• Liefdevolle lessen van een stervende zus

    Liefdevolle lessen van een stervende zus

    Wie zonder enige voorkennis begint in Lentekind, kan lang de indruk hebben dat dit debuut van Harmen van Liemt enkel een coming of age-roman is van protagonist Woody Cohen. De proloog beschrijft de moeilijke bevalling waaruit hij wordt geboren. We volgen hem tot hij een jaar of zeventien is, maar dan zwenkt halverwege de roman het verhaal vooral naar de liefdevolle relatie met zijn zus Lara. Nog altijd is Woody’s persoonlijke groei het hoofdthema, maar die staat nu in directe relatie tot de omgang met de kanker van zijn twintigjarige zus.

    Het gezin Cohen wordt ondanks de nodige strubbelingen sowieso als een warm thuis beschreven met de ouders Simon en Lydia en, naast zus Lara, Woody’s oudere broer Ben. Door die wending halverwege kan de roman ook gelezen worden als een eerbetoon aan de zus. Zij is het lentekind uit de titel. Ze is in het voorjaar geboren en de lente is haar geliefde seizoen.

    Dan blijkt ook dat de indeling van de roman in vier delen, Lente, Zomer, Herfst en Winter alles te maken heeft met de ernstige ziekte van Lara die vier jaar duurt. Bij haar wordt longkanker geconstateerd als ze twintig is. Tot drie keer toe lijkt ze te herstellen, maar uiteindelijk sterft ze toch op haar vierentwintigste met het gezin om haar heen. Dat ziekteproces wordt in het deel Herfst beschreven in vier subdelen of cycli, die steeds uit één hoofdstuk bestaan.

    Autobiografische roman

    In dit deel wordt tevens duidelijk dat Lentekind in hoge mate autobiografisch is. Auteur Harmen van Liemt is de jongste broer van Floor van Liemt, die op haar twintigste longkanker kreeg en vier jaar later stierf. Zij publiceerde zelf in 2018 over haar ziekte Witte raaf – Je bent twintig en krijgt longkanker (begonnen als blog voor NRC) en stierf, net als Lara in Lentekind, op Oudjaarsdag 2021. Haar boek werd hier besproken.
    Beide boeken kregen hetzelfde motto mee van Hiëronymus van Alphen: ‘Ik ben een kind / door iedereen bemind / en voor het geluk geboren’. Lentekind werd bovendien opgedragen aan Floor. De seizoenen zijn op meer plekken een verbindende factor tussen Woody en Lara. Bij de geboorte van Woody beeldt zijn moeder zich in dat ze De Vier Jaargetijden dirigeert en als Lara en haar jongste broer in Florence zijn, bezoeken ze het Uffizi en vertelt zij, staande voor La Primavera
    van Botticelli, over de Metamorfosen van Ovidius.

    Lentekind is een eerlijk verslag van de geestelijke strijd van een opgroeiende jongen die aarzelend zijn homoseksualiteit ontdekt en van zijn zus leert echt te gaan leven. Eén van de mooiere verbindingen tussen de twee is dat zij beiden niet willen samenvallen met het etiket dat de omgeving hen opplakt. Woody is homoseksueel, maar wordt boos als iemand doet alsof dat zijn identiteit uitmaakt, net zoals Lara niet haar ziekte wil zijn, maar de vrouw Lara. Tegen het einde van haar leven gaat ze nog een liefdesrelatie aan met een man omdat daten met onbekenden voor haar voelt als beginnen met ‘een schone lei’.

    Chronologische opbouw

    Het kent een strikt chronologische opbouw. Dat doet de roman niet altijd goed. Door die werkwijze worden veel voorvallen uit het dagelijkse leven van Woody in opeenvolgende jaren verteld, zonder dat duidelijk wordt hoezeer die ervaringen hem in zijn latere leven vormen (uitzonderingen zijn gesprekken met theaterman Thibaud en met Valentijn, een vriend van zijn vader met wie Woody een tijd een seksuele relatie had) of welke repercussies deze hebben voor hem of andere personages. Een voorbeeld daarvan is de rol van het Joodse geloof. Vader is Joods, maar niet belijdend. Als een (vrouwelijke) rabbijn na een gesprek met Lara aan hem vraagt met zijn dochter over leven en dood volgens de Thora te spreken, wil hij dat niet. Daarop zegt ze hem dat dat niet haar wens is, maar die van Lara. Vervolgens wordt de lezer echter onthouden waartoe deze verwikkeling leidt.
    De auteur ontkomt er af en toe niet aan minder fraaie formuleringen te gebruiken als, ‘Toen de deur openging, voelde hij dat het zijn moeder was, en dat klopte ook’. Of: ‘Tranen stroomden over haar wangen, ontlading van zoveel emoties door elkaar’. Lentekind had iets meer ‘show, don’t tell’ kunnen gebruiken.

     

     

  • Een kwellend vraagteken

    Een kwellend vraagteken

    Een ‘armzalig leraartje wiskunde op het Frans Lyceum’ wordt ontboden bij de Franse consul in Grianta, de hoofdstad van een niet nader genoemd Afrikaans land dat vroeger een kolonie was van Frankrijk. Hij krijgt van hem de opdracht te achterhalen wat er gebeurd is met de spoorloos verdwenen detectiveschrijver Robert Serval, pseudoniem van Stéphane Réal. Het ‘leraartje’ (wiens naam Veyraud veel later maar één keer terloops wordt genoemd) zou hem moeten kennen van de middelbare school in Étampes. De consul geeft Veyraud een envelop met een manuscript mee van Serval, waarin volgens die schrijver zelf de oplossing van zijn mysterieuze verdwijning te vinden zou zijn. Alsof dat niet raadselachtig genoeg is blijkt Veyraud zich bovendien niemand te herinneren met de naam Stéphane Réal. Met die gegevens in amper veertien pagina’s wordt de lezer door Georges Perec zijn onvoltooide laatste roman “53 dagen” (de aanhalingstekens zijn essentieel) in getrokken.

    Wie niets van Perec weet zal snel verzanden in de complexe verhaallijnen. Voor liefhebbers van zijn werk is diens zwanenzang een ware lusthof. Om er ten volle van te kunnen genieten zijn kennis van de belangrijkste autobiografische gegevens van de schrijver en van zijn liefde voor het onderuithalen van verwachtingen en zijn ingenieuze spel met taal en intertekstuele verwijzingen onontbeerlijk. Door zijn longkanker kon Perec die in 1982 stierf de roman niet afmaken. Twee van zijn beste vrienden, Harry Mathews en Jacques Roubaud, bezorgden zeven jaar later echter een uitgave die vanaf de plek waar Perec de pen moest neerleggen is aangevuld met aantekeningen die in allerlei nagelaten mappen, cahiers en kladvelletjes werden aangetroffen. De twee waren net als Perec lid van OuLiPo, de werkplaats voor potentiële literatuur, die zich toelegde op het schrijven van teksten waarbij de auteur zich vooraf allerlei contraintes (strenge verboden en schema’s) oplegde.

    Stendhal

    Eén van de vele contraintes was dat Perec de roman wilde schrijven in 53 dagen, de tijd die Stendhal nodig had gehad voor zijn De Kartuize van Parma. Stendhal, pseudoniem van Marie-Henri Beyle, schreef die roman in 1839. Hij bestaat uit achtentwintig hoofdstukken.
    Naast de – niet gehaalde – opzet om zijn roman in 53 dagen te voltooien volgt Perec in “53 dagen” ook de indeling van Stendals roman in achtentwintig hoofdstukken, verdeeld in twee delen en begint hij de zinnen van elk hoofdstuk met een echo van de beginzinnen van het gelijkgenummerde hoofdstuk van De Kartuize van Parma. Hoofdstuk V bijvoorbeeld van Stendhals werk begint (in de Nederlandse vertaling van Theo Kars) met ‘Het hele avontuur had nog geen minuut geduurd’ en dat van Perec met ‘Dit hele avontuur eindigt met een kwellend vraagteken’.

    Het eerste deel is bij Perec getiteld 53 dagen (een titel die op het omslag een citaat is van de naam van dat deel en daarom als romantitel tussen aanhalingstekens staat) en het tweede deel Un R est un M qui se P de L de la R. In het Nederlands is die Franse titel intact gebleven omdat het een code is die de speurder dient te ontcijferen. Die blijkt te moeten worden gelezen als ‘Un Roman est un Miroir qui se Promène le Long de la Route’ (een roman is een spiegel waarmee men langs de weg wandelt). Dat is weer een parafrase van het motto van hoofdstuk XIII van Het Rood en het Zwart van Stendhal. Dat motto stond voor diens credo dat de roman de werkelijkheid dient te weerspiegelen. Ook die spiegeling is in Perecs roman voortdurend aanwezig, zij het dat die bij hem lang niet altijd de werkelijkheid betreft. Perec spiegelt voortdurend woorden en romans van anderen in “53 dagen.

    Paspoort

    Dat zijn nog maar de meest opvallende verwijzingen. Het is voor de Perecliefhebber een heerlijke puzzel om er nog veel meer te ontdekken. Er zijn er legio. Zo komt in het tweede deel een professor Shetland voor, een anagram van Stendhal; Veyraud is wiskundeleraar in de stad Grianta, wat waarschijnlijk weer een letterkeer is van de Romeinse naam van Stendhals geboortestad Grenoble, Gratian(opolis); er is een verwijzing naar het (fictieve) Marhenbey-schandaal, waarvan de naam is samengesteld uit de letters MAR(ie) HEN(ri) BEY(le), Stendhals burgerlijke naam.
    Dergelijke verborgen hints zitten ook in cijfers. Het paspoort van één van de personages heeft nummer 233184259, wat te lezen is als 23-3-1842 (de geboortedatum van Stendhal) en 59 (de leeftijd waarop hij stierf.

    Namen en nummers verwijzen een aantal keren naar figuren uit romans van anderen, maar vooral ook naar Perecs eigen leven en werk. De meest uitgebreide zien we in het tweede hoofdstuk waarin Veyraud aan de hand van een foto van klas 4B in Étampes probeert te ontdekken of er ene Stéphane Réal bij was. Perec zelf zat enkele jaren op het lyceum in Étampes en de beschrijving van de foto die Veyraud geeft doet erg denken aan die van klas 3B van Perec zelf die voorkomt in de biografie A Life in Words van David Bellos.
    Uit de nagelaten aantekeningen die Mathews en Roubaud vonden, blijkt verder dat Perec aan het slot van de roman ook weer het verlies van zijn moeder in de oorlog had willen verwerken.

    “53 dagen” is nu eindelijk in het Nederlands vertaald. Ook Perecs boekuitgave bij de film Récits d’Ellis Island en Je me souviens gaan in het Nederlands verschijnen. Edu Borger, die ook Het leven een gebruiksaanwijzing vertaalde, moet aan “53 dagen”´ een helse klus gehad hebben. Toch zijn zijn zinnen in het Nederlands soepel. En voor de grapjes van Perec, die soms moeilijk om te zetten zijn, heeft hij mooie equivalenten gevonden: ‘Maximien avait d’autres feles à fustigare’ in de originele tekst is een latinisering van het Franse gezegde ‘avoir d’autres chats à fouetter’ (letterlijk: andere katten te meppen hebben; ofwel: iets anders aan zijn hoofd hebben). Borger vertaalt de zegswijze met behoud van de latinisering zo: ‘Maximianus had nog wel alia aan zijn caput’.

    En dan hebben we het nog niet gehad over de Droste-effecten van allerlei fictieve romans die Perec in de speurtocht van Veyraud opneemt. Wie van Perec houdt mag “53 dagen” niet ongelezen laten.

     

     

  • Therapiesessie in het hoofd van de hoofdpersoon

    Therapiesessie in het hoofd van de hoofdpersoon

    Sloop, de nieuwe roman van Anna Enquist, heeft een intrigerend kaft: een op de rug gezien, robotachtig uitgevallen meisje houdt op een wat verkrampte manier iets vast wat een springtouw moet zijn, temeer er onder haar rug haar schoenzolen te zien zijn en daar weer onder een paar donkere benen. Het is een suggestie van een springende beweging en het beeld blijkt ook inderdaad een touwtje springend meisje voor te stellen. Een door Co Westerik in 1976 gemaakte muurschildering voor het politiebureau Haagseveer in Rotterdam, een achttien meter hoog kunstwerk dat samen met het politiebureau in 1988 werd gesloopt. Hoewel van begin af aan als tijdelijk bedoeld, ‘om rotplekken in Rotterdam op te fleuren’,  zoals Westerik in een interview zei, vond hij  het ‘toen het er eenmaal af moest… wel verdomd jammer’, maar was ook weer niet bereid om het elders nogmaals te maken, al werd het hem gevraagd.

    Zelfbehoud door te componeren

    Enquist’ roman opent met de scène van de vernietiging van deze muurschildering. Het eerste hoofdstuk blijkt met terugwerkende kracht ook in een notendop de thematiek van de hele roman te bevatten: een vrouw vecht voor zelfbehoud door te scheppen, te componeren in dit geval, doet iets waar ze goed in is en goed voor haar is, maar ze blijkt keer op keer weerloos tegenover een groot trauma dat ze meezeult. De tegenstellingen hoofd-lichaam, denken-voelen, inspiratie die vleugels geeft en verdriet dat naar beneden trekt vormen de stellage waarop het verhaal rust. Het klinkt heel sluitend. Misschien zelfs té sluitend. Deze waargebeurde sloop krijgt bij Enquist een dramatische lading die voor zo veel betekenissen staat, dat het geconstrueerd aandoet. 

    De hoofdpersoon, Alice Augustus, is aan de ene kant een hoogbegaafde musicus die van jongs af aan volledig in haar werk kan verdwijnen en fantastische, door musici en publiek bewonderde composities maakt. Aan de andere kant is ze een doodeenzame vrouw, als kind zwaar beschadigd door haar veeleisende, kille  moeder, wier vernietigende rol ze als volwassene inmiddels geïnternaliseerd heeft en onophoudelijk op zichzelf loslaat. Begrippen als berusting, mildheid voor jezelf, zelfwaardering kent ze in theorie, maar ze kan er niets mee. Haydn, haar favoriete componist en voorbeeld, waardeert ze behalve om zijn muziek ook juist om zijn gave zich aan de werkelijkheid aan te passen en waardering uit zichzelf te halen, ondanks zijn eenzaamheid en tegenslag. Zij daarentegen, succesvol, geliefd, gerespecteerd, zoekt erkenning in haar omgeving en vooral in dingen die buiten haar invloedssfeer liggen.

    Verlangen naar een kind

    Het is dan ook niet verrassend dat ze geobsedeerd raakt door een kinderwens, die vanzelfsprekend niet op afroep vervuld wordt wat zij volgens innerlijke voorprogrammering als eigen falen en straf voor haar slechte inborst opvat.
    De roman lijkt één lange therapiesessie die plaatsvindt in het hoofd van de hoofdpersoon. Ze blijft maar rondjes draaien, schiet er niets mee op. De lezer heeft ondertussen, zonder al te veel inspanning, het probleem wel  in de gaten. Er wordt ook niet veel ruimte voor twijfel, dubbele bodems en doordenkers gelaten, en uiteindelijk blijven er gemakkelijk te slikken brokken over. Misschien wel daardoor krijgen de op zich aangrijpende gebeurtenissen een wat pathetische lading. Waar komt ‘haar onbegrijpelijk verlangen naar een kind’ vandaan ‘als je zelf zo’n ongelukkig kind geweest bent’?, vraagt Alice zich af. De vraag stellen, is hem beantwoorden. Even verder wordt dit ook klip en klaar bevestigd: ‘Opnieuw geboren worden, in mijn dochter… Een enorme, concrete herkansing.’

    Het kan gek lopen

    Alleen bij het componeren is Alice eigenzinnig, zelfverzekerd, vaart ze op eigen intuïtie. Ze wordt van verschillende kanten gewaarschuwd dat met de komst van een kind de ruimte in je hoofd voor kunstzinnig scheppen verdwijnt, maar schuift deze, zichzelf straffend en boos als ze is, aan de kant. Zo blijft ze een tweedimensionaal personage zonder schakeringen terwijl de anderen om haar heen of kleurloos en onbestemd zijn, of maar één dimensie kennen. Zoals haar vriendin Svea, het prototype van de liefdevolle moeder (met uiteraard ‘een vriendelijk gezicht’) te midden van een volmaakt, vijfkoppig gezinnetje.

    Soms raakt het verhaal een triviale snaar: het lukt Alice niet zwanger te raken in haar  vaste relatie, noch via een langdurig voortplantingstraject, maar een toevallige onenightstand leidt tot bevruchting. Het leven kan inderdaad gek lopen. En toch, geheel volgens verwachting komt Alice in het slot, tijdens de grootse première van haar laatste werk – een symfonie genaamd ‘Sloop’, geïnspireerd op de muurschildering van het touwspringende meisje uit het eerste hoofdstuk – erachter dat ze inderdaad (en alweer) een fout heeft gemaakt. En zo is de cirkel rond, maar ook plat. Waren er wat meer vragen onbeantwoord gebleven, dan was het boek wellicht wat interessanter geworden.

     

  • Stokkermat

    Stokkermat

    Er zijn werkmannen in huis, jongens nog. Het huis een open veld waar de wind vrij spel heeft. Ze ontmantelen een rookkanaal dat vanaf de begaande vloer twee verdiepingen omhoog door het dak naar buiten gaat. Inloopkasten worden deels afgebroken en op zolder is door ontbrekende dakpannen een gat naar de hemel ontstaan. Ik trek me terug in het enige kamertje van het huis waar de werkmannen, jongens nog, niets te zoeken hebben. Ik hoor ze roffelend de trappen afgaan, wat klinkt alsof het huis op instorten staat en ze zich het vege lijf moeten redden. Ik hoor ze roepen vanaf het dak naar de straatkant, ‘Hee, heb je de stokkermat geladen?’ ‘Wat?’. Ik hoor een Arabische beat vanaf de bovenverdieping het huis instromen en duik in het proza van Clarice Lispector. Haar verzamelde verhalen wegen een kilo en honderd gram en moeten daarom wel in bed met opgetrokken knieën gelezen te worden.

    Een jonge vrouw adoreert een trieste man met destructieve neigingen. Ze ontmoeten elkaar in een café, de man voert een eenrichtingsgesprek waarbij hij zich over de zwarte haren strijkt alsof hij over ‘de warme vacht van een poesje streek’. De jonge vrouw is sprakeloos en betreurt het ‘geen gebaar achter de hand te hebben’, om aan het sprakeloze te ontsnappen. Alsof er een handel in bestaat, het verzamelen van gebaren die je in een gebarendoosje doet, wanneer nodig neem je er eentje uit, om dingen kracht bij te zetten of je een houding geven. Dit komt uit het verhaal, ‘Onderbroken verhaal’. Een goede titel. De jonge vrouw heeft zich in het hoofd gehaald dat ze om de man te redden wel met hem moet trouwen. Hoe vreselijk dit ook voor haar zou zijn, het moet gewoon. Dan schiet de trieste man zich door het hoofd. ‘En plotseling brak het verhaal af. Het had niet eens een mooi einde. Het eindigde met de abruptheid en het gebrek aan logica van een klap in het gezicht.’

    Is het arrogant geen deel te willen uitmaken van een groep, een actiegroep, het klimaat, een mening? Een verbond beheerst algauw het denken en ontneemt het zicht op het dagelijkse leven. Leven met aandacht, zorg voor en dank aan de omgeving. In ‘De koortsdroom’, voert Clarice Lispector de Aarde als een partij op. De Aarde geeft het op, verdwijnt. Is hier sprake van een winnaar? Een klein mannetje roept, ‘Ik kan vertellen wie gewonnen heeft.’ Iedereen wordt boos, roept om stilte. Het mannetje vat moed, roept: ‘Maar ik weet het! Ik weet: de overwinning is aan de Aarde. Het was haar wraak, het was wraak…’. Daar word ik stil van, alsof we het wisten en decennia lang niets deden. Clarice schreef dit verhaal zo’n zeventig jaar geleden. Haar verhalen zijn doordesemd van inzichten. Even lijkt het alsof op weg naar de globalisering van de wereld er niets veranderd is. Zo zijn haar verhalen, alsof ze vandaag geschreven zijn.

     

    Alle verhalen, Clarice Lispector, Samengesteld en inleiding door Benjamin Moser, vertaald door Adri Boon / De Arbeiderspers.


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV en leest dagelijks.

  • Kronkels lezen is mensen ontmoeten

    Kronkels lezen is mensen ontmoeten

    In een roman kan het verhaal alleen maar door woorden worden verteld, in een strip maken ook de tekeningen het verhaal. In sommige strips komen zelfs geen of nauwelijks woorden voor. De striptekenaar Dick Matena is niet bang voor een grote hoeveelheid woorden. Hij heeft zelfs strips gemaakt waarin de tekst van complete romans (Kees de jongen, Kort Amerikaans, De avonden, Turks fruit) is opgenomen. Je zou kunnen zeggen dat Matena die romans niet verstript heeft, maar ze rijk heeft geïllustreerd. Toch zouden we daarmee de tekenaar tekortdoen, zoals ook blijkt in zijn nieuwe adaptatie van literatuur, zo’n veertig ‘Kronkels’ van Simon Carmiggelt.

    In veel van de strips is weer de complete tekst opgenomen, maar er zijn ook kleine delen weggelaten. Niemand mist ze, want Matena zorgt er wel voor dat het goede verhalen blijven.
    Wie de tekst van Carmiggelt leest, krijgt het hele verhaal, maar de tekeningen voegen veel toe. Allereerst de sfeer, die bij Carmiggelt vaak wat weemoedigs heeft. Doordat sommige verhalen heel sober zijn ingekleurd (grijs, bruin, huidkleur en verder niet) en andere volop gekleurd zijn, geeft een eerste aanblik al de sfeer nadrukkelijk weer.

    Verder is Matena goed in het weergeven van gezichtsuitdrukkingen die niet eenduidig zijn. Wie de personages bekijkt, kan aanvoelen in welke stemming ze zijn, maar wat ze precies denken blijft onuitgesproken. Zo blijft het raadsel in stand en dat houdt de verhalen intrigerend. In deze bundel Kronkels heeft Matena niet alleen voor ballonstrips gekozen. Af en toe is er een verhaal in stroken getekend, met daaronder de tekst, zoals we dat bijvoorbeeld ook kennen uit de verhalen van Marten Toonder. Dat Matena die vorm ook beheerst, is niet zo vreemd: hij werkte ooit als tekenaar bij Toonder.

    Er zijn enkele heel bekende verhalen in de bundel opgenomen, zoals het verhaal waarin het woord ‘epibreren’ voorkomt, maar ook verhalen die voor veel lezers onbekend zullen zijn. Lezers zullen dus zowel kennismaken met iets nieuws als het oude herkennen. Daarmee is de bundel een staalkaart van het werk van Carmiggelt. Soms doet het taalgebruik wat gedateerd aan, maar vaak fonkelt het nog. Carmiggelt verstond de kunst om personages met een enkele zin te typeren. Over ‘een bijzonder dun ventje’: ‘Hij was er zo een, die per abuis méé werd ingepakt, bij de aflevering van een generatie, want men behoefde maar één blik te werpen op zijn nietige gestalte, zijn bevreesde ogen en zijn lippen die, als een te nauwe fietsband, telkens van de velg dreigden te lopen, om te kunnen schatten hoeveel de zee des levens déze man te hoog ging.’

    De tekening bij zo’n beschrijving klopt altijd. Een enkele keer gaat Matena zijn eigen weg, als hij het haar van iemand die bij Carmiggelt blond is, toch bruin inkleurt. Dat je meteen een beeld hebt van een personage is al prettig, maar elke persoon heeft ook zijn eigen manier van spreken. Als je een dialoog leest, kun je de sprekers bijna horen. Alles speelt zich af tegen een Amsterdams decor, maar de kern van bijna alle verhalen zijn de mensen. Dat wordt niet alleen duidelijk in de tekst, maar ook in de tekeningen. Op zo’n beetje alle afbeeldingen komen mensen voor. Lezen van Carmiggelt in de tekeningen van Matena betekent mensen ontmoeten. De lezer maakt ze soms maar een paar bladzijden lang mee, maar zal ze niet meer vergeten.

     

  • Vechten tegen een waanbeeld

    Vechten tegen een waanbeeld

    Van Atte Jongstra is inmiddels wel bekend, dat hij geen ouderwetse verteller is die een verhaal schrijft met een kop en een staart. Bij hem vallen meteen literair-theoretische termen als autofictie, meta- en intertekstualiteit, die gangbaar zijn voor de zogenaamde postmoderne romanproductie.

    Zijn nieuwste roman Aan open zee is daar geen uitzondering op. Jongstra schrijft over het schrijven, over de relatie tussen de schrijver en de personages in zijn roman. Hij gebruikt teksten van anderen, citeert met en zonder bronvermelding, laat zien dat een schrijver op de schouders van vroegere schrijvers staat. Een roman van Jongstra is een uitgeschreven kaartenbak, grappig of gewild grappig aan elkaar geschreven. Hij citeert niet alleen uit de ‘hoge’ literatuur, maar gebruikt net zo gemakkelijk een tekst uit Ja zuster, nee zuster: ‘Zwaaien met je onderbroek, zwaaien met je hemd’ of parafraseert de Bijbel: ‘God, ik weet niet wat ik doe.’

    De roman
    Het verhaal van deze roman is gauw verteld. De schrijver Borg komt aan op een eiland in de Oostzee en vestigt zich daar enige maanden, om te schrijven aan het nieuwe Werk, een roman die hem eindelijk het succes zal moeten brengen dat hij nooit heeft gekend. We leren door de schrijver allerlei mensen kennen die tijdelijk of permanent op het eiland wonen en het verhaal krijgt een thrillerachtige sfeer als er lichaamsdelen worden gevonden in de zee rondom de eilanden. In het tweede deel leert Borg Mette kennen, een verpleegster met wie hij een liefdevolle relatie onderhoudt, een vrouw uit één stuk die zijn humor en zijn levensgevoel deelt. Eindelijk vindt hij ‘de vrouw om in te verdwijnen’ naar wie hij altijd heeft verlangd.

    Jongstra legt in zijn roman sterk de nadruk op de omstandigheid dat het boek een schepping van de auteur is die in het boek een hoofdrol speelt. De auteur is de schepper, de almachtige, degene die aan de touwtjes trekt van elk personage. Hij schrijft zelfs zijn eigen leven. Hij kan een personage ook huppakee de roman uitknikkeren, zoals dat ook gebeurt met een soapster die in het werkelijke leven op reis moet of zwanger is.

    Het Werk dat Borg schrijft is de roman die de lezer op datzelfde moment aan het lezen is. De mensen die je in het boek tegenkomt zijn ook de mensen die de schrijver ontmoet. Geleefde en beschreven tijd zitten elkaar zo dicht op de huid dat ze samen vallen. Jongstra vertelt bij iedere scène waar de schrijver Borg zich bevindt, om aannemelijk te maken dat hij er zelf bij was en becommentarieert voortdurend de gang van zaken.

    Strindberg
    Daarnaast staat de roman vol verwijzingen naar romans van anderen. In de dialoog die voorafgaat aan de roman zegt Borg: ‘Een goede roman leunt altijd op eerdere boeken. Onzin om te denken dat alles helemaal nieuw is.’ Jongstra denkt zeker dat de lezer dit niet uit de roman zelf zou kunnen halen, omdat hij het zo nadrukkelijk vermeldt. Dat lijkt een gotspe, want de hoofdpersoon van Jongstra’s boek heet Axel Borg, dezelfde naam als de hoofdpersoon van Strindbergs roman, met dezelfde titel Aan open zee, die op dezelfde eilanden speelt waar Jongstra zijn roman heeft gesitueerd. Jongstra’s personage Borg leest Het ravijn van de Russische schrijver Gontsjarov en vraagt zich af of hij ook zo’n soort boek moet schrijven. Moet de lezer van Jongstra’s boek eerst Strindberg en Gontsjarov lezen om te achterhalen wat de meerwaarde van deze verwijzing is?

    De kracht van een roman kan naast de inhoud van het verhaal dat verteld wordt liggen in de manier waarop dat gebeurt. Zeker aan het begin van de roman lijkt de schrijver sterk associatief te werk te gaan met veel klankrijm (ij-ij en ui-ui). Zijn beeldspraak is er in veel gevallen net of behoorlijk naast. Een voorbeeld? Axel Borg ziet op tegen de reis. Alles in hem verzet zich ertegen: ‘De dieseldampen aan boord van de veerboot, het zeewater dat zich straks in snotgroene walmen, algachtig aan hem zou meedelen, het dreigend grijs, een eilandgemeenschap waar hij zich in zou moeten vechten, de eenzaamheid van de komende maanden die hem toegrijnsden.’
    Zoveel klankrijm bij elkaar in een zin is teveel. Zeewater dat zich ‘algachtig’ aan hem ‘zou meedelen’. Water kan praten! De eenzaamheid die hem toegrijnst. Hallo meneer Eenzaamheid, haal die grijns van uw gezicht!

    Spook
    Deze roman toont aan dat Jongstra vecht tegen een spook uit zijn jeugd. Het spook van de tekst als een door God ingeblazen tekst, die zonder tussenkomst van de mens als een blijde ware boodschap via een schrijver wordt neergelaten onder de mensen. Het lijkt wel alsof Jongstra nog steeds vecht tegen het beeld dat hij als kind van een tekst heeft meegekregen. Maar dat beeld bestaat al lang niet meer. Jongstra blijft echter maar doorgaan met de aanval op dat beeld, alsof hem voor de eerste keer is uitgelegd dat het niet klopt.

    In het laatste hoofdstukje van de roman zegt Axel Borg tegen zijn geliefde Mette dat het hem niet gelukt is om een samenvatting van zijn roman te maken. Hij vraagt zich af of Mette misschien uit de ‘baaierd aan stukken en brokken’ kan opmaken wat hij ‘eigenlijk met het boek zou willen zeggen.’ Wil Jongstra nog eenmaal duidelijk maken dat Borg echt wel doorheeft dat zijn boek geen traditioneel verhaal is?

    Aan de ene kant is de auteur volgens Borg almachtig, dat laat hij op bijna iedere pagina blijken en aan de andere kant weet Borg niet waar zijn roman over gaat. Dat is verwarrend. Weet Jongstra het zelf? Of doet hij maar wat, zo lang het maar lekker klinkt en literair aandoet. Verwarring stichten is wat mager voor een roman van 266 bladzijden. Mager ja, want het verhaal zelf is oninteressant en in een gekunstelde stijl geschreven. Verwijzingen naar andere teksten moeten er diepgang aan verlenen die er niet is.

  • Historisch interessant en intiem portret

    In dit boeiende en intieme portret gunt Konstanze von Schultess de lezer een blik in het bewogen privéleven van de familie Von Stauffenberg. Als jongste dochter vertelt ze mede aan de hand van het schrijven van haar moeder, over haar leven van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

    Centraal staat de levensgeschiedenis van Konstanze’s moeder, een zelfstandige en moedige  vrouw, gewend om alleen voor haar kinderen te zorgen. Konstanze verklaart die zelfstandigheid uit het feit dat haar moeder door het beroep van haar man, werkzaam in het leger, veel van huis was. Daarnaast is het volgens haar een familietrekje, overgeërfd van de Russische familie van haar moeders kant. Deze familie had diverse ontberingen, onder andere als gevolg van progroms, overleefd.

    In dit boek wordt al snel duidelijk dat Nina volledig op de hoogte was van de plannen van haar man om een aanslag op Hitler te plegen en dat ze hem hierin volledig steunde. Wanneer de welbekende aanslag door Klaus von Stauffenberg en zijn samenzweerders op Hitler mislukt, verandert het leven van zijn familie voorgoed. Klaus von Stauffenberg wordt gedood. Vervolgens vertelt Nina aan haar kinderen dat hun vader een fout heeft gemaakt. Noodgedwongen moet ze haar man afvallen om haar gezin te veilig te stellen. De familie von Stauffenberg krijgt te maken met Sippenhaft en veel van de familieleden worden opgepakt. Nina von Stauffenberg wordt eveneens opgepakt en komt eerst in de gevangenis en later in een concentratiekamp terecht.

    Wat indruk maakt, is vooral de innerlijke kracht die Nina tijdens haar eenzame opsluiting in het concentratiekamp laat zien.
    ‘Ik heb me dikwijls afgevraagd hoe je zo’n gevangenschap in een isoleercel kunt doorstaan zonder letterlijk gek te worden. Mensen hebben zich wel van het leven beroofd, anderen zijn volkomen radeloos geworden door de psychische nood waarin ze raakten. Bij mijn moeder was daar geen sprake van. Met onvoorstelbare levensmoed en haast onbegrijpelijke zelfdiscipline heeft ze getracht zich ‘te organiseren’, zoals ze dat noemde. De saaiheid van alledag, de eentonigheid van het alleen zijn doorbrak zij door middel van zelfbedachte rituelen. Elke activiteit was haar welkom, elke taak, al was die nog zo klein, was voor haar een gelegenheid om haar aandacht af te leiden.

    Dit portret vormt een microgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, maar het lijkt ook een zoektocht naar de eerste periode uit het leven van Konstanze. Ze wil een juist beeld geven van de positie van haar moeder en verzetsvrouwen in de Tweede wereldoorlog. Vanuit de waarden waarmee Konstanze’s ouders opgroeiden als fatsoen, eerlijkheid en verantwoordelijkheidsbesef, namen ze het risico om hun leven op het spel te zetten en een aanslag op Hitler te beramen. Konstanze begrijpt niet dat de rol van verzetsvrouwen in de tweede wereldoorlog zo weinig aandacht heeft gekregen tot op de dag van vandaag. Want zo stelt ze in haar voorwoord:
    ‘Ten onrechte, want de mannen van het verzet tegen Hitler waren merendeels getrouwd en hadden een gezin, en ze waren afhankelijk van partners die onvoorwaardelijk achter hen stonden en hen steunden.

    Dat heeft tot op heden nog maar weinig erkenning gekregen. Veel historici zien in de vrouwen van verzetsmensen in het beste geval argeloze slachtoffers. Meestal worden ze slechts terloops genoemd en voor het grote publiek spelen ze nauwelijks een rol.
    Daarnaast nuanceert ze ook de positie van de Duitsers in de 2de wereldoorlog ten opzichte van Hitler. Een kleine groep Duitsers was wel degelijk kritisch ten opzichte van Hitler. De mislukte aanslag van haar vader op Hitler is hier een voorbeeld van.

    Konstanze beschrijft het leven van haar moeder, aangevuld met citaten uit diens schrijven. Ik kan hierdoor op sommige momenten lastig onderscheiden wie precies aan het woord is en wie nu over wie vertelt. Daarnaast is haar woordkeuze dikwijls behoorlijk vormelijk. Ook heeft ze de neiging om hier en daar in herhaling te vallen en wil ze erg veel ‘geschiedenis’ in een klein stukje vertellen.  Konstanze von Schultess is geen geboren vertelster maar door haar verbondenheid met de personen waarover ze schrijft vormt het een historisch interessant en intiem portret met veel waarde voor generaties die na haar komen.