• Oogst week 51

    Verzamelde gedichten

    De laatste Oogst van dit jaar. Vladimir Nabokov en Lolita. Veel verder komen veel lezers niet als hen wordt gevraagd naar het werk van deze grote meester. De meesten weten ook nog wel dat de schrijver meer geschreven heeft dan die ene roman die zo wereldberoemd is geworden, maar lang niet iedereen weet dat Nabokov ook een groot aantal gedichten heeft geschreven.
    Bij uitgeverij Koppernik is onlangs een tweetalige uitgave verschenen met daarin al zijn gedichten: de poëzie die Nabokov zelf selecteerde voor de uitgave Poems and Problems (1970), met zowel door hem uit het Russisch vertaalde als rechtstreeks in het Engels geschreven gedichten, maar eveneens de poëzie die zijn zoon Dimitri uit het Russisch vertaalde.

    Nabokov ontvluchtte in 1917 zijn vaderland Rusland, ging in eerste instantie in Groot-Brittannië wonen, vervolgens in Duitsland en Frankrijk en vluchtte uiteindelijk – toen de Nazi’s half Europa innamen –naar de Verenigde Staten om ten slotte het einde van zijn leven door te brengen in Zwitserland. Nabokov was ook een groot vlinderliefhebber en -kenner.
    De gedichten vormen de weerslag van dat leven: lesgeven over Russische poëzie, vlinders, schaatsen, erotiek en liefde, de Russische Revolutie, ballingschap, eenzaamheid, een Amerikaanse ijskast. ‘Wie Nabokov wil leren kennen moet zijn poëzie lezen’, aldus de flaptekst.

    Vertaler van deze gedichten is dichter en prozaïst Huub Beurskens die de uitgave ook voorzag van een voorwoord en verhelderende aantekeningen.

     

    Verzamelde gedichten
    Auteur: Vladimir Nabokov
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Metamorfosen

    Marietje d’Hane-Scheltema vertaalde al in 1993 de Metamorfosen van Ovidius.

    Na haar succesvolle samenwerking met tekenaar Floris Tilanus bij haar vertaling van de Fabels van La Fontaine, ontstond de wens om ook een dergelijke uitgave te maken van het beste uit de Metamorfosen.
    In deze eenmalige uitgave staan alle bekende mythen bij elkaar, over Narcissus en Echo, Jason en Medea, Daedalus en Icarus, Apollo en Daphne, Pyramus en Thisbe, Venus en Mars. En dat alles geïllustreerd door Floris Tilanus.

    Van Marietje d’Hane-Scheltema verscheen in 2013 het boek Alles altijd anders, Over Ovidius, hier op Literair Nederland besproken door Machiel Jansen.

    Metamorfosen
    Auteur: Ovidius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Leonardo literair

    Komend jaar is het 500 jaar geleden dat Leonardo da Vinci overleed. Het zal geen toeval zijn dat nu in Teylers Museum in Haarlem de tentoonstelling ‘Leonardo da Vinci’ te zien is, en dat er bij uitgeverij Athenaeum Leonardo literair is verschenen.

    Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling in Haarlem zijn de drie voorstudies van Het Laatste Avondmaal, waaronder het portret van Judas. Teylers Museum wijdt een speciale ruimte aan deze wereldberoemde wandschildering, die als replica op origineel formaat (4,6 x 8,8 meter) te zien is. Met daar recht tegenover een replica op ware grootte van de bijzondere versie van Het Laatste Avondmaal uit de abdij in Tongerlo.

    Niet zo bekend is dat Leonardo da Vinci (1452-1519) niet alleen een groot kunstenaar was, maar dat hij ook veel geschreven heeft. Hij heeft zelf nooit iets gepubliceerd maar na zijn dood heeft men duizenden vellen met losse invallen, annotaties, aanzetten van traktaten e.d. gevonden. Er zijn allegorieën en filosofische overwegingen, fabels en een bestiarium, voorspellingen en raadsels, grappige verhalen en fantastische evocaties, gedachten over de waarde van kennis en de betekenis van kunst. Aantekeningen vol persoonlijke herinneringen, brieven en boekenlijsten geven een bijzondere inkijk in zijn persoonlijk leven.

    De Belg Patrick Lateur, (o.a. Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren in – Vertalingen 2013 en de Homerusprijs van het Nederlands Klassiek Verbond in 2017) staat garant voor de vertaling

    De tentoonstelling in Teylers Museum is nog t/m 6 januari a.s. te zien, kaarten zijn alleen online verkrijgbaar.

     

    De volgende editie van deze rubriek verschijnt weer in de tweede week van januari 2019. En vergeet niet: met elk boek dat u via Literair Nederland bestelt, steunt u ons.

    Leonardo literair
    Auteur: Leonardo da Vinci
    Uitgeverij: Athenaeum

    Grand Hotel Europa

    Tot slot aandacht voor een boek van veel recenter datum: de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer.
    Massatoerisme, nostalgie, geschiedenis, vergane glorie, Europa in ‘beter’ tijden, de nieuwe tijdsgeest, migratie, liefdesverdriet en kunst.
    Deze nieuwe, omvangrijke roman van Pfeijffer bevat het allemaal. De uitgever noemt het op de flaptekst ‘zijn beste boek tot nu toe’:

    ‘De schrijver neemt zijn intrek in het illustere maar in verval geraakte Grand Hotel Europa om te overdenken waar het is misgegaan met Clio, op wie hij in Genua verliefd is geworden en met wie hij in Venetië is gaan wonen. Hij reconstrueert het meeslepende verhaal van liefde in tijden van massatoerisme, van hun reizen naar Malta, Palmaria, Portovenere en de Cinque Terre en hun spannende zoektocht naar het laatste schilderij van Caravaggio. Intussen vat hij een fascinatie op voor de mysteries van Grand Hotel Europa en raakt hij steeds meer betrokken bij het wedervaren van de memorabele personages die het bevolken en die uit een eleganter tijdperk lijken te stammen, terwijl de globalisering ook op die schijnbaar in de tijd gestolde plek om zich heen begint te grijpen.

     

    Grand Hotel Europa
    Auteur: Ilja Leonard Pfeijffer
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    In het derde hoofdstuk van Max Havelaar vertelt de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, hoe zijn zoon Frits uit het pak van Sjaalman een lang gedicht van Heinrich Heine had opgevist. Het gebeurde tijdens een avondje bij de familie Rosemeyer.  De zoon had het voorgedragen en zou dat kunststukje, op dringend verzoek van de andere gasten, herhalen:

    ‘Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee ’t hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was — waarin ze groot gelijk had, vind ik — dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling.’

    Ik moest aan deze Havelaar-passage denken bij het lezen van De schennis van Lucretia van Shakespeare. Dit lange gedicht verhaalt van de beeldschone Lucretia, echtgenote van een Romeinse vorst, die zozeer wordt begeerd door een edelman, dat deze haar  ’s nachts overrompelt en verkracht. Vervuld van schaamte en weerzin pleegt Lucretia, nadat ze haar man gesmeekt had haar te wreken, zelfmoord.

    Reuzensprongen door de tijd

    Deze samenvatting doet geen recht aan Shakespeare’s rijmende vertelling van 265 strofen van elk zeven regels. Toch komt het verhaal hier op neer. Shakespeare wijdt uit, vergelijkt en herhaalt. Hij schrijft, kortom, poëzie. Het is een serieus, soms schokkend gedicht dat ons met reuzensprongen door de tijd voert. De gebeurtenis zelf voltrekt zich ca. 500 jaar vóór onze jaartelling tegen de achtergrond van het ontstaan van de Romeinse republiek. Shakespeare ontleende zijn motief aan teksten van Livius en Ovidius van ruim een half millenium later. Shakespeare zelf  publiceerde dit gedicht in 1594. Het is een uitdaging dit lange en vormvast opgebouwde gedicht te lezen en de bekoring ervan te ondergaan. Hoewel een verkrachting zich moeilijk leent voor een poëtische behandeling, wordt het gedicht zeker spannend en dramatisch wanneer de lezer weet wat de sluwe verkrachter Tarquinus van plan is.​

    De werkelijke betekenis van deze publicatie zit in de toegang die tot de tekst wordt verschaft. Uitgever en vertaler – het moet gezegd – reiken de lezer hierbij optimaal de hand. Op de linkerbladzijde lezen we de Engelse tekst, rechts de metrisch parallelle en dus gelijkvormige vertaling van de hand van Peter Verstegen. De bonus van deze publicatie is verborgen in de noten en het commentaar. Per couplet wordt daar namelijk een letterlijke vertaling van de tekst gegeven, zonder het keurslijf van metrum en rijm. Dat zijn dus drie versies van Shakespeares tekst: het origineel, de dichterlijke omzetting in het Nederlands en de letterlijke vertaling.

    Engels van vierhonderd jaar geleden

    Shakespeare lees je het best in het Engels. Maar het Engels van vierhonderd jaar geleden begrijpen, is niet voor iedereen weggelegd. Waar vertaler Peter Verstegen zich aan de vormvastheid onderwerpt, is de vertaling teleurstellend. Je merkt hoe de vertaler zich in bochten wringt  om het Nederlands metrisch en qua betekenis gelijk op te laten gaan met het Engels, en daar lijdt het resultaat onder. Terwijl de vrije, letterlijke vertaling van  de tekst, (die ‘verstopt’ zit in het verklaringen- en notenapparaat), wel de noodzakelijke verduidelijking biedt:

    ‘This said, his guilty hand plucked up the latch,
    And with his knee the door he opens wide;
    The dove sleeps fast that this night owl will catch.
    Thus treason works ere traitors be espied;
    Who sees the lurking serpent steps aside;
    But she, sound sleeping, fearing no such thing,
    Lies at the mercy of his mortal sting.’

    De Nederlandse metrisch-poëtische vertaling luidt:

    ‘Hij zwijgt, waarna hij stil de klink oplicht,
    De deur wijd openduwend met zijn knie;
    De duif slaapt waar die nachtuil zich op richt.
    Zo werkt verraad eer ’t wordt bespeurd; al wie
    Een slang ziet, stapt meteen opzij, maar zie
    Hoe zij daar in haar onschuld ligt te slapen,
    Reeds prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen.’

    De letterlijke vertaling in het notenapparaat is als volgt:

    ‘Na deze woorden lichtte zijn schuldige hand de klink,
    En met zijn knie opent hij de deur wijd.
    De duif slaapt diep die deze nachtuil wil vangen.
    Zo werkt verraad nog eer verraders bespeurd zijn;
    Wie de slang op de loer ziet liggen, stapt opzij,
    Maar zij, vast in slaap, niet vrezend voor zoiets,
    Ligt overgeleverd aan de genade van zijn dodelijke steek.’

    De lezer kan zelf vaststellen hoezeer in deze strofe de poëtische omzetting afwijkt van de originele tekst, en hoe weinig poëtisch de letterlijke vertaling is. Waar de schone Lucretia in het Engels is overgeleverd aan ‘the mercy of his mortal sting’ is dat in het dichterlijk Nederlands geworden dat zij ‘Reeds [is] prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen’, terwijl Lucretia hier echter nog springlevend is. De Engelse ‘mercy’ is wel in de letterlijke vertaling te vinden.

    Vertaling te prozaïsch

    Kortom, de poëtische vertaling schiet zijn doel voorbij omdat die niet duidelijk genoeg is en vaak gewrongen en te vrij. De letterlijke vertaling is te prozaïsch om voor poëtisch te kunnen doorgaan. Op zijn best poëtisch proza, dus. Maar zo heeft de vertaler het vast niet bedoeld en zo presenteert de uitgever het ook niet.

    In strofe één, meteen al een omineus voorteken, staat: ‘Collatium begroet zijn duistere gloed, / Die niemand ziet […]’ Hoe kan dat nu? Iets begroeten wat ‘niemand ziet’? Shakespeare zelf dichtte over ‘lightless fire’, op zich vernuftig vertaald met ‘duistere gloed’, maar bij Shakespeare is dit ‘fire’ ‘in pale embers hid’ wat zich, met Verstegens letterlijke vertaling bij de hand, laat begrijpen als ‘het lichtloze vuur […] in bleke as verscholen’. Geen sprake dus van een begroeting van iets dat onzichtbaar is.

    Deze publicatie is een goede aanleiding  weer eens met deze poëtische en dramatische tekst van Shakespeare bezig te zijn. Het is voor het betere begrip van de Engelse taal jammer dat de poëtische vertaling tegenover het Engels is afgedrukt en dat de letterlijke vertaling in het notenapparaat is ondergebracht. Dat had beter andersom gekund, omdat het voortdurend bladeren tussen het Engels en het Nederlands dan niet nodig is. Tot troost kan strekken dat Frits Droogstoppel na zijn herhaalde voordracht van Heine’s gedicht bij het avondje van de Rosemeyers weliswaar niet de goedkeuring kreeg van zijn vader:  ‘… maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was.’

     

     

  • Boekhouding van verstreken tijd

    Boekhouding van verstreken tijd

    Frida Vogels is vertaler van Salvatore Satta, Primo Levi, Giacomo Debenedetti en Cesare Pavese, en woont sinds 1955 in Bologna, Italië. In 1954 begint ze op 24 jarige leeftijd een dagboek bij te houden. Dit blijft ze doen tot 1991. Parallel daaraan werkt ze aan haar autobiografische boek De harde kern. Toen dit boek af was, verviel daarmee de behoefte een dagboek bij te houden. Het meer dan zevenduizend pagina’s tellende dagboek was aanvankelijk niet bedoeld om openbaar te maken. Na herlezing besloot ze de dagboeken toch te bewerken voor publicatie. In mei 2005 verscheen het eerste deel (Dagboek 1954 – 1957) en nadien elk jaar een deel.
    En daar is nu een eind aan gekomen. Het 11e deel, Dagboek 1977 – 1978, dat oktober 2014 verscheen, is het laatste deel dat bij haar leven zal verschijnen.

    Dagboek 1977-1978 is voorzien van een voorwoord waarin Vogels verklaart dat ze het zichzelf en anderen niet kan aandoen de resterende vijf delen te publiceren. Gebeurtenissen uit begin jaren tachtig zijn te pijnlijk om openbaar te maken. Ze zegt hierover: ‘Ik heb er in ‘Met zijn drieën’, het derde en laatste deel van ‘De harde kern’, al over geschreven en wat daar staat is schokkend genoeg.’ Voor wie dan ook het tweede boek van De harde kern bij de hand heeft en leest vanaf blz. 474, begrijpt dat het opnieuw tot een breuk met haar broer, de belangrijkste persoon in haar leven, komt. Zelfs voor de lezer is het pijnlijk om hier getuige van te zijn. Op dit punt blijkt overigens dat het dagboek moeiteloos overgaat in de roman en vice versa.

    Het is er allemaal weer: de zwerfkatten (dit keer ook een hond die verzorging behoeft), het jaarlijkse verblijf in Amsterdam, de moeilijkheden en schuldgevoel in het tekort schieten  in contacten en relaties, het ziek en beroerd voelen achteraf. Toch maakt ze afspraken, ontvangt mensen thuis en schrijft brieven (die nogal eens niet verstuurd worden) met steeds de gedachte alles te kunnen afzeggen. Als er gebeld wordt doet ze niet open en denkt: ‘Dat mag ook wel eens onderzocht worden.’ Dat  het huishouden haar achtervolgt en de relatie met haar man Enzo steeds afstandelijker beleefd wordt, accepteert ze. Enzo heeft een vriendin, waar ze het beiden niet over hebben maar waar ze wel steeds aan denken moet. De stand van hun huwelijk na 20 jaar :

    ‘Moeilijkheden, ja, die hebben we natuurlijk. Ons huwelijk is niet eens een huwelijk. Maar wat het ook is, het is wel wat, en dat we elk een eigen leven hebben, rust op die gemeenschappelijke basis.’

    Tijd is een factor die ze op verschillende manieren beleeft. De tijd die ze niet kan schrijven aan haar boek of dagboek, benauwt haar. Als ze haar dagboek niet kan bijhouden, blijft haar dat achtervolgen. Dagboekschrijven is onmogelijk om bij te houden concludeert ze, maar: ‘Alles moet met zin en orde op papier worden gezet.’ Anders hoef je er niet aan te beginnen. Wat onaf blijft, daar kan ze later op ‘afgerekend’ worden. Tijd waarin je even niets om handen hebt is ‘ongemakkelijke tijd’. Ze noemt zichzelf boekhouder van de verstreken tijd. Waarbij ze zichzelf nog geregeld in de weg zit. Toch brengt het schrijven haar momenten van grote tevredenheid en geluk.
    Maar zo gauw ze haar gedachten naar buiten moet brengen, faalt ze. Zoals bij een meningsverschil tussen Enzo en een jongere collega die bij hen op bezoek is. Zij wil de jongere collega ondersteunen maar krijgt haar theorie, waarbij ze denkt aan Dante’s Inferno en aan een stuk van Primo Levi, niet ‘over het voetlicht’ gebracht. Er heerst een ernstige discrepantie tussen haar sterk theoretische binnenwereld en het falen van die theorieën zo gauw ze ze naar buiten probeert te brengen. Schrijven is voor haar de enige weg om zich te laten gelden. Om te laten zien wat ze waard is.

    In haar relatie tot haar jongere broer is er nog steeds een schuldig voelen, al kan ze niet benoemen waarom. Wel dat het daarom is dat ze een tweede deel van De harde kern, (Met zijn drieën) moest schrijven. Tegen het einde van dit dagboekdeel is er duidelijk sprake van een verhoogde spanning tussen hen beiden (een gepland reisje met hen beiden naar Siena gaat voor de zoveelste keer niet door). In de zomer van 1978 committeert ze zichzelf wederom tot het bijstaan van een familielid van Enzo. Nicht Marisa moet geopereerd worden. Dit betekent dagelijks uren aan het ziekbed zitten wat haar, zoals de keer dat ze dit voor haar schoonmoeder deed (Dagboek 1974 -1976), vreselijk opbreekt. Maar ook confronteert met haar eigen eigenaardigheden. Na uitvoerige beschrijvingen van het karakter ‘Marisa’:

    ‘Als dit alles bedoeld is als studie van een bepaalde, typisch vrouwelijke mentaliteit, dan is mijn eigen hevige irritatie erdoor ook nogal typerend. Sommige trekjes herken ik wel degelijk.’

    Door alles vast te leggen, uit te schrijven, te herschrijven, wordt voor haar het bestaan gerechtvaardigd. Alsof ze verantwoording moet afleggen voor dat bestaan. Hoewel het niets oplost en ze er geen ander mens van wordt. Maar: ‘Doen wat je kunt is het doel van het leven, geloof ik.’

    “Toen ik tegen Han (Voskuil) zei dat ik mijn boek nu rond had, zei hij ‘een boek schrijven is geen oplossing. Dat denk je aanvankelijk wel, maar het is niet zo. Het maakt je niet minder onzeker, niet minder gespannen. Maar je hoeft jezelf als je dat gedaan hebt niet meer te bewijzen, het geeft je een gevoel van ‘het is volbracht’. ‘Ja, zei ik, dat gevoel heb ik wel, al zou ik niet weten wat er nu volbracht is.”

    De afsluiting van dit 11e deel, getiteld Verslag met de linkerhand, (ze heeft haar rechter pols gebroken bij een val), was oorspronkelijk bedoeld als sluitstuk van haar dagboek. In die zin gebruikt ze het dan ook om Dagboek 1977 – 1978 mee af te sluiten. Daarvoor maakt ze een sprong in de tijd van december 1978 naar 26 april 1991 en stopt op 26 mei. Het moment waarop het eerste deel van De harde kern bij de uitgever ligt. Daarmee lijkt haar leven voltooid. ‘ (…) dat ik als mijn boek af is zelf een eind aan mijn leven mag maken als ik dat wil, dat ik niemand iets verschuldigd ben.’ En de cirkel is rond.

    Hoe meer je in haar dagboeken verdiept raakt, en zijdelings nog eens in De harde kern, besef je dat Vogels geen makkelijke persoon is om mee te leven, maar dat ze een fantastisch werk heeft gemaakt. Herlezing van haar werk geeft opnieuw dat uitzonderlijke gevoel getuige te mogen zijn van een zelfontleding die zijn weerga niet kent. Zoals ze zelf zei in het enige interview dat ze ooit gaf: ‘Zelf zou ik een dagboek als dit graag lezen.’ Wat voor haar reden was ze te publiceren. Dank daarvoor.

     

     

  • Gemankeerde lover of geslaagde loser?

    Gemankeerde lover of geslaagde loser?

    Door een van de grote ramen kijkt Wijnand naar binnen bij de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae. Hij ziet bekenden, vrienden en ook zijn uitgever is aanwezig. Het duurt niet lang voor hij doorheeft dat dit de nieuwjaarsreceptie is van uitgeverij Ypsilon. Zijn uitgeverij. Hij heeft hier kennelijk geen uitnodiging voor ontvangen.

    Wijnand heeft op dit punt in zijn leven al drie romans op zijn naam staan en met elke publicatie loopt het aantal lezers terug. Hij is een man van middelbare leeftijd die zijn baan bij de gemeente heeft opgezegd om zich volledig te geven aan het schrijverschap. En nu voelt hij zich afgeschreven. Eerder al raadde zijn uitgever hem aan eens iets anders te proberen dan boeken over ‘gemankeerde erotische vriendschappen’.

    Dit is echter een onderwerp waar Wijnand zelf ervaringsdeskundige in is. Al vanaf de middelbare school is hij bevriend met Abe. Samen brengen ze hun tijd door met zwemmen, roeien en zeilen. Tijdens hun lange wandelingen, die vaak eindigen bij het Kleine Wasmeer op een omgevallen boom, praten zij over de filosofie. Beiden weten ze dat Wijnand meer voor Abe voelt dan alleen deze platonische vriendschap, maar ondanks de vele gesprekken die ze voeren, blijft dit onbesproken.

    Aan Abe vertelt Wijnand over het gesprek met zijn redacteur en wat dat zou betekenen voor het bijna voltooide Oud-Loosdrecht, waar al anderhalf jaar werk in zit.. Dan komt Abe met het idee voor het boek Een tragedie in de Achterhoek. Het boek is gebaseerd op de relatie tussen Wijnand en zijn partner Erik. Samen met Abe, die fungeert als redacteur, gaat Wijnand de uitdaging aan om te beginnen aan een nieuw boek. De gesprekken tijdens hun lange wandelingen gaan vanaf nu over de vorderingen van het nieuwe boek.

    Toch blijft Oud Loosdrecht door zijn hoofd spoken. Dat is het boek dat hij echt wil schrijven. Het gaat over twee mannen, Abel en Wiland, hun vriendschap, hun filosofische gesprekken en de onderliggende spanningen tussen de twee.

    Het verhaal dat zich in Oud-Loosdrecht langzaam ontvouwt, wordt niet in chronologische volgorde verteld. In het boek zijn drie soorten hoofdstukken te onderscheiden. Er zijn hoofdstukken die gaan over de avond waarop Wijnand erachter komt dat hij niet is uitgenodigd voor de nieuwjaarsreceptie. Na deze  ontdekking blijft Wijnand verslagen op de stoep staan. Hij is die avond door Abe gevraagd voor een spaghettata di mezzanotte, een middernachtelijk spaghettifeest, maar het duurt nog wel even voor het zo ver is. Deze hoofdstukken nemen je mee op een toer door stad, naar de plekken die Wijnand bezoekt en de mensen die hij ontmoet om maar niet naar huis te hoeven.

    Dan zijn er de hoofdstukken die gaan over het moment waarop Wijnand gehoord heeft dat hij niet verder mag met zijn nieuwe boek Oud Loosdrecht ten gunste van een nieuw boek met een nieuw thema. Wijnand gaat een denkbeeldig gesprek aan met twee vrouwen op een terras over zijn roman. Dit denkbeeldige gesprek geeft veel prijs over zijn motieven om het boek te schrijven.

    Tot slot zijn er nog de hoofdstukken die delen moeten voorstellen uit de romans die Wijnand aan het schrijven is. Namelijk Oud-Loosdrecht en Een tragedie in de Achterhoek. Deze hoofdstukken lijken in eerste instantie slechts een voorproefje van die boeken maar ze leveren belangrijke achtergrondinformatie voor de rest van het verhaal. Zo wordt uit deze delen duidelijk waarom Erik, de vriend van Wijnand, zijn koffers heeft gepakt en richting India is vertrokken. Ook krijg  je een beter inzicht in de relatie tussen Abe en Wijnand. (En daardoor over het boek wat je nu echt aan het lezen bent).

    Het boek zit knap in elkaar. Sipko Melissen roept eerst vragen op die zichzelf later beantwoorden. De eerste keer dat in het boek de titel Oud-Loosdrecht wordt genoemd, vraag je je natuurlijk meteen af hoe dat boek zich verhoudt tot het gelijknamige boek dat je nu aan het lezen bent. Gaat het hier om hetzelfde boek? En is het verhaal dat verteld wordt in Een tragedie in de Achterhoek ook wat er echt gebeurd is tussen Wijnand en Erik?

    Hoewel het boek vragen oproept en daardoor uitnodigt om verder te lezen, verliest het verhaal aan het einde zijn aantrekkingskracht. De vele filosofische verwijzingen worden er een beetje te veel en het gebrek aan ontwikkeling in het hoofdverhaal zorgt voor een minder boeiend stuk in het boek. Ook het einde van het boek is niet de apotheose die je zou verwachten. Na flink wat drank komt het op de spaghetta di mezzanotte eindelijk tot een confrontatie tussen Wijnand en Abe. Na al die jaren spreken/ruzieën ze eindelijk over hun onderlinge relatie, maar deze woordenwisseling is minimaal. Nog voor het laatste woord gezegd is, lijken de twee alweer op dezelfde voet weer verder te gaan. ‘Als een pantomimespeler had ik loopbewegingen gemaakt zonder een stap vooruit te komen.’ Zo voelt het verloop van het boek ook.

    Al met al is het zeker een mooi boek. Ondanks het plot, dat hier en daar een beetje dunnetjes is, maakt de opbouw en het filosofische karakter van het boek veel goed.

     

  • Biefstuk en benzine

    Biefstuk en benzine

    Het boek deed me vluchtig denken aan de Anton Wachter cyclus van Vestdijk, maar dan sneller, in telegramstijl, en zonder moeilijke woorden. Het eerste deel van het boek doet je haast verlangen naar de tijd van grote gezinnen. Het tweede deel ontroert en je proeft het verdriet van de oorlog. De deportage van de vrouw en het wegkwijnen van de vader die plots niet meer voor zijn gezin kan zorgen. Het laatste deel doet je verlangen naar de moderne geneeskunde. Het verhaal is doorspekt met een verhelderende kijk op het geloof. En dat allemaal in een snel leesbaar en voor ieder toegankelijk boek. Wat is literatuur anders dan dat het voor iedereen leesbaar is en niet zoals Youp van’t Hek onlangs in de Vara gids schreef, dat hij bij de boeken van Rosenboom soms een woordenboek moest gebruiken. Biefstuk en benzine een heerlijk boek een tien met een griffel.