• Meeslepende vertelling met een moraal

    Meeslepende vertelling met een moraal

    In 2005 verscheen in Indonesië De regenboogbende. Pas nu, in 2012, is de Nederlandse vertaling verschenen, gebaseerd op de Engelstalige editie die in 2009 uitkwam. We lezen het verhaal van Ikal en zijn basisschool die mogelijk moet worden gesloten. De basisschool bevindt zich in een klein dorp in een arm gedeelte van het Indonesische eiland Belitong en staat op instorten, er is geen geld voor onderhoud, fatsoenlijk meubilair of schoolbenodigdheden. De school heeft nog maar negen leerlingen en zal moeten sluiten indien zich minder dan tien nieuwe leerlingen aanmelden in het betreffende nieuwe schooljaar. Gelukkig dient zich op het allerlaatste moment nog een nieuwe leerling aan, maar dan is er wel weer iets anders waardoor de school bedreigd wordt: er zou tin onder de school te vinden zijn. Kortom: de machthebbers van het eiland doen er alles aan om de school te sluiten maar de enige onderwijzeres, de directeur van de school, Ikal en zijn negen klasgenoten proberen met man en macht om de school open te houden.

    Boeiend is dat je over alle klasgenoten van Ikal wat te weten komt. Elk van de tien kinderen (die zichzelf als groep ‘de Regenboogbende’ noemen) heeft wel iets waardoor hij of zij uitblinkt; de een is buitengewoon slim, de ander creatief, de ander heeft analfabete ouders maar doet er alles aan om elke dag naar school te komen (bijvoorbeeld elke dag ruim 40 kilometer door drassig moeras en los zand fietsen) en ook de verstandelijk beperkte jongen die geobsedeerd is door het cijfer drie heeft iets toe te voegen in de strijd om het openblijven van de school. De kinderen zijn zo ontzettend dankbaar voor het onderwijs dat ze krijgen, dat wel duidelijk wordt dat ze er alles voor over hebben om dit te kunnen blijven volgen.

    Door dit verhaal heen vervlochten zit een ander verhaal: dat over Ikals eerste verliefdheid. Hij wordt elke week door de juffrouw op pad gestuurd om krijt gaan halen in een nabijgelegen dorp. Hij wordt verliefd op een meisje van wie hij aanvankelijk slechts de hand ziet, (van achter een gordijntje vandaan wordt hem het krijt aangereikt wanneer hij daar om vraagt). Deze hand is al genoeg om Ikal in vuur en vlam te zetten.  Elke week krijgt hij meer contact met het mysterieuze meisje achter het gordijn en gaandeweg worden de twee jonge geliefden verliefder en verliefder. Het komt zelfs tot een afgesproken ontmoeting. Ikal kan zijn geluk niet op, maar dan slaat het noodlot toe.

    Op een zeer mooie, bijna poëtische manier beschrijft Hirata hoe Ikal lijdt onder zijn verloren liefde en de angst om geen onderwijs meer te kunnen volgen. Een klein minpuntje: af en toe zijn de gedachtegangen en uitspraken van Ikal wel heel poëtisch neergezet, niet altijd even realistisch voor een jongen van die leeftijd. Een voorbeeld: ‘Alles wat ik had gemeend te weten, was op zijn kop gezet door een nieuw woord dat mijn leven was gaan beheersen: verlangen. (…) Ik begreep al vlug dat ik geen type was dat tegen dit verlangen kon. Ik dacht er diep over na hoe ik mijn last kon verlichten.’ Dit taalgebruik past niet bij de gedachten van een jonge puber met liefdesverdriet.

    De schrijver wil ons ook een les meegeven. De regenboogbende is niet alleen het verhaal van iemands jeugd, maar er zit ook een moraal in: het is niet vanzelfsprekend dat iedereen onderwijs krijgt. In de praktijk komt het nog te vaak voor dat kinderen geen toegang hebben tot goed onderwijs, en daardoor, hoe intelligent ze ook zijn, al van jongs af aan een achterstand oplopen ten opzichte van hun rijke leeftijdsgenoten. Hoewel deze les gedurende het hele verhaal duidelijk aanwezig is, wordt hij niet belerend en stoort hij nergens.

    Het lijkt erop dat de schrijver uit zijn eigen herinneringen heeft geput. In het boek staat een opdracht die dit doet vermoeden: de schrijver noemt de naam van de leerkracht en de directeur van zijn school, en deze namen komen precies overeen met die in het boek. Ook schrijft hij: ‘… en voor de toen beste vrienden uit mijn kindertijd, de leden van Laskar Pelangi – De Regenboogbende’.

    ‘De fenomale bestseller uit Indonesie’ staat er op een sticker die op het omslag van het boek geplakt zit. Dat is niets teveel gezegd. De regenboogbende is ook verfilmd. De film kwam in 2008 in Indonesië uit en was daar erg succesvol. Inmiddels is de film ook beschikbaar met Engelse ondertiteling.

     

     

  • Mislukte kunstenaar in een mistroostig stadje

    Mislukte kunstenaar in een mistroostig stadje

     

    In ongeveer driehonderd pagina’s schildert Adler een beeld van een stadje uit het begin van de twintigste eeuw. Het middelpunt van de gebeurtenissen vormen de lotgevallen van een mislukte kunstenaar, die zijn eentonige bestaan probeert uit te zitten. Het zijn echter niet zozeer deze gebeurtenissen die dit boek de moeite waard maken – er gebeurt namelijk niet veel in dit stadje – maar juist de prachtige, suggestieve stijl waarin het verhaal geschreven werd. Wat je vooral van dit stadje bijblijft, is de uitzichtloze mistroostigheid, die meteen al bij de openingszin op je neerdaalt: ‘Een hardnekkige nevel, geel en vochtig, verzadigd van bruinkoolroet en chemische substanties, hing de laatste oktoberdagen dreigend en ongezond boven de kleine stad, bestreek het pleisterwerk met glibberige nattigheid, …’

    In deze godverlaten uithoek van de wereld leidt kunstenaar Titus Quitek een eenvoudig bestaan: hij voelt zich een buitenstaander en neemt de onwezenlijke eigenaardigheden van zijn omgeving voor kennisgeving aan. Hij heeft het overzicht totaal verloren: ‘Af en toe kwamen er pijnlijke twijfels over zijn identiteit bij hem op. Vreemd en verwonderd hing hij in zijn kleren (…)’. Maar juist de eigenaardigheden van de mensen die beschreven worden (de levens van al deze mensen zijn op de een of andere manier vervlochten met het leven van de kunstenaar) leveren mooie plaatjes op. Uitvoerig en in een prachtige stijl vertelt Adler ons hoe Mauser, de waard van de Blauwe Fles, zijn gasten besteelt, hoe Anny, de naar avontuur hunkerende dochter van de burgemeester, uiteindelijk belandt in de armen van haar zangleraar, en hoe de sympathieke, argeloze scholier Jakob Ardüser belaagd wordt van drie kanten door het naakte vrouwenlichaam van de hospita van zijn tekenleraar Quitek. Het meisje Lisa dat na een slecht afgelopen driftbui van haar vader radeloos de straat opgaat en bij toeval in het park op hetzelfde bankje terecht komt als waar Titus zat, zorgt voor een tijdelijke opleving bij Titus. Hij brengt haar onder in het internaat van een klooster, maar wanneer zij na een verblijf van twee jaar als herboren terugkeert naar het stadje, naar zijn atelier, vindt zij daar een Quitek die zelf hulp nodig heeft, sterker nog: een Quitek die niet meer te helpen is, voor wie elke hulp te laat komt. Treurig…

    Wie verwacht met dit boek een spannende avonturenroman ter hand te nemen, komt bedrogen uit. Maar wie de moeite wil nemen zich te laten meevoeren door de schrijver op zijn dwaaltochten door de straatjes en steegjes van deze kleine stad op zoek naar de kleurrijke figuren die verweven zijn met Quitek, wordt rijkelijk beloond met pareltjes als: ‘Zijn afgedragen winterjas leek zich erover te verbazen daadwerkelijk nog een keer uit de stoffige kist uit zijn naftaleenslaap te zijn gehaald (…)’ of: ‘Met geluidloze passen kwam de bediende naar binnen hinken. Zijn kaken gingen ritmisch op en neer.’

    Ten slotte nog een lovend woord voor de vertaalster Goverdien Hauth-Grubben; nergens heeft de lezer het gevoel een ‘vertaling’ te lezen, en dat is prettig. Zeker een aanrader, en dat is in dit geval geheel te wijten aan de voortreffelijke stijl. Een klein meesterwerkje.

     

     

  • Uit het leven van een sociale Italiaanse ondernemer

    Uit het leven van een sociale Italiaanse ondernemer

    Recensie door Rein Swart

    Het kapitalisme is niet alleen een last voor de arbeider, ook de fabrieksdirecteur is een gevangene van het helse systeem dat altijd zoekt naar meer winst. In Velours uit Prato,  De geschiedenis van een Italiaanse textielfamilie beschrijft Nesi dit proces van binnenuit. Zijn boek gaat dan ook niet alleen over zijn familie, maar breder over de kwijnende Italiaanse (textiel)industrie in een tijd van globalisering.

    Nesi begint met een familiefoto die weliswaar niet getoond wordt, maar wel een helder beeld geeft van het in de twintiger jaren door de grootvader en zijn broer opgerichte Wolfabriek T.O. Nesi & Zonen nv., waarvan Edoardo (1964) later een van de eigenaren zal worden. Hij is aanvankelijk niet van plan om in het bedrijf te stappen. Op 16 jarige leeftijd vertrekt hij naar de Verenigde Staten om Engels te leren. Daar blijft hij hangen op verschillende zomerscholen tot hij na een mislukte studie rechten naar Florence terugkeert en in het familiebedrijf gaat werken. Hij vermaakt zich wel. ‘Ook en vooral omdat iedereen in het bedrijf altijd doet wat jij zegt, of dat nu zinnig is of niet.’

    Hij vertelt dat het bedrijf dat in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s wordt verwoest, maar later weer wordt opgebouwd. Hij schrijft over de telexen van hun Duitse agent en de bezoeken die hij samen met zijn vader aan Duitsland brengt en over zijn interesse voor stoffen die door bijvoorbeeld Lowry in zijn romans worden beschreven. Naast zijn werk als ondernemer heeft hij veel belangstelling voor literatuur. Hij leest veel en schrijft boeken als De gouden eeuw en Per Sempre (Voor altijd). In 2004 verkoopt hij het bedrijf.

    De gouden eeuw gaat over een denkbeeldige textielondernemer uit Prato die verstikt wordt door de globalisering. Het verhaal speelt zich af in 2010, het jaar dat Velours uit Prato in Italië wordt uitgebracht.

    Voor altijd staat voor het feit dat ik me op mijn vierenveertigste heb gerealiseerd dat de afrekening van het leven wordt gevormd door je herinneringen, dat elke link met mijn jeugd nu alleen nog maar berust op het geheugen, dat meedogenloze monster dat je onmogelijk het zwijgen op kunt leggen; dat er dingen en mensen en gebeurtenissen en liefdes en momenten van hartverscheurend verdriet en geluk zijn die ik nooit meer zal kunnen vergeten en die ik dus inderdaad voor altijd met me mee zal dragen; dat het schoolbord van mijn leven, zeg maar, niet meer kan worden schoongeveegd, en dat alle nieuwe dingen die ik er eventueel nog op zou willen schrijven een plekje moeten zien te vinden tussen alles wat er al op staat.’

    Velours uit Prato is verrassend gevarieerd opgebouwd met leuke inkijkjes, en vlot, op een haast terloopse manier, geschreven. Bijvoorbeeld in een fragment waarin zijn dochter hem vraagt van wie de popsong is die ze hoort. De verteller schrijft dan: ‘Ze vindt het geweldig, haar broer heeft het haar laten horen, en ik antwoord dat het ‘Knockin’on Heaven’s Door’ van Bob Dylan is, en ook al staat de muziek hard en ook al heeft het er niets mee te maken en moeten we zo meteen weer gaan, ik zou zo graag tegen haar zeggen dat het fantastisch zou zijn als het nu juist de cultuur was die de redding van Italië zou betekenen.’

    Het boek is doorspekt met film en literatuur, maar gaat toch vooral over de boosheid van Nesi over economen die begin 2000 de globalisering verwelkomden en daarmee de Italiaanse industriële bedrijvigheid de nekslag gaven. Nesi beschrijft helder dat bedrijven producten verkochten zonder winst te maken, puur om een opdracht in de wacht te slepen. Hij klaagt illegale Chinese naaiateliers aan die erbarmelijke werkomstandigheden bieden maar wel Made in Italy op hun producten mogen zetten en beschrijft de werkloze magazijnbediende Fabio die drie jaar voor zijn pensioen ontslagen wordt bij gebrek aan werk en in de put raakt.

    Als Nesi in 2008 meedoet met een demonstratie om steun te vragen voor de lokale industrie wordt hij gefeliciteerd door een mededemonstrant met zijn boek De gouden eeuw, maar Nesi voelt zich bitter. Liever zag hij de Pratese industrie bloeien.

    Velours uit Prato heeft de kwaliteit van oud Italiaans handwerk, wellicht dat uitgeverij Atlas meer van Nesi kan uitgeven.

     

     

     

  • Aan een wonder is niets verwonderlijk

    Aan een wonder is niets verwonderlijk


    Recensie door Rein Swart

    De legende van de heilige drinker dateert uit 1939. Het jaar dat er een einde kwam aan het leven van Joseph Roth. Hij stierf op 45-jarige leeftijd in armoede in Parijs aan de gevolgen van alcoholisme. Andreas Kartak, de hoofdpersoon van De legende van de heilige drinker heeft daar veel gelijkenis mee. Hij slaapt onder de bruggen en is verloederd, tot hij een heer tegenkomt die hem graag tweehonderd franc leent. Andreas zegt dat hij ondanks zijn berooide toestand een man van eer is en hem het geld zal terugbetalen. De heer antwoordt hem dat hij dan maar op een zondagochtend naar de kapel Sainte Marie de Batignolles moet gaan en het geld aan een priester in bewaring moet geven. Het komt toe aan de kleine heilige Thérèse van Lisieux, die hij vereert en die daar afgebeeld staat.

    Het verhaal is als een droom waarin het Andreas steeds maar niet lukt om het geld te retourneren. Net als in een droom zijn alle gebeurtenissen reëel. ‘Want het was gewoon een wonder, en aan een wonder is niets verwonderlijk.’ Af en toe komt hij hier en daar aan geld, maar als puntje bij paaltje komt kan hij het niet teruggeven. Verschillende keren komt hij aan bij de kapel en omdat er dan nog een mis bezig is, bezoekt hij eerst weer een café waar hij zijn geld dan uitgeeft.

    Andreas komt uit Silezië en heeft in de mijnen gewerkt. Hij zat in het gevang vanwege de moord op een man om een vrouw, Caroline, die hem roept als hij uit een kroeg vandaan komt. Ze brengen de nacht door in een hotelkamer, maar in de ochtend vertrekt Andreas omdat hij ziet dat ze oud geworden is. Onrust omgeeft hem net als de hoofdpersoon Ferdinand Bardamu in Reis naar het einde van de nacht van Celine.

    Andreas ontmoet een oud-klasgenoot die een beroemd voetballer is geworden en hem een kostuum bezorgt en een hotelkamer tegenover de kamer van een mooi meisje, op wie hij zijn lusten botviert. Andreas kent weinig intimiteit. ‘En nadat ze de wezenlijke ervaring die man en vrouw vergund is zo lichtvaardig hadden verkwist, wisten ze niet meer wat ze met elkaar aan moesten.’ Ze gingen maar naar de bioscoop.

    Af en toe dringt de visie van de schrijver door de uitspattingen van Andreas heen, vooral als hij teleurgesteld is dat er geen nieuwe wonderen gebeuren: ‘Want aan niets raken de mensen zo vlug gewend als aan wonderen, wanneer die hun één, twee, drie keer zijn overkomen. Ja, de aard van de mensen is zodanig dat ze zelfs kwaad worden als hun niet voortdurend alles te deel valt wat een toevallig en voorbijgaand lot hun beloofd lijkt te hebben. Zo zijn de mensen – en wat anders zouden we mogen verwachten van Andreas.’

    De taal is eenvoudig. Zeer toegankelijk, soms op het kinderlijke af. Bijvoorbeeld als een andere heer hem een hotelkamer aanbiedt, waarin zich een geheimzinnige deur met een witte knop bevindt… ‘waarachter zich iets mysterieus, althans voor Andreas iets mysterieus, leek te verbergen.’

    Het verhaal kent een fraaie afwisseling tussen de tekst, vertaald door Wilfred Oranje en de zwart-wit tekeningen van Bert Dekker, die sfeer toevoegen. De legende van de waterdrinker vormt een heerlijke appetizer tot het werk van Joseph Roth.

  • Onderhoudende verhalen over diverse facetten van de lichamelijke liefde

    Onderhoudende verhalen over diverse facetten van de lichamelijke liefde

    Recensie door Rein Swart

    Erotiek en literatuur hebben een innige band met elkaar. Wie herinnert zich niet dat hij als puber seksscènes opzocht in de boeken van de bibliotheek, zoals bijvoorbeeld De geverfde vogel van Kosinki of een roman van Jan Wolkers, het werk van Anaïs Nin en Justine van De Sade. In Nederland liet Lydia Rood zich op het erotische vlak horen, maar eigenlijk speelt de seksuele relatie vaak in proza een rol. Zinnelijke taal en situaties spreken de lezer nu eenmaal aan.
    De uitgever van Marjan Berk (1932) moet gedacht hebben dat er geld te verdienen valt door de seksuele passages uit haar omvangrijke werk samen te voegen onder de titel Bedvrienden, dat onschuldig klinkt en er zelfs knus uitziet op de omslag, terwijl de ondertitel Erotische episodes juist prikkelt.

    In de fragmenten zelf komt de literatuur ook rechtstreeks ter sprake. Een lerares van 56 jaar moet aan haar maag geopereerd worden en neemt de drie delen van Mann ohne Eigenschaften mee naar het ziekenhuis. Een oudere die zich aanmelt bij een datingbureau zoekt een zwarte man die belezen is. Uiteindelijk krijgt ze contact met een man van 28 jaar die, zo ziet ze in zijn boekenkast, vooral Ludlums leest, hetgeen haar meteen teleurstelt. Waar moet je het dan na de daad over hebben? Een vergelijkbaar verhaal gaat over een man die mee gaat met celliste Trijntje uit Weesp en zich ergert aan de vele Konsaliks die zij in haar bezit heeft.

    Bedvrienden is geordend op thema. Een zevental onderwerpen passeert de revue. Het ligt voor de hand dat begonnen wordt met De eerste keer. Onder die noemer komen eerst de ontluikende gevoelens aan bod uit kinderboeken die Berk schreef. Zinsneden als: ‘een intens wellustig gevoel van uitgesteld genot’, geeft die eerste periode fraai weer.

    Het tweede deel Geen verplichtingen en geen verwachtingen gaat over de eerste seksuele ervaringen. Aanstekelijk is de beschrijving van het ALO-meisje Regien dat haar mooie, jonge, stevige lijf zomaar wegschenkt aan een man. Haar spijt daarover doet verlangen om verder te lezen om erachter te komen hoe het verder met haar gaat.

    Het deel Modern ouderschap speelt zich af tijdens de periode van seksuele vrijheid en is, zoals over het gezin van Karin en Leo en hun kroost, zeer vermakelijk. ‘Het was heel gewoon dat Karin uitgebreide instructies voor de boodschappen aan haar oudsten gaf, terwijl Leon haar kalmpjes verder neukte, het kostte haar na enige oefening totaal geen moeite.’

    Als oma bij het gezin op bezoek is, wordt ze belaagd door de jongste spruit die haar in geuren en kleuren de inhoud van een boek over seksuele voorlichting uitlegt, waarop Karin de volgende dag toch maar tegen haar jongste zegt dat stiekem veel spannender is dan open en bloot.

    Het deel Ontrouw omvat de meeste verhalen, onder andere over de knappe skileraar Benz in Gstaad, die door zijn vrouwelijke leerlingen als dekhengst wordt gebruikt. Het valt op dat Berk niet zo expliciet het feitelijke overspel benoemt. ‘Toen de brand door Lars was geblust,’ staat er bijvoorbeeld in ditzelfde deel.

    In de Doe-het-zelf afdeling maakt men veelal gebruik van vibrators – soms flippers genoemd – die echter niet altijd soelaas bieden. Mooi is een verhaal over een gescheiden moeder, die niet zo lekker kan klaarkomen als het instructieboekje belooft.

    Vreemde genoegens gaat onder andere over kleermaker Rosipal, die vrouwenkleren naar koning Ludwig brengt. De koning probeert daarin het jongetje Ferenz te versieren. Volgens een toelichting is het verhaal echt gebeurd en betrof het Ludwig van Beieren.

    Tot besluit gaat het in Nooit te oud over de seksuele activiteit van oude mensen, die tot verrassende bejaardenseks in staat zijn, soms in de vorm van een orgie op een kamer in het Hilton. Maecenas Ferdinand wordt omringd door zijn drie vrouwen Hanna, Patty en Abelien en wil met hen naar het zuiden. Op een camping in Valkenburg gaat het echter al mis. Hanna en Abelien, die overschieten, zitten ontevreden bij het zwembad. De gelukkige, Patty, wil haar man verrassen die zich in de camper aan het omkleden is maar trekt, omdat de wagens zo op elkaar lijken, de verkeerde man van achter aan zijn klokkenspel.

    Marjan Berk schrijft direct en realistisch zodat je je af en toe afvraagt of je met fictie of met non-fictie te maken hebt. De humor en de vele gevoelens die de seksualiteit vergezellen, maken Bedvrienden tot vitaal en onderhoudend proza, dat uitnodigt meer van Marjan Berk te lezen. Een verantwoorde uitgave dus uiteindelijk. Bevat literatuuropgave.


  • Licht op Arthur Miller

    Licht op Arthur Miller

    Op zoek naar een toekomst is een verhalenbundel van de vooral als toneelschrijver bekende Arthur Miller. In het voorwoord schrijft Miller dat het voordeel van korte verhalen ten opzichte van toneelstukken de mogelijkheid is gebeurtenissen en personen ‘in een roerloze toestand te bekijken.’ (8) In een geslaagd kort verhaal spelen de locatie, het weer, de sfeer en stemming sterk mee. Zo ook in deze verhalen van Miller, die stuk voor stuk de moeite waard zijn.

    In diverse van de opgenomen verhalen is er een rol weggelegd voor de joodse identiteit, bijvoorbeeld in ‘Monte Sant’Angelo’ waarin een man tegen zijn vriend beweert dat hij aan de manier waarop een Italiaan zijn bundel stoffen dichtknoopt kan zien dat deze joods is: ‘De hele geschiedenis is je boeltje pakken en wegwezen. Niemand anders kan zo liefdevol en fijngevoelig met zijn bundel bezig zijn.’ (81) De man in kwestie blijkt echter geen jood te zijn en zelfs de betekenis van het woord niet te kennen. De hoofdfiguur, Bernstein, denkt echter dat de stoffenhandelaar toch joods is maar dit zelf niet weet. Het werpt een interessant licht op identiteit: is deze aangeboren, of gaat het erbij om een proces van aanleren?

    Ook vriendschap is een thema in deze verhalen. Zo wordt in het verhaal ‘Roem’ een bekende toneelschrijver door iedereen herkend. Dan komt deze dan een oud-klasgenoot tegen, die de toneelschrijver zich in het geheel niet herinnert. De oud-klasgenoot herkent hem wel, maar niet omdat de man bekend is, maar gewoon omdat hij vroeger vier jaar naast hem gezeten heeft. Als de schoolvriend hoort dat zijn oude kameraad beroemd is, maakt hij zich snel uit de voeten.

    Roem speelt ook een rol in het titelverhaal, waarin een bekende acteur teleurgesteld is in het leven. Vroeger dacht hij ‘dat een groot acteur de mensheid iets te bieden had’ (265), maar nu ziet hij zichzelf als een mislukking, ongetrouwd en met een aftakelende vader. Het is een verhaal over desillusie. De acteur ‘had niets liever gewild dan kinderen, een gezinsleven’, maar dat kwam er nooit van. Hij mag in zijn carrière geslaagd zijn, in het leven voelt hij zich een mislukking.

    Relaties, in vele verschijningsvormen, spelen in Millers verhalen een belangrijke rol. Zo heeft in het verhaal ‘Bulldog’ een jongetje van dertien seks met een volwassen vrouw en probeert een schrijver zijn writer’s block in het verhaal ‘Het naakte manuscript’ te overwinnen door met een pen een verhaal op de huid van een naakte vrouw te schrijven. Het is het minste verhaal in de bundel, want te vergezocht. In ‘Het leven van een lelijke vrouw’ toont Miller empathie: het gaat over een al dan niet onaantrekkelijke vrouw die geluk vindt met een blinde man en zich zo toch nog mooi kan voelen. Het idee is misschien niet zo origineel, maar de uitwerking is sterk. Miller, zelf ooit getrouwd met Marilyn Monroe, weet het geestesleven van deze vrouw goed uit te werken.

    Het verhaal dat het meest bij blijft is ‘Het optreden’, waarin een joodse tapdanser optreedt voor Adolf Hitler, zo ongeveer het hoogtepunt uit zijn leven. Men biedt hem na het optreden, niet wetend van zijn joodse achtergrond, aan om een tapdansschool in Berlijn op te zetten, om het Duitse volk cultureel te verheffen. Miller schrijft: ‘Hitler had een hartstochtelijke waardering voor hem getoond, in zekere zin zelfs van hem gehouden, van zijn talent in elk geval, en dat met een vuur dat niemand waar dan ook ooit bij benadering had kunnen evenaren’ (342) Het werpt een interessant licht op de op artistiek gebied niet bijster talentvolle Hitler.

    Op zoek naar een toekomst is een sterke bundel, mooi vertaald door Guido Golüke.  Miller weet zowel de leefwereld van kinderen als van volwassenen overtuigend uit te werken en zowel ontwikkelde mensen als laaggeschoolden worden treffend getoond in zijn teksten. Bovendien werpen deze verhalen licht op het geestesleven en ook wel op de persoonlijke biografie van de belangrijke schrijver Arthur Miller.

     

  • Als de hele wereld je nauwlettend in de gaten houdt

    Als de hele wereld je nauwlettend in de gaten houdt

    Kantor is een correspondent in Washington en al jarenlang geïntrigeerd door het leven van de Obama’s. Zij heeft meer dan vijf jaar onderzoek gedaan naar het leven van de Obama’s voordat ze het boek schreef. In Barack en Michelle, het openbare huwelijk van de Obama’s wordt de politiek gelaten voor wat ze is. In dit boek geen politieke beschouwingen, geen kritiek of lofzangen over Obama’s optreden of over de bedenkingen die de Amerikanen tegen hem of zijn manier van regeren hebben. Kantor heeft er in dit boek voor gekozen om het leven van de Obama’s te belichten vanuit een andere hoek: hun huwelijk. In welke mate is hun huwelijk veranderd in de afgelopen vier jaar? Is het wat ze ervan verwacht hadden? Tegen wat voor dingen loop je aan in je liefdesleven als je president bent? Hoe gaat Baracks vrouw Michelle om met al deze veranderingen? Het moet niet gemakkelijk zijn om je huwelijksleven nog privé te houden, als iedereen op de wereld je nauwlettend in de gaten houdt. Geen woord of stap gaat immers onopgemerkt.

    De schrijfster van het boek probeert een antwoord te geven op al deze vragen. Ze beschrijft het huwelijk van de Obama’s in een chronologische volgorde, vanaf de dag dat Obama president wordt tot nu, met af en toe flashbacks naar de tijd voordat Barack president werd.

    Door de chronologische volgorde is het boek overzichtelijk opgebouwd. Ook de hoofdstukken zijn duidelijk afgebakend en omvatten steeds twee maanden uit het leven van de Obama’s.

    Helaas weet Kantor met het verhaal geen vaart te maken en zo krijgt ze de lezer niet achter zich. Het verhaal is niet pakkend, wellicht omdat de samenhang tussen de verschillende hoofdstukken behalve de chronologie in de tijd, niet duidelijk is. Waarom heeft Kantor bijvoorbeeld gekozen om steeds twee maanden te beschrijven in een hoofdstuk, en zorgt het begin van het ene nieuwe hoofdstuk wel, maar het andere hoofdstuk niet voor een verandering van het plot?

    Het siert Kantor dat ze eens een andere kant heeft willen belichten van het leven van de Obama’s, het is interessant om te zien wat voor invloed de politiek op iemands huwelijksleven kan hebben. We lezen bijvoorbeeld over de twijfels die Michelle had bij de politieke stappen die Barack maakte. Ook de foto’s achter in het boek zijn een waardevolle toevoeging bij de tekst, omdat dit portretten zijn van Obama buiten zijn politieke rol.

    Maar toch blijft ze met het verhaal een beetje op de achtergrond, het blijft te oppervlakkig, de manier van beschrijven lokt geen emotie uit en dat is een groot gemis van het boek. Misschien is Kantor bewust aan de oppervlakte gebleven met het verhaal omdat ze het boek niet een te hoog ‘sentiment’ gehalte wilden geven. Indien ze de gevoelens op een meer dramatische wijze had beschreven was het boek wellicht te subjectief geworden, en dat wilde ze voorkomen. Maar nu is het net alsof je een boek leest dat geschreven is door iemand die op de hoek van de straat een familie staat te observeren en alles wat ze ziet en merkt noteert en verder niet becommentarieert. De journalist in Kantor komt hierbij te zeer naar boven, het ligt er te dik bovenop dat het boek vooral niet subjectief mag zijn.

    Bovendien is het maar de vraag hoe objectief Kantor nu eigenlijk is, dus of ze er wel in is geslaagd om neutraal te blijven in het boek. Uit alles blijkt dat ze graag een neutrale voorstelling van zaken wil geven (dit beschrijft ze onder andere in het nawoord). Ze heeft ongetwijfeld veel onderzoek gedaan voor het schrijven van dit boek, en ze beschrijft ook dat ze honderden mensen heeft geïnterviewd voor het boek, ook medewerkers van het Witte Huis. Ze heeft ook Barack en Michelle zelf geïnterviewd over hun huwelijk. De informatie die ze heeft verkregen uit de interviews heeft ze naar eigen zeggen altijd gecheckt bij anderen. Ze wilde per sé mensen spreken van meerdere ‘kampen’, voor- en tegenstanders, omdat ze zich ervan bewust was dat het anders nogal subjectief zou zijn. Maar toch kreeg ze in een interview naar aanleiding van dit boek al kritiek dat er ‘teveel van horen zeggen’ in het boek staat. Ze had misschien nog zekerder van haar zaak moeten zijn. Overigens was Michelle ook niet zo blij met de manier waarop ze geportretteerd werd: als een boze zwarte vrouw die verbitterd is en niet blij is met wat haar man doet.

    Jammer dus van de misschien te geforceerde poging om maar zo objectief mogelijk te zijn, het verhaal mist daardoor diepgang en is alsnog te zien als een subjectieve voorstelling van de zaken.

     

     

  • Beetje rondhangen, beetje studeren, beetje vrijen

    Beetje rondhangen, beetje studeren, beetje vrijen

     

    Een roman die vrijwel nergens over gaat, maar die wel een kapstok is voor verrassende gedachten en scherpe observaties, die op een rake, beeldende manier zijn verwoord.

    Toch maar even het verhaal: twee vrienden uit Amsterdam besluiten na hun eindexamen een tijd naar Italië te gaan, om uit Nederland weg te zijn, om iets van de wereld te zien, om zich zelfstandig te voelen. Ze gaan naar Perugia, omdat ze zich daar kunnen inschrijven aan de universiteit voor buitenlanders, zodat ze toch nog iets van een kader hebben waarbinnen ze zullen leven. Ze nemen op goed geluk hun intrek in een appartement dat hun wordt aangeboden door een Zweedse jongen. In de dagen vóór de inschrijving brengen ze hun tijd door met rondhangen in bars, naar muziek luisteren, tochtjes maken met andere buitenlandse jongeren.

    Dan begint de studie, dat wil zeggen voor één van hen, Daan. De ander, Xander, ziet het studeren niet zo zitten en zegt dat hij liever het leven in de praktijk leert.

    Op de universiteit maakt Daan kennis met een Zuid-Afrikaanse, Sophie. Hoewel ze niet verliefd zijn, beginnen ze een seksuele relatie.

    Dan moet Daan terug naar Nederland voor de begrafenis van zijn opa. Maar voordat hij gaat speelt zich in zijn huis een scène af waarbij Xander Sophie lastigvalt. Daan ziet het vaag door de glazen keukendeur, maar grijpt niet in. Hij brengt Sophie nog wel naar huis, maar deze moet kennelijk niet veel meer van hem hebben.

    Weer terug in Perugia merkt hij tot zijn verbazing dat zijn kamer niet meer vrij is, en dat ook Xander uit het huis is verdwenen. De Zweed weet niet waar Xander naartoe is, maar hij geeft Daan een zak met spullen van Xander, waaronder een ansichtkaart van een dorpje op Sicilië. Als hij vervolgens naar Sophies huis gaat, vindt deze het heel vanzelfsprekend dat zij beiden op zoek gaan naar Xander: een wekenlange tocht naar het zuiden van Italië, per trein, bus en te voet, totdat ze uiteindelijk Xander in het bewuste dorpje zien, waar hij als ober werkt. Ze spreken hem niet, maar het ‘doel’ is bereikt. Daarop gaat Daan weg, Sophie achterlatend, als een twijfelende puber die probeert doortastend te zijn.

    Hoewel het verhaal weinig voorstelt, is het bij vlagen toch een boeiende roman. Want het moet gezegd: de gemoedstoestand van een jongeman die net uit huis is maar in alle opzichten nog onzeker, is erg goed getroffen. Misschien juist ook wel doordat er vrijwel niets gebeurt: beetje rondhangen, beetje studeren, beetje opgelicht worden, beetje met een meisje vrijen: het leven moet nog beginnen, maar misschien begint het wel nooit?  Zelfs het feit dat de ‘vriendschap tussen Daan en Xander nauwelijks reliëf heeft, past in dit vage beeld. Die vriendschap is toevallig, ze doen nu eenmaal dingen samen, dat is alles. En als de een zomaar verdwijnt, ga je hem zoeken, als een vanzelfsprekendheid, niet omdat je hem zo mist. Wat dat betreft lijkt Daan erg op zijn ouders, die ook een nogal emotieloos koppel vormen, met Daan als meevallertje in hun troosteloze bestaan. In de woorden van Daan: ‘De ouders zonder mij: zwart-wit. Aandoenlijk maar kleurloos. Flets.’

    Misschien kun je zeggen dat hier een portret wordt gegeven van een gevoelsarme jongen, op het draaipunt van kind naar volwassene.  Een jongen die, ondanks zijn plan om een ‘avontuurlijk’ leven te gaan leiden, zijn leven laat leiden door toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen, die hem niet echt lijken te raken.

    De stijl is onderhoudend, en de lezer kan genieten van diverse originele beschrijvingen, zoals: ‘Het weer betrok, haar gezicht kon niet achterblijven.’ Of: ‘Het werd nu snel donkerder. Keukenlichtjes sprongen uit het duister.

    Maar veel verder dan een boek met ‘goed getroffen passages’ is het toch niet. Daarvoor is het verhaal te pover en zijn de personages te vlak.’

     

     

     

     

  • De worsteling maakt de overwinning eigenlijk onzichtbaar

    De worsteling maakt de overwinning eigenlijk onzichtbaar

     

    In 1933 en 1934 reist Robert Byron, de achterkleinzoon van Lord Byron door Perzië en Afghanistan. In De weg naar Oxiana toont het reisdagboek wat het kan zijn: een intense, onsentimentele, levendige bespiegeling over een plaats, een tijd. Byron is een heel helder schrijver. De vloeiende vertaling van Tinke Davids zal aan die indruk bijgedragen hebben.
    Met zijn vriend Christopher Sykes, later vooral beroemd geworden als biograaf van Evelyn Waugh, reist Byron via Venetië, Cyprus, Palestina, Syrië en Irak naar Perzië en vandaaruit naar Afghanistan. Byron is, zo schrijft Bruce Chatwin in zijn voorwoord, ‘een heer, een geleerde, een estheet, die in 1941 verdronk toen zijn schip op weg naar de Middellandse zee werd getorpedeerd.’
    De speciale fascinatie van Robert Byron voor de landen die hij bezoekt geldt de architectuur. Je vangt vaak maar terzijde op dat de heren onder de sterren hebben moeten overnachten omdat het spoor door regenval bijster was geraakt. Het is het soort heer dat gewoon niet doet aan klagen, maar de ogen gericht houdt op op wat hem interesseert, met name islamitische bouwkunst. Byron geeft lang voor Alain de Botton in zijn De architectuur van het geluk iets dergelijks probeert, de lezer een mogelijkheid om met de kijker mee te beleven wat een goed gemaakt bouwwerk betekenen kan, en dat daar alleen maar goed kijken voor nodig is. In Isfahan noteert hij: ‘De twee koepelruimten van de Vrijdagsmoskee benadrukken die bijzondere kwaliteit doordat ze zo verschillend zijn. Beide zijn ongeveer in dezelfde tijd gebouwd, aan het eind van de elfde eeuw. In de grootste ervan, het hoofdheiligdom van de moskee, gaan twaalf massieve zuilen een promethëische strijd aan met het gewicht van de koepel. Die worsteling maakt de overwinning eigenlijk onzichtbaar: om die te zien moet men al eerder belangstelling hebben gehad voor middeleeuwse bouwkunst of voor het karakter van de Seltsjoeken. Vergelijk dit met de kleinere ruimte, eigenlijk een graftoren die in de moskee is opgenomen. Van binnen is hij ongeveer 10 meter in het vierkant, en twintig meter hoog: de inhoud is misschien een derde van die van de ander. Maar terwijl het de grote ruimte ontbreekt aan de ervaring die de schaal behoeft, belichaamt de kleinere dat kostbare moment tussen te weinig ervaring en teveel, wanneer de bouwelementen verfijnd zijn, hun overbodige massa kwijt zijn, en toch de verlokking van overbodige gratie weerstaan; zodat elk element als de spieren van een getrainde atleet, zijn fuctie verricht met gevleugelde precisie, zonder de inspanning te verhullen, zoals bij overmatige verfijning gebeurt, maar door deze aan te passen bij de hoogste graad van intellectuele zin. Dit is het toppunt van architectuur, niet zozeer bereikt door de vorm van de elementen – want dat is een kwestie van conventie – maar door de ridderlijkheid van evenwicht en proportie. En dit kleine interieur nadert dichter tot die volmaaktheid dan ik buiten klassiek Europa voor mogelijk had gehouden.’
    Dit is zo’n prachtige beschrijving van een architectonische sensatie dat je die ondanks onbekendheid met het karakter van de Seltsjoeken of middeleeuwse bouwkunst onmiddelijk kunt zien. En dat terwijl het boek illustratieloos is, wat eerst onbegrijpelijk lijkt, maar misschien meer ruimte geeft aan de kracht van de tekst.
    Reizen naar Oxiana verscheen in 2007 bij Uitgeverij Atlas in de ‘ Klassieke reizen’  reeks, een serie waarvan ik tenminste nog twee boeken heel prachtig vind: Claude Levi Strauss’ Het trieste der tropen en Tim Robinson De Aran-eilanden.

    Byron dwingt een enorme bewondering af. De redenen daarvoor zijn soms moeilijk te doorgronden, het is althans een vreemd palet: deels is hij de klassieke Britse avonturier die een goed glas whiskey bij zijn gebakken ei nodig heeft, soms blaft hij een lokale grootheid af, maar vaker is er een onnadrukkelijke hoffelijkheid, hij doorziet prachtig land en cultuur door wat men bouwde, raakt ergens aan wat de essentie van deze landen moet zijn. Afghanistan is meer voor mij gaan leven dan drie kamerdebatten over Kunduz en Uruzgan vermochten. Het is de mens Byron die je weerspiegeld ziet in zijn eigen beschrijving van de volmaakte architectuur, je leest als het ware hoe zijn schrijverschap ‘dat kostbare moment belichaamt tussen te weinig ervaring en teveel, wanneer de bouwelementen verfijnd zijn, hun overbodige massa kwijt zijn, en toch de verlokking van overbodige gratie weerstaan.’
    En tenslotte wordt het nog rechtstreeks prachtig als Byron na zo lange tijd thuis komt en schrijft: ‘…dat was negentienenhalve dag na ons vertrek uit Kaboel. Onze honden kwamen aangerend. En toen mijn moeder – aan wie ik, nu het voltooid is, het hele dagboek overhandig; wat ik gezien heb, heeft zij me geleerd te zien, en zij zal me vertellen of ik haar lessen eer heb aangedaan.’

     

  • Recensie door: Geesje Nijland

    Recensie door: Geesje Nijland

    ‘Iedereen kijkt naar je uit,’ adverteert ons vaderlandse postbedrijf om postbezorgers te werven. Dat het ook anders kan zijn, wordt op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt in het nieuwe boek van Stefan Brijs, Post voor mevrouw Bromley. De postbode brengt namelijk niet alleen maar goed nieuws…

    Na het enorme succes van De engelenmaker is het verschijnen van een nieuwe roman van de hand van Stefan Brijs iets om naar uit te kijken. Het is natuurlijk altijd moeilijk na een dergelijk succes de draad weer op te pikken en op eenzelfde niveau te presteren. Inspiratie vond hij in een Britse documentaire over de Eerste Wereldoorlog, waarin hij een militair de uitgaande post zag censureren. Dit beeld raakte hem en het leidde tot deze lijvige roman.

    Het eerste deel van de roman neemt de lezer mee naar  het Londen aan het begin van de 20e eeuw, waar de hoofdpersoon, John, opgroeit bij zijn vader, die postbode is. Zijn moeder is in het kraambed overleden; als baby is hij gezoogd door mevrouw Bromley en hij houdt contact met haar en haar gezin, sterker nog, haar zoon Martin is gedurende zijn kinderjaren z’n beste vriend.

    Wanneer de jongens opgroeien, gaat Martin echter steeds meer lijken op zijn agressieve vader en er ontstaat verwijdering tussen de jongens. Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, komen de verschillen tussen de jongens pijnlijk duidelijk aan het licht. Bij Martin, en vele andere Londenaren, leidt de aankondiging van de oorlog tot enorm enthousiasme: ze zullen die Duitsers wel eens even een lesje leren. Martin wil niets liever dan in dienst gaan en meevechten. John daarentegen is een gevoelige jongen, opgegroeid tussen de boeken die zijn vader verzamelde. Hij leest graag en wil gaan studeren. De oorlog boezemt hem angst in en, gesteund door mensen als zijn vader, mevrouw Bromley en een vriend aan de universiteit, weigert hij in dienst te gaan ondanks de enorme druk van de buitenwereld, waaronder hij evengoed wel gebukt gaat. Hoewel de hedendaagse lezer ‘met de kennis van nu’ in het algemeen alleen maar begrip en sympathie zal voelen voor de weigering van John om in dienst te gaan, lukt het toch niet helemaal om de gewetensnood van John in het eerste deel geloofwaardig en invoelbaar op de lezer over te brengen. Hij ontloopt de druk die er op hem wordt uitgeoefend en heeft niet echt verweer.

    Wanneer aan het eind van het eerste deel de zaken echter in een stroomversnelling raken en hij schokkende informatie in handen krijgt, besluit hij alsnog zich aan te melden: hij heeft niets meer te verliezen.

    Ademt het eerste deel nog treurigheid, troosteloosheid en armoede, in het tweede deel van de roman wordt de lezer op harde wijze de realiteit van de oorlog ingetrokken. Wat in het eerste deel alleen nog indirect duidelijk werd aan de hand van krantenberichten en post, wordt in deel twee op confronterende wijze gepresenteerd. De romantiek van oorlog en heldendom bestaat niet. Oorlog is ellende, dood en verderf. Helden verliezen de moed, oog in oog met de verschrikkingen van het slagveld. John probeert zich zo goed en kwaad mogelijk staande te houden. Hij treedt min of meer in de voetsporen van zijn vader, want hij krijgt onder andere de taak de post te verspreiden onder de soldaten. Dit levert  hem een voorkeurspositie op. Immers: post van het thuisfront is een lichtpunt in het door treurigheid omgeven leven van de soldaten. Het biedt hen afleiding en troost om te weten dat thuis het ‘normale leven’ van alledag gewoon doorgaat en dat er aan hen gedacht wordt, dat ze gemist worden. Maar hij ervaart nu aan den lijve dat de boodschap die de postbode brengt niet altijd een prettige is.

    Zo zwak en egocentrisch als John overkomt in het eerste deel van de roman, zo sterk is hij in het tweede deel. Hij heeft een missie, een zoektocht naar waarheid, misschien moet je zelfs zeggen: naar zingeving. Maar oorlog lijkt per definitie zinloos en zij die hun leven geven zijn heel ver verwijderd geraakt van de droom van heldendom waarmee ze ooit ten strijde trokken.

    Oorlog is echter ook een toestand waarin façades wegvallen en de mens zijn ware karakter toont. Niet voor niets vormen oorlogssituaties vaak het decor voor fictie. Waar voor ons Nederlanders de Tweede Wereldoorlog generaties lang diepe sporen heeft getrokken in ons nationale bewustzijn, daar heeft de Eerste Wereldoorlog voor België een vergelijkbare impact gehad. Het is dan ook niet meer dan logisch dat Brijs deze periode kiest als achtergrond voor zijn verhaal. Opvallend is echter dat hij niet heeft gekozen voor een Belgisch verhaal: de hoofdpersoon is een Engelsman en het eerste deel van de roman speelt in Londen. Pas in het tweede deel komen we, via Frankrijk, in België, waar dan echter wel de beslissende gebeurtenissen zich afspelen.

    Is het nieuw, wat Brijs de lezer vertelt? Nee, dat niet. De agressieve wijze waarop jonge mannen naar het front gelokt werden, de druk van de omgeving, de hooggespannen verwachtingen, het is geen nieuws. En natuurlijk zijn de verschrikkingen van de loopgravenoorlog, die in de Eerste Wereldoorlog werd uitgevochten algemeen bekend, evenals de wanhoop en het verdriet van de strijders en de achterblijvers. Het is verteld in films, documentaires en boeken. Maar dat betekent niet dat de roman van Brijs dus niet de moeite waard is. Integendeel. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het weliswaar geen meesterwerk is; daarvoor komt  het verhaal te stroef op gang en is het eerste deel soms wat te langdradig. Desondanks lukt het Brijs naarmate het verhaal vordert, steeds beter de lezer in zijn greep te krijgen. Hij maakt met zijn verhaal duidelijk hoe soms een individu het verschil kan maken door betrokkenheid en interesse in mensen te tonen. Door mededogen en medeleven. Door waar mogelijk mensen zoveel mogelijk verdriet te besparen of ten minste het leed te verzachten. Maar wat uiteindelijk overblijft, is het gevoel van machteloosheid en zinloosheid. De levens van veelbelovende, idealistische jongens gaan verloren; families blijven vertwijfeld achter. Nee, nieuw is de boodschap niet. Maar de manier waarop Brijs het verhaal vertelt, is zonder meer onderhoudend en aangrijpend.

    Post voor mevrouw Bromley

    Stefan Brijs
    Verschenen bij: uitgeverij Atlas (okt. 2011)
    Aantal pagina’s: 512
    Prijs: € 24,95 (gebonden)

     

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Nobelprijswinnaar John Steinbeck was vooral in de jaren ’60 en ’70 een bekende schrijver. Veel middelbare scholieren hadden zijn boeken op hun lijsten.

    Tortilla Flat, The Grapes of Wrath, Of mice and men of East of Eden werden veel gelezen. De laatste roman werd verfilmd met James Dean in de hoofdrol en kreeg een cultstatus. In Amsterdam is zelfs een café naar deze film vernoemd.

    De sociale bewogenheid van deze schrijver was uniek. Hij had een wat bonkige eigen stijl en zijn dialogen en natuurbeschrijvingen en vooral ook de schilderingen van de sociale wantoestanden in Amerika zijn opmerkelijk. Zijn werkje Travels with Charley in search of America  uit 1962 neemt in dit oeuvre een bijzondere plaats in. Steinbeck beschrijft daarin zijn reis door Amerika van Long Island naar de Pacific. Uiteindelijk eindigt hij in zijn thuishaven: New York. Hij reist in een oude wagen, die hij heeft omgebouwd tot een soort camper en die hij de Rosinante heeft gedoopt. En er is de hond Charley, die met hem meereist.

    Waarom deze reis? Om Amerika te onderzoeken. Een zoektocht naar zichzelf? En wat is een reis eigenlijk? De bespiegelingen zijn niet van de lucht. Zo lezen we op bladzijde 251 in de terugblik:

    ‘Mijn eigen reis was al lang begonnen voor ik vertrok, en was voorbij voor ik terugkwam. Ik weet precies waar en wanneer hij voorbij was. In de buurt van Abingdon, in de punt van Virginia, om vier uur op een winderige namiddag, ging mijn reis er zonder waarschuwing of afscheid of bekijk het maar vandoor en liet me ver van huis achter.’

    Steinbeck neemt afscheid van zijn vrouw, die hij een aantal maanden zal achterlaten. Ze groeten elkaar nauwelijks, want dat zou te pijnlijk worden. Steinbeck laadt heel wat drank in en ook veel hondenvoer. Hij heeft een soort wasmachine ontworpen voor onderweg. Het is een vuilnisbak, die meedeint met de bewegingen van de auto. Hij gooit er water en waspoeder in. Daardoor komt de was er na een paar honderd kilometer mooi schoon uit. Onderweg ontmoet hij in diverse staten inwoners, zwervers, toneelspelers en allerlei andere lieden van verschillend pluimage. Het levert interessante dialogen op. Zoals met de verdwaalde acteur, waarmee hij veel whisky gaat drinken en koffie.

    ‘Op Uw gezondheid,’ zei ik. We leegden onze plastic glazen, spoelden het weg met koffie en ik schonk nog eens in.
    ‘Als het niet te persoonlijk of te pijnlijk is- wat deed u in het theater?’
    ‘Ik heb een paar toneelstukken geschreven.’
    ‘Op gevoerd?’
    ‘Ja ze zijn geflopt.’
    ‘Moet ik uw naam kennen?’
    ‘Dat betwijfel ik. Die kende niemand.’

    De hond Charley krijgt in deze roman een heldenstatus. Hij begrijpt zonder te spreken. Hij bewaakt zonder te vechten, behalve wanneer wasberen de auto aanvallen en hij overleeft een zware ziekte, doordat Steinbeck hem als een mens volstopt met slaapmiddelen. Dit overigens nadat een dierenarts geen enkele behandeling weet. Hij vindt de hond te oud, niet waardig om verder te leven. Steinbeck krijgt twee lekke achterbanden en wordt door een pompstationhouder gered. Deze man regelt twee nieuwe banden, terwijl hij er nors en onvriendelijk uitziet. Schijn bedriegt! En Steinbeck stelt zijn vooroordeel voor de zoveelste maal bij. Het boek draagt als bijschrift: Een roadtrip door Amerika. Dat is een beetje bedrieglijk, want als de argeloze lezer denkt in een soort On the Road terecht te komen, dan komt hij bedrogen uit. Dit boek is minder een tocht op zoek naar spiritualiteit dan On the Road. Het legt de Amerikaanse samenleving bloot. De vertaling van Funhoff is in het begin wat stroef, maar later komt ze er meer en meer in.

    Een verrassende, hernieuwde kennismaking met dit prachtige werk, na al die jaren heeft het de tand des tijds ruimschoots doorstaan!

     

    Reizen met Charley
    Een roadtrip door Amerika

    Auteur: John Steinbeck
    Vertaald door: Tineke Funhoff
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 22,95

     

     

     

  • Recensie door: Sunny Jansen

    Recensie door: Sunny Jansen

    De honderd dagen van Joseph Roth verhaalt de periode vanaf Napoleons ontsnapping van het eiland Elba en zijn terugkeer naar Frankrijk tot zijn aftreden als keizer na zijn nederlaag in de Slag bij Waterloo. In deze roman zet Roth Napoleon Bonaparte treffend neer als een man van vlees en bloed met ambities, onzekerheden en twijfels. De keizer is een vat vol tegenstellingen. ‘Zelf haatte, beminde, vreesde en vereerde hij. Hij was sterk en zwak, vermetel en moedeloos, trouw en verraderlijk, hartstochtelijk en onverschillig, hoogmoedig en bescheiden, trots en nederig, gewelddadig en armzalig, trouwhartig en wantrouwend.’ Vooral dit wantrouwen maakt de grote keizer Napoleon Bonaparte voor zijn omgeving onbereikbaar en ongrijpbaar: ‘reeds een legende en toch nog in leven.’

    Door zijn omgeving wordt Napoleon gevreesd en bewonderd, maar bij het gewone volk is hij enorm populair. ‘Door zichzelf te verheffen adelde, kroonde, verhief hij alle naamlozen in het gewone volk, en dus hield het volk van hem.’ En het zijn dan ook juist deze kleine luiden die de keizer mateloos bewonderen, die samen met hem ondergaan. Zoals in al zijn boeken neemt Roth het ook in De honderd dagen op voor de gewone man. Wereldleiders richten een chaos aan, waar het gewone volk onder lijdt. ‘De simpele en geringe mensen zijn niet schuldig aan de fouten, dwalingen, zonden en wederwaardigheden van de grote der aarden. En toch lijden ze meer dan de aanzienlijken. Stormen vernietigen de arme en broze stulpjes. Aan de stenen en stevige huizen bruisen ze echter voorbij.’ Ook wasvrouw Angelina krijgt deze wijze les voorgehouden door haar minnaar, oorlogsveteraan en schoenmaker Wokurka: ‘…wij kleine mensen betalen een hoge prijs voor onze liefde voor de grote der aarden,’ stelt hij. Maar Angelina’s verering van de dictator is niet te beteugelen. ‘Ze behoorde de grote keizer toe’ en is zelfs bereid haar enige zoon, haar geliefde en haar leven voor hem op te offeren.

    Een van de mooiste scènes uit het boek is de interne dialoog van Napoleon Bonaparte als hij beseft dat het afgelopen is, dat hij definitief is verslagen en de onvermijdelijke consequenties moet aanvaarden. ‘Ik houd een zwaard in mijn hand en laat het vallen. Ik zit op een troon en hoor daarin de houtwormen al boren.’ In deze roman is werkelijk iedere zin prachtig, waarvoor ook vertaler Wilfred Oranje alle lof verdient. Roth schrijft in mooie volle zinnen, maakt trefzekere vergelijkingen en heeft een bloemrijke stijl. Treffend is zijn typering van het volk dat Napoleon na zijn vlucht en verbanning stuurloos achter laat. ‘Op honden zonder baas leken ze.’ Roth zegt waar het op staat, maar laat tegelijkertijd zaken onuitgesproken. Ook qua constructie zit De honderd dagen goed in elkaar. De levens van keizer Napoleon, wasvrouw Angelina, kleine trommelaar Pascal en de Poolse schoenmaker Wokurka hadden niet meer van elkaar kunnen verschillen, maar toch raken en beïnvloeden hun levens elkaar op cruciale momenten.

    Joseph Roth (1894-1939) was een Joods schrijver, afkomstig uit Oostenrijk-Hongarije. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het keizerlijk leger van de Dubbelmonarchie. Na de oorlog werkte hij als journalist in Berlijn en schreef zijn eerste romans. In zijn literaire werk staat dikwijls heimwee naar zijn uiteengevallen vaderland centraal. Roth ontvluchtte Duitsland in 1933 toen Hitler aan de macht kwam en zijn boeken verboden werden. De Radetzkymars uit 1932 is wellicht Roths bekendste werk. In deze schitterende roman staan de oorlogsdreiging en het uiteenvallen van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie centraal. Aan de hand van de levensloop van drie generaties van het geslacht Von Trotta, voert Roth de lezer langs het veranderende Europa van de vorige eeuw. In De Kapucijner Crypte (1938) waarschuwt Roth voor het opkomende nationaal socialisme. Zelf maakte hij de Tweede Wereldoorlog niet mee: hij stierf in 1939 in armoedige omstandigheden in ballingschap in Parijs. Recent zijn twaalf van zijn romans opnieuw uitgegeven door Uitgeverij Atlas. Terecht, want als iemand de ontwrichting van het oude Europa treffend en monumentaal weet te beschrijven, is het Joseph Roth wel.

    De honderd dagen

    Auteur: Joseph Roth
    Vertaald door: Wilfred Oranje
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 24,95