• Oogst week 21 – 2023

    Japanse mythen – Goden, helden en geesten

    Mythen horen bij Japan als vissen in het water. Iedereen in Japan kent ze, ze worden verteld in families, er worden toneelstukken over gemaakt, ze komen terug in boeken en films. Mythen leven in de geest van iedere Japanner. De mythologie is afkomstig uit het Shintoïsme (de oorspronkelijke Japanse natuurreligie), uit het Boeddhisme en uit middeleeuwse verhalen over wraakzuchtige geesten. In het Shintoïsme heeft elk natuurlijk element – een boom, dier, vulkaan, mens – een ziel. Veel verhalen zijn gerelateerd aan de extreem afwisselende topografie van Japan. De mythen worden bevolkt door goden en godinnen, geesten, helden en pratende dieren.

    Buiten Japan zijn de Japanse mythen minder bekend. Japanoloog Joshua Frydman van de Universiteit van Oklahoma heeft in Japanse mythen – Goden, helden en geesten vele oude verhalen opnieuw verteld. Ze gaan over de schepping van het land, de reïncarnatie van oude godheden in helden en zielen. Naast het vertellen van de mythen plaatst Frydman ze in de cultuur, de religie en de geschiedenis en volgt ze tot aan de manga-industrie en hedendaagse videogames. De westerse lezer zal door het lezen van dit rijk geïllustreerde boek beter begrijpen hoe in Japan verleden en heden diep ineengrijpen.

     

    Japanse mythen - Goden, helden en geesten
    Auteur: Joshua Frydman
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum 2023

    Dansen als de meeuwen

    Bioloog en schrijver Tijs Goldschmidt werd bekend met zijn boek Darwins hofvijver (1994), gebaseerd op zijn proefschrift (1989) over de studie van cichliden in het Victoriameer. Hij beschrijft daarin de verstrekkende gevolgen van een vreemde soort in een ecosysteem en verweeft de wetenschappelijke feiten met persoonlijke gedachten en observaties. Het boek vond meteen een groot publiek en werd vertaald in onder meer het Engels, Italiaans, Duits, Frans, Chinees en Japans.

    In 1993 verliet Goldschmidt de wetenschap om zich geheel aan het schrijven te wijden. In essays kon hij zijn persoonlijke inzichten en wederwaardigheden beter kwijt. Dansen als de meeuwen bevat een ruime keuze uit zijn boeiende essays en brieven en is aangevuld met nieuw werk. 64 pagina’s met kleurenillustraties hebben ieder een eigen verhaal.

    Goldschmidts onderwerpkeuze is zeer divers. Hij schrijft net zo gemakkelijk over mensen als Gerard Reve, Dick Hillenius en Papoea’s als over muziek, antropologie, diergedrag en beeldende kunst. En niet te vergeten de evolutie, zijn vakgebied. Alles in bedachtzaam en soms ironisch geformuleerde zinnen die de lezer in Goldschmidts veelzijdige manier van kijken en denken meenemen.
    Op 25 mei wordt hem de P.C. Hooftprijs 2023 uitgereikt. Uit het juryrapport: ‘Als essayist is hij een verteller die weet dat de inhoud en vorm hand in hand gaan en hij is een meester in het verschuiven van accenten, het leggen van onverwachte relaties en het opkloppen van sleetse verbanden.’

     

    Dansen als de meeuwen
    Auteur: Tijs Goldschmidt
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot, Uitgeverij Atheneaum – Polak en Van Gennep 2023

    Het graf van de wever

    Toen Seumas O’Kelly (1880-1918) al was overleden verscheen in 1919 in Ierland het boek Het graf van de wever van deze schrijver en journalist die tegelijk met James Joyce aan het University College in Dublin studeerde. Hij was hoofdredacteur van Nationality, de krant van Sinn Féin. Toen daar een groep Britse soldaten binnenviel, kreeg O’Kelly een hersenbloeding waaraan hij bezweek. Hij was behoorlijk productief en had al twee romans, talloze verhalen en toneelstukken geschreven. Het poëtische, tragikomische Het graf van de wever, vol zwarte humor, werd in Ierland een geliefde klassieker.

    Twee bejaarde mannen, de spijkerslager Meehaul Lynskey en de steenbikker Cahir Bowes, gaan op de oude begraafplaats Cloon na Moray op zoek naar het graf van de clan van Mortimer Hehir, de wever die pas is overleden. Op de begraafplaats mogen alleen oudere families en leden van clans begraven worden en Hehir behoorde tot zo’n clan. Het graf is echter niet te vinden. De zerken zijn vervallen, donkergroen van het mos en half afgebroken. De hele begraafplaats is een doolhof. Vergezeld van twee jonge grafdelvers en de weduwe van de wever beginnen de oude mannen aan hun opdracht. Er volgen nogal wat mislukkingen, plus een hoop gekrakeel over de geschiedenis van Cloon na Moray en zijn bewoners. Wie weet daar het meeste van?

     

    Het graf van de wever
    Auteur: Seumas O'Kelly
    Uitgeverij: Uitgeverij Zirimiri Press 2023
  • Moment van genade

    Moment van genade

    Sinds vrijdag hebben de dagen een andere betekenis gekregen, is er een vertraging opgetreden. Ik ben beïnvloedbaar, gevoelig voor drama, die invloed moet ik bestrijden. Aan de keukentafel overdenk ik mijn stappen, er wil zich geen scenario vormen. Misschien moet ik eerst de vaatwasser uitruimen. Ondertussen komt het nieuws binnen over de toestand in het land, de wereld, het commentaar daarop. Online tips, wat wel en niet te doen, misstanden in supermarkten, welke boeken er gelezen moeten worden, grijp je kans. Boekcovers van De stad der blinden, Nemesis, Liefde in tijden van cholera, De toverberg gaan rond. Nadrukkelijk verzoek te bestellen bij de boekhandelaar zelf. Lezen zonder onderbrekingen, een leeswalhalla, de droom van elke lezer, schrijver. Toch ijsbeer ik van keuken naar kamer en weer terug. Of we niet toch een pak toiletpapier moeten halen vraag ik Mijn lief, en misschien een berg citroenen. De besluiteloosheid, zoekend naar een nieuw evenwicht in deze ongewisse dagen. Mijn aandacht versplintert, niets beklijft.

    Dan zie ik, tussen alle doemdenkersberichten de tweet ‘Grandioze columns van een New Yorkse dame’. Dat zijn nog eens aanstekelijke woorden, ik adem in. Klik de recensie van Arjan Peters open. Columns  van Maeve Brennan, die ze vanaf 1953 als ‘The Long-Winded Lady’ voor de New Yorker schreef. Peters vraagt zich even af of iemand op die oude columns van een New Yorkse dame zit te wachten. En ik denk: ‘Jawel, ik zit hierop te wachten!’ En kijk, recensies doen hun werk, dit boek moet ik hebben. Ik fiets naar het dorp, alwaar het niet bij de plaatselijke boekhandel te verkrijgen is. ‘Nee, nee, ik wil het niet bestellen’, en fiets snel terug naar huis waar ik na enkele klikken het boek in een virtueel winkelmandje plaats. De volgende dag ligt het in de brievenbus. Zevenenveertig columns geschreven tussen 1953 en 1968. Elke column werd in de krant geïntroduceerd met de zin: ‘We hebben weer een bericht ontvangen van onze vriendin de breedsprakige dame’.

    Over broccoli eten in een restaurant (in New York aten ze in 1963 al broccoli!). ‘Toen ik de tong had opgelepeld, richtte ik me op de broccoli. Ik pakte de sauslepel zoals de kelner had gedaan en hield hem boven de broccoli en daarna deed ik hem snel weer terug in de sauskom. Ik kon me niet meer herinneren welke kant van de broccoli eetbaar is. Ik kon het me echt niet meer herinneren.’ (Ze aten broccoli niet met stronk). Het onhandige van vergeten gewoontes, misvattingen, verkeerd inschatten van situaties, dat is waar The Long-Winded Lady over schrijft. Haar overdenkingen leveren ook fijne inzichten op: ‘in onze geest herinneren […] verhalen ons eraan dat we altijd aan het wachten zijn, en ze herinneren ons er ook aan waarop we wachten: uitstel, een moment van genade, iets simpels waardoor we ons ergens over verbazen.’ Ja, een moment van genade in een tijd dat ‘er niet veel aan de hand is op de weg’ er nul km file is en het gewone leven tot nader order is uitgesteld. Lees deze columns van Maeve Brennan.

     

    De breedsprakige dameColumns uit The New Yorker door Maeve Brennan, vertaling Rosalie van Witsen / Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2020


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist even niet met het OV en kan niet zonder een goed verhaal. 
  • Een man, een vogel

    Een man, een vogel

    Hij leek me heel gelukkig.’ De met zoveel moeite afgerichte havik is ontsnapt en White, schrijver en valkenier, ziet dat het beest dan pas, letterlijk en figuurlijk, in zijn element is. In een notendop geven die woorden de ambivalentie weer van het temmen van zo’n vogel. Want het dier, in Duitsland uit het nest geroofd, is naar Engeland vervoerd en bij White beland om te worden afgericht. En africhten houdt in: klein krijgen door honger en slapeloosheid, onderwerpen en afhankelijk maken van de trainer voor zijn voedsel. De dressuur verdringt de natuur.
    De trainer houdt van zijn dier, zeker, en gaat tot het uiterste voor een snelle, doelmatige training waarbij hij ook zichzelf niet ontziet, maar het dier dient geknecht en van zijn natuurlijke levenswijze beroofd.

    Erudiete kluizenaar
    White, die in 1939 de havik Gos africhtte – het verhaal dat de lezer krijgt voorgeschoteld is volgens de auteur een getrouw verslag – doet wat hij kan om én het dier én zichzelf én de oude boeken over roofvogeltraining recht te doen en komt terecht in een baaierd van gemengde gevoelens, hardvochtigheid en toegeeflijkheid.

    De schrijver schetst zichzelf als een intellectueel die de wereld de rug heeft toegekeerd in het besef dat de wereldpolitiek elk moment alles en iedereen kan gaan overheersen, ‘een laffe kluizenaar op de vlucht voor zijn medemensen.’ Hij toont overvloedig z’n eruditie door de vele verwijzingen naar de klassieken en Shakespeare. Hij is een pessimistisch cultuurfilosoof met ook voor die tijd al dwarse uitspraken over vrouwen (moeders van grote gezinnen, díe weten pas waar het in het leven op aan komt; wijze vrouwen kiezen voor het fornuis). Hij heeft wel iets van zo’n ‘typisch Britse’ excentriekeling:

    De omgang met Gos in zijn ultieme onbezoedelde afzondering was beter dan het eeuwige grimmige conflict tussen man en vrouw of de onvolwassen machtsstrijd die mannen dreef tot zakendoen, rijden in Rolls-Royces en oorlog voeren.

    Hij lijkt aanvankelijk te slagen in het africhten van Gos.  In dit boek, dat de vorm heeft van uittreksels uit het dagboek dat hij heeft geschreven ‘met de vogel op mijn linkerhand en aantekeningen makend met mijn rechterhand op mijn knie’, volgt de lezer de voortgang van de dressuur op de voet. Het relaas is af en toe erg minutieus, compleet met technische tekeningetjes.

    White is gedwongen zich de nodige ontberingen te getroosten: afzondering, chronisch slaaptekort en eindeloos wandelen met de zware vogel op de hand. ‘t Is bar en boos. En wie is er eigenlijk de baas? De eisen die de onderneming stelt aan de vogel, betekenen tevens een leerschool voor de mens. Dit resulteert in een soort ‘Zen en de kunst van de roofvogeltraining’, een geestelijk avontuur: ‘Zit stil, havikier, op Gods vuist, net zo stil als Gos op de jouwe.’

    Gos c.s.
    Vogels en boeken over vogels zijn momenteel populair. Dit boek uit 1951, eerder al eens in een vertaling van Max Schuchart verschenen onder de titel De vlucht van de havik, ligt nu voor ons in een nieuwe vertaling van Jolande van der Klis. Na het succes van onder meer De H is van havik van Helen MacDonald waagt de uitgever het erop. White is tenslotte een grote naam vanwege The Once and Future King, over koning Arthur, en hij schijnt J.K. Rowling beïnvloed te hebben.
    Het boek onderscheidt zich sterk van hedendaagse boeken over dieren, doordat het niet sentimenteel is, niets zegt over natuurbederf en de rol van de mens in zijn omgang met dieren niet ter discussie stelt. Het schetst dieren regelmatig op ‘ouderwetse’ wijze: Gos had normaal gesproken de sombere en opmerkzame gezichtsuitdrukking die karakteristiek is voor de meeste roofdierachtigen. Wij zijn strijdbaar vanwege onze minderwaardigheidscomplexen. Zelfs de ironische trek om de bek van een snoek doet iets depressiefs vermoeden.

    En de door hem mishandelde duiven beschrijft hij zo: Wat een vredelievende en verstandige beestjes waren het toch, helemaal niet bloeddorstig maar toch ook geen angsthazen. Echte modelburgers, bedacht ik, die zich van alle vogels ongetwijfeld het meest aangesproken voelden door de uitgangspunten van de Volkerenbond.
    En dan is Gos klaar voor de laatste proef: het vangen van een prooi in het wild en die terugbrengen naar zijn baas. White drinkt zich alvast triomfantelijk een stuk in de kraag en ‘brengt een toost uit op de verdoemenis van al mijn vijanden’. Maar de vogel ontsnapt en daarmee eindigt deel 1, dat ruim de helft van het boek beslaat.

    Het korte deel 2 behandelt de droeve periode die daarop volgt, waarin White tevergeefs naar Gos op zoek is en tegelijk met behulp van vallen een sperwer tracht te vangen, ook zonder succes. De toon is neerslachtig. Beschouwingen over geschiedenis en samenleving – o tempora! o mores! – nemen toe, evenals de verwijzingen naar Shakespeare. Boeiend is de bespreking van The Taming of the Shrew. ‘Petruchio temde zijn Kate als een havikier zijn havik en wist dat maar al te goed.’ Uitvoerige citaten onderbouwen zijn stelling. Ook leuk is de aandacht voor de roofvogelvangst in Valkenswaard, die kennelijk ooit als exemplarisch bekend stond.

    Deel 3 ziet de komst van Cully, de opvolger van Gos. Want er is White alles aan gelegen ooit een havik zover te krijgen dat ook die laatste proef slaagt. Het verslag daarvan besluit het verhaal, waarna nog een kort post-scriptum volgt dat onder meer kort ingaat op de toekomst van de roofvogelhouderij.
    De titel slaat dus niet slechts op een specifieke havik, al speelt Gos naast White de hoofdrol, maar ook op de soort in gevangenschap en op het werk van de trainer. Zelf een havik africhten, zo had het boek ook kunnen heten, met als ondertitel En wat dit doet met ú.

    Tarsel
    Iets over het Nederlands. Dat is adequaat, al laat de vertaalster wel eens een steekje vallen (‘licentiewetten’) en blijft ze hier en daar te dicht bij het origineel (‘miserabel’ voor ‘miserable’, ‘hymne’ voor ‘hymn’). Niet iedereen zal het op prijs stellen dat er zoveel valkeniersjargon wordt gebruikt, zoals het hierboven aangehaalde ‘havikier’ (dat in Van Dale niet voorkomt) en woorden als ‘muiten’, ‘treinen’ (beide niet in de gebruikelijke betekenis), ‘zeeg’,‘tarsel’ en vele andere. Daar staat tegenover dat er een uitvoerig notenapparaat is toegevoegd, waarin alles wordt toegelicht.

    Al met al is dit een apart en onderhoudend boek, weldadig eigenzinnig (menig lezer zal zich ergeren), goed geschreven, vol geploeter en getob aan de kant van de verteller, vol mooie natuurwaarnemingen en vol verbazingwekkende praktijken die getuigen van grote kennis en vindingrijkheid en toewijding aan de gevangen vogels.
    Die praktijken zijn nu, bijna driekwart eeuw later, in veler ogen onacceptabel geworden. Toch vinden er meer en meer roofvogel- en uilenshows plaats. Vogelbescherming Nederland en de Werkgroep Roofvogels Nederland raden het houden – én bezoeken – van dergelijke evenementen ten sterkste af.
    Wie daar wegblijft, kan dankzij De havik toch nader tot de roofvogels komen.

     

     

  • ‘Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren?’

    ‘Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren?’

    ‘Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren?’ Dat is de ondertitel én centrale vraagstelling van het boek dat Hans den Hartog Jager schreef over het streven van moderne kunstenaars om zich te ontworstelen aan de vrijblijvendheid van hun metier. Een prikkelend boek, dat ontstond terwijl Den Hartog Jager de tentoonstelling Meer macht voor museum De Fundatie in Zwolle samenstelde.

    Den Hartog Jager heeft overigens zijn sporen in het kunst-boekengenre meer dan verdiend. Hij schreef bijvoorbeeld eerder het succesvolle Dit is Nederland (2008), waarin hij Nederland in tachtig hedendaagse kunstwerken karakteriseerde. En in 2011 Het sublieme, over de opkomst en neergang van schoonheid in de moderne kunst.

    Ook in Het streven richt Den Hartog Jager zich op moderne kunst. Hij geeft een mooi overzicht van het ontstaan van de hedendaagse kunst. Hij beschrijft hoe de moderne kunst halverwege de negentiende eeuw met de penseelstreken van Goya, Marat, Manet en Courbet ontstond. En hoe met hen ook het archetype van de moderne kunstenaar werd geboren: type lange haren, artistieke kleding en geen rode rotcent op de bank. Maar mét de ultieme vrijheid om te maken wat hij of zij wilde; los van welke teugels dan ook, en vrij van de noodzaak om de wereld van opdrachtgevers te verbeelden, laat staan te verheerlijken.

    Maar deze vrijheid kwam niet zonder prijs. De verworven vrijheid ging gepaard met een scheiding tussen kunst en samenleving. En met die scheiding kwam volgens Den Hartog Jager ook de onmogelijkheid om in de reële wereld iets te veranderen. Vandaar zijn centrale vraag: kan kunst de wereld verbeteren?

    Boek en tentoonstelling verkennen deze vraag aan de hand van verschillende voorbeelden van de hedendaagse geëngageerde kunst. Den Hartog Jager begint zijn boek met bespiegelingen over de Nederlandse kunstenaar Renzo Martens (1973), die in Congo het kunstproject Episode III: Enjoy poverty opzette vanuit de gedachte dat armoede Congo’s belangrijkste inkomstenbron is. Een ongemakkelijke stellingname waarmee Martens veel krediet in de kunstwereld oogstte. In een vervolgproject zette hij kunst in als instrument om een kleine settlement in het oerwoud uit de armoede te verheffen. Een project dat uiteindelijk spaak loopt, waarbij Martens ontdekt dat kunst en werkelijkheid door andere regels gedicteerd worden.

    Naast Renzo Martens komen in Het streven vele andere moderne kunstenaars voorbij. Hans Haacke, Joseph Beuys, The Guerrilla Girls en Constant, om er een paar te noemen. Stuk voor stuk kunstenaars die volgens Den Hartog Jager de ambitie hadden iets te veranderen en dat deden door steeds weer grenzen te verleggen door het tonen van hun persoonlijke visie op de werkelijkheid. Maar die daarbij opliepen tegen de keerzijde van hun eigen vrijheid: de vrijheid van de samenleving om de persoonlijke visie van kunstenaars naast zich neer te leggen.

    Wat niet wil zeggen dat die persoonlijke visie niet indringend kan zijn. Een voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de video Sign of times die de Amerikaanse kunstenaar Andres Serrano in 2013 maakte. Die video bestaat uit niets anders dan elkaar snel opvolgende, muzikaal omlijstte, stills van door hem opgekochte kartonnen bedelbordjes. Hij brengt hiermee de rauwheid van de onderkant van de samenleving in de veelal kraakhelder witte omgeving van musea. En laat daarbij een gemengd beeld van schoonheid en ongemak achter.

    Of de metersgrote foto’s op lood die Anselm Kiefer, Duits kunstenaar, in 1969 van zichzelf maakte. Gekleed in Nazi-uniform brengt hij, staande voor een oorlogsruïne, de Hitler-groet. Deze Occupations-serie is één van de projecten die Kiefer uitvoerde om zich rekenschap te geven van het nazistische verleden van zijn vaderland. In een tijd dat niemand daar in Duitsland over wilde of durfde te spreken. Mooi, indringend, overweldigend. Maar veranderde Kiefer hiermee de wereld?

    Deze vraag blijft onbeantwoord, zowel in het boek als in de tentoonstelling. Beiden zijn eerder een aansporing aan de lezer of kijker om zichzelf deze vraag te stellen. En zo te verkennen wat volgens hem of haar de rol van kunst in de samenleving is.

    Het is daarbij wel jammer dat het accent zo sterk op de moderne tijd alleen ligt. Den Hartog Jager gaat niet verder terug dan pakweg het begin of halverwege de negentiende eeuw. Terwijl ook in de eeuwen daarvoor sommige kunstenaars in hun werken doelbewust hun persoonlijke visie lieten doorklinken, ook al lijkt Den Hartog Jager dat onder het mom van ‘allemaal opdrachtgevers-kunst’ terzijde te schuiven. Want wat te denken van Michelangelo, die het vertikte om voor zijn Medici-grafkapel echte portretten te maken, omdat over duizend jaar toch niemand meer zou weten hoe de Medici (zijn opdrachtgevers!) er uit hadden gezien. Of Caravaggio, die op zijn religieuze schilderijen gewone mensen met vieze voeten uitbeeldde, omdat ook de ‘werkelijkheid’ van heiligen niet van vuil gespeend kon zijn, hoezeer de clerus dat ook wilde doen geloven.

    Den Hartog Jagers boek was een nog rijkere bron geweest als dit soort oudere voorbeelden, van ver voor de bevochten absolute kunstzinnige vrijheid van na ca. 1850, ook aan de orde waren gekomen. Maar of het tot andere conclusies had geleid valt te betwijfelen. Want ook de voorbeelden van Michelangelo en Caravaggio maken immers duidelijk dat kunst in die tijd ook de werkelijkheid niet verbeterde. Althans daarvan zijn net zo min als in Het streven in de annalen van de zestiende of zeventiende eeuw bewijzen te vinden.

    Het is overigens de vraag of het erg is dat Den Hartog Jager vragen stelt zonder ze te beantwoorden. Het plezier is er niet minder om. Boek en tentoonstelling zijn uiteindelijk een beetje als de film Static (2009) van Steve McQueen, ook vertoond in De Fundatie. Waar McQueen in een helikopter om het Vrijheidsbeeld heen cirkelt, zonder die vrijheid ooit echt te pakken te krijgen, cirkelt Den Hartog Jager om zijn centrale vraagstelling heen. Zonder deze te beantwoorden. Maar dat is niet erg. Want net als McQueen’s helicoptervlucht levert Het Streven een aaneenschakeling van prachtige observaties op.

     

  • Fascinerende roman over klein stukje koloniale geschiedenis

    Fascinerende roman over klein stukje koloniale geschiedenis

    De lezer wordt ondergedompeld in dit verhaal. Al na een paar bladzijden bestaat de wereld om je heen niet meer en leef je mee met Nyoman Darma Koesoema, een van oorsprong Balinese edelman die zoals later in het boek zal blijken in Amsterdam wordt misvormd tot Christiaan Darma. Hij volgt er een opleiding tot onderwijzer aan de Gemeentelijke Kweekschool en behaalt daar ook zijn hoofdakte. Intussen maakt hij kennis met de werken van Multatuli en Roorda van Eysinga en raakt geïnspireerd door deze grote opstandige geesten en hij neemt zich voor een rol te gaan spelen in het beëindigen van het onrecht dat in Indië heerst. Het wordt hem ook duidelijk op welk een gewelddadige en wrede wijze sommige delen van het toenmalige Nederlands-Indië waren onderworpen door generaals waar later in Nederland standbeelden voor werden opgericht.

    Hoofdonderwijzer Ekker en zijn vrouw, waar Nyoman onderdak heeft gevonden, doen er alles aan, overigens met de allerbeste bedoelingen, om van de jongeheer Darma een Europeaan te maken. Tot op zekere hoogte slagen ze daar ook in met als gevolg dat Nyoman Darma na terugkeer in zijn geboorteland zich erg ongelukkig voelt omdat hij door zowel de Europese ‘elite’ als de inlandse bevolking niet geaccepteerd wordt. Hij krijgt een aanstelling als hulponderwijzer aan de opleidingsschool voor inlandse ambtenaren te Bandoeng, waar de zonen van de inlandse adel worden opgeleid tot kundige, eerzame en loyale medewerkers die zich na hun opleiding met volle overgave kunnen inzetten in dienst van het Nederlands-Indisch gouvernement. In Holland is Nyoman, door een hoge ambtenaar van het Ministerie van Koloniën al te verstaan gegeven dat hij zich in ruil voor zijn reis, verblijf en opleiding, levenslang verplicht heeft zich in dienst te stellen van het gouvernementsonderwijs in Indië. Min of meer een lijfeigene dus.
    In Bandoeng neemt Nyoman zijn intrek bij de niet meer zo jeugdige maar nog steeds aantrekkelijke weduwe Tidens-Hiddema met wie hij na enige tijd een innige relatie begint hetgeen uiteindelijk uitmondt in een zwangerschap. Er wordt een dochter, Jeanette Pauline, geboren. Hermine Tidens heeft al een dochter Mina uit een eerdere relatie. De reacties van de omgeving zijn ontluisterend. Eieren en rottend fruit worden tegen de woning gegooid, honden worden vergiftigd en de pesterijen nemen dusdanige vormen aan dat Nyoman zich genoodzaakt ziet te verhuizen, weg uit de Europese wijk.

    Hermine vertrekt voor twee weken naar de kust om bij te komen van de Bandoengse terreur en tijdens haar afwezigheid ontwikkelt zich tussen Nyoman en zijn veel jongere stiefdochter Mina een relatie die voornamelijk is gestoeld op wellust. Na haar terugkeer neemt Hermine haar intrek in de bijgebouwen en Nyoman en Mina treden in het huwelijk. Hermine leeft enige tijd in vrijwillige ballingschap, onder grote emotionele spanningen die veroorzaakt worden door de hoon en verwensingen van de Europese gemeenschap, en bezwijkt later aan een hartaanval. Op haar begrafenis verschijnt een jonge Europese vrouw die zich bekend maakt als Betsy Hoogduin-De Vijver. Zij zal een belangrijke plaats gaan innemen in het leven van Nyoman en Mina. Vooral Mina laat zich beïnvloeden door Betsy en haar niet altijd zuivere bedoelingen. Na de geboorte van een tweede dochter Christine, wordt Nyoman steeds vaker door Mina afgewezen en hij zoekt dan troost bij een Soendanese vrouw, Kassijem.

    Nyoman wordt ook politiek actief en hij probeert aansluiting te vinden bij de aarzelend op gang gekomen stromingen binnen de Indische gemeenschap die streven naar onafhankelijkheid. Er is een te grote verdeeldheid tussen de verschillende bewegingen, een duidelijk toekomstbeeld ontbreekt en teleurgesteld verbreekt hij na enige tijd de banden met de revolutionairen.

    Als de directeur van de opleidingsschool voor inlandse ambtenaren, Theodorus Vaneck komt te overlijden, wordt Nyoman beschuldigd van betrokkenheid bij diens dood. Ketoet, de trouwe Balinese huisbediende waarschuwt voor de plannen die familieleden van Vaneck zouden hebben om Nyoman om het leven te brengen. Ook Betsy Hoogduin speelt een kwalijke rol. Mina is voortdurend neerslachtig en gedraagt zich neurotisch en zelfs wanneer Nyoman, na een daartoe ingesteld verzoek, officieel gelijkgesteld wordt aan een Europeaan, komt daar geen verandering in. Als Mina zich na verloop van tijd weer heel levenslustig toont en weer graag naar buiten gaat, blijkt dit toch een bijzondere reden te hebben. Ketoet waarschuwt Nyoman voor haar buitenechtelijke escapades. De nieuwe minnaar Johannes zweert samen met Betsy en Mina. Een Ambonees met een kwalijke reputatie wordt ingehuurd om Nyoman om te brengen.

    Vooral de tweestrijd waarin de hoofdpersoon vanaf zijn aankomst in Amsterdam maar vooral ook na terugkeer in zijn geboorteland verkeert, wordt op treffende wijze weergegeven. De karakters van de hoofdpersonen worden tot in detail omschreven. Veelvuldig voegt de schrijver maatschappijkritische noten aan het verhaal toe en we krijgen een goed beeld van de tegenstellingen tussen blank en bruin in het voormalige Nederlands-Indië. Door de uitstekende wijze waarop het  boek het onrecht beschrijft dat de inlandse bevolking destijds is aangedaan, zal het verhaal zeker verontwaardiging opwekken bij de lezer.
    Wat verder direct opvalt aan dit boek is het gedateerde taalgebruik dat helemaal past bij de beschreven periode (1879-1909). De schrijver slaagt er op meesterlijke wijze in om dit tot aan het einde van zijn verhaal vol te houden. Een woordenlijst, in de toenmalige spelling, van de in het boek voorkomende Maleise woorden, is toegevoegd.