• Een en al puzzel

    Een en al puzzel

    Tadashi Omura, rechtsgeleerde uit Tokyo, vertelt over het legpuzzelfanatisme van zijn vader, met name diens voorliefde voor himitsu-e-puzzels. Deze zijn zo geraffineerd dat je ze op oneindig veel manieren kunt oplossen, zelfs als de oplossingen tegenstrijdig lijken. Toppunt van Japanse ambachtelijkheid. Op een dag kocht de vader een Europese legpuzzel: vijfduizend stukjes, wat een uitdaging! Hij had erover gelezen in een Japans legpuzzeltijdschrift. Maar wat een deceptie! Voor zulke puzzels is maar één oplossing, te vinden op de deksel van de doos; een gedetailleerde illustratie: zó moet het. Tadashi’s vader was verbijsterd: het maakt niet uit waar je begint, je eindigt altijd met hetzelfde resultaat en dat weet je van tevoren al. 

    Omura heeft de rol van verteller in The Snow Kimono, het zojuist in het Nederlands vertaalde boek van Mark Henshaw. In Parijs klampt de Japanse hoogleraar de gepensioneerde, alleenstaande politieman Auguste Jovert aan, die in de rol van toehoorder gedrongen wordt. Omura lijkt het een en ander van de voormalige inspecteur te weten, maar wat en hoe is niet duidelijk. Het legpuzzelverhaal is kennelijk niet alleen voor de oude inspecteur bedoeld, maar ook voor de lezer: De sneeuwkimono is inderdaad een verzameling puzzelstukjes en het staat je kennelijk vrij je eigen oplossing te bedenken, ook al lijkt die onwaarschijnlijk. De centrale vraag is misschien wat Jovert en Omura met elkaar te maken hebben: waarom vertelt de Japanner zijn levensverhaal aan Jovert en waarom is de Parijse politieman bereid om dit geduldig aan te horen? Een onoplosbaar probleem, lijkt het. Zouden er soms een paar stukjes ontbreken? De titel van Henshaw’s boek verwijst naar Japan, maar er is aanzienlijk meer aan de hand. De auteur is Australisch, de handelingen zijn gesitueerd in Parijs, Osaka en Algerije; in kringen van militairen, handelaars, schrijvers en juristen. Jovert is op zoek naar een jonge vrouw die beweert zijn dochter te zijn, Omura vertelt uitvoerig over een oude vriend, Katsuo Ikeda, en met name diens duistere relaties met een vrouw die bij hem wegloopt, haar dochter en kleindochter, pleegfamilie en personeel.

    Verhalenverteller
    Henshaw is geen groot schrijver, toch weet hij de aandacht vast te houden: een typische verhalenverteller, net als zijn protagonist Omura. Hij slaat onderweg tal van zijweggetjes in, maar dat besef je pas na verloop van tijd. Hij geeft wel iets prijs, maar houdt als een goochelaar de kaarten voldoende dicht tegen de borst. Je leest door vanwege de belofte dat je de geheimen nog zult leren kennen. Op de eerste pagina’s van het boek wordt Jovert door een auto aangereden, er is iets met zijn knie en hij moet na een verblijf in het ziekenhuis op krukken naar huis. Als hij voor de deur van zijn appartement zijn sleutels laat vallen, raapt Omura ze voor hem op. Deus ex machina. Over het ongeluk en de krukken zul je trouwens niets meer horen. De brief van de onbekende vrouw uit Algerije leidt bij de inspecteur tot herinneringen aan zijn tijd als pied noir, maar of hij zijn veronderstelde dochter gaat opzoeken, zoals hij van plan lijkt te zijn, komen we niet te weten. Hij had een minnares in Algiers, maar had hij wel een dochter?

    De gebeurtenissen in Japan, uit de koker van Omura, worden eveneens doorkruist met zulke zijwegen: een babylijkje in het ijs, een busongeluk waarbij de zoon van de chauffeur onder het slippende voertuig verpletterd wordt, de uil die er vandoor gaat met het oor van een moordslachtoffer. Stuk voor stuk dramatische accenten van heb-ik-jou-daar, maar desondanks puzzelstukjes die op schijnbaar willekeurige plekken terechtgekomen zijn. Dat geldt zelfs voor het voorwerp waar de titel van het boek naar verwijst. Katsuo Ikeda, een successchrijver met veel geld en aanzien, verwerft een jonge bruid die aan hem wordt gepresenteerd in een zeldzame, spierwitte kimono: in het licht van de lamp lijkt het alsof de stof geweven is van pasgevallen sneeuw, verlicht door de zon, het dessin bestaat uit lange, dunne stelen van orchideeën, nog in de knop, die hun kopjes omhoog steken uit de verse sneeuw. De climax van het verhaal? Nee, toch niet, het kostbare kledingstuk speelt in het boek verder geen rol. Mark Henshaw moet haast wel een boodschap verkondigen: maak je los uit de platte logica van een Europese legpuzzel!

    Jovert worstelt zelf ook met alle losse eindjes, maar hij probeert uiteindelijk toch het patroon van zijn leven te ontdekken. Je keek terug, overdacht wat er wás gebeurd. Zijn conclusie is dat je als mens in het midden van een web van relaties staat waardoor je met iedereen op de wereld verbonden bent. Hoewel hij met geen mogelijkheid had kunnen voorspellen dat hij Omura zou tegenkomen, is het nu toch of hij bij alle verhalen aanwezig is geweest. Als ooggetuige, misschien zelfs als deelnemer. Door deze betrokkenheid vinden zelfs persoonsverwisselingen plaats: was Omura eigenlijk wel wie hij voorgaf te zijn, of waren de verhalen uit de mond van Ikeda afkomstig? Jovert had de kleine Japanner zojuist nog buiten op straat in de sneeuw zien staan, met een klein aantekeningenboekje. Als zijn nieuwe inzicht tot hem doordringt, kijkt hij nog eens uit het raam. Omura (of Ikeda) staat er niet meer, hij is uit het zicht verdwenen.

     

     

  • Oogst week 23

    Wat kwam er binnen op de redactie van Literair Nederland? In de Oogst elke week een kort overzicht.

    Door Carolien Lohmeijer

    Els Launspach geeft les aan de Theaterschool in Amsterdam. Tekstanalyse, dramatische structuur, opbouw van de personages, dieptewerking en historische achtergronden. Ook schrijft zij (jeugd)romans en essays. Jonker gaat over de succesvolle architect Jonker Duivendal die plots merkt dat belangrijke opdrachtgevers zijn eigenzinnige aanpak niet langer waarderen en zijn familie hem laat vallen. Gealarmeerd gaat hij op onderzoek uit. Hij begint brieven te lezen die zijn moeder Beth heeft bewaard, in de hoop iets te vinden waardoor hij de situatie gaat begrijpen. Langzaam wordt hem duidelijk dat het familieconflict een gevolg is van de politionele acties in Indonesië. Hij kan die ontdekking echter niet met zichzelf verbinden.
    Jonker, Els Launspach, Uitgeverij In de Knipscheer, 336 pagina’s, € 19,50

     

    Viva l'ItaliaIn zijn inleiding van Viva l’Italia schrijft Italiëliefhebber Johannes van der Sluis over de grote aantrekkingskracht van Italië op toeristen. Maar: ‘Dat de realiteit soms de fantasie logenstraft, wordt vooral door buitenlanders voor lief genomen of genegeerd, het is immers Italië. De corruptie, de georganiseerde misdaad – geromantiseerd in films –, de xenofobie, de vervuiling, de kitsch van de Italiaanse televisieprogramma’s, de schaamteloze lelijkheid en letterlijke en figuurlijke duisternis van de stedelijke periferie; de charme wint het van de schaduwzijden.’

    Verderop vertelt hij: ‘In korte misdaadverhalen in Viva l’Italia, waarbij ‘misdaad’ ruim moet worden opgevat, en die zich afspelen in de twintig regio’s van het land, komen bekende facetten van Italië voorbij, maar het is vooral een onderzoek naar het eigene van de verschillende regio’s, het onbekende, het perifere en soms duistere. De schaduw in plaats van de zon dus.’
    Viva l’Italia, Johannes van der Sluis, Uitgeverij Kleine Uil, € 15,-

     

    Een volstrekt nutteloos mensOok in de verhalenbundel van Jori Stam zijn ogenschijnlijk onschuldige situaties niet altijd wat ze lijken: van absurde taferelen in polderdorpen tot misantropie en waanzin in de stad.

    Jori Stam (1987) schreef met Een volstrekt nutteloos mens zijn debuut. Eerder publiceerde hij verhalen in verschillende literaire tijdschriften. Hij groeide op in de polder en studeerde Nederlandse taal en cultuur in Amsterdam. Zijn verhalen verschenen in verschillende literaire tijdschriften.
    Een volstrekt nutteloos mens, Jori Stam, Uitgeverij Atlas Contact, €19,99

  • Een op te lossen puzzel

    Een op te lossen puzzel

    Tegen een achtergrond van bomen, water, licht, sterren, foto’s, woorden en een naam ontwaart de lezer in Constellaties personages die als in een schimmentheater komen en gaan. Ze zitten, lopen, kijken, denken, en af en toe zeggen ze wat.

    Het boek is genomineerd voor de J.M.A. Biesheuvelprijs, een prijs voor de beste korte verhalenbundel in de Nederlandse taal. Of dit korte verhalen zijn, valt echter te bezien. Constellaties zou net zo goed voor roman kunnen doorgaan.

    In stukken tekst met de namen Wildgroei, Grond, Zon, Magnolia wordt of worden –vermoedelijk – een of meer verhalen verteld. De mannelijke personages lijken in elkaar over te vloeien en afwisselend vader, zoon en opa te zijn. Basis daarvan zou het kort het door Roelof ten Napel aangehaalde bijbelverhaal over Esau en Jacob kunnen zijn, hoewel uit geen enkel tekstdeel een conflict valt te distilleren, noch uit het totaal. De vrouwelijke figuren spelen een bijrol als zus, vriendin, echtgenote, moeder en oma. Er zit overlap in de personages, die soms met dezelfde naam terugkeren in een ander stuk. Ook de titel van het boek doet vermoeden dat de teksten niet los van elkaar staan. Maar wie is wat, waar en wanneer? Waar draait het om? Is Lux Lukos, is Lukos Noah of is Noah Robin? En is Anders Lux?

    De dialogen zijn kort en geven weinig prijs van wat de sprekenden werkelijk bedoelen. Zelden wekken die belangstelling of nieuwsgierigheid op, noch medelijden met hun schijnbare eenzaamheid. Het vele zwijgen suggereert diepere lagen, maar zonder verwijzingen naar welk drama dan ook levert het vooral saaiheid op.

    Op aparte pagina’s staan citaten van dichters, schrijvers en musici, door Ten Napel ‘enten’ genoemd en op andere pagina’s zijn met puntjes sterrenconstellaties weergegeven.

    Ondanks de vaagheid zijn er veel details te lezen over wat de in alle ‘verhalen’ terugkerende ik-figuur ziet en denkt. Het zijn vooral bespiegelingen over kleine handelingen, zoals het bekijken van een doos die onder een bed vandaan komt, of over het gewaarworden van licht. Wel raak je door de talloze details het zicht op de essentie al gauw kwijt. De beschrijvingen van de natuur, inclusief sterren, zijn kaal. Net als de personen zijn het beelden zonder emotie. Op een kwart van het boek rijst de vraag: waar gaat dit over, gaat het ergens naartoe, wat is de bedoeling?

    De enige manier om daar achter te komen is doorlezen en dat vergt doorzettingsvermogen voor wie zich graag laat boeien door begrijpelijke gebeurtenissen en belevenissen van mensen van vlees en bloed. Tussen de prozastukken, de enten en de constellaties zitten verbindingen, maar er is ook sprake van uit de hand gelopen associaties. Bij die conclusie aangeland maakt een onbegrijpelijke zin meer of minder niets meer uit.

    Wiskundestudent Ten Napel heeft bewust niet gekozen voor de gangbare opbouw van een verhaal. Uitgaande van dit boek is het zelfs de vraag of hij wel verhalen wil vertellen. Op www.cjp.nl zegt hij: ‘Waarschijnlijk is het een fout van mijn kant, maar ik word snel moe van ‘normale’ boeken. Van elk systeem dat zich vastzet in een bepaald patroon waar mensen blijkbaar tevreden mee zijn, word ik namelijk recalcitrant.’

    Mogelijk als gevolg daarvan doet ook zijn taalgebruik het lezen soms stokken. De woordvolgorde is af en toe tegendraads: ‘Ik groef tussen de planten een kuil’, in plaats van ‘Ik groef een kuil tussen de planten’, evenals de woordkeuze: ‘Ik kwam even bij haar zitten’ in plaats van ‘Ik ging even bij haar zitten’. Terminologie als ‘vervangen alle bladeren hun plaats’ in een zin waar windvlagen door bomen jagen, doet de lezer fronsen. Ook ‘Buiten de badkamer lag na het douchen een overhemd klaar’ wringt.

    Soms lijkt Ten Napel per ongeluk hedendaags jongerenslang te bezigen, bij keuzes als ‘Ik ben een soort verdoofd’ en ‘…ik ga je zien, ja?’.  Frasen als ‘De golven leggen zich voorbij zichzelf, laag over laag,’ daarentegen zijn weer prachtig en to-the-point.

    Het voortdurende gebruik van ik loop, ik zie, ik denk na, ik vraag, ik sta op, ik dit, ik dat, maken het lezen samen met de korte zinnen vermoeiend. Zelfs ‘ik adem in’ moet genoemd worden. Ten Napel op cjp.nl: ‘Als je conventies breekt, maar een lezer toch op een heel basale manier kunt raken, ontroeren, heb je pas iets bereikt.’

    Helaas is ontroeren nou precies wat dit boek niet doet. Daarvoor zijn de vertellinkjes te afstandelijk en is het geheel te veel een methodische constructie waarbij het louter om de vorm draait. Alleen het deel Magnolia, waarin de ik als kind bij opa en oma logeert waar zijn vader ook zou zijn maar toch niet komt en ‘ik’ daarom wraak wil nemen, roept bij de lezer gevoel en begrip voor de jongen op. En juist dat (hoofd)stukje gaat richting traditionele verteltrant.

    Ergens laat Ten Napel een ‘ik’ denken: ‘Ik begon me af te vragen of de woorden die ik had genoeg waren, of ik ooit zou kunnen zeggen wat ik wilde.’ Zeggen wat hij wilde heeft de auteur misschien gedaan. Of hij ook verteld heeft wat hij kwijt wilde, is de vraag. Als hij poëzie in plaats van proza zou schrijven, zou de kans daarop wellicht groter zijn.

    Al mag je personages en auteur niet zomaar met elkaar verwisselen, Ten Napel lijkt net zo zoekende te zijn als zijn vermoedelijke hoofdpersoon of hoofdpersonen. Als schrijver hecht hij belang aan woorden en dat doen zijn ‘ikken’ ook. Een van hen deelt mee: ‘Ik lees een boek. Iemand schrijft over hoe iets onvergetelijk zou kunnen zijn, zonder herinnerd te worden – dat het vergeten achterblijft, toch nog plek inneemt, en invloed heeft. Ik weet niet wat ik daarmee aanmoet.’

    En zo weet de conventionele lezer niet wat hij met Constellaties aanmoet. Het geheel wekt de indruk een knap bouwwerk te zijn dat nauwelijks streeft naar mee te leven verhalen. Als experiment is dat interessant, als verhalenbundel, roman of welk geheel van teksten ook, meer een op te lossen puzzel. Daar moet je dan wel zin in hebben.

     

     

  • Over hommels, hommels en nog meer hommels

    Over hommels, hommels en nog meer hommels

    Recensie door Hans Bender

    Bijen – de hommel is een grote en harige variant daarvan – vormen de grootste familie van de zogenaamde vliesvleugelige insecten. Dave Goulson is een Britse hoogleraar in de biologie en hij is gespecialiseerd in de hommel. Hij is de auteur van Een verhaal met een angel, dat als een veel omvattende monografie van de hommel kan worden beschouwd.

    Goulson begint zijn relaas met een waarneming van Nieuw-Zeelandse boeren, die er in de jaren 70 van de 19e eeuw achter kwamen, dat de rode klaver, die ze als voer voor hun paarden en runderen uit Engeland hadden geïmporteerd, maar weinig zaad voortbracht. Ze zagen zich dus genoodzaakt het uit Europa te importeren. Een advocaat, die in 1869 naar Nieuw-Zeeland was geëmigreerd, was behalve jurist een enthousiast insectkundige. Hij ontdekte het probleem: het betrof een gebrek aan hommels die de klaver in Groot-Brittannië met stuifmeel bevruchtten. En hierdoor vindt, zoals bekend, in de plantenwereld de voortplanting plaats. Na een aantal mislukte pogingen kwam het in 1885 tot een succesvolle ‘immigratie’ van hommelkoninginnen, die nesten bouwden en nakomelingen voortbrachten. Ze doen het tot op de huidige dag zeer goed in Nieuw-Zeeland.

    Mogelijk heeft daarbij in hun voordeel meegespeeld dat ze op hun lange reis veel ziekten en parasieten achterlieten waardoor ze in Europa werden geteisterd. De hommels deden het – toen al enigszins maar later zeker – minder goed in Groot-Brittannië en dat kwam door de mechanisering van de landbouw. Voorheen waren de akkers meestal klein en waren de boeren afhankelijk van paardenkracht. Paarden eten graag klaver dus teelden de boeren klaver. Bijen zijn ook dol op klaver zodat de bevruchting met stuifmeel vlot kon verlopen. Maar ja, de paarden werden vervangen door tractoren, klaver was nu veel minder nodig en datzelfde gold ook voor de hommels.

    En die teloorgang deed zich in Groot-Brittannië sterker voor dan in Nieuw-Zeeland. Daar kwam nog eens bij, dat de geallieerden gedurende de Tweede Wereldoorlog ontdekten dat de chemische substantie, bekend geworden onder de afkorting DDT, de muggen kon verdelgen die malaria en tyfus verspreidden onder de troepen in Azië. Het duurde daarna nog zo’n 20 jaar voordat doordrong dat DDT moeilijk afbreekbaar was en ook veel insecten, waaronder bijen doodde. Al met al leidde dat er toe, dat de in het Verenigd Koninkrijk meest voorkomende soort de zgn. donkere tuinhommel uitstierf door verdwijning van zijn leefgebieden. Hij moet simpelweg voldoende bloemen hebben om zich te kunnen voeden. Zoals Goulson het stelde: ‘Nul bloemen staat gelijk aan nul bijen’.

    Maar goed, andere hommelsoorten zoals de aardhommels en de boomhommel overleefden wél en over hen weet Goulson veel te vertellen. Zoals het feit, dat hommels geen eigen onderkomen bouwen maar nestelen in bestaande locaties, bijvoorbeeld onder vloeren, oude vogelnesten, mezenkastjes e.d.

    De ‘bijenstaat’ van de hommels bestaat uit een volwaardig wijfje, de ‘koningin’ en een groot aantal onvruchtbare wijfjes de ‘werksters’. Een bijzondere eigenschap van deze bijenkoningin is, dat ze zowel onbevruchte eitjes kan leggen waaruit zonen voortkomen alsook bevruchte, waaruit dochters geboren worden. Uit de eitjes komen larven voort, de vrouwelijk larven ontwikkelen zich tot toekomstige koninginnen. Deze groeien veel sneller dan de larven die werksters gaan worden. De mannetjes blijven even klein als de werksters en hun is geen lang leven beschoren; zij overleven de winter niet. Hun enige taak in de nog resterende zomer is zoveel mogelijk te paren met koninginnen die vervolgens in winterslaap gaan. Degenen, die dat overleven komen bij de eerste zonnestralen weer naar boven om een nieuw hommeljaar te beginnen.

    Aangenomen moet worden, dat bijen ongeveer 130 miljoen jaren voor het eerst zijn ontstaan en dat zo’n 65 miljoen jaar geleden de aarde een rampzalige verandering onderging. En wel, doordat er een reusachtige meteoor insloeg ongeveer op de plek waar zich thans het Mexicaanse schiereiland Yucatan bevindt. Dit ging gepaard met vloedgolven en zoveel vulkaanuitbarstingen, dat de grote hoeveelheden as voor een zonsverduistering zorgden. De temperatuur daalde daardoor zodanig dat de grote levensvormen als dinosaurussen snel en volledig uitstierven, terwijl merkwaardigerwijze insectensoorten (bijen, mieren, sprinkhanen etc.) overleefden. Tot op de huidige dag leveren deze insecten talloze diensten aan het ‘ecosysteem’ zoals bevruchting en ontbinding. We kunnen niet meer zonder hen. En om de teruggang van bijen, waaronder hommels, een halt te kunnen toeroepen is veel kennis nodig waaronder die omtrent de nesten van de hommels. Om de hommels te kunnen beschermen moet je hun nesten beschermen maar het systematisch vinden daarvan is een bijzonder grote opgave gebleken.

    Een vindingrijke gedachte was deze: honden kunnen leren drugs en explosieven op te sporen, ze kunnen zelfs kanker bij mensen herkennen. Dan moet het ook mogelijk zijn om de – onwelriekende – hommelnesten te laten opsporen. Maar de experimenten daarmee mislukten hoewel veel ‘bijkomende’ kennis werd opgedaan. De auteur vermeldt nog meer wetenswaardigheden zoals het feit, dat honingbijen bijvoorbeeld totaal ongeschikt zijn om tomaten te bevruchten terwijl ze zeer geschikt zijn om koolzaad en kiwi’s te bestuiven. Voor de bevruchting van tomaten ontstonden hommelkwekerijen. De tomatenkweker moet zeer voorzichtig omgaan met chemische bestrijdingsmiddelen want die zijn veelal giftig.

    Van alle bestuivingen in het Verenigd Koninkrijk door insecten nemen de honingbijen minstens eenderde voor hun rekening terwijl het overige tweederde deel de taak is van wilde bijen, waaronder hommels.

    In 2006 heeft Goulson samen met enkele leerlingen de ‘Bumbelbee Conservation Trust’ opgericht voor het behoud van de hommel; hij ontving hiervoor diverse prijzen.

    Eén kwestie mag niet onvermeld blijven: het boek Het verhaal met een angel is – afgezien van de twijfelachtig gekozen titel (want de hommel is geen gevreesde ‘steker’) – niet geschikt als naslagwerk; daarvoor springt de schrijver teveel van de hak op de tak en houdt hij de chronologische volgorde te weinig aan. Maar wie op zoek is naar de vele wetenswaardigheden omtrent de hommel zal ongetwijfeld veel van zijn gading vinden.

     

  • Hetzelfde maar een beetje anders 

    Hetzelfde maar een beetje anders 

    De ik-figuur in de tweede roman van de Amerikaanse schrijver en criticus Ben Lerner, zelf ook een auteur die luistert naar de naam Ben, beschrijft op een gegeven moment het huis van twee literaire vrienden: ‘Het huis was niet ontworpen aan dagelijkse ritmes maar aan een vreemd soort literair tijdsverloop.’ Het lijkt of hij het daarmee in één moeite door heeft over het tijdsverloop van 22.04. Een titel die overigens, slaat op de tijd waarop in de film Back to the Future de bliksem insloeg in de toren van de rechtbank.

    In het uiteengevallen tijdsverloop zou je de dissociatieve reactie van Ben kunnen zien op de mededeling van een arts dat hij een hartafwijking heeft waaraan hij zal sterven. Eens, want dat het snel zal gebeuren, verzint Ben er zelf bij. Niet dat daarmee alles nu heel anders wordt, hooguit een beetje. Zoals een verhaal uit de Chassidische, joods-mystieke traditie over de komende wereld vertelt. Een mantra door het hele boek heen: alles zal zijn zoals het nu is, alleen een beetje anders. Meteen al anders, doordat Bens ‘lichaamsdelen een verschrikkelijke autonomie begonnen te verwerven die niet alleen ruimtelijk, maar ook temporeel was.’ Hij concludeert dat hij ‘ouder en jonger was dan iedereen in de kamer, inclusief ikzelf.’

    Dit gevoel van dubbelheid steekt overal de kop op: ‘Ik meen het wel en ik meen het niet’, ‘ik zal mezelf gelijktijdig in verschillende toekomsten projecteren.’ Tot zelfs in de vraag of er plaatselijke of algehele verdoving moet worden toegepast bij het trekken van verstandskiezen.

    Gezichtspunten komen meer dan eens terug, alleen telkens een beetje anders. Net zoals kleuren op een reproductie verschillen van de originele kunstwerken.

    Zo heeft Lerner ook veel vlammetjes en vonkjes door het verhaal gestrooid. Van de bliksem, een gasvlam, sigaretten, de lichtjes van Brooklyn Bridge die in de avond in het water weerspiegelen, de Marfa Lights (spooklichten) en ga zo maar door. Ze vormen als het ware de weerslag van de vonken uit het Chassidische denken: de stralen van de schepping die uit elkaar zijn gevallen en als gebroken vonken (zoals de gebroken tijd in het boek) door de mens weer tot één geheel moeten worden samengevoegd, als ‘de gebroken glinstering van de komende wereld (…), een wereld waar alles hetzelfde, maar een beetje anders is.’

    Zo moet de lezer de lijnen van de roman tot één geheel zien te maken, waarbij hij ook twaalf afbeeldingen die in de roman zijn opgenomen daar weer in moet zien te passen. Bijvoorbeeld die van het beroemde schilderij Angelus Novus van Paul Klee, dat door de filosoof Walter Benjamin in zijn boek On the Concept of History werd beschreven: ‘Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend (…). De engel zou wel willen blijven, de doden tot leven wekken en de brokstukken weer tot een geheel maken.’

    Maar dat gaat moeilijk, want er raast een orkaan over het land; de roman is qua tijdspanne gesitueerd tussen twee orkanen: Irene en Sandy (2012). Tijdens de tweede orkaan viel het daglicht uit. Er viel zo niet veel meer te zien, misschien een enkel vonkje en vlammetje.

    Niet het hele boek is overigens in een filosofisch aandoende stijl geschreven. Het derde deel over een bezoek aan een ziekenhuis, dit keer om op verzoek van Bens beste vriendin Alex sperma af te staan om bij haar een kind te verwekken, is bijvoorbeeld ronduit hilarisch van toon.

    De verwijzingen naar filosofie en kunst boren een diepere laag, over leven en kunst aan. Over contact tussen mens en kunst en tussen mensen onderling. Of niet, zoals iemand die door de telefoon een monoloog afsteekt zonder te merken dat de verbinding al is verbroken. Kunst heeft bij uitstek de kracht ‘om tussen lichamen en temporaliteiten te circuleren.’

    22 – 04 Staat in de traditie van de grote seculier-joodse Amerikaanse romans na Saul Bellow, met een vleugje Woody Allen en Philip Roth. Waarbij een verwijzing naar de joodse tijdsbeleving zoals Walter Benjamin die beschreef, ook kan worden teruggevonden bij de Israëlische schrijvers Amos Oz en zijn dochter Fania Oz (in: joden en woorden): ‘Letterlijk met onze rug naar de toekomst en ons gezicht naar het verleden.’ Back to the Future als het ware.

    Voor niet zo doorgewinterde lezers is het misschien soms wat teveel gevraagd. Toch is dit boek een aanrader: als je er wat moeite voor doet, ben je een ervaring rijker.

     

     

  • Dappere revanche

    Dappere revanche

    Het is een cliché dat alle mensen die tijdens hun leven grote rijkdom hebben vergaard corrupt of crimineel zijn. Heilbrons hel van Jannetje Koelewijn (1959) gaat over zo’n superrijke man, Cor Heilbron, topman van een multinational, B4YOU. Heilbron is bijzonder onsympathiek en heeft zichzelf heel hoog zitten. Hij is iemand die zich belangrijker vindt dan andere mensen, omdat hij ‘de BV Nederland’ zoveel diensten zou hebben verleend.

    De man, die een vreemde relatie met zijn familie heeft, drukt zich uit in het taaltje van oppervlakkige zakenlui met veel Engelse nietszeggende uitdrukkingen zoals ‘the bottom line’, of ‘the limit’. Koelewijn laat goed zien hoe stuitend de denkwijze van dergelijke mensen is, maar ze is ook kritisch over de TFM, toezichthouder financiële markten, die Heilbron in het nauw wil drijven, omdat zijn zoons met voorkennis zouden hebben gehandeld, voorkennis mogelijk afkomstig van hun vader. De TFM (lijkend op de werkelijk bestaande AFM) wil vooral zichzelf op de kaart zetten door middel van ‘naming and shaming’ van een bekende foute zakenman.

    Het boek leest als een thriller, met dat verschil dat de personages beduidend beter zijn uitgewerkt dan in een boek dat alleen om de spanning gaat. Met name het personage Lucas Pauw, de officier van justitie die betrokken is bij de zaak, is geslaagd. Dit is een gescheiden, dikke man op zoek naar een vrouw. Zijn onzekerheden komen goed uit de verf.

    Koelewijn laat ook zien wat de soms bedenkelijke rol van de media is in dergelijke zaken. Koelewijn is zelf journaliste en geniet mede bekendheid omdat ze ooit (vermeende) informatie over de gezondheidstoestand van prins Friso naar buiten bracht, na diens ski-ongeluk. In het verhaal speelt de journaliste Françoise den Tex een belangrijke rol. Zij wordt getoond als een vrij innemend personage. Het is duidelijk dat de auteur sympathie voor haar koestert.

    Met Heilbrons hel laat Koelewijn zien dat ze ook op een ander terrein dan de journalistiek een zinvolle bijdrage kan leveren aan de maatschappelijke meningsvorming. Want het boek gaat over een relevant thema dat het verdient om ook vanuit literaire invalshoek belicht te worden, omdat een dergelijke invalshoek de vrijheid biedt om in het hoofd van mensen met macht te kijken, iets wat in de journalistiek niet kan. Mede dankzij dit boek zal Koelewijn niet alleen herinnerd worden als de journaliste van het Friso-verhaal. Het verdient bewondering dat iemand zich op een ander terrein dan het vertrouwde weet te revancheren.

     

     

  • Dank u voor deze tuchtiging

    Dank u voor deze tuchtiging

    Jeroen Brouwers is een van de grootste schrijvers van het Nederlandse taalgebied. Hij heeft een indrukwekkend en omvangrijk oeuvre opgebouwd van romans, verhalen, brieven (het prachtige Kroniek van een karakter), essays, feuilletons en polemieken.

    Hij schrijft niet alleen schitterend proza, maar strijdt in zijn geschriften ook tegen misstanden en maatschappelijk onrecht. Met zijn net verschenen elfde roman, over seksueel misbruik en hypocrisie in de katholieke kerk, voegt hij weer een parel toe aan zijn oeuvre.

    Het verhaal speelt zich af 8 jaar na de dood van Hitler, in 1953, het jaar van de Watersnoodramp, op een pensionaat voor jongens van 12-16 jaar. Dit ‘Sint Jozef ter Engelen’ in Blijderhagen, diep in Limburg op de Duitse grens is een filiaal van de Duitse Ordensgemeinshaft der Armen-Brüder des heiligen Franziskus.
    In prachtig proza schrijft Brouwers een felle, agressieve aanklacht tegen de macht van de katholieke kerk. (‘Bommen op het hele instituut roomse kerk.’) Het regime op het jongenspensionaat noemt hij fascistisch, het machtsmisbruik lijkt op de terreur van de Gestapo. En wanneer de Duitse hoofdvestiging vindt dat er ingegrepen moet worden in de gang van zaken omdat het er slap aan toe gaat, wordt er een nieuw Duits schoolhoofd benoemd, die in alle opzichten door kan gaan voor een kampcommandant. Hij misbruikt de jongens niet alleen, maar martelt ze en ranselt ze af met ‘Het hout en de strijkstok’. Mansuetus (de ‘zachtmoedige’) is de naam van deze verpersoonlijking van het kwaad, die ook ‘ever’(zwijn) wordt genoemd vanwege zijn gegrom en gesnuif.

    Ter illustratie:
    ‘Zo’n strijkstok is van pernambukhout. Zo’n stok is licht elastisch, je kan ermee zwiepen. Als je ermee door de lucht slaat veroorzaakt het een zoefgeluid. Dit is mij door Mansuetus, naamdag 19 februari, voorgedaan. Zoef. Klap. Schreeuw. De jongen voorover, de hand van Mansuetus als een bankschroef rond de nek van de gestrafte of rond diens tegen de schouderbladen gedraaide arm om hem tegen het bureaublad onder bedwang te houden, zijn andere hand omhoog om het hout met opperste kracht op het zitvlak te laten neerkomen. (…)

    Het gebeurt zo: De jongen schreeuwt en blijft schreeuwen naarmate de medebroeder, volgeling van onze stichter, de zachtmoedige Franciscus, blijft slaan, hard, nog harder, de voorflap van zijn scapulier over de schouder gegooid om er niet door te worden gehinderd bij zijn inspanning en bewegingen. Hij schreeuwt er tegenin. Meer geluid dan de ruimte in het dode licht lijkt te kunnen bevatten. Gehoorzaamheid en tucht! Jij hebt geen wil! Ik heb een wil! Jij doet mijn wil! Bij ieder woord een steeds fellere klap met het venijnige hout. Hoe de jongen ook kronkelt, de opvoeder blijft met bestudeerde precisie op dezelfde plek van het achterwerk slaan, twintig keer, meer dan twintig keer.’

    Wanneer de afranseling klaar is moet het slachtoffer Mansuetus een hand geven en zeggen: ‘Dank u voor deze tuchtiging die mij rechtvaardig werd toegediend ter eigen lering en inzicht’.

    In het boek staan meer van dergelijke gedetailleerde beschrijvingen, niet alleen van de mishandelingen maar ook van de seksuele handelingen die de broeders bij de jongens plegen. Zo moeten de jongens die met een onschuldig kwaaltje bij ‘dokter’ Johannes Vianney komen –hoewel geen enkele medische kennis en bevoegdheid-, geheel ontkleed op de onderzoektafel gaan liggen, waarna ze uitvoerig lichamelijk worden onderzocht; vervolgens moeten ze tien minuten blijven liggen met de thermometer in hun aars, terwijl de ‘dokter’ op zijn bureaustoel gaat zitten en zichzelf bevredigt.
    Door die directe beschrijvingen van de terreur die de broeders uitoefenen toont Brouwers niet alleen de afzichtelijkheid ervan maar laat hij ook de gelijkenis met de naziterreur zien. De broeders kunnen ongestoord hun gang gaan, er is niemand die in verzet komt.

    Er is één twijfelaar en dat is de hoofdpersoon in het verhaal, de 26 jarige Eldert Haman, broeder Bonaventura. Zijn broedernaam betekent ‘mooie toekomst’, maar is ook de naam van een Franciscaner kerkleraar die gezien wordt als één van de stichters van de orde. Eldert geeft als leek Duitse les op het internaat en wordt op slinkse wijze ingelijfd in de broedergemeenschap. Nadat hij enkele maanden les heeft gegeven terwijl hij inwoont op het internaat, krijgt hij van het schoolhoofd te horen dat zijn salaris niet langer betaald zal worden; hij heeft immers al kost en inwoning. Vlak daarna wordt het gebouw waar hij verblijft verbouwd en moet Eldert verhuizen naar een broedercel. Tot slot verdwijnt zijn fiets en moet hij zijn sleutel inleveren, daarmee is zijn vrijheid verleden tijd. De passage waarin dit beschreven wordt, is een bijzonder treffende karakterbeschrijving van Eldert; hij is een enorme slappeling, dat vindt hij zelf ook, die het allemaal over zich heen laat komen. Dit leidt er uiteindelijk toe dat hij ondanks zijn weerzin voor de gemeenschap tot de orde toetreedt. Ondanks alle pogingen van de orde om hem verder in te lijven, blijft hij een buitenstaander. Mansuetus dwingt Bonaventura aanwezig te zijn bij een afranseling omdat hij ‘allzu unmännlich’ weekhartig zou zijn. Dit verandert de houding van Bonaventura naar zijn pupillen echter niet daarom neemt Mansuetus de lessen Duits over en degradeert Bonaventura tot nachtsurveillant en klusjesman.

    Eigenlijk vraagt Bonaventura zich doorlopend af waarom hij is ingetreden, maar consequenties daaraan verbinden doet hij niet. Hij denkt door te blijven dat hij de jongens kan beschermen tegen het misbruik, maar dat blijkt ijdele hoop. Hij houdt zich steeds minder aan de regels van de orde en wordt een marginale figuur.
    Zijn wankelmoedigheid en besluiteloosheid maken dat hij zich geestelijk steeds verder terugtrekt uit de broedergemeenschap. De zaak escaleert wanneer hij –na een maand helse kiespijn- toestemming krijgt om naar de tandarts in het dorp te gaan. Daar ontmoet hij de jonge weduwe Patricia (‘de nobele’) Delahaye en omdat hij geregeld naar de tandarts moet, ziet hij haar vaker.

    Zij vindt hem leuk en probeert hem zover te krijgen dat hij uit zal treden. Zijn wankelmoedigheid begint hem nu echt op te breken en nadat hij een heftige vrijpartij met haar heeft gehad weet hij dat hij geen broeder meer wil zijn. Toch sluipt hij haar huis uit, terug naar het klooster. Daar wacht hem de zwaarste straf wegens ongeoorloofde afwezigheid: eenzame opsluiting in het moederklooster in Duitsland. Bij terugkomst valt hij middenin de voorbereidingen voor het bezoek van de bisschop aan het pensionaat. Bonaventura helpt broeder Hyacintus en samen laten zij het Christusbeeld uit de touwen vallen. Bonaventura gebruikt vervolgens de wijwateremmer en bijbehorende handdoeken om zich te verfrissen en het Christusbeeld schoon te maken. Broeder Hyacintus verraadt hem. In de periode tussen zijn terugkeer uit Duitsland en het bezoek van de bisschop loopt de spanning op. Bonaventura trekt zich niet veel meer aan van de regels en krijgt uiteindelijk zijn volgende straf te horen; verbanning naar een ver missieoord in Afrika.

    De slotscène vormt een indrukwekkend en aangrijpend hoogtepunt van dit bijzondere boek.

    Het hout is, ondanks de beklemmende sfeer, een genot om te lezen.

    Het is schitterend geschreven, heeft een heldere toon die niets aan de verbeelding overlaat, de geilheid van de broeders en de variatie daarin past helemaal in de door en door verziekte cultuur van zo’n katholieke mannengemeenschap. De namen van de broeders zijn mooi symbolisch gekozen en weerspiegelen de tegenstellingen die er op vele vlakken heersen: tussen werkelijkheid en intentie, tussen binnen- en buitenwereld, tussen contemplatie en zelf niet nadenken. Zo wordt medegedeeld dat je niet hoeft te bidden voor de overleden Stalin (!) maar wel voor slachtoffers van de Watersnoodramp.

    De roman is zeer zorgvuldig gecomponeerd met knappe sprongen in de tijd, die het verhaal spannend houden, ook al is vanaf het begin duidelijk waar het over zal gaan.

     

     

  • Te dik geschreven dun verhaal

    Te dik geschreven dun verhaal

    De tweede roman van de Britse schrijfster Grace McCleen is weinig boeiend. De dunne verhaallijn, het overvloedige gebruik van metaforen, de veelal onduidelijke relatie tussen werkelijkheid en metafoor (waardoor de betekenis van wat de schrijfster wil zeggen voor de lezer onduidelijk blijft), het etaleren van specialistische kennis over de Engelse poëzie, en de herhaaldelijk beschreven psychologische defecten van de hoofdpersoon maken het lezen van dit boek tot een opgave.

    Door het hele boek heen wordt Engelse poëzie geanalyseerd. Voor lezers die daarin niet goed zijn ingevoerd, zijn deze passages lastig te volgen. Ze horen meer thuis in een wetenschappelijk artikel dan in een roman.

    Ook de schrijfstijl draagt niet bij aan de leesbaarheid. Je krijgt de indruk dat de schrijfster poëtische proza heeft willen schrijven omdat de poëzie zo’n belangrijk onderdeel uitmaakt van het verhaal. Dit leidt helaas tot geforceerde taal en weinig toegankelijke teksten.   Ter illustratie volgt hier een uitvoerig voorbeeld: de hoofdpersoon, de 53 jarige professor in de Engelse poëzie Elizabeth Stone is teruggekeerd naar de stad waar ze gestudeerd heeft om archiefonderzoek te doen naar de relatie tussen poëzie en muziek. Ze is op de universiteit aangekomen en aarzelt om de rozentuin die bij de universiteit hoort binnen te gaan:

    ‘Hoewel het belangrijk is om door te gaan, blijft ze staan. Misschien omdat ze zich vreemd voelt, bruisend maar verdoofd, roerloos maar vol emotie. Misschien omdat de tuin achter dit oude glas ligt, dat hier en daar bol is, waardoor het beeld een luchtspiegeling lijkt. Maar het is vandaag niet heet, het is stervenskoud, en de kou heeft de tuin doortrokken van een verstilling die hypnotiserend is, hem heeft doen verbleken; er hangt stoffigheid in de lucht; er ligt een laagje sediment tussen haar en de wereld van vorm. Misschien is zelfs dat niet wat haar tegenhoudt, maar is het de manier waarop het raam het beeld omlijst, waardoor het lijkt of het een illustratie in een boek is en zij op het draaipunt staat – als dit een boek was, waar de voor- en achterkant van het omslag de rug ontmoeten, waar de rug dichtdraait, in het brandpunt, het middelpunt. Of misschien blijft ze gewoon staan omdat ze nog nooit een rozentuin in de winter heeft gezien en hij dramatisch oogt, uitgemergeld, reddeloos, aarde die als een geblakerde schedel door gras heen schemert, botten van een pagode zichtbaar, takken van rozenstruiken die onelegant uitsteken, verminkt, afgehakt, zielig, als een verzopen kat, of een vogel met olie op zijn veren. Toch is het geen van deze dingen alleen die haar tegenhoudt, maar iets onzichtbaars, iets blijvends, iets extreems, misschien zelfs onsterfelijks aan het beeld. In een kader dat zo broos is, want het glas is stokoud en de lijst bladdert. Er trekt een sliert koude lucht langs haar benen en ze loopt snel door.’

    Het boek staat vol met dergelijke beschrijvingen: van de bibliotheek, van boeken (‘boeken zijn geesten, intimiteit bij volmacht met dingen die allang dood waren of nooit hadden bestaan, benaderingen van aanwezigheid die tijd en ruimte overstaken) van de zee, van de werking van de platenspeler, enzovoorts.

    Elizabeth heeft ooit met haar moeder in een huisje aan zee gewoond, totdat haar moeder plotseling verdween. Zij was toen 7 jaar en werd opgenomen in een pleeggezin. Het hoofdstuk waarin we lezen, in één zin, dat haar moeder is verdwenen, gaat over de zee. Pagina’s lang wordt verteld over de zee…… is de zee een metafoor voor de emotionele gevoelens die Elizabeth heeft over de verdwijning van haar moeder of over de moeder zelf?

    Het enige dat over haar moeder wordt verteld, elders in het boek, is dat zij altijd muziek luisterde. Iets wat bij professor Stone als kind tot ‘pijn in de borst’ leidt en waarvan ze haar hele leven last blijft houden. Ze krijgt een hekel aan en afkeer van klassieke muziek, wat zelfs tot braken leidt wanneer ze als negentienjarige met haar mentor naar een uitvoering van Bach en Beethoven luistert. Tijdens het strijkkwartet van Beethoven rent ze naar buiten en geeft over. Deze uitzonderlijke reactie roept de vraag op waarom nu juist zij de relatie tussen poëzie en muziek wil onderzoeken. We lezen: ‘muziek en poëzie zijn klanklandschappen, ze hebben stilte nodig om verwezenlijkt en geapprecieerd te worden, maken gebruik van harmonie, refrein, timbre, toon, contrapuntiek.’

    Professor Stone maakt in haar onderzoek gebruik van het werk van de dichter T.S. Eliot die veel heeft geschreven over wat hij noemt de ‘auditieve verbeelding’, en neemt zijn gedicht Four Quartets als vertrekpunt. Dat gedicht heeft ritmische sjablonen waarin Eliot probeert, voor het eerst in de Engelse poëzie, van het gedicht een zuiver muzikale uitdrukkingsvorm te maken. Uiteindelijk blijft onduidelijk waarom professor Stone, met haar afkeer van klassieke muziek, die relatie wil onderzoeken.

    Eigenlijk gaat zij ook terug naar de stad waar zij studeerde om haar vroegere mentor Edward Hunt op te zoeken op wie ze sinds haar studie verliefd is, maar met wie ze in al die drieëndertig jaar geen enkel contact heeft gezocht. De directe aanleiding voor haar terugkeer is haar recent verwijderde hersentumor. Als ze ‘kankervrij’ wordt verklaard raadt de arts haar aan ‘er even tussenuit te gaan of bij een oude vriend op bezoek te gaan’. In haar ogen is Edward Hunt zo’n oude vriend. Tijdens haar onderzoek ontmoeten ze elkaar enkele malen, en blijkt dat hij nog steeds van haar gecharmeerd is.

    Vlak voordat Elizabeth terugkeert naar haar woonplaats, zoekt ze hem op om afscheid te nemen. Hij neemt haar mee naar zijn huis en daar bemint hij de passieve Elizabeth. De lezer weet dan al dat ze nog maagd is en eigenlijk een grote afkeer heeft van seks. ‘Van alle verschrikkingen in dit leven (…) was die van de lichamelijke vereniging voor professor Stone ongetwijfeld de grootste.’ Zo begint het hoofdstuk ‘Vlammen’ waarin haar afkeer van seksualiteit en haar afkeer van haar lichaam worden beschreven (‘het menselijk lichaam, en het hare in het bijzonder, kwam haar voor als een treurig kanaal voor welke vervoering dan ook’). Deze mooie passage illustreert dat zij niet voor niets ‘Stone’ heet.

    Wat evenmin bijdraagt aan het doorgronden van het boek zijn de ingewikkelde structuur en mystieke titels van hoofdstukken. Het boek is opgedeeld in vier delen, een kwartet gelijk het gedicht van Eliot, en het strijkkwartet waarvan ze moest braken, maar verder lijkt iedere grond voor die vierdeling ver te zoeken. De 8 dagen van haar archiefonderzoek keren terug in hoofdstuktitels, maar dag 5 en 6 ontbreken zonder dat duidelijk is waarom. En titels als ‘Het roerloze punt van de wentelende wereld’, ‘Wereld en tijd genoeg’ (de dag na haar vlucht bij het strijkkwartet) verklaren ook niet veel.

    Soms wordt een dunne verhaallijn gecompenseerd door een mooie schrijfstijl, door evocatieve taal waardoor het lezen toch een groot plezier is. Dat is hier helaas niet het geval.

     

     

  • Hoe hoop te houden in Absurdistan?

    Hoe hoop te houden in Absurdistan?

    Het openbaar bestuur is het contact met de samenleving kwijt, niet alleen in het ‘verre’ Brussel, maar ook in de gemeenteraden. Dat geldt in het algemeen, maar evenzeer voor de sociaal-democratie omdat die zich drukker maakt over bestuursstructuren dan over de mensen die de maatschappij levend houden. Die voelen zich niet meer gehoord en keren zich af. Dat is de conclusie van de Zeeuwse PvdA-er Jan Schuurman Hess. Hij onderzocht de staat van democratisch en sociaal Nederland op een bijzondere manier. Hij wandelde tussen 3 februari 2011 en 2 februari 2013 door Nederland ‘tegen de geest en het tempo van de tijd in: te voet, twee dagen per week’. Op zijn pad vroeg hij aan werkers op straat, in scholen, in ziekenhuizen, aan jongeren in bushokjes, aan partijgenoten, aan vissers, bouwvakkers, zwervers, boeren, kunstenaars, winkeliers enzovoort enzovoort, hoe ze overeind bleven in het huidige Nederland en of ze zich begrepen voelden door de politiek. Hij hield op zijn website een verslag bij van zijn ontmoetingen en een neerslag daarvan is nu gebundeld in het boek Voettocht naar het hart van het land.

    ‘Ik ben geen politicus maar een betrokken waarnemer’ schrijft hij over zichzelf. En dat is inderdaad het verademende aan het boek. Hij is geen praatjesverkoper die, net als in de verkiezingstijd, door het land stapt om het verhaal van de partij uit te leggen. Hij luistert, verwondert zich, vraagt zich af wat hij doen kan, waarom het contact verloren is gegaan.

    Waar het aan ligt is niet duidelijk, maar het eerste deel van de tocht, door Zeeland, Brabant en Limburg, lijkt wel door een soort Absurdistan te voeren. In Tilburg ontmoet hij bijvoorbeeld twee Turken die al 15 en 18 jaar voor dezelfde baas werken in Nederland en plotseling een inburgeringscursus moeten doen. Onderdeel: een uitzendbureau benaderen en daar een sollicitatiegesprek voeren. Maar er blijkt geen enkel uitzendbureau te zijn dat daar tijd voor vrij wil maken.
    Of neem de vrachtwagenrijder die hij spreekt op weg naar Westelbeers. Hij rijdt af en aan voor een project om ‘natte natuur’ aan te leggen. Schuurman Hess vraagt hem hoe dat kan op zandgrond. ‘Dat begrijpt niemand’, zegt de chauffeur, ‘ik doe wat er gezegd wordt’.
    Of de orgelman in Weert. Hij zit in een project begeleid wonen en is Nederlands en Europees kampioen draaiorgel. Hij spreekt foutloos Engels en Duits. Maar hij zit al meer dan een jaar ziek thuis omdat hij verplicht is in de sociale werkplaats schroefjes aan te draaien in plaats van zijn talent bot te vieren. Schroefjes draaien kan hij niet.
    Je wordt er als lezer zwartgallig van.

    Maar boven de rivieren gekomen, vooral in Groningen en Friesland, barst het van de creativiteit in het vinden van eigen oplossingen met een neus naar de hoge heren. Nogmaals: waar het aan ligt is niet duidelijk; het kan toeval zijn in de ontmoetingen. In het Friese Nij Beets was geen geld voor een zwembad. Toen bouwden de dorpelingen met elkaar een bungalow, verkochten die en legden van de opbrengst het gewenste zwembad zelf aan.
    En toen de bewoners van drie dorpen in de Fryske Marren AED-apparaten wilden hebben vingen ze bot bij de gemeente. Ze klopten vervolgens aan bij verenigingen en bedrijven in de dorpen en binnen twee weken was het geld bij elkaar. Plus twintig vrijwilligers.

    Absurdistan blijkt ook in Gelderland te liggen. De eigenaresse van de speelgoedwinkel in Buren moet haar winkel na 47 jaar sluiten. Ze kan 175 euro voor Buma Stemra, het verschuldigde auteursrecht omdat ze af en toe een radio aan heeft staan voor wat achtergrondmuziek, niet meer opbrengen. En de 440 euro rioolrecht wordt haar teveel. Rioolrecht? Er is in de winkel geen aanrecht, geen wc en zelfs geen waterleiding. Thuis heeft ze twee badkamers en betaalt ze veel minder: ‘Wat kan ik nog?’

    Wat kan ik nog?, vraagt ook Schuurman Hess zich af.
    Die vraag moet hij, als pleitbezorger voor de leefbaarheid in de kleine dorpen, ook zichzelf stellen. Hij woont in Kats in Zeeland. Daar heeft de school veel te weinig leerlingen. Sluiting dus. Hij wendt alle lobbykunsten en creativiteit aan om dat te voorkomen. Ondanks weerbarstigheid van de politiek, die alleen heil ziet in grootschaligheid, boekt hij uiteindelijk resultaat: de macht in het onderwijs is teruggegeven aan de gemeenschap in Kats.
    En ook de ontmoetingen tijdens het wandelen krijgen een vervolg. Hij lobbyt net zo lang tot de Weertse orgelman wordt benoemd tot stadsorgeldraaier. Nog één duwtje, dan mag hij als zodanig aan de slag als arbeider voor de sociale werkplaats.

    En zo wordt een boek dat je af en toe treurig stemt toch nog een pleidooi om de moed niet te verliezen.

     

     

  • Muziek voert de boventoon

    Muziek voert de boventoon

    De gepensioneerde componist Peter Els is op de vlucht. De politie heeft bij hem thuis, in zijn zelfgebouwde lab, genoeg aanwijzingen gevonden om hem te beschuldigen van bioterrorisme. Zijn ex en dochter kunnen niet begrijpen waarom hij juist nu, net na de aanslagen van 11 september, DNA probeert te manipuleren. Toch is het, wanneer je meegaat in zijn redeneringen, niet helemaal onlogisch waarom de hoofdpersoon uit Orfeo van Richard Powers dit doet.

    Peter Els heeft geen besef van ruimte of tijd. Hij leeft voor de muziek. Al van jongs af aan wordt hij bezeten door een drang om alle tonen, ritmes, patronen te vangen in een muziekstuk. Van muziek kun je niet leven, is zijn gedachtegang en hij gaat scheikunde studeren, totdat hij Clara leert kennen. Zij wijst hem erop dat niemand zijn muzikaal talent kan evenaren en stimuleert hem om te gaan componeren. Peter gaat op in zijn werk als componist van experimentele, hedendaagse muziek. Hij wordt verliefd op zangeres Maddy, trouwt met haar en is gek op de muzikale dochter Sara die ze krijgen. Maar, houdt hij van de mensen zelf of van hun band met de muziek?

    Wanneer Maddy en Sara zich gaan interesseren voor andere dingen dan muziek, vindt Peter een partner in crime in de choreograaf Richard Bonner die hem vraagt muziek te componeren voor verschillende projecten. Maddy wil haar ongenoegen laten blijken, maar het is de vraag of ze door haar man wordt gehoord:

    ‘”Kom op”, zegt Els. “Het is echt geld. Een prestigieus project in New York”. Maddy zucht in de opstijgende stoom. “Als pianostemmer zou je per uur meer verdienen. (…)” Vanuit de andere kamer klinkt een Roemeens volksliedje, geharmoniseerd in een modale tegenbeweging. De melodie treft Peter als de essentie van hunkering. Misschien moet hij inderdaad een baan als pianostemmer gaan zoeken. (…)”Maddy, hij betaalt me…” “Echt, Peter?” Ze draait zich oom en kijkt hem aan. “Duizend dollar? En daar gaat je reisgeld naar New York nog van af? Treinkaartjes, restaurants, hotelkamer…?”
    Wat is de klankkleur van dit stuk? Twee zachte instrumenten, zeg hobo en hoorn; hun intervallen druppelen door de open ramen neer op de lege herfstige binnenplaats. Twee ouders die gedempt praten om het landelijke wijsje niet te verstoren dat hun dochter in de aangrenzende kamer zit te tingelen.’ (180)

    Peter Els neemt de opdracht aan en breekt zo de relatie met vrouw en kind. Zijn composities blinken uit in extravagantie en worden niet door iedereen gewaardeerd. Totdat hij een opera componeert gebaseerd op een historisch evenement. Maar het publiek ziet iets anders: de weerspiegeling van een gruwelijk gewelddadige gebeurtenis in het heden. Voor Els zijn de overeenkomsten tussen zijn opera en de actualiteit te beangstigend en hij vlucht weg naar Pennsylvania waar hij universitair muziekdocent wordt.

    Op een dag merkt hij dat zijn gehoor anders wordt. Hij gaat de dingen anders ervaren, hoort nieuwe geluiden en beseft zich dat de wereld gevuld is met klank. De chemische reactie die muziek teweeg kan brengen in een mens trekt hem zodanig dat hij fanatiek alles gaat lezen rondom biocompositie. Het zijn ritmes en geluiden uit de natuur die tot in de eeuwigheid bestaan. Els krijgt het idee een muziekstuk te componeren dat nooit zal vergaan en altijd gehoord kan worden door de klanken vast te leggen in het genetisch materiaal van een bacterie. Diezelfde dag nog gaat hij aan de slag met zijn thuislaboratorium.

    Orfeo neemt je mee naar een andere wereld. Een wereld van zuivere klanken, maar grimmige stemmingen. Tijdens het lezen word je één met de hoofdpersoon, je gaat mee in zijn gedachten en opeens lijkt het bijna logisch dat hij DNA manipuleert. Richard Powers schrijft geen verhaal, hij componeert een muziekstuk. In adagio komt het verhaal langzaam op gang met de beschrijving van de jeugd van Peter en hoe zijn liefde voor de muziek opbloeide, tot al de mooie dingen die hij creëerde, inmiddels in allegro, toen hij omringd werd door vrienden en geliefden om te eindigen in een andante. De wetenschap speelt een vrij kleine rol in het boek vergeleken met de rol die toebedeeld is aan de muziek en aan het geluid. Hoewel muziek de hoofdpersoon vaak in euforische stemming brengt, zijn het zeker geen vrolijke composities waar hij naar luistert. Kindertotenlieder van Mahler, gebaseerd op de gedichten van Rückert die twee kinderen had verloren of het Quartet for the End of Time van Messaie, geschreven in de concentratiekampen. Peter Els vindt zijn bondgenoot in de muziek, waarmee hij uiting weet te geven aan zijn gevoelens van onbegrip en eenzaamheid. Orfeo is een waar meesterwerk die je de muziek laat horen, voelen en van dichtbij meemaken.

     

  • Oogst week 27

    Door Carolien Lohmeijer

    Van Alice Munro las ik tot nu toe alleen De liefde van een goede vrouw. Het maakte weinig indruk, maar ik geef dat met enige schroom toe omdat haar werk overal zo lovend wordt besproken, en zoveel mensen van haar boeken genieten. Het oeuvre van Munro is gelukkig groot. Er zijn voldoende andere titels te kiezen als ik nader kennis wil maken met de kwaliteiten van deze schrijfster. Munro’s boeken verschijnen al jaren bij Uitgeverij De Geus. Als laatste is daar is nu haar historische roman Levens van meisjes en vrouwen verschenen in een vertaling van Pleuke Boyce. Munro is vooral bekend als schrijfster van verhalenbundels; Van Levens van meisjes en vrouwen zou je kunnen zeggen dat het een verhalenbundel is die een roman is geworden, de hoofdpersoon, Della Jordan, komt in de verschillende verhalen steeds terug. Het is een coming out of age-roman die zich net na de Tweede Wereldoorlog afspeelt in Canada in de jaren veertig. Het gezin van Del Jordan verhuist van het platteland naar de stad. Daar wordt ze omringd door vrouwen: haar agnostische moeder, een pittige, wat bijzondere vrouw, haar moeders wellustige kostganger, en haar beste vriendin Naomi. Via hen en haar eigen ervaringen met seks, geboorte en dood ontdekt Del de donkere en zonnige kanten van het vrouw-zijn. Alice Munro, vertaling: Pleuke Boyce, Uitgeverij De Geus, 245 pagina’s, € 21,95

     

    VertelChristien Brinkgreve gaat in haar boek Vertel uitgebreid in op de kracht van verhalen. In Vertel neemt ze deze bron van inzicht in de ervaringswereld van mensen serieus. Ze luistert, vertelt, en laat zien hoe verhalen kunnen verbinden, uiteendrijven, en richting kunnen geven in een tijd waarin oude ideologieën niet meer werken en er grote behoefte bestaat aan visies waarin mensen kunnen geloven. Christien Brinkgreve is hoogleraar Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Zij heeft naast haar universitaire werk altijd geschreven voor een breder publiek, bijvoorbeeld De ogen van de ander –  Sociologen en filosofen over zelfkennis, en Het verlangen naar gezag – over vrijheid, gelijkheid en verlies van houvast. Christien Brinkgreve, Uitgeverij Atlas Contact, € 18,99