• ‘Om een verschil te kunnen maken’

    ‘Om een verschil te kunnen maken’

    Richard Osinga is met meerdere romans op zijn naam, waaronder Bor in Afrika, geen onbekende in de literaire wereld. Toch zullen maar weinig mensen zijn naam kennen. Zijn nieuwe historische roman Een duivel met een ziel, over een roerige periode in de Marokkaanse geschiedenis, moet hier verandering in brengen.

    Gebrek aan genrekennis bij Osinga is niet het probleem. Zijn degelijke manier van schrijven, waarmee hij de sfeer van het oude Marokko tekent, is als in een typische historische roman. En ook voor de rest zijn alle noodzakelijke ingrediënten aanwezig. Zo belicht Osinga, zoals gebruikelijk is in een modern historisch verhaal, verschillende kanten van dezelfde geschiedenis. Naast de Fransen komen ook opstandige Berbers, zij het beperkt, aan het woord.

    De belangrijkste verteller is de Franse legerofficier Le Moine. Het is 1909 als Le Moine, vers van de officiersopleiding, aankomt in Marokko. De gewelddadige en corrupte sultan roept net op dat moment de hulp in van de Franse troepen. Aan het Franse leger de taak om de opstandige Berbers tot overgave te dwingen. Bij een vergeldingsactie ontfermt Le Moine zich over het gevangen genomen Berbermeisje Ibtisam. ‘Om een verschil te kunnen maken’, zo legt hij uit aan zijn kameraad Pisani.

    Maar zijn belangrijkste drijfveer is vooral de herinnering aan zijn jongere zusje Colette. Waar hij vroeger niet slaagde, – zijn zusje beschermen tegen hun gewelddadige vader -, wil hij dit met Ibtisam goedmaken. Maar al snel verdwijnt Ibtisam spoorloos en Le Moine, die standvastig vasthoudt aan zijn belofte, gaat naar haar op zoek.

    Ondertussen verhardt de strijd in Marokko. De ene veldslag na de andere vindt plaats. Maar wie nu precies met wie in gevecht is maakt Osinga niet goed duidelijk. Het verhaal verzandt naar het einde toe steeds meer in een chaotische warboel van droge historische feiten. Blijven hangen doet het verhaal daardoor niet. Osinga krijgt het niet voor elkaar om, behalve een beperkte poging met het verhaal over Ibtisam, de geschiedenis echt tot leven te wekken.

     

  • Geïsoleerde levens en een milieuramp

    Geïsoleerde levens en een milieuramp

    John Biguenet is oorspronkelijk toneelschrijver en was hoogleraar creative writing aan de universiteit van New Orleans. Nadat de orkaan Katrina en Rita er in 2005 flink hadden huisgehouden, keerde hij terug naar New Orleans en legde, wat hij daar aantrof vast in columns en video’s en schreef een trilogie voor toneel. Vóór de verwoestende natuurramp plaatsvond, in 2002, schreef hij de roman Oester. Hierin beschrijft hij een wereld die aan het verdwijnen is, een besef dat zeer reëel lijkt na de milieuramp voor de kust van Louisiana, april 2010.

    Oester is zijn romandebuut en speelt eind jaren vijftig vorige eeuw. In die tijd deed een ramp van iets mindere ernst zijn entree in de wateren van de oester- en garnaalvisserij. Oliemaatschappijen lieten toentertijd kanalen graven van de Mississippi naar de Golf van Mexico. Het gevolg was dat het zoute water uit de zee zich mengde met het zoete water uit de baaien waar de oesters gekweekt werden. De handel in oesters en garnalen liep aanzienlijk terug en de oestervissers van Barataria Bay (waar deze geschiedenis zich afspeelt) ondervonden er als eersten de schadelijke gevolgen van. De concurrentie onderling werd letterlijk en figuurlijk, moordend. Dit gegeven gebruikte John Biguenet in Oester en werkte hij ingenieus uit tot een familiedrama, een Griekse tragedie waardig.

    De 18 jarige Therese wordt door haar vader, Felix Petitjean en met medeweten van haar moeder (Mathilde) uitgehuwelijkt aan de 52 jarige, weduwnaar Darryl Bruneau, om te voorkomen dat ze failliet zullen gaan. Maar Therese is niet van plan zich als handelswaar te laten gebruiken. Ze lokt Bruneau in de val en vermoordt hem. Twee van de drie zonen van Bruneau zijn ervan overtuigd dat Alton, de oudere broer van Therese de dood van hun vader op zijn geweten heeft. Tijdens een uitgelokte vechtpartij vermoorden ze Alton en dumpen hem in de baai vlak bij zijn ouderlijk huis. Alleen Therese weet hoe zij zich vergissen maar zwijgt als het graf en besluit uit wraak de gebroeders Bruneau uit de weg te ruimen. We zijn dan op pagina 87 en hebben al twee begrafenissen achter de rug. En weet Therese nog niet dat Rusty, de jongste van de drie broers, er niets mee te maken heeft.

    Dan vertraagt het verhaal zich en duiken we aan de hand van herinneringen van de moeder van Therese in het verleden van beide families. In een nachtelijke scène – na de begrafenis van broer Alton – zit Therese met haar moeder aan de keukentafel. De moeder zegt dat zij boete moet doen voor een misstap in het begin van haar huwelijk en dat daarom haar broer en Darryl moesten sterven. Zij vertelt aan haar dochter het verhaal van de gemeenschap van vissers en de relaties onderling van vóór haar geboorte. Hierdoor worden relaties en motieven zichtbaar gemaakt. Duidelijk wordt dat onder andere de bloedbanden van beide families niet helemaal zuiver zijn. Maar hoe meer er onthuld wordt over de achtergronden van de personages, hoe moeilijker te raden valt, welke kant het verhaal op gaat.

    Vreemd genoeg is Therese je volledig sympathiek, wat voor gruwelijks ze ook uithaalt. Je geeft haar groot gelijk dat ze Bruneau met een mes in zijn lijf uit het bootje kiepert en later die twee zonen vermoordt, die je inmiddels door verschillende passages hebt leren kennen en die je helemaal niet sympathiek zijn geworden. Nadat ze uit de weg zijn geruimd is het familiebedrijf pas echt gered. En daar was het allemaal om te doen. Therese was de onvolprezen schatbewaarder van de familie, of ze dit nu wilde of niet. Er werd haar niets gevraagd, er was niets te kiezen. Ze verworf haar eigen vrijheid door te doen waarvan zij dacht dat het de beste oplossing was. Uiteindelijk redt ze hiermee haar familie en zichzelf en over eergevoel wordt niet gesproken.

    In de roman Verontwaardiging (2009) van Philip Roth, net als Oester in de jaren vijftig van de vorige eeuw gesitueerd, zegt een joodse moeder tegen haar studerende zoon Marcus: ‘Gevoelens zijn soms het grootste probleem in het leven. Gevoelens kunnen je een verschrikkelijke loer draaien. (…) Beloof me dat jij ook (…) met de jouwe afrekent.’
    In beide romans gaat het om een jong mens die op het punt staat toe te treden tot de wereld van de volwassenen maar daarbij  hinder ondervindt van de familie. Familiebanden die een beslissende factor zijn en die – in beide gevallen – catastrofaal uitwerken. Marcus had wel degelijk een keus. Maar die leidde ongewild naar de loopgraven van de oorlog in Korea in 1952, waar hij op negentienjarige leeftijd de dood vond.
    Wanneer Felix Petitjean zijn dochter uithuwelijkt vraagt hij haar min of meer hetzelfde als de moeder van Marcus in Roth’s Verontwaardiging: ‘Reken af met je gevoelens en doe wat gedaan moet worden’. Deze beslissing bepaalt het leven van zijn dochter waarmee het – gezien de misdaden die ze pleegt – naar verwachting niet goed kan aflopen. Maar dat blijft tot op de laatste pagina onduidelijk.

    Onbewust denk je bij het woord oester aan meervoud. Net als bij garnalen associeer je oesters in meerdere aantallen bij elkaar. Maar de oester uit de titel blijkt niet het verwachte schaaldier maar verwijst duidelijk naar Therese. Zij toont geen gevoelens en niemand in haar omgeving weet wat er in haar omgaat. Zelfs als lezer kom je er niet achter wat er in haar om gaat; zij is zo gesloten als een oester. Hard als een oesterschaal lijkt ook deze roman waar zachtaardige en met sympathie beschreven personages zich een slag door het leven slaan. Ondanks het sterke en tot de verbeelding sprekende verhaal is het verteltechnisch niet altijd ‘doorleesbaar’ Het struikelt nog weleens door zinnen als: ‘(…)schonk haar beker en die van Therese nog eens vol met de warme, door de chocolade donker geworden melk’. Maar daarentegen is het verhaal zo onvoorspelbaar en spannend dat je hoe dan ook wilt doorlezen.

    Het citaat van D.H. Lawrence dat Biguenet zijn roman meegaf, is bij teruglezing volledig op zijn plaats: ‘De oorspronkelijke Amerikaanse ziel is hard, geïsoleerd, stoïcijns en meedogenloos.’

     

  • Recensie: De dwaaltuin – Adam Foulds

    Recensie door: Ella-Milou Quist

    Adam Foulds is naast schrijver ook dichter. In 2007 debuteerde hij met zijn geprezen boek Hoe het werkelijk is gegaan. Hij won maar liefst twee awards, waarvan één de Sunday Times Young Writer of the Year Award. Zijn tweede boek, De dwaaltuin, leverde hem een nominatie op voor de Man Booker Prize 2009.

    Voor De dwaaltuin raadpleegde de Britse schrijver verschillende publicaties om zijn historische roman voor een deel te kunnen baseren op waar gebeurde verhalen en personages die echt bestaan hebben. Het verhaal speelt zich af in een 19e eeuwse psychiatrische inrichting in Engeland. De inrichting wordt gerund door dokter Allen die samen met zijn gezin op het terrein woont.
    Naast het bieden van zorg, ontwikkelt de vooruitstrevende dokter voor de bezigheidstherapie van zijn patiënten ook een houtdraaimachine. Verschillende mensen investeren in het project. Zo ook de beroemde dichter Alfred Tennyson die op het terrein verblijft om tijd met zijn depressieve broer door te brengen. Eén van Allens dochters, Hannah, heeft zo’n afkeer van de inrichting dat ze driftig op zoek is naar een geschikte man om mee te trouwen zodat ze weg kan van die plek. Ze probeert Tennyson voor zich te winnen. Tennyson is niet de enige dichter in het oord, ook John Clare, die overigens wel een patiënt is, is een dichter. Hij draaide door na het verlies van zijn geliefde en leidt sindsdien aan schizofrenie. ’s Nachts ontsnapt hij om zich bij een groep rondzwervende zigeuners te voegen in het omliggende bos. Foulds beschrijft zeven seizoenen lang de naargeestige omgeving waarin deze twee dichters zich bevinden.

    Het boek is zoals de titel beschrijft, een dwaaltuin. Letterlijk omdat de inrichting een gemeenschap apart is en omringd wordt door een bos en figuurlijk omdat Foulds vooral in het begin van het boek een wirwar aan karakters beschrijft. Hij schiet van het ene personage naar het andere, zonder daarbij een naam te noemen. Je raakt soms werkelijk verdwaald en weet niet meer welke karakterbeschrijving nu bij welk personage hoort. Het is lastig bij te benen. Het ene moment zit je in de wereld van een normaal persoon (de dokter, één van de gezinsleden of Tennyson) en het volgende moment bevind je je in het hoofd van een krankzinnige. Er lijkt geen lijn in te zitten, er is geen vaste volgorde waarin de personages ten tonele verschijnen. Dit maakt het des te lastiger om te lezen. Toch begin je ergens halverwege het verhaal te begrijpen welke gedachtengang bij welk personage hoort. Pas dan wordt het ook echt interessant om te lezen omdat het dan duidelijk is hoe goed Foulds de verschillende karakters eigenlijk een eigen ‘stem’ heeft weten te geven. Zeker als je bedenkt dat er nogal wat karakters in de roman voorkomen. Na enkele zinnen weet je dan wél wie er aan het woord is.

    Interessant is ook Foulds’ manier van schrijven. Van oorsprong is hij een dichter en dat is goed te merken. Hij schrijft dit verhaal op net zo’n lyrische en ritmische wijze als een gedicht. De vraag is alleen of je daarvan houdt of niet. Het moet je liggen. Ook lijkt het alsof hij zijn taalgebruik aangepast heeft aan de 19e eeuwse schrijfstijl. De woorden die hij kiest zijn vaak woorden die wij nu niet meer zouden gebruiken. Dit maakt het verhaal soms lastig om te begrijpen omdat het vrij moeilijke woorden zijn. Tevens zorgt de zinsopbouw ervoor dat het een pittig boek is om te lezen. Dit komt vooral door het ouderwetse taalgebruik maar ook door Foulds’ veelvuldig gebruik van komma’s in een zin. Dit laatste kan nog wel eens voor verwarring zorgen omdat je het eigenlijke onderwerp van de zin kwijt kunt raken. Desalniettemin zorgt zijn poëtische en ouderwetse schrijfstijl ervoor dat je je juist dieper in de geest van die tijd waant. Niet voor niets is Foulds door de Britse krant The Telegraph verkozen tot één van de beste twintig Engelse schrijvers onder de veertig jaar.

    Over de spanning in dit verhaal valt te twisten. Vooral in het begin zijn de gebeurtenissen niet heel spectaculair en zijn de gedachten van de personages meer op een beschrijvende manier geschreven, wat het enigszins saai maakt. Je wordt weinig geprikkeld tot nadenken over wat er op de volgende pagina’s staat. Dus het is even doorbijten totdat je op de helft van het boek bent, want dan wordt het verhaal spannender. Dit komt vooral doordat het dan duidelijk is van wie welke gedachtengang is en omdat dit op een intensere manier geschreven is, niet meer zo beschrijvend. Je wordt echt in de gedachten van een persoon gezogen. Daarnaast worden de gebeurtenissen heftiger, wat het een stuk interessanter maakt om te lezen. Ondanks het gebrek aan echte spanning heeft Foulds er een interessant geheel van weten te maken. Hij is een meester in het inleven in karakters en heeft daarbij een heel goede combinatie gevonden tussen het fictieve en het waar gebeurde in dit verhaal. Het is een prima boek als je houdt van geschiedenis, poëzie en dwalen.

    De dwaaltuin

    Auteur: Adam Foulds
    Vertaald door: Jan Fastenau
    Verschenen bij: Uitgeverij Ailantus (2011)
    Prijs: €18,95

    








  • Vertellen voor erkenning

    Vertellen voor erkenning

    Recensie door Laura Schans

    ‘Míjn leven. Míjn woorden. Míjn pen. Ik kán schrijven.’ In Het negerboek staat de kracht om over het eigen leven te kunnen vertellen centraal. Wat gebeurt er met een volk waarvan het bestaansrecht wordt ontkend? Namen en verhalen worden belangrijker dan ooit. Het negerboek is de vertaling van het in 2007 verschenen The book of negroes, de veelgeprezen roman van de Canadese auteur Lawrence Hill. Hill laat zijn hoofdpersoon haar eigen levensverhaal vertellen. Aminata Diallo’s jeugd wordt op 11-jarige leeftijd abrupt afgebroken wanneer zij uit haar Afrikaanse geboortedorp wordt weggevoerd. Halverwege de 18e eeuw belandt ze op een slavenschip dat koers zet naar Amerika. Dit vormt slechts het begin van de vele aangrijpende wendingen die haar leven zullen tekenen.

    Ondanks alle beperkingen die het leven in gevangenschap kenmerken, weet Aminata het voor elkaar te krijgen te leren lezen en schrijven. Mensen met een hogere positie dan zij, waaronder een van haar eigenaren, zien haar kwaliteiten en gunnen haar een kans om haar talenten te ontwikkelen. Ze leert zich te redden in zowel in haar Afrikaanse moedertaal, de taal die de negers in Amerika met elkaar spreken en de taal van de machthebbende blanken, de ‘toubabs’. Door boeken te lezen leert zij steeds meer van de onbegrijpelijke, onrechtvaardige wereld die haar omringt. De kennis, het plezier en de kracht die Aminata aan het lezen ontleent zorgen ervoor dat ze de ontberingen en haar verdriet weet te doorstaan.

    Vertellen groeit uit tot het belangrijkste thema van Aminata’s leven en daarmee van de roman. Vertellen betekent: het geven van een stem aan haar volk, een volk dat door de Westerse machthebbers het recht om te bestaan is ontzegd. Een parallel met Dave Eggers’ roman What is the what uit 2006 springt hiermee in het oog. Eggers vertelt het op feiten gebaseerde relaas van een hedendaagse Afrikaanse ontheemde, Valentino Achak Deng. Deng wordt eveneens uit zijn Afrikaanse geboorteland (Soedan) verdreven en komt, talloze oorlogservaringen rijker, uiteindelijk in Amerika terecht. Net als Aminata voelt Deng een drang om deze gebeurtenissen over te brengen aan vreemden. ‘Maar wat ik ook ga doen, hoe ik ook kans zie verder te leven, deze verhalen ga ik vertellen,’ zo laat Eggers Deng zijn relaas afsluiten. Beide romans vertolken het idee dat verstotenen een identiteit en bestaansrecht krijgen als hun naam wordt genoemd en hun geschiedenis niet verloren gaat. Ik heb een naam, dus ik besta.

    Het negerboek is gebaseerd op overgeleverde getuigenissen van historische figuren. Deze zijn ook als personages in de roman opgenomen. De titel is ontleend aan een historisch document, dat bekendstaat als het ‘Book of negroes’. Drieduizend zwarte mensen, die zich lieten inschepen voor een reis naar de vrijheid in Canada, worden in dit negerboek bij naam genoemd en krijgen door de beschreven bijzonderheden (‘Rosetta Walcott, 21, stevige deerne, op eigen gelegenheid’) een gezicht. Hill laat niet na de symbolische waarde hiervan te benutten.

    Het fictieve personage Aminata wordt om al deze losse historische fragmenten heen gevlochten. Haar levensverhaal vormt een rode draad waaraan alle historische feiten zijn vastgeknoopt. Belangrijke mensen, documenten en gebeurtenissen houden allemaal verband met ‘Meena Dee’, zoals ze door Amerikanen wordt genoemd. De hoge concentratie geschiedenis die kleeft aan het leven van deze intelligente, maar toch simpele slavin maakt dat haar positie in de loop van het verhaal iets ongeloofwaardigs krijgt. Aminata wordt steeds minder ‘echt’.
    Aminata probeert met het vertellen van haar geschiedenis aandacht en erkenning voor haar volk te krijgen, evenals Valentino in What is the what. Helaas verliest Aminata gaandeweg haar rauwe, menselijke gezicht, waardoor ze misschien haast het tegenovergestelde bereikt. Tegen het einde van haar leven heeft Aminata, in tegenstelling tot Valentino, alles bereikt wat ze zich tot doel had gesteld. Als zij bovenop deze successen dan ook nog een dierbare, die ze dacht voorgoed kwijt te zijn, terugvindt, krijgt het feelgood-sausje dat Hill over zijn boek smeert een wat al te zoete smaak. Hoe ontroerend en meeslepend geschreven ook, dit Hollywoodgehalte vormt een onwelkome afleiding van de indrukwekkende geschiedenis die Het negerboek had kunnen zijn.

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Fonkelend proza uit de binnenlanden van Zuid-Afrika

    Het eerste verhaal Eens was ik begint met de zin: ‘In mijn vorige leven was ik een Strandloper.’ Hiermee wordt niet de watervogel bedoeld, maar – volgens het begrippenlijstje achterin – mensen die aan de zuid- en westkust van Zuid-Afrika woonden op het moment dat de blanken daar arriveerden.
    Ook de volgende zinnen zijn veelzeggend:
    ‘Daar komt mijn aardsheid vandaan, mijn drang tot overleven.
    En mijn liefde voor dit land.’

    Dit zijn precies de ingrediënten die de smaak van dit boek bepalen: de band met de aarde, die zo van belang is voor de boeren in dit land met wrede klimaten en vijandigheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen.

    Scheepers weet de sfeer treffend over te brengen. Ook door het gebruik van woorden als oubaas en plaas. Vertaalster Riet de Jong-Goossens, die in 2011 de Martinus Nijhoffprijs krijgt voor haar vertalingen uit het Afrikaans, heeft dit soort kenmerkende woorden behouden en legt ook begrippen uit als sontweni (kerk), Mfundisi (predikant).

    De laatste term slaat op opa Lewies die zij in het verhaal Een oog dat niet wijkt een kluns van een boer noemt, die de werkzaamheden op het boerenbedrijf overliet aan zijn vrouw, oma Willemien. Naar haar is het kleine blanke meisje vernoemd door wiens ogen wij hun geschiedenis zien voltrekken.

    Oma Willemien krijgt in Nachtschade visioenen over naakte, zwarte kinderen die lachend in haar geopende schort vallen. Ze klimmen in haar armen en zij houdt hen vast, ontelbaar veel kinderen die vanuit alle uithoeken van het korenveld op haar toe blijven komen en die staan voor alle hulp die zij, aan de zijde van haar man, aan de zwarte bevolking zal geven. Helaas moest ze daardoor haar eigen kinderen achterlaten bij de zwarte vrouw Juba, waardoor ze verwilderd opgroeien. Haar kleindochter Willemien neemt haar dat zeer kwalijk, maar later leest ze in een ingelegd velletje in een geërfd kookboek, dat haar oma veel moeite heeft gedaan om haar kinderen weer op te sporen.    

    Behalve deze familiegeschiedenis, in soms evocerende taal, worden in dit boek ook andere  verhalen verteld, waarvan sommige helaas alleen een aanzet zijn en snel wegebben. Dat is niet het geval met het verhaal Vonkelfontein over een dikke vrouw met autopech die vanwege de hitte gaat zwemmen in een reservoir lang de weg en denkt aan haar vervelende schoonmoeder. Het is een verhaal dat in het geheugen blijft gegrift. Dat geldt ook voor het titelverhaal Katvoet, waarin een kat de plaats van de vrouw in het echtelijk bed heeft ingenomen en de vrouw zich als een kat gaat gedragen om haar plaats terug te veroveren.
    Ook in veel andere verhalen komen poezen voor, zoals de verwilderde Smurrie op de boerderij van de grootouders.

    Scheepers schrijft met veel verbeelding in een mooie, eenvoudige taal. Als ze in Polen is vindt ze dat de daken van de schuren lijken op de kleur van bittere sinaasappelen.
    Scheepers weet de lezer met krachtige beelden te ontvoeren naar het Zuid-Afrikaanse binnenland met zijn overweldigende natuur, de karigheid en wreedheid van het leven.

    In het laatste verhaal komt ze terug op haar familie, op de oude kliek zoals haar grootouders en tante Marja, die befaamd was om haar stroopbereiding. Het waren mensen met een sterk geloof, ook in de Opneming, zoals het Laatste Oordeel genoemd wordt, lieden die visioenen kregen en geesten konden zien. De schijfster betreurt het dat die bijzondere mensen uit het geheugen verdwijnen en zegt over zichzelf dat haar eigen kleinkinderen over haar geen enkel verhaal met schrik en verwondering zullen kunnen overdragen en dat ze zich daarvoor doodschaamt.

    ‘We behandelen onze dieren als dieren, we verzorgen onze kinderen naar behoren. We gedragen ons vreselijk beschaafd en fatsoenlijk. We zijn gewoon niks geworden.’

    Wellicht zullen de kleinkinderen haar verhalen lezen en begeesterd worden door de zeggingskracht van de taal en de rijke verhalen van hún oma. 

    Katvoet

    Auteur: Riana Scheepers
    Verschenen bij: Uitgeverij Ailantus (september 2010)
    Vertaald door: Riet de Jong-Goossens
    Prijs: € 18,95