• Oogst week 44 – 2023

    Logboek Slauerhoff – Dagboeken & reisverslagen

    Jan Slauerhoff (1898-1936) was een van de belangrijkste dichters en schrijvers van het interbellum en behalve dat arts en reiziger. Wereldreiziger welteverstaan. De zee had een aantrekkingskracht op hem waaraan hij geen weerstand kon bieden. Als scheepsarts maakte hij talloze reizen naar verre landen op continenten als Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Vooral China was favoriet. De man die schreef ‘Alleen in mijn gedichten kan ik leven’ wilde altijd weer weg uit Nederland, keerde soms tijdelijk terug om te herstellen van een ziekte, want hij had een zwakke gezondheid. Op het schip schreef hij en legde zijn leven vast in de omgeving waar hij vertoefde.

    Logboek SlauerhoffDagboeken en reisverslagen bevat, zoals de ondertitel aangeeft, alle dagboeken en reisreportages, plus fragmenten uit brieven. De teksten waren niet zelden de bron voor zijn verhalen en gedichten. Het boek is geïllustreerd met veel foto’s, onder meer van Slauerhoff zelf, en met andere documenten als aantekeningen en half afgemaakte manuscripten. De teksten zijn chronologisch weergegeven zodat de lezer Slauerhoff kan volgen tijdens zijn reizen en verblijfplaatsen. In het Literatuurmuseum bevindt zich de zeemanskist waarin hij zijn foto’s en documenten bewaarde. Veel van de illustraties in Logboek Slauerhoff komen uit deze verzameling. Het boek bevat ook een handige wie-is-wie lijst van historische personen die in het boek voorkomen. Slauerhoff is een goede observator, vertelt geestig en is soms karikaturaal. Maar het zijn zijn eigen woorden en ‘dichter bij Slauerhoff kom je niet’ zegt de uitgever.

    Logboek Slauerhoff - Dagboeken & reisverslagen
    Auteur: Jan Slauerhoff
    Uitgeverij: Uitg. Nijgh & van Ditmar

    Baumgartner

    De Amerikaanse schrijver Paul Auster (1947) schreef tientallen boeken, romans, essays, gedichten, filmscripts. Hij is een van de grootste schrijvers van de Verenigde Staten. Hij werd bekend met experimentele detectiveverhalen waarin hij de detectivevorm gebruikt om het over existentie en identiteit te hebben. Identiteit, persoonlijke betekenis en toeval zijn thema’s in zijn werk. Dat wordt in meer dan veertig landen vertaald.

    Austers laatste roman handelt over Sy Baumgartner, een 71-jarige professor filosofie met pensioen in het vooruitzicht. Hij valt ten prooi aan zijn door elkaar lopende herinneringen, flitsen waarop hij geen vat heeft. Ze gaan over Anna, zijn vrouw die bijna tien jaar geleden bij een zwemongeluk om het leven kwam. ‘De woeste, monsterlijke golf die haar rug brak en haar doodde, en sinds die middag, sinds die middag – nee, zegt Baumgartner tegen zichzelf, je moet daar niet heen gaan.’ Veertig jaar lang hadden ze een gepassioneerde relatie. Het huis is onveranderd sinds Anna’s dood. Naast herinneringen aan haar ziet Baumgartner ook zijn jeugd voorbij komen en zijn vader, een in Polen geboren mislukte revolutionair. De vraag waar het in het boek om draait is: waarom worden sommige momenten en gebeurtenissen in het leven een herinnering en andere niet?

    Baumgartner
    Auteur: Paul Auster
    Uitgeverij: Uitg. De Bezige Bij

    Oostwaarts – Een avontuurlijke reis achter vijandelijke linies

    Deze non-fictie leest als een avonturenboek. Fitzroy Maclean (1911-1996) vertelt in Oostwaarts over zijn spannende belevenissen als diplomaat en militair in vijandelijk gebied. Hij was een Schots politicus, diplomaat, militair en schrijver. Het avontuurlijke zat diep in hem. In 1937 begon hij zijn loopbaan als diplomaat in Parijs, maar de geneugten van het bijbehorende leventje begonnen hem te vervelen en hij verzocht overplaatsing naar Moskou. ‘Ik was vijfentwintig. Toch begon ik al wat vast te roesten in mijn gewoonten; misschien, overpeinsde ik in mijn zeldzame momenten van introspectie, werd ik zelfs een beetje zelfgenoegzaam.’

    In Moskou verbleef hij tot 1939. Veelvuldig reisde hij naar afgelegen Centraal-Aziatische streken in de Sovjet-Unie, geschaduwd door de geheime dienst en zelfs werd hij eens gearresteerd. Hij was getuige van de Stalinistische zuiveringen. Toen de oorlog uitbrak wilde hij meevechten maar mocht als diplomaat niet in het leger. Daarop nam hij ontslag en meldde zich bij een rekruteringsbureau.

    In Noord-Afrika ging hij bij de Special Air Service (SAS) waar hij onverschrokken deelnam aan gevaarlijke missies. Hij vocht onder meer in Libië en Irak. Later, in 1943, leidde de krachtdadige Maclean op verzoek van Churchill een missie naar Joegoslavië. Hij stortte zich in het partizanenbestaan en had vele gesprekken met Tito.
    Op soms ironische toon getuigt hij gedetailleerd van deze avontuurlijke jaren, die wel doen denken aan T.E. Lawrence (Lawrence van Arabië). Hun levens en boeken bevatten veel dezelfde elementen: verre reizen, andere culturen, vorstelijke genoegens van het diplomatenleven, oorlogshandelingen en avontuur.

    Oostwaarts - Een avontuurlijke reis achter vijandelijke linies
    Auteur: Fitzroy Maclean
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot
  • Een fysieke reis door een verhaal

    Een fysieke reis door een verhaal

    Waar we niet zijn van Lina Issa is een non-fictie verhaal met een fysieke beleving. Het is een zoektocht naar een thuis dat bekend maar onbereikbaar is en waarin de sensaties van het lichaam zo worden beschreven dat je als lezer meereist door de herinneringen van Lina aan haar geboorteland Libanon.

    Lina wordt als Libanese toegelaten tot een Nederlandse kunstopleiding. Hiervoor wordt haar een visum verstrekt, maar wanneer ze haar familie in Libanon wil bezoeken blijkt dat dit studentenvisum niet wordt verlengd en dat ze als ze Nederland verlaat, het land niet meer in mag. Het gemis van thuis brengt Lina op het idee om een ander in haar plaats te laten gaan: een Europeaan die niet gebonden is aan visa maar die vrij mag reizen en in elk land, waaronder Libanon, verwelkomd wordt. Via een advertentie vindt ze Aitana, een Spaanse vrouw die als stand-in afreist naar Libanon en daar Lina’s plaats probeert in te nemen. 

    Instructies

    Voordat Aitana op reis gaat, schrijft Lina haar instructies op in een notitieboek. Hierin beschrijft ze ook haar familie. Karaktertrekken van haar vader, de muziek waarnaar haar moeder luistert in de auto, de geur van het brood dat haar oma bakte. De instructies dienen als een soort script dat Aitana moet volgen. Het is haar taak om de ervaringen die Lina zich zo goed van thuis herinnert opnieuw te beleven. Dat levert echter ook de vraag op: in hoeverre is het mogelijk om iemand anders’ leven te leiden zonder het eigen kader hier invloed op te laten uitoefenen?
    Het blijkt voor Aitana onmogelijk om een exacte herbeleving van Lina’s ervaringen in Libanon waar te maken. Familieleden gedragen zich anders, spreken open over hun eigen ervaringen met Lina en ook kan Aitana haar eigen belevingswereld niet zomaar aan de kant zetten.

    Op het moment dat Aitana vertrekt, neemt het verhaal op sommige momenten de vorm van een gesprek aan. Hierin worden de instructies van Lina afgewisseld met Aitana’s ervaringen. Desalniettemin voeren Lina’s voorschriften en de uitgebreide beschrijving van haar herinneringen de boventoon in Waar we niet zijn. De lezer leest dezelfde instructies als Aitana en kan zich beter in Lina’s herinneringen inleven dan Aitana dat kan, omdat haar eigen ervaringen met Libanon in de weg zitten. Een perfecte reconstructie is niet mogelijk want, zo weet Lina al, ‘Het archief van de geest is niet statisch. Elke herinnering is een nieuwe reconstructie van wat er is gebeurd.’

    Fysieke belevingen

    De fysieke beleving van herinneringen speelt een aanzienlijke rol in Waar we niet zijn. Issa beschrijft de lichamelijke sensaties uitgebreid. Deze beschrijvingen maken het verhaal echter wollig, waardoor de rode draad verstrikt raakt in de verschillende en veelomvattende metaforen: ‘Delen van de tong worden weggespoeld of afgevlakt, andere delen worden verbrand. Veel delen dringen binnen en vinden een fijne porie om in te nestelen. Daar kunnen die delen zwanger worden; we kunnen er een beroep op doen zoals er een vertrouwde smaak op leggen, of een lied in onze moedertaal laten zingen. Dan gaan ze baren. En dan vinden we onszelf terug in de schoot van onze herinnering, realiseren we ons dat we alleen door op hun tepels te zuigen worden wie we zijn.’

    De beschrijvingen van geuren, geluiden en plaatsen en het fysieke aanraken van mensen en dingen worden versterkt door de toevoeging van fotokopieën uit het instructieboek, foto’s en krantenknipsels. Aitana’s aantekeningen zijn in het Spaans gemaakt en grotendeels onvertaald gebleven. In deze aantekeningen zoekt Lina naar herkenbaarheid en naar haar eigen ervaringen, maar de taalbarrière maakt een volledig begrip onmogelijk. Daarmee wordt ook in deze fragmenten duidelijk dat je nooit helemaal andermans ervaring kunt beleven. 

    Geromantiseerde herinneringen

    De toon en vertelwijze die Lina hanteert in Waar we niet zijn passen bij een sprookje. Door het benoemen van de kleinste details, van geuren tot handbewegingen, voelen de herinneringen geromantiseerd aan en lijkt van elke kleinigheid een bijzonderheid te worden gemaakt. Al deze details zijn van belang om bij te dragen aan het gevoel dat Aitana en Lina samen proberen te herscheppen. Een voorbeeld is een moment waarop Aitana met Lina’s moeder in de auto zit en naar muziek luistert. ‘Ze maakte lichte bewegingen met de palm van haar hand en deinde mee tijdens het rijden, ik zong mee, habibi, habibi…, zei Aitana.’

    Het heimwee dat in deze door Lina geënsceneerde en door Aitana uitgevoerde herinneringen klinkt, staat in contrast met de moeilijke jaren van oorlog, armoede en verdeeldheid die Libanon heeft gekend. Een beschrijving van een kleine bakker met de lekkerste ‘Manoeche’ volgt direct op de herinnering dat Issa’s vader werd gearresteerd door de sjiitische militie en vervolgens vijf jaar lang werd gevolgd en onder druk gezet vanwege de hervormingen die hij wilde doorvoeren op de school waar hij werkte. Hiermee laat de schrijfster indringend zien hoe alles, de romantische herinneringen maar ook die aan de oorlog en het gevaar, in één lichaam worden gedragen en samen één geheel vormen.

    Zo maakt Lina Issa van Waar we niet zijn een ontdekkingsreis naar zichzelf. Pas wanneer je een stap terug zet, zo concludeert ze, en jezelf laat vervangen door een ander, zie je de bouwstenen waaruit je bent opgebouwd en kun je jezelf echt leren kennen. Pas dan weet je wanneer iets voelt als ‘jou’. 

     

  • Al wandelend tot de essentie komen

    Al wandelend tot de essentie komen

    Ze zijn er al even, vaak uitgestald op de toonbank bij de boekenwinkel, de Terloops-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Kleine, handzame boekjes van bekende schrijvers over hun favoriete wandeling. Wat meteen opvalt zijn de mooie uitgaven: ingetogen, klassiek bijna, tekening op de kaft met een paar mooie penseelstreken tot stand gekomen. Al vele memorabele wandeltochten zijn er verschenen en nu mochten Sander Kollaard (1961) en Yolanda Entius (1961) hun wandelrelaas aan de imposante lijst toevoegen. 

    ‘Er zijn dagen dat ik me niet eens kan voorstellen dat ze nog komt,’ begint Sander Kollaard zijn verhaal met de passende titel Lentehonger. Hij tekent het op tijdens de sombere winter in Zweden, het land waarin hij sinds 2006 woont en werkt. Reikhalzend kijkt hij uit naar  de ‘glorieuze’ lente, ‘de ongelooflijke frisheid ervan, het licht, de kleur.’ Hij telt de minuten daglicht die er dagelijks bijkomen. ‘Ik tel ze allemaal,’ schrijft hij, een korte zin die de urgentie kernachtig en invoelbaar weergeeft. Op de tijd vooruitlopend, schrijvend vanuit zijn wandelaantekeningen en herinneringen, probeert hij de lente alvast op te roepen. Maar eerst wordt de lezer uit de droom geholpen. Zweden heeft namelijk ‘een overwegend saai landschap, (…)  gedomineerd door eindeloze, eenvormige akkers en even eindeloze en eenvormige bossen.’ Land- en bosbouw worden op ‘industriële schaal’ bedreven en bij de kap wordt er niet lichtvoetig te werk gegaan; er is geronk van dieselmotoren en ‘het indringende waarschuwingssignaal bij achterwaartse bewegingen,’ omineuze herrie van voertuigen die een ‘verwoesting’ aanrichten, een ‘ravage’. Deze rigoureuze bomenkap komt ook voorbij in Kollaards vorig jaar verschenen roman De kleuren van Anna

    Kibbelende seizoenen

    Al woont Kollaard landelijk, hij en zijn vrouw S moeten een goed half uur rijden om een plezierige wandeling te vinden, een die het documenteren waard is. En die vinden ze, in een gebied ‘waar alles een slag kleinschaliger is’ en dat een variatie biedt die elders ontbreekt. Veel dieren ontmoeten ze op de wandeling: vogels in het bijzonder (ganzen, leeuweriken, kieviten, kraanvogels, puttertjes, eksters), maar ook reeën, hazen, muizen en een jonge adder ‘midden op het pad, levend maar kennelijk suf van de kou,’ waar Kollaards hond geïnteresseerd aan snuffelt. Mooie bespiegelingen volgen over de symboliek van de lente – ‘wedergeboorte, herstel, nieuw leven’ – en onze gemoedstoestanden, onze verbondenheid met de seizoenen, en hoe die terug te vinden is in kunst en mythologische verhalen. Ook denkt hij aan de dood van zijn moeder, kort daarvoor, op het hoogtepunt van de coronapandemie; al wandelend krijgt rouw de ruimte. 

    Kollaards proza wordt gedragen door een zeer eigen stem waar zowel levenslustige lichtheid als melancholie in doorklinken. Die dualiteit is overal in zijn werk te vinden. Neem het volgende, waar niet alleen een wonderschoon landschap wordt getoond, maar ook een lente die worstelend op gang komt en soms even ten onder gaat: ‘Op weg naar huis, aan het eind van de middag, zien we hoe op deze eerste lentedag een winteravond valt, even spectaculair als grimmig, met geeloranje horizonlicht en vlak erboven een donkerpaarse wolkenbank die her en der uitloopt, als waterverf, aan de kleur herkenbaar als sneeuwbuien.’ Er gebeurt hier iets in het hoofd van de lezer dat alleen de magie van goede literatuur genoemd kan worden: iets opent zich, nieuwe gewaarwordingen, een frisse blik. Zelfs iets banaals als koeienpoep weet Kollaard glans te geven wanneer hij schrijft over ‘stijfbevroren plakkaten zomerstront’.

    Niet gemaakt voor het alleen-zijn

    Ogentroost begint met een aangename vaart. Monter vertelt Yolanda Entius over hoe ze tot het wandelen is gekomen. Ze is geen reiziger of avonturier: ‘Liever bouw ik een huis en leg ik een moestuin aan.’ Toch brengt het wandelen haar iets wat het alle moeite waard maakt: ze voelt zich vrij, ‘vrij van twijfel’. De wandeling waarover wij lezen is een uitdagende – sommigen zouden het een barre tocht noemen –  in de Mercantour, het grensgebied van Frankrijk met Italië, waar ze al wandelend nadenkt over herkenbare levenszaken, zoals de moderne wereld waarin we leven. ‘Hier, in het westen, is een overvloed waardoor onze talenten niet meer worden aangesproken en gaan kwijnen. En wat te denken van mijn zintuigen? Ogen die niets zien dan mijn cursor en de letters letters letters die ik tik tik tik.’  

    Stilistisch gezien wringt Ogentroost, vooral de bevreemdende platheden. Zo moet Entius nodig ‘pissen’ (‘en niet zo’n beetje ook’), haar man F. ‘poepen,’ en is ‘schijten met dit weer een beproeving, maar zeker geen ramp.’ En dan nog de veelvoud aan clichés: ‘glad vergeten,’ ergens mee ‘in je nopjes’ of ‘in je sas’ zijn, regen die met ‘bakken uit de hemel’ valt, ‘hijgend als een paard,’ bergen die meer dan eens omschreven worden als ‘puisten.’ Grappig als spreektaal, kleurloos op papier. Je hoopt daarom op een goed verhaal, een stukje inzicht, food for thought. Mooi is de bespiegeling over samen- versus alleen-zijn, die oprecht aanvoelt en ontroert. ‘Ik ben, ik zeg het maar eerlijk, niet gemaakt voor het alleen-zijn. Ik ben te jong te lang alleen geweest om er de lol van in te kunnen zien. (…) Ik bewonder ze wel hoor, mensen die volmaakt gelukkig zijn zonder een lief, maar ik heb nog nooit zo’n man of vrouw ontmoet, alleen maar mensen die het beweren; (…).’ Je voelt dat Entius heel wat te verduren heeft gehad in haar leven. Ook tijdens de wandeltocht moet ze zich steeds vermannen, zichzelf steeds weer moed inspreken.

    Ronduit onprettig is de botsing tussen Entius en F., die van de lezer een voyeur maakt. We kennen F. immers niet en leren hem ook niet echt kennen, alleen via deze botsing met Entius die van hem een onsympathiek, kleinzerig figuur maakt. Even later worden we uitvoerig getrakteerd op het medisch dossier van Tea, een wandelvriendin van vroeger. Gaandeweg vraag je je af: Waar dienen al deze intieme details toe? Misschien is bekendheid met het gehele oeuvre van Entius een voorwaarde om Ogentroost echt te kunnen waarderen, al moet een kunstwerk op zichzelf kunnen staan, niet hoeven leunen op voorgangers. 

    Waar Lentehonger uitblinkt in subtiliteit en gelaagdheid, grossiert Ogentroost in een directheid die weinig overlaat aan de verbeelding van de lezer. Kollaard laat de natuur zelf tot leven komen, als een personage haast, en wanneer de auteur verlangt, verlangen wij mee. Ogentroost blijft erg particulier, en een verhaal dat wil beklijven moet meer bieden dan dat.

     

  • Een verhaal in vogelvlucht

    Een verhaal in vogelvlucht

    In zijn nieuwe roman Dorp laat Gilles van der Loo (1973) de lezer kennismaken met Melchior. Hij is een eenzame man die de wereld om zich heen in een rap tempo heeft zien veranderen, maar zelf vasthoudt aan het verleden. Het dijkdorp waarin Melchior woont, is door de jaren heen langzaam maar zeker opgeslokt door Amsterdam. Waar het dorp eerst nog als een oase van rust tussen de weilanden lag, werd deze rust uiteindelijk verstoord door de aanleg van een grote weg. Hoewel dat voor de omgeving een moderne tijd inluidt, wordt Melchior door één gebeurtenis in het verleden gehouden, hoe zeer de wereld om hem heen ook verandert. 

    Daar komt echter verandering in wanneer op een dag plotseling een klein meisje in de regen in Melchiors moestuin staat. De jonge moeder van het kind vindt hij slapend bij een bushalte, omringd door heel haar hebben en houden. Hij besluit Sunny en haar dochter Adá onderdak te bieden in zijn schuurtje. Maar met de komst van nieuw en jong leven in zijn huis, wordt hij gedwongen zijn eigen jeugd onder ogen te zien. Tot dat moment heeft Melchior namelijk zoveel mogelijk geprobeerd de pijnlijke momenten uit zijn leven te ontwijken. Dit heeft ertoe geleid dat hij ook zichzelf van een afstandje is gaan zien en daarmee alleen nog de onbewogen versie kent die hij van zichzelf gemaakt heeft. De komst van Sunny en Adá werkt als een warm bad voor de gevoelsarme Melchior en langzaam maar zeker weekt hij los en komt zijn zachte kern tevoorschijn. 

    De visie van een vogel

    Wat direct opvalt in Dorp is het bijzondere perspectief waarvoor Gilles van der Loo kiest. Een groot deel van het verhaal wordt namelijk verteld door een ijsvogel die bevriend is geraakt met Melchior toen deze nog een klein jongetje was. Als een stem van rede en beschouwing volgt de vogel ‘zijn jongen’ terwijl Melchior ouder wordt, bepaalde keuzes maakt, verliefd wordt en al vroeg met verschillende vormen van verlies te maken krijgt.

    De vogel, in essentie een onschuldig en onpartijdig dier, werkt als tegenwicht voor de boze tiener die Melchior op een gegeven moment wordt. Het moment waarop de jongen zijn onschuld verliest, als hij door pesterijen een klasgenoot de dood in jaagt, is ook het moment waarop hij zijn vriend de ijsvogel niet meer ziet. Vervolgens wordt de ijsvogel gedwongen om met lede ogen aan te zien hoe Melchior steeds ongelukkiger wordt en de last van de dode klasgenoot met zich meedraagt, wat zijn hele leven beïnvloedt.

    Hoewel het perspectief van de vogel zeker bijdraagt aan de afstandelijke sfeer die Gilles van der Loo in Dorp creëert, is het ook een wat ongeloofwaardig perspectief. IJsvogels worden immers, met veel geluk en in ideale omstandigheden, maximaal twintig jaar oud. Deze ijsvogel krijgt het echter voor elkaar om op het randje van de dood te balanceren en vervolgens nog eens ruim veertig jaar te leven. Het is een aspect waar je als lezer niet te zeer bij stil moet staan. De manier waarop de ijsvogel Melchior in zijn wereld toelaat, is namelijk leuk gedaan. Zo noemt hij het bed van Melchior een nest, wordt hoofdhaar veren en zwangerschap het uitbroeden van een ei. Hierdoor wordt de vogel een brug tussen de mens en de natuur en misschien zelfs tussen schuld en onschuld.

    Rouw op afstand

    In de tijd dat zijn klasgenoot overleed kreeg Melchior een horloge dat hij nog steeds draagt. Het vormt dan ook een tastbare – en verhaaltechnisch gezien een weinig subtiele – herinnering aan het verleden. Het horloge staat voor alles wat Melchior niet los heeft kunnen laten. Dat hij het niet afdoet, is een van de kleine hints waaraan je als lezer moet afmeten hoe hij zich voelt. Uit het verhaal zelf kom je namelijk weinig te weten over de hoofdpersoon. Ook het perspectief van de ijsvogel draagt bij aan een noemenswaardige afstand en moeten Melchiors daden en acties de veranderingen in zijn gemoedstoestand of emotionele verwerkingsproces verklaren.

    Deze lacune helpt juist wel weer om binding te voelen met de jonge Sunny en haar dochter Adá, die het tegenovergestelde zijn van de chagrijnige Melchior. Ze zijn open, stellen vragen, vertellen prompt iets over hun interesses en verleden. Maar aangezien zij niet het focuspunt van dit verhaal zijn, valt de nadruk op een zekere leegte tussen de lezer en Melchior, wat het bijna onmogelijk maakt om volledig mee te leven met diens rouw en verwerkingsproces over alles wat mis is gegaan in zijn leven. Dat is jammer.

    Het verleden dat het heden beïnvloedt

    Door het verleden te verweven met het heden, zorgt Gilles van der Loo ervoor dat je begrijpt waarom Melchior zo afstandelijk en afgesloten is. Er worden scènes van vroeger beschreven door een personale verteller. Dankzij deze scènes, die bijvoorbeeld inzoomen op de relatie tussen Melchior en zijn overleden vrouw Ella, krijg je een gedetailleerder beeld van de situatie zonder te worden afgeleid door het perspectief van de ijsvogel. Deze momenten uit het verleden brengen je als lezer dichter bij Melchior als persoon. Vooral de momenten waarop hij Ella wil vertellen over de dood van zijn klasgenoot maar dit niet doet, zijn van groot belang om de uiteindelijke openhartigheid van Melchior richting Sunny te begrijpen. 

    Dorp is daarmee een roman die distantie creëert, zoals een rouwende dat misschien ook met (on)bekenden zou doen. Als lezer moet je toegang zien te vinden tot het personage van Melchior. Dat duurt even omdat je zelf op zoek moet naar mogelijke drijfveren en gedachtegangen achter de handelingen van Melchior. Voor wie het bijzondere ijsvogelperspectief en diens lange leven als een gegeven kan accepteren, is Dorp een mooie roman met een klein verhaal dat groot voelt dankzij de secure wisseling tussen heden en verleden.