• Met een volstrekte eerlijkheid

    Met een volstrekte eerlijkheid

    Jan de Rooy heeft met Ethel in Wonderland een hybride vorm tussen biografie en autobiografie uitgebracht. In een traditionele biografie beschrijft de biograaf het leven van degene die in de biografie centraal staat. In een autobiografie wordt uiteraard het eigen leven verteld. De Rooy heeft echter een biografie in de ik-vorm geschreven. Hij staat als auteur op omslag en titelpagina, maar heeft zich vervolgens uit de biografie geschreven. Zijn hybride biografie is dan ook gebaseerd op een jarenlange vriendschap tussen biograaf en hoofdpersoon, op vele gesprekken die ze gevoerd hebben en op de (dagboek)aantekeningen van Ethel zelf. Wat bij lezen meteen opvalt is de volstrekte eerlijkheid waarmee het verhaal zich ontrolt: vrienden en familie worden niet gespaard in dit goudeerlijke en daardoor waardevolle document. Wat verder opvalt is de geringe aandacht voor de boeken die Ethel geschreven heeft. Het is geen auteursbiografie: niet haar boeken, maar de gebeurtenissen uit haar leven staan centraal. De hybride biografie heeft daardoor een sterk anekdotisch karakter.

    Ethel Portnoy (1927-2004)

    De Ethel uit de titel van het boek is de in Amerika geboren schrijfster Ethel Portnoy, dochter van Russisch-Joodse immigranten. Op school schrijft ze een opstel: mijn eerste zoen. Het is de gewoonte dat opstellen voorgelezen worden in de klas. Na het voorlezen van de titel gaat er een schok door het leslokaal. Portnoy wacht even voor ze verdergaat. De leerlingen hangen aan haar lippen. Ze bouwt de spanning op door te vertragen naarmate het moment van de zoen dichterbij komt. Ze geniet van de aandacht die haar ten deel valt, en begrijpt in één klap de macht van het woord.

    Portnoy studeert in Amerika letterkunde en Frans en vertrekt in 1950 met een Fulbrightbeurs naar Parijs. In die stad ontmoet en trouwt ze de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek. Via hem komt ze in contact met Nederlandse schrijvers (de Vijftigers) en schilders (Cobra) die na de Tweede Wereldoorlog naar Parijs zijn gegaan: op dat moment nog het centrum van de (kunstenaars)wereld.

    Portnoy studeert bij Claude Lévi-Strauss en Roland Barthes en werkt bij het International Theatre Institute van Unesco. In die tijd krijgt ze ook twee kinderen (Hepzibah en Gabriel). Ze verhuist in 1970 naar Den Haag waar haar echtgenoot af en toe opduikt, terwijl hij in de Parijse woning blijft wonen. Ze hebben een vrij huwelijk en beiden maken daarvan gebruik om er minnaars en minnaressen op na te houden. Ook dit deel van haar leven wordt volstrekt eerlijk verteld. Portnoy ontwikkelt zich in Den Haag tot een veelgelezen schrijfster waarbij ze put uit de vele volgeschreven archiefkaartjes.

    Ook na de scheiding van Kousbroek blijft hij aanwezig in het leven van Portnoy. Ze schrijft af en toe liefdevol over hem, maar soms ook vilein, bijvoorbeeld over de ruzie tussen Kousbroek en hun zoon Gabriel over haar mémoires (op z’n Frans geschreven) en de tekst die op haar grafsteen moet komen te staan. Portnoy is bang dat Kousbroek met de aantekeningen aan de haal gaat of dat Hepzibah alles naar het Letterkundig Museum (het huidige Literatuurmuseum) zal brengen. Daarom geeft ze het materiaal aan Jan de Rooy die het voor de hybride biografie heeft aangevuld met informatie uit de eerste hand van zoon Gabriel en van nog levende vrienden en vriendinnen.

    Terug naar Amerika

    Op 25 mei 2004 overlijdt Portnoy, 77 jaar en 77 dagen oud. Drie dagen later organiseren Hepzibah en Gabriel voor haar vrienden en vriendinnen een bijeenkomst om afscheid te nemen. Een dag later begeleiden haar kinderen haar naar New York waar ze op 30 mei tussen haar vader en moeder begraven wordt.

    De schrijfster

    1978 was een belangrijk jaar voor de schrijfster die Portnoy wil zijn: ze richt met Hanneke van Buuren en Hannemieke Postma het feministische tijdschrift Chrysallis op, een blad dat openstaat voor alle vrouwen die over literatuur en kunst willen schrijven. Het blad wil laten zien hoe vrouwen zouden kunnen schrijven als ze alle kansen kregen om dat te doen en zich kunnen bevrijden van opgeplakte verwachtingen. Hetzelfde jaar verschijnt haar toneelstuk Belle van Zuylen ontmoet Cagliostro én haar bekendste boek Broodje Aap waarin ze bizarre verhalen opdist die als waarheid gepresenteerd worden, maar waarvan iedereen wel kan weten dat het om verzinsels gaat. Het titelverhaal gaat bijvoorbeeld over een hotdog-verkoper die apenvlees in zijn hotdogs verwerkt zou hebben. De titel is een gevleugeld woord in het Nederlands geworden: een broodje-aapverhaal.

    Wonderland

    In het begin van het boek verklaart De Rooy wat hij bedoelt met het begrip wonderland uit de titel: Portnoy gaat van het leven genieten wanneer ze de wondere wereld van film, theater en literatuur ontdekt (met ongetwijfeld een verwijzing naar Alice). De ondertitel van het boek luidt: Hoe de Amerikaanse Ethel Portnoy een Nederlandse schrijfster werd. Portnoy schrijft namelijk in het Engels en haar teksten worden in het Nederlands vertaald door onder anderen Rudy Kousbroek en hun dochter Hepzibah. Dit is waarschijnlijk de reden dat ze – hoewel ze zich een Nederlandse schrijfster voelt – geen Nederlandse literatuurprijzen heeft gekregen. Wel krijgt ze in 1991 de Annie Romeinprijs van het feministische maandblad Opzij, een bekroning voor schrijfsters wier werk bijdraagt aan de ontplooiing, bewustwording en emancipatie van vrouwen.

    Op het omslag van de (auto)biografie staat een foto van Portnoy met zoon Gabriel. Dat Rudy Kousbroek verliefd is geworden op deze sprankelende vrouw hoeft geen verbazing te wekken. Het boek bevat een schat aan illustraties (waarvan de foto’s helaas in zwart-wit afgedrukt zijn). Het uitgebreide personenregister laat zien hoe innig haar leven verbonden is geweest met de culturele elite in Nederland. Uiteraard is iedereen in het register gealfabetiseerd op de achternaam, maar in de tekst worden vrienden en vriendinnen vaak aangeduid met uitsluitend hun voornaam. Gelukkig staan zowel hun voor- als achternamen op pagina 387 vermeld in het dankwoord zodat de lezer eenvoudig kan nagaan naar wie de voornamen Yolanda of Thérèse verwijzen.
    Blijft over de vraag: waar blijft de biografie van Rudy Kousbroek?

     

     

  • De schoonheid van het menselijk tekort

    De schoonheid van het menselijk tekort

    ‘Alles wat ze hadden is weg, verdwenen, kwijt. Maar wat ze niet hadden, is er soms wel’. Met deze raadselachtige, maar prachtige zin, sluit Jan Wijnen zijn verhaal Kwijt af in zijn onlangs verschenen bundel IJsvogelblauw. Het verwijst naar dementerende bejaarden in een verpleeghuis, die weliswaar het zicht op de werkelijkheid kwijtraken, maar zich een eigen gefantaseerde wereld creëren waarin begrippen als tijd, plaats en ruimte een andere betekenis krijgen. Jan Wijnen gaat echter een stap verder en betrekt dit niet alleen op dementerende bejaarden. Het gaat op voor alle mensen, aldus dramadocent Sonja in het verhaal Lichaamstaal, als zij zegt: ‘Niemand is zichzelf’, we zijn niet wie we denken dat we zijn. We spelen niet alleen toneel op toneel. En niet alleen voor anderen. We nemen net zo goed onszelf bij de neus. Dag in dag uit.’ Dit is een rode draad in zijn verhalen. De eenzaamheid van de mens op zoek naar liefde, zin en betekenis. 

    Deze eenzame wereld

    IJsvogelblauw is alweer de vijfde verhalenbundel van Jan Wijnen en hopelijk niet zijn laatste. Hij beheerst het métier als geen ander. Zijn verhalen zitten heel doordacht in elkaar en zijn geschreven in een kraakheldere stijl, geboetseerd lijkt het wel. Korte, rake zinnen zonder overbodige franje of bedwelmende beeldspraak. Zij bevatten altijd meerdere lagen. Het feitelijke verloop van de gebeurtenissen wordt ingebed in een breder maatschappelijk of filosofisch kader. Een mooi voorbeeld hiervan is het verhaal Do not pass this line. In dit verhaal reist een leraar op een School met de Bijbel naar India om te controleren of het ingezamelde geld voor een onderwijsproject aldaar wel op de juiste plaats is terecht gekomen. In het vliegtuig komt hij in contact met een man met wie hij een adres uitwisselt. Terug op school krijgt hij in zijn favoriete klas, waar hij zich vertrouwd voelt, te maken met vrijpostige vragen van een leerling of hij een fijne tijd heeft gehad in India. Gekscherend gaat hij hierop in. Kort daarna wordt hij bij de directeur op het matje geroepen. Of het gerucht klopt dat hij in de klas over seksualiteit heeft gesproken. Of hij weet dat dit verboden is op de school en dat hem dat zijn baan kan kosten. Wat doet hij? In dit verhaal komt de actualiteit aan de orde rond de vrijheid van onderwijs en het openlijk mogen uitkomen voor je seksuele geaardheid. Maar het gaat hier ook om de individuele keuzes die wij maken en de eenzaamheid die daarmee gepaard gaat. Hoewel deze elementen kenmerkend zijn voor het werk van Jan Wijnen is hij in zijn onderwerpkeuze heel gevarieerd. Hij tast als het ware voortdurend in allerlei situaties af waar de keuzevrijheid van de mens ligt en dus zijn eenzaamheid. In die zin is Wijnen een echte existentialist. 

    De schoonheid van het menselijk tekort

    Hoewel het boek wat stroef begint met het verhaal Kandinsky over een, misschien wat uitgekauwd thema van een man, die alle mogelijke idioterie uit de kast haalt om maar niet ontslagen te hoeven worden uit de psychiatrische inrichting, bevat het verder kleine juweeltjes van vertelkunst. Jan Wijnen heeft een mooie pen waarmee hij in staat is een breed register aan emoties los te maken bij de lezer. Buitengewoon ontroerend, maar ook spannend is het verhaal Nadine en de bedplassers. Je leest het in één adem uit en komt dan even rustig bij, terwijl je terugbladert om te zien of je geen details over het hoofd heb gezien. Je hebt voor het moment ook genoeg aan één verhaal. Het is als een smakelijk gebakje. Dat eet je langzaam op met kleine hapjes. 

    Meneer Pastoor is een tragikomisch verhaal en zeer gelaagd, waarbij je aan het einde als het ware vanzelf ga meedrinken met meneer pastoor en de hoofdrolspeler in het verhaal. Tenslotte het laatste verhaal, De lege bladzijde, een fraai slotakkoord van deze verhalenbundel, waarin Jan Wijnen de lezer voor de laatste keer confronteert met de schoonheid van het menselijk tekort in deze eenzame wereld.

    Hoed af!

    De droom van iedere schrijver is om zich, na het schrijven van korte verhalen, toe te leggen op het grote werk, het schrijven van een echte roman. Het korte verhaal blijft zo een ondergewaardeerd genre. Dat is niet terecht. Klasse en diepgang leggen in een kort verhaal, is een vak apart. Geen woord, geen zin mag ondoordacht het papier bevlekken. Dat vraagt vakmanschap. In dat opzicht is Jan Wijnen beslist een vaandeldrager van het genre en een van de meest originele schrijvers. Dit boek is eens te meer een proeve van zijn bekwaamheid. Hoed af!

     

  • Goed nieuws, slecht nieuws

    Goed nieuws, slecht nieuws

    Herinnert u zich de Salamanders? Een uitgestorven diersoort. Ooit kon je in elke boekwinkel terecht voor schrijvers en titels van vroeger, en vaak waren dat Salamanderpockets van Querido. Terwijl buiten de zomerjurken opwoeien en de regenwulpen overtrokken, ging je binnen fijn op zoek naar een Topper van Toen:  Marcellus Emants of Jan Mens, Daum of Menno ter Braak, Bordewijk of Willy Corsari, Vestdijk, Multatuli. Hoge en lage literatuur, ooit bestsellers, dan wel de minder bekende titels van schrijvers die ooit Groot waren.

    Contemporaine schrijvers vond je trouwens ook als Salamander, maar dan met de minder bekende titels: Mulisch met Drie verhalen, Doeschka Meising met Robinson. Het merendeel van de uitgaven was oorspronkelijk Nederlands. In 1996 was het gedaan met het sympathieke beestje.

    Waar kunnen we nog terecht voor de boeken van weleer? Enkele auteurs zijn gewoon nog verkrijgbaar (Elsschot, Nescio; wanneer is een auteur eigenlijk van vroeger?). Af en toe verschijnt met de nodige tamtam een ‘ontdekking’ (Ida Simons, Dola de Jong), de actie Nederland Leest van de Openbare Bibliotheken blaast eens per jaar een al of niet ten onrechte vergeten titel nieuw leven in (De grote zaal van Jacoba van de Velde). Maar een permanente beschikbaarheid van de boeken waarover je hoort op school en leest in de literatuurgeschiedenissen, om maar een simpel criterium te noemen voor de selectie, kennen we in Nederland niet.

    Nu het goede nieuws. Uitgeverij Aspekt is begonnen met een Klassieke Reeks. Daarin is als deel 1 verschenen De opstand van Guadalajara van J. Slauerhoff.

    Slauerhoff: de scheepsarts, de zwerver, de verdoemde dichter, bewonderd door grote namen als Ter Braak, Hermans en Nooteboom. De laatste heeft bij deze uitgave een nawoord verzorgd, waarin hij o.m. de historische achtergrond van het verhaal schetst.

    Waarom is juist voor deze kleine roman gekozen? Het gegeven is prachtig: een ontwortelde zwerver, gedroste zeeman, doorkruist als glaszetter het barre Mexicaanse platteland en wordt op een dag aangezien voor de Messias. Hij laat het zich welgevallen en valt ten prooi aan de hartstochten en de machinaties van de sloebers die van de komst van de Verlosser beter hopen te worden. Dat loopt niet goed af. Een vernietigende natuur, een achterlijke kerk, corrupte politici, revolutionairen met een dubbele agenda, heimwee naar een mythisch Mayaverleden – Slauerhoff kwam nooit verder dan de Mexicaanse havens maar hij wist zijn stof te kiezen.

    Aanvankelijk zou het boek ‘Christus in Guadalajara’ heten.

    In een nawoord bij de vijfde druk van De opstand… (1983) vertelt Kees Lekkerkerker, de bezorger van Slauerhoffs Verzameld Werk, hoe de schrijver aan zijn materiaal kwam. Slauerhoff putte voor zijn Mexico in de jaren ’20 met name uit een vervolgverhaal in De aarde en haar volken uit 1880 over Colombia. Eveneens ging hij te rade bij een ‘Mexicaanse revolutieroman’ die hij aan het vertalen was. Lekkerkerker merkt droog op: ‘geografische nauwkeurigheid mogen we van Slauerhoff allerminst verwachten’ en ‘Historische precisie streefde hij evenmin na’. Hij staaft zijn uitspraken met afdoende voorbeelden.

    We hebben hier dus te maken met de werkwijze van Karl May: een exotisch verhaal op basis van populaire lectuur, gangbare stereotypen en de dikke duim van de schrijver. Kan het resultaat iets anders zijn dan kitsch? Het veelvuldig gebruik van Spaanse woorden ter verhoging van de couleur locale maakt het er niet beter op (een verklarend woordenlijstje ontbreekt).

    Nooteboom op zijn beurt stelt dat Slauerhoff ‘een feilloos instinct (had) voor het tegelijkertijd archaïsche en anarchistische, corrupte en revolutionaire Mexico van de jaren twintig’. Zó feilloos was dit instinct, aldus Nooteboom, dat Slauerhoff ‘intuïtief het monsterverbond (heeft) aangevoeld dat zich na zijn dood in verschillende vormen zou herhalen (het Molotov-Ribbentrop-pact, mei ’68, toen de communisten weigerden de studenten te steunen (…).’

    De eerste druk van De opstand van Guadalajara verscheen nadat Slauerhoff was overleden, in 1937. Hij had er veel werk aan gehad maar, het hoge woord moet er nu maar uit, het was en blijft een mislukking. Toen hij het aanbood voor publicatie in Groot Nederland gaf Greshoff niet thuis, en terecht. De taal is lelijk, hakkelend, en niet doeltreffend. Dat laatste wreekt zich onder meer in het feit dat bij verwijzingen telkens opnieuw niet meteen duidelijk is naar wie wordt verwezen (‘Hij wist niet…’ Wie ís die ‘hij’? Even teruglezen. De priester of de hereboer? O nee, het is de glaszetter.)

    Deze vertelling lijkt niet meer dan een uiterst schetsmatige kladversie. Het verhaal bevat onvolkomenheden, Nooteboom wijst erop, en voor hem behoren ze tot ‘de aantrekkingskracht van zijn werk’ en hij wijt ze aan Slauerhoffs ‘notoire slordigheid’. Dat was inderdaad Slauerhoffs reputatie: ‘slordigheid van compositie’, waarmee hij overigens ‘bijzondere effecten’ teweegbracht, aldus Albert Helman in diens voorwoord bij het Verzameld Proza. Maar die reputatie leeft niet meer en de hedendaagse lezer ergert zich alleen maar aan het onverklaarbare gedrag van de bisschop van Guadalajara omdat niemand hem heeft verteld dat de arme man een beroerte heeft gehad, een verteltechnische stommiteit die Nooteboom grootmoedig onder de ‘bewonderenswaardige ongerijmdheden’ van het werk schaart.

    Had Slauerhoff het maar kunnen herschrijven, dan hadden we mogelijk werk gekregen van het kaliber van Het leven op aardeHet verboden rijk en Schuim en As.

    Want het centrale gegeven mag er zijn: het uitzichtloze bestaan van de verworpenen der aarde, een sprankje hoop, illusies, moedwil en misverstand, een volslagen deceptie. Van dit verhaal zou een prachtige film zijn te maken.

    De volgende delen in deze reeks zijn nog niet bekend. Laten we hopen dat het er vele zullen zijn en dat de reeks een commercieel succes wordt. Misschien dat een iets mooiere verzorging en wat minder drukfouten daaraan kunnen bijdragen. En op voor- en achterkant níet viermaal de naam van de schrijver van het nawoord tegen slechts tweemaal de naam van de auteur a.u.b.

     

     

    De opstand van Guadalajara

    Auteur: J. Slauerhoff
    Nawoord door: Cees Nooteboom
    Verschenen bij: Uitgeverij Aspekt
    Aantal pagina’s: 122
    Prijs: € 17,95

  • Biografie over ‘ongepolijste’ schrijver

     

    Er zijn verschillende biografieën verschenen over de Amerikaanse schrijver Jack London (1876-1916); hieraan heeft onze landgenoot Hans Dütting (1947) er in 2014 eentje toegevoegd onder de simpele titel: Jack London.

    Dütting heeft meerdere biografieën geschreven, o.a. over Jan Cremer; hij was tot zijn pensionering als medewerker verbonden aan het Letterkundig Museum in Den Haag. De werkwijze van de biograaf is als volgt. Hij opent met een chronologie van het leven van Jack London. Op zich niets bijzonders, dat doen wel meer biografen. Maar Dütting doet dat heel strikt – jaartalsgewijs – bovendien vermeldt hij per jaartal diverse belangrijke gebeurtenissen.

    Voorbeelden: 1882: Jack London bezoekt de lagere school. De schrijver Robert Louis Stevenson publiceert Treasure Island. 1890: Jack maakt zijn school af en gaat werken in een conservenfabriek waar zalm wordt ingeblikt. Vincent van Gogh pleegt zelfmoord. 1896: Jack verlaat de middelbare school en wordt toegelaten tot de universiteit van Californie. Theodor Herzl publiceert zijn boek Der Judenstat, de aanzet tot het georganiseerde Zionisme.

    De vroege jeugd van Jack verloopt – evenals de rest van zijn korte leven – stormachtig en avontuurlijk. Essentieel, al in zijn lagere schooltijd, is dat hij wordt gegrepen door de literatuur, mede onder invloed van de bibliothecaresse en dichteres Ina Coolbrith. Zijn hartstocht voor boeken laat hem nooit meer los. En vanaf zijn middelbare schooltijd (1895 in Oakland, Californië) publiceert hij korte verhalen en artikelen, al verloopt dat proces aanvankelijk moeizaam en zonder noemenswaardige inkomsten. Hij heeft dan al (in 1893) een carrière als matroos achter de rug aan boord van een schoener, die via o.a. Hawaï de Beringzee bezoekt. Terug in Californië werkt hij in een jutefabriek. Hij krijgt in een wedstrijd voor jonge schrijvers de eerste prijs (25 dollar) voor zijn verhaal ‘Story of a Tyfoon off the Cost of Japan’.

    In 1896, dus op 20-jarige leeftijd, sluit hij zich aan bij de Socialist Labor Party. Voor deze partij stelt hij zich tweemaal kandidaat voor het burgemeesterschap van Oakland, doch beide keren tevergeefs.

    Het jaar daarop verlaat hij de universiteit en besluit hij zich volledig aan de literatuur te wijden. In hetzelfde jaar wordt bekend, dat er in Klondike, in het uiterste noorden van Canada, goud is gevonden en dus vertrekt de avontuurlijke London naar Klondike. Maar veel goud vindt hij daar niet en terug in Oakland verkoopt hij zijn schamele hoeveelheid goud voor 4 dollar 50! In deze periode doet hij in gesprekken in kroegen inspiratie op voor zijn bestseller The Call of the Wild. Het boek werd aanvankelijk – in 1903 – als feuilleton in de Saterday Evening Post gepubliceerd. Toen het in boekvorm verscheen verkocht London de rechten – uit geldnood – voor 2000 dollar aan de uitgever. Daarna werden er miljoenen exemplaren van verkocht! Het boek is altijd in druk gebleven. Het werd een klassieker, die tot op de huidige dag op Amerikaanse middelbare scholen verplichte literatuur is. Er verschenen meer dan 60 vertalingen. In het Nederlands onder de titel: Als de natuur roept.

    Het succes van het boek kan worden verklaard door een ongewone opzet: de goudkoorts wordt gezien door de ogen van Buck, een sledehond. De goudzoekers in dat onherbergzame gebied kregen te maken met een verschrikkelijk klimaat, waarin sledehonden uiterst waardevol waren. De gokverslaafde baas van Buck verkoopt de hond aan weinig zachtzinnige hondentrainers, die hem met knuppels africhten om hem daarna naar het koude noorden te sturen. Hier komt de sledehond in opstand en weigert verdere diensten. Een goudzoeker ontfermt zich over hem; de instincten van zijn voorouders worden geleidelijk, tijdens lange tochten door het woud, sterker en wanneer zijn baas door Indianen is vermoord, geeft hij toe aan een lokroep: hij sluit zich aan bij een troep wolven. Maar toch: een keer per jaar keert hij terug naar de plaatst waar zijn baas werd vermoord. En nog eenmaal huilt hij daar heel hard als eerbetoon aan een goede baas. Het gigantische succes van Call of the Wild vestigde Londons naam als schrijver.

    Hij heeft er zijn leven ook alleszins naar ingericht: hij werd een uitermate productieve auteur, die in tijdschriften en boeken – 50 stuks maar liefst, terwijl de auteur maar 40 jaar oud werd – zijn mening weergaf over uiteenlopende onderwerpen als inkomensproblemen, carrièremogelijkheden, onderwijs, cultuur/religie/moraal van andere volken, liefdadigheid, huwelijksproblemen en echtscheiding. Dit laatste aspect kende de auteur uit persoonlijk ervaring: nadat hij op 24-jarige leeftijd trouwde met Elisabeth Maddern (‘Bess’) bij wie hij al gauw twee dochters kreeg, werd hij drie jaar later weer verliefd op zijn vroegere vriendin Charmian Kittredge, scheidde van zijn vrouw en trouwde met zijn vriendin, die tot zijn dood bij hem bleef. Van de talloze boeken die London schreef mogen er enkele niet onbesproken blijven. Met The Sea-Wolff (1904) sloot hij zich aan bij een aantal schrijvers van zeeverhalen als Edgar Allan Poe en Herman Melville.

    In 1908 schreef de oude socialist in hem het boek The Iron Heel, een vernietigende aanklacht tegen het kapitalisme van zijn tijd en tevens een belangrijke bijdrage aan de ophanden zijnde economische revolutie. De kringen, die in hem – terecht-  het grote literaire talent van Californië zagen deden zijn  socialistische theorieën graag af als een gril van voorbijgaande aard. Maar dat deed niets af aan het feit dat hij – in het kader van de klassenstrijd – ook waarschuwde voor de gevaren van het fascisme. Het begin van de 20ste eeuw liet dat in zekere zin al zien.

    In het voorjaar van 1913 was Jack London de bekendste en best betaalde schrijver ter wereld maar in weerwil van zijn verbluffende literaire productie kende de schrijver periodes van zwaarmoedigheid. Hij twijfelde dan aan zijn werk, aan het socialisme, aan de ranch die hij had laten bouwen, aan zijn vrienden, aan zijn met verve verdedigde recht op zelfmoord etc. Tijdens deze depressies, die hij voor iedereen verborgen probeerde te houden, dronk hij enorm veel, schold hij met dikke tong en zocht hij ruzie. Maar hij zou zichzelf niet zijn geweest als hij dit niet zou hebben opgeschreven en dat leverde de autobiografisch roman John Barleycorn op. Het werd een klassieker over het alcoholisme, zelfs zodanig dat het een van de leidende factoren werd waardoor in 1919 in de VS het algehele alcoholverbod tot stand kwam, de zogenaamde drooglegging.

    In zijn laatste roman The Star Rover (1915) beschrijft London de ervaring van iemand die in een beruchte eigentijdse gevangenis was gemarteld. Er werd een beeld geschetst van het verschrikkelijke leven, zoals ooit beleefd door een ex-gevangene, die daarbij hallucinaties kreeg over dramatische episodes uit een verre geschiedenis. Deze verschillende periodes van het verleden boden de schrijver de gelegenheid om kritiek uit te oefenen op leven en moraal van de eigentijdse maatschappij.

    Jack London overleed op 22 november 1916. Zijn dood schokte de VS én Europa. Omdat bewezen werd, dat hij kort vóór zijn overlijden morfine had gebruikt houden veel van zijn biografen het op een zelfmoord door een overdosis. Maar de betrouwbaarsten onder hen, waaronder één van zijn dochters achtten dat onwaarschijnlijk. Hij zat namelijk tot zéér kort voor zijn dood vol enthousiaste plannen voor nieuwe boeken, reizen en het kopen van uitbreidingsgrond voor zijn ranch. Men houdt het meer op uremie als doodsoorzaak, een gevolg van nierfalen. Biograaf Hans Dütting sluit zich hierbij aan. Hij concludeerde in zijn biografie terecht, dat toen later geraffineerder en meer gepolijste schrijftechnieken in zwang kwamen er voor een ‘ongepolijste’ schrijver als Jack London altijd een plaats zal blijven bestaan; zijn werk blijft springlevend.

     

  • Gelukkige liefde bestaat niet 

    Gelukkige liefde bestaat niet 

    Al snel wordt duidelijk wat het thema van Kroniek van een bange liefde van Trudy Kunz is: ‘Gelukkige liefde bestaat niet, net zo min als er een gelukkig leven bestaat: er bestaan alleen gelukkige momenten. Het is alleen zo jammer dat je vaak pas achteraf ziet welke dat waren.’ (24)

    Elisabeth Arntz is journaliste. Zij is goed in haar werk, zelfstandig en vol zelfvertrouwen. Behalve in de liefde. Op dat gebied is ze onzeker en afhankelijk. Elisabeth blikt terug op haar leven en liefdes. Deze roman is eigenlijk een lange brief aan Mark, met wie zij al zo’n twintig jaar een relatie heeft. Ze kan maar moeilijk met deze lastige man leven, maar zonder hem leven is geen optie.

    Elisabeths afhankelijkheid is extreem. Ze geeft zich volledig aan haar geliefde over, zonder zich af te vragen of ze eigenlijk wel verliefd is of van hem houdt. Na het verbreken van een eerdere lange relatie is ze haar mening en gevoel totaal kwijt. Ze is zo verward en gedesoriënteerd dat ze bij de huisarts eindigt en de eerste pillen zijn een feit. Gedurende het boek neemt haar zelfinzicht wat toe: ‘Ik ben zo iemand die in paniek is omdat degene bij wie zij zich veilig waande zich plotseling van haar heeft afgekeerd.’ (88). En dat afkeren kan de kleinste afwijzing zijn. Elisabeth gelooft bij iedere irritatie of ruzie dat zij degene is die het verprutst heeft.

    Door haar afhankelijkheid van Mark, die lastig in de omgang is, vervreemdt ze van familie en vrienden. ‘Maar hoe ik mijn gedrag ook aan jouw verlangens aanpas, er is steeds minder voor nodig om je ergernis op te wekken.’ (140) Ze wringt zich in steeds meer bochten en raakt zichzelf daarbij kwijt. Toch is alleen al de gedachte dat deze relatie eindigt genoeg voor een pure paniek. Ondanks feedback van vrienden. Een vriendin zegt haar: ‘Jij bent zo zelfstandig als wat, je verdient je eigen geld, je hebt succes, reist de hele wereld over- jij zou moeten overlopen van zelfvertrouwen. Maar uitgerekend jij laat je aanpraten dat je niet goed bent zoals je bent.’ (150)
    Maar er verandert niets. Voor Elisabeth is liefde een verslaving die haar ten gronde richt, enkel uit angst om alleen te zijn.

    Het boek is anekdotisch, de gedachten en gevoelens van Elisabeth staan centraal. Dit gaat zo ruim 200 pagina’s door zonder dat er een andere, actieve verhaallijn is en dat maakt de hoeveelheid emotie wel erg overweldigend. Elisabeths afhankelijkheid en hulpeloosheid worden aanvankelijk authentiek en ontroerend geschetst. Maar naarmate het verhaal vordert en zij steeds neurotischer overkomt, ben je als lezer geneigd te roepen: ‘Neem nu eindelijk eens zelf een beslissing. Kom eindelijk eens voor jezelf op.’  Aan het einde van haar periode van zelfreflectie komt Elisabeth tot het inzicht dat haar problemen voortkomen uit haar jeugd. Enerzijds een plausibele verklaring, anderzijds ook een makkelijke een reden om niet zelf de verantwoordelijkheid te hoeven nemen als je alles kunt afschuiven op een labiele moeder.
    Ondanks de overdaad aan gevoelens is het boek vlot en toegankelijk geschreven.

    Kroniek van een bange liefde is de debuutroman van Trudy Kunz (1947). Jarenlang was zij verslaggeefster van Libelle, vermoedelijk zullen Libelle lezeressen dit boek met plezier lezen.

     

     

  • Nooit tevreden

    In september 2010 kwam Jef Rademakers in het nieuws met zijn 19e eeuwse kunstcollectie die in de Hermitage van Sint Petersburg werd tentoongesteld. Een prachtige collectie van Romantische kunst. Daarvoor was Rademakers vooral bekend als televisiemaker. Hij lanceerde diverse programma’s op de Nederlandse tv, waaronder in 1978 De Geloof, Hoop en Liefde show. Dat Rademakers ook gedichten schrijft is minder bekend.

    Onlangs kwam zijn derde dichtbundel Voorgoed voorbij uit. Rademakers schreef deze gedichten tussen 1998, het jaar dat zijn voorlaatste bundel Vurige tongen uitkwam en 2010. Het leverde een bundeling op van tweeënvijftig gedichten van wisselende kwaliteit en met dezelfde thema’s als in zijn voorgaande bundels, zo schrijft Rademakers zelf in een Ten geleide. Die thema’s zijn God, zijn vader, de hoeren, drank en de dood. Rademakers houdt zich niet op in het dichterscircuit, is geen podiumdichter. Hij is er ook wars van, al dat dichterlijk vertoon, getuige het volgende gedicht:

    ‘DICHTER DES VADERLANDS
    Wie meedoet aan een dichtwedstrijd
    En fraaie verzen afscheidt over oorlog,
    onrecht en het lot der allochtonen

    Die zullen ze belonen. Hij krijgt wat geld
    en diep respect want hij is aardig en taalvaardig
    en politiek ook zo correct

    Doch, wie het leed van anderen zo edelmoedig
    stelt boven zijn eigen klein verdriet,
    is niet de tolk van gans het volk:
    mijn soort van dichter is hij niet’

    De gedichten lezen snel, je weet als lezer direct waar het over gaat, waardoor ze niet echt verrassen. Deze gedichten gaan, meer nog dan over God of de liefde, vooral over verlangen naar wat geweest is en men kijkt nooit vooruit. ‘ (…) Ik ben gehecht aan dat soort dingen: dromen, geuren en herinneringen.’ Als je dat eenmaal weet, wordt het zeer voorspelbaar. Rademakers zelf blijft op afstand in zijn gedichten en dat is opmerkelijk omdat hij toch vooral over zichzelf schrijft. En waar het persoonlijke geëtaleerd wordt, bekruipt je gelijk een gevoel van gene, omdat het er zo dik bovenop ligt, zoals in:

    ‘DE ZIN, DE DRANK, HET HUWELIJK
    s’Avonds heb ik het hoogste woord.
    Ik ga als onderwerp naar bed, maar
    word als lijdend voorwerp wakker.

    In het ochtendlicht zie ik mijn vrouw
    met vreemde ogen:
    ik herinner mij niets van het gezegde.

    Ik ken geen derde persoon,                                                                                                                                                                                                                           alleen de kater en ik.
    Vanavond ga ik verder
    waar ik gebleven ben: proost!
    Vaders lul is moeders troost.’

    Rademakers koketteert ook graag en veelvuldig met de dood en zijn onvermogen gelukkig te zijn. Geloof je de dichter, dan wil hij liever vandaag dan morgen dit aardse leven verlaten en staat hij er vierentwintig uur per dag voor klaar, zonder overigens hier zelf de hand in te willen hebben. Er spreekt een speelsheid uit zijn gedichten waarmee hij de werkelijkheid schijnbaar wil ontvluchten, maar tegelijkertijd om aandacht schreeuwt: ‘( …) Ik stempel: telkens weer een halfgelukte / druk van ik, ik, ik. / Ik maak mijzelf waar. / Lees mij! Koop mij! Neem mij!’ Een speelsheid die ook tot vertedering leidt:

    ‘EERSTE LIEFDE
    Vanwaar die mengeling van rust en wellust
    waarmee ik mij des avonds
    geheel alleen laat glijden
    in dit ruim bemeten ledikant?

    Geheim genot van schone lakens,
    dekens en een gehaakte sprei
    waaronder vroeger oma lag.
    Meestal alleen, maar soms met mij.

    Want in augustus ging ik daar logeren.
    Kleinzoon en weduwe, een winning team
    in bed. Niets kon ons deren.

    Wij lachten om de oorlog en de dood.
    Het enige einde dat wij vreesden
    was dat van de vakantie.’

    Je kunt je af vragen of de schrijver het zo bedoeld heeft, maar uit deze strofen spreekt een sfeer van sterke verbondenheid tussen een oma en haar kleinkind, een verbondenheid die heel de wereld buiten sluit. Het is van een mooiheid, die door de onschuld in die laatste strofe de vertedering wekt. Zoals Rademakers zelf in zijn Ten geleide toegeeft: is zijn ambitie beperkt en lijkt hij op een klein kind dat bij eb zandkastelen maak, zijn ouders roept om zijn werk te komen aanschouwen en wat de vloed daarna zal aanrichten, hoeft hij niet te weten. Daar kan nog aan toegevoegd worden dat de persoon uit Rademakers gedichten soms lijkt op een verwend jongetje dat na zijn verjaarsfeestje verveeld en misselijk naar bed gaat, en nooit tevreden is met wat hij heeft gekregen, omdat alles immers Voorgoed voorbij gaat.

     

     

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Gays, Lesbo’s en Bi’s in de filmstad

    Het is een beetje een afgekloven onderwerp: filmsterren, die homo of lesbo waren, maar dat krampachtig verborgen wensten te houden, mede ingegeven door de contracten, die ze zelf hadden ondertekend. Wel biedt dit onderwerp stof om eens flink uit te pakken over het Sodom en Gomorrha dat Hollywood decennia is geweest en wie weet, nog is. Inmiddels zijn veel van de geheimen van veel sterren al onthuld en waar Adrian Stahlecker, de weinig begenadigde schrijver van dit boek, mee aankomt, biedt weinig nieuws. We wisten al dat Rock Hudson en Anthony Perkins, maar ook Montgomery Clift op het witte doek geweldige macho’s probeerden te verbeelden, maar in werkelijkheid radeloos aan het cruisen waren op zoek naar mannen om sex mee te hebben, veelal naast hun fakehuwelijk.

    Toen het roddelblad Confidential in de jaren vijftig, de privégeheimen van de sterren begon prijs te geven en haar oplages tot duizelingwekkende hoogtes zag stijgen, gingen vele ontmaskerde sterren nog meer aan de pillen en de drank, om hun schaamte te verbergen. Dat lijkt leuke verhalen op te leveren, maar hier wreekt zich de opzet van het boek: veel, heel veel korte biografietjes in een tante-betje stijl geschreven en bovendien – helaas – uitpuilend van spelfouten. Nergens krijgen we diepgaande analyses of achtergrondfeiten voorgeschoteld.

    Toch staan er ook wel aardige dingen in het werk. Zoals het verhaal over Rodolfo Alfonso Raffaello Filiberto Guglielmi di Valentina d ‘Antonguolla, beter bekend als Rudolf Valentino. Hij klom op van gigolo tot danser en uiteindelijk tot filmsymbool. Hij trouwde met een lesbische danseres, maar hun huwelijk was geen succes en door Russische actrices en dansers werd hij in bescherming genomen, vooral tegen zichzelf. Hij was extravagant en joeg er enorme sommen geld doorheen. Toen hij stierf pleegden mannen en vrouwen zelfmoord. Nurejev zou later de hoofdrol spelen in een film over Valentino.

    Aan het eind van het boek belanden we in de roerige jaren zestig en zeventig, wanneer aids begint toe te slaan en de homo’s en lesbo’s steeds openlijker voor hun geaardheid uitkomen zoals het stijlicoon Liberace, die in hotpants optrad en nichterige concerten gaf, gekleed in glinsterende capes en met om iedere vinger minstens drie ringen. Ooit geweten dat Dr. Kildare (Richard Chamberlain) homo was? Is het erg belangrijk? Er zijn ook wielrenners, voetballers, scheidsrechters en zwemsters, politici, die homo of lesbo zijn, maar over hen is gelukkig nimmer een boek gepubliceerd. Daarvoor is het thema toch te dun.

    Het andere Hollywood

    Gays, Lesbo’s en Bi’s in de filmstad
    Auteur: Adrian Stahlecker
    Verschenen bij: uitgeverij Aspekt
    Prijs: € 22,95