• ‘… zo wilden de goden het …’

    ‘… zo wilden de goden het …’

     

    ‘Darius en Parisatis hadden twee zonen. De oudste was Artaxerxes, de jongste Kuros. Toen Darius vermoedde dat hij niet lang meer te leven had, wilde hij hen allebei in zijn nabijheid hebben. De oudste was bij hem, maar Kuros moest hij laten komen uit Ionië aan de westkust van Azië, waarover hij hem tot satraap had gemaakt. (….) Kuros reisde met satraap Tisafernes, die gestuurd was om hem te halen, naar de hoofdstad, met zijn eigen lijfwacht van driehonderd gehuurde Grieken. Na de begrafenis en nadat Artaxerxes in zijn vaders plaats was gekroond, beschuldigde Tisafernes prins Kuros van samenzwering tegen de koning. Artaxerxes liet zijn broer gevangennemen om hem te doden en alleen de tranen van hun moeder weerhielden hem hiervan; de prins kreeg toestemming terug te gaan naar zijn provincie. Maar door dit levensgevaar en de vernedering van zijn gevangenneming was prins Kuros vastbesloten ervoor te zorgen nooit meer in handen van hun koning Artaxerxes te vallen. Integendeel, hij wilde zelf koning worden en over het Rijk regeren. (…)
    Hij had ervoor gezorgd dat zijn onderdanen een hoge dunk van hem kregen en hij had hen geleidelijk voorbereid op een opmars tegen de hoofdstad van zijn broer. De tienduizend Grieken had hij in het geheim gehuurd.’, zo lezen wij helaas pas op bladzijde 575-576 de aanleiding voor de lange tocht!

    De lange tocht neemt ons terug naar het jaar 401 vóór Christus. De namen ‘Griekenland’ en ‘Grieken’ voor Hellas en Hellenen zouden de hoofdpersonen Nagri, Xenofon of iemand van de Tienduizend (de 10.000 huurlingen) niet kennen. De Helleense staat werd immers pas in 148 vóór Christus voor het eerst Griekenland genoemd, als provincie van het Romeinse Rijk.

    In 582 bladzijden beschrijft Dan Sleigh tot in het kleinste detail, de lange aftocht van de tienduizend Griekse soldaten onder aanvoering van Xenofon van Athene begeleid door zijn dienaar Nagri, een deserteur uit het Perzische leger. Deze aftocht duurde ongeveer twee jaar en begon na de nederlaag van de Tienduizend bij Kunaxa, dichtbij Babylon, en de dood van hun generaal Kuros. Deze veldslag was van hele korte duur en beslaat in het boek ook maar een tiental bladzijden. Kuros wordt gedood, terwijl zijn broer Artaxerxes slechts een lichte verwonding oploopt.

    Na deze roemloze nederlaag begint de lange ‘aftocht’ die nagenoeg chronologisch, bijna van dag tot dag, soms zelfs van uur tot uur verteld wordt door Xenofon en Nagri. De lezer volgt hoofdzakelijk het verhaal en de gedachten van de buitengewoon intelligente en wijze Nagri die ook nog vele talen spreekt. Hij is daardoor de aangewezen persoon om te vertalen, toevallige gesprekken op te vangen, te bemiddelen op hachelijke momenten en Xenofon te adviseren omdat hij ‘de Perzen’ van binnenuit kent. En het feit dat hij het Griekse, Egyptische en Perzische schrift beheerst is een groot voordeel. Dat moge een wonder heten in die tijd waarin het lezen en schrijven slechts was voorbehouden aan een kleine elite.

    Nagri ziet zijn weldoener Xenofon als de Verlosser, de lichtdrager en vergelijkt hem met Mozes, denkende aan de passage in de Bijbel: ‘vuur valt uit de hemel en een stem zegt: Sta op. Red mijn volk hieruit.’ Xenofon heeft een soortgelijk visioen gekregen bij de rivier de Zapatas om het Griekse leger terug te brengen naar Byzantium (het huidige Istanbul).

    Nagri ziet zichzelf als de profeet, de boodschapper, door God geroepen. De Verlosser van de Joden zou immers als prins in een land aan de Westelijke Zee geboren worden, in het land van de Grieken. Nagri voelt zich geroepen ‘om op weg te gaan naar Jeruzalem om het goede nieuws te brengen naar dat wat van Gods verloren volk was overgebleven.’ ‘Verheug jullie (…) jullie verlossing uit de slavernij is nabij’, m.a.w. het einde van het grote Perzische Rijk. Zo hadden de Vaderen de eunuch Nagri voorgezegd…

    Xenofon en Nagri: de tweekoppige leiding van deze aftocht. Ze spreken onderling weinig maar hun samenwerking is voortreffelijk. De een is de generaal, de andere de spindokter, zou je in 2012 zeggen. Maar er is één groot verschil. Xenofon brengt dankoffers (met jonge ossen, rammen, stieren, ooien, lammetjes en andere dieren) aan Zeus, aan Apollo, aan Heracles, en aan Poseidon. Nagri roept slechts één God aan, zijn eigen God, de God van Israël, die hem de oplossing voor het probleem vaak in dromen aanbiedt. Deze roman staat bol van de vele dankoffers.

    We maken ontelbare veldslagen mee met roven, plunderen, bloedig uitmoorden, in brand steken van dorpen, enzovoort. De wreedheden, vooral van de Perzen, worden onbarmhartig beschreven. Twee voorbeelden:
    ‘… stond er een bebloed hoofd met een zilveren hoofdband op een speer (…). De soldaten probeerden het dode gezicht te herkennen, maar de baard met aangekoekt bloed en het masker van kruipende brom- en vleesvliegen maakten het onmogelijk.’ (blz. 104).
    ‘De vermoeide patrouilles vonden wit gebleekte palen waaraan schedels hingen die wellicht vroeger de gekroonde hoofden van de stad waren, nu huilde de nachtwind door hun ooggaten en klaagde door hun open monden.’ (blz. 206).
    Maar gelukkig, de rode papavers zijn ook alom tegenwoordig, zelfs met menselijke eigenschappen en zij bieden troost! ‘Overal langs de wegen knikten rode papavers als hij langsliep.’ (blz. 561).
    De allesoverheersende kleur in deze roman is dus rood.

    Er zijn tijden van grote ontberingen vanwege hevige koude en immense honger. De kritische lezer vraagt zich wel af waar toch het voedsel en het geld vandaan komen voor een dergelijk groot leger.
    De liefde komt nauwelijks aan bod. Nagri heeft, als eunuch, geen verstand van vrouwen en Xenofon krijgt wel jonge vrouwen aangeboden, maar weet er toch eigenlijk niet goed raad mee. Scènes van openlijke sodomie, homoseksualiteit binnen het leger worden nauwkeurig beschreven. ‘De zondigheid ten top’, vindt Nagri en walgt ervan.

    We leren de karakters van de welbespraakte Xenofon en van de schrijver Nagri goed kennen door de uiterst gedetailleerde verslaggeving.
    De vele beschrijvingen van de natuur zijn als schilderijen van een klassieke grootmeester. De omslag van het boek met de Episode de la retraite des Dix Mille van Adrien Guignet  (1816-1854) geeft een goed beeld van deze onmenselijke tocht.

    Kijkend naar de schrijfstijl, valt het op dat alleen het gedeelte van de opmars tot aan de veldslag moeizaam leesbaar is door de overvloed aan flashbacks en flashforwards over de vele personen. Dat werkt verwarrend. Een lijst met belangrijke personen ontbreekt helaas, net als een verklarende woordenlijst voor de vele specifieke Griekse termen. Woorden als merkavah, pardah, xenon, obolos, satraap, paean, enzovoort moeten door hun context begrepen worden. Gelukkig is er wel een duidelijke kaart van de afgelegde tocht van de Tienduizend.

    De schrijver Dan Sleigh heeft met dit werk aangetoond de Klassieke Oudheid goed te kennen en het lijkt wel of hijzelf meevocht en ooggetuige was in deze beroemde tocht van de Tienduizend. Sleigh vond zijn inspiratie in de Anabasis van Xenofon. Het verschil is dat De lange tocht van Sleigh meer de tocht van de profeet/prediker Nagri is dan die van Xenofon. Bevestiging hiervan is te lezen op bladzijde 570. De titel van het boek zou eigenlijk moeten zijn (volgens Nagri!): ‘Het hart van het Kwaad. Het boek van de lange tocht. De sterren en de rode, rode papavers. Het Evangelie van Nagri’.
    Al te gemakkelijk gaat hij dan wel voorbij aan de goden, de dankoffers en vooral de heldenmoed van Xenofon!

    De lange tocht is in een rijk, prachtig proza geschreven, zoals je het zelden meer leest.
    Riet de Jong-Goossens verdient een groot compliment voor haar vertaling uit het Zuid-Afrikaans. Deze roman is zeker een aanrader voor de liefhebbers van historische romans. Maar let op, de eerste 200 bladzijden vormen wel een uitdaging om doorheen te komen, zelfs voor diehards! Notitieboekje erbij!

    Dan Sleigh
    Daniel (Dan) Sleigh (1938) is een Zuid-Afrikaans historicus, met name gespecialiseerd in de Nederlandse koloniale geschiedenis. Hij woont in Pinelands, Kaapstad, met zijn vrouw Dewetia.
    Hij schreef onder meer Eilande, in het Nederlands vertaald als Stemmen uit zee, over de ontwikkelingen in de Kaapkolonie ten tijde van het Nederlands bewind.
    Sleigh schreef eerder Die Buiteposte. VOC-buiteposte onder die Kaapse bestuur, 1652-1795, (Pretoria, 1993).

     

     

  • Recensie door: Maria Noordman 

    Recensie door: Maria Noordman 

    Een recensie schrijven over een meesterwerk dat al twee en een halve eeuw bekend is, kan eigenlijk niet. Dit wordt daarom een presentatie voor lezers die nog niet bekend zijn met dit nog steeds uiterst lezenswaardige boek uit 1759.

    Voltaire (1694-1778) is over de zestig als hij Candide schrijft; hij heeft aan den lijve ondervonden wat zijn kritische geschriften voor gevolgen kunnen hebben voor hemzelf: veroordelingen, gevangenschap en verbanning. Daarom presenteert hij dit boek als de vertaling van een manuscript van een overleden Duitse doctor. Als het boek kort na publicatie inderdaad wordt veroordeeld, ontkent hij de schrijver ervan te zijn.

    Het kader waarbinnen hij zijn ideeën naar voren brengt, wordt gevormd door de lotgevallen van een aardige, goed opgevoede en naïeve jongeman, Candide genaamd, die braaf zijn filosofieleraar gelooft als deze hem voorhoudt dat alles in deze wereld op zijn best verloopt en niet beter kan.

    Maar in ieder van de dertig hoofdstukken van dit boek wordt onze held geconfronteerd met ellende:  hij wordt het huis uit geschopt, wordt geronseld voor het leger en raakt betrokken bij bloedige burgeroorlogen, hij vlucht half Europa door, lijdt schipbreuk, maakt de aardbeving van Lissabon mee, wordt door de inquisitie afgeranseld, is getuige van executies op de brandstapel en door ophanging, en vlucht naar Zuid-Amerika, waar de jezuïeten en Spaanse kolonisten elkaar te vuur en te zwaard bestrijden.

    Er is ook een lichtpunt: bij toeval komt hij terecht in El Dorado, een land waar het goud en de edelstenen voor het grijpen liggen, en waar een ideale samenleving bestaat, zonder de noodzaak van rechtspraak of een politiemacht. Maar omdat Candide op zoek wil naar zijn verloren geliefde verlaat hij El Dorado na enige tijd weer, en vervolgt hij zijn weg via Suriname, waar hij geconfronteerd wordt met slavernij, terug naar Europa: Engeland, Frankrijk, Venetië en ten slotte Constantinopel.

    Onnodig te zeggen dat hij weer van de ene ellende in de andere valt: beroving, afpersing, corruptie van rechters; hij is getuige van de terechtstelling van een Engelse admiraal, hoort verhalen over het stelselmatig afzetten en vermoorden van koningen.

    Voltaire beschrijft deze ellende op een luchtige, humoristische manier, alsof hij sterk overdrijft, waarmee hij bij de lezer de reactie oproept: ‘Dit is absurd, dit kan niet waar zijn!’ Een zeer effectieve schrijfstijl, want de historische feiten die aan de verhalen ten grondslag liggen, zijn waar gebeurd en minstens zo afschuwelijk als ze door Voltaire zijn beschreven. De lezers uit zijn tijd wisten dat, en de noten van de huidige vertaler geven de lezer van nu die informatie ook.

    Uiteindelijk vindt Candide zijn geliefde terug, maar als slavin van een Oosterse prins, en bovendien nog foeilelijk ook, waardoor hij eigenlijk geen zin meer heeft om met haar te trouwen. Maar goedig als hij is, koopt hij zijn geliefde vrij en gaat hij samen met haar en een paar oude getrouwen op een boerderij wonen, waar ze een sober maar tevreden bestaan leiden door van de arbeid op het land te leven. Filosofie en ander oeverloos gezwets heeft hij de rug toegekeerd: daar heeft een mens toch niets aan.

    De rode draad, die ook tot uitdrukking komt in de ondertitel van het boek, is Voltaires kritiek op de filosofie die stelt dat alles in deze wereld op zijn best verloopt. Aanvankelijk neemt Candide deze filosofie voetstoots aan, en, goedig als hij is, probeert hij bij alle ellende toch steeds de positieve kant te bekijken. Maar uiteindelijk ziet hij in dat deze zienswijze zó strijdig is met de werkelijkheid, dat hij zowel het optimisme, als het gefilosofeer de rug toekeert, en alleen nog maar vertrouwt op eigen daadkracht: we moeten onze tuin bewerken.

    Naast dit grondthema barst het boek van de ideeën over de meest uiteenlopende zaken: kritiek op allerlei misstanden uit zijn tijd, met name op het machtsmisbruik van de wereldlijke en kerkelijke machthebbers; de zedeloosheid van de priesters, inclusief de paus, de hebberigheid van o.a. de Hollanders, de rechteloosheid van minderbedeelden, de uitwassen van godsdienstfanatisme, etc.

    Wat het boek daarnaast zo aantrekkelijk maakt, is de humor, de levendige opeenvolging van allerlei avonturen, de ironie en de rake beschrijvingen van menselijke zwakheden. Hij neemt alles en iedereen op de korrel, maar laat de lezer ook achter met het gevoel: ‘Verrek, hij heeft eigenlijk wel gelijk.’

    De levendige, eigentijdse vertaling van Hans van Pinxteren maakt dit historische meesterwerk uitstekend toegankelijk voor een groot lezerspubliek.

     

    Candide of het optimisme

    Auteur: Voltaire
    Vertaald en van een nawoord voorzien door: Hans van Pinxteren
    Verschenen bij: Uitgeverij Atheneum – Polak & van Gennep, (2011,vierde druk)
    Aantal pagina’s: 124
    Prijs: €  18,95

     

  • Recensie door: Jaap M. Jansen

    Recensie door: Jaap M. Jansen

    Parijs, 1870. Hier laat Alex Butterworth zijn geschiedenis van het anarchisme beginnen, over een beweging die uit was op het afbreken van de bestaande maatschappelijke structuur en die hiertoe de nodige misdaad niet schuwde. Het werk verhaalt over de periode 1870-1905 en voert de lezer mee naar een wereld van intrige, bedrog, geweld en héél veel namen: de geleerde anarchist Pjotr Kropotkin, markies Henri Rochefort, mademoiselle Louise Michel en nog tal van anderen (hoofdzakelijk Fransen en Russen). Het boek eindigt met de Russische Revolutie en de nasleep van het anarchisme in de decennia die voorafgaan aan de Tweede Wereldoorlog.

    Wat vanzelfsprekend als eerste opvalt, is de bewonderenswaardige dikte van het boek: maar liefst 580 pagina’s rauwe tekst. En waar het bij de meeste studieboeken gebruikelijk is om gericht naar informatie op zoek te gaan, is dat hier duidelijk niet de bedoeling: de inhoudsopgave, met hoofdstuktitels als ‘Voorwaarts!’, ‘Dubbel geheim’ en ‘Agenten ontmaskerd’, laat hierover geen twijfel bestaan.

    En dus zit er weinig op dan te beginnen met de inleiding, alle 24 hoofdstukken braafjes door te werken en te eindigen met – hoe origineel – het slot. Het voorwoord is plezierig om te lezen; in bondige termen legt Butterworth uit waarom een geschiedenis van zoiets obscuurs als het anarchisme relevant is (vanwege actuele ontwikkelingen), hoe zijn onderzoek in elkaar stak (behoorlijk problematisch, en dus leuk om te lezen) en wat de bedoeling van dit boek is (tja, iets met een verantwoordingsplicht van politici). Het voorwoord is waarschijnlijk het best geschreven deel van het hele boek. Het eindigt op pagina 16. Op de volgende bladzijde begint helaas de proloog (sensationeel betiteld: ‘Een duistere kracht’) en maakt de leesbaarheid een vrije val.

    Butterworth is historicus, en hij heeft zich dan ook – met leesbaar plezier – in een immens onderzoek gestort. De ene bron na de andere heeft hij bestudeerd, en hij geeft, zoals het een goed wetenschapper betaamt, aan het eind van zijn pompeuze verslag zowel een bronbespreking als een (zij het selectieve) bronvermelding. Voor de gemiddelde lezer is dit van weinig relevantie, maar het is (zeker gezien de aanzienlijke informatiedichtheid) voor collega-geschiedkundigen natuurlijk wel degelijk van belang.
    Helaas brengt Butterworths onderzoek een – om het populair uit te drukken – ware tsunami aan namen van personen en instellingen mee, waarvan de verteller sommige reeds bekend veronderstelt, en andere vaak bedroevend weinig toelicht. Natuurlijk, na verloop van tijd zit je als lezer dermate ‘in het verhaal’ dat je dergelijke vreemde ontmoetingen wel aan kunt, maar daar heeft Butterworth wel erg veel tijd voor nodig. Laten we het maar aan zijn vertel-enthousiasme wijten.

    Want dat is er wel: allemachtig, hoe fervent sleept de verteller ons mee van het ene moment van spanning naar het andere! Het is één grote ‘stream of suspense’: wordt iets te saai, dan verandert Butterworth in een oogwenk zijn onderwerp. We glijden van de ene misdaad in de andere, en overal worden we betrapt, opgejaagd, misleid, achternagezeten. Natuurlijk zit hier ook een keerzijde aan: het is, op een algemene chronologische ordening na, nauwelijks tot niet gestructureerd. We mogen de auteur dankbaar zijn voor het namenregister, want anders was het absoluut ondenkbaar geweest om een bepaalde passage terug te vinden zonder het hele boek van voren af aan te lezen.

    Een diepgaande bespreking van de inhoud van De wereld die er nooit kwam hoeft u hier niet te verwachten, daar de gebrekkige diepgang en het ontbreken van een samenhangende structuur zo’n benadering onmogelijk maken. Het boek beschrijft enorm veel gebeurtenissen, maar de beweegredenen van de hoofdpersonen worden slechts in beperkte mate uitgelicht en de vertelstroom is zo warrig, dat het bijzonder lastig is om je als lezer in te leven in de beschreven personages.

    Concluderend lijkt het me goed om te stellen dat Buttenworths letterlijke magnum opus waarschijnlijk alleen voor gespecialiseerde historici de moeite waard is (als zij een maand of twee niets te doen hebben). En eerwaarde collega-leken: heus, er bestaat leesbaarder lectuur.
    Het is goed om een recensie, hoe kritisch die ook mag zijn, positief af te sluiten. Een lofbetuiging, inderdaad. Dus bij dezen: aan iedereen die zich door dit werk heeft heen geworsteld, of dit in de nabije toekomst van plan is: driemaal hulde!

     

    De wereld die er nooit kwam

    Auteur: Alex Butterworth
    Vertaald door: Ineke Mertens
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 576
    Prijs: € 39,95

  • Luisterrijke sociaal-historische zedenschets

    Luisterrijke sociaal-historische zedenschets

    Op een koude winteravond aan het begin van de negentiende eeuw arriveert Hans, vertaler van beroep, in Wandernburg, een slaperig stadje op de grens tussen Saksen en Pruisen. Hij is op doorreis, en zal de volgende dag meteen weer vertrekken. Tenminste, dat is zijn bedoeling. Het loopt echter anders: op Hans blijkt Wandernburg een mysterieuze aantrekkingskracht uit te oefenen, en hij blijft het moment van vertrek maar uitstellen. Het trage, monotone leven in het stadje zal nooit meer zijn wat het altijd is geweest.

    Wandernburg

    Steeds is er voor Hans een reden om nog even in Wandernburg te blijven. Zo is hij in eerste instantie geïntrigeerd door het wonderbaarlijke feit dat het stratenpatroon van het stadje dagelijks lijkt te veranderen. Geen dag gaat voorbij of hij verdwaalt tijdens zijn wandelingen die hem door steeg en straat, pad en plein voeren. Twee dagen nadat hij in Wandernburg is aangekomen maakt hij kennis met een zonderlinge, oude straatmuzikant die een draaiorgeltje bespeelt. Hans maakt een praatje en sluit algauw vriendschap met de oude, verwaarloosde orgelman, die zich gaandeweg ontpopt als een vat vol tegenstrijdigheden: als ongeletterde grossiert hij in wijze levenslessen; ondanks zijn grove voorkomen bedient hij zich van beleefd taalgebruik; hij ‘bewoont’ een kille grot aan de rand van het dennenbos, maar door zijn aanwezigheid is de sfeer er hartverwarmend. De vriendschap tussen Hans en de orgelman wordt steeds hechter.

    Met het verstrijken van de tijd leert Hans steeds meer Wandernburgers kennen, zoals meneer Gottlieb, de enige overgebleven patriarch van een vermogende familie. Spontaan nodigt deze Hans uit bij hem thuis op theevisite te komen. Wanneer Hans kennismaakt met Sophie Gottlieb, de dochter van de oude baas, is één ding meteen duidelijk: Hans zal voorlopig geen aanstalten maken Wandernburg te verlaten.

    Literaire salon

    Tussen Sophie en Hans ontstaat een band van wederzijdse fascinatie, al laat de koele Sophie daar in het begin weinig van merken. Wel zorgt ze ervoor dat hij voortaan elke vrijdagmiddag een van de vaste bezoekers is van de door haar georganiseerde Salon, waar geestdriftig wordt gediscussieerd over politiek, filosofie en kunst. Met name een van de andere deelnemers, professor Mietter, reageert regelmatig op de uitspraken van Hans, met wie hij het zelden eens is:
    ‘Herr Hans, diende professor Mietter hem van repliek zonder zijn kalmte te verliezen, u verwart techniek met decor, of stijl met poëtica. Los van het feit dat u weg bent van het schilderij met het sneeuwlandschap en ik van andere, en natuurlijk niet van dat jachttafereel want dat schilderij is afschuwelijk, daarmee probeert u ons om de tuin te leiden, los van ieders smaak heeft kunst een functie, namelijk het bestuderen van de wereld en niet van de kunstenaar. Aha! ging Hans uitgelaten in de tegenaanval, maar de ‘objectieve’ geschiedschrijvers vergeten dat ze zelf deel uitmaken van de wereld die ze bestuderen!, persoonlijke emoties zijn een onderdeel van de realiteit, die geven er vorm aan! U spreekt uzelf tegen, bestreed professor Mietter hem. Gelukkig, professor, antwoordde Hans, gelukkig is tegenstrijdigheid van invloed op het landschap. Zoals u wilt, verzuchtte de professor, maar u spreekt uzelf voortdurend tegen.’

    Naast de ‘rebel’ Hans en de protestantse professor Mietter, bestaan de andere deelnemers van de Salon uit een Joods echtpaar, een Spaanse handelaar en een strenggelovige weduwe. En dan is er nog Rudi Wilderhaus. Algauw komt Hans tot zijn ontzetting erachter dat Rudi de verloofde van Sophie is, en hierdoor komen zijn gevoelens voor de gastvrouw van de Salon in een heel ander licht te staan. Bladzijden lang wordt er verslag gedaan van diepgravende bespiegelingen, van gedachtespinsels en opinies over filosofen en dichters die op vrijdagmiddag ter sprake komen. Neuman vergt met de gedetailleerde verslagen, en met de alinea’s lange citaten van gedichten uit de Romantiek, veel concentratie van de lezer en weet de spanning behoorlijk op te rekken; hij laat de lezer welhaast onderkoeld achter, om hem vervolgens op een amoureuze passage te trakteren die heel even de druk van de ketel haalt.

    Geboortegolf van Europa

    Het verhaal speelt zich af in Duitsland aan het begin van de negentiende eeuw. De politieke en sociale aardverschuivingen die door de Franse Revolutie en Napoleon in gang zijn gezet, hebben ook Wandernburg niet onberoerd gelaten: hoewel met name het agrarische deel van de bevolking nog in een welhaast feodaal tijdperk verkeert, maakt de industrialisatie opgang, wat grote verschillen in levensstandaard ten gevolge heeft. De aristocratische Duitse adel en de hooggeplaatste ingezetenen van de stad kunnen misschien nog wel overweg met de middenklasse, maar de kloof overbruggen met de laagste rangen en standen is zo goed als uitgesloten. Die worden gezien als het voetvolk en werken zich in het zweet voor weinig meer dan een appel en een ei.

    Het mag duidelijk zijn dat de roman, doordat hierin een literair-sociologisch vergrootglas boven Wandernburg wordt gehouden (en meer speciaal, boven de Salonbijeenkomsten van Sophie), op fijnzinnige wijze kritiek uit op ons hedendaagse Europa, waarbij al onze huidige problemen met betrekking tot de (vervaging van de) nationale identiteit, welvaartsverschillen, inadequate samenwerkingsverbanden, angst voor vreemden, de toenemende afstand tussen sociale klassen, en wat dies meer zij, gevangen worden in de lens boven dat kleine stadje, dat lijkt te deinen, op te rijzen uit de eerste, aarzelende golven van een eeuw die sneller dan welke andere eeuw enorme veranderingen in de wereld teweeg heeft gebracht.

    Filosofische amourette

    Andrés Neuman is een relatief jonge auteur, maar met De eeuwreiziger geeft hij er blijk van zo veel inzicht te hebben in de menselijke psyche, dat alleen al zijn wondermooie, zeer wijdlopige bespiegelingen je ogenblikkelijk doen veronderstellen dat hier een man op leeftijd, een man met levenservaring, ja: met wíjsheid, aan het woord is. Maar in weerwil van deze veronderstelling schreef Neuman deze roman tussen zijn zesentwintigste en eenendertigste. Pagina na pagina bewijst hij inzicht te hebben in sensitieve denkprocessen, en weet die prachtig te verwoorden. Gezien de overdaad aan filosofie waarmee De eeuwreiziger omkleed is, mag het des te opmerkelijker heten dat een auteur van nog geen dertig zijn luisterrijke roman tot zo’n hoogte wist te stuwen.

    De veelal bomvolle tekstspiegel verbergt in vaak zeer lange alinea’s ware juweeltjes, hetzij rake vergelijkingen, hetzij ogenschijnlijk eenvoudige uitspraken die bij nadere beschouwing een diepere laag bevatten over de zedenschetsen van de gegoede burgerij in een Duits provinciestadje in de eerste decennia van de negentiende eeuw. De mooiste citaten worden evenwel opgetekend uit de mond van de orgelman, die als personage dan wel de nederigste leefomstandigheden krijgt toegewezen, maar de mooiste uitspraken mag doen, bijvoorbeeld wanneer Hans zijn twijfels uitspreekt over zijn alsmaar uitgestelde vertrek uit Wandernburg:
    ‘(en waarom maak je je daar zo druk om? zei de orgelman, wat is er mis mee dat je blijft?), ik weet niet, ik denk dat ik bang ben om Sophie vaker te zien en dan alsnog weg moet, dat zou erger zijn, nu ben ik nog op tijd, misschien kan ik maar beter verder reizen (maar dat is toch juist liefde? zei de oude man, liefde is gelukkig zijn dat je mag blijven), ik weet het niet zeker, ik heb altijd gedacht dat liefde louter beweging is, een soort reis (en als de liefde op zich al een reis is, redeneerde de oude man, waarom zou je dan zo nodig weg moeten?), goede vraag, nou, om terug te komen bijvoorbeeld, om er zeker van te zijn dat je bent waar je wilt zijn, hoe kun je weten dat je op de juiste plek bent als je nooit ergens anders bent geweest? (ik weet juist dat ik van Wandernburg houd, antwoordde de orgelman, omdat ik er niet weg wil).’

    De eeuwreiziger is door zijn omvang geen boek om snel even uit te lezen. Ook de onderwerpen die aan bod komen, met name de uitweidingen over negentiende-eeuwse dichters en filosofen zijn – hoewel nimmer langweilig – taai genoeg om enig doorzettingsvermogen te vereisen van de lezer. Maar liefhebbers van fijnzinnige, breed uitgesponnen gedachten, romantische landschapsbeschrijvingen en een amourette waarbij je de twee geliefden dicht op de huid zit, komen met De eeuwreiziger beslist aan hun trekken. Daarbij is het de grote verdienste van vertaalster Corrie Rasink dat zij een dergelijk volumineus boek zo consistent en levendig naar het Nederlands wist om te zetten, als lezer besef je nergens dat het hier om een vertaling gaat.

    Hoe het nu uiteindelijk zit met die steeds veranderende straten? Dat mag de lezer zelf ontdekken. De orgelman zegt er het volgende over:
    ‘O ja, glimlachte Hans, ik heb een kortere route genomen en ben verdwaald. Ik zal je een geheim verklappen, zei de orgelman, luister: weet je wat je moet doen om niet te verdwalen in Wandernburg? Altijd de langste weg nemen.’

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Sinds in 2005 Benedictus XVI paus en bisschop van Rome is geworden, komt er nog maar weinig positief nieuws uit het Vatikaan. De incidenten en affaires vormen voor katholieken een weinig bemoedigend rijtje. In 2006 hield Benedictus een toespraak in het Duitse Regensburg waarin hij een citaat voorlas dat uitgesproken hard oordeelde over moslims. Het resultaat was verontwaardiging. Begin 2009 ontstond er tumult rond bisschop Williamson die opnieuw tot de kerk zou worden toegelaten en van mening bleek te zijn dat er geen gaskamers hadden bestaan tijdens de holocaust. In 2010 brengt Benedictus ‘extreem atheïsme’ in verband met nazisme. En vlak na het aantreden van de paus in 2005 barst het schandaal rond seksueel misbruik los dat tot op de huidige dag voortduurt. En alsof dat alles niet genoeg is, herhaalt het Vatikaan regelmatig de bekende conservatieve opvattingen over homo’s, condoomgebruik en de positie van vrouwen in de kerk.

    Je zou bijna vergeten dat er ook katholieken zijn die ondanks alle negatieve publiciteit hun kerk een warm hart toedragen. Maar ze zijn er. Wie zich dat realiseert wil wel eens meer weten over de hogere regionen van het Vatikaan. Wat doen ze daar in Rome? Wat gebeurt er achter die oude muren en tussen die vele kunstschatten?

    Voor mensen met zulke vragen schreef Stijn Fens Vatikanië, de geheimen van de paus. Fens is journalist bij de RKK en KRO, en al jarenlang werkzaam in Rome. Hij is de jongste zoon van de in 2008 overleden criticus en literator Kees Fens, die in het boek één keer van zich laat horen. Dat gaat als volgt. Vader Kees laat in Rome zijn zoon het graf van de enige Nederlandse paus, Adrianus VI, zien. Een groep Duitse toeristen onder leiding van een gids komt binnen en de gids vertelt luid en duidelijk dat Adrianus een Duitser is. Vader Fens grijpt onmiddellijk in. ‘Hij legt in schitterend Duits uit dat Adrianus als Adriaan Florenszoon Boeyens in Utrecht geboren werd en derhalve als Nederlander moet worden beschouwd.’

    Vatikanië gaat over het Vatikaan, de stadstaat, de bestuurlijke organisatie, over de paus, zijn huishouding en zijn dagelijks werk. Fens schrijft ook over zijn persoonlijke ervaringen met en fascinatie voor het Vatikaan. Als kind is hij onder de indruk van al die Roomse pracht op het Sint Pieterplein en hij kust graag de ringen van de langs wandelende kardinalen. Hij weet meteen al wat hij wil worden: journalist in Vatikaanstad. Zijn ouders hebben duidelijk een grote rol in gespeeld bij de ontwikkeling van zijn fascinatie voor de Roomse kerk en het boek is dan ook aan hen opgedragen. Vader Kees kon er prachtig over schrijven en vertellen. Het katholicisme was voor hem de poort naar de Europese cultuurgeschiedenis. Iets daarvan moet van vader op zoon zijn overgedragen. Stijn wil dicht bij de katholieke wereld zijn, maar toch ook op een afstand blijven. Intiem en toch afstandelijk is ook de toon van dit boek. Fens deelt zijn kennis over en fascinatie voor het Vatikaan met de lezer, maar is waar nodig verfrissend kritisch. Nergens is hij dweperig of uitgesproken vijandig.

    Fens maakte voor de KRO de TV serie Kijk, het Vaticaan (zie ook de oude site van uitzending gemist) en wie de serie heeft gezien, herkent regelmatig episodes in het boek. De serie bevat de plaatjes die het boek mist. Als Fens in het eerste hoofdstuk om Vatikaanstad heen loopt, moet de lezer het doen met beschrijvingen. In de serie is de wandeling grotendeels te zien. Het boek is echter veel levendiger, informatiever en scherper dan de TV serie. Ik zal een voorbeeld geven. Zowel in de TV serie als het boek komt het graf van Petrus ter sprake. De Sint Pieter is daarom op die plaats gebouwd en Bernini heeft zijn enorme baldakijn er bovenop gezet. Ergens daaronder moet dus Petrus begraven liggen. Er loopt een onderaardse gang waar de TV kijker inderdaad een graf ziet. De TV serie gaat vervolgens over naar een ander onderwerp maar het boek vertelt hoe en wanneer die gang is gegraven. Ook leren we dat het helemaal niet zeker is dat het werkelijk de botten van Petrus zijn die daar in het kistje liggen. Bovendien vertelt Fens ook nog eens dat zijn rondleiding daar grotendeels verpest is door een hinderlijke Amerikaanse toerist.

    Fens schrijft leuk. Hij legt uit, maar schoolmeesterachtig wordt het nooit. Hij beschrijft de geschiedenis waar dat van pas komt, maar zijn interesse richt zich vooral op het heden. Hoe functioneert dit kleine ministaatje nu? Wie zijn al die mensen en wat doen ze nu elke dag? Er lopen vrouwen rond, maar wat is hun rol? Wat zijn nu precies kardinalen? Wat doet de secretaris van de paus? Op deze en soortgelijke vragen krijg je keurig antwoord.

    Vatikaanstad is een ministaatje in Rome met de paus als absoluut vorst. Een gekozen absoluut vorst dat wel. Het hele bestuurlijke apparaat draait om hem. De soldaten van de Zwitserse garde sterven, als het moet, ook voor hem. Je zou kunnen zeggen dat de wereld van het Vatikaan draait om de paus zoals de zon om de aarde draait. Fens weet een fascinerend beeld op te roepen van een organisatie die weliswaar oud, antiek en grijs is maar nog altijd functioneert.

    Bijna hilarisch is het hoofdstuk waarin verslag wordt gedaan van een reis die de paus maakte naar de Verenigde Staten. Fens werd ingeloot om als embedded journalist mee te reizen met de paus en zijn gevolg. Hij vertelt in detail hoe zo’n reis georganiseerd wordt. Het Vatikaan regelt alles vliegtickets, hotels, bussen en taxi’s. Er wordt wel verwacht dat je van begin tot eind meegaat en dat je je onderwerpt aan een regime van orde en regelmaat. Orde ontbreekt bij het binnengaan van het vliegtuig. Het is vechten met andere journalisten om het beste plekje in het vliegtuig. Zo dicht mogelijk bij de paus. In het vervolg van de reis wordt de groep door een medewerker van de Vatikaanse persdienst behandelt als een ouderwetse schoolklas. Orde en tucht moeten er zijn, en als er even niet goed wordt opgelet, worden ze op hun nummer gezet:
    ‘Journalisten kunnen helemaal niets. Ze kunnen niet lezen, ze kunnen niet schrijven en niet praten. En ik kan het weten, want ik werk al jaren met journalisten.’

    Het verslag van de reis geeft een leuk kijkje achter de schermen van een pausbezoek. De andere hoofdstukken behandelen onderwerpen als Nederlanders in het Vatikaan, het huishouden van de paus, de Zwitserse Garde, Vatikaanstad en werken in het Vatikaan.
    De laatste twee hoofdstukken zijn minder licht van toon. Fens sluit af met twee onderwerpen die als een molensteen om de nek van de kerk hangen. Als eerste behandelt hij de rol van homo’s in de kerk. Tegen homoseksuelen heeft de kerk niets, integendeel zelfs. Het aantal homoseksuelen in de kerk ligt hoogstwaarschijnlijk ver boven het gemiddelde. Een onderzoek onder Amerikaanse priesters kwam tot een schatting van 30 tot 48 procent. De kerk heeft wel bezwaar tegen homoseksuele daden die ‘intrinsiek ongeordend en in strijd met de natuurwet’ zouden zijn. Homoseksuelen moeten weliswaar met respect, begrip en fijngevoeligheid behandeld worden, zij moeten wel kuis blijven en een beroep doen op de deugd die zelfbeheersing heet. Dat dit niet altijd lukt, mag duidelijk zijn. Wanneer de pers er achter komt is er direct sprake van een schandaal. Zo holt het Vatikaan van het ene incident naar het andere. Er komen soms harde woorden over homoseksuelen uit Rome en vreemd genoeg zijn die nog wel eens afkomstig van prelaten die zelf homo zijn.

    Fens sluit af met het hoofdstuk Allemaal geklets over de affaires rond seksueel misbruik. De titel verwijst naar een uitspraak van kardinaal Sodano, die dit jaar tijdens een pauselijke toespraak het woord nam en het had over ‘het geklets van het moment’. In zijn toespraak verzuimt de paus vervolgens om iets te zeggen over de affaires rond seksueel misbruik. Zelfs de journalisten zijn boos, en Fens ook.
    Het hoofdstuk is een objectief geschreven samenvatting van een reeks affaires die maar niet wil eindigen. Fens beschrijft de twee posities die binnen de muren van het Vatikaan worden ingenomen. Een groep wil voortdurend door het stof en excuses laten horen. De andere groep vindt het nu wel welletjes. Er zijn immers al excuses aangeboden. Het is een treurig stemmend hoofdstuk. Het Vatikaan lijkt vooral goed te zijn in afwachten, zwijgen en te laat reageren. Het is een dinosaurus die behalve groot, oud en log, ook nog eens buitengewoon stram blijkt te zijn. Het boek eindigt dan ook met de overweging dat er toch iets moet veranderen wil het Vatikaan overleven.

    De stramheid van de oude heren die het Vatikaan besturen straalt niet af op Stijn Fens. Hij heeft een leuk, informatief boek geschreven over het Vatikaan zoals we het nu kennen. Zijn vader zou trots op hem zijn geweest.

    Vatikanië. De geheimen van de paus

    Auteur: Stijn Fens
    Uitgeverij: Athenaeum-Polak & van Gennep
    Prijs: € 16,95

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    ‘De Nederlandse burger wil verantwoord consumeren, maar de Nederlandse consument kiest voor goedkoop. Deze gespletenheid is voer voor psychologen‘, schrijft Roland Duong halverwege zijn boek. 

    Roland Duong is bekend van enkele televisieprogramma’s, zoals de Keuringsdienst van waarde, waarin hij fundamentele vragen stelt achter de producten en met name het voedsel dat wij kopen. In zijn boek doet hij dit eveneens.  Hij beschrijft de supermarkt als een paradijs, waar je veel kunt kiezen. Maar hoe ‘gezond’ te kiezen? Je bent wat je eet, zegt hij. Hij vraagt je als lezer of je een appel uit Nederland uit een koelcel wilt of een verse uit Nieuw-Zeeland en of je daarvoor de milieuvervuiling en hoge transportkosten op de koop toe neemt. Hij stelt de vraag aan de orde welk dier je mag of wilt eten? Ben je voor het milieu ? misschien dan toch maar de kip ? of voor dierenwelzijn ? dan kun je beter voor de koe kiezen. Hij schrijft over biefstuk, over vis, over de frikadel. En stelt opeens de vraag: wie is de boer?  Om na krap anderhalve bladzij verder te gaan over volwassen voedsel, zonde, dik is gezond en zo nog meer soms prikkelende kopjes van vaak beknopte hoofdstukjes.

    In het hoofdstuk over de ‘moraal’, zegt hij: ‘consumenten zijn criminelen. …  Alles wat we als kind aan normen en waarden hebben geleerd ? wees eerlijk, doe een ander geen kwaad –  verliezen wij op het moment dat we aan het consumeren slaan ‘.  … ‘Mensenrechten en diervriendelijkheid zijn vergeten als het om geld gaat’. Tja. Zo staat eigenlijk het hele boek vol met uitdagende, soms confronterende uitspraken. Vaak waar. Maar dan? Inderdaad , voer voor psychologen. Eventueel ook voor sociologen en economen, misschien wel voor politici? Epicurus, Rogers en Tolstoj komen voorbij, verrassende invalshoeken. Maar helaas, wat is het allemaal weinig uitgewerkt. Het komt over als hap-snap kennis, een hink-stap-sprong langs filosofie, psychologie en literatuur.

    Enerzijds lees je dit boek met een zekere nieuwsgierigheid: waar wil de schrijver naar toe? Gaandeweg begonnen de uitspraken me tegen te staan:  is het prikkelend, of is het eigenlijk komisch bedoeld, of cynisch?  Via thema’s als onvrede, wijsheid en het geweten, komt de schrijver uit bij het geloof. Daar lezen we dat ‘de voordelen van bidden evident zijn en grondig wetenschappelijk getest’ en  de ‘tragedie is dat weinig atheïsten het kunnen bolwerken in dit koude universum’.  ‘Met het afzweren van de religie heeft de moderne mens tegelijkertijd iets wezenlijks het zwijgen opgelegd: de behoefte aan geestelijke vervulling’.  Is dat zo? Waar staat dat? Wie zegt dat?

    Waarschijnlijk wil de schrijver de wereld een stukje beter maken, de consumenten bewuster maken, ons voedsel en onze leefwijze meer verantwoord maken. Maar of dat met dit boek lukt?  Zeker kunnen provocerende uitspraken en schokkende feiten een mens aan het denken zetten. Maar een overdosis van beweringen, die als feiten gepresenteerd worden, zonder diepgaande analyses werken op den duur ook als een overvloedige maaltijd, waarbij je eigenlijk te snel verzadigd bent.  Maar wellicht zijn er anderen, die deze stijl prachtig vinden. De mens is immers, aldus de auteur, het meest eigenwijze dier op aarde?

    Het supermarktparadijk
    Gezond kiezen is een kunst

    Auteur: Roland Duong
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak en Van Gennep
    Prijs € 18,95

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Dagboekaantekeningen van een jonge Joodse vrouw.

    Ruth Maier wordt in 1920 in Oostenrijk geboren en vlucht aan het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Noorwegen, terwijl andere familieleden zoals haar oma, haar moeder en zus naar Engeland gaan. Ruth heeft op dertienjarige leeftijd haar geliefde vader al verloren en heeft later vaak het gevoel er alleen voor te staan. Door het vroege verlies zoekt ze vriendschap met oudere mannen. In Oostenrijk heeft ze een bijzondere band met professor Williger. In het gastgezin, dat in een plaatsje nabij Oslo woont, onderhoudt ze vriendschap met de heer des huizes tot zij hem afwijst na diens poging haar te kussen. De vrouw in het gastgezin maakt zich evenmin geliefd omdat ze stiekem de brieven van Ruth leest. Op de school die Ruth volgt wordt ze gepest om haar anders-zijn. Door al deze levenservaringen is het niet vreemd dat Ruth een dagboek bijhoudt. Dat deed ze overigens ook al op haar dertiende toen de oorlogsdreiging nog ver weg was, maar de bedoeling blijft hetzelfde: om te kunnen vertellen over haar gevoelens.

    ‘Ik schrijf geen dagboek om ‘overpeinzingen’ neer te pennen of diepe gedachten te vereeuwigen. Ik schrijf om gevoelens kwijt te raken waar ik anders in zou stikken. Om in wonden te woelen zodat ze open blijven.’

    De taal die Ruth gebruikt is die van een adolescent. Ze doet ongeciviliseerde ontboezemingen en twijfelt over haar werkelijke identiteit. 

    Behalve door haar dagboeken leren we Ruth ook kennen door de correspondentie met haar zus Judith in Engeland. Judith heeft de brieven van Ruth bewaard en die vormen een goede aanvulling op de dagboeken die niet allemaal behouden zijn. We lezen dat Ruth vreest dat haar familie zal omkomen bij de bombardementen door de Nazi’s. Ruth hoopt in het begin vaak dat ze snel met haar familie zal worden verenigd zal zijn en later hoopt ze dat ze naar Amerika zal gaan.

    Ruth oogt op de omslag als een sensuele vrouw. Ze noemt zichzelf een geboren flirt, maar vindt anderzijds dat ze geen sex-appeal heeft. Ze heeft in Noorwegen nog nooit een minnaar gehad, hoewel ze daar wel een sterke behoefte aan heeft. ‘Elke broek hypnotiseert me,’ schrijft ze. Die behoefte komt ook naar voren in haar gedichten.

    ‘Waarom, Almachtige, hebt U mijn lijf
    als een sprookje geschapen, als ik ’s avonds
    in mijn kussen bijt om niet luid te schreeuwen
    dat ik hunker naar een man?’

    Het zijn tenslotte vrouwen met wie ze nauwe banden aanknoopt. Eerst met Agnes, die haar doet denken aan Käthe in Wenen en later, tijdens de vrijwillige Arbeidsdienst, krijgt ze vriendschap met de latere Noorse dichteres Gunvor. Hun relatie gaat niet over rozen, maar het is onduidelijk in hoeverre dat ervan de oorzaak is dat Ruth zich in 1941 twee maanden in ziekenhuis laat opnemen vanwege angstaanvallen. Ze schrijft op het intake-formulier dat ze niet graag alleen is. Dat is ze waarschijnlijk teveel geweest, zonder vader en met weinig steun van haar moeder die ze in haar jeugd in Wenen soms zelfs als haar eigen kind zag. Tijdens haar opname smacht ze naar contact met Gunvor, maar die had gezegd dat ze niet zou schrijven. Later komt het weer goed tussen de twee. Als Gunvor in 1995 overlijdt heeft ze veel werk van Ruth bewaard. Die vormt de basis voor dit boek, dat verluchtigd is met Ruths tekeningen.

    Het hoogste doel voor haar was geen onnodig lijden te veroorzaken in een wereld met zoveel leed. Daarom liet ze zich zonder protest wegvoeren tijdens een razzia in november 1942. Een ontroerende daad.

    Het leven kon zo mooi zijn

    Auteur: Ruth Maier
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak en van Gennep
    Vertaald door: Ard Postuma en Annemarie Smit
    Prijs: 27,50