf geringer te achten dan toen hij er nog de speelbal van was.’ Helaas is ook de beeldspraak niet gelukkig gekozen zoals die van de voorspoedige koop van de boshut en een groene golf aan stoplichten.

    Door de argumenterende en beschouwende stijl glijdt de inhoud langs de lezer heen. Een dik glas van mogelijke verklaringen maken het verhaal ondoorzichtig, zoals bijvoorbeeld in een citaat over de hoofddoek die Asja in de tuin van De Bosrank draagt:
    ‘… Asja had bovendien een hoofddoek op, niet elegant in tulbandvorm gedrapeerd als een diva of koket om haar hoofd gewikkeld als een fris oogstmeisje, überhaupt niet bevallig, maar boers onder haar kin vastgeknoopt, als een Poolse plattelandsvrouw.’
    Vaker worden allerlei andere mogelijkheden genoemd, voordat de schrijver de juiste noemt. ‘Er was nog iets geweest wat hem een schok had gegeven, en dat was niet zozeer …., en ook niet het ongehoorde…- wat hem een echte schok bezorgde…’ Bij deze uitweidingen zijn de spaarzame delen waarin meer actie plaatsvindt zoals tijdens de kennismaking van Asja en Peter een verademing.

    Aan het eind vernemen we in een droomachtig relaas Asja’s kant van het verhaal. Die is net zo weinig overtuigend als de vete eerder tussen de zussen over hun tuintjes in De Bosrank. Op het moment dat Asja Peter in zijn eentje aan tafel zag eten, wist ze dat het niet goed zat tussen hen, maar in plaats van te vertrekken nam ze een vlucht naar voren. Zelfs het kind maakte daar onderdeel van uit. Het motief om samen te blijven zou eruit bestaan dat Asja niet de kracht bezat haar eigen hoop uit te bannen. Dit soort onduidelijke beweegredenen slaan het fundament onder dit romandebuut weg. Hoewel de hallucinerende toon af en toe intrigeert, stelt de roman aan het eind (van het lied) teleur.

    Het eind van het lied

    Auteur: Hans Hom
    Verschenen bij: uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 21,95

  • Lang leve de verbeelding

    Lang leve de verbeelding

    Hoe ik een beroemde Nederlander werd of: hoe een boek dat twee motto’s van respectievelijk Geert Wilders en Harry Potter meekrijgt, verdomd goed wegleest. Tja, dat zal raken aan het geheim van de dichter die de schrijver Godijn ook is. In het taalgebruik van romanschrijver Godijn ontmoet men namelijk ook de dichter Godijn. Veel registers bespelend, springend van detail naar groter geheel en net zo makkelijk weer terug, en alles in een verrassende soepele stijl die nergens de vaart uit de vertelling haalt. Voorwaar, geen geringe kunst!

    De keerzijde van Godijns manier van schrijven is dat er weinig schot in de vertelling komt. Die zwabbert maar wat heen en weer. Er is het jongensboekachtige verhaal van Wilfried met zijn jacht op de onvindbare snoek, het verlies van zijn moeder, zijn ridderlijke fantasieën, de zoektocht naar de prinses, zijn expeditie naar de top van de mysterieuze berg. En daarnaast gaat het verhaal van de met het schrijven van het Wilfriedverhaal, met zijn relatie, en niet het minst met zichzelf tobbende schrijver. Deze geportretteerde schrijver is  van het soort dat zich tot de kunstenaars met een grote K rekent maar zich wegens tegenvallende verkoopcijfers genoodzaakt ziet het publiek te verachten.

    Ofschoon tussen het verhaal van Wilfried en dat van de gefrustreerde schrijver de nodige parallellie zit in motieven als de snoek, de moeder, ridderfantasie, heldendom, een mysterieuze berg, een boze tovenaar, een fascistoïde politicus, is dit geen roman waarin alles even functioneel in elkaar zit: hoe zouden ook die snoek, die mysterieuze berg, ridder, tovenaars en wat al niet op enig logisch verband mogen rekenen? Maar als we in het begin hebben mogen lezen dat Martha keukenmessen verzamelt wil dat inderdaad zeggen dat zo’n keukenmesje verderop van pas zal komen…

    Het boek heeft de schijn van een met virtuoze schrijvershand geschreven roman die gedijt bij de vrijheid die hem wordt gegund. De verhaallijnen lijken vooral een excuus om eens uit te pakken in beschrijvingen van details en gevoelens, en en een manier om zich te wagen aan een scheutje fantasy of science fiction. Intussen zetelt Godijn als een spin comfortabel in zijn web en schakelt even speels als moeiteloos van het ene register op het andere, van het ene onderwerp op het andere  over. ‘Alles wees erop dat ik me er maar het beste bij kon neerleggen dat ik a: haar held en redder niet was, en b: dat ze zelf de heldin zou worden in een verhaal waarin geen hoofdrol voor mij was weggelegd.’ Om de trotse en bij vlagen falende schrijversfiguur goed in de verf te zetten, komen er de nodige flauwiteiten aan te pas. Zo grapt deze, eenmaal in Afrika beland, over de grote aantallen allochtonen die daar wonen. Ach ja. Dat uitgerekend deze met zichzelf gepreoccupeerde schrijver zich kwaad moest maken over het populisme van politicus Vaandels, in wie men de figuur van Wilders mag herkennen, bevreemdt daarom enigszins. Blijkbaar moest de woede en ontsteltenis over het fenomeen van het ‘hedendaags fascisme’ in dit boek een plaats krijgen. Al moet gezegd dat de daaraan bestede passages niet kunnen concurreren met de beste in het boek.

    Het predicaat van beste passage verdient de over vier pagina’s uitgesmeerde scène, waarin het dodelijke ongeval van de moeder van Wilfried door de blik van de laatste wordt bezien. Het vangt aan met het soort regieaanwijzing waar Godijn patent op heeft. ‘We zijn nu toe aan een scène die, als je de dagenlange nasleep niet meerekent, hooguit drie minuten heeft geduurd. Maar er is iets vreemds aan de hand: het lijkt alsof de scène nooit helemaal is geëindigd, alsof hij altijd – weliswaar steeds verder vervagend – op de achtergrond van Wilfrieds bestaan aanwezig is gebleven.’ De  beschrijving die volgt doet op meesterlijke wijze recht aan de kinderlijke beleving van de elfjarige jongen, bij wie uiteindelijk de verschrikkelijke waarheid broodnuchter binnendringt: ‘Naast haar hoofd groeit een bloedplas. Hij bedenkt dat hij geen moeder meer heeft – nou ja: een dooie moeder’. In het verhaal van Wilfried wemelt het van de observaties die kenmerkend zijn voor een jong kind, dat zomaar van een vol gehangen kapstok kan vinden dat daar ‘de jassen zich verdrongen als dieren rond een voederbak’.

    Toch valt misschien het meest te genieten van de verhaallijn waarin de egocentrische schrijver zich staande moet zien te houden en net zolang zijn minnares tegen zijn vrouw uitspeelt en vice versa tot de wal het schip keert. Het is verwant aan de lichtzinnige stijl van J. Kessels (Thomése) inclusief de daarbij behorende portie vette seks, maar dan met de speelse pen van Godijn beschreven. Zo merkt hij van zijn ‘bloedstollend getalenteerde schattebout’ op dat ze ‘slechts het stokstaartjesdeel van haar mogelijkheden verwezenlijkte.’ En het zoete stemgeluid van zijn liefje lijkt ‘geheel te zijn opgetrokken uit zonlicht, honing en neergutsende stralen roomwitte melk: ‘Ik heb zóóó naar je verlangd’ – en dan begonnen alle honingbijen tegelijk te zoemen bij het woordje ‘zo’. ‘ Tot rake observaties komt het hier ook. Als de figuur van Wilfried uiteindelijk dusdanig blijkt te zijn geëvolueerd en gelukkig getrouwd met een zekere Agnes, volgt de constatering: ‘Misschien omdat Wilfried niet zo tegen Agnes opzag als tegen Maria kwam het verlangen haar pijn te doen – bijvoorbeeld door de gedaante aan te nemen van iemand die bijna niet was lief te hebben – zelden bij hem op.’ Op het randje van de twijfel omtrent de vraag of Godijn de kunst verstaat op bevallige, laagdrempelige wijze postmodernistisch te zijn, balanceert de zin: ‘Ik zat charmant te zijn (of een genante poging daartoe te doen: geen idee of de waarheid tussen haakjes staat)’.

    Minder dan in zijn vorige boeken De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen, speelt Godijn hier met het autobiografische gehalte van de vertelling. Maar als de ik-figuur dermate moeizaam plaats neemt op een stoel dat de ander opmerkt: ‘Dat is niet makkelijk voor u, ik kan dat goed aan u zien’, lijkt hij hier toch even te refereren aan zichzelf als MS-patiënt.

    Godijn deelt de lezer zo nu en dan ook een plaagstootje uit: ‘De daaropvolgende weken heb ik die fauteuil een naam gegeven: ik noemde hem – nee, later.’ Het schrijfplezier mag dan van de zinnen afspatten, en de lezer mag zich verbazen over de snelheid waarmee de 219 pagina’s van dit boek ten einde zijn, de schrijversfiguur gaat het intussen minder voor de wind. De schrijfarbeid wil bij hem minder vlotten, en zijn vrouw noemt hem spottend ‘Floep’.

    Achter de lichtvoetige stijl gaat ook een waarheid schuil die minder lichtzinnig is. Aan een werkelijkheid die de fascistoïde Vaandels in het zadel heeft geholpen valt voor een schrijver immers weinig eer te behalen. Deze laatste  is in een kansloze missie verwikkeld om de geen kassakraker genererende auteur te verdedigen. Fantasie is de enige vrijhaven waar een schrijver nog straffeloos zichzelf mag zijn. Het door de schrijversfiguur bedachte personage Wilfried wordt gaandeweg steeds meer naar hem zelf gemodelleerd, maar krijgt een kans te ontsnappen waar hij zelf heeft gefaald. Wilfried zal munt weten te slaan uit zijn mislukking. Hij zal uiteindelijk om zijn drop-out status van regeringswege in het diepste geheim worden aangezocht de prinses te bevrijden en de mysterieus aangroeiende berg (die omstreeks Wilfrieds geboorte was ontstaan!) te slechten. En Wilfried, als ridder strijdend om de prinses, zal zegevieren. Ofschoon het koningshuis en de regering hem veel dank verschuldigd zijn, kan men hem, omwille van de geheimhouding, slechts onopvallend belonen in de vorm van een levenslange WAO-uitkering. Niettemin lukt het Wilfried zich na deze heldendaad met de werkelijkheid te verzoenen. Terwijl de schrijversfiguur na een sukkelig uitgevoerde en schromelijk mislukte aanslag op Vaandels (met het keukenmesje), het nog niet eens voor elkaar krijgt als gevaarlijke gek te worden opgesloten. Dat hij zich uiteindelijk toch gered acht, daar hij veronderstelt over ‘mediapotentie’ te beschikken, nadat hij heeft vastgesteld dat hij inmiddels tot het type behoort waarop Nederlanders verzot zijn: ‘mensen die de indruk wekten dat ze eigenlijk niet konden wat ze leken te kunnen’ heeft dan ook meer de schijn van een capitulatie dan van een overwinning. Wilfried lijkt beter af te zijn. Met behulp van de fantasie heeft hij zich uit het moeras van de werkelijkheid omhoog weten te trekken. dus! Al ontdekt Wilfried aan het eind dat hij de berg mist: ‘en dat hij diep in zijn hart niet alleen de man wilde zijn die de berg had laten verdwijnen, maar ook de man die hem opnieuw liet verrijzen.’

    En de titel Hoe ik een bekende Nederlander werd? Wie een stappenplan verwacht om die staat te bereiken is hier aan het verkeerde adres. Godijn legt nu eenmaal een voorkeur voor aandachttrekkende titels aan de dag, Zie Mijn ontmoeting met God en andere avonturen of:  Hoe H.H. de wereld redde. En daar past Hoe ik een bekende Nederlander werd gewoon wonderwel tussen.

     

    Hoe ik een beroemde Nederlander werd

    Auteur: Wouter Godijn
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 219
    Prijs: € 19,95

     

  • Ik steek de Styx over en ik neem mee

    Ik steek de Styx over en ik neem mee

    Soms is fictioneel bedrog zo ongelofelijk, en daarmee zo overtuigend, dat het niet de verbeelding maar de werkelijkheid tart. De dunne scheidslijn tussen fictie en feiten wordt dan weggeblazen, om de lezer of kijker met een permanent gevoel van onbehagen achter te laten. Zoals bij de politieke filmkomedie Wag de dog (1997), waarin de briljante spin doctor Conrad Brean (Robert de Niro) een niet bestaande oorlog spint, om de aandacht af te wenden van het seksschandaal waarin een Amerikaanse president verwikkeld is. Na het zien van deze film bekijk je elk journaal vol wantrouwen en vraag je je altijd weer af of die oorlog in Albanië of Pakistan wel echt gevoerd wordt. Het nieuwste boek van Dimitri Verhulst, De laatkomer, brengt iets soortgelijks teweeg. Hier ontvlucht de gepensioneerde bibliothecaris Désiré Cordier zijn vastgeroeste leven door dementie voor te wenden. Verhulst beschrijft dit met zoveel overtuiging dat hij zijn lezer aan het einde van het boek met meer verwarring achterlaat dan hij Désiré heeft getooid. Want als je De laatkomer uit hebt zul je je steeds weer afvragen of die demente bejaarde die je op de bank bij vrienden tegenkomt, of die je schuifelend door de straat ziet gaan, wel echt dement is. Het is of ‘de ongemakkelijke blik van dementerenden die woest hun hele geheugen omwoelen’ van Désiré Cordier op jou is overgegaan en je zelf niet langer kunt vinden wat er ook eigenlijk niet meer is.

    Verhulst levert hiermee in zo’n honderddertig pagina’s een grootse prestatie op kleinnood formaat. Hij beschrijft eerst hoe Désiré onder de grillen van zijn echtgenote Moniek langzaam mentaal wordt uitgekleed, totdat hem niets anders meer rest dan een ‘pantser van onverschilligheid’. Om hem vervolgens zijn eigenheid te laten hervinden in de beschutting van huize Winterlicht en in een zeldzaam grappige wraakexpeditie jegens zijn vrouw. Hij kent haar zogenaamd niet meer, ontneemt haar zo haar identiteit, gaat alles doen waar zij een hekel aan heeft, of ontkennen waar zij voor staat, en breekt haar zo stukje bij beetje af. Totdat ze doodser is dan hijzelf ziek. ‘Moniek de Petter. Mooie naam, voor op een grafsteen.’

    Naarmate de pagina’s van De laatkomer vorderen stijgt de stapel vereffende rekeningen. Daarbij slaagt Verhulst er steeds weer in herinneringen uit Désiré’s saaie ‘gezonde’ leven en burgermansbestaan in zijn ‘zieke’ leven weer een nieuwe plek te geven. Hij vindt een oude jeugdliefde terug, Rosa Rozendaal, symbool voor alle gemiste kansen in het leven van Désiré. Een schoonheid die hij als zestienjarige versmaadde, maar die nu te dement is voor een tweede poging. Alhoewel hij het wel probeert.

    De herinneringen bezorgen Désiré zowel pijn als plezier. De triestheid spat van de pagina’s af als hij zich realiseert dat zijn vrienden hem, alhoewel hij nog leeft, wellicht nog wel herinneren, maar zich niet om hem bekommeren. Maar tegelijkertijd is op vele andere pagina’s een schaterlach onvermijdelijk, als Désiré voor de zoveelste keer op onnavolgbare wijze wraak neemt op de frustraties uit zijn verleden. Bijvoorbeeld bij zijn vertrek naar huize Winterlicht. Désiré herinnert zich dan dat hij eens op weg naar een vakantie-adres in het Zuiden vergeten was de caravan achter de auto te hangen. Niemand had wat gezien of gezegd, maar toen ze pas voorbij de Franse grens ontdekten dat de caravan ontbrak kreeg hij van Moniek alle schuld en de wind van voren. Terwijl zijn familie zich gereedmaakte om Désiré naar huize Winterlicht te verhuizen herleefde deze het gevoel van onheuse bejegening van toen en nam hilarisch wraak door te vertikken in de auto te stappen zonder dat de caravan was aangekoppeld. Ze gingen immers op vakantie! Dat de vreemde stoet die de straat verliet op deze wijze alleen maar meer bekijks trok, iets waar de trotse Moniek een broertje dood aan had, maakte de wraak voor Désiré nog zoeter dan zoet. In de onvoorstelbaarheid en perfecte schoonheid van dit soort belevenissen toont Verhulst zich een ware humorist, van grootse klasse, voor wie een goede grap een noodzakelijk ingrediënt is voor een serieus verhaal. Want bij alle grappen en grollen is een serieuze ondertoon nooit ver weg. Tussen de regels door uit Verhulst de nodige kritiek op de moderne gezondheids’zorg’, waarbij de menselijke maat snel uit het oog verdwijnt en de diagnose van dementie gebaseerd is op een simpele test van een half uur.

    Als Désiré door krijgt dat hij voor zijn vrouw en kinderen eigenlijk is opgehouden te bestaan, zijn vrienden hem niet meer bezoeken, en ook Rosa hem geen nieuwe start kan bieden, beseft hij dat een fictieve dementie de herinneringen aan zijn saaie leven nog onvoldoende uitgommen. Dit luidt het eindspel in. De oversteek van de Styx is onvermijdelijk. Maar dit kan voor de lezer geen echte verrassing zijn. De prachtige omslag van Femke Tomberg had die onvermijdelijkheid al voorspeld. Het toont een ganzenbord met daarop de mooiste herinneringen uit het leven van Désiré, in slechte en in goede tijden. Een ganzenbord ook waarbij de overwinnaar de doodskist wacht.

     

     

     

  • Is het een somber boek?

    Is het een somber boek?

    Recensie door: Lodewijk Lasschuit 

    Als er al een schaduw vooruit wordt geworpen en er ook nog eens rampen in het vooruitzicht worden gesteld, wie heeft er dan nog zin om zich dit boek aan te schaffen, laat staan het aan zijn vrienden ten geschenke te geven? Toegegeven het is geen vrolijke titel maar het valt allemaal reuze mee. En is het literaire gehalte van een boek wel af te leiden van de titel? Er is in het begin toch al direct sprake van hoogachting voor de rol van de literatuur in het maatschappelijk bestel en dat is mooi mee genomen. Toch wordt de hoofdpersoon in het boek in den beginne vaak geconfronteerd met allerlei soorten van misère. De vraag rijst in hoeverre hier sprake is van autobiografische trekjes. De schrijver wordt afgeschilderd als een bezetene die naast die hoedanigheid ook nog eens het vermogen bezit te doen alsof hij een normaal mens is. Hij smeekt zijn uitgever de achterflap van zijn boek niet te degraderen tot een ordinaire anekdote en te dien aanzien niet zijn beurs maar zijn verbeelding te laten spreken Hoeveel schrijvers herkennen zich hierin? Het blijft sukkelen met die achterflap.

    Het zijn vooral de mooie vaak heel originele zinnen die het de moeite waard maken om dit boek te lezen en misschien wel te herlezen. Wat bijvoorbeeld te denken van een passage gewijd aan een college dat de hoofdpersoon heeft bijgewoond: ‘De professor sprak zijn zinnen emotieloos uit zoals een intercom doet over de hoofden van treinreizigers.’ En dan deze: ‘Een schrijver moet, heel zijn verklaarde afkeer van de door speculatief geld gedomineerde beschaving ten spijt, bij die zelfde beschaving aankloppen om zijn werk voor de liefhebber disponibel te krijgen.’

    Maar nu het verhaal. Een schrijver heeft een boek geschreven met als titel Doelloosheid en dat zegt al het een en ander over zijn geestelijke gesteldheid. Als psychoanalyse niet meer blijkt te helpen vertrekt hij naar Wenen, eigenlijk zonder zelf te weten waarom. Het lijkt erop dat hij meer in deze stad is geweest want er wordt een vrij nauwkeurige omschrijving gegeven van de diverse bezienswaardigheden en zelfs van sommige kroegen. Max Niematz probeert zijn lezers soms bladzijden lang, ervan te overtuigen dat hij een grote kennis heeft van de Duitse taal. Daar is hij in geslaagd maar het blijft wel de vraag of dit in een oorspronkelijke Nederlandse roman wel nuttig en nodig is. Tijdens zijn omzwervingen door Wenen en zijn verblijf in diverse pensions ontmoet de hoofdpersoon allerlei merkwaardige mensen waarbij er zich soms ook gebeurtenissen voordoen die moeilijk zijn te plaatsen in het hele verhaal. Wat is bijvoorbeeld de functie van de alligator die plotseling te voorschijn komt uit de hutkoffer van één der bewoners? Was het wellicht de bedoeling om deze krokodil op te laten treden als deus ex machina en op deze wijze een bevredigend slot aan het verhaal te bewerkstelligen? Het slot blijft echter onduidelijk en onbevredigend. Misschien is er een verband met The man from Porlock wiens verschijning de geïnspireerde creativiteit van de schrijver heeft verstoord.

    En toch: Wir sind sehr erfreud Ihre Bekantschaft zu machen Herr Niematz. Vooral om je originele zinnen met de daarin verborgen humor, de spitsvondigheden en de beeldende beschrijvingen van het Weense stadsbeeld.

    In de schaduw van toekomstige rampen

    Auteur: Max Niematz
    Verschenen bij: uitgeverij Atlas Contact,
    Aantal pagina’s: 220
    Prijs: € 19,95

  • ‘Baardaaps ziekte ernstig’

    ‘Baardaaps ziekte ernstig’

    ‘Baardaaps ziekte ernstig’

    Liao Yiwu is bezig illegaal naar het buitenland te vertrekken met achterlating van zijn zwangere vrouw. Hij weet dat hij al een tijd wordt gevolgd door Veiligheidsagenten. De staat houdt hem al lang scherp in de gaten vanwege zijn gedicht Bloedbad. Dat gaat over het neerslaan van de studentenopstand op het Tienanmenplein in Bejing op 4 juni 1989. Liao heeft bovendien met een stel kunstenaars net een film voltooid rond zijn nieuwe gedicht Requiem, eveneens een verwijzing naar de bloedige onderdrukking van de opstanden. Dan wordt hij gearresteerd. Het is 16 maart 1990. Vrienden telegraferen zijn vrouw A Xia in code: ‘Baardaaps ziekte ernstig’. Kort daarna wordt ook zij gearresteerd, maar ze komt op borgtocht vrij. Liao blijft vijf jaar vast zitten.

    Liao Yiwu heeft op de foto die zijn, nu in het Nederlands vertaalde Gevangenisliederen siert, niets van een baardaap. Hij kijkt de lezer gladgeschoren en met een kaal hoofd aan. Zijn haren gingen er onmiddellijk af toen hij werd vastgezet in het Huis van Bewaring ‘de Dennenberg’ in Chongqing. Na zijn gevangenschap besloot hij het nooit meer te laten groeien.
    Hoe lieflijk ‘de Dennenberg’ ook mag klinken, de werkelijkheid was een hel. Het grootste deel van het boek beschrijft zijn verblijf tussen de kwelgeesten en criminelen waartussen hij leefde, eerst in dat Huis van Bewaring en aansluitend in diverse andere gevangenissen.

    De dichter en muzikant Liao Yiwu (ook bekend als Lao Wei), werd geboren in 1958. In eigen land is zijn werk verboden, maar in Europa krijgt het groeiende aandacht sinds hij in 2012 de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel won. In 2011 was het hem eindelijk gelukt te vluchten naar Duitsland.

    Liao schrijft zijn herinneringen onverbloemd op. Herinneringen inderdaad, want schrijven tijdens zijn gevangenschap was nauwelijks mogelijk. Wat hij op papier zette, werd zodra het ontdekt werd, in beslag genomen. Bovendien werd het manuscript dat hij na zijn gevangenschap vrijwel af had bij een inval in zijn huis in oktober 1995 in beslag genomen. Het boek dat nu vertaald is de versie waaraan hij toen opnieuw moest beginnen.

    Het eerste gedeelte bestrijkt de jaren voor Liao’s arrestatie en bevat de aanloop naar de verfilming van het gedicht Requiem. De volledige tekst van dat gedicht en van Bloedbad zijn in dat gedeelte opgenomen.
    In de rest van het boek krijgt de lezer een exposé van het leven in gevangenschap waarin sadisme, wreedheden en vernederingen zich aaneenrijgen op een manier die voor de lezer bijna voelbaar worden. In het Huis van Bewaring vormen de gevangenen een ‘slavensamenleving’ volgens een strenge hiërarchie met aan de top de superieuren en onderaan het minste boeventuig. Hoe lager je status is, hoe meer je te verduren hebt van de ‘hogere klassen’. Lijfstraffen bijvoorbeeld worden door de hogeren in de pikorde op de lageren uitgevoerd. Daarvoor geldt een ‘menu’ dat onder andere de volgende straffen kent:

    4. Keelpastilles: de bestrafte wordt met de zijkant van een hand op de adamsappel geslagen […]; de bestrafte kan dagen niet slikken, heeft één of twee weken een hese stem en pijn tijdens het spreken.

    5. Gespietste varkenssnuit: de boven- en onderlip van de bestrafte worden met veel kracht afgeklemd tussen twee bamboestokjes, waardoor ze opzwellen, blauwzwart verkleuren en al snel op een varkenssnuit lijken.

    Het ‘menu’, zoals Liao Yiwu het zich herinnert telt liefst 45 van dat soort straffen – maar de schrijver wijst er op dat hij er waarschijnlijk een aantal is vergeten. Het hele boek door beschrijft Liao tal van toepassingen ervan. Ook in vechtpartijen tussen gevangenen passeert het hele scala op een zo realistische manier dat je er als lezer bijna onpasselijk van wordt.
    In de gevangenis waarin Liao Yiwu na acht maanden terecht komt is het van hetzelfde laken een pak, al zit hij hier niet meer temidden van dieventuig maar tussen zware criminelen en contravolutionairen. Als de gevangen willen slapen liggen ze met hun mond in de stinkende adem van de buurman of tussen diens rottende tenen.

    Onze cellen leken op de wildedierenkooien in de dierentuin. Twee, drie orang-oetans of tijgers hadden net zoveel ruimte om te eten en zich te laten bekijken als wij, zeventien aangeklede beesten.

    En dan zijn er de verhoren, die zich zo vaak herhalen dat je op den duur niet meer weet wat je eerder hebt gezegd en alles wat je ooit zou kunnen hebben gesuggereerd als bewijs tegen je wordt gebruikt. Na zo’n verhoor moet Liao eens door een stortregen terug naar zijn cel. In zijn eentje.

    Ik rende meteen de trap af. Op de parkeerplaats bleef ik staan. Ik bleef wel een kwartier lang naar boven kijken. Sinds ik in de gevangenis zat, had ik de hemel niet meer gezien; hij was zo groot, zo machtig. Donkere wolken die voortdurend veranderden, als een kudde vluchtende paarden, met vliegende manen, van de ijzeren hoeven schoten bliksemschichten, mijn ziel zat sinds lang op de rug van een paard, hij had allang de nachtelijke hemel bereikt!
    […] Ik kwam veilig terug in de cel en dankte God dat Hij me in de wind en regen twintig minuten voor mezelf had gegeven. Ik was een week lang verkouden, dat was de prijs die ik voor dit ogenblik van vrijheid moest betalen.

    De verhoren blijven jaren achtereen plaatsvinden. Of de ondervraagde de beschuldigingen tegenspreekt of bekent lijkt niet veel uit te maken. Voortdurend wordt Liao overgeplaatst naar andere inrichtingen zonder dat hij de werkelijke reden daarvoor te horen krijgt.

    Naast de treiterijen, de vechtpartijen en de straffen is er de dwangarbeid. Er moet een steeds grotere productie aan medicijnverpakkingen worden geleverd. Pas als Liao tegen het einde van zijn opsluiting eerst terecht komt in de provinciale gevangenis met de schuilnaam ‘Postvak 2106’ en daarna in de afgelegen ‘Gevangenis 3’ krijgt hij minder geestdodend werk. Overigens wordt hem ook dan niet gezegd waaraan hij dat te danken heeft.

    Liao Yiwu vertelt zijn belevenissen niet larmoyant. Evenmin schetst hij zwart/wit portretten van moordenaars en verkrachters versus tegenstanders van het regime. Tussen alle ellende door luistert hij naar levensverhalen van medegevangenen. Met enkelen raakt hij bevriend.
    Gaandeweg krijgt het boek mede door de gesprekken die hij met die vrienden heeft, steeds meer diepgang. Ze gaan over de zin van verzet, over het belang van geschiedenis en het misbruik ervan, over geweldloosheid, over literatuur en over de waardigheid van de mens. Ook hierover doet hij geen stellige uitspraken. Meerdere keren betwijfelt hij of hij daadwerkelijk iets heeft bereikt met zijn lijdensweg. De offers zijn groot. Zo keert zijn vrouw A Xia zich van hem af. Zijn dochtertje, geboren tijdens zijn gevangenschap, ziet hij, ook na zijn vrijlating in 1994 maar een paar keer. Wat hij heeft moeten doorstaan is nauwelijks in woorden te vatten: ‘Ik heb nog nooit een regel van een Chinese schrijver gelezen die me dieper raakte dan de werkelijkheid zelf.’ En tegen het slot van het boek zegt hij over de schrijvende politieke gevangene: ‘Zijn leven is gebaseerd op een schrikbeeld dat dieper is geworteld dan de angst voor het opgesloten-zijn of angst voor lichamelijk verval – hij is bang om vergeten te worden. Hij hoopt dat de mensen buiten zich hem zullen herinneren en dat ze waardering kunnen opbrengen voor het feit dat hij vanwege zijn geweten, vanwege de waarheid in de klauwen van de werkelijkheid terecht is gekomen. Maar vergeten is een sterk instinct, en zowel in het Oosten als in het Westen is daar voldoende aanleiding toe.’ Zijn conclusie is somber:

    ‘Hebzucht werd een menselijke deugd, evenals bedrijfsfusies, ontslag van werknemers, dakloosheid, het verlies van banen, corruptie, prostitutie en ordinaire roof. De verbreiding van de weliswaar vreedzame, maar moorddadige handelscrisis ontwricht keer op keer het kapitaal van hele samenlevingen. De slachting van de vierde juni valt daarbij in het niet. […] Met andere woorden: de nadruk op productie verleidt gemeenschappen om de mode te volgen. De geschiedenis, het lijden en de oorzaken daarvan worden consumptieartikelen die men naar believen naar zijn hand kan zetten. […] Wat moeten we in onze wegwerpcultuur met zoiets ouderwets als politieke gevangenen? Ze rehabiliteren? En wat dan?’

    Toch kan Liao Yiwu niet anders dan schrijven: ‘Bij het schrijven bestaat er geen waarom.’

    Gevangenisliederen is aangrijpend, rauw en menselijk.
    Het stelt grote vragen.
    Het knaagt aan je.


    Gevangenisliederen
    China achter tralies

    Auteur: Liao Yiwu
    Vertaald door: Meile Snijders en Annousjka Oostindiër
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact (2012)
    Aantal pagina’s: 480
    Prijs: € 49,95

     

     

     

  • Tractatie over literatuur

    Tractatie over literatuur

    Julian Barnes is niet alleen romanschrijver (bekend van onder andere The Sense of an Ending, Arthur & George en Flaubert’s Parrot), maar publiceert in tijdschriften en kranten ook regelmatig essayistisch werk. Dit jaar verscheen de vertaling van zijn bundel met essays over literatuur: Through the Window (Uit het raam).

    Wat biedt deze bundel? Krijg je meer zicht op de ideeën van Julian Barnes over wat goede literatuur is, zijn poëtica? Ren je naar de boekhandel om nieuwe ontdekkingen meteen aan te schaffen? Of zijn de stukken op zichzelf weer nieuwe literatuur?

    In de inleiding herinnert Julian Barnes ons er nog even aan hoe bijzonder fictie is: ‘Fictie verklaart en verrijkt, meer dan enige vorm van schrijven, het leven.’ En sterker nog, in het opgenomen pamflet ‘Een leven met boeken’ schrijft hij: ‘Als je een goed boek leest, ontsnap je niet aan het leven, je stort je er juist dieper in.’

    Het is een bont gezelschap van boeken en auteurs die Barnes bespreekt. Opvallend is de aandacht die hij schenkt aan onbekende schrijvers, zoals de Engelse dichter Arthur Hugh Clough en de Franse aforismenschrijver Chamfort (1741-1794). Maar de grote namen krijgen ook een plek: van George Orwell en Rudyard Kipling tot hedendaagse auteurs als Houellebecq en de (toen net overleden) John Updike. En het zijn niet alleen mannen: Penelope Fitzgerald, Lorrie Moore en Joan Didion komen onder anderen eveneens aan bod. De enige overeenkomt tussen de auteurs is dat het uitsluitend Britse, Amerikaanse en Franse schrijvers betreft.

    De aandacht voor Franse literatuur zal de kenners van het werk van de francofiele Barnes niet verbazen. Zijn fascinatie en bewondering voor Flaubert zie je terug in de vele verwijzingen. Maar Julian Barnes maakt je ook nieuwsgierig naar een aantal bijna obscure Franse werken. Want niet iedereen is op de hoogte van bijvoorbeeld het bestaan van Nouvelles en trois lignes van Félix Fénéon. Deze ‘onzichtbaar beroemde’ kunstcriticus, kunsthandelaar, uitgever, vertaler en journalist werkte in 1906 voor een krant en was verantwoordelijk voor de faits divers (gemengde berichten) ook wel bekend onder de naam ‘chiens écrasés’ (overreden honden). Julian Barnes laat met veel voorbeelden zien wat deze nieuwsberichten van drie regels tot literatuur maakt: ‘Hij wist hoe je een scherpe zin moest opstellen, hoe je die drie regels kon laten ademen, een stukje essentiële informatie uitstellen, een eigenzinnig bijvoeglijk naamwoord toevoegen, het noodzakelijke werkwoord tot het laatst bewaren.

    Met precisie ingaan op de ambacht van het schrijven: dat maakt een aantal essays interessant. Een voorbeeld daarvan is het stuk over een bijzondere vorm van schrijven, namelijk het vertalen. Barnes analyseert grondig zes verschillende vertalingen van twee zinnen uit Madame Bovary, waaronder de recente vertaling van de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis. Barnes biedt de lezer de kans om in de huid van de vertaler te kruipen en alle dilemma’s te ondervinden die daarmee gepaard gaan. Een vertaling is ‘een [..] manier om onvermijdelijk tekort te schieten.’

    In het essay over Houellebecq gaat Barnes ook in op een aantal romantechnische aspecten om tot de conclusie te komen dat ‘het gevoel [opdringt] dat Houellebecq een intelligent man is, maar een veel minder intelligent romancier.’

    Wees niet bang voor droge, technische verhandelingen. Julian Barnes verlevendigt zijn stukken met literaire roddels (‘waar niet altijd op moet worden neergekeken’, zoals hij zelf zegt). En veel artikelen gaan vooral in op biografische wetenswaardigheden van de betreffende auteurs. Zo lezen we over de autotochten van Kipling door Frankrijk. Kipling deed dat niet alleen als toerist, maar ook als inspecteur van horecagelegenheden voor de Automobile Association. Nadat zijn zoon in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk is gesneuveld, is hij actief als lid van de Oorlogsgravencommissie en inspecteert hij de militaire begraafplaatsen. Barnes citeert uit zijn autodagboeken en laat de schrijnende kant van de droge notities zien: ‘Dury. Geen grafstenen. Stenen sinds een jaar opgestapeld.’

    In ieder essay trakteert Barnes je op treffende beschrijvingen. Liefhebbers van de schrijver Ford Madox Ford, die volgens hem altijd in de minderheid zullen zijn maar zich niet uit het veld laten slaan, vergelijkt hij bijvoorbeeld met leden ‘van een van die vrijwilligersgroepen die het Britse kanalenstelsel helpen restaureren. [..] Je bent er vrij zeker van dat ze iets goeds doen, maar als je er zelf niet in springt om ook aan het graven te gaan en onder de modder komen te zitten, snap je waarschijnlijk niet wat je eraan hebt dit werk te doen.’ Ondertussen probeert het Barnes het aantal ‘fordianen’ uit te breiden met een enthousiasmerend pleidooi voor het lezen van de roman The Good Soldier.

    Het laatste essay over rouw (naar aanleiding van de boeken van Joan Didion en Joyce Carol Oates) lees je met een brok in je keel. Barnes voert op een oprechte wijze een bijna onmogelijke taak uit, namelijk het bespreken en beoordelen van twee autobiografische romans over rouw. Hij vermeldt niet dat hij nog niet lang geleden zelf zijn vrouw heeft verloren.

    Julian Barnes vergelijkt romans met steden. Er zijn steden die helder ontworpen zijn, zoals de kleurige metrokaarten. En er zijn steden zonder zo’n routekaart, waar je zelf de weg moet vinden en kan dwalen. In deze essays zijn beide benaderingen verenigd. Barnes maakt je deelgenoot van zijn dwalingen door de literatuur en neemt de tijd om te ‘pauzeren’ en te ‘lummelen’, maar door zijn heldere en precieze schrijfstijl raak je nooit de weg kwijt.

     

     

  • Literaire tomaten

    Literaire tomaten

    Misschien maar beter bij aanvang gezegd: wanneer de slotwoorden van deze negende feuilletonbundeling er niet om liegen, is hiermee zijn laatste verschenen: ‘Ik neem afscheid van de trouwe volgers van mijn Restletsels. Vaart allen wel en: ketemoe lagi!’ Anders dan bij Philip Roth, die onlangs kenbaar maakte niet meer te schrijven omdat hem daartoe geestelijk de strijdlust ontbrak, ligt bij Jeroen Brouwers de oorzaak vooral in het fysieke: twee herseninfarcten, een lamme schrijfhand bij een toch al puffend, reutelend en haperend lichaam maken het schrijven voor hem tot een hels karwei. Te geloven dat de inspiratie bij deze literaire mopperkont tanende zou zijn ligt niet voor de hand gezien de omvang van dit negende deel feuilletons. Met bijna 300 pagina’s is deze laatste bundel z’n dikste en misschien ook wel z’n beste.  Al blijft de ouverture Zwavelzuur ondermaats: een wat oppervlakkig stuk gewijd aan Willem Frederik Hermans en dan vooral aan diens Mandarijnen op Zwavelzuur, het zuurbad waarin Hermans vanaf de jaren vijftig de toenmalige mandarijnen van het literaire establishment de oren waste. Brouwers brengt hierin geen nieuwe visie naar voren. ’t Lijkt eerder duidelijk te willen maken waar hij de inspiratie voor zijn eenmanstijdschrift vandaan haalde, en verder scherpt hij het begrip ‘polemiek’ aan: ‘Polemiseren: is chargeren, overdrijven, pletten. Hoe heftiger hoe leuker. Belachelijk maken, simplificeren: allemaal toegestaan. Hoe scherper de karikatuur, hoe duidelijker de essentie van de ergernis. (..) Wie polemiseert moet vooral niet met zeven brillen op en met in iedere hand een vergrootglas aandachtig gaan zitten nuanceren (…) Kinderachtig? In de liefde en de polemiek doet alles ertoe. (…) Polemiek is nooit verheffend.(…) Kenmerkend voor de polemiek is de taalbrille waarmee het allemaal wordt uiteengezet en opengelegd (…) Het komt aan op de hakbijlscherpe formulering van hetgeen in de ogen van de polemist ten hemel schreiend verkeerd is en op exacte karakterisering van de persoon die zich eraan heeft bezondigd, waarna het tomatengooien kan beginnen onder het liefst zo hilarisch mogelijk en ijzig sarcastisch slaken van beledigingen, beschimpingen en vervloekingen, alles in zo briljant mogelijke taal en zegging.’ Voor wie mocht denken dat dan alles geoorloofd is, knijpt Brouwers in de rem: ‘Niet lasteren. Niet liegen. Polemiek moet in die zin betrouwbaar en waar zijn, dat alle schandelijkheden die de polemist zijn tegenstander in diens verwerpelijke tronie wrijft, met bewijzen en argumenten moeten worden gestaafd’. Brouwers betreurt het intussen dat de polemiek geen echte literaire erkenning geniet zoals een roman, toneelstuk of gedicht. Terwijl de polemiek zijns inziens bepaald niet het makkelijkst te beoefenen literaire genre betreft, waaraan men zich dan ook beter niet waagt als men zich niet reeds eerder in andere literaire vormen heeft bekwaamd. In navolging van wat wijlen F. Jacobse van De Tegenpartij als ‘interrumperen’ beschouwde, te weten ‘mondelinge tomaten’, ziet Brouwers het polemiseren dus als een soort literaire tomaten. Welnu, de positie is bepaald, het mes is geslepen. Beginnen maar!

    Van alles komt langs. Kleine dingetjes, grote dingetjes. Soms wat gezocht, soms wat melig (‘Aleid Truitjes’). Soms wat aanstellerig taalgebruik als ‘onderlaatst’ voor ‘onlangs’, en het parmantige ‘collegae’. Brouwers bewandelt stilistisch niet de kortste route: ‘Het door J. Weverbergh door het Letterenhuis geoffreerde bedrag, waarvoor J. Weverbergh met het Letterenhuis tot overeenkomst kwam, deed J. Weverbergh opeens beseffen (..).’ Natuurlijk, die stapelmethode is onderdeel van zijn stijl, maar ’t kan soms vermoeiend lezen. Stilistische overacting ligt op de loer. Maar toch leg je als lezer de bundel niet weg, want als Brouwers eenmaal echt los gaat, krijg je als lezer beslist iets smakelijks voorgeschoteld. Dan voldoet hij ruimschoots aan zijn eigen definitie van de polemiek. Het fulmineren tegen het Letterkundig Museum (‘letterenbordeel’), inzonderheid tegen de directeur die als ijdeltuit wordt afgeserveerd, is tot een omvangrijk prachtstuk uitgegroeid. En daarbij mag zeker gelachen worden. Directeur Aad Meinderts ging bij wijze van ‘literaire roadtrip’ de graven langs van honderd vooraanstaande, dode Nederlandse schrijvers. Om er een roos op te leggen. Uit het daarvan verschenen boekje lepelt Brouwers zo nu en dan een citaatje op, dat hij van snedig commentaar voorziet: ‘“Tijdens de reis twitter ik dat het een aard heeft”, schrijft de druktemaker. Dat het een aard heeft! Zelf ter aard had hij moeten gaan. In overall. Schrobben had hij gemoeten, als pantheondirecteur de schrijversgraven om te beginnen schoonboenen als stijlvol eerbetoon, dat had hij gemoeten, nederig en met respect, op handen en knieën over de arduinen naamplaten kruipend van degenen aan wie hij zijn leuke baantje dankt.”’ De terechtstelling van Jan Siebelink verderop in de bundel is niet minder vermakelijk. Hoe de zichzelf in interviews als calvinistisch afficherende schrijver ooit eens ten overstaan van Brouwers en diens toenmalige gezellin schaamteloos kenbaar maakte lust te hebben ‘in een lekkere hoer’ leest men beter zelf. Brouwers op z’n best!

    Brouwers zou Brouwers niet zijn als de polemiek zo nu en dan niet ook plaatsmaakt voor stukken waaruit overduidelijk compassie spreekt. In een kort, liefdevol geschreven stukje over de overleden literaire verschoppeling Marcel van Maele treft de fraaie zin: ‘Hij zorgde ervoor dat men om hem lachte als clown, om niet te worden uitgelachen om zijn ernst.’ Een waarderend stuk, De wereldreus, over Harry Mulisch die Brouwers altijd hoog had staan, mist daarentegen een heldere lijn. Als persoonlijk eerbetoon komt het niet echt uit de verf. Wel weet Brouwers ook hier met sommige fraaie, in dit geval niet pesterig bedoelde typeringen te scoren als ‘bejaarde poppenkasthoofd’ voor de kop van Mulisch. Het opstel schudt een tas met wederwaardigheidjes leeg en de lezer mag er naar believen wat uithalen. Een van de interessantste is evenwel het feit dat Brouwers het motto voor zijn roman Bittere Bloemen lukraak gekozen heeft toen hij, na van Mulisch’ dood vernomen te hebben, een Mulischboek uit de kast trok en opensloeg…Geheel in Mulisch’ stijl om het raadsel te vergroten, houdt Brouwers de vindplaats van het citaat voor zich.

    Met het klimmen der jaren mag zijn vriendenschare afgenomen zijn, het aantal vijanden lijkt er niet minder op geworden. En over die laatste lijkt Brouwers bij lange na niet uitgeschreven. De Nederlandse Taalunie rekende buiten de waard toen zij de auteur in 2007 met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren waardig dacht te eren. Het daaraan verbonden geldbedrag van € 16.000,- was in Brouwers’ ogen echter niet in overeenstemming met de zogenaamde waardigheid van de oeuvreprijs. Hij weigerde dan ook. De schimpscheuten richting die club schieten nog steeds voorbij in deze bundel. Her en der, in gevarieerde formulering, weerklinkt het als een Leitmotiv: ‘Intussen blijft onverminderd mijn overtuiging staande dat het onzininstituut taalunie, drijvend op miljoenen uit twee landen die krom gaan onder de bezuinigingen en inkrimping, onmiddellijk en zonder dat iemand het missen zal, kan worden opgedoekt’. Ach, Brouwers zit nog zo vol van anderen dat hij niet eens veel plaats inruimt voor zijn eigen sores. Want natuurlijk slaat de titel Restletsels behalve op het geestelijke ongemak ook op de fysiek zorgelijke toestand van de schrijver zelf. Ook dat is een terugkerend motief. Het zelfbeklag blijft echter ondergeschikt aan het op de hak nemen van de hedendaagse, door computers bestierde ziekenhuizen en de eeuwenoude arrogantie van sommige geneesheren. Tja, na lezing van deze bundel bekroop me toch het gevoel dat het ergens onrechtvaardig zou zijn als Brouwers wordt opgeheven in plaats van de Taalunie.

     

  • ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’

    ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’

    De bundel bestaat uit 185 zeer korte verhalen, met allemaal dagelijkse gebeurtenissen als onderwerp of in ieder geval als uitgangspunt. Hoofdpersoon is een verhalenschrijver die in een dierenwinkel werkt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het schrijven van verhalen doet hij in een ateliercomplex dat hij deelt met andere kunstenaars. Aangezien hij zo kort mogelijke verhalen schrijft, beperkt zijn werkweek zich tot hooguit 25 minuten. De rest van de tijd in zijn atelier drinkt hij rosé, rookt hij sigaretten en ligt hij op de bank.

    Daarnaast gaat hij met vrienden naar de kroeg, op bezoek bij ouders en oma, terug naar de plaats waar hij is opgegroeid. Hij maakt ook diverse kleine reisjes door Nederland en België en woont samen met een vriendin die hij steeds minder verstaat. Alles bij elkaar gebeurt er weinig, zoals de titel al aangeeft, maar toch geeft deze alledaagsheid aanleiding tot verrassende observaties, absurde gebeurtenissen, ontroerende of schokkende taferelen, weergegeven in een onderkoelde toon, met associaties die soms nergens op lijken te slaan, in een gemoedsstemming die meestal somber is en altijd kritisch, zowel over de mensen om hem heen als over zichzelf.

    Hoe kort de verhalen ook zijn, ze zetten de lezer aan het denken, geven hem een andere kijk op de alledaagse werkelijkheid, ontdekken met de schrijver mee hoe doorzichtig de menselijke handelingen en drijfveren zijn. Het geheim van deze ontdekkingen ligt in een scherp observatievermogen, gepaard aan een groot gevoel voor relativering.

    Een enkel voorbeeld van deze stijl: ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’  Of: ‘Het lijkt of ze mijn naam schreeuwen. Maar dan mijn echte naam, die ikzelf ook nog nooit gehoord heb.’

    En als een natuurlijke verlenging van die werkelijkheid neemt het verhaal soms een vlucht in het absurde: een kerstpakket dat het hoofd van de baas bevat; een cabaretier die zijn publiek doodschiet. Daarnaast zijn er ook ontroerende of schokkende verhalen, over een bezoek aan zijn oma, de dood van zijn konijn, de zelfmoord van een jongen van vijftien die op school werd gepest.

    Het spreekt vanzelf dat het voor een lezer niet te doen is om die verhalen allemaal achter elkaar door te lezen. Dat zou al snel een oververzadiging geven, en zo de waardering van de verhalen negatief beïnvloeden.

    Toch zit er wel degelijk een eenheid in de bundel. Er wordt een levensecht beeld geschilderd van een hoofdpersoon die aanspreekt. Een goeierd, een slappeling met veel inzicht en wat minder daadkracht, een drinker, een dromer met de behoefte aan iets groters, maar misschien is dat te veel gevraagd en ook helemaal niet nodig.

    Al met al een boeiende bundel, in een verrassend scherpe stijl die de lezer bij zijn nekvel grijpt.

     

     

     

     

  • Faulkner lezen betekent lezen, lezen en blijven lezen. 

    Faulkner lezen betekent lezen, lezen en blijven lezen. 

    In 1956 werd William Faulkner de vraag gesteld wat hij te zeggen had tegen lezers die zijn werk zelfs na twee of drie keer lezen niet begrepen. ‘Lees het vier keer,’ antwoordde hij.

    Philip Roth noemde Faulkner (1879-1962) ooit de ruggengraat van de Amerikaanse literatuur en veel schrijvers, onder wie J.M. Coetzee en Maarten ’t Hart, werden diepgaand door hem beïnvloed. Toch is Faulkner in Europa nooit erg populair geweest en verschillend lezers hebben naar verklaringen gezocht voor dit onrecht. Het is niet moeilijk om een verklaring te bedenken. Want wie in Europa leest er graag romans die zich afspelen in het broeierige Zuiden van de Verenigde Staten, waar racisme de moraal bepaalt en waar het verlies van de burgeroorlog nog altijd doorzeurt?

    Maar het is niet alleen het decor van Faulkners romans dat veel lezers weerhoudt ze te gaan lezen. Faulkner kan het zijn lezers soms verdomd moeilijk maken. Dat geldt voornamelijk voor de twee romans The Sound and the Fury en Absolom Absolom!. Deze twee ‘real son-of-a-bitches’, zoals hij ze noemde, hielpen Faulkner weliswaar in 1949 aan de Nobelprijs voor literatuur, ze hebben ook de status van ondoorgrondelijk en moeilijk leesbaar. Beide romans zijn nu verkrijgbaar in een prachtige, nieuwe Nederlandse vertaling van de hand van Bartho Kriek. In 2010 verscheen Het geluid en de drift (The sound and the fury) en in augustus van dit jaar was het de beurt aan Absolom Absolom!

    Hoe lastig Faulkners werk zijn kan, bleek recent nog eens toen vertaler Kriek in een interview moest toegeven dat hij een eerste poging om Absolom Absolom! te lezen ergens halverwege had gestaakt. Het is illustratief voor hoe het een beginnende Faulkner-lezer kan vergaan; een boek niet uitlezen omdat het te moeilijk is, het vervolgens opnieuw proberen, je erin vastbijten, niet willen opgeven en uiteindelijk zo geraakt worden door de woorden dat je het moet en zal vertalen. Want wie eenmaal besloten heeft Faulkner te lezen zal dat niet gauw vergeten.

    Wat maakt Absolom, Absolom! zo ingewikkeld? Ten eerste zijn er de lange zinnen en het vreemde gebruik van interpunctie. Het duurt even voordat je daar aan gewend bent en het gaat waarderen. Ten tweede, Faulkner heeft de merkwaardige neiging om verhalen indirect te vertellen. Zelden of nooit is er een alwetende verteller aan het woord.  In plaats daarvan worden gebeurtenissen door personages verteld, vermengd met hun eigen gedachten, interpretaties, suggesties en gebreken. Faulkner leidt de lezer via omtrekkende bewegingen naar de personages toe. Pas na verloop van tijd komen we dichter en dichter bij ze, zo dicht dat je ze denkt te kunnen voelen.

    Die indirecte manier van vertellen is in Absolom Absolom! tot in het extreme doorgevoerd. Het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld, is het verslag van een oudere vrouw, Rosa Coldfield, dat zij vertelt aan de jonge Quentin. Het zijn haar emotionele herinneringen die een warrig en bovendien onvolledig beeld geven van wat er vroeger gebeurd is. Het slechtste wat je als lezer hier kunt doen, is proberen alles te begrijpen. De flarden van Rosa schetsen een onduidelijk beeld, waar langzaam orde in aangebracht zal worden. Dat hele proces is in de roman bijna net zo belangrijk als het verhaal dat verteld wordt.

    Ook bij het beschrijven van zijn personages gebruikt Faulkner een indirecte manier van vertellen. Let bijvoorbeeld eens op hoe de hoofdpersoon Thomas Sutpen wordt beschreven. Rosa Coldfield zet hem neer als een boeman, een ondoorgrondelijke man, zonder gevoel of vermogen tot medeleven, die doelbewust zijn eigen gezin te gronde heeft gericht. Dat afstandelijke, bijna duivelse beeld van Sutpen blijft in de roman heel lang in stand omdat we alleen de gekleurde verhalen horen van hen die hem niet of nauwelijks gekend hebben. Pas later komt er nuancering in dat beeld, wanneer een deel van Sutpens eigen verhaal, zij het via Quentins grootvader, verteld wordt. Op die manier stelt Faulkner het beeld dat iemand van zichzelf heeft tegenover het beeld dat anderen van hem hebben. De vraag hoe de persoon werkelijk is, is daarbij irrelevant geworden.

    Het duistere verhaal draait om de ondergang van het gezin Sutpen. Thomas Sutpen is een man van weinig woorden die vanuit het niets met ‘een groep wilde negers’ in het kleine stadje Jefferson aankomt en zich in korte tijd tot een rijke grondbezitter weet op te werken. Hij trouwt met de zus van Rosa, en ze krijgen twee kinderen: Judith en Henry. Door Rosa’s emotionele manier van vertellen weten we meteen al dat het gezin te gronde zal gaan, al begrijpen we nog niet goed hoe. Wanneer Henry gaat studeren maakt hij kennis met de jonge Charles Bon, voor wie hij een innige vriendschap opvat. Bon lijkt de ideale huwelijkskandidaat voor zijn zus Judith maar op het laatste moment maakt vader Thomas bezwaar. De zoon breekt met zijn vader, neemt samen met Charles dienst in het leger ten tijde van de Amerikaanse burgeroorlog en schiet uiteindelijk zijn beste vriend onder de ogen van zijn zus dood. Waarom?

    De dramatische antwoorden komen langzaam, maar niet met absolute zekerheid. Zoals gezegd, ze worden jaren later gereconstrueerd door Quentin en zijn studiegenoot. Die poging tot reconstructie geeft het boek een enorme zelfbewustheid, die je welhaast postmodern zou noemen als het boek niet zou zijn geschreven in een tijd dat er van postmodernisme nog helemaal geen sprake was. Bijna voortdurend is de lezer zich bewust dat hij een gereconstrueerd verhaal aan het lezen is. Tegelijkertijd staat dit het inleven in de personages en het opgaan in het verhaal niet in de weg.

    De kern van Absolom Absolom! heeft veel weg van een Grieks of Bijbels drama. De titel verwijst dan ook naar het verhaal van Absolom dat beschreven staat in het Oude Testament (Samuel 3). Amnon, zoon van koning David wordt verliefd op zijn zus Tamar, verkracht haar en wordt later gedood door zijn broer Absolom. Koning David kan niets anders uitroepen dan de klagende woorden Absolom, Absolom als hij te horen krijgt hoe zijn gezin te gronde is gegaan.

    Faulkner heeft het effect van het Bijbelse drama maximaal weten te benutten. Maar hij heeft er ook nog een aantal elementen aan toegevoegd. De sfeer van het boek is mysterieus, bij vlagen bijna griezelig in de zin van spookachtig, en lijkt erg op die van Engelse Gotische romans uit de negentiende eeuw. Ook het moderne Amerikaanse racisme, het onderscheid tussen zwart en blank, speelt een belangrijke, tragische rol in het verhaal.

    Absolom Absolom! wordt doorgaans geïnterpreteerd als een verhaal dat in de kern gaat over de ontwikkeling van de zuidelijke staten van de Verenigde Staten. Dat mag zo zijn, maar zoals Hamlet niet alleen maar over het koninkrijk Denemarken gaat, gaat dit boek niet alleen over het zuiden van de Verenigde Staten. Faulkner bezat een ongekend talent voor het verwoorden van menselijk drama en een groot gevoel voor medemenselijkheid. Dat maakt dat deze roman niet aan tijd en plaats gebonden is.

    Absolom Absolom! is één van de vele hoogtepunten in Faulkners oeuvre, maar ook het moeilijkste. Veel lezers zullen zich stuk lezen op de lange zinnen en de verwarrende manier van vertellen. Bij Faulkner is de beste weg dan ook die van de omtrekkende beweging. Een voorbeeld van een goed af te leggen weg begint bij As I lay dying en leidt via Light in August en The sound and the fury naar Absolom Absolom! Faulkner lezen betekent lezen, lezen en blijven lezen. Desnoods vier keer.

     

     

  • ‘We waren weer een gezin, een liefde die de ruimste privésfeer vormde waar ik ooit in vertoefd heb.’

    ‘We waren weer een gezin, een liefde die de ruimste privésfeer vormde waar ik ooit in vertoefd heb.’

    Voor sommige boeken moet je even je best doen voordat ze je grijpen. Swamplandia! is zo’n boek.

    Swamplandia! De titel alleen al irriteert direct. Vervolgens kost het enige moeite om de taal van Karen Russell te ‘leren’ lezen, moet je je neerleggen bij een veelvuldig gebruik van hoofdletters, en moet je accepteren dat je veel woorden niet kent. Het verhaal boeit nog maar matig, het kabbelt een beetje voort en je hebt geen idee hebt waar het heen gaat. Maar dan ineens slaat die irritatie om. Dat gebeurt als De Openbaring van de Baggeraar wordt verteld, het verhaal over Louis Amen, de jongeman die op huiveringwekkende manier aan zijn einde komt. Daarmee krijgt het boek vaart en zit je plotseling middenin de broeierige en mystieke wereld van de dertienjarige Ava en haar zestienjarige zusje Osceola (Ossie) in de dampige moerassen van de Everglades in Florida.

    Swamplandia! is een treurig pretpark. Het is een alligatorpark dat gerund wordt door de familie Bigtree, maar alles is er gedateerd: de shows, de affiches, de bedrijfskleding, ja zelfs het herkenningsmelodietje klinkt aftands. De treurigheid druipt er vanaf en de ellende is compleet als Hilola Bigtree, de moeder van het gezin en grootste publiekstrekker voor het park, onverwacht overlijdt en er een groot nieuw pretpark op het vasteland zijn deuren opent. De bezoekers blijven weg en het gezin valt in een onbestemd gat. Kiwi, de oudste zoon van 17 heeft geen vertrouwen meer in de daadkracht van zijn vader en vindt een baan bij de concurrent. Vader Bigtree (Chief) blijft een kinderlijk vertrouwen in zichzelf en zijn nieuwe ideëen voor Swamplandia! houden en vertrekt voor onbepaalde tijd om die plannen voor te bereiden. Ava en Osceola blijven alleen achter totdat ook Osceola verdwijnt. Zij communiceert met de doden en gaat, zo heeft ze haar zusje toevertrouwd, trouwen met de geest van Louis Amen.

    Dan verlaat ook Ava het veilige huis en gaat op zoek naar haar zusje. Ze krijgt hulp uit onverwachte hoek van iemand die zich De Vogelman laat noemen. Waar hij plotseling vandaan komt en waarom hij het meisje wil helpen blijft een raadsel. Het is het begin van een spookachtige tocht met een op zijn minst twijfelachtige slagingskans.

    Het grootste gedeelte van het boek is vanuit Ava geschreven. Haar gedachten en de dingen die ze tegen anderen zegt zijn van een 13-jarige en doorspekt met tal van vragen die een meisje van die leeftijd door het hoofd kunnen spelen. Dat is soms ontroerend, soms geestig en soms kinderlijk naïef. De rest van het verhaal dat vanuit haar perspectief verteld wordt over de flora en fauna van het moeras, de geschiedenis van Florida en de oorspronkelijke indiaanse bewoners, heeft gelukkig niet de kinderachtige toon die je in andere boeken met een kinderperspectief soms aantreft. Karen Russell heeft deze valkuil ontweken door in het verhaal een bibliotheekboot op te voeren, een verlaten varende bibliotheek waar Ava vaak over deze onderwerpen heeft zitten lezen.

    In het resterende gedeelte van het boek is Kiwi de centrale figuur. Hij heeft zijn vertrouwde  maar wereldvreemde omgeving verlaten en moet het nu alleen klaren. Mooi is de tegenstelling tussen de werelden van broer en zus want hoe verder Ava verdwijnt in de zompige wereld van de mangrove vol dazen, krekelsprieten, karstgaten, ikakopruimen, zeepokken en schimmel, hoe beter Kiwi de normale wereld leert kennen en er zijn draai weet te vinden.

    Zoveel woorden als Russell nodig heeft voor de aanloop van het verhaal in Swamplandia!, zo snel breit ze er een slot aan. Alle verhaallijnen, ook die van Chief Bigtree en Osceola, komen uiteindelijk samen en het verhaal komt in een sneltreinvaart tot een einde. Erg geloofwaardig zijn de laatste ontknopingen niet, maar inmiddels ben je zo gegrepen door het verhaal dat dat niet meer deert.

    De tegenstelling tussen avontuur en werkelijkheid in Swamplandia! is fraai. Alles wat zich afspeelt op Swamplandia! en wat Ava daarna meemaakt, heeft een sprookjesachtige, onwerkelijke en broeierige sfeer en brengt je terug in de magie van de boeken uit je kindertijd. Maar in het verhaal van Kiwi overheerst de realiteit, en die zet je midden in een herkenbare samenleving. In de delen over Kiwi is Russell ook minder uitbundig in haar taalgebruik. Geestig wordt het als deze werelden aan het eind van het boek een eigen samengestelde werkelijkheid gaan vormen en alleen de lezer weet hoe de vork in de steel zit. De climax van het boek ligt uiteindelijk niet in het verhaal van Ava, maar in het relaas van een gezin. Langzaam maar zeker ontdek je dat het gaat over de verwerking van het verlies van een moeder, volwassen worden en de kracht van een gezin. Russell schetst dit gezin in al zijn warmte, eigenheid en kwetsbaarheid.

    De doorzetter die het begin voor lief neemt, wordt dus ruimschoots beloond en gaat zelfs begrijpen dat de elementen die in aanvang zo storend waren, uiteindelijk bijdragen aan de sinistere en beklemmende sfeer van het boek. Het blijkt een zot, fantasievol verhaal waarvan je het einde wilt weten en dat meer inhoud heeft dan je aanvankelijk dacht.

    Swamplandia!

     

  • Een lapzwans met een talent

    Een lapzwans met een talent

    Philip Snijder kan schrijven. Dat is geen nieuws, dat wisten we sinds zijn debuut Zondagsgeld uit 2007. In dat sympathieke debuut schotelt de schrijver in een tiental verhalen de lezer de wereld voor van de Westelijke Eilanden in Amsterdam toen deze nog echt volks waren, jongens ‘pik’ werden genoemd en de vrouwen citroenbrandewijn dronken. Het meesterlijke aan deze verhalen was de combinatie van een bijna volmaakte stijl, een vergevend soort humor, en het achterbuurtkarakter van de personages.

    De hoofdpersoon van Zondagsgeld zou heel goed de centrale figuur van Snijders derde boek Het geschenk kunnen zijn: de aan zijn milieu ontgroeide 22-jarige, die met een vriendin in een krotwoning op deze zelfde eilanden woont en in een lang weekend zich tracht te verhouden tot zijn vaders naderende dood.

    De zoon belooft in het weekend zijn opa op te zoeken. Het contact tussen de opa en de vader is decennialang verbroken geweest. Nu de vader aan zijn laatste heldere moment toe is – de laatste succesvolle drainage van zijn door een tumor gekwelde schedel is aanstaande – moet de zoon aan het eind van dat weekend vertellen hoe dit bezoek uitgepakt heeft. Dat is ‘het geschenk’ dat de zoon voor zijn vader in gedachten heeft.
    Maar de zoon komt er niet toe. In het bejaardenhuis ziet hij te zeer op tegen het contact met de oude man om hem aan te spreken. De dag erna wil hij dat compenseren door af te reizen naar het Groningse kanaaldorp waarvan zijn opa en vader geboortig zijn.
    Daar vergrijpt hij zich slechts aan een plaatselijke schone. De zoon is een lapzwans.

    Maar, zo wil de schrijver ons laten geloven: een lapzwans met een talent.
    Een groot deel van het boek is gevuld met een verhaallijn die de jongen bij gebrek aan echte geschiedenissen van de opa zelf maar verzint: een episode in Groningen, met grootvader als hoofdfiguur in de rol van verzetsheld.
    De zoon verschaft zichzelf adelsbrieven met een grootvader in het verzet en de schrijver compenseert de halfhartigheid van de zoon met het talent van de jongen: het werkelijke geschenk van de zoon aan zijn vader. Een vader die altijd al, zo lezen we ook in Zondagsgeld, aan het domme volk ontstegen was, maar toch ook niet tot echte intellectuele wasdom was gekomen.
    Dit is een ingenieuze constructie, maar de gehele Groningse episode is stilistisch veel minder interessant, en daarbij het zoveelste verzetsverhaal, waarbij de lezer toch immer de bittere smaak in de mond krijgt dat iedereen altijd maar in het verzet gezeten heeft.

    Sterk van Snijder is dat hij de hoofdpersoon genadeloos in al zijn halfhartigheid neerzet. Hij heeft een vriendin, maar rommelt wat aan, hij bezoekt films in de lokale pornobioscoop, maar is maagdelijk beschroomd daar een vrouw aan te treffen. Hij belooft zijn moeder aan zijn vaders verzoeken te voldoen, maar slechts de uiterlijkheden ervan volbrengt hij. Misschien is het wederom genadeloos dat hij de jongen zich een heldhaftig voorgeslacht laat dromen. Maar op dat moment laat de schrijver de lezer in de steek, want de lange episode is gespeend van de humor die Snijders boeken zo aantrekkelijk maakt, en ook van de relativering die in de andere boeken van Snijder zo verfrissend binnen sijpelt.
    Of de relativering moet zijn: kijk die arme jongen zich eens met een dapper voorgeslacht optooien terwijl het zielige zooitje al decennialang in de modder van de Grote Bickersstraat rond baggert.
    Daarmee is Snijder onaardiger voor de volkse personages en minder ironisch-medelevend in Het geschenk dan in de vorige twee romans.

    Philip Snijders is sinds 2007 een absolute aanwinst voor de Nederlandse literatuur, zijn vermogen heel normale mensen op een heel bijzondere manier te beschrijven met slechts zijn goede pen en meeslepende ironie is ongeëvenaard. In Het geschenk vergaloppeert hij zich door een literairderige tweede verhaallijn, (en wat literaire verwijzingen over de hoofden van zijn personages heen) maar misschien vooral door een te grote afstand van de mensen waarover Snijder het best schrijft: de vrouwen van de citroenbrandewijn en de mannen met hun eeuwige shag.