• Oogst week 24 – 2022

    Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen

    In de serie Privé-domein is Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen van de Russische romancier, toneelschrijver en dichter Anatoli Mariëngof (1897-1962) uitgegeven. Het zijn de prachtig en soms humoristisch geschreven memoires van zijn kindertijd en zijn volwassenwording aan de beginjaren van de revolutie. ‘Mijn ouders kleden mij op hoogst krenkende wijze: niet in een broek, zoals het een man betaamt, maar in jurkjes, blauwe en roze,’ zo begint Mijn eeuw…

    Mariëngof kwam uit een adellijke familie en stond bekend als een dandy en een nihilist. Hij was bevriend met de populaire dichter Sergej Jesenin met wie hij de ‘imaginistische school’ oprichtte, een Russische poëziestroming en dichtersgroepering waarin de inhoud van de poëzie ondergeschikt was aan het beeld. Door fricties hield de beweging na een paar jaar op te bestaan. Het laatste imaginistische product was Mariëngofs boek Roman zonder leugens (1927), een schandaalroman omdat hij veel details over het vrije liefdesleven van Jesenin bevatte, die inmiddels zelfmoord had gepleegd. Daarna volgden nog twee schandaalromans.

    In de flaptekst van Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen staat onder meer dat het een wonder is dat Anatoli Mariëngof de Stalinterreur overleefde; hij noemde de Rode Revolutie een gehaktmolen en tijdens de proletarische gelijkschakeling wandelde hij in maatpak en hoge hoed door Moskou. De Sovjetautoriteiten zagen hem als subversief en er werd nog nauwelijks iets van hem gepubliceerd. Hij werd vergeten. Eind jaren tachtig werd zijn werk herontdekt.

     

    Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen
    Auteur: Anatoli Mariëngof
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De toekomst van het sterven

    Marli Huijer, arts, filosoof en columnist, schreef een voorlichtingsboek over dood gaan: De toekomst van het sterven. Dat sterven is aan het zicht onttrokken, concludeerde de gepensioneerde hoogleraar publieksfilosofie. Zij ziet dat ouderen graag gezond willen doorleven tot hun honderdste en dan in een klap overlijden, in dat idee gesteund door verouderingsdeskundigen en transhumanisten. In de praktijk gaat het zo niet, de aftakeling begint meestal kort na het pensioen en duurt gemiddeld een jaar of vijftien. Maar mensen hebben niet meer geleerd hoe goed te sterven.

    In Trouw van 31 mei zegt Huijer, zelf 67: ‘Ik houd niet van het woord zin − dingen hebben geen zin. Betekenis is wat je met elkaar ontwikkelt, (…) Het draait om nabije relaties. Vandaar dat heel oude mensen, van wie de vrienden, kinderen soms ook, overleden zijn, er geen zin meer in hebben. De betekenis is weg.’

    In haar boek probeert ze antwoord te geven op hoe we omgaan met de laatste levensfase, met ziektes en aftakeling en de vraag of mensen zich daarmee (willen) voorbereiden op de dood. Ze hecht waarde aan het zoeken naar het juiste moment van sterven. En als de hele samenleving steeds ouder wordt, zijn de kosten van de zorg dan nog op te brengen? Huisartsen en wijkverpleging zijn overbelast en van de 80-plussers voelt twee derde zich eenzaam. Behalve naar wat de laatste levensfase voor individuen en hun omgeving betekent kijkt Huijer ook naar de consequenties op het maatschappelijke en het politieke vlak.

     

    De toekomst van het sterven
    Auteur: Marli Huijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Toen wij vogels waren

    Toen wij vogels waren is de eerste roman van Ayanna Lloyd Banwo, Trinidadiaans schrijfster met een graad in creatief schrijven van de Universiteit van East Anglia. In een interview met Pen Transmissions zegt zij dat ze het boek schreef ‘met een inheems gevoel voor religie en spiritualiteit, waar de tijd niet lineair is, waar de levenden en de doden niet zo ver van elkaar verwijderd zijn als we misschien denken.’ Dus bevat het tijdloze thema’s als liefde, romantiek, magisch realisme, traditie en fantasie.

    In het fictieve Port Angeles, gelijkend op Port of Spain, de hoofdstad van Trinidad en Tobago, arriveert Darwin die als grafdelver gaat werken, het enige werk wat hij kan vinden en nodig heeft om zijn zieke moeder te ondersteunen. Zij hangt het rastafarigeloof aan waarin de doden de doden moeten begraven. Graf delven gaat daar regelrecht tegenin.
    Op de uitgestrekte oude begraafplaats, vol met geheimen en problemen, ontmoet Darwin Yejide. Hun beider lot zal onuitwisbaar met elkaar verbonden raken.

    Yejides moeder stamt af van de corbeaux, zwarte vogels die bij zonsondergang naar het oosten vliegen met de zielen van de doden. Zij kan met de doden communiceren en hen helpen vrede te vinden. Als haar moeder sterft, erft Yejide dit ‘geschenk’ waarvan ze niet weet of ze het wel wil. Haar grootmoeder vertelde haar verhalen over de tijd voor de tijd, toen de dieren konden praten en vredig met elkaar samenleefden. ‘Maar op een dag loopt een krijger het woud in. Hij ziet dat er volop dieren zijn om op te jagen en vruchten om te eten. Wanneer hij naar de bomen kijkt, ziet hij alleen de huizen die hij kan bouwen en (…) het land (…) ziet hij alleen wat hij kan nemen. De dieren proberen met hem te praten (…) maar hij kent hun taal niet en dus kan hij ze niet verstaan.’ Er komen meer krijgers, en boeren, en priesters. Oorlog volgt. De dieren verdwijnen en vele van hen veranderen in vogels. Volgens The Guardian echoot Dickens in dit liefdesverhaal over een doodgraver en een medium. The Observer noemt het een meesterlijk debuut en de New York Times Book Review roemt het mythische en boeiende.

     

    Toen wij vogels waren
    Auteur: Ayanna Lloyd Banwo
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    In november van dit jaar verscheen er een biografie van L.Th. Lehmann, die in 1920 werd geboren in Rotterdam en in 2012 in Amsterdam overleed. Het is een open deur om deze kunstenaar te kwalificeren  als ‘veelzijdig’, maar toch: Lehmann was dichter, danser, componist, romancier, vertaler en recensent. Hij tekende en maakte collages, en bovendien studeerde hij rechten en archeologie, welke laatste studie hij op 75-jarige leeftijd bekroonde met een proefschrift over Griekse galeischepen. Lehmanns biograaf Jaap van der Bent noemt hem ingevolge deze veelzijdigheid niet zozeer een homo universalis, wel een multitalent, maar bovenal: ‘de perfecte amateur’.  

    Dertig jaar geen poëzie

    Als dichter werd Lehmann onder meer bekend omdat hij tussen 1966 en 1996 juist in het geheel géén poëzie publiceerde (na tussen 1940 en 1966 minstens negen bundels te hebben gepubliceerd, waaronder zelfs – op 27-jarige leeftijd – een uitgave met de titel Verzamelde gedichten). En omdat Lehmann ook weigerde gedichten bij te dragen aan bloemlezingen (‘Gij zult niet bloemlezen’) dreigde zijn werk in de vergetelheid te geraken. In 2000 – het jaar dat de dichter tachtig werd – verscheen een verzamelbundel van bijna 700 pagina’s, die een bundeling behelsde van zijn werk uit de periode 1939-1998. Sindsdien verschenen nog tal van grotere en kleine publicaties – zelfs een kookboekje – mede gepubliceerd in eigen beheer door Lehmanns levensgezellin Alida Beekhuis, onder het imprint Gouden Reaal. 

    De biografie is een goede aanleiding om een bundel gedichten van Lehmann voor de dag te halen, een van zijn laatste ‘reguliere’ publicaties bij De Bezige Bij, Wat boven kwam. Meteen de opening van de bundel zet al de toon.

    ‘Van mij kan men zeggen
     dat ik mij verlies
     in kleinigheden.
     Maar ook
     dat ik mij erin vind.’

    Klankgedichten

    Wat volgt is een verzameling gedichten in allerlei vormen, soms vrij en kort, soms een rijmend sonnet. We komen verwijzingen tegen naar onder meer Nietzsche, Mozart, Bach, Albert en Jacob Cuyp, Rudy Kousbroek, Stendhal, Longfellow. Er zijn gedichten over vogels in de stad, en over enkele plaatsen, zoals Ruigoord, Brussel, Rio de Janeiro, Parijs (in 1953) en het zuiden van de V.S. Evident is ook Lehmanns liefde voor surrealisme, taalspel en speelsigheid in het algemeen, wat bijvoorbeeld blijkt uit een zuiver klankgedicht als, 

    ‘Pseudo-dada

     Rellebelère umta
     kroeboel
     uswoziwoe holar
     krepasruum
     jalspi
     uurnamuurnam jofi
     bralbam
     snilsko
     jupatfotla
     bidorwummis klarg
     iskato
     joebltka feerfo.’

    Wie mocht denken dat deze merkwaardige dichter alleen met opgewekte producten voor de dag komt kunnen we uit de droom helpen (zoals hij mogelijk zichzelf uit een droom hielp) met: 

    ‘Waar verhaal

     De toekomst is dit:
     dat vlees en botten
     ’t bewustzijn afdanken
     en dan gaan rotten.’

    Het kortste gedicht in de bundel telt drie regels, het langste drie bladzijden. Zoals de kunstenaar Lehmannn niet te vangen is, zo is het eveneens met zijn gedichten. Want hij sluit deze uitgave ook nog eens af met drie gedichten van de Zwitsers-Argentijnse dichteres Alfonsina Storni (1892-1938), die Lehmann uit het Spaans vertaalde. Kortom, een bundel als Wat boven kwam vormt een prima opmaat naar een (hernieuwde) kennismaking met deze onnederlands speelse, originele en veelzijdige dichter. En het mooie is dat tegelijk met de biografie er ook een keuze uit het dichtwerk van Lehmann verschenen is, getiteld, ‘Gij zult niet bloemlezen, samengesteld door Erik Bindervoet. 

     

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann / Jaap van der Bent / 512 blz. /AFdH-uitgevers.
    Gij zult niet bloemlezen, Een keuze uit de poezie van Louis Lehmann / samenstelling Erik Bindervoet / AFdH uitgevers.
    Luister hier naar een marathoninterview (1990) van de VPRO met Louis Lehmann.

     

  • Subtiele metaforen en een poëtisch taalgebruik

    Subtiele metaforen en een poëtisch taalgebruik

    Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het nieuwe boek van Philippe Claudel is een sterke ‘Claudel’: geen overdreven metaforen of al te barok taalgebruik, die enkele andere boeken soms ontsieren. Nee, subtiele metaforen die zich pas bij herlezing prijsgeven en een prachtig, poëtisch taalgebruik zonder uitspattingen. Een rijp boek dat tot nadenken stemt van de inmiddels bijna zestigjarige Franse auteur. Want wat zich niet meteen prijsgeeft is een antwoord op de vraag: gaat het hier nu om een verhalenbundel of om een (soort) roman? Er zijn vijf hoofdstukken of verhalen die tussen 2016 en 2020 op zichzelf staand zijn geschreven. Er is een centraal thema (goed en kwaad) en er zijn elementen die in alle vijf hoofdstukken terugkomen.

    Alles speelt zich af in Duitsland, en zijn bijvoorbeeld de Biergarten in München en een fabriek steeds terugkerende plekken. Dan is er die andere verbindende factor: de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Tenslotte is er de figuur Viktor die overal in terugkomt, al kun je je afvragen of het steeds dezelfde Viktor is; soms wordt zijn naam als Victor gespeld. In ieder geval klinkt er ‘Victorie’ in door, maar ook Vic(tim). In de ruimte tussen die twee, tussen Viktor en Victor, victorie en victim kun je als lezer zelf kruipen: wat zou ik hebben gedaan? Je zou het een grijze lacune kunnen noemen, met een knipoog naar de titel van een van Claudels bekendste boeken, Grijze zielen. Claudel veroordeelt zijn personages niet. En staat die leemte misschien symbool voor de lijmranden van een in scherven gevallen roman, die als verhalen aan elkaar zijn gelijmd, én voor de wereld die door en tijdens de oorlog kapot viel. 

    Aardappelsoep en zwart brood

    Het eerste hoofdstuk gaat over een leeftijdloze, gewonde soldaat die onder een den ontwaakt uit een droom. Hij denkt aan het kamp, waar zijn collega Viktor de gevangenen schillen toewierp als waren ze kippen of varkens, en hij zelf lijsten met namen opstelde en zo de transporten voorbereidde. Op het eind vindt de ik-figuur een fabrieksruimte waarin hij denkt te kunnen schuilen. In het tweede hoofdstuk is de ik-figuur een bijna negentigjarige, knorrige en bijna dove man. Hij heeft een vrouw, een zoon en Anne, een thuishulp die drie keer per dag komt. De weinige dingen die hij nog kan, zijn ruiken en zich dingen herinneren; belangrijke thema’s in de boeken van Claudel.
    De oude man denkt terug aan het Adagio uit de eenenzestigste symfonie van Joseph Haydn die hij eens hoorde, en ‘de bruinharige vrouw’, waarmee hij als vijftienjarige op een avond in mei zijn eerste seksuele ervaring beleeft. Hij bewaart ‘herinneringen aan haar gekreun, aan de kreten die ze verbeet tussen haar lippen, aan haar ademhaling als van een klein dier’. Zijn vader is in de nacht gebleven. Moeder en zoon eten elke avond aardappelsoep en zwart brood. Al etend brengen ze zich letterlijk de Tweede Wereldoorlog binnen, waar in de kampen immers aardappelsoep en zwart brood werd ‘geserveerd’. 

    Groot en klein kwaad

    In het derde, wellicht sterkste hoofdstuk, zet Claudel het grote en het kleine kwaad naast elkaar en laat het aan de lezer over of dit zinnig is. Er wordt een burgemeester opgevoerd, een vaak voorkomende figuur in de boeken van Claudel die alleen met zijn beroep en verder naamloos wordt opgevoerd. Voorts is er het zeventienjarig meisje Irma dat – zoals bij wel meer meisjes van die leeftijd bij Claudel – niet zo bijster intelligent is. Irma krijgt via de burgemeester een baan in een bejaardenhuis, een sociale werkplek, waar ze zijn zoon, Viktor, moet voeren. Een van de weinige dingen die Viktor nog heeft, is een portefeuille met een zwart-witfoto van een ‘groep glimlachende soldaten met aangelijnde honden en wagons op de achtergrond’. Omdat Viktor zo moeizaam eet en zij vaak trek heeft, eet ze het merendeel zelf op. De man vermagert zienderogen en sterft. ‘Bloedarmoede. Ouderdom’, meent de huisarts.

    Gedeconstrueerde levens

    Het vierde deel van het boek is faction over de schilder Franz Marc (1880-1916). Claudel laat hem de granaataanslag die Marc in 1916 het leven kostte als psychiatrisch patiënt overleven. In dit fantasieverhaal overlijdt hij pas in 1940. Viktoria Charles is expert bij een veiling van een veertigtal tekeningen van Marc. Hierop staan voornamelijk dieren afgebeeld; inderdaad de kern van Marcs werk. Waarbij aangetekend moet worden dat niemand de tekeningen gezien heeft. Gegevens over deze veiling in de pers worden afgewisseld met een dossier van het ‘geval Franz Moritz Wilhelm Marc’, psychiatrisch patiënt. Voorts is een interview opgenomen met Wilfried F. Schoeller, een bestaand auteur van het eveneens bestaande boek Franz Marc, een biografie.
    Zoals de nazi’s alle herinneringen aan het verleden wilden uitwissen, zo wordt in deze brokken het verhaal van Marc zowel gedeconstrueerd als weer opgebouwd, of zoals in dit verhaal te lezen is: ‘Voor het regime was het altijd zaak de realiteit te deconstrueren zodra die niet meer uitkwam en schade zou kunnen berokkenen, om het vervolgens te vervangen door een realiteit die op hun bevel, en hunner glorie, tot stand was gebracht’. 

    In het laatste hoofdstuk staat een nog geen tienjarig meisje centraal. Haar familie, bestaande uit vader, moeder, broertje en zijzelf werd door een soldaat die Viktor heet meegenomen naar een kuil, waarin allemaal ‘mannen- en vrouwenlichamen overal om haar heen, onbeweeglijk’ lagen. Zij en haar broertje overleven en worden door een boerin meegenomen.  Alles is verwoest en gebutst, zoals haar hoofd, dat kaal, ‘rond en gedeukt’ is. Ze gaat vaak op stap, de kleine, en slikt modder met speeksel door, internaliseert met andere woorden wat verwoest is, zoals de oorlog zelf ‘de meest onbeschaafde incarnatie van het lot is’. Op een dag loopt de kleine naar de fabriek waaruit een ‘monsterlijk geluid ontsnapte (…) een jammerklacht’. Ze ziet een verkoold lichaam liggen en praat ertegen. Zo vergeet ze haast de beelden van vroeger.

    Fantasie viert hoogtij

    Is Een Duitse fantasie nu een verhalenbundel of een roman? Is Claudel, de traditioneel schrijvende auteur een experimenteel pad ingeslagen, of staat hij op een of andere manier toch in de traditie van de Franse literatuur? Van beide wat lijkt het. Denk aan de ene kant aan titels als de Roman de la rose, wat ook geen roman is maar een gedicht. En aan de andere kant aan de titel van het boek waarin het woord ‘fantasie’ voorkomt.
    De auteur gaat daar zelf op in aan zijn ‘Aan de lezer’ aan het slot van het boek: ‘Het woord “fantasie” uit de titel is volstrekt niet ironisch bedoeld. Het moet worden begrepen in de muzikale en poëtische betekenis, die zoals bekend duidt op een werk waarin de subjectiviteit van de auteur de overhand heeft en zich onttrekt aan de strikte regels’ van vorm. Waarmee Claudel zich bekent tot de romantiek, waarin de fantasie hoogtij vierde. Wordt een oorlog niet altijd begeleid door muziek? Van de oude componisten tot de pianospelende Aehem Ahmad op de puinhopen in Syrië. Ook dit resoneert mee in dit nieuwe, sterke boek van Philippe Claudel, dat daarmee meer lagen heeft dan je na een eerste lezing denkt.

     

  • Oogst week 20 – 2021

    Tat tvam asi

    De nieuwe bundel – de twaalfde alweer – zeer korte verhalen van A.L. Snijders draagt de titel Tat Tvam Asi, dat in het Sanskriets betekent, ‘dat ben jij’. Een zegswijze uit de ‘Upanishads’, (gelukkig geeft de uitgever een verklaring over dit begrip op de achterflap van het boek). Het zijn esoterische, filosofische verhandelingen die binnen het hindoeïsme als heilig beschouwd worden, teksten waaraan elke vorm van sektarisme ontbreekt. Net als in de teksten van Snijders, waarin met de beste wil van de wereld geen enkel teken van sektarisme is te vinden. Wel vatten zijn zkv’s het leven geconcentreerd samen, denk daarbij vooral aan het leven van de schrijver zelf.

    Een zkv kan een korte inleiding van de schrijver op een brief van een lezer zijn, zoals in ‘Achter de wolken’. Snijders schrijft: ‘Mijn uitgever stuurde een bericht rond dat A.L. Snijders zou voorlezen op een festival in Twente. Publiciteit, we kunnen niet meer zonder publiciteit. Een lezer uit Thailand reageerde hij schreef:’ Waarna de brief van de lezer uit Thailand volgt, een zkv op zich, geheel in stijl van A.L. Snijders zelf. De lezer schrijft dat het lastig zal zijn het festival te bezoeken, woont al 27 jaar in Thailand, op een uur vliegen van Kunming in China, waarna de lezer een interessant verhaal over het oude China en over Kunming gaat vertellen, komt erop neer: lezer kan niet naar het festival kan komen.

    Veelal spelen de zkv’s rondom het huis van de schrijver, (schaapskudde voor de deur), ontmoetingen in het bos waar dagelijks gewandeld wordt, observaties in de trein, de supermarkt of tijdens boekpresentaties waarvoor de schrijver wordt uitgenodigd.

    De 337 zkv’s, geschreven in 2019 en 2020, zijn eerder gepubliceerd in onder meer de Vlaamse krant ‘De Standaard’, de VPRO-gids en de wekelijks voorgelezen zkv’s op zondagmorgen bij radio 4, die ook verstuurd werden naar de abonnees via de zogeheten ‘Graslijst’.
    Beelden kunstenaar Chantal Rens maakte de omslagillustratie en de prachtige fotocollages in het boek.

     

    Tat tvam asi
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: AFdH uitgevers

    Plint

    Wie denkt  bij het horen van de naam Plint niet aan poëzie? Gedichten als raamposters, op kussenslopen, (zodat al slapende de poëzie in je dromen verschijnt), dichtregels op servies en speciale dichtbundels, dat alles om kunst en poëzie onder de aandacht te brengen. Dit jaar bestaat Plint 40 jaar. In die jaren las de redactie van Plint ‘duizenden en duizenden gedichten’, waaruit ze de mooiste gedichten samenbrachten met het werk van beeldend kunstenaars of illustratoren.

    Voor het eerst zijn de mooiste combinaties uit 40 jaar Plint verzameld en op onderwerp gezet in 14 hoofdstukken. Gedichten van grote namen als Rutger Kopland, met illustraties van Co Westerik, en minder grote namen. Klassiekers en splinternieuw werk. Het boek is prachtig uitgevoerd, met vier leeslinten om niet tot een keuze beperkt te zijn. Ook een robuust boek, van minstens een halve kilo, met op het voorplat de dichtregel: ‘een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit’, van Bert Schierbeek.

    Het begin van Plint is overigens een uit de hand gelopen initiatief van een groep bevriende leraren uit Eindhoven. Die wilden in 1979 theatervoorstellingen maken en zochten naar middelen dit te financieren. Ze maakten posters voor scholen, dat werd zo’n succes dat er van die theatervoorstelling niets terecht kwam, maar Plint nu dus al zo’n 40 jaar bestaat.

    Leuk weetje is dat in de theaterwereld Plint een ander woord is voor ‘opstapje naar het podium’. En dat is wat Plint is, een opstapje, een eerste kennismaking met het werk van een dichter.

    In het boek zijn registers op dichter, kunstenaar en op titel.

     

     

    Plint
    Auteur: Samenstelling Mia Goes
    Uitgeverij: Uitgeverij Plint

    De tweede plaats

    In de nieuwe roman van Rachel Cusk  De tweede plaats, nodigen de naamloze schrijfster M en haar excentrieke echtgenoot, de beroemde schilder L uit om naar een afgelegen streek aan de kust te komen. De kunstenaar neemt het aanbod aan, maar brengt onaangekondigd een mooie jonge vriendin mee. L neemt met zijn vriendin de intrek in een buitenhuisje, de Tweede Plaats, naast het huis van M en haar gezin. M hoopt met hem te kunnen discussiëren over zijn werk en de kunst, maar de aanwezigheid van de mooie jonge vriendin blijkt een ontwrichtende invloed op de omgeving te hebben. Het wordt een logeerpartij die het hele gezin ontregelt.

    Het boek is een vertelling, M vertelt, als een achteraf navertelde gebeurtenis, het verhaal aan ene Jeffers, die de rol van toehoorder heeft. ‘Ik heb je weleens verteld, Jeffers, dat ik uit Parijs vertrok en in de trein de duivel ontmoette, en dat na die ontmoeting het kwaad dat gewoonlijk rustig onder de oppervlakte ligt, opwelde en zich uitstortte over alle aspecten van het leven. Het deed denken aan een besmetting, Jeffers: alles raakte ervan doortrokken en werd erdoor bedorven.’

    Voor wie bekend is met de boeken van Rachel Cusk, is dit een echt Cuskiaanse vertelling, scherp observerend brengt ze de positie van de vrouw ten opzichte van de man in beeld. Daarbij altijd nieuwe inzichten vrijgevend.

    De tweede plaats
    Auteur: Rachel Cusk
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Jules Deelder (1944- 2019) – Kleurrijk in stemmig zwart

    ‘Volgens het boekje had ik allang op het houten jassenpark moeten liggen, verklaarde een montere Jules Deelder in een interview ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag op 24 november 2019. Deze mijlpaal werd groots gevierd met een poëtische en muzikale happening in de Rotterdamse Doelen. Drie weken later, in de nacht van 18 op 19 december is de dichter, schrijver, performer, jazzmusicus, Sparta-supporter, stadsicoon én de eerste nachtburgemeester van Rotterdam dood – de stad in shock achterlatend.

    Dat Jules Deelder verschillende keren mijn pad heeft gekruist, kan ik, met enige verbazing, maar naar volle tevredenheid constateren. We schrijven allereerst 1984. In een kleine galerie aan de Vughterstraat in Den Bosch vindt op een druilerige zondagmiddag de opening van een kunsttentoonstelling plaats. Als pauzenummer, tussen de bubbels en oesters door, wordt een donkere, vampierachtige verschijning aangekondigd die het Brabantse geroezemoes al snel doet verstommen. Ene Jules Deelder uit Rotterdam, strak en zwart in het pak met een donkere vlinderbril op zijn neus. Hij neemt direct het woord en vuurt lichtelijk nerveus een mitrailleursalvo af op de stomverbaasde aanwezigen. Volledig uit het hoofd declameert hij het nog maar net uitgegeven gedicht ‘Portret van Olivia de Havilland’. Hij trakteert de toehoorders in razend tempo op zijn bekrompen jeugdherinneringen en de donkere jaren vijftig in het algemeen in ‘een wereld die van kwesties aan mekaar hing’:

    ‘We trapten bussie
    in verlaten straten
    en zochten spoor
    in van geheim door-
    drongen zomeravonden
    en kochten klapkauwgom
    met indianenplaatjes
    en het portret van
    Olivia de Havilland
    in een wereld die
    van kwesties aan me-
    kaar hing …’

    Eén ding wordt meteen duidelijk: kijken en luisteren naar Jules Deelder is een geweldige ervaring, maar maakt het wel moeilijk te volgen wat hij zegt. Net zoals alleen het lezen van Deelders werk ook niet de volledige impact daarvan aan de oppervlakte brengt. De dichter/performer, of zoals hij zelf placht te zeggen: aucteur, leeft als de ultieme vertolker van zijn eigen woordkunst. Het een kan niet bestaan zonder het ander. Het wonderlijke gevolg daarvan is, dat als ik nu een vers van Deelder onder ogen krijg, dat steeds sneller ga lezen en in mijn hoofd de dichter hardop met me meeleest.

    In de jaren ‘90 is Deelder regelmatig te zien in jazzcafé Dizzy aan de Rotterdamse ’s-Gravendijkwal. Dizzy is het enige café met een nachtvergunning waar onvermoeibare stappers zich verzamelen voor een laatste glas. In een hoekje achter de bar staat een draaitafelset met een uitgebreide verzameling grammofoonplaten. Jules draait jazz, onverstoorbaar en met zijn rug naar het cafépubliek gekeerd. Uit een meegebracht plastic tasje pakt hij het ene na het andere album, inspecteert de hoes – bril op het voorhoofd en neus op de tekst – alsof hij de plaat voor het eerst onder ogen krijgt. Zacht mompelend wisselt hij het ene nummer af met het andere. Niemand besteedt aandacht aan hem, zo heeft hij het het liefst.

    Jazzverleden

    ‘De jazz stamt van de negers
    De negers in Amerika

    De negers in Amerika
    stammen van huisuit uit Afrika

    Ze werden door ons Hollanders
    met schepen naar de States gebracht

    En bepaalde niet eerste klas
    maar als beesten vastgeketend in

    stinkende ruimen opeengepakt
    om aan de overkant – zo

    ze nog leefden – als slaven
    te worden verpatst

    Een zwarte smet op ons verleden
    maar hadden we ze niet gebracht

    hadden we nou geen jazz gehad
    en dat zou nog erger geweest wezen’

    Fietsend door de regio Rijnmond ontkom ik niet aan een ontmoeting met Deelder. In de fietsbuis van de Beneluxtunnel, tussen Pernis en Vlaardingen, is het ontroerende gedicht ‘Voor Ari’ (1985) in grote letters op de tegelwand aangebracht. In normaal tempo is het vers woord voor woord te volgen, ga je iets sneller lijkt het alsof de dichter de woorden in zijn welbekende staccato over je uitstrooit. In dit gedicht over zijn toen pasgeboren dochter is Deelder op zijn best, in grote contrasten: nuchter en gevoelig, eenvoudig en diepgaand, schreeuwend en intiem.  

    ‘Lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld is rond
    en dat istie al lang

    De mensen zijn goed
    De mensen zijn slecht

    Maar ze gaan allen
    dezelfde weg

    Hoe langer je leeft
    hoe korter het duurt

    Je komt uit het water
    en gaat door het vuur

    Daarom lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld draait rond
    en dat doettie nog lang’

    In 2015 is Jules Deelder een van de optredende dichters tijdens de 33ste Nacht van de Poëzie in Utrecht. Het publiek, inmiddels opgewarmd door dichters als Pieter Boskma en K. Schippers, krijgt een razende voordracht van de serie ‘Rotterdamse kost’ over de culinaire eigenaardigheden van de doorsnee Rotterdammer voorgeschoteld. Daarna volgt een snoeiharde vertolking van ‘De hardnekkige Samaritaan’, een cynische verhandeling over hoe de dakloze de helpende hand verontwaardigd afwijst. Het gedicht is een vergaarbak van grofheden in Rotterdams dialect, vol met pleurt-op, tiefstralen, ruggetuffer en zak-in-de-stront. Onder een daverend applaus van het opgefriste publiek is Deelder zeven minuten later alweer in de nacht verdwenen.

    De hardnekkige Samaritaan

    ‘Wat mij laats gebeur…
    Leggik erges langs de weg
    erges me roes uit te slape
    worrik wakker gemaakt door
    ’n halleve zool op een paard
    die vraag ovvikket koud hep?
    Ik zeg: vent krijg de dood-
    straf met je koud mafkees
    rot naar je familiegraf
    doet mijn een lol maar die
    gozer verstame verkeerd
    want die scheur in ene ze
    jas doormidde en wil de
    helleft an mij geve…!’

    Aan de Rotterdamse Binnenweg, naast het naar dochter Ari vernoemde café, staat sinds 2014 een standbeeld van Jules Deelder. Op het eerste gezicht een wat armzalig aandoend silhouet in donker metaal uitgevoerd. Toch is de ongrijpbaarheid en het onvoorspelbare van de dichter hier goed uitgebeeld, opnieuw als tegenstelling: volop aanwezig maar altijd op de achtergrond. Het beeld correspondeert wonderwel met de iets verderop aan de muur bevestigde Deelder-spreuk in neon: De omgeving van de mens is de medemens. Een prachtige ode aan een dichter die, maar al te vaak weggezet als oppervlakkige woordgoochelaar zijn geheel eigen register bespeelde en ons een indrukwekkend oeuvre heeft nagelaten. Rotterdam komt er wel weer bovenop, maar de poëzie zal zonder deze kleurrijke zwartkijker voor altijd anders klinken.

    Blues on tuesday

    ‘Geen geld.
    Geen vuur.
    Geen speed.

    Geen krant.
    Geen wonder.
    Geen weed.

    Geen brood.
    Geen tijd.
    Geen weet.

    Geen klote.
    Geen donder.
    Geen reet.’

     


    Jules Deelder was auteur bij uitgeverij De Bezige Bij waar hij meer dan vijfentwintig dichtbundels, zo’n vijftig prozawerken, meest verhalenbundels, alsook enkele toneelstukken en twee stripboeken in samenwerking met Rob Peters, publiceerde.

     

  • Hugo Raes mag wel weer eens herdrukt worden

    Op zeventien jarige leeftijd werd ik door een recensie van J.J. Oversteegen of  Hans Warren aangestoken om De vadsige koningen  (1961) van Hugo Raes te gaan lezen. Hugo Raes pakte mij met zijn stijl en onderwerpkeuze bij mijn kladden. Dit was een schrijver waar je als jongere van kon genieten, dat aansloot bij het moderne levensgevoel van de zestiger jaren. Zijn procedé in De vadsige koningen was de monologue intérieure, die hij vanuit de Engelse en Amerikaanse literatuur overgenomen had, zo begreep ik later. Hij was beïnvloed door Dos Passos, Joyce, Faulkner, Henry Miller, Bukowski, Kerouac, de Beat Poets, Céline en Louis Paul Boon. Ik was helemaal verrukt van zijn associatieve en lyrische teksten.

    Hugo Raes (1929-2013) was een Vlaamse schrijver, in de jaren zestig en zeventig een gevierd auteur in Nederland en België. Na zijn studie Germaanse talen werkte hij een periode in het middelbaar onderwijs. Als auteur schreef hij eerst poëzie en later proza, geëngageerde romans die aansloten bij de existentialistische stroming. In 1957 debuteerde hij met de verhalenbundel Links van de helicopterlijn. Daarna volgde zijn eerste roman De vadsige koningen bij De Bezige Bij. In de jaren zestig en zeventig was hij een belangrijk schrijver naast Hugo Claus, Jan Wolkers en Harry Mulisch.

    Wat ook interessant zou zijn om uit te geven, is zijn correspondentie met Anaïs Nin. Die brieven bevinden zich in het Letterkundig Museum in Antwerpen. Tip voor de serie Privé Domein van De Arbeiderspers. Hij schreef vrijmoedig over erotiek in bijvoorbeeld de roman Hemel en dier. Er waren zelfs recensenten die stelden dat hij op erotisch gebied de wegbereider is geweest voor de schrijvers Cremer en Wolkers.
    Raes raakte echter geleidelijk uit de literaire gratie doordat hij steeds meer naar het fantastische en sciencefiction-achtige genre uitweek. Een genre dat voor de literaire wereld niet zo interessant is.

    Omdat zijn werk nog steeds goed is, pleit ik voor een revival van de schrijver en zijn boeken. Met De vadsige koningen past hij goed in het rijtje van de Great Dutch Novels.

     

  • Biografie aan de hand van schaarse bronnen

    Biografie aan de hand van schaarse bronnen

    Op de achterflap van de biografie De jonge Rembrandt staat, ‘Onno Blom, gelauwerd biograaf’. Waarbij de uitgever ongetwijfeld met dat gelauwerd Bloms biografie van Jan Wolkers (Het litteken van de dood) bedoelt, al ging zijn promotie daarop niet zonder slag of stoot. De vraag is dan ook hoe hij het er met betrekking tot Rembrandt vanaf heeft gebracht. Tekenend is het wel dat Blom zijn proloog begint met het woordje ‘ik’:  ‘Ik trok de deur achter me dicht en wandelde de stad in’, in dit geval Leiden, de woonplaats van Blom en geboortestad van Rembrandt. Of zoals de auteur schrijft: ‘Ik had het gevoel of ik bij hem naar binnen keek. Alsof niet alleen zijn leven als een film voorbij trok, maar ook dat van mezelf’.

    Intiem en wereldwijs

    Onno Blom begint zijn biografie met historische gegevens over Leiden, om te kunnen concluderen dat de stad waarin de schilder werd geboren ‘intiem en wereldwijs’ was. Daar past het beeld bij van een jongetje dat ‘eindeloos krijttekeningen zal hebben zitten maken bij het laatste licht van de walmende olielamp’. Het is mooi verwoord, maar net zo speculatief als de zin ‘De spiegeling van de zon in de Rijn, dat was het eerste licht dat de ogen van Rembrandt moeten hebben gevangen’. Het verhaal in Leiden moet immers kloppen. Als er had gestaan: ‘De spiegeling van de zon in de ogen van Rembrandts moeder’, Cornelia Willemsdr van Zuytbroeck, had het echter ook geklopt. Niet zozeer met twee respectievelijke schilderijen uit de vroege periode van de Leidenaar, maar als kenmerk van het werk van de barokschilder in het algemeen.

    Hier en daar nuanceert Blom zijn eigen beweringen: ‘Rembrandt hield van honden. In elk geval hield hij ervan ze te tekenen, etsen en schilderen’ staat er dan bijvoorbeeld. Dat laatste valt te bewijzen, het eerste niet.
    Als hij al te enthousiast wordt, bijvoorbeeld ten aanzien van de volumen inscriptionem uit 1622 (inschrijvingslijst van de Leidse Academie), waar in 2019 Rembrandts naam op werd teruggevonden, wordt zijn schrijfstijl wat slordig. Of er sluipt wat goedkope humor in het verhaal; wanneer in het verlengde van de in vuur en vlam staande onderwereld – geschilderd door Rembrandts eerste leermeester Jacob Isaacz van Swanenburg – wordt gesproken over het chiaroscuro dat Van Swanenburg in Napels zag bij Caravaggio, waarover hij ‘ongetwijfeld’ (!) had verteld, en dat wordt omschreven ‘als de vonk in een kruitvat’.

    Schaarse bronnen

    Aanmerkelijk sterker is het hoofdstuk waarin Blom Rembrandts vroege Amsterdamse werk vergelijkt met dat van zijn latere leermeester Pieter Lastman. Hier toont hij ook bescheidenheid, als hij tal van interpretaties van Het Leids historiestuk (1626) de revue laat passeren en concludeert dat hij niet zou durven zeggen welke de juiste is. ‘De kunsthistorici durven het wel, maar die spreken elkaar dus tegen.’ Hier laat Blom de schilderijen van leermeester en leerling zelf spreken en passen de vraagtekens die hij erbij zet.

    Blom weet deze biografie goed op te bouwen op grond van enkele schaarse bronnen, veel fantasie en een literaire schrijfstijl. Het is nog net geen spel met echt en nep, zoals Ilja Leonard Pfeijffer dat rond de laatste drie schilderijen van Caravaggio doet in zijn roman Grand Hotel Europa. Wel zijn er overeenkomsten: de woorden ‘misschien’ en ‘heel wel mogelijk’ komen in beide boeken opvallend vaak voor. Het verhaal over Caravaggio’s laatste werken – dat ook in de biografie van Rembrandt wordt genoemd – is bij Pfeijffer verwerkt in een roman die heel Europa beslaat; het leven van Rembrandt als biografie is beperkt tot Leiden, met een uitstapje naar Amsterdam. Dan zijn er de vele herhalingen, bij Pfeijffer tot vervelens toe over onder meer het reukwater dat hij gebruikt, in beide boeken. Ook hanteert Pfeiffer eenzelfde soort humor: Venetië is een zinkende stad, die ‘geen alternatieve economie meer [heeft] waarmee de stad drijvend kan worden gehouden’.

    Ondanks de vele speculaties over Rembrandts leven in deze biografie zou het niet verbazen als de vlot lezende en verzorgde uitgave van De jonge Rembrandt met zijn vele kleurenafbeeldingen niet ook voor een of meer prijzen wordt genomineerd. Zoals de roman van Pfeijffer genomineerd werd voor de Libris Literatuur Prijs  en de NS Publieksprijs 2019.

     

  • Indrukwekkend interview met een groot schrijver

    Indrukwekkend interview met een groot schrijver

    Op de vraag waar zijn verhalen vandaan komen antwoordt de Israëlische schrijver en vredesactivist Amos Oz: 
’Wat is een appel? Waar is hij van gemaakt? Water, aarde, zon, een appelboom en een beetje mest. Maar hij lijkt op niets van dat alles. (…) Zo is het ook met een verhaal. Het is ongetwijfeld gemaakt van een totaal aan ontmoetingen, ervaringen en observaties.’ 
Het is een van de vele uitspraken van Amoz Oz (1939 – 2018) in de gesprekken die hij had met zijn Israëlische redacteur Shira Hadad tijdens en na hun samenwerking bij het uitbrengen van zijn roman Judas (2014). 
Die gesprekken zijn opgenomen, uitgewerkt en geredigeerd en vormen de hoofdstukken van een mooi zelfportret van de Israëlische schrijver.

    De hoofdstukken zijn naar onderwerp gerangschikt en Oz vertelt onbeschroomd over zijn eenzame jeugd, de zelfmoord van zijn moeder, het kibboetsleven, de seksualiteit aldaar, de toename – bij het ouder worden – van humor en relativering in zijn boeken en ten slotte de onvermijdelijk naderende dood. Ook zijn positie als voorstander van de twee-landen-oplossing in het steeds meer verhardende politieke klimaat in Israël komt uitvoerig ter sprake.

    ‘Eigenlijk heb ik altijd proberen te praten tegen Edith, de vrouw van Archie Bunker uit de televisieserie All in the family. Archie was een soort buurt-Donald Trump, die altijd racist zal blijven en alles met geweld zal willen oplossen. Zijn dochter Gloria en schoonzoon Michael zullen altijd gematigd en verlicht zijn en hoefden dus niet te worden toegesproken . Alleen Edith, door velen herinnerd als een belachelijke domme gans – juist zij staat af en toe open om overtuigd te worden, dan weer de ene kant op, dan weer de andere. (…) tot haar wendde ik me in mijn artikelen, tot haar sprak ik toen ik me nog liet interviewen en in discussie ging op tv.’

    Het meest wordt in Wat is een appel gesproken over het schrijven, waar Oz zijn eigen routines bij heeft; elke ochtend vroeg startend en kladje na kladje na kladje schrijvend en weggooiend tot hij iets geschreven heeft dat hem bevalt. Maar ook dat hoeft niet de definitieve versie van die scène te zijn, alles kan eindeloos herschreven worden. En eventueel zelfs na jaren arbeid toch weggegooid. Tevreden is hij eigenlijk nooit, maar je moet er als schrijver op een gegeven moment in berusten dat je niet beter kan dan wat er voor je ligt als eindproduct.

    ‘Weet je Shira, in elk boek zitten ten minste drie boeken: het boek dat jij hebt gelezen, het boek dat ik heb geschreven, dat noodzakelijkerwijs anders is dan het boek dat jij hebt gelezen, maar er is nog een derde boek: dat is het boek dat ik had geschreven als ik genoeg kracht had gehad. Genoeg vleugels. Dat boek, het derde, is het beste van de drie. Maar op de hele wereld is er behalve ik niemand die dat boek kent en behalve ik niemand die erom rouwt.’
    Wat is een appel is een indrukwekkend afscheidsinterview geworden van een groot schrijver die niet alleen dacht met zijn hoofd, maar ook met zijn hart.

     

  • Oogst week 26 – 2019

    Portugal! Portugal! Portugal!

    De laatste oogst voordat iedereen zijn biezen pakt voor een reis naar Portugal, of naar het strand met een literair tijdschrift. Milaan en Rome bezoeken met Paolo Cognetti of stop de nieuwste roman van Robert Seethaler in je koffer als je graag begraafplaatsen bezoekt.

    Lieke Noorman (1957) werkte jarenlang als journalist voor week- en dagbladen en schreef eerder een reisboek over Brazilië. Portugal bezocht ze dertig jaar geleden voor het eerst, en dat was niet de laatste keer. In Portugal! Portugal! Portugal! gaat ze terug naar de mensen die ze toen leerde kennen. Ze betreedt de fadolokalen van Lissabon en trekt de binnenlanden in. Tijdens deze reis heeft ze vele ontmoetingen met de Portugese locals: mannen van de stokvisvaart, (er bestaan in Portugal 365 bacalhourecepten (Iv/dG)) en grootgrondbezitters en landarbeiders die na de anjerrevolutie van 1974 vochten om de zuidelijke provincie Alentejo. Ook bezoek ze het geboortedorp van de vroegere dictator Salazar, de bedevaartgangers in Fátima en studenten in Coimbra, stad van tradities.
    Een boek vol herinneringen aan goede en minder goede (oude) tijden, daarbij steeds weer een beeld gevend van het Portugal van nu.

     

    Portugal! Portugal! Portugal!
    Auteur: Lieke Noorman
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Revisor 22

    Literair tijdschrijft De Revisor #22. getiteld Periferie heeft een vernieuwing ondergaan: andere uitgever, vormgeving en website. Met periferie als thema moet het wel gaan over de buitenranden, de randgebieden en de uitwassen, het achterland, bij uitstek de plaatsen om tijdens de zomervakantie naar toe te trekken. Weg van het datgene wat niet het centrum is, maar zich er wel toe verhoudt, uit voortgekomen is.

    Twaalf schrijvers hebben het woord periferie vanuit hun eigenheid onderzocht, wat het voor hen betekent. Het leverde een verzameling teksten op die van Brussel naar Istanbul, Luanda en Overschie gaan.
    In het midden van De Revisor ligt ‘Binnenin’, waarin gedichten staan waaromheen de verhalen en essays de grenzen opzoeken. De grenzen van het thema, een gebied, een gedachte. Twaalf bijdragen van: Esther Jansma, Arjen van Veelen, Ondjaki, Floor Milikowski, Rob van Essen, Maria Barnas, Charlotte van den Broeck, Çağlar Köseoğlu, Antonio Ortuño, Delphine Lecompte, Astrid Haerens en Jan van Mersbergen.

    En nog altijd, zoals bij oprichting (1974) door Dirk Ayelt Kooiman en Thomas Graftdijk gegrond werd, geldt voor De Revisor nog steeds ‘het scherpe oog voor kwaliteit’ bij gevorderde en beginnende schrijvers.

    Revisor 22
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido

    Sofia draagt altijd zwart

    Paolo Cognetti (1978) schreef meer dan de boeken waaronder De acht bergen (2016), die hem beroemd maakten. Sofia si veste sempre di nero (2012), verscheen in 2013 al eens in vertaling bij Polak & Van Gennep en werd onlangs door De Bezige Bij opnieuw uitgegeven onder de titel: Sofia draagt altijd zwart, in een herziene vertaling van Yond Broeke en Patty Krone.

    Het verhaal speelt in de jaren tachtig in Milaan en omgeving. Sofia is een dromerig meisje, zo droomt ze ervan gelukkig te zijn. Haar ouders zijn druk met zichzelf, moeder is manisch-depressief en verwaarloost haar dochter. Haar tante, een links activiste, ontfermt zich over  Sofia, die zich altijd in het zwart kleedt, alsof ze zich verbergen wil. Op haar zestiende doet Sofia een zelfmoordpoging, op haar achttiende vertrekt ze naar Rome voor een theateropleiding en zoekt daarna in New York naar erkenning als actrice. Uiteindelijk blijft Sofia vluchten, voor haar vrienden, voor haar ouders.

    Cognetti laat in deze roman het leven zien van een jonge vrouw die eenzaam opgroeit in een tijd waarin alles constant in beweging is.

     

    Sofia draagt altijd zwart
    Auteur: Paolo Cognetti
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Het veld

    In de nieuwste roman, Het veld van de Weense schrijver Robert Seethaler (1966), wordt aan de hand van de levensverhalen van overleden individuen die op het kerkhof begraven liggen, een beeld van het stadje Paulstadt geschetst. Levensverhalen die samen, door hun onderlinge verbondenheid een indruk geven van een persoon en vooral van een samenleving in een klein stadje. Hierbij de openingszinnen van het eerste hoofdstuk: De stemmen,

    ‘De man keek over de grafstenen dei als verstrooid over de weide voor hem lagen. Het gras stond hoog en insecten gonsden in de lucht. Op de afbrokkelende, door vlierstruiken overwoekerde kerkhofmuur zat een merel te zingen.’

    Voorwaar een aanrader voor wie ervan houdt begraafplaatsen te bezoeken, zich afvragend welke verhalen achter al die gestorven levens schuilgaan, en die altijd ook het verhaal van de stad, waar je je bevindt vertellen.

     

    Het veld
    Auteur: Robert Seethaler
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Het ongewone zien in het gewone

    Het ongewone zien in het gewone

    Schrijven. Daar ben ik mee bezig geweest, een leven lang. Het was mijn beroep om wat ik waarneem om te zetten in woorden. Ik moest mijzelf daartoe dwingen want het is een vermoeiend karwei. Maar het was ook aanlokkelijk, ik verbond me met iets dat een geheim vormde tussen mij en wat ik dacht waar te nemen, want wat je ziet is niet wat het lijkt. De tekening lezen, daar gaat het om: een bloeddruppel, een gevorkte tak in de vorm van een mens, de schedel van een eekhoorn naast een dennenappel, dingen die zich in je vast steken en verbindingsdraden vormen. Stap voor stap je weg vinden in die wereld van onverklaarbare verschijnselen en die verklaarbaar maken. Dat schenkt voldoening. Het ongewone zien in het gewone en omgekeerd.’

    In De twee rivieren blikt Inez van Dullemen terug op haar leven en haar werk, en op haar relatie met toneelregisseur Erik Vos. Naar eigen zeggen is dit haar laatste boek: ‘Ik vind het goed zo’.

    Dagboeknotities
    Ze heeft altijd dagboek gehouden en op de daarin gemaakte notities is dit boekje gebaseerd. Ze begint in december 2014 en eindigt in mei 2015. Daarin vertelt ze over haar fascinatie voor de zee, haar drang tot reizen, over haar ouders en haar vader in de oorlog, ze schrijft over toneel en het Appeltheater in Scheveningen waar haar man prachtige voorstellingen heeft gemaakt, over toneelschrijver en regisseur Lodewijk de Boer, over haar hekel aan het Boekenbal, over ouder worden, over de dood en Freddy Mercury, over de dichters Jan Arends en Pablo Neruda, maar ook over haar kleinkinderen en haar tweede huis in Frankrijk. Bij dat huis kwamen twee rivieren samen, wat Van Dullemen prachtig vond om te zien.

    Laatste boek
    Maar nu ze ouder is (89), is haar leven veranderd. Vrienden worden ziek en overlijden, het reizen gaat haar moeilijk af, het huis in Frankrijk is verkocht en het schrijven kost haar te veel kracht. Maar uit de herinneringen die ze hier heeft opgeschreven, blijkt nog steeds haar grote zeggingskracht en beeldend taalgebruik. Haar scherpzinnig waarnemingsvermogen levert fijnzinnige details op in de herinneringen die ze op papier heeft gezet.
    Een mooi voorbeeld:

    Land’s End. Ik hou mijn ogen dicht om beter te kunnen zien. Ook zonder ogen kun je zien hoe de wereld draait’, zegt koning Lear. Ik probeer met de ogen van mijn kinderen naar de zee te kijken, naar het einde van de zee, het lukt me maar half want tegelijkertijd voel ik de schaduw van het water dat ons omringt, het besef van eindigheid. Het heeft iets van de laatste lente die je meemaakt terwijl je weet dat je ongeneeslijk ziek bent. Dan ervaar je de lente niet als één uit een reeks maar als uniek en onherhaalbaar. Ik maak een gestolde werkelijkheid mee omdat plotseling het eeuwig herhalingspatroon wordt doorbroken. Op dit soort momenten verdampt in mij de mist van de tijd, alsof ik dwars door die mist heen een schaduw volg: tot hier, tot aan de plek waar we stonden. Waar ik nu sta: Land’s End.’

    Mocht dit inderdaad Van Dullemens laatste boek zijn, dan heeft ze een mooi ‘coda’ aan haar omvangrijke oeuvre gehangen.

     

     

  • Recensie door: Karel Wasch

    Wie het boek Wij drieën van Julia Blackburn wil lezen moet wel wat gewend zijn. De autobiografie van deze schrijfster is een mengeling geworden van bizarre dagboekfragmenten, herinneringen en flarden van brieven.
    Daarnaast zijn er in cursief veel dromen opgenomen van de schrijfster. Julia Blackburn publiceerde eerder zes romans waarvan er twee werden genomineerd voor de prestigieuze Orange Prize.

    Thomas Blackburn(1916-1977), de vader van Julia, is een van de drie hoofdrolspelers in het drama. Hij was een redelijk bekende dichter, hoewel hij nooit echt doorbrak in Engeland. Om in zijn onderhoud te voorzien gaf hij les aan een school en later colleges in Engelse literatuur. Er is iets mis met deze man, dat hebben we vrij snel in de gaten. Julia geeft in het hoofdstuk Een etentje in het begin van het verhaal een beeld van haar vader. Inmiddels is hij gescheiden van haar moeder en woont hij bij zijn derde vrouw:
    (…)Mijn vader doemt op en ik hoor zijn venijnige hoest. Hij opent de deur. Hij ziet bleek door de pillen en de katers. Zijn bril staat op het puntje van zijn neus en hij kijkt er met een scheve glimlach overheen, een glimlach die al scheef is sinds hij een eeuwigheid geleden over een hoog en puntig hek klom en met zijn bovenlip achter een van de spijlen bleef haken.(…)Wat volgt is een ‘etentje’ dat ongelofelijk uit de hand loopt. Er zijn twee andere echtparen uitgenodigd en Thomas Blackburn gaat als een bezetene drinken. Hierna scheldt hij op alles en iedereen. (…)’Jullie zijn een stel hypocriete zeikerds!’ zegt hij tegen zijn gasten. Het gezelschap verlaat gegeneerd het huisje. Julia is niet verbaasd of gegeneerd. Ze is er gewoon aan gewend dat haar vader zich in gezelschap zo gedraagt.

    Een aantal hoofdstukken verderop wordt de moeder Rosalie de Meric (1916-1999) ten tonele gevoerd. Een flirtzieke schilderes, die bezeten is door sex. Ze schildert half surrealistisch, half abstract, maar verkoopt bijna nooit een doek en heeft een bizarre verhouding met Thomas Blackburn. Midden in de nacht wordt Julia angstig wakker door het geschreeuw van haar ouders. De vader wil steevast de moeder in elkaar slaan. Julia gaat dan uit bed en beschermt haar moeder met haar lichaam. We komen te weten dat Thomas verkeerde antidepressiva slikt om zijn angsten te beteugelen en deze pillen vallen erg slecht in combinatie met alcohol. Hij is alcoholist en deze ‘combi’ leidt tot ongecontroleerde agressieve uitbarstingen. De ouders van Thomas Blackburn waren godsdienstwaanzinnig en de arme Thomas kreeg tegen natte dromen ’s nachts een stalen korset aangemeten om zijn geslacht te beteugelen. Hierdoor raakte Thomas- begrijpelijkerwijze- gefrustreerd.
    Het onherroepelijke gebeurt en na 14 jaar ruzie gaat het echtpaar scheiden. Voor Julia breken nu bizarre jaren aan. Ze blijft bij haar moeder wonen, voor wie ze bang is. Vreemd genoeg veel meer dan voor haar vader. Moeder praat tegen haar steeds over sex en of het jonge meisje het al wil doen of dat ze wil leren zich te bevredigen. Dat is voor een kind als Julia kennelijk bedreigender dan het geweld van haar vader. Er komen commensalen in huis, die moeder stuk voor stuk probeert te verleiden. Ze ziet in Julia een concurrente terwijl Julia niet begrijpt waar het over gaat. Bij de laatste huurder gaat het dan mis. Hij, ene Geoffrey, is schilder, twee maal gescheiden en krijgt een verhouding met Rosalie, maar is heimelijk verliefd op Julia.

    De vader trekt in bij Peggy en deze vrouw heeft een aan heroïne verslaafde zoon, die met een prostituee is getrouwd. ’Hij is getrouwd met een zwarte prostituee, na een voodooceremonie, dus maak je borst maar nat!’
    Thomas beschuldigt de jongen ervan, dat hij geld heeft gestolen van Peggy en uiteindelijk pleegt de jongen zelfmoord. Julia geeft haar studie op na allerhande verhoudingen met mannen en belandt in de armen van de veel oudere Geoffrey, maar hij pleegt zelfmoord. We hebben eigenlijk genoeg ellende over ons gekregen, maar moeten nog door het sterfbed van moeder heen, die iets van sympathie voor haar dochter weet te tonen. De vader is inmiddels ook naar eeuwige jachtvelden verhuisd na een complete overgave aan Koning Alcohol. Dat het met Julia nog betrekkelijk goed afloopt mag een wonder heten. Ze trouwt met een Nederlander en leeft nog lang en gelukkig. Op dit moment is ze in Nederland om haar boek te promoten. Een boek over de gefrustreerde jaren ’50, gevolgd door de te losse jaren ’60 en ’70. En over een weerloos kind dat uiteindelijk eieren voor haar geld kiest en schrijfster wordt. Huiveringwekkend.

    Wij drieën

    Auteur: Julia Blackburn
    Vertaald door: Paul van der Lecq
    Verschijnt bij: Uitgeverij De Bezige Bij (2010)
    Prijs: € 19,90