• Spanning tussen journalistiek en literatuur

    Spanning tussen journalistiek en literatuur

    De lange weg naar Londen van Marian Rijk begint zo: ‘Tussen de spijlen van het tuinhek glinsteren spinnenwebben met dauwdruppels als juwelen: de voorbode van een zonnige dag. Een dunne, witgrijze sluier van nevel omhelst het huis. Een sprookjesachtig beeld, maar hij weet wel beter.’ Een alinea verder lezen we dat een ‘palet aan emoties’ de hoofdfiguur ‘op zijn schouders’ drukt en ‘zijn laarzen vast op de tegels’ duwt. Stilistisch geen bemoedigend begin van dit op zich boeiende verhaal over Engelandvaarder Charles Pahud de Mortanges. 

    In het interbellum was ‘Pahud’, zoals hij in het boek genoemd wordt, een succesvolle springruiter met een record aan Olympische medailles. Inmiddels (het verhaal is geschreven in de tegenwoordige tijd) is hij officier in het Nederlandse leger, ook nog tijdens de beginjaren van de Duitse bezetting. Zijn huwelijk met Irma is zo goed als klaar, zeker na de dood van hun zoon Buuk (aangehouden en geëxecuteerd na een mislukte poging uit te wijken naar Engeland). Als Pahud na een valstrik van de bezetter op transport wordt gezet naar Duitsland om ingezet te worden in de oorlogsindustrie, weet hij uit de trein te ontsnappen. Hij besluit, in navolging en ter ere van zijn zoon, naar Engeland te gaan om van daaruit de geallieerde strijd tegen de nazi’s te steunen. En dan begint ‘de lange weg naar Londen’, die hem met veel tegenslagen en ontberingen door heel West-Europa naar het Britse Gibraltar voert, vanwaaruit hij eindelijk de oversteek naar Engeland kan maken. Zij het niet als een echte Engelandvaarder overzee, maar door de lucht. 

    Vrij bijzonder personage

    De lange weg naar Londen is een interessant verhaal over een vrij bijzonder personage. Zijn sportieve carrière heeft Pahud bekendheid gebracht. Voor sportsucces noodzakelijke kwaliteiten als discipline, stiptheid en ambitie kwamen van pas in het leger, waar hij het tot de rang van ritmeester bij de cavalerie bracht. Als officier houdt hij zich netjes aan de plicht om zich jaarlijks te melden bij de bezetter. Dat breekt hem op. Hij loopt met ogen open in de val en vervloekt zichzelf om zijn naïveteit. Na zijn ontsnapping en tijdens de eindeloze odyssee richting Engeland toont hij zich taai, vindingrijk en loyaal aan zijn reisgenoten. Na de oorlog maakt Pahud zich verdienstelijk als voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité en in 1953 treedt hij in dienst bij koningin Juliana als een soort ‘opperceremoniemeester’ bij staatsbezoeken, werkbezoeken, huwelijksfeesten en koninklijke uitvaarten. Bij dat alles blijft hij bescheiden. Als iemand hem vraagt naar zijn succesvolle carrière als springruiter zegt hij: ‘Ik had gewoon een goed paard’. 

    Omdat De lange weg naar Londen vanuit het gezichtspunt van de minzame Pahud is geschreven, wordt het geen heldenepos. Had Rijk zich tot dit perspectief beperkt, dan was het boek een interessant feitenrelaas geworden. Maar ze wilde meer, als journalist en als schrijver. Het lijkt of ze bij het schrijven van dit boek geen keuze heeft kunnen maken uit beide hoedanigheden. De journalist in haar deed nauwgezet onderzoek en raadpleegde zeven pagina’s aan bronnen, boeken, artikelen, websites, archieven en documentaires. Materiaal genoeg voor een meeslepend geschiedenisboek over een curieus onderdeel van het verzet tegen de bezetter. Waarom waagden verzetstrijders hun leven in een slopende, levensgevaarlijke overtocht naar Engeland om vervolgens per omgaande terug naar Nederland gestuurd te worden als spion, saboteur of infiltrant?

    Literaire opsmuk

    Rijk beperkt zich echter niet tot journalistieke verslaglegging. Als schrijver tracht ze literatuur van haar verhaal te maken, en als zodanig gaat ze de mist in. Zie niet alleen de hierboven geciteerde openingsregels. Verderop lezen we, ‘Een vrouw gehuld in een bontmantel en bontmuts komt hun tegemoet. Even kruisen hun ogen elkaar, een vriendelijke blik, en dan is ze uit zijn gezichtsveld verdwenen.’ Deze vrouw zal nergens in de zeven pagina’s aan bronnen te vinden zijn – ze dient puur als literaire opsmuk. Of, ‘Hun kamer telt twee losse bedden met een kleine handdoek over het frame aan het voeteneinde en een zalmkleurige sprei over de deken.’ De kleur van de sprei voegt op geen enkele wijze iets toe aan de zeggingskracht van het verhaal. En omslachtige formuleringen als, ‘In de woonkamer schenkt Wim cognac voor hen in. Pahud neemt dankbaar een glas aan en schuift zijn stoel naar de grote schouw met Delftsblauwe tegels en het kleine, warme vuur.’ Op deze manier duurt het bijna tot de helft van het boek voor er eindelijk schot in het verhaal komt. Naast journalist en schrijver is Marian Rijk ook redacteur. In die functie had ze haar alter ego’s op de vingers moeten tikken, wees het een of het ander, maar niet allebei tegelijk. 

     

     

  • Overleven in een wereld die tegen je is

    Overleven in een wereld die tegen je is

    Van de jonge Deense schrijver Thomas Korsgaard (1995) – in eigen land veel gelezen – verscheen zijn eerste roman uit 2016 in vertaling onder de titel Mocht er iemand langskomen. Het is het eerste deel van een trilogie waarin de belevenissen van de jongen Tue, opgroeiend in een dysfunctioneel boerengezin in het gehucht Nørre Ørum op het platteland van Jutland, centraal staan. Volgens Tue een voorstad van de duisternis. Korsgaard zegt dat hij zichzelf herkende – maar dan zonder de religieuze context – in De avond is ongemak van Lucas Rijneveld dat hij in Deense vertaling las.

    Hoofdpersoon Tue kijkt in afgeronde hoofdstukken terug op zijn kindertijd tot aan het behalen van zijn diploma aan de Folkeskole. In Denemarken zitten alle leerlingen van hun zesde tot en met hun zestiende jaar bij elkaar en kiezen dan pas voor een vervolgopleiding op gymnasium (vergelijkbaar met bovenbouw Nederlandse scholen) of voor een technische opleiding. Tue is volgens schoolhoofd Inga ‘bepaald niet dom’, dus wordt het gymnasium.

    Vanaf zijn vroegste jeugd is Tuevertrouwd met de dood. Die zit als het ware in hem, zoals hij zelf zegt. Zijn moeder krijgt een doodgeboren kind, hij moet zijn oom helpen met de bevalling van een dood biggetje dat vastzit in het geboortekanaal, waar hij met zijn kleine vingertjes bij kan en zijn vader doodt met een spa de ratten die in de keuken achter houten panelen verblijven. Het is voor een deel herkenbaar voor iemand die op het platteland is opgegroeid, maar daarom niet minder morbide. 

    Gemankeerde ouders

    Tue wordt omringd door gemankeerde ouders. Zijn moeder is na de doodgeboorte van haar kind depressief. Ze brengt haar leven door achter een laptop waarop ze kaartspelletjes doet en er een kapitaal doorheen jaagt. Ze houdt zich min of meer op de been door het slikken van ‘gelukspillen’. Als ze een zelfmoordpoging doet, wast Tue zijn moeders bloed af. Zijn vader Lars is een stoere, maar ook gevoelige man. Hij vecht met alle middelen tegen de financiële ondergang van zijn bedrijf en schuwt daarbij onoorbare praktijken niet. Vader komt min of meer onder curatele te staan van zijn broer die hem financieel overeind houdt. 

    Zijn ouders kunnen hem niet met zorg en liefde omringen. Zijn moeder vindt dat heel erg, maar kan niet uit haar eigen lethargie loskomen. Zijn ruige vader laat zich af en toe verleiden tot een uitje met zijn zoon, maar wordt langzamerhand ook wanhopig van zijn vrouw, zijn bedrijf en zijn kinderen. Tue voelt zich meer de opvoeder van zijn ouders, hij accepteert hun onberekenbaarheid en zombiegedrag. Op school is hij tegendraads, gaat zoveel mogelijk zijn eigen gang of brengt tijd door met vriendjes en vriendinnetjes. Ook die vrienden geven te denken. Hij wordt door hen vaak behandeld als oud vuil. School en dorp zijn een jungle, waarin hij moet overleven, bepaald geen veilige omgeving. Alleen met zijn zelfbewuste vriendin Iben, die uit een ander milieu komt, ontwikkelt hij een zekere vertrouwdheid. Zij verleidt hem tot de plaatsing van een oorbel, die hij thuis snel weer uitdoet als zijn moeder blijk van afkeuring geeft.

    Zo groeit Tue op in een wereld, waarin niemand zijn diepste gevoelens uitspreekt maar ze verpakt in stilzwijgen of in cliché’s. Niemand in deze roman komt bij zijn of haar gevoel. De onmacht op dit punt is groot, ook bij Tue zelf. Een mooi voorbeeld is een dialoog tussen Tue en zijn moeder voorafgaande aan de diploma-uitreiking van Tue. In de auto op weg naar de school vraagt Tue zijn moeder of ze wel blij is dat hij het diploma behaald heeft. Ze zegt ja. Tue vraagt hoe ze dat weet dat ze blij is. Moeder Lonny antwoordt ‘Dat weet ik omdat een moeder op een dag als vandaag blij hoort te zijn.’ 

    Overlevingsstrategie

    Door niet al te veel op te vallen en zich aan te passen aan de omstandigheden, kan Tue overleven in deze onherbergzame wereld. Hij komt erachter dat hij op jongens valt, wat hem nog geïsoleerder maakt. De enige bij wie hij zich echt op zijn gemak voelt is oma Ruth, bij wie hij graag logeert. Deze kettingrokende oma sterft echter nog voordat Tue zestien is. Zijn verdriet hierover kan hij niet uiten. Zijn moeder reageert hysterisch als zij sterft en sluit zich op in de badkamer. Tue krijgt slaande ruzie met zijn vader. Tijdens de koffie na de begrafenis gedraagt hij zich in de geest van oma en steekt een sigaret op. Terwijl hij zijn vader beloofde rookvrij te blijven zodat deze zijn rijbewijs wil betalen. Roken is trouwens erg dominant in dit boek. Iedereen doet het, terwijl het verhaal speelt in de jaren negentig, toen het al op zijn retour was. Roken biedt de onmachtigen troost en houvast.

    Het boek eindigt met een twee pagina’s vullende gedachtestroom van Tue. Het is een soort inleiding op deel twee. Zijn moeder is van huis weggelopen. Tue voorspelt dat ze terug zal keren om de kinderen met zich mee te nemen. Tue is ook van plan uit huis te gaan nu hij zijn diploma heeft, hij fantaseert erover hoe zijn vader op de boerderij zal overleven. Maar zijn vader is nog niet dood, daarom kan hij nu nog niet alles zeggen.
    Dat belooft nog wat voor het vervolg, waarop hij met deze monologue intérieur vooruitloopt. Korsgaard schreef dat vervolg al, nog twee delen liggen op vertaling te wachten, waarvan het eerste in november in Nederland verschijnt.

    Korsgaard heeft een rechttoe rechtaan, droevig stemmende roman geschreven die chronologisch verloopt. Hij heeft zijn eigen leven ervoor als grondstof genomen. Dat gegeven is verder niet van zoveel belang, behalve voor biografen. De roman bevat veel komische, bizarre en vermakelijke momenten. Korsgaards dialogen zijn erg goed en vol onverwachte wendingen. Dat maakt het lezen plezierig en interessant. Door het ontbreken van zelfreflectie bij de hoofdpersonen is het echter geen roman die tot inleving uitnodigt. Het is te veel en-toen-en-toen-en-toen. Niet het waarom, maar het wat en hoe wordt verteld. 

    Het stilzwijgen van zijn ouders is voor de jonge Tue bepalend, maar niet desastreus. Hij ontwikkelt zich mede daardoor tot een op zichzelfstaande jongen die zich leert te redden. In het nawoord bedankt de schrijver zijn moeder, omdat zij – toen hij nog klein was – hem verhaaltjes vertelde waarvan hij veel heeft geleerd. Zij is ook een slachtoffer geworden van de dood die in haar wortelschoot. 



  • Lezen over Oekraïne

     

     

     

    Grensland. Een geschiedenis van Oekraïne

    De oorlog in Oekraïne vraagt om meer kennis en inzicht om de huidige situatie te kunnen duiden.

    In het voorjaar van 2018 verscheen op deze website een verslag in drie delen van een bezoek aan Kiev dat recensent Huub Bartman een jaar daarvoor bracht aan deze nu zo onfortuinlijke stad. Bartman gaat daarin onder meer in op de geschiedenis van Oekraïne en geeft daarbij een aantal leessuggesties.

    Hieronder hebben wij er daarvan een paar voor u op een rijtje gezet. Maar lees vooral ook alle drie de artikelen, dat biedt meer samenhang. De link naar het eerste deel vind u hier. Vandaar uit kunt u door naar de delen twee en drie.
    Niet alle boeken zijn op dit moment nog verkrijgbaar, maar tweedehands of als e-boek kunt u ze waarschijnlijk nog wel vinden.

    Bij uitgeverij Van Oorschot is indertijd Grensland verschenen door hoogleraar Marc Jansen, met als ondertitel ‘Een geschiedenis van Oekraïne’, hier op Literair Nederland besproken door Adri Altink

    Lees hier de recensie van Adri Altink over Grensland.

    Een van de alinea’s luidt: ‘Oekraïne komt uit de Tweede Wereldoorlog te voorschijn als een Sovjetrepubliek, die door ‘de uitroeiing van de Joden, de deportatie van de Polen en de uittocht van de Duitsers’, zoals Jansen schrijft, ‘etnisch homogener (was) dan ooit. Maar dit ging wel gepaard met een aanzienlijke toestroom van Russen en druk op Oekraïners om zich meer aan de Russische omgeving aan te passen’. Als teken van de vriendschap met Rusland kreeg Oekraïne in 1954 de Krim ten geschenke – de donatie die in het conflict dat we in 2014 dagelijks krijgen voorgeschoteld, door Rusland als een historische vergissing wordt beschouwd. Wat in die naoorlogse jaren volgt is een nieuwe russificatie, waarin de terminologie verandert: Rusland heeft het niet meer over ‘inlijving’, maar over ‘hereniging’. Alsof slechts de geschiedenis recht wordt gedaan. Het lijkt in het vocabulaire van Poetin eveneens vetgedrukt te staan.’

    […]
    ‘Hij heeft een helder verhaal geschreven dat het inzicht vergroot in de achtergronden van het huidige conflict en het DNA van een nog zo kort als zelfstandige natie bestaande entiteit. Dat doet hij op voorbeeldige wijze. Het verdient alleen al bewondering hoe hij de lezer in alle chaotische verwikkelingen met vaak duistere motieven mee weet te nemen door nergens de grote lijn uit het oog te verliezen. Hij schrijft beeldend, laat literaire getuigen als Babel en Paustovski aan het woord, verheldert kernachtig begrippen, vermeldt betekenisvolle details en gebruikt smeuige citaten (‘Gratis kaas vind je alleen in een muizenval’). Bovendien is Jansen niet te beroerd om iets heel beknopt nog eens uit te leggen als het bij de lezer weggezakt mocht zijn’.

     

    Grensland. Een geschiedenis van Oekraïne
    Auteur: Marc Jansen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Oorlog en kermis

    Olaf Koens was jarenlang verslaggever in Rusland en de voormalige Sovjet-Unie voor de Volkskrant en RTL Nieuws. Zijn boek Oorlog en kermis begint met de verdrijving van de Oekraïense president Viktor Janoekovitsj en de daarop volgende annexatie van het schiereiland de Krim door Rusland in de winter van 2014.

    In verslagvorm schrijft hij in het eerste helft van zijn boek over de annexatie van de Krim en de daarop volgende pro-Russische separatistische burgeroorlog in het oosten van Oekraïne.
    De tweede helft van het boek gaat over Rusland. Daarin trekt hij langs de randen van dit onmetelijke land.

    Huub Bartman schrijft: ‘Een goed beeld biedt het prachtige boek Oorlog en kermis van Olaf Koens. Koens besteedt daarin veel aandacht aan het conflict in het oosten van Oekraïne. De titel duidt op de bizarre, krankzinnige realiteit waarin veel mensen in Rusland en Oekraïne leven.’

    Oorlog en kermis
    Auteur: Olaf Koens
    Uitgeverij: Prometheus

    Rode hongersnood

    Rode hongersnood vertelt over de hongersnood die ontstond als gevolg van het beleid dat Stalin initieerde, waarbij hij de Sovjetboeren dwong hun land en bedrijf op te geven voor nieuwe collectieve boerderijen. Daardoor ontstond een enorm gebrek aan voedsel dat tussen 1931 en 1933 de oorzaak was van vijf miljoen doden, de ‘Holodomor’.
    Uit de flaptekst: ‘Anne Applebaum onthult in dit boek dat drie miljoen van deze doden, in de Oekraïne, niet slechts slachtoffer waren van een ongelukkig beleid, maar eerder van een doelbewust plan om een groot deel van de Oekraïense bevolking te vervangen door Russischsprekende boeren. Oekraïne moest, naast de graanschuur voor de Sovjetsteden, een buffer worden tussen de Sovjet-Unie en Europa. Toen de provincie in opstand kwam, sloot Stalin de grenzen en stopte hij de toevoer van voedsel. Een ongekende en catastrofale hongersnood was het gevolg.’

    Rode hongersnood
    Auteur: Anne Applebaum
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Nestorkroniek

    Nestorkroniek gaat heel ver terug in de geschiedenis. Op de flaptekst staat: ‘De Nestorkroniek is de oudste Oost-Slavische bron voor de geschiedenis van het Kievse Rijk, dat door Russen, Oekraïners en Wit-Russen als hun bakermat wordt beschouwd. De kroniek is in het begin van de twaalfde eeuw geschreven door monniken van het Kievse Holenklooster. Zij schetsen een levendig beeld van de geschiedenis, cultuur en samenleving van het rijk, hier ‘Roes’ geheten, vanaf het midden van de negende eeuw tot het tweede decennium van de twaalfde eeuw.’

    Huub Bartman over Nestorkroniek: ‘In Nestorkroniek, in Nederlandse vertaling van Hans Thuis verschenen bij uitgeverij VanTilt, wordt gesproken over het goudkoepelige Kiev, verwijzend naar de honderden Grieks-orthodoxe kerken in de stad. Daarvan is het huidige Kiev slechts een flauwe afspiegeling, al zijn de vele kerken nog steeds karakteristiek voor de stad. Het gerenoveerde Holenklooster stamt nog uit de tijd van Kiev-Roes.’

    Nestorkroniek
    Uitgeverij: Van Tilt

    Aleksandra

    Niet opgenomen in het verslag van Bartman, want heel recent, is de vorig jaar verschenen roman Aleksandra van Lisa Weeda. Aleksandra is gebaseerd is op de geschiedenis van haar Oekraïense familie.

    Op verzoek van haar grootmoeder (1924) is Lisa Weeda in deze geschiedenis gedoken.
    Haar grootmoeder werd op 18-jarige leeftijd door de Duitsers gedeporteerd vanuit het oosten van de Oekraïne om te gaan werken in de Duitse oorlogsindustrie. Zij kwam na veel omzwervingen in Nederland terecht. Weeda reisde de deportatieroute van haar grootmoeder achterstevoren na en verwerkte haar ervaringen in haar debuut.

    Lisa Weeda werd eind vorig jaar in de Volkskrant uitgeroepen tot literair talent van het jaar 2022.

    Sinds 17 februari 2022 houdt zij een dagboek bij in de NRC. Dat begint als volgt: ‘In de middag bereikt het nieuws mij en mijn familie in Nederland. Mijn oudtante Nina zit samen met nicht Ira en haar dochter Olja in een schuilkelder in Stanitsa Loeganskaja, aan de frontlinie van het oorlogsgebied in Oost-Oekraïne. Er wordt al een paar uur gebombardeerd. Net als acht jaar geleden zitten ze onder de grond, op provisorische bedden, tussen bij elkaar geraapte meubels, met wat eten en drinken dat ze in alle haast hebben meegenomen, te wachten tot het schieten voorbij is.’

     

    Aleksandra
    Auteur: Lisa Weeda
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Roman over een jonge voetballer en een moeilijke broer

    Roman over een jonge voetballer en een moeilijke broer

    In de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Gerrit Janssens heeft elk hoofdstuk, op de cursief gedrukte inleiding en het slot na,  een puntkomma als aanduiding. Ook met de titel van het boek is iets aan de hand: Len, (komma). Die titel loopt namelijk door in de pagina voor het slot: en ik, (komma). En, wanneer het boek dicht is, ook op de onderkant van de rode zijkant van de pagina’s: Len, (weer die komma). Zo lijkt het op een doosje, waarin iedereen opgesloten zit. 

    Dit zegt veel over de inhoud van het boek: Len,. Het verhaal over twee puberende broers, de moeilijk opvoedbare Len en de jongere, voetballende Jon. De harmonie in het gezin is zoek. Dat in de titel Len voorop staat, heeft te maken met het feit dat alle aandacht in het gezin naar deze moeilijke, extraverte zoon uitgaat in plaats van naar de introverte Jon.

    Nabijheid en verwijdering

    Het is geschreven vanuit het jij-perspectief: ‘Jij besloot onze onmogelijke jeugd samen achter te laten. Jouw silhouet vind ik niet meer bij de lijn. Plots dringt tot me door dat ik het jaren zonder jou zou moeten doen.’ Dit schept afstand, en het is de bedoeling dit ook op de lezer over te brengen. En die puntkomma’s, die werken, zoals Maarten Asscher eens heeft gezegd, als ‘een schriftelijk uitgeroepen denkpauze (…) waarin de auteur en de lezer voor niet al te korte, maar ook niet al te lange tijd misschien wel dichter bij elkaar zijn dan elders in de eigenlijke tekst’. Met andere woorden: er wordt respectievelijk afstand bewaard én geprobeerd naderbij te komen. Dat is in één zin samengevat wat er gebeurt en waar Janssens wonderwel in slaagt om dit over te brengen. 

    Het verhaal wordt in feitelijke bewoordingen verteld, compleet met optie een, twee en drie, waarnaar de gebeurtenissen zich vorman. Optie een betekent dat ‘je een gewone dag had’. Optie twee wil zeggen, dat je ‘niet uit bed te krijgen was’. En optie drie, dat ‘je op het dak zit’, dan maakt Jon rechtsomkeer en wacht met naar huis gaan. Jon voelt zich thuis in het clubhuis van de voetbalclub. Waar het zo anders is dan thuis, waar hij ‘niet de voetballer [is] die zich vastbijt’, maar volgzaam is en elk verzet opgeeft.  Afstand en nabijheid wordt in kleine, opeenvolgende zinnen raak getroffen: ‘Ons gezin als een slangetje van vier’, de bergen in, ‘meters tussen elk van ons (…). Jij, die met gemak steeg en daalde’, als in het dagelijks leven thuis, tussen dak en woning. Een andere versie van hetzelfde. Goed en niet goed, iets anders wordt het niet, hoezeer de ouders dit ook verwachten.

    Voetbal als thuiskomen

    Janssens laat regelmatig een werkwoord in een zin weg (ellips) waardoor de suggestie wordt gewekt dat alles in afwachting is op dat, waar de ouders op hopen. Bijvoorbeeld: ‘De ontbijttafel de avond ervoor gedekt, maar de vloer van een gewone dag’, vies. ‘Ik wil niet dat deze ochtend ontploft. Niet. Deze. Ochtend’. Een ochtend die als wrakhout moet zijn, ‘om ons aan vast te klampen voor de dagen waarop ik van school thuiskom en jij op het dak zit’.
    Jon gaat op in het voetbalspel, zoals zijn moeder, die lerares is, in haar boeken. Pas in de kleedkamer van de voetbalclub verwisselt hij van kleding, zijn identiteit als broer van een moeilijke jongen en meegaande zoon daarmee achter zich latend. De Jon die thuis en op school mee moet in een ritme dat hem niet past, die ambivalente emoties heeft tegenover zijn broer en ouders en min of meer een dubbelleven leidt,  laat zijn opgekropte gevoelens als uit een ventiel ontsnapte lucht gaan, om daarna weer in zijn rol van welwillende en meegaande zoon te stappen. 

    Jon ziet het niet als de moeilijke Len een pas in zijn richting zet. Wél dat zijn vader interesse begint te tonen voor voetbal. Hij blijft in zijn eigen wereld, hoeveel hij ook van zijn vader houdt en hoezeer hij ook verdrietig is als Len, die achttien jaar is geworden en zijn diploma heeft gehaald, naar Nieuw-Zeeland vertrekt, zo ver als maar mogelijk is. Zelf gaat Jon voetballen in Rostock. Hij ís voetbal. Ze blijven deel uitmaken van het gezin, al wonen ze niet meer onder (of op) hetzelfde dak.

    Prachtige catharsis

    Eén keer ontmoeten de twee volwassen jongens elkaar nog, wanneer Jon opeens voor Lens deur staat. En dat is een prachtig beschreven catharsis van deze mooie roman. Len verzoent zich met zijn broer en beiden hebben een perspectief op een toekomst. Vandaar die komma – het leven gaat door.
    En die puntkomma? Ja, dat is zoals Asscher het zegt. Want zelfs voor wie voetbal niets zegt, is dit een roman om met volle teugen van te genieten en te waarderen. Daar heeft Janssens wel voor gezorgd.

     

     

  • Oogst week 50 – 2020

    Een man zijn

    Wat betekent het een vrouw te zijn, wat betekent het een man te zijn? Kunnen vrouwen zich beschermen tegen de slechte kant van mannen? Waarin schuilt de menselijke zwakte? Na vier romans laat de Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss met de bundel Een man zijn zien hoe lastig het is licht op deze hachelijke vragen te werpen. Beeldende en soms vervreemdende verhalen spelen zich af in de huidige tijd en overal ter wereld. De mannen zijn verleiders, minnaars, vaders, kinderen en zelfs echtgenoot. Een oude professor neemt zijn pasgeboren kleinkind mee naar het dakterras van een appartementengebouw. Een jong meisje heeft van een zakenman een briefje van 500 franc gekregen waarop het nummer van zijn hotelkamer vermeld stond. Een danseres is zo verregaand gefascineerd door de acteur Homayoun Ershadi in zijn rol in de film Taste of cherry dat ze ervan overtuigd is hem te moeten behoeden voor de zelfmoord die hij in die film pleegt. Krauss plaatst haar personages overal, van Zwitserland tot Japan en  Zuid-Amerika. Alle leeftijden zijn paraat, evenals levenservaringen met macht, sex, zelfkennis, passie en ouder worden. Sommige van deze meeslepende verhalen verschenen eerder in tijdschriften als Esquire en The New Yorker.

    Een man zijn
    Auteur: Nicole Krauss
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Walging

    Jean Paul Sartres wereldberoemde Walging (La Nausée) verscheen voor het eerst in 1938 en is sindsdien vele malen herdrukt en heruitgegeven. De belangstelling voor filosoof Sartre en het existentialisme is nog altijd groot. Uitgeverij Atheneum heeft Walging nu opnieuw uitgegeven.
    De verteller, historicus Antoine Roquentin, heeft zich uit de wereld teruggetrokken om een studie te schrijven over een achttiende-eeuwse markies. Teruggeworpen op zichzelf ziet hij zich geconfronteerd met niet alleen zijn eigen existentie maar met het hele bestaan, de hele wereld. Alles roept walging bij hem op, een walging die Sartre zintuiglijk beschrijft. Illusies heeft Roquentin na een bewogen leven al lang verloren. In zijn isolement gaat hij twijfelen aan zijn eigen gewaarwordingen, aan het verschil tussen dingen en mensen en aan de betekenis van het menselijk bestaan. Zijn zelfherkenning is hij kwijt. Het verhaal over de markies verdwijnt naar de achtergrond en Roquentin geeft zich over aan observaties van anderen. Het trachten te duiden van alles en iedereen doet hem tot de conclusie komen dat de mens een overtollig wezen is. Sartre schreef het werk na bestudering van de fenomenologie.

    Walging
    Auteur: Jean-Paul Sartre
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het lichtje in de verte

    Ook eenzaam en alleen in een totaal verlaten bergdorp leeft Antonio Moresco’s hoofdpersoon in Het lichtje in de verte (2013). De dakpannen van zijn onderkomen vallen van het dak, deuren in leegstaande woningen sluiten niet meer, luiken klapperen. In huis hoort de man vreemde geluiden, hij voelt de aarde bewegen. Hij is nietig tegenover het universum en heeft daar vrede mee. Zwervend door het bos voert hij een dialoog met bomen, luchtwortels, vogels, dassen, vuurvliegjes en alle andere levende wezens en vraagt hij zich af wat mens en dier bindt. Hij piekert over het bestaan. ‘Waar kan ik heen om die ravage niet langer te zien, die onherstelbare, blinde wringing die ze leven hebben genoemd?’ Maar iedere nacht ziet hij op hetzelfde tijdstip aan de andere kant van de vallei een lichtje branden. Het intrigeert hem en uiteindelijk gaat hij op onderzoek uit, om een jonge jongen, een kind nog, te vinden die alleen in een huis in het bos woont. Wie of wat is dit kind? Op ontroerende en bespiegelende wijze toont Moresco de pijn van de wereld, en het niets, het absolute en het mysterieuze. In 2018 werd het boek verfilmd. Antonio Moresco speelde zelf de hoofdrol.

    Het lichtje in de verte
    Auteur: Antonio Moresco
    Uitgeverij: uitgeverij Oevers