• Dolend in de eindtijd

    Dolend in de eindtijd

    Libris Literatuurprijswinnaar (2020, Uit het leven van een hond) Sander Kollaard schreef de kloeke roman Einde Verhaal, die veel dikker en groter qua thema is dan zijn vorige boeken. Van de lezer wordt veel gevraagd. Hij moet zijn aangeboren of ingebouwde ‘reality check’ thuis laten, zoals vaker tegenwoordig want in steeds meer boeken wordt met speculatieve fictie de wereld van nu geduid. Niet per se via een afschrikwekkende dystopie, maar met een beschrijving van een ‘onmogelijke wereld’. Een goed voorbeeld daarvan is het succesvolle Gebied 19 van Esther Gerritsen over een nieuwe, onbekende planeet waarnaar een deel van de mensheid wordt getransporteerd.

    Einde verhaal heeft als hoofdpersoon aartsengel Astoreth die naar de aarde is afgedaald met een missie. Die missie is de strijd aanbinden met God en de Bijbel, hier de Schrijver en zijn Boek genoemd. Astoreth transformeert daarbij geleidelijk tot mens. Het uiteindelijke doel van zijn strijd is het weerleggen van de notie dat dat Verhaal van het Boek de uiteindelijke waarheid en het ultieme verhaal zou zijn. Astoreth noemt dat een ‘narratieve guerilla’. Hij gelooft niet in één, vaststaand Einde Verhaal. Daar moet de wereld voor worden behoed en daarom is de gevallen aartsengel begonnen met het schrijven van zijn eigen verhaal. Hij begint daarmee ‘in de duisternis van een supermarktmagazijn in Eslöv, op die betonnen vloer, tijdens de uren of dagen of weken die ik daar lag’. De kernzin van het boek is: ’Het groeide uit het simpele besef dat geloof een poging is om elk ander verhaal te overstemmen.’ Tegelijk is Astoreth bescheiden over zijn eigen pretenties: ’Ik ben een lezer, geen schrijver, dus het kan zijn dat mijn verhaal klinkt als een valse kraai, maar dat is het punt niet: als het maar klinkt.’

    Prozaïsche tocht

    Kollaard situeert zijn roman in de Eindtijd die net is begonnen en overal in de wereld tot onzekerheid en chaos leidt. Astoreth valt op aarde neer, verliest daarbij zijn vriend Areopatigica, maar wordt min of meer liefdevol opgevangen door een bont gezelschap dat voor de eindtijd op de vlucht is. Van een onder water lopend en verdrinkend Nederland, meer in het bijzonder Amsterdam, vlucht het gezelschap naar het Zweedse platteland, waar Kollaard zelf woont.

    Van die vlucht maakt Astoreth een eigen verhaal over de apocalyps, wat niet dat van het Bijbelboek Openbaringen is, met zijn apocalyptische ruiters en het hemelse Jerusalem met straten van goud. Integendeel, Astoreths verhaal is een nogal prozaïsche tocht vol ontberingen van Nederland naar Zweden, vol spannende avonturen. Vol onwaarschijnlijkheden ook, maar ja wat zijn hier onwaarschijnlijkheden?

    Dus schrik niet van mensen die opstaan uit de dood, van een nogal aparte hond met menselijke eigenschappen en een sprekende zeug. Verwonder je niet over de wonderbaarlijke belevenissen onderweg in het gammele busje dat van Nederland miraculeus in Zweden belandt. Waarom Zweden? Omdat het bonte gezelschap waarin Astoreth terechtkomt bestaat uit een gepensioneerde Zweedse politie-inspecteur, diens zuster en een opstandige dochter: Otto, Greet en Erin. De chauffeur van het busje is een jonge schilder, Gustav, die op zoek is naar zijn in Nederland vermoorde zus, lange afstandszwemster Jonna. Ze wordt gevonden en haar as gaat mee om op het Zweedse platteland te worden verstrooid.

    Rolmodel

    Astoreth zelf muteert onderweg van engel naar mens. Zijn vleugels verdorren, zijn lichaam krijgt vorm, tot en met zijn onderlijf, wat de interesse van dochter Erin opwekt. Alle hoofdpersonen in het verhaal zijn een afzonderlijke combinatie van lichaam en geest. Er zijn enerzijds denkers en tobbers en anderzijds mensen die hun lusten en instincten volgen. Otto is de ratio. ‘Otto’s zucht naar orde had veel van een geloofsartikel, een essentieel principe dat zijn bestaan zin en substantie gaf. Orde betekende leven: een orde van spul dat zichzelf aan de gang houdt, van verandering die behoud betekent, zo lang het duurt natuurlijk.’ En zo heeft iedereen in het groepje mensen (en dieren) dat door de Eindtijd trekt een eigensoortig, soms heel eigenaardig karakter. Astoreth plooit zich daar makkelijk in en vormt voor de groep een interessant rolmodel om zich aan te spiegelen, zeker in de barre tijden van de apocalyps. Tegelijk leert Astoreth veel van de mensen op aarde bij zijn eerste ontmoeting met een voor hem nieuwe soort. De enige die de relatieve vrede in de dolende groep midden in de Eindtijd verstoort is de orthodoxe en ‘true believer’ aartsengel Gabriël. Hij probeert met alle middelen, waaronder opsluiting, Astoreth op het rechte pad van het geloof te houden.

    Het boek draait behalve om de Eindtijd en het al dan niet ene Verhaal om de omgang van de groep zwervende mensen met Astoreth, die zelf ook op zoek is naar wie hij is. Die omgang was niet vanzelfsprekend. ‘Het had me veel moeite gekost om Otto, Greet en Erin ervan te overtuigen wie en wat ik was. Nadat ik ze mijn vleugels had laten zien, meteen al, tijdens de maaltijd met de linzensoep, waren ze weliswaar bereid om te luisteren naar mijn onwaarschijnlijke verhaal, maar niet om het te geloven. Ik kon het ze moeilijk kwalijk nemen: ik beweerde een uit de hemel gevallen engel te zijn, als onderdeel van een grotesk verhaal, en inmiddels in de greep van een proces van menswording dat ook voor mijzelf een raadsel was.’ En dan volgt een cruciale dialoog met de rationele Otto. ‘”Ik wil je best geloven” had Otto gezegd, “maar ik zou geholpen zijn met wat feiten.” Ik deed mijn best. Ik vertelde over de hemel en mijn taken (…) maar hij werd met elk feit onrustiger, logisch natuurlijk want de feiten die ik hem gaf waren meer dan onbegrijpelijk – ze waren onmogelijk.’

    Af van somber doemdenken

    De bijzondere tocht van dit samengeraapte groepje mensen, de ‘extended family’, eindigt in een nog vredig, bijna idyllisch Zweeds dorpje, vredig vergeleken met de desolate gebieden waardoor de reis zich voltrekt, met hier en daar een dode. ‘De zon schijnt. De vensterbanken in de salon staan vol met zaailingen: sla, tomaat, prei, pompoen. De tuindeuren staan open. Ik hoor vogels, het geblaf van Schele en het geluid van de schop waarmee Otto het voor hem bestemde graf dichtgooit – in een hoog tempo als demonstratie van herwonnen vitaliteit.’ En net als wat tijdens de tocht gebeurde voelt Astoreth een aards verlangen naar liefde.

    Zijn verhaal is ten einde en de lezer beseft dat het einde der tijden misschien wel dichtbij is. Gelukkig zijn er losse eindjes. Dit is de eindtijd, maar misschien ook niet. Het eind van het verhaal is niet eenduidig, maar meerduidig. Einde Verhaal is een bijzonder boek, waarvoor je je bril van de ratio en geloof in de waarheid af moet zetten. Misschien is het wat te gecomponeerd, maar het is ook meeslepend geschreven, met bizarre avonturen van menslievende mensen met ruwe kanten. Toch blijven ze een gemeenschap vormen en de aartsengel Astoreth wordt geïnspireerd door die gemeenschap, maar helpt hen ook af van het sombere doemdenken dat bij een bepaalde manier van geloven hoort. Misschien schetst Kollaard wel het paradijs op aarde, daar op het hem bekende Zweedse platteland en wil hij ons de kans geven daarvan mee te genieten. Er is hoop, bedoelt Kollaard, ondanks alle sombere voorspellingen over het einde van de planeet, en hoop doet leven.

     

  • De grandeur van alledaagse gebeurtenissen

    De grandeur van alledaagse gebeurtenissen

    ‘Het hart klopt.’ Henk wordt wakker en dit is zijn eerste gedachte. In zijn nieuwe roman Uit het leven van een hond beschrijft Sander Kollaard de dag van Henk die volgt op deze gedachte. Deze dag uit het leven van een hond is net zo goed als een dag uit het leven van Henk. Kollaard volgt zijn personage op deze ogenschijnlijk doodgewone zaterdag. En terwijl hij dat doet, richt hij zijn blik ook soms achteruit naar Henks verleden, en naar het leven dat nog voor hem ligt. Het levert een intiem portret op van alledaagse gebeurtenissen, die onderdeel blijken te zijn van een grootser verhaal.

    Levenslust
    Henk van Doorn: veel gewoner worden personages niet. Ook qua naam niet – of ze moeten Erik van Duijn heten, zoals de hoofdpersoon uit Kollaards debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. Henk is 56 jaar, IC-verpleegkundige en hij woont in Weesp. Sinds een aantal jaar gescheiden. Kollaard omschrijft hem als iemand die ‘maar een paar passen voorloopt op het moeras van een depressie’. Maar ondanks dat is hij géén cynicus, vol wrok over het bestaan, kankerend op het leven. Hij heeft zijn levenslust weten te behouden.

    Dat maakt de alledaagsheid van Henk wat minder gewoontjes dan je zou denken. En dat maakt ook dat deze dag net wat anders loopt dan anders. Om te beginnen blijkt het niet goed te gaan met Henks hondje Schurk. Het is een bloedhete dag in juli en bij het uitlaten rent hij niet even enthousiast achter Henk aan als anders. Later constateert de dierenarts hartfalen. Met medicijnen kan de hond nog een paar maanden blijven leven, maar over toch niet al te lange tijd zal Henk hem moeten laten inslapen.

    Daarmee lijkt Uit het leven van een hond een deprimerend boek te worden, maar dat is het allerminst. Dat komt ook doordat deze dag Henk wat bijzonders brengt. Het is bijvoorbeeld de verjaardag van zijn nichtje Rosa dat zeventien jaar wordt. Hij heeft een bijzondere band met haar die behalve familiaal is, ook een beginnende vriendschap in zich draagt. Op het feest drinkt Henk stevig wat hem veel losser en ongeremder maakt dan gebruikelijk. Dat zou veel gênante momenten kunnen opleveren, maar het gaat allemaal net goed – en het brengt hem onverwachte ontmoeting.

    Zure, stuurse gezichten
    Een onverwachte ontmoeting, zeker, maar dat – in het algemeen eigenlijk: de plot – is niet wat Uit het leven van een hond bijzonder maakt. Wat deze korte roman zo sterk maakt is onder andere de stijl van Sander Kollaard. Hij volgt zijn personage nauwgezet, maakt mooie observaties en weet ze te vangen in prachtige beelden, zoals: ‘Met die eerste gedachte dienen zich nieuwe gegevens aan. […] Van harte gaat het niet. De nieuwe gegevens komen aansjokken als pubers die net wakker zijn en met zure, stuurse gezichten aan de ontbijttafel gaan zitten.’

    Kollaard schetst een mooi portret van Henk. Soms komt hij heel dichtbij, op andere momenten beziet hij hem van een afstandje. En in de afstand tot Henk ontstaat ruimte voor Kollaards subtiele humor.

    ‘Inmiddels slaapt Henk heel rustig […] Zijn mond is opengevallen. Er loopt een sliertje speeksel  vanuit zijn mondhoek langs zijn wangen. Hij heeft zich niet geschoren zodat op de wangen een grauwsluier is ontstaan, en daar zoekt het sliertje speeksel zich een bedding, als in een woestijn waar na lange droogte het eerste water weer vloeit, aarzelend nog, als voorbode van de moesson, of hoe dat in een woestijn ook heet.
    Nog eens: het is werkelijk een zegen dat Henk zichzelf nooit zo zal zien.’

    Hart
    De gedachte waarmee Henks dag begint – het hart klopt – is een overblijfsel van een discussie die hij de dag ervoor met een jonge collega voerde. Volgens deze collega is het hart slechts een pomp – het klopt en verder niets. Een kille kijk, vindt Henk. Want lichaamsdelen zijn meer dan slechts dát, ze lenen zich goed voor beeldspraak om onze gevoelens te verwoorden. Het hart mag een pomp zijn, maar wanneer we verliefd zijn ‘loopt het over’ bijvoorbeeld. Henk is het met zijn collega eens dat hij ook maar van spul gemaakt is, maar na zijn dood komt het wellicht weer samen in iets anders. Het is onderdeel van een groots verhaal, vindt hij.

    Hiermee tilt Kollaard zijn verhaal over een dag uit het leven van een hond en zijn baas uit boven het beschrijvende. Op een subtiele manier gaat de roman ook over het vertellen van verhalen, waarmee Kollaard langs dezelfde thematiek scheert als van zijn vorige verhalenbundel Levensberichten. Verhalen zijn, laat hij zijn personage zeggen, de basale vorm van ons begrip. We hebben ze nodig voor coherentie, zonder verhalen zijn er alleen maar betekenisloze onderdelen. Net zo betekenisloos als de organen en lichaamsdelen waaruit we bestaan. Want, ja: spul zijn we. Maar ‘poëtisch spul’.