• Hij was een voortreffelijk schrijver

    Hij was een voortreffelijk schrijver

    Giuseppe Tomasi di Lampedusa (1896 – 1957) is vooral bekend van zijn postuum verschenen roman Il gattopardo, in het Nederlands vertaald met als titel De Tijgerkat. Tijdens zijn leven werd het manuscript door meerdere Italiaanse uitgeverijen geweigerd, maar toen het na zijn dood uiteindelijk toch verscheen werd het een groot succes en vele malen herdrukt en in 1963 verfilmd door Luchino Visconti. Het gaat over de teloorgang van de Siciliaanse adel tijdens en na de inval van Garibaldi in 1861 en de daarmee gepaard gaande opkomst van de nieuwe rijken, de burgerij. Lampedusa schreef behalve deze roman slechts enkele verhalen, die nu onder de titel ‘Mijn kindertijd en andere verhalen’ fraai zijn uitgegeven in de vertaling van Yond Boeke en Patty Krone en met illustraties van Charlotte Schrameijer. De inleiding is van Gioacchino Lanza Tomasi, de adoptiezoon van Lampedusa. 

    Waar ooit gewoond werd

    Het eerste verhaal, ‘Mijn kindertijd’ is een ode aan de Palazzo’s, de Italiaanse paleiswoningen waar  Lampedusa zijn jeugd doorbracht. Met grote precisie beschrijft hij kamer na kamer en salon na salon van het grote huis van zijn adelijke familie aan de Via Lampdusa 17 in Palermo. ‘Alles eraan bevalt me: de ongelijkvormigheid van de muren, de vele salons, het stucwerk op de plafonds, de vieze lucht in de keuken van mijn grootouders, het vleugje viooltjesparfum in het boudoir van mijn moeder, de bedompte hitte in de stallen, de lekkere geur van gepoetst leer in de zadelkamer, het mysterie van een aantal slechts half voltooide vertrekken op de tweede verdieping, het immense koetshuis waarin rijtuigen werden gestald – een wereld vol zoete geheimen en steeds weer nieuwe aangename verrassingen. Ik was daar heer en meester en doorkruiste onafgebroken op een holletje de enorme ruimtes.’

    Kousbroek schreef ooit ‘Heimwee is de weg kennen in een huis dat niet meer bestaat’. Het huis van Lampedusa werd op 5 april 1945 verwoest door Amerikaanse bommen en het heimwee dat Lampedua er naar had is te voelen in zijn liefdevolle beschrijvingen, verlucht met door hemzelf getekende plattegrondjes. Behalve het huis in Palermo had de familie nog vier dependances op het platteland, waarvan dat in het dorp Santa Margharita door Lampedusa ook in detail en met warmte wordt beschreven. Net als bij het paleis in Palermo wekken de beschrijvingen van de ruimte ook herinneringen bij hem op aan gebeurtenissen, familieleden en andere personen die er een rol bij speelden. 

    Drie nagelaten verhalen

    En zo geeft Mijn kindertijd een fraai beeld-in-aquareltinten van het leven van de adellijke Siciliaanse familie Lampedusa, waarvan hij de laatste prins was. In de bundel zijn ook drie fictie-verhalen opgenomen die in zijn nalatenschap werden gevonden.  ‘De vreugde en de wet’ vertelt in een mooie lakonieke stijl over de vreugdevolle tocht naar huis van een boekhouder die van zijn baas een bonus heeft gekregen en ook nog een panettone (kerstbrood) van liefst 7 kilo. Maar die – eenmaal thuis – merkt dat er weinig van die rijkdom overblijft. 

    Diezelfde precieze en lakonieke stijl is ook te bewonderen in ‘De Sirene’, waar de hoofdpersoon – een journalist – in zijn stamcafé een oude en wat kribbige man treft die een bekende senator en Hellenist blijkt te zijn. Deze vertelt hem over een jonge vrouw die hij als jongeman tijdens een boottochtje tegenkwam en met wie hij enkele weken verkeerde. ‘Met een verbazingwekkende kracht kwam ze tot haar middel uit het water omhoog, sloeg haar armen om mijn hals, omhulde me met een nooit geroken parfum en liet zich in de boot glijden: iets lager dan haar liezen, onder haar billen, had ze een vissenlichaam dat bezaaid was met piepkleine paarlemoeren en azuren schubbetjes en uitliep in een gevorkte staart die traag op de bodem van de bood sloeg. Het was een Sirene.’

    Een wonderlijk verhaal met een wonderlijke afloop, uiterst geloofwaardig beschreven. ‘De blinde katjes’, het vierde verhaal, gaat over een landeigenaar die langs slinkse weg zijn eigendom vergroot. Het had de aanzet moeten zijn voor een tweede roman van Lampedusa, maar het bleef bij dit begin. En dat is jammer. Want dat Lampedusa een voortreffelijk schrijver was, dat blijkt op elke pagina van deze bundel.

     

     

  • Oogst week 50 – 2020

    Een man zijn

    Wat betekent het een vrouw te zijn, wat betekent het een man te zijn? Kunnen vrouwen zich beschermen tegen de slechte kant van mannen? Waarin schuilt de menselijke zwakte? Na vier romans laat de Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss met de bundel Een man zijn zien hoe lastig het is licht op deze hachelijke vragen te werpen. Beeldende en soms vervreemdende verhalen spelen zich af in de huidige tijd en overal ter wereld. De mannen zijn verleiders, minnaars, vaders, kinderen en zelfs echtgenoot. Een oude professor neemt zijn pasgeboren kleinkind mee naar het dakterras van een appartementengebouw. Een jong meisje heeft van een zakenman een briefje van 500 franc gekregen waarop het nummer van zijn hotelkamer vermeld stond. Een danseres is zo verregaand gefascineerd door de acteur Homayoun Ershadi in zijn rol in de film Taste of cherry dat ze ervan overtuigd is hem te moeten behoeden voor de zelfmoord die hij in die film pleegt. Krauss plaatst haar personages overal, van Zwitserland tot Japan en  Zuid-Amerika. Alle leeftijden zijn paraat, evenals levenservaringen met macht, sex, zelfkennis, passie en ouder worden. Sommige van deze meeslepende verhalen verschenen eerder in tijdschriften als Esquire en The New Yorker.

    Een man zijn
    Auteur: Nicole Krauss
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Walging

    Jean Paul Sartres wereldberoemde Walging (La Nausée) verscheen voor het eerst in 1938 en is sindsdien vele malen herdrukt en heruitgegeven. De belangstelling voor filosoof Sartre en het existentialisme is nog altijd groot. Uitgeverij Atheneum heeft Walging nu opnieuw uitgegeven.
    De verteller, historicus Antoine Roquentin, heeft zich uit de wereld teruggetrokken om een studie te schrijven over een achttiende-eeuwse markies. Teruggeworpen op zichzelf ziet hij zich geconfronteerd met niet alleen zijn eigen existentie maar met het hele bestaan, de hele wereld. Alles roept walging bij hem op, een walging die Sartre zintuiglijk beschrijft. Illusies heeft Roquentin na een bewogen leven al lang verloren. In zijn isolement gaat hij twijfelen aan zijn eigen gewaarwordingen, aan het verschil tussen dingen en mensen en aan de betekenis van het menselijk bestaan. Zijn zelfherkenning is hij kwijt. Het verhaal over de markies verdwijnt naar de achtergrond en Roquentin geeft zich over aan observaties van anderen. Het trachten te duiden van alles en iedereen doet hem tot de conclusie komen dat de mens een overtollig wezen is. Sartre schreef het werk na bestudering van de fenomenologie.

    Walging
    Auteur: Jean-Paul Sartre
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het lichtje in de verte

    Ook eenzaam en alleen in een totaal verlaten bergdorp leeft Antonio Moresco’s hoofdpersoon in Het lichtje in de verte (2013). De dakpannen van zijn onderkomen vallen van het dak, deuren in leegstaande woningen sluiten niet meer, luiken klapperen. In huis hoort de man vreemde geluiden, hij voelt de aarde bewegen. Hij is nietig tegenover het universum en heeft daar vrede mee. Zwervend door het bos voert hij een dialoog met bomen, luchtwortels, vogels, dassen, vuurvliegjes en alle andere levende wezens en vraagt hij zich af wat mens en dier bindt. Hij piekert over het bestaan. ‘Waar kan ik heen om die ravage niet langer te zien, die onherstelbare, blinde wringing die ze leven hebben genoemd?’ Maar iedere nacht ziet hij op hetzelfde tijdstip aan de andere kant van de vallei een lichtje branden. Het intrigeert hem en uiteindelijk gaat hij op onderzoek uit, om een jonge jongen, een kind nog, te vinden die alleen in een huis in het bos woont. Wie of wat is dit kind? Op ontroerende en bespiegelende wijze toont Moresco de pijn van de wereld, en het niets, het absolute en het mysterieuze. In 2018 werd het boek verfilmd. Antonio Moresco speelde zelf de hoofdrol.

    Het lichtje in de verte
    Auteur: Antonio Moresco
    Uitgeverij: uitgeverij Oevers
  • Spotprenten van een erudiet dichter

    Spotprenten van een erudiet dichter

    Normaal gesproken zouden we geen belangstelling hebben voor schunnige gedichten van een zeventienjarige. Wel als het Arthur Rimbaud (1854 – 1891) betreft. De tweeëntwintig gedichten die in de tweetalige bundel Perverse verzen zijn opgenomen schreef hij van half oktober tot half november 1871, kort nadat hij op uitnodiging van Paul Verlaine in Parijs was komen wonen. Verlaine had hem geïntroduceerd bij de ‘Cercle zutique’, een gezelschap jonge dichters dat zich verzette tegen de gevestigde orde. ‘Zut’ is een eufemisme van ‘merde’ en betekent zoiets als ‘shit’.

    Gelegenheidsgedichten

    De gedichten van de Zutistes zijn minder bekend, omdat het gelegenheidsgedichten waren, bedoeld voor vermaak tijdens alcoholische avonden, die buiten het officiële werk bleven. Ze werden genoteerd in een soort gastenboek dat waarschijnlijk in de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Omdat de in pornografie gespecialiseerde schrijver Pascal Pia er foto’s van had gemaakt, zijn ze bewaard gebleven. In 1991 verschenen negen van Rimbauds zutistische verzen in de bundel Obscene gedichten, ter gelegenheid van zijn honderdste sterfdag, in vertaling van Judith Mok. Nu is er een compleet overzicht, vertaald en van een uitgebreide inleiding en toelichting voorzien door Rimbaud-kenner en -vertaler Paul Claes.

    Zowel de inleiding als de toelichting is onontbeerlijk om de gedichten te kunnen plaatsen en begrijpen. De tumultueuze liefdesrelatie tussen Rimbaud en Verlaine is algemeen bekend, net als Rimbauds status van poète maudit. Het eerste verklaart het homoseksuele karakter van veel van de gedichten. Maar de ‘Cercle zutique’ en de tijd waarin zij hun gedichten schreven moeten geduid worden, alsmede het slang dat Rimbaud hanteerde. Claes doet dat op een zeer verhelderende manier.

    Spotprenten in classicistische vorm

    De Zutistes sympathiseerden met de revolutionaire Commune van Parijs, die eerder in 1871 na het einde van de Frans-Duitse oorlog was uitgeroepen en die daarna met steun van Pruisen door regeringstroepen omver werd geworpen. Rimbaud bespot in zijn gedichten de oude machthebbers, onder wie keizer Napoleon III, en de dichters die tot het establishment behoorden en gekant waren tegen de Commune. Namen als Armand Silvestre, Léon Dierx, Louis Ratibonne en François Coppée, die – in tegenstelling tot Rimbaud en Verlaine – in de vergetelheid zijn geraakt. Het meest gebeten was Rimbaud op Coppée, die, na eerst de kant van de revolutionairen te hebben gekozen, nu pleitte voor verzoening van de partijen. Aan hem wijdde hij zeven van de gedichten, waarin hij het sentimentele karakter en de zoetsappige stijl van diens poëzie hekelde. 

    Het geestige is dat Rimbaud voor zijn spotverzen de classicistische vorm van de gehate ‘Parnassiens’ handhaafde. Zo bevat Perverse verzen sonnetten en dizijnen (gedichten van tien versregels) bestaande uit alexandrijnen en met over het algemeen ijzeren eindrijm. Wel schreef hij enkele sonnetten met ultrakorte versregels, zoals in de ‘Conneries I’ (‘Lulkoek I’):
    Jonge slokop // ‘Meneer / Trekt met /Zijn pet / Van leer. // Paul zet / Zich neer / Voor meer / Buffet. // Hij plet / Vol pret / Een peer: / In ’t net / Toilet / Valt beer.’

    Vertaling volgt origineel op de voet

    Het handhaven van de vorm was voor de vertaler een uitdaging. Claes schrijft in zijn inleiding dat hij ook het poëtische van de gedichten recht heeft proberen te doen. Hij volgt Rimbaud zo precies mogelijk. Zo laat hij bijvoorbeeld de regels met de rijmwoorden ‘gauche-sacoche’ ook onzuiver rijmen: ‘Seine’ – schrijnen’ en hij handhaaft in ‘De onthullingen van de oude gek’ de prozaïsch klinkende alexandrijnen waarmee Rimbaud de stijl van Coppée belachelijk maakt. Een andere opdracht was om de dubbelzinnigheden waar deze gedichten om draaien adequaat weer te geven. Volgens Claes was dit alleen mogelijk dankzij het erotisch woordenboek van Alfred Delvau uit 1864 en recente analyses van diverse commentatoren. Rimbaud heeft zich in obsceniteiten uitgeleefd. Het meest beruchte gedicht is het ‘Sonnet van de reet’ (‘Sonnet du trou du cul’), waarmee de reeks opent. Verlaine schreef hiervan de kwatrijnen en Rimbaud de terzinen:

    ‘Mijn Droom is door dit tochtgat meer dan eens verleid;
    Mijn ziel, die het lichamelijk genot benijdt,
    Heeft snikken voor dit rossige vat en nest vergoten.

    O hijgende olijf en fluit vol lieflijkheid;
    O buis waardoor de hemelse praline glijdt;
    Vrouwelijk Kanaän in klammigheid besloten!’

    Erudiet dichter kende zijn vijanden

    Verder valt Rimbauds enorme eruditie op. Hij kende zijn vijanden goed en verwijst regelmatig naar hun werk. In zijn gedicht ‘Lelies’ persifleert hij de voorliefde van contemporaine dichters voor lelies, zoals in de volgende regels van Armand Silvestre (1837 – 1901):

    ‘In de lucht vol zijden draden
    Rezen sidderend de lelies,
    De lelies die de dag ontplooit.’

    Rimbaud heeft een totaal andere associatie:

    ‘O klokkenspel! O lelies! Zilveren klysmaspuiten!
    Werken en honger lijden zijn niet jullie stijl!
    Het ochtendgloren laat je liefdessap ontspruiten!
    De hemellust maakt je meeldraden botergeil!’

    Betekenissen van de leliebloem

    Behalve naar mannelijke voortplantingsorganen is de lelie ook een verwijzing naar het Franse koningshuis dat de leliebloem in zijn wapenschild voert en waar men niet werkt of zich om het hongerlijdende volk bekommert. De tweede regel is een zinspeling op een passage uit de Bergrede, Mattheüs 6:28: ’Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld; zij werken niet, en ze weven niet’ (Nieuwe Bijbelvertaling).

    Ook de kerk krijgt ervan langs.  In het gedicht ‘‘k Zat in een derdeklaswagon’ (slang voor een goedkope hoer, maar hier – heel geestig – juist letterlijk bedoeld) bedelt een priester in een trein om een seksuele gunst: ‘De paap trotseerde de schimpscheuten welgezind, / Keerde zich naar me om en vroeg op een al even / Ferme als droeve toon of ik een pruim kon geven’.
    Rimbauds ‘Vers zutiques’ vormen een ludiek literair-historisch document. Perverse verzen is een vermakelijk boekje, waarin Paul Claes deze weinig bekende gedichten tot leven weet te wekken. Het is ook nog eens mooi vormgegeven. En dat alles voor een tientje. 

     

  • Oogst week 20 – 2019

    Gevallen engelen

    In de oogst van deze week de debuutroman van Almar Otten en een roman van de Noor Per Petterson; een autobiografisch/biografisch boek over Barbara Loder door Nathalie Léger en een verhalende zoektocht naar de verstandhouding van de mens tot het donker onder het aardoppervlak door Robert Macfarlane.

    Gevallen engelen is de eerste literaire roman van misdaadromanschrijver Almar Otten (1964). Een roman in vier delen die begint met een proloog waarin een notaris, Frederik Corbijn het woord voert: ‘Ik ben namelijk notaris en in die hoedanigheid maakte ik in de herfst van 2016 kennis met de vijf hoofdpersonen in dit boek.’ De vijf hoofdpersonen hebben elkaar sinds vijfentwintig jaar niet meer gezien.

    In 1986 wonen vijf studenten samen in een vervallen landhuis. Hun buurman is filosoof en daagt hen uit op zoek te gaan naar de waarheid. Hij verleidt de studenten (twee vrouwen en drie mannen) tot experimenten gebaseerd op de ideeën van Michel Foucault. Gevolg is dat ze geconfronteerd worden met jeugdtrauma’s en seksualiteit waarbij ze gevaarlijk dicht bij elkaar komen. Tot er een laatste, niet te verdragen experiment volgt. De groep valt uit elkaar. Na vijfentwintig jaar ontmoeten ze elkaar opnieuw. Wat in eerste instantie op een traditionele reünie lijkt, loopt uit op een dramatische apotheose. Een rijke roman, met verschillende verhaallijnen.

    Gevallen engelen
    Auteur: Almar Otten
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers

    Aanvulling op het leven van Barbara Loden

    Barbara Ann Loden (1932 – 1980) was een Amerikaanse actrice en regisseur. Ze regisseerde welgeteld één film, Wanda (1970), een cultklassieker waarin ze zelf de titelrol vervulde.

    De Franse schrijfster Marguerite Duras zei over de film: ‘Ik geloof dat er een wonder gebeurt in Wanda. (…) Normaal gesproken is er een afstand tussen uitbeelding en tekst, onderwerp en handeling. Hier is die afstand compleet uitgewist.’
    Een film waar kunstenaars als Isabelle Huppert, Rachel Kushner en Kate Zambreno door gefascineerd werden. Voor schrijfster Nathalie Léger vormden de mysterieën in de film Wanda het begin van een zoektocht door archieven, over continenten en een bezoek aan de mijnstadjes van Pennsylvania. Alles in een poging dichterbij de film en degene die hem gemaakt heeft te komen.

    Aanvulling op het leven van Barbara Loden bevindt zich dan ook ergens tussen een biografie en autobiografie, filmkritiek en anekdotiek en is een beschouwing over kennis en zelfkennis, leven en kunst en over waarheid en verbeelding.

    Aanvulling op het leven van Barbara Loden
    Auteur: Nathalie Léger
    Uitgeverij: NBC – Koppernik

    Mannen in mijn situatie

    Per Petterson (1952) werkte als boekhandelaar en later ook als vertaler om vanaf de jaren negentig als fulltime schrijver verder te gaan. Hij is uitgegroeid tot een van de grootste hedendaagse Noorse schrijvers. Bij De Geus verschenen eerder van hem Kielzog, Heimwee naar Siberië, Ik vervloek de rivier des tijds, Ik vind het best en de internationale bestseller Paarden stelen. In 2014 brak hij in Nederland door met de roman Twee wegen, dankzij De Wereld Draait Door. Knut Hamson en de Amerikaanse korte verhalenschrijver Raymond Carver noemt hij zijn grote voorbeelden.

    Mannen in mijn situatie gaat over de achtendertigjarige Arvid. Net gescheiden en ’s nachts eenzaam door de stad zwervend. In de kroegen van Oslo zoekt hij troost bij verschillende vrouwen. Hij leeft roekeloos en zet daarmee de omgang met zijn drie dochters op het spel. Vooral zijn oudste dochter heeft hem nodig. De vraag is of hij in staat is haar te helpen. Arvid verlangt enkel naar het einde van zijn eenzaamheid.

    Mannen in mijn situatie
    Auteur: Per Petterson
    Uitgeverij: De Geus

    Benedenwereld

    De Britse schrijver Robert Macfarlane (1976) schrijft over landschappen en natuur. Met Benedenwereld schreef hij boeiende verkenningen van onderaardse ruimten in de mythologie, de literatuur, het geheugen en het fysieke landschap. Hij duikt onder het aardoppervlak en onderzoekt de verstandhouding van de mens tot het donker, leven en dood in de aarde. Macfarlane beschrijft begraafplaatsen uit de bronstijd en ondergrondse schimmelnetwerken waarlangs bomen onderling communiceren en nog meer.

    Zijn reis voert hem van prehistorische Noorse zeegrotten naar een ondergrondse ‘verstopplaats’ waar de komende honderdduizend jaar kernafval opgeslagen zal liggen, alsook voert het hem van het ontstaan van het heelal naar de toekomst van het antropoceen (het tijdperk waarin het aardse klimaat en de atmosfeer de gevolgen ondervinden van menselijke activiteiten) tot het huidige tijdperk waarin de mens domineert. Benedenwereld gaat over de ingewikkelde relatie van de mens tot de wereld onder zijn voeten. Door Macfarlane beeldend beschreven met veel aandacht voor actuele problemen.

    Benedenwereld
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 16

    Een zomer in Venetië

    In de oogst van deze week een kleine roman van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski, evenals van de Duits/Franse schrijfster Cécile Wajsbrot, nagelaten werk en brieven van Franz Kafka en het laatste deel uit de Cazelets-reeks.

    Włodzimierz Odojewski (1930-2016) schreef vele romans, verhalen, theaterstukken en gedichten. Zijn werk werd onder meer in Frankrijk, Duitsland en Spanje vertaald. Een zomer in Venetië is het eerste boek van Odojewski dat in het Nederlands vertaald is.

    Een zomer in Venetië gaat over het negenjarige jongetje Marek dat op vakantie gaat naar Venetië. Hoewel hij pas negen is, weet hij alles over de stad. Maar de zomer van 1939 heeft andere verrassingen voor hem in petto. Vanwege de dreigende oorlog moet hij in Polen blijven en wordt hij naar zijn tante Weronika op het platteland gestuurd. In haar landhuis ontdekt hij op een dag een plas water in de kelder, die snel groter wordt. Een heilzame bron!

    Zijn lievelingstante Barbara gaat meteen met dit idee aan de slag. Stoelen worden bruggen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein. En terwijl buiten uit de blauwe lucht de eerste bommen vallen, beleeft Marek onder de lampionnen in de verduisterde kelder een reis die het echte Venetië ver overtreft.

    Een zomer in Venetië
    Auteur: Wlodzimierz Odojewski
    Uitgeverij: Querido

    Caspar David Friedrichstrasse

    Tijdens de oorlog waren de ouders van Cécile Wajsbrot naar Frankrijk gevlucht waar zij in 1954 als dochter van Poolse joden in Parijs geboren werd. Tegenwoordig leeft ze afwisselend in Parijs en Berlijn.

    Caspar David Friedrichstrasse is een bitter relaas van een leven voor en na de muur in Berlijn. Over levens die verscheurd werden. De Duitse kunstenaar Caspar David Friedrich (1774-1840) was een schilder uit de romantische periode. In het Berlijn van na de muur wordt een straat naar de kunstenaar vernoemt.

    Een dichter wordt gevraagd te spreken op de openingsceremonie van de straat, hij laat zich meeslepen door herinneringen aan een geliefde aan de andere kant van de muur. Midden in zijn  gepassioneerde lezing over het werk van de romantische schilder, verbindt hij heden met verleden. Dan verandert zijn toespraak in een bekentenis over een leven dat even verscheurd is als de geschiedenis van zijn land.

    Caspar David Friedrichstrasse
    Auteur: Cécile Wasjbrot
    Uitgeverij: Vleugels

    Veranderingen

    Voor de trouwe  Cazalets lezers is er goed nieuws (of niet). Het vijfde en laatste deel van de Cazalets-serie van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) is verschenen. Op zesendertigjarige leeftijd debuteerde Howard met The Beautiful Visit. Na een aantal mislukte huwelijken maar wel succesvol als schrijfster, werd ze de tweede vrouw van Kingsley Amis. Het was op aanraden van haar stiefzoon, de schrijver Martin Amis dat Howard in 1982 begon aan de romanreeks geënt op haar eigen familiegeschiedenis, de Cazalets.

    In het vijfde en laatste deel Veranderingen is het halverwege de jaren vijftig. De baronie is overleden, en met haar is een heel tijdperk voorgoed verdwenen. Hoewel de oorlog al tien jaar voorbij is, voelen de Cazelets kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog steeds de naschokken ervan. Veel staat er op het spel, het voortbestaan van hun geliefde Home Place, het familiebedrijf, familierelaties en huwelijken. En de nichtjes Polly en Clary proberen het huwelijk en moederschap te combineren met professionele ambities.

    Veranderingen
    Auteur: Elizabeth Jane Howard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap

    Franz Kafka (1883 – 1924) schreef voornamelijk proza, waarvan zijn romans Het proces (1925), Het slot (1926) en Amerika (1927) de bekendste zijn. Later vonden ook enkele prozavertellingen hun weg naar het grote publiek. Pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor zijn werk, dat mede dankzij zijn vriend Max Brod postuum verscheen.

    ‘Mijn schrijven ging over jou,’ luidt Kafka’s oordeel over zijn eigen literaire werk in Brief aan mijn vader. Veel van de teksten in deze verzameling alsook veel van de ‘Aforismen’ gaan over de verhouding van het individu tot de ander, de samenleving, de macht.

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap bevat een keuze uit nagelaten verhalen en fragmenten. Kafka schreef de Brief vijf jaar voor zijn dood, in 1919. Opmerkelijk is dat hij de brief typte, waaruit kenners opmaken dat hij met deze brief niet enkel privé bedoeling had. Toch was de brief wel degelijk voor zijn vader bedoeld, al durfde Kafka hem niet zelf op te sturen. Hij vroeg zijn moeder de brief door te geven, maar zij weigerde. Het is een uiterst persoonlijk, pijnlijk en aangrijpend document waarin de vaderfiguur bijna mythische vormen aanneemt.

     

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 16

    De roofkoning

    Op zijn eigen website schrijft auteur Machiel Bosman over De Roofkoning:

    ‘Dit is het boek dat ik altijd heb willen schrijven. In 1688 trekt de Nederlandse prins Willem III van Oranje met een immense legermacht naar Engeland en zet zijn eigen schoonvader af. Hij legt de basis voor twee eeuwen Britse mondiale dominantie. Hier wordt wereldgeschiedenis geschreven.
    En toch wordt zijn missie in de Nederlandse geschiedschrijving meestal als een voetnoot afgedaan. Hoe kan dat? Hoe kan het dat de grootste staatsman die Nederland heeft voortgebracht zo weinig erkenning heeft gekregen in eigen land?
    In dit boek staat de invasie van Engeland door prins Willem III centraal. Het is de laatste van de grote Engelse koningsdrama’s. Als Shakespeare een eeuw later had geleefd, had die er wel raad mee geweten.’

    En:
    ‘Mijn benadering van geschiedenis is tamelijk ouderwets. Ik wil verhalen vertellen: van koningen en prinsen, van dienstmeiden en knechten, van liefde, trouw, dood en verraad – in een veranderende wereld van vooruitgang en verval.’

    Wie wordt hier nou niet nieuwsgierig van?

    De roofkoning
    Auteur: Machiel Bosman
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum

    Mijn vaders dromen

    De schrijver Ewald Flisar (1945) heeft de halve wereld overgereisd. In veel van zijn verhalen, gedichten en romans is daarvan de weerslag te vinden.

    Mijn vaders dromen is de eerste roman die van hem in Nederland verschijnt. In Slovenië is hij een van de meest gelezen en gelauwerde schrijvers van het land.
    Mijn vaders dromen gaat over de verhouding tussen de 14-jarige Adam en zijn vader. Adam is een eenzame jongen die, behalve zijn doodgeboren broertje, niemand heeft om mee te praten. Meer en meer gaat hij op in zijn levendige dagdromen – maar zijn het wel dromen, zoals zijn vader, een gerespecteerde dorpsdokter, hem blijft verzekeren? En waar zijn de grenzen tussen de werkelijkheid en zijn dromen?

    Mijn vaders dromen
    Auteur: Evald Flisar
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Nummer 11

    Een van de grootste hedendaagse Engelse schrijvers, Jonathan Coe is komend weekend te gast op het International Literature Festival Utrecht (22 en 23 april). Coe, vooral bekend van zijn politieke en satirische roman What A Carve Up! (Het moordend testament) uit 1994, wordt op zaterdag 23 april geïnterviewd door Hans Bouman.

    Het moordend testament was een felle aanklacht tegen het ‘Thatcherisme’ waarin de vrije markt ideologie voor alles gaat. Een aantal personages daaruit komt terug in Nummer 11 (inderdaad zijn 11e roman), dat weer een humorvolle en satirische roman schijnt te zijn waarin de afstand tussen de elite en het gewone volk groter is dan ooit.

    De Bezige Bij: ‘Dit is een roman waarin Jonathan Coe doet waar hij zo goed in is: ons laten zien hoe we leven.’

     

    Nummer 11
    Auteur: Jonathan Coe
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • Een epos als actueel politiek statement

    Een epos als actueel politiek statement

    Nairi Zarjan heeft literair vorm gegeven aan het Armeense volksepos over de helden van Sassoen. Zoals alle volksverhalen is ook dit geleidelijk ontstaan. Het is gebaseerd op mondelinge overlevering van generatie op generatie, voortdurend aangepast en aangevuld. In de tweede helft van de 19e eeuw is het voor het eerst als geheel op schrift gesteld door een Armeense geestelijke. Dit past goed bij het in die tijd opkomende nationalisme, dat ook onder Armeniërs veel weerklank vond. Nairi Zarjan heeft zijn versie van het epos, geschreven in 1966, hierop gebaseerd.  Hoewel hij zijn best gedaan heeft zoveel mogelijk recht te doen aan het oorspronkelijke werk, heeft hij toch ook getracht het verhaal te verlevendigen.

    De Armeniërs zijn trots op hun zeer oude geschiedenis, waarvan de wortels, volgens sommigen, teruggaan tot 2492 voor Christus. Hun woongebied centreerde zich rondom de berg Ararat in het oosten van Turkije. Naast het feit dat het woongebied van de Armeniërs periodes heeft gekend van onafhankelijkheid is het ook vaak een speelbal geweest van machtige buurstaten. Momenteel rest er slechts een Armeense rompstaat in de Kaukasus als gevolg van de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Dat de Armeniërs als volk hebben overleefd, is te danken aan hun eigen taal, het eigen schrift en eigen godsdienst. Eind 19e eeuw werden er door de Turken op instigatie van sultan Abdul Hamid II grote slachtingen aangericht onder de Armeniërs en in 1915 werd dit nog eens dunnetjes overgedaan door de Jong-Turken. Het wordt wel beschouwd als de eerste genocide van de twintigste eeuw, waarvan ook de familie van Nairi Zarjan het slachtoffer is geworden.

    Het epos over de eigenwijze helden van Sassoen is een weerspiegeling van deze veelbewogen geschiedenis van Armenië. Er zijn verwijzingen te vinden naar conflicten met Arabieren, Perzen, Byzantijnen en kruisvaarders en het lijkt een Bijbelse inspiratie te hebben.

    Het epos vertelt het verhaal van vier takken van de stamboom van Sassoen, de bakermat van Armenië. De eerste tak is die van Sanasar en Balthasar, de tweede van Mehèr de Oudere, de derde van David van Sassoen en de vierde van Mehèr de Jongere. De stammoeder van het Huis van Sassoen is de beeldschone, als het licht van de zon schijnende Armeense prinses Tsovinar. Zij raakt onbevlekt zwanger door het drinken van water uit een toverbron en wordt moeder van een tweeling, de beresterke Sanasar als eerstgeborene en de half zo sterke Balthasar. Zij zijn de stichters van het Huis- en de bouwers van de burcht van Sassoen aan de bron van de toverbeek. Als Balthasar met zijn broer ruzie maakt over een liefdesbriefje  van prinses Goudhaar met de Veertig Vlechten aan Sanasar, loopt het niet uit op broedermoord zoals bij de bijbelse Kaïn en Abel, maar op een verzoening. Als gevolg hiervan biedt Sanasar, na samen met zijn broer prinses Goudhaar te hebben bevrijd uit een monsterachtige betovering, Goudhaar aan aan zijn broer met de woorden: ‘Als je wilt, mag jij Goudhaar wel nemen.’. Balthasar weigert dit aanbod. Dit is typerend voor het epos; het is seksistisch en macho qua karakter. Vrouwen zijn bloedmooi, meestal zwak, vilein of opofferend en beschikken over magische krachten, maar hebben niets te zeggen. Mannen zijn vreselijk sterk, opvliegend, dapper, betrekkelijk dom en alleen maar bezig met moord en doodslag: ‘De kalief riep zijn beulen bij zich en zei: “Gaan jullie hun daar eens even de keel doorsnijden.”’

    Aan David is verreweg het grootste deel van het epos gewijd. Hij vertoont veel overeenkomsten met de Bijbelse koning David. Net als deze begint hij zijn carrière als herdersjongen, is hij opvliegend van karakter en moet hij een tweestrijd leveren met de koning van Egypte, reusachtig van postuur. Geboren als kind van ouders die een eed hebben gebroken, wordt David zelf ook een eedbreker als hij verstrikt raakt in de netten van de, alweer, beeldschone jonkvrouw Chandoet. Hij haalt hierdoor de woede op zijn hals van de vrouwelijke sultan Zmushkik, met wie hij verloofd was en met wie hij al ringen had uitgewisseld. David wordt uiteindelijk, overeenkomstig de oude geschriften, gedood door zijn eigen dochter verwekt bij Zsmushkik.

    Ook zijn zoon Mehèr, uit het huwelijk met Chandoet,  blijkt niet bepaald voor de poes te zijn. Hij doodt  zijn ooms en toont zich in een gevecht de meerdere van zijn vader. ‘David voelde zich zwaar vernederd; hij kon zich niet inhouden en zei: “Mehèr, jij hebt dit gevecht met mij uitgelokt en je hebt mij tegen de grond gegooid; je hebt mij voor schut gezet. Ik heb Onze-Lieve-Heer aangeroepen en Hem gebeden dat jij nooit zult sterven en geen nakomelingen zult krijgen.”’ 

    Voortdurend speelt de magie der getallen een grote rol in dit epos. Zo viert Mehèr, op de sterfdag van zijn ouders, om boven genoemde vervloeking te vergeten feest met ‘veertig jonge mannen en veertig huwbare meisjes, en zij dronken zeven jaar oude wijn’.

    Deze Mehèr de Jongere is geboren met een druppel bloed in de palm van zijn hand, een verwijzing naar de stigmata van Christus. Ook verder bestaat er gelijkenis met Jezus. Hij maakt zich voortdurend zorgen om de slechtheid van de mensen op deze wereld. Aan het eind van het epos sluit Mehèr zich op in een rots, omdat de aarde zijn gewicht niet langer kan dragen (door de zonden van de mensheid die hij op zijn schouders torst?) en hij komt tweemaal per jaar weer tevoorschijn om te zien of de wereld al beter is geworden. Hij belichaamt de hoop van de Armeniërs op verlossing, ook nu natuurlijk nog een uiterst actueel thema voor de Armeniërs.

    Hoewel het verhaal vlot wegleest als een, helaas niet geïllustreerd, volkssprookje, blijft het niet echt boeien. Daarvoor zijn de in het verhaal vigerende figuren te eendimensionaal en mist het diepgang. Ook de voortdurende moord- en slachtpartijen gaan uiteindelijk vervelen. Vanuit politiek en historisch perspectief is het epos eigenlijk veel interessanter en in dit licht bezien is het in de bewerking van Nairi Zarjan en de vertaling van Anna Maria Mattaar zeker, ook voor ons in Nederland, toegankelijk gemaakt voor een breed publiek.

    De eigenwijze helden van Sassoen

    Auteur: Nairi Zarjan
    Vertaald door: Anna Maria Mataar
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 296
    Prijs: € 19,99

  • Wie is hier nou gek

    Wie is hier nou gek

    ‘Als mijn moeder belde uit het gesticht en ik wist dat mijn vader ons gesprek kon horen zei ik dat we geen tijd hadden voor haar en legde de hoorn weer op de haak. Ik wist dat mijn vader goedkeurend zou knikken, ook als de telefoon opnieuw rinkelde en ik hem schouderophalend liet gaan. (…) Het was veiliger om de kant van mijn vader te kiezen dan de kant van een wrak.’

    De geschiedenis van dit gestoorde gezin wordt opgetekend door Steffie Mons (de ik-persoon), nadat zij er eindelijk in geslaagd is alle muren waartegen zij veilig dacht te kunnen leunen en waarachter zij zich kon verschuilen tegen oprukkende schuldgevoelens, neer te halen. Tijdens het schrijven ‘ben ik begonnen aan de bouw van een nieuwe muur, eentje die steviger is dan de vorige, eentje waartegen te leunen valt. Ik bouw hem niet alleen, want Damian die helpt mee.’ Damian is haar latere levenspartner, een blinde pianostemmer.

    Vanaf haar derde levensjaar, toen de door haar moeder gegooide suikerpot haar vader vol tussen de ogen raakte, heeft Steffie niets anders gedaan dan het haar vader naar de zin te maken. Loyaliteit aan de vader betekende dat haar moeder consequent moest worden verraden. Kwam de moeder met kort verlof thuis, dan werd zij min of meer ‘weggepest’.
    Wat voor Steffie jaren later het moeilijkst te verteren is, is dat zij zelf in deze houding bleef volharden, terwijl haar twee jaar oudere zus Gerdi, zodra dat kon, het contact met haar vader verbrak, ‘en ik had na mijn eindexamen hetzelfde kunnen doen, maar ik bleef mijn vader de hand boven het hoofd houden. Wanneer begin je met zelfstandig denken?’

    Steffies moeder was de jongste dochter van een strenge militair; toen haar oudere zusjes het huis uit gingen, zorgde zij voor haar vader. Op haar tweeëndertigste trouwt zij met Steffies vader, die vijf jaar jonger is. Hoewel deze simpele slagerszoon normaal gesproken geen partij voor de veel intelligentere en beschaafde moeder van Steffie is, krijgt hij het voor elkaar deze fijngevoelige vrouw binnen de kortste keren het gekkenhuis in te werken. Gedurende zo’n twintig jaar lukt het hem om familie, thuishulpen en psychiaters naar zijn pijpen te laten dansen en zich grote sommen geld (erfenissen) van zijn vrouw toe te eigenen waarmee hij naar de hoeren gaat.

    Hoewel Steffie het gevoel heeft dat er iets niet klopte, verdringt ze elke gedachte aan haar moeder door keihard te werken. Dat kost haar steeds meer moeite, vooral door bepaalde opmerkingen van vrienden. Op de begrafenis van haar vader noemt de vroegere buurvrouw haar moeder een ‘lieve moeder’ en haar vader een ‘man met heel veel verschillende gezichten’. En dan neemt Steffie een moedig besluit: al moet de onderste steen boven komen, zij moet weten of haar moeder wel zo gek was als zij altijd gedacht heeft en waarom haar moeder thuis niet gewenst was.
    Het lukt haar het dossier van haar moeder in handen te krijgen. Te moeten lezen hoe haar moeder haar hele opgesloten leven wanhopig gevochten heeft om haar kinderen te mogen zien, hoe zij tegengewerkt is, hoe zij eenzaam van alles en iedereen beroofd nu juist smeekt om een electroshock (‘”Om alles te vergeten, dokter.”’), hoe hulpverlenende instanties keer op keer gefaald hebben, welke beschamende rol tenslotte het gezin bij dit alles gespeeld heeft is, een ware helletocht voor Steffie.

    Gerrit, therapeut in een inrichting voor geesteszieken, waar Steffie de piano’s stemt, helpt haar om wat zij onder ogen krijgt beter te begrijpen en te verwerken. Tussen Steffie en haar moeder kan het echter niet meer goed komen: haar moeder is dan al een aantal jaren dood. Niemand zal ooit de schuldgevoelens van Steffie kunnen wegnemen, maar na het optekenen van het ware verhaal van haar moeder kan Steffie aan haar leven beginnen. En de wolfskwint? ‘(Gerrit:)”Ik zou op een van beide piano’s namelijk graag een wolfskwint hebben.” (…) “Waarom eigenlijk?” vroeg ik. “Vanwege de therapeutische werking.”’ Hoewel niet iedereen de term wolfskwint kent, zal het de lezer gaandeweg duidelijk worden dat de schrijfster geen betere titel dan de titel Wolfskwint had kunnen kiezen.

    De lezer die niet terugdeinst voor isoleercellen, electroshocks, tranquillizers en spanlakens en voor het onthutsende beeld van een verwoest moederleven, krijgt met dit op waarheid gebaseerde verhaal een onvergetelijke ervaring. Woede over het aangedane leed, ontroering en meeleven met het meisje Steffie dat in deze afschuwelijke situatie moet opgroeien, plaatsvervangende schaamte- en schuldgevoelens: de lezer ontkomt er niet aan. Taal en stijl van de schrijfster zijn van een schitterende eenvoud: (wanneer Steffie in een inrichting piano’s stemt terwijl ‘gekken’ in- en uitlopen: ‘”Uiteindelijk went het, hoor,” zei Gerrit. Ik knikte, maar wist dat hij geen gelijk had.’). Gevoelens worden meesterlijk verbeeld, bijvoorbeeld wanneer Steffie overweegt haar man Marius te verlaten: ‘en ook al was het mijn grootste angst alleen te zijn, ik moest Marius verlaten wilde ik de onverschilligheid die als mist in onze kamers hing bestrijden.’ En deze: ‘Het gesprek met de professor was verontrustend geweest. Ik voelde hoe er weerhaakjes zaten aan zijn woorden, en hoe ik die woorden vergeefs van mij af probeerde te slaan toen ik eenmaal weer buiten stond.’
    Iedere zichzelf respecterende leesclub zou dit boek met zijn onvoorstelbare geschiedenis, weergaloos mooi beschreven, onmiddellijk bovenaan de leeslijst moeten plaatsen. Je raakt er niet snel over uitgepraat. Hulde aan de schrijfster!

     

     

  • Zo mooi dat het bijna pijn doet

    Zo mooi dat het bijna pijn doet

    Het verhaal van Chirbet Chiz’a van S. Yizhar speelt zich af tijdens de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948. Vlak na deze oorlog is het ook gepubliceerd. Een groep Israëlische soldaten moet een Palestijns dorp ontruimen en de bewoners wegvoeren. De enorme spanningen binnen de groep en de onverbloemde weergave van de gedachten en daden van de soldaten maken het lezen van deze novelle tot een fantastische ervaring.

    Het boek leest alsof S. Yizhar er zelf bij is geweest, alsof hij de soldaat is die het verhaal vertelt. Een verhaal dat deze soldaat eigenlijk niet van plan was om te vertellen, maar eerder wilde vergeten, of te ‘verdrinken in de drukte der dagen’. Het lukt hem echter niet datgene dat hij heeft meegemaakt te bagatelliseren, hij moet er iets mee. In prachtige zinnen van soms een halve pagina lang blikt hij terug op de dag die hij niet kan vergeten.

    De groep soldaten waarvan hij onderdeel is komt ‘op een prachtige, heldere wintermorgen’ aan op de heuvelrug boven het dorp Chirbet Chiz’a. De lezer heeft dan al kennisgemaakt met een aantal van de soldaten. Schoon gewassen en gevoed zijn ze ’s ochtends op pad gegaan, lopend door het landschap en de natuur die prachtig wordt beschreven.  Tijdens het wachten op het bevel om in actie te komen maken we ook kennis met de haat van de soldaten jegens de Arabieren. ‘Het zijn geen mensen.’ Dit blijkt ook op het moment dat de groep in actie komt. Tijdens de beschieting van het dorp wordt op vluchtelingen geschoten alsof het een wedstrijd is. De verteller die zich ook laat meeslepen door zijn ‘jachtinstinct’ merkt dat hij opgelucht is als er alleen misgeschoten wordt. Tegelijkertijd ervaart hij dat echter ook als verraad.

    Uiteindelijk trekken de soldaten het dorp in om de achtergebleven bewoners te verzamelen. ‘De stilte van een troosteloze verlatenheid. Je hart kromp ineen…hief dat grote, sombere dorp een lied van ontzielde voorwerpen aan; een lied van menselijke daden,…’ De frustratie van de soldaten en die van de verteller worden de lezer langzaam duidelijk. Ze willen niet dorpen ontruimen, ze willen vechten of naar huis, naar hun geliefden. Het opjagen en verzamelen van weerloze burgers en hun sjofele spulletjes is geen eervolle taak. Sterker nog: ‘Al mijn snaren waren aangeroerd. De aanklacht van ons volk tegen de wereld: ballingschap! Ik had het kennelijk met de moedermelk ingezogen. En wat richtten we hier vandaag eigenlijk aan? Wij, Joden, legden hun die ballingschap op.’

    S. Yizhar weet de enorme gespannenheid, frustratie en haat van de soldaten fantastisch te beschrijven. Het hele boek is vervuld van een onheilszwangere sfeer en talloze verwijzingen naar de bijbel, afgewisseld met prachtige natuurbeschrijvingen. Het gedrag van de Palestijnse boeren, die zich niet lijken te beseffen hoe labiel de soldaten zijn en hoe dicht zij daardoor soms bij de dood zijn is fascinerend beschreven. De vertaling van Ruben Verhasselt is zeer goed op een enkele kromme zin na (‘Uit de nood werden we gered door de…’) die misschien ontstaan doordat hij zich zo laat meeslepen door de bijna poëtische taal van Yizhar. Lees ook het stuk van Michaël Zeeman achter in het boek over Yizhar. Het boek is in de woorden van Ian McEwan en Michaël Zeeman inderdaad ‘Pijnlijk belangrijk’, maar ook zo mooi dat het bijna pijn doet. Een prachtig kleinood.

     

    Het verhaal van Chirbet Chiz’a

    Auteur: S. Yizhar
    Vertaald door: Ruben Verhasselt
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 96
    Prijs: € 14,95

  • De moeizame overgang naar een nieuw wereldbeeld

    De moeizame overgang naar een nieuw wereldbeeld

    Toen Galilei in 1633 de Inquisitie op zijn dak kreeg, was dat niet zozeer om zijn standpunt dat de aarde om de zon draait en niet andersom, maar om de manier waarop hij van die opvatting getuigde in zijn Dialogo sopra i due Massimi Sistemi del Mondo Tolemaico e Copernicano. Van dat beroemde boek uit 1632 verscheen onlangs voor het eerst een Nederlandse vertaling.

    Galilei (1564 – 1642) had zijn standpunt als zodanig al moeten bezuren in 1616. Toen had hij het eindelijk aangedurfd om op te komen voor de ontdekking van de Pool Copernicus, die in 1543 zijn De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen) had gepubliceerd. Vóór 1600 was Galilei er eigenlijk al wel van overtuigd dat de oude opvatting van de Griek Ptolemaeus dat de aarde het middelpunt van het heelal was, niet kon kloppen en dat Copernicus, volgens wie de zon het middelpunt was waaromheen alle planeten, inclusief de aarde, draaien, het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben. Maar toen durfde Galilei dat niet te ventileren uit angst om zich belachelijk te maken omdat Copernicus’ bewijs niet helemaal overtuigde. Toen hij er in 1616 wél over durfde te publiceren snoerde de kerk hem de mond en zette het boek van Copernicus alsnog op de Roomse lijst van verboden boeken.

    Waarom kon in 1632 dan toch de Dialoog verschijnen? Dat had verschillende redenen.

    Er waren ondertussen meer bewijzen door de uitvinding van de verrekijker / telescoop. Galilei kon daardoor allerlei tot dan toe onbekende verschijnselen waarnemen zoals bergen en dalen op de maan, manen rond Jupiter, de fasen van Venus enzovoort. Maar bovenal: in 1623 was een nieuwe paus aangetreden, Urbanus VIII. Hij was een goede bekende van Galilei – zelf ook katholiek. Urbanus was een man met wie te praten viel, ook al was hij aanhanger van Ptolemaeus en dienden diens opvattingen over de aarde volgens hem overeind te blijven omdat ze ook in de Bijbel werden verwoord.

    Galilei won de paus voor het idee dat hij de nieuwe wetenschappelijke inzichten zou verwoorden in de vorm van een dialoog tussen een aanhanger van de Ptolemaeische wereldvisie en een aanhanger van die van Copernicus. Daar kon de paus mee instemmen als Galilei het maar hield bij een beschrijving van die standpunten zonder partij te kiezen. Ter bevestiging nam Galilei een voorwoord op waarin te lezen valt:

    Door deze beschouwingen zal de wereld er hopelijk kennis van nemen dat wij (…) niet minder explorerend onderzoek hebben verricht, en dat, als wij blijven volhouden dat de Aarde onbeweeglijk is en we het tegenovergestelde alleen opvatten als een wiskundige gril, dat niet voortkomt uit gebrek aan kennis van wat anderen hierover hebben gedacht, maar dat we dat onder meer doen omdat ons dat wordt ingegeven door vroomheid, religie, erkenning van de goddelijke almacht en het besef van de zwakheid van de menselijke geest.

    De kerk verwierp de moderne denkbeelden dus niet uit onkunde, zo stelde die zin, maar uit overtuiging. Het voorwoord was in werkelijkheid dan ook van de hand van de kerkelijke censor en niet geschreven door Galilei zelf. Die mocht er alleen stilistisch wat aan knutselen, maar de inhoud moest overeind blijven.

    Eén van de vermakelijkheden van het lezen van de Dialoog is, nu we sinds 2012 eindelijk over een mooie Nederlandse vertaling beschikken, hoe Galilei er af en toe in slaagt door de mazen van het pauselijke net heen te zwemmen. Dat doet hij al direct door de keuze van de deelnemers aan de dialoog. Hun namen verwijzen naar historische personen uit het Italië van die tijd, maar hun rol heeft weinig met hen te maken. Salviati komt in de discussie op voor het standpunt van Copernicus, en Sagredo is de zeer geïnteresseerde leek waarmee de lezer zich gemakkelijk kan identificeren. Hun namen zijn ontleend aan twee vroegere vrienden van Galilei die respectievelijk in 1614 en 1620 waren overleden. Maar de sluwheid van Galilei zit in de derde deelnemer, Simplicio. Voor de kerk deed hij het voorkomen alsof ook diens naam verwees naar een historische figuur, ene Simplicio van Cilicia, die in de zesde eeuw een commentaar had geschreven op Aristoteles. In werkelijkheid noemde hij deze verkondiger van de denkwereld van Ptolemaeus en Aristoteles zo omdat Simplicio letterlijk ‘Simpelmans’ betekent.

    De discussianten hebben zich vier dagen opgesloten in het paleis van Sagredo, gewapend met schrijfgerei en papier. In het boek komen dan ook de nodige tekeningen en berekeningen voor, maar die staan het leesplezier van de in exacte vakken matig geschoolden niet in de weg; die zullen zich dan evenwel niet moeten spiegelen aan één van de inleiders bij de Nederlandse vertaling die meldt van het boek genoten te hebben ‘in de loop van een vakantie op een zonnig strand, ver vóór hij van de geschiedenis van de natuurwetenschap zijn vakgebied had gemaakt’. Een strandboek is het niet.

    Op de eerste dag bespreken de drie vooral zaken als beweging en de door Ptolemaeus en Aristoteles veronderstelde tegenstelling tussen de onvergankelijke en volmaakte sterrenhemel met zijn rondcirkelende sterren en planeten en de vergangelijke Aarde die een vast punt in het heelal heeft. Dat gebeurt met alle denkbare drogredeneringen en sofismen. Én met de nodige humor. Zo worden de aanhangers van Aristoteles voorgesteld als geleerden die een comfortabel onderkomen hebben opgezocht ‘waar men, beschut tegen de gure buitenlucht, alle kennis over de natuur kan opdoen door alleen wat pagina’s om te slaan’ of die de inwerking van Zon of Maan op de Aarde verklaren alsof ze een marmeren standbeeld naast een vrouw zetten ‘en dan verwachten dat uit die verbintenis nakomelingen voortkomen’.

    Soms zijn de grapjes (voor ons als 21ste-eeuwers) subtieler, bijvoorbeeld als Salviati Simplicio verwijt dat hij niet zo’n slimme opvattingen huldigt, waarschijnlijk omdat hij Het Goudschaaltje en Brieven over de Zonnevlekken (twee boekjes van Galilei, maar dat wordt er niet bij vermeld) niet heeft gelezen.

    Het thema van de tweede dag is de vraag of de aarde om haar eigen as draait of niet. Het is de langste sessie die bovendien nogal langdradig kan overkomen. We kunnen ons in de 21ste eeuw misschien moeilijk voorstellen dat de drie gesprekspartners zich uren lang konden bezighouden met de vraag of een kogel die naar het oosten wordt afgeschoten dichterbij het kanon zal landen dan één die onder gelijke condities naar het westen wordt gericht. Daaronder ligt voor Simplicio immers het verweer dat áls de aarde zou draaien, het kanon mee draait en dus als het ware achter de kogel aangaat en de afstand bekort, terwijl het geschut verder wegraakt van de kogel die in westelijke richting wordt afgeschoten.

    We dienen zo’n discussie dan ook te lezen als waren we tijdgenoten. We doen evenzo afbreuk aan de Dialoog als we Simplicio simpelweg als een individuele dommerik zien. Los van het onderwerp – de draaiing van de aarde – staan hier twee denksystemen tegenover elkaar. De ene, vertegenwoordigd door Salvati, bepleit een onbevangen blik voor nieuwe ontdekkingen, experimenten en hypotheses, de andere houdt streng vast aan de leer van Aristoteles uit angst dat alle zekerheden op de tocht staan als diens leer wordt betwist. Of zoals Salvati tegen Simplicio zegt:

    ‘Ik begin te begrijpen dat u tot dusver tot de volksstammen heeft behoord die, om te leren begrijpen hoe zulke dingen in hun werk gaan en om kennis te verwerven over natuurverschijnselen, niet (…) rond (…) kanonnen gaan staan, maar zich terugtrekken in de studeerkamer en indices en registers door gaan zitten bladeren om te zien of Aristoteles er niet iets over heeft gezegd, en die, als ze eenmaal zeker zijn van de ware betekenis van de tekst, verder niets meer wensen en ook niet van mening zijn dat daarover nog iets anders te weten valt.’

    We horen hier een echo van de beschrijving op de eerste dag van geleerden die beschutting zoeken ‘tegen de gure buitenlucht’ (zie hiervoor).

    Blijkbaar heeft de tweede dag erin gehakt, want op de derde verschijnt Sagredo na een doorwaakte nacht waarin het hem geduizeld heeft van wat hij hoorde. Simplicio komt zelfs flink te laat nadat hij ’s avonds thuis uit ongeloof nog eens in oude boeken gedoken is. Maar niet alleen voor hen zal het een moeilijke dag worden, ook voor de alfa’s onder de lezers van de Dialoog vormt hij pittige kost.

    Het begint nog luchtig met een opmerking waaruit we kunnen opmaken dat de Diederik Stapels van alle tijden zijn, als Salvati constateert:

    ‘dat er onder de mensen enkele zijn die, in de omgekeerde volgorde redenerend, eerst in hun geest de conclusie bepalen en zich deze (…) zo grondig inprenten dat ze zich er onmogelijk van kunnen ontdoen. Met argumenten die zij zelf vinden, of die ze anderen horen aanvoeren als bevestiging van hun vaststaande denkbeelden, hoe simpel en stompzinnig die ook mogen zijn, stemmen ze meteen in en applaudisseren ervoor.’

    Hoofdthema van deze derde dag is de draaiing van de Aarde om de Zon. De opbouw van de discussie kennen we intussen van de vorige dagen. Steeds worden de opvattingen van Aristoteles onderuit geschoffeld en wordt aan de hand van nieuwe ontdekkingen met de telescoop en gedachtenexperimenten waarschijnlijk gemaakt dat Copernicus het bij het rechte eind had. Simplicio wordt het allemaal zo dol dat hij zelfs grote twijfels uit over de verrekijker die volgens hem alleen maar ‘drogbeelden en illusies’ laat zien.

    De vierde dag wijdt Salvati aan de getijdenbewegingen eb en vloed, die voor hem een bevestiging zijn van de dubbele beweging van de Aarde (dagelijks om haar as en jaarlijks om de Zon). De inwerking van die bewegingen op elkaar heeft, om het maar eens heel simpel te zeggen, tot gevolg het geklots van zeewater in intervallen van zes uur. Salvati, door wiens mond natuurlijk Galilei zelf spreekt, was niet op de hoogte van de werkelijke oorzaken van eb en vloed, die hoofdzakelijk in verband staan met krachten van de zon en de maan. Dat inzicht zou pas doorbreken met Newton (Salvati onderscheidt in de Dialoog een dagelijkse, een maandelijkse en een jaarlijkse getijdenperiode, waarvan alleen de tweede zijn oorsprong vindt in de bewegingen van de Maan).

    Op deze dag is het dat Galilei de pauselijke voorwaarden voor zijn publicatie schendt door tegen het einde (in de Nederlandse vertaling op pagina 646) Sagredo het volgende te laten zeggen:

    ‘De gesprekken van deze vier dagen hebben ons belangrijke steunbetuigingen opgeleverd ten gunste van het copernicaanse systeem. Daaronder blijken de volgende drie doorslaggevend: de eerste ontleend aan het stilstaan en achterwaarts bewegen van de planeten en hun naderen tot en zich verwijderen van de Aarde; de tweede aan de draaiing van de Zon om zichzelf en aan wat men bij zonnevlekken waarneemt; de derde aan de getijden.’

    Galilei legt die woorden niet in de mond van Salvatio, als een conclusie van zijn eigen woorden. Nee, juist de belangstellende leek die de zaak blanco benaderde, blijkt overtuigd te zijn. Dat ging de kerk te ver. De Dialoog mocht van de paus tegenstrijdige opvattingen verwoorden, maar géén partij kiezen. Gevolg: het boek kwam, net als dat van Copernicus in 1616, op de verboden lijst en de schrijver zelf diende zich voortaan van verder commentaar te onthouden.

    Nadat Galilei onder dwang van de katholieke rechtbank zijn standpunt had afgezworen, zou hij gemompeld hebben: Eppur si muove (En tóch beweegt ze). Dat heeft hij volgens de inleiders bij de Nederlandse vertaling zeker niet gezegd. Maar je begrijpt na lezing alleszins dat de legendevorming zo’n verzuchting aan Galilei’s veroordeling heeft willen verbinden.

    De Dialoog is een behoorlijke kluif, maar hij bevat mooie pareltjes voor wie bereid is zich te verplaatsen in de vroege 17de-eeuwer die, opgegroeid met rotsvaste zekerheden, op de drempel stond van een enorme ruk aan zijn wereldbeeld.

     

    Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen

    Auteur: Galileo Galilei
    Vertaald door: Hans van den Berg
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep (2012)
    Aantal pagina’s: 675
    Prijs: € 34,95

     

  • Italiaanse klassenstrijd

    Italiaanse klassenstrijd

     

    De titel van dit boek, Het barbiehuis, doet wellicht iets anders vermoeden dan waar het boek daadwerkelijk over gaat. De Italiaanse titel Lotta di classe, oftewel ‘Klassenstrijd’ geeft een beter idee over de inhoud van het boek. De roman gaat over vier jonge Italianen, die behoren tot de zogeheten ‘duizend euro generatie’, een term die regelmatig gebruikt wordt voor de Italianen van nu die eind twintig of begin dertig zijn. Een generatie die gestudeerd heeft en die hoog opgeleid is, die vaak een academische titel heeft. Toch belanden zij niet zelden vanwege de enorme werkloosheid en corruptie van het hedendaagse Italië in de slecht betaalde baantjes, het werk voor niet- en laagopgeleiden, áls ze al werk vinden. Met deze baantjes verdienen ze bruto maximaal 1.000 euro per maand, waarvan het bijna onmogelijk is om rond te komen. Los nog van het feit dat ze totaal niet uitgedaagd worden in hun werk en zich kapot vervelen met alle gevolgen van dien. Hogerop komen is vrijwel onmogelijk.

    De vier hoofdpersonen uit dit boek werken allemaal in een callcenter, voor nog geen 80 cent bruto per telefoongesprek van 2,5 minuut. Langer of korter bellen met de klant heeft direct negatieve gevolgen voor hun salaris. Ze wonen samen in een huis in een armetierige buitenwijk van Rome, en hebben moeite om rond te komen, maar wat zij vooral een probleem vinden is dat zij onder hun niveau werken, en dat dat zeer waarschijnlijk zo zal blijven. De hoge heren blijven op hun plaats in de betere banen en de jonge hoogopgeleiden zullen nooit promotie maken. Het gaat er immers niet om of je gestudeerd hebt. Andere dingen zijn veel belangrijker: bijvoorbeeld of je de juiste personen kent. Kenmerkend is de terugkerende uitspraak van Nicola, het jongere broertje, dat hij gaat studeren en doctorandus zal worden. De andere drie hoofdpersonen horen dit aan, maar zij hebben evengoed gestudeerd en toch ook niets bereikt. Zij hebben hun dromen al in illusies zien veranderen, met Nicola zal dit ook spoedig gebeuren.

    De hoofdpersonen wonen in hetzelfde huis en zijn familie, huisgenoten of collega’s. Het boek is verdeeld in vier hoofdstukken, elk hoofdstuk wordt vanuit een ander personage beschreven. Gaandeweg worden de onderlinge verhoudingen duidelijk. Celestini gebruikt duidelijke, makkelijke taal en hierin is dan ook de kracht van deze roman gelegen. Bovendien weet hij precies hoe en wanneer hij humor moet gebruiken. Zo begint het boek als volgt: ‘Toen de dokter mijn moeder openmaakte, was haar slokdarm verdwenen. Die was weggebrand door het zwavelzuur. Daarmee hielp mijn vader de muizen in de kippenren om zeep. […] Maar toen werd het winter en wilde hij weten of zwavelzuur ook kon bevriezen. […] Om de proef op de som te nemen, legde hij de fles in de vriezer, en toen heeft mijn moeder er een slok van genomen. Het ging per ongeluk. Toen de dokter haar openmaakte, was haar slokdarm verdwenen.’ Het boek zit vol met dit soort anekdotes. Hoewel je medelijden hebt met de personages, beschrijft Celestini de gebeurtenissen op zo’n manier dat het wel luchtig blijft, ondanks dat het toch niet de meest luchtige onderwerpen zijn die worden aangesneden (dood van een moeder, ziekte, werkloosheid, alcoholmisbruik).

    Jammer is alleen dat het verhaal nogal aan de oppervlakte blijft: veel meer dan een zwaarmoedige kijk op het hedendaagse klassensysteem en de corruptie in Italië laat het niet zien. Er wordt vooral veel geklaagd, terwijl de auteur er veel meer uit had kunnen halen door de karakters van de hoofdpersonen meer uit te diepen en in te gaan op hun persoonlijke problematiek. Ook is het niet geheel duidelijk wat Celestini nu precies wil met deze roman: wil hij commentaar geven op de hedendaagse maatschappij, of gewoon een vermakelijke roman schrijven met wat personages die worstelen met zichzelf en hun beginnende (of juist niet-beginnende) carrière? Een antwoord hierop blijft achterwege. Zonde, want slechts wat vermakelijke anekdotes laten geen blijvende indruk achter.

     

  • Recensie: Een zuivere liefde – Sofja Tolstaja

    Recensie door: Rein Swart

    Een achttiende-eeuws dilemma, uit het leven gegrepen. Veel boeken ontlenen hun inhoud aan de werkelijkheid. De schrijver put uit eigen ervaringen en plakt daar in een roman andere namen op. Dat gaat ook op voor dit interessante, maar – voor de door de wol geverfde éénentwintigste-eeuwse lezer – wat belegen verhaal over een niet al te voorspoedig adellijk huwelijk. In het Nawoord legt vertaalster Eva van Santen uit hoe nauw deze novelle verbonden is met het leven van de schrijfster, die in 1844 werd geboren en in 1862 op achttienjarige leeftijd in het huwelijk trad met Lev Tolstoj.

    Nadat echtgenoot Lev in 1878 Anna Karenina had geschreven ? de tweede grote roman na Oorlog en Vrede – kwam het tot een crisis in hun huwelijk. Tolstoj werd zwaar christelijk, hield zich vooral bezig met moralistische vraagstukken en deed aan geheelonthouding: behalve alcohol, ook geen seks.
    Daarvòòr baarde Sofja ieder jaar een kind, dertien in totaal waarvan er acht volwassen werden.
    De artsen hadden haar na het vijfde kind geadviseerd om niet meer zwanger te worden omdat de bevallingen te zwaar voor haar waren, maar Lev vond zoiets onaanvaardbaar en dreigde zelfs met een scheiding.

    In 1889 kwam De Kreutzersonate niet door de censuur omdat het boek openlijk de duivelse listen behandelt van de vrouw die de man verleidt. Sofja deed haar best om het boek gepubliceerd te krijgen met als doel haar man af te houden van zijn moralistische teksten en hem weer tot het schrijven van literatuur aan te zetten.
    ‘Na de publicatie raakte Sofja opnieuw zwanger,’ schrijft Eva van Santen in haar Nawoord. ‘Tot Tolstoj’s grote opluchting eindigde deze zwangerschap in een miskraam, want hij schaamde zich dood. Behalve als een literair verhaal zou De Kreutzersonate dan ook gezien kunnen worden als een pamflet.’

    In haar dagboek uit 1891 zegt Sofja daarover dat iedereen met haar te doen had. Een jaar later schreef ze Een zuivere liefde, dat pas ruim honderd jaar later – in 1994 – werd gepubliceerd, in eerste instantie in een tijdschrift vanwege de open manier waarop zij over emoties en erotiek schreef. Zo neemt hoofdpersoon Anna een bestiale blik bij haar echtgenoot waar.

    Die man, de al wat oudere vorst Prozorski, is eerder in de ban geraakt van het bijna achttienjarige bevlogen, getalenteerde en mooie meisje, dat hij als kind goed gekend heeft. Na zijn huwelijksaanzoek komt Anna er tot haar verdriet achter dat hij nog altijd achter andere vrouwen aanzit.
    In het verhaal wisselen ruzies en verzoening elkaar af. Het samen hebben van kinderen brengt geen toenadering, de vorst interesseert zich niet voor hen, de vrouw dient aan de fysieke wensen van de man tegemoet te komen.
    In deel II, dat tien jaar later speelt, leert Anna de fijnzinnige Bechmetev kennen, die altruïstisch is, maar ook ziek. Als de dertigjarige Anna voor een laatste keer bij hem op bezoek gaat voor hij voor zijn gezondheid naar het buitenland vertrekt, zit haar echtgenoot met een gebroken been thuis en vreest het ergste.

    Het verhaal wordt gebracht in een wat bedaagde stijl waarin meer verteld wordt dan getoond, hetgeen tegelijk ook van een ouderwetse charme is, gebruikelijk bij de oude Russen. Het doet soms houterig aan.
    ‘Het is verdrietig als een ander in staat is om de lege plaats in te nemen die de echtgenoot heeft opengelaten en als die hele geïdealiseerde liefde overgaat op die ander.’ Deze zin is ronduit lelijk.
    Het komt psychologisch naïef over, wat doorzichtig en schematisch, maar het begin is stralend. Vrolijke Anna komt samen met haar zusje van het meer waar ze gezwommen hebben en ziet tot haar schrik dat de vorst op bezoek is bij haar moeder en verontschuldigt zich voor haar kleding.
    In deel II wordt het wat langdradig. De wisselvalligheden trekken in golfbewegingen over het huwelijksleven en Anna krijgt steeds meer last van gewetenswroeging.

    De novelle is geënt op De Kreutzersonate en op haar eigen leven, schrijft Eva van Santen. De vertaalster geeft legio voorbeelden van overeenkomsten, zoals van het huwelijk tussen Sofja en Lev, haar verbanning naar zijn landgoed, waardoor ze haar eigen familie moest missen, haar onderwijstaken aan haar kinderen en de moraliserende stukken die de vorst net als Tolstoj schreef. Anders dan haar man, die de schuld geheel in de schoenen van de vrouw schuift, laat Sofja die in het midden.

    In 1919 stierf Sofja na enige zelfmoordpogingen. Volgens meerdere bronnen zou ze een paranoïde hysterica zijn, aldus Eva van Santen. Eerder las ik minder vleiende termen over haar in het boek De bezetenen van Elif Batuman dat ik op deze site recenseerde. De Amerikaanse literatuurwetenschapster presenteerde tijdens een Tolstoj-congres op diens landgoed Jasnaja Poljana, dat tegenwoordig een bedevaartsoord is, een hoofdstuk uit haar proefschrift over de mogelijke doodsoorzaak van Tolstoj. Daarin vraagt zij zich af of Sofja hem uit kwaadheid heeft vergiftigd omdat hij zijn erfenis had weggeschonken aan een fanatieke godsdienstige beweging. Dat zou niet vreemd zijn na een onmogelijk leven met een botte godsdienstfanaat, terwijl Sofja zelf op zoek was naar vriendschap en zielsverwantschap. Om daarover meer aan te weet te komen kan de lezer te rade gaan bij de eigen geschriften van Sofja Tolstaja die in de serie Privé-domein zijn verschenen.

    Een zuivere liefde

    Auteur: Sofja Tolstaja
    Vertaald door: Eva van Santen
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Prijs: € 17,95