• Oogst week 39 – 2025

    Oogst week 39 – 2025

    Het jubileum

    ‘De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had ‘met een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuur’.’ Aldus Ingrid van der Graaf in haar interview met Bajani voor Literair Nederland in 2022.

    Met zijn roman L‘anniversario won Andrea Bajani de Premio Strega 2025, de meest prestigieuze literaire prijs van Italië. Het boek, in een vertaling van Manon Smits, is nu verschenen met de titel Het jubileum. Na tien jaar kijkt een zoon terug op zijn verstikkende jeugd met subtiel huiselijk geweld, dat plaatsvond in zijn familie. Zonder mensen te beschuldigen of te redden legt hij het dwingende systeem van het gezin bloot om zichzelf uiteindelijk te bevrijden. ‘Nadat ze (de moeder) zich al die jaren had onttrokken, er niet was geweest voor zichzelf of voor haar kinderen, alleen maar bezig was geweest met poetsen, bedienen, haar man gehoorzamen in huis en in bed, het weinige of niets dat mijn vader van haar verwachtte of eiste uitvoeren, eindigde ze met iets typisch moederlijks. Ze voelde aan wat er in het binnenste van haar zoon al gebeurd was zonder dat hij het zelf wist.

    Op die dag, tien jaar geleden, heb ik mijn ouders voor het laatst gezien. Ik ben sindsdien van telefoonnummer veranderd, van huis, van continent, ik heb een onneembare muur opgetrokken, ik heb een oceaan tussen ons in geplaatst. Het waren de beste tien jaar van mijn leven.’

    Eerlijk, openhartig en verontrustend relaas gebaseerd op herinneringen.

    Het jubileum
    Auteur: Andrea Bajani
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Kookpunt

    ‘De personages uit Kookpunt van Nisrine Mbarki Ben Ayad wonen in Brussel. Algiers. Parijs. Damascus. Casablanca. Cairo. Amsterdam. Zeven mensen, zeven levens die zich in verschillende steden en landen afspelen. En toch raken ze elkaars levens en vertellen zo het verhaal van een versplinterde wereld, waarin mensen ondanks alles innig liefhebben.’

    Kookpunt is het verhaal van een eeuw: van 1961 in Algerije tot 2061 in Amsterdam. Het is een eeuw die herhaaldelijk zelfmoord pleegt en zichzelf opnieuw uitvindt. Zeven verhalen, in zeven decennia, op verschillende plekken in de wereld, maar de schakelmomenten in de geschiedenis verbinden al deze mensen met elkaar. De nucleaire tests van de Fransen in de Algerijnse Sahara zorgen ervoor dat Ydder zijn grote liefde verliest. Maar ook dat hij Salma die uit Damascus vluchtte ontmoet. Die in Belleville met Bern trouwt. Die jaren later bij de crypte in de Pieterskerk in Utrecht vanuit het dodenrijk door haar wordt geroepen. Onzichtbare draden van het menselijke tekort spannen over de hele wereld. Niets in de geschiedenis blijft zonder gevolgen, alles werkt generaties door.

    Nisrine Mbarki Ben Ayad (Tilburg, 1977) is een veelzijdige schrijver, dichter, columnist, vertaler en programmamaker. Als literair vertaler vertaalt ze poëzie uit het Arabisch naar het Nederlands. Haar gedichten en columns verschijnen regelmatig in literaire tijdschriften als De Gids, Poëziekrant, De Revisor, Tiraden Het Liegend Konijn.

    Kookpunt
    Auteur: Nisrine Mbarki Ben Ayad
    Uitgeverij: Pluim uitgeverij

    Vacht!

    Cobi van Baars publiceerde in 2023 de roman De onbedoelden gebaseerd op het waargebeurde verhaal van een tweeling die zonder medeweten van de moeder meteen na de geboorte werd afgestaan. Het boek kreeg een lovende ontvangst en verkocht meer dan 30.000 exemplaren en stond op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2024.

    In Van Baars’ laatste roman, Vacht!,  werkt Eline van der Veer in een archief dat is gevestigd in een voormalig klooster. Aanvankelijk is ze blij met haar nieuwe baan, tot de sfeer verandert en heel onaangenaam wordt. Kan ze zich staande houden als iedereen zich tegen haar keert?

    Eline raakt verstrikt in een leugen over een relatie, die haar positie op het werk onder druk zet. Ze gunnen haar een vriend, maar nemen een loopje met haar, ondertussen staart ze uit het raam naar buiten waar een kudde schapen loopt.

    Vacht! is een metafoor voor het verlangen en de behoefte om ergens bij te horen.

    Beklemmend en geestig psychologisch portret.

    Vacht!
    Auteur: Coby van Baars
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Kleine details

    Kleine details

    Boeken verzamelen zich op de keukentafel, tussen de kommen op het schap aan de muur, de trap naar boven, naast de bank, in vensterbanken. Soms valt er een stapel om, struikel ik erover. En dan. De man begon steeds meer te lezen. Eerst merkte ik het niet zo. Tot ik zag dat hij alweer in een ander boek begonnen was. Hij las meer boeken dan ik kon weglezen in een week. Dat alles omdat ze voorhanden waren (is dit geen tip?). Een goed gesprek was niet meer mogelijk, hij hummend vanachter de kaft van een boek. Daar moest iets mee. Ik begon met de boekenkasten. Stopte boeken van Brouwers, Roth, Van der Heijden, een deel van Palmens oeuvre, Primo Levi, Flaubert en veel van wat daar tussen stond in dozen. 

    Met die boekendozen verdween er een bepaalde zwaarte naar zolder. Zoals de woede van Antonius, een personage in een verhaal in de bundel Tussen de mazen, in een scheur in het plafond verdwijnt. Geweldig om iemands woede in een scheur in het beton te laten verdwijnen. Dat kan een schrijver. Dat doet Mariska Kleinhoonte van Os.

    Dagelijks bezorgt de post hier boeken (jaja, vandaar). Vorige week werd Tussen de mazen  bezorgd. Ik begon er meteen in te lezen. Niet elk boek is direct pakkend, deze verhalen lieten niet los. Door de details, de beschrijvingen die onder een eerder geschetst beeld worden gezet. Voornamelijk mannen in deze verhalen. Verloren mannen, achtergebleven in een leven waarin ze in de steek gelaten werden door hun vrouw, de dood of hun geest. Wat de verhalen beslist niet een van hetzelfde soort maakt. De verschillende vertelstemmen boeien me bovenmatig.

    In ‘De Onwetende’ gaat een dochter haar vader in een verzorgingshuis bezoeken. ‘Ik overwin mijn weerzin en stap de spruitjeslucht in, mijn voetstappen worden gedempt door hoogpolig tapijt waar ik onder geen beding met blote voeten op zou willen lopen.’ Dit zet iets in beweging, doet me aan Jeroen Brouwers denken. Aan iets waarover hij schreef in een van zijn boeken die hij in het Krekelbos in België schreef. Details als huidschilfers, huid die zich zevenjaarlijks vernieuwd. Onzichtbare schilfers die loslaten, in bed achterblijven, in tapijt verdwijnen. Dat je op een tapijt dat niet je eigen is niet met blote voeten gaat. Daar staat iets dat ik ten volle begrijp.

    Brouwers noemde zichzelf geen verhalenverteller, maar ‘boetseerder’ met taal. Er moest een onderstroom zijn die het verhaal naar boven stuwt, die kneedde hij erin. Stuwend zijn ook de verhalen van Kleinhoonte van Os. Vanaf de eerste regels van elk verhaal wil je door. In het prachtige verhaal ‘Oom Karel’ worden de geheimen van een familie belicht. Sommige dingen blijven duister, wat bovenmate intrigeert. Het begint zo: ‘Ik was zeventien toen ik hem leerde kennen. We zaten in de achterkamer van het huis van opa Vos. Als kind mochten we niks van opa Vos, zoals we hem steevast bleven noemen.’
    Ik wil direct weten: Wie leerde ze kennen, waarom mochten ze (wie zijn ‘ze’) niks van die opa en waarom bleven ze hem ‘steevast’ opa Vos noemen. Met soepele vertelstem wordt er een familie geschiedenis naar boven gehaald. Tijdens de uitvaart van opa Vos ontmoet ze oom Karel voor het eerst. Een zachte man, een man met een trauma. Opgroeiend raakt ze aan hem verknocht. Een rijk en mooi verhaal. Tot je het einde leest.

    Later trok ik op zolder dozen achter het schot vandaan. Mijn ogen scanden de naar boven gekeerde ruggen van boeken. Dat weerloze. Geen Brouwers. Volgende doos. De man vraagt wat ik zoek. Ik vraag niet of in de laatste drie dozen die hij vorige week naar de kringloop bracht, boeken van Brouwers zaten. Ik geloof graag dat ik geen ondoordachte dingen doe. Tegen beter weten in ging ik naar beneden, naar de boekenkast. Weer die ruggen (sterker als ze staan). En kijk dan toch, De zondvloed! Het boek dat ik in 1988 gelezen heb bleef staan. Wie leest verzamelt onvergetelijke dingen, ook als je denkt ze te zijn vergeten. Een schrijver in een andere tijd kan alles wat was weer in beweging brengen. Door kleine details, door het voorstellingsvermogen van een schrijver van een indrukwekkende verhalenbundel.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Ontroerende familiegeschiedenis

    Ontroerende familiegeschiedenis

    ‘Heimwee is de weg weten in een huis dat niet meer bestaat.’ Dat is een van de mooiste uitspraken van Rudy Kousbroek. Maar Otto de Kat (pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt) laat in zijn zojuist verschenen Autobiografie van een flat zien dat ook een huis dat nog wel bestaat een groot heimwee naar verloren tijden kan oproepen. Na de dood van zijn 93-jarige moeder Annie (of  Bill zoals haar man haar noemde) bezocht hij met zijn oudere broer Karel haar appartement om met hem te verdelen of op te ruimen wat daar aanwezig was aan bezittingen zoals boeken, brieven, foto’s, meubels, kleding en zo meer.

    Alles wat ze vinden roept herinneringen op die de Kat met grote weemoed vervullen. Vader overleed al langer geleden. Maar nu is ook moeder er niet meer. Al doende in de flat ziet hij hoe ook broer Karel al de verschijnselen toont van een naderend einde, hij heeft de diagnose Parkinson gekregen en dat is te zien.

    ‘We hadden mooi en lelijk verdeeld. We keken en zagen de flat als vanzelf leeg worden. In de stilte die ons bekroop vervaagden mooi en lelijk, de dag was bijna voorbij, het begon te schemeren. ”Ik ga maar eens,” zei Karel ten slotte. Hij leek ontheemd door de veiling van ons verleden. Ontheemd en vreselijk moe, ik moest hem aan zijn toegestoken handen omhoogtrekken. Even stond hij onbeweeglijk, licht voorovergebogen, de gedachte om te gaan lopen vertrok uit zijn hoofd naar zijn voeten, en dat duurde een paar tellen. Dan ging hij, z’n passen overdenkend, voorzichtig richting de voordeur.’

    Hoe je vader en moeder te kennen

    Vader Hans en Moeder Bill komen in 1941, in een gebombardeerd Rotterdam, in de flat wonen. De sleutel wordt hen aangereikt door de vorige bewoner Harm van Riel, later een VVD-prominent. Ze maken de oorlog mee en de heropbouw van de stad daarna. Ze krijgen er hun twee zoons en leven er hun hele verdere  leven. Vader Hans lijdt aan een nare huidziekte en overlijdt 59 jaar jong aan hartfalen. Terugkijkend bedenkt De Kat dat hij zijn vader nooit heeft horen klagen.

    ‘Maar wat weet een kind van de gedachten van zijn ouders. Ik geloof: bijna niets. Kinderen denken wel graag hun vader en moeder te kennen, maar dat is natuurlijk niet zo. Een snippertje van hun wereld, een mespuntje, meer niet. (…) Ik geloof: ik bezit niet meer dan een vaag vermoeden, een enkel inzichtje, een paar onthullende woorden ooit uitgesproken, dat is het wel ongeveer. Eerder nog zijn het de dingen die ze verzamelden, de kleur van de muren, hoe ze liepen, de jas die ze droegen, de boeken die ze lazen, daar zit hun leven in, daar kan je hun gedachten soms in vinden.’

    Een groot pak brieven die zijn vader in zijn prachtige handschrift aan zijn moeder schreef helpt iets om te doorgronden wat zij dachten, maar haar brieven aan hem zijn weg (heeft ze ze weggedaan omdat ze te intiem waren?). ‘Maar zelfs uit brieven is niet op te maken hoe iemand werkelijk is.’ Na de dood van haar man blijft moeder Bill eenzaam achter, een schoonheid die ooit werd bemind door Leo Vroman. ‘Annie ik had je zo lief. Leo’  staat op een enveloppe die hij ooit beschreef. Maar ze verkoos Hans.

    Sterven zonder gekend te zijn

    Otto de Kat vertelt in meeslepende stijl de geschiedenis van zijn familie in de flat. Je ziet de gezinsleden de decennia doorleven en ouder worden. Je beleeft mee hoe de twee zoons met elkaar optrekken en weer uit elkaar raken en hoe vriendschappen en liefdes hun levens vullen. Met onvergetelijke momenten zoals de eerste zoen. Ze heette Dietje.  

    ‘Midden in de kamer van haar huis ruimden we wat slingers op die waren blijven hangen na het verjaardagsfeestje dat ze had gegeven, ze was zestien geworden. We stonden vlak bij elkaar en plotseling zoende ze me, ik was totaal overvallen. Met slingers in mijn hand, doodstil stonden we daar, in een omhelzing die mijn wereld op z’n kop zette. Het is nooit meer overgegaan dat moment, er is nooit iets mooiers na gekomen. De tijd heeft er geen vat op gekregen, een ogenblik waarin alles ophield, alles begon, niets meer hetzelfde was, nooit meer af te nemen of te vergeten.’

    Het sterven dat onherroepelijk voor vader, moeder en twee jaar oudere broer volgt roert ook de lezer tot tranen toe. Want iedereen sterft zonder echt gekend te zijn door wie achterblijft, is de herhaalde en treurige boodschap van het verhaal. Het lezen van De autobiografie van een flat  geeft dan ook dezelfde ontroering als het beluisteren van dat prachtige lied ‘Het Dorp’ over lang vervlogen tijden: ‘Ik was een kind en wist niet beter / Dan dat ’t nooit voorbij zou gaan’.

     

     

  • Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    De ‘grensreportages’ van journalist en romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) zijn weliswaar zo’n honderd jaar geleden geschreven door de nog maar net beginnende ‘Roter Joseph’ – zoals hij later bekend werd – maar hebben door de oorlog van Rusland tegen Oekraïne bijzondere actualiteitswaarde  gekregen. Ze spelen zich deels af rond het toenmalig oorlogsfront tussen Rusland en Polen, langs de grenzen die aan het eind van WO I niet zo nauwkeurig waren vastgesteld en een bron van conflicten bleken te zijn.

    Roth kwam na zijn vlucht voor de nazi’s in 1933 regelmatig naar Nederland. Zijn eerste bezoek was in 1933 om onder anderen kennis te maken met uitgever Allert de Lange, die een aantal boeken van Roth als Exil-literatuur zou uitgeven. Zijn eerste roman Hotel Savoy verscheen honderd jaar geleden in Berlijn, de eerste vertaling in het Nederlands was zijn roman Job in 1931, daarna volgden er nog vele. De laatste jaren werd zijn werk vertaald door Els Snick, die ook de drijvende kracht is achter het Nederlands Joseph Roth Genootschap. 

    Journalistieke reportages

    De journalistieke reportages zijn weliswaar minder bekend dan zijn romans, maar omvatten zeker de helft van zijn verzameld werk. Deze bundel ‘grensreportages’ heeft een Vlaams tintje: naast de vertalingen door Els Snick (en anderen), is de inleiding verzorgd door auteur Erik Vlaminck en de illustraties zijn van Koen Broecke, allemaal Vlamingen. De verhalen zijn van 1919 tot en met 1924 gepubliceerd in de Oostenrijkse krant Der neue Tag, de Neue Berliner Zeitung en de Frankfurter Zeitung.  De reportages in de Frankfurter Zeitung zijn bijzonder actueel omdat ze zich in Lemberg – het huidige Lviv – en omgeving afspelen. Roth zelf is in 1894 geboren in het Oekraïense stadje Brody, dat honderd kilometer ten oosten van Lviv ligt, indertijd op de grens van de Habsburgse dubbelmonarchie met Rusland. Nu in West-Oekraïne. 

    De eerste reportages in de bundel schreef Roth tijdens een van zijn eerste journalistieke opdrachten in 1919. Een reis naar Heanzenland, het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije dat na de Eerste Wereldoorlog aan Oostenrijk werd toegewezen.  Het zijn meteen al de persoonlijke reportages waarmee Roth beroemd zou worden. In de eerste persoon en met milde spot in zijn waarnemingen.
    Een anekdote, die zijn stijl laat zien. Roth probeert een hotelkamer te krijgen met een inschrijfformulier van een ander: “Er kwam een kamermeisje, ze las het inschrijfformulier en keek me aan. Toen zei ze met spontane hartelijkheid in haar stem: ‘Ik geef u kamer 52. Maar alleen omdat u uit Matterdorf komt.’ Waarop ik zweeg en met het kamermeisje naar kamer 52 ging. Toen ik mijn spullen had neergelegd en de kamersleutel in mijn zak had gestoken, trok ik mijn revolver en zei heel vriendelijk: ‘Juffrouw, ik kom helemaal niet uit Mattersdorf. Het inschrijformulier is van een andere man.’ ‘ Nou,’ zei ze, ‘dan had ik u de kamer niet gegeven’. ‘U zult er geen spijt van krijgen, antwoordde ik, stak de revolver in mijn zak en gaf haar een briefje van tien kronen.’ Of het zo echt is gebeurd? Hij maakt er verder geen woorden aan vuil. 

    Reportages Pools- Russische oorlog

    In 1920 verhuist hij van Wenen naar Berlijn en maakt in de zomer reportages voor de Neue Berliner Zeitung tijdens de Pools-Russische oorlog. In de bundel is dit de tweede serie die het grootste deel van het boek beslaat. Net als het andere deel wordt deze ingeleid met een korte historische toelichting en een getekend kaartje van de omgeving waar alles zich afspeelt. Geillustreerd met sfeervolle water- en olieverf afbeeldingen van schilder en historicus Koen Broucke, die militairen, oorlogshandelingen en bijna abstracte landschappen laten zien in heldere en sombere kleuren. 

    Roth trekt rond met openbaar vervoer, liftend en lopend, en hij beweegt zich aan beide kanten van de grens. Hij schrijft ooggetuigeverslagen die doen denken aan sommige van de recente  berichten uit Oekraïene. Nu geen spot, ook geen milde, maar eerder mededogen. Hij praat met Poolse en Russische soldaten en Kozakken. ‘Ik kon vaststellen dat Poolse troepen die zich op de terugtocht bevonden, volslagen dronken waren. Het viel me op dat de Russen soms geen mensen gevangen nemen en kleine groepjes laten lopen. Op straat zie je nu overall afgedankte voertuigen en uiteengevallen colonnes, die een troosteloze indruk maken. Vreemd genoeg zijn er bijna geen gewonden te zien. De vlucht lijkt dus zonder al te zware strijd te zijn verlopen.’  

    Er waren indertijd ook buitenlandse soldaten aan het front. Uit verhalen van grensbewoners tekent Roth op dat er Franse artillerieeenheden en Franse officieren in grote aantallen met het Poolse leger meevechten. En aan de andere kant is het ‘niet te bevatten hoeveel jonge mensen zich vrijwillig melden bij het Rode Leger.’ Niet alleen gevluchte, gedeserteerde Polen, maar ook Duitse arbeiders. Deze serie sluit af met een kort verhaal over Oleksa Solonenko, een Oekraïnse boer die in Berlijn overleed op de terugweg van Brazilië naar Oekraïne. Waarom Oleksa vertrok vertelt Roth niet, maar toen hij hoorde dat er een revolutie was in zijn land kreeg hij heimwee naar ‘Katharina, het varken en de jongens’ en wilde na tweeëntwintig  jaar terug naar zijn vaderland. Roth schrijft een kort tragi-komisch portret dat zoals hij zegt een aanvulling is op het politieverslag.

    Verhalen over geboortegrond

    De laatste serie is een Reis door Galicië uit 1924 in opdracht van de Frankfurter Zeitung. Deze verhalen spelen zich af in de streek waar Roth is geboren en opgegroeid. In 1982 voor het eerst in het Nederlands uitgegeven door uitgeverij Allert de Lange. De drie verhalen over zijn geboortegrond zijn met liefde geschreven: ‘Over het vlakke land waait onophoudelijk een eeuwig onveranderlijke wind, die nauwelijks waarneembaar is. Heuvels, beloftes van de Karpaten, kleuren blauw in de verte. Raven cirkelen boven de bossen. Ze voelen zich hier altijd al thuis. Sinds de oorlog zijn ze talrijk geworden. Geen enkele fabriek, geen reclame, geen roet. Op de markt worden primitieve houten marionetten verkocht, zoals in Europa tweehonderd jaar geleden. Is Europa hier geëindigd?’

    Het zijn deze verhalen die me in de jaren tachtig verleid hebben naar Roth’s geboorteplaats Brody te reizen, dat indertijd nog onder de knoet van de Sovjet Unie leefde. In het verhaal over Lemberg/Lviv schrijft Roth over de ‘polyglotte kleurenpracht’ van de stad. Hij studeerde hier nog maar een paar jaar eerder en zijn toon is nu al weemoedig. Na 1924 is er nog zoveel vreselijks in Lemberg gebeurd dat het Roth nog  weemoediger zou stemmen naar de buurt rond het theater waar de mensen Jiddisch spreken. ‘Dat hebben ze hier altijd gesproken, en waarschijnlijk zullen ze nooit iets anders spreken.’ Het is dat Roth in 1939 al is overleden, anders zou hij de moord op die Joden hebben meegemaakt.

    Het laatste verhaal van de bundel is het indrukwekkendste. Roth schrijft hier over de rouwstoet voor een Poolse invalide die zichzelf na een toespraak voor zijn kameraden ‘een kogel door de kop schoot.’ De stoet bestond uit duizenden verminkten. ‘Ja, de mensen bleven staan en keken en verroerden zich niet.’ Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op.
    Eric Vlaminck noemt het boek in zijn inleiding ‘een zegen’, omdat zowel Roth als Broucke ook voor ‘mededogen, troost en hoop zorgen.’ Tussen de legers is een prachtige bundel met literair-journalistieke verhalen van de beroemde romancier die de vroege aanloop naar de crisisjaren en WO II laten zien.  

     

     

  • Geloven in het eigen dichterschap

    Geloven in het eigen dichterschap

    De Russische schrijver en filosoof Leo Tolstoï (1828-1910), bekend van zijn beroemde roman Anna Karenina (1877), schreef in een van zijn brieven dat ‘werkelijk genoegen niet bestaat, behalve dat wat zijn oorsprong vindt in scheppende arbeid. Wat is moeilijker weer te geven dan de waarheid, wat komt moeilijker tot stand dan helderheid?’ Daan Doesborgh is in zijn nieuwe bundel Moet het zo op zoek naar een verstaanbare manier om tegen de vergankelijkheid in aan zijn dichterschap gestalte te geven. 

    In zijn gedicht ‘Prefiguratie’, voorafgaand aan de bundel, raakt Doesborgh aan zijn voorgeschiedenis waarin de religie een rol speelde. Hij verwijst onder meer met het ‘ruisen van de beukenhaag’ naar een religieuze ervaring op de manier, zoals God Elia nadert op de berg. De dichter lijkt zich hierin bewust te worden van de scheppende arbeid die hem zo nu en dan te boven lijkt te gaan. Met deze religieuze grondtonen opent Doesborgh zijn bundel die uit vijf afdelingen zonder titel en van verschillende lengte bestaat. Het is aan de lezer om de thematische noemer vast te stellen. Achter in de bundel noemt Doesborgh een groot aantal dichters aan wie hij schatplichtig is: ‘I think my friends have gathered here for me.’ (Nick Cave) Of hij deze vermelding uit zelfvertrouwen doet, blijft vooralsnog de vraag. 

    Angst in het donker

    De eerste afdeling plaatst ons direct in de dodelijke actualiteit van Oekraïne. Een granaat, een ‘shrapnelkop ontbrandde’ in een zomerse nachtelijke ontmoeting boven Snizjne. Omgeven door angst in het nachtelijk donker lijkt alles wat het persoonlijke voelt, wordt overgedragen op de dingen. In het ‘Lang sonnet voor Laurens van der Graaff’ concretiseert het ik het dreigende gevaar met dodelijk afloop in dienst van het Oekraïense leger’. In het ‘Sonnet voor de eeuwige jeugd’ stelt hij zich voor, hoe het is om zo jong te moeten sterven: ‘Het niet-begrijpen [daarvan] wordt een tweede huid / Je groeit niet meer jaarlijks je denken uit’. 

    Tragisch is dat in het gedicht ‘Cordyceps’ het ‘sprankelend begin’ van de geboorte tevens het einde inhoudt. Als een cordyceps, een schimmel, zijn we ‘het ware kwaad in de natuur’. In deze bedreigende werkelijkheid is er voor een ieder ‘een weg die je / verkent, er is een pad dat je bent.’ Onder deze bizarre omstandigheden personifieert het ik de dingen, zoals in het gedicht ‘September op het eiland’, waarin hij de steiger laat zeggen: ‘kruip tegen mijn wang / en kus me met je autobanden’. 

    Doesborgh schroomt niet zich in zijn eigen onwerkelijke wereld terug te trekken. In zijn poëzie waart existentiële eenzaamheid, leegte en dreiging rond, waarin hij als oplettend waarnemer soms meegezogen dreigt te worden. Te midden van het muzikale geweld kringelen de gedichten ‘als gas tussen haar lokken’ van Sappho omhoog. In het laatste titelloze gedicht op het plein gaan allen dood, ‘haast terloops’ / en meteen daarna / was alles [weer] weids en licht’. In meerdere gedichten lijkt het ik vrij te zweven, en los van zijn werkelijkheid te komen. 

    Gezondheid en bestaanszekerheid

    In de tweede afdeling twijfelt het ik in ‘De dokter en ik’ aan zijn gezondheid, sterker nog aan zijn bestaan. Hij gaat te rade bij een pièta en vertrouwt zich denkbeeldig toe aan de armen van Maria: 

    ‘ik ben Christus op Golgotha
     of een onbedaarlijke aansteller
     maar niets daartussenin
     ik denk in grotere woorden dan ooit’ 

    Hij weet zich na deze dokterssessie gezond verklaard, en verbaasd zich daarover. Gezond willen zijn en bestaanszekerheid voeren de boventoon in deze afdeling: ‘Het leven zwemt / blikkerend voorbij, niet ziek is / niet klagen.’ Voortdurend leeft het ik in een sfeer van onbestemdheid, alsof hij het leven uit zich voelt wegvloeien, al dan niet verkankerd. Hij vraagt zich dan ook af, hoe kan er dan uit het niets een gedicht ontstaan? 

    ‘zoals je
     uit het niks een dag gezond was
     en de volgende niet.

    Het ik voelt zich nog altijd door de dood bedreigd en vraagt zich af wie van zijn vrienden als eerste zal gaan. Zijn remedie tegen deze levensbedreigende gedachten is het draaien van een film. Net als in de film blijft de afloop van het leven onvoorstelbaar. De doodsangst bedreigt zijn levenszin. 

    Dood en liefde omsluiten elkaar

    De derde afdeling opent Doesborgh met een zeemanslied waarin het terugkerend refrein ‘We zijn doden maar we weten het nog niet’, duidt op een ontbrekend (zelf)bewustzijn van wat onze onbarmhartige condition humaine als levensles inhoudt. In de ‘Ballade voor mijn oma’ brengt Doesborgh een onthutsende hommage aan haar, een trotsmakend boegbeeld dat hem herinnert aan Slauerhoffs gedicht ‘Het boegbeeld: de ziel’. Zij vroeg hem haar te helpen het leven te verlaten: ‘er was een storm opgestoken in haar hoofd’. Dood en liefde omsluiten elkaar dikwijls in deze bundel. De dood van de ander betekent dat hij of zij nog meer aanwezig is dan daarvoor, zoals het slachtoffer op de cover van ‘Time Magazine’. Opnieuw komt de ellende van Oekraïne langs met een opzwellende rivier die de militaire opmars doet stranden. De natuur neemt de macht over. 

    De dood is dominant in deze afdeling. Zo droomt het ik in het vijfdelige gedicht ‘Je mag niet dromen in gedichten maar wel doodgaan’, dat hij stierf: 

    ‘het lijkt alsof we reizen
     langs huizen vol graven
     om een eigen graf te vinden

     zodat men hier 

     in innerlijke vrede
     op het laatste oordeel wacht
     […]
     Een graf!
     zo hebben wij een lus geleefd!
     Op de meter af is zo ons einde
     ons begin.’

    Zo ook in ‘Toen Thomas stierf’ weet het jarige ik zich overvallen door het nieuws van de dood van de ander die achter zijn laptop de dood in zich voelde zakken. Gevonden door andere mensen: ‘Jij was te dood en ik niet jarig genoeg.’  Wat in deze gedichten opvalt, is dat het ik zich zeer bewust wordt van het feit dat doden ‘snel vergeten wie we zijn’. In het gedicht ‘Travertijn’, opgedragen aan Menno Wigman, vraagt het ik zich af, waar de gedichten nu nog vandaan komen, 

    ‘wel
     dat die dode er iets
     mee te maken heeft, 

     Kom op zeg, je leest dit
     immers met mijn stem’

    De vierde afdeling verwoordt vluchtgevaar voor het eigen leven: ‘Het was geen vluchten wat we deden, / een ontsnapping meer, aan iets / wat op ons leven leek. 

    Een houding van gelatenheid die je de dreiging doet vergeten. Het ‘Gedicht met licht’, is een cruiseschip dat licht met bakken vol over het water uitstrooit. Het is zomer en de dingen gebeuren als vanzelf: ‘De iepen aan het water werpen grote / kanten schaduwrokken op de scheefgezakte / kade’ 

    Zoeken naar zelfvertrouwen

    Beeldrijk formuleren lukt Doesborgh lang niet altijd. Het is ook een moment van verrukking, je opgenomen weten in een groter geheel. Nadat het water van de ‘Maas’ gezakt was, waren alle stammen gedrapeerd met ‘knapperige Degasjurken’. Opnieuw doemt zijn oma op die ‘ziet uit het raam hoe de oever haar dagelijks nadert’. Als het ik vijf is, durft het niet uit het raam te kijken naar het naderende water.

    Het zand van Aalsbeek aan de Maas blijkt in het achtdelige gedicht ‘Van water’ nauw verbonden te zijn met zijn levensgevoel: ‘ze zeiden toen / dat je geboren was uit water’. Het is de plek vol geheimenissen. Op het einde neemt de rivier zijn ruimte onder de lage lucht. Kiezels rollen ‘de laatste meter tot het water / dat likkebaardend je naam hijgt’. Met deze hartstochtelijke beelden neemt het natuurlijke leven zijn loop. Het gevecht met het achterlaten van de ander blijft. Ter geruststelling volgt er een ‘Bezwering’: 

    ‘je bent zoals je altijd bent geweest  

     en doet alsof je altijd zo zal zijn. Dan heb je
     spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan:
     bestaan in het volle licht van het bestaan.’

    In de laatste afdeling komen we dichter bij wat het lyrisch ik bezielt. Bovenal is dat geloof hechten aan het dichterschap. Geen rijm. Geen trukendoos en alledaags taalgebruik, maar ‘schrijven alsof het er altijd al stond’. Deze poëticale opening zegt iets over het zoeken naar zelfvertrouwen door deze dichter: Zo is ten slotte elke gebeitelde regel / weifelend neergeschreven door iemand / die eerst moest geloven / in zijn eigen gezicht.’ 

    ‘Gezicht’ is hier in de betekenis van ‘beeld’ dat zich aan hem voordoet op het moment dat de dichter bezig is zijn woorden aan het papier toe te vertrouwen: ‘Wat denkt die vent [wel], / vanwaar dat licht?’ Gelooft hij er nog wel in? In hoeverre kan hij wegblijven van de vorm? Hier is enige worsteling bij het schrijven te proeven, terwijl de dichter tezelfdertijd behoefte heeft aan ‘spelregels’. De conclusie is voor hem duidelijk: hou je in dit spel klein, laat de taal haar werk doen. 

    Al met al weet de dichter zich voor een onmogelijke opdracht gesteld. Toch ontleent hij troost in dit vergankelijke bestaan aan het grote gedicht van W.B. Yeats, terwijl het ‘meer zingt’. Wat er ook aan de overzijde gebeurt, ‘jij loopt over straat met dit gedicht. / Geen mens kan je iets maken.’ De dichtkunst geeft hem iets onoverwinnelijks. In ‘Het lied van der dwaze bijen’ van Nijhoff vindt de dichter zijn positieve slotakkoord. Daarin laten de nieuwe koningin en de bijen hem ‘dansend de stand van de zon […] zien’. Doesborgh heeft in deze bundel geprobeerd de vergankelijke wereld te begrijpen. Voor hem is het dichterschap een manier om daaraan tegenwicht te bieden: ‘bestaan in het volle licht van het bestaan.’

     

     

  • Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    De zomer is voorbij maar de zomereditie van literair tijdschrift Tirade is er nog. Een editie met veel ruimte voor poëzie, verschillende essays en verhalen. In deze tijd heeft de geest nood aan een breed palet van kleuren en smaken om te beseffen dat het leven niet eenduidig te verklaren is. Toepasselijk is dan ook dat Lodewijk Verduin het in zijn inleidende ‘Redactioneel’ heeft over het verspreiden van literaire ‘spaanders die terechtkomen in humus, andere planten weer doen groeien, of bloeien’. En ‘viert Tirade […] de literatuur met wildgroei van teksten uit alle genrehoeken, geschreven door auteurs van uiteenlopend, veelkleurig pluimage.’

    Het essay, ‘Het demasqué der standpunten’ van Mathijs Sanders komt uit de letterkundige hoek en heeft als uitgangspunt een ontmoeting tussen de twee tijdgenoten Menno ter Braak en F. Bordewijk. Hoe beide schrijvers tezelfdertijd op een bijeenkomst waren om het honderdjarig bestaan van hun uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te vieren. Of ze toen werkelijk kennis met elkaar maakten, is niet zeker. ‘Spraken de twee schrijvers elkaar die middag? Ik probeer het mij voor te stellen.’ Naar zo blijkt was de ontmoeting, ‘tussen twee van de belangrijkste prozaschrijvers van het interbellum [..] vooral een ontmoeting op papier’.

    Leessporen

    Via leessporen in de boeken die Ter Braak en Bordewijk van elkaar lazen en die zich in hun huisbibliotheek bevonden – welke sinds enkele jaren ‘gebroederlijk’ naast elkaar in de kelder van de Leidse universiteitsbibliotheek staan – volgt Sanders de aard van de onderzoekingen die beiden in elkaars boeken ondernamen. Een prachtige speurtocht waar de lezer in meegenomen wordt om als een detective de aantekeningen en onderstrepingen in beider boeken te volgen. En de herkenbare twijfels over zijn eigen interpretatie, ‘Lees ik in Ter Braaks potloodaantekeningen iets wat er niet staat? Zie ik bijna een eeuw na dato iets wat de criticus zelf destijds niet onder woorden kon of wilde brengen? Ben ik bevangen door de hoogmoed van de hermeneut, over wie de filosoof Schleiermacher begin negentiende eeuw schreef dat het diens opdracht is om de auteur beter te begrijpen dan hij zichzelf begreep?’ Dit fijne essay is een bewerking van een lezing gehouden door Mathijs Sanders in de Universiteitsbibliotheek van Leiden op 24 nov. ‘22.

    Anja Sicking geeft in ‘Wachten op de clou’, een mooie lezing van de dystopische roman Onder het asfalt (2022) van Maarten van der Graaff. Ze merkt op dat Van der Graaffs ‘fascinatie voor het wegvallen van de bestaande ordening van het landschap’ niet nieuw is in zijn oeuvre, en heeft het onder meer over schrijvers en hun rijbewijs halen, over wat zoal tijdens het rijden wordt waargenomen. Van een rijleraar hoorde zij datvan alle beroepsgroepen, schrijvers het langst erover doen hun rijbewijs te halen. ‘Dat is omdat ze geen onderscheid maken ‘tussen hoofd- en bijzaken, hun aandacht blijft vaak aan iets onbenulligs hangen.’ Zelf slaagde ze na tachtig rijlessen voor haar rijbewijs, op een zaterdagochtend, toen de wegen bijkans leeg waren, ‘op een verdwaald konijn na’. Weet dat een onbenullig detail voor een schrijver van groot belang is.

    Samen zwaluwstaarten

    Van Tomas Lieske drie gedichten met een adelijke Charlotte De Bourbon in de hoofdrol. Het gedicht, ‘Charlotte De Bourbon leest poëzie’, opent meesterlijk met: ‘Vivat Astrid Lampe, vivat Piet Gerbrandy, vivat. // Kunnen die twee niet samen zwaluwstaarten daar moet letterlijk / gesproken iets moois uit groeien van het hardste hout’ / (…) En over de wantsen in het bed van de kasteelvrouw, ‘als kleine letters die zich rennend verbergen’. In het woord ‘zwalustaarten’ ontstaat zonder meer een beeld van bovengenoemde dichters samen, dat daar iets goeds uit voortkomt.

    In vijf gedichten van Lies Gallez gaat het over verlangen, ‘aanraakpunten’ die verbinden en het belang van het benoemen van de dingen. Waaronder het veelzeggende gedicht, ‘Pogingen om een moeder gelukkig te maken’. 

    ‘je moet dit leren: de miserie van je moeder kun je niet oplossen. zelfs niet door
    een eeuwige glimlach met je mee te smokkelen, zelfs niet door voetstappen zo
    licht als het licht zelf op zondagochtend, zelfs niet met koppen koffie’

    Goed verhaal en essaydebuut

    In het goed geschreven verhaal ‘The Timekeepers’ van Jonathan van der Horst gaat het over de tijd. ‘Hoe alles wat vandaag van belang lijkt, morgen alweer verdwenen kan zijn. Opgeslokt door de tijd.’ Over vriendschap waar een uiterste houdbaarheidsdatum op zit. Als twee van de drie oude vrienden elkaar na lange tijd weer ontmoeten, zegt de een, ‘ We gaan het niet over Pepijn hebben. Dat is voorbij. Afgelopen. We zijn hier niet om oude koeien uit de sloot te halen.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Een oude vriend. Dat is iets anders. Een oude koe sterft een langzame dood. Een oude vriend verwaarloos je alleen maar.’ 

    Verder in deze Tirade het essaydebuut ‘Ik geloof dat mensen planten zijn’, van Marijke Vos. Van Sander Kollaard werd de reactie die hij in januari van dit jaar voorlas tijdens een avond in Spui25 over ecokritiek in zijn roman Uit het leven van een hond en in de Nederlandstalige literatuur, opgenomen. Van Kyrke Otto de zeer ritmisch lezende gedichten, ‘Drie gedichten voor Sophia’. Van Rodante van der Waal het gedicht ‘Krijg een kind met mij’ in zes afleveringen. Van Yasmin Namavar drie gedichten. Twee gedichten van Piet Gerbrandy en Lilian van Ooyen met ook twee gedichten. Van Rozalie Hirs staat er met een serie van vijf gedichten, ‘Als je aanwezigheid’ in, en van Pieter Franciscus M. vier gedichten onder de titel, ‘Merlin’. Werner Valk schreef het verhaal ‘Vogelbot’. Kortom een Tirade met niets dan mooie bijdragen die met genoegen gelezen werden.

    De illustraties zijn van Rein Klomp.

     

    Tirade verschijnt vijf keer per jaar.

     

  • Wandelvakantie

    Wandelvakantie

    Nu de zon de dagen verwarmt, de akelei op lange dunne stelen roze bloeit, de druivenhagen minuscule druiventrosjes dragen, overweeg ik om mijn rugzak te pakken en eindelijk dat pad te gaan lopen waarover ik al zo lang roep het te willen lopen. Gewoon spullen inpakken en weg. Maar er is altijd wat, er moet iets met de katten, uitgenodigde eters afzeggen, geliefden achterlaten. Jezelf losmaken van dat wat je leven in stand houdt, en wat er dan van overblijft. Een leven lang verdoet de mens zijn tijd aan dromen en wensen dit of dat nog eens te ondernemen, en blijft veelal thuis. Dit mens in ieder geval. Levend in dromen neem ik een voorschot op een wandeling door het lezen van een klein boek ‘Omwegen’ getiteld, wat je bekend voorkomt. Via omwegen schijn ik pas te komen waar ik wil zijn. Maar dan toch, niet het doel, maar de weg erheen is waar het om gaat. Dus maak ik het espresso potje nog eens schoon, vul die met versgemalen koffie en vraag me af of ik wel geschikte schoenen in huis hebt.

    Toen Thomas Heerma van Voss op wandelvakantie ging met het gezin van zijn (toenmalige) vriendin, kreeg hij advies over het gebruik van nieuwe wandelschoenen van zijn vader. ‘Thuis had ik de schoenen alvast ingelopen, dat had mijn vader me aangeraden. Zoals hij me ook jaren terug, rond mijn achttiende, adviseerde om met leren schoenen zo snel mogelijk in plassen regen te stappen. “Wij hebben enorme brede voeten, dan moet je zulke trucjes toepassen.”’
    De familie van zijn vriendin is een doorgewinterde wandelfamilie, terwijl hij nog nooit aan wandelvakanties heeft gedaan. In zijn familie werd er tijdens vakanties ‘vooral stilgezeten’. ‘Per auto verplaatsten we ons met zijn vieren naar de Franse kust, altijd diezelfde villa aan zee, waar we drie weken min of meer leefden alsof we huisarrest hadden.’ Als ze al ergens wandelden was dat in een lokaal dorpje. ‘waar we slenterden van de parkeerplaats naar de dichtstbijzijnde café au lait (…) terrassen waren onze ankers, bewegen daaromheen voelde als noodzakelijk intermezzo.’

    Wart een heerlijk boekje, zachtmoedig, met humor. De auteur volgt gedwee, met enig genoegen de vijf geoefende wandelaars naar het einde van de dag. Dan is hij moe, ‘maar op een fijne manier’. Dat genoegen zit in het nabijzijn van zijn vriendin. Een jaar daarvoor gingen ze samenwonen, waarna zij met haar familie ging wandelen in Italië. Toen ze terugkwam twijfelde ze aan hun relatie. Nu liepen ze daar zomaar samen in de Ardennen, tevreden, misschien zelfs gelukkig. Dit alles getoond in kleine opmerkingen, hun handen die elkaar raken, dat hij zelden het gevoel had gehad, zo ‘samen’ te zijn als nu.

    De schoonmoeder heeft tijdens de wandeling de touwtjes in handen, de verblijfplaatsen geregeld, wijst op wat er gezien moet worden. ‘Och, wat schattig’, bij het zien van een houten bankje op een berg. Deze observaties: ‘Bovenaan de berg ging iedereen behalve mijn schoonvader zitten. (…) zelfs tijden de spaarzame pauzes wilde hij blijven bewegen.’ Ik las het verhaal van een welwillend mens, een liefde die geen stand houdt. En waarin gezocht wordt naar de plaats van de auteur in dit alles. Waarom de dingen genoteerd moeten worden? ‘Omdat ik ze niet wil vergeten.’ Prachtig geschreven. En zelf kon ik nu wel thuisblijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

  • Oogst week nr 14 – 2023

    Arkadia

    In Arkadia van Sipko Melissen ontdekken we in het eerste deel de Zeeuwse kinderjaren van de Amsterdamse student Ko. Toen hij 9 was moest hij daar met het gereformeerde onderwijzersgezin waarvan hij deel uitmaakte, afscheid nemen van zijn eerste vriendje op Tholen. Het tweede deel speelt zich af in Putten waar hij zich verdiept in de geschiedenis van die plaats waar in 1944 bijna alle mannen door de Duitsers werden afgevoerd als represaille voor een aanslag. In het laatste deel is Ko 25 jaar oud en op weg naar zijn ouders die in het Friese Koufurderigge in een vakantiehuisje verblijven. Hij wil bij hen zijn vriend Bor introduceren. ‘Hij ziet zijn vader en moeder in het zomerhuisje zitten, wachtend op hem en zijn verhalen, evenals zijn twee jongere broers en de drie zusjes. Maar wat kan hij vertellen? Dat Bor steeds bruiner en mooier werd en dat híj steeds bruiner en mooier werd en dat hij in zijn kleine zwembroek langs de vloedlijn danste. Of over de nachten dat hij wakker schrok en zich bewust was van de kosmische verlatenheid waardoor zij omringd waren? Moest hij, om de spanning te verhogen, vertellen dat zij tijdens die vakantie op Trevose Head technically voor levenslang in aanmerking kwamen? Toen ik op een zonnige ochtend in onze lievelingsbaai Bor aanhaalde en spontaan zoende, wees hij mij erop dat we officieel de kans liepen levenslang de bak in te gaan. Homoseksualiteit was in Engeland nog steeds illegaal, met buggery technisch strafbaar by imprisonment for life’.

    Arkadia
    Auteur: Sipko Melissen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Tanners erf

    Meer dan een paar koeien en kippen en een klein stuk land heeft de Zwitserse boer Tanner niet. Hij is een eenvoudige man die zijn bedrijf aan de uitlopers van de Alpen leidt zoals zijn ouders dat al generaties lang deden.
    De novelle begint in het voorjaar. Tanner wil zijn koeien Carmen, Fiona, Bella, Pama, Petra en Vreni de wei in laten. Er is iets met Vreni. Een van haar spenen is hard: ‘ze heeft een hard kwartier’. Hij vult de emmer met de melk uit de drie andere spenen en zet die voor aan de naamloze stier. Die laat hij nooit buiten; hij heeft zijn vader eens een oog uitgestoten. In de volgende scène zit Tanner aan de keukentafel bij zijn vrouw Marie. Hij heeft de stalgeur van zich af gewassen. Kauwend op zijn brood zegt hij tegen zijn vrouw:
    ‘Vreni heeft een hard kwartier.’
    ‘Ach jeetje!’
    ‘Het gaat goed met ‘r.’
    ‘Dan ga ik ‘r zo brood brengen.’
    Tanner knikt, want Vreni is dol op brood. (…)
    Tanner klemt de boterham tussen zijn tanden, scheurt hem af, klokt er een slok koffie achteraan.
    ‘Komt wel goed’, kauwt hij.
    ‘Moet ik Frankhauser bellen?’
    Tanner schudt zijn hoofd (…) Marie blijft een tijdje zwijgend zitten, Tanner slurpt, ze houdt haar hoofd scheef. Wat zou er nu komen?
    Maar er komt niks, ze recht haar nek en breit verder.
    Later ontdekt Tanner twee enorme gaten, bodemloze putten,  in zijn erf. Wat moet hij daarmee aan? Wat hebben ze hem te zeggen? Hij wil graag de juiste keuzes maken, maar maakt de verkeerde.

    Tanners erf
    Auteur: Lukas Maisel
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Strijd om de ziel. Het leven van P.C. Kuiper (1919-2002) in de psychiatrie

    In 1988 werd psychiater Pieter Kuiper in Nederland op slag bekend met zijn onthullende boek Ver heen. Daarin schreef hij onverbloemd over zijn eigen depressie die uitliep op een psychose waarin hij zichzelf dood waande. Het boek werd, mede door een optreden van Kuiper in het boekenprogramma van Adriaan van Dis, ook door menigeen buiten zijn eigen vakgebied met ontroering gelezen en als troost ervaren. Nu is er de biografie van deze man, geschreven door Koen Hilberdink. Wat Kuiper in Ver heen (en bij Van Dis) niet vertelde was dat hij ook homoseksueel was en wat voor strijd hem dat in zijn leven opleverde. Hij schreef zelfs een boek Neurosenleer waarin hij homoseksualiteit als een aandoening beschreef. Het is onder andere dat persoonlijke gevecht van Kuiper dat Hilberdink beschrijft, onder meer aan de hand van diens dagboeken en brieven. Daaruit komt ook naar voren welke rol zijn vrouw Noortje, dochter van de theoloog Heiko Miskotte, en het geloof in dit verhaal hadden. Hilberdink schreef eerder biografiën van de dichters Paul Rodenko en Hans Lodeizen en van uitgever Johan Polak.

    Strijd om de ziel. Het leven van P.C. Kuiper (1919-2002) in de psychiatrie
    Auteur: Koen Hilberdink
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Oogst week 3 – 2023

    De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland

    Van sommige televisieprogramma’s ben je blij dat ze ter ziele zijn. Zo kroop Wendy van Dijk pakweg 20 jaar geleden in de huid van de poppige, ietwat domme Ushi (want dat rijmt op sushi, ‘haha’). Deze karikatuur op wat Japan zou belichamen, was van het niveau Hanky-panky Shanghai, sambal bij en eenlettergrepige kungfu-imitaties. Fumiko Miura, schrijfster van De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland, schrijft in haar biografie onder andere over deze culturele vooroordelen.

    Miura, in 1972 geboren te Shinsiro, begint in 2001 haar studie sociologie aan de Erasmus Universiteit. Vanaf dat moment blijft ze af en aan terugkeren naar Rotterdam. Naast sociologe is de auteur gecertificeerd taaldocent Japans, die heel de wereld doorkruist en workshops organiseert. Aangezien dit haar culturele bagage aanvult, wordt de Nederlander een nog merkwaardiger fenomeen. En dat blijft niet alleen bij het broodje kaas.

     

    De Polderjapanner - Een Japanse in Nederland
    Auteur: Fumiko Miura
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Loutering

    Op dertigjarige leeftijd maakt Luuk Imhann in 2016 zijn prozadebuut. Paradijs gaat over een expeditie door Maleisië heen, die na een vlaag van krankzinnigheid in gevaar komt. Al in 2012 echter verscheen Imhanns eerste poëziebundel, getiteld De onverschilligheid van rozen. Bovendien schrijft hij essays voor het platform Plat//Hoofd én is hij toneelschrijver bij NOX. Zijn genrerepertoire breidt zich uit, want kort geleden is zijn historische roman verschenen over communistisch Mexico: Loutering.

    Loutering vertelt het verhaal van Paco de Guerrero, die zijn vader verliest. Om hem terug te vinden, stelt hij zichzelf ten doel de grootste Mexicaan aller tijden te worden. Dit wringt natuurlijk met het communistische idee dat eenieder gelijk hoort te zijn. De beschrijving van De Schrijverscentrale over Luuk Imhann zal vast ook opgaan voor Paco de Guerrero: in zijn oeuvre verliest de mens zichzelf in grote ideeën, zelfzucht en geweld. Niet voor niets betekent ‘guerrero’ oorlogsvoerder. ¡Viva la revolución!

    Loutering
    Auteur: Luuk Imhann
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    De liefdesavonturen van Willy the Shake – sonnetten

    Engeland beschouwt zichzelf als de absolute elite op vele terreinen. Het bezat ’s werelds grootste gemenebest, ziet zichzelf als bakermat van het moderne voetbal en heeft volgens The Observer ook nog eens de ‘funniest man that ever lived’ aan boord: Ricky Gervais. Bovendien mag Duitsland dan wel het land van de Dichter und Denker zijn, Engeland heeft qua literaire invloed meer dan genoeg aan één meester. William Shakespeares hoogdravende, alom geprezen en gelezen sonnetten zijn uiteraard al vaak vertaald, ook in het Nederlands.

    In De liefdesavonturen van Willy the Shake kiest vertaler Marien de Bruijn eerder voor toegankelijkheid en eenduidigheid dan grandeur en semantische rijkdom. De titel is veelzeggend. De Bruijn, eveneens schrijver van het vuistdikke Met zijn grote gonzende hoofd, hanteert het vrije vers om Shakespeare naar het Nederlands over te zetten. En hoewel vele puristen deze ontheiliging De Bruijn zullen verwijten, kunnen ze er maar beter de humor van inzien. Zit de kracht van Engelse humor namelijk niet in de zelfspot?

    Auteur: Marien de Bruijn
    Uitgeverij: Uitgeverij Brave New Books
  • Deze schrijver

    Deze schrijver

    Bij gebrek aan ‘Boekenmendel’, uit het gelijknamige verhaal van Stefan Zweig over de joodse boekensjacheraar, een levend lexicon ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, google ik naar informatie over Kees Verheul. Op wikipedia vond ik een tiental publicaties en vertalingen. En een recensie van T. van Deel over Villa Bermond, deel l van de romancyclus De Tutcheffs.

    Het begon met Tirade die laatst op de deurmat viel, een vrij dunne, maar evengoed met een keur aan bijdragen die niet onderdoen voor een doos exquise bonbons (er is even niets anders bij de hand). Een prozastuk van Delphine Lecompte, ‘Frauke naast de composthoop’, brengt smaken van herkenning door de ‘chagrijnige vroedvrouw’, ‘blinde beiaardier’, ‘weergaloze bietenboer’, ingezet om Frauke, die Lecompte een nier wil aftroggelen, te weerstaan. Er is een prachtig essay van Sander Kollaards over De jaren van Virginia Woolf, dat ik natuurlijk zelf had willen schrijven. Ik las zijn ‘Woolfiaanse choreografie’.

    Wat vindt Kollaard van De jaren van Woolf? Hij vindt het samen met Mrs Dalloway, een paar essays het beste wat hij van Woolf las. In de autobiografie van Leonard Woolf las Kollaard dat hij De jaren geen goed boek vond, maar omdat het Woolf jaren had gekost het te schrijven en Leonard bang was dat ze eraan onderdoor zou gaan, liet hij zich lovend uit over het boek. ‘Zonder de lof van Leonard zou ze het boek denk ik hebben vernietigd en daarmee zichzelf’, schrijft Kollaard. Zijn mooiste oordeel over het boek is wat het spiegelt, ‘de afgronden die steeds weer opengaan tussen mensen, zonder dat ze het willen, (…) en waarin wat er was aan liefde, intimiteit, vriendschap, oprechtheid, (…) kennelijk gedoemd is te verdwijnen.’ Dan Kees Verheul (1940), schrijver, slavist, vertaler, essayist, ik kende hem niet. Zijn bijdrage, ‘De Tutcheffs’, ondertitel: ‘mensen zonder kinderen, notities voor een roman’, is een hernieuwd oppakken van de romancyclus die hij in 1992 begon en in 2006 moest laten liggen omdat hij kanker kreeg. Nadat hij genezen was, werd hij mantelzorger voor zijn man, Kees Smit die aan alzheimer leed.

    Over hun tweeënvijftig jaar samenleven schrijft Verheul, ‘Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst gelezen en bekritiseerd had.’ Buiten dat hij zijn meelezer mist, is ook zijn schrijven zelf veranderd. Zijn woordkeus, het tempo van zijn zinnen. Er zit niets anders op, ‘mij schikken naar wat ik als tachtiger kan’. ‘Je est un autre – ik is een ander’, zou Verheul als devies boven zijn ‘Uiteindelijk wel of niet voltooide vierluik’ willen zetten. Denkend aan Rimbaud die in mei 1871 ‘deze subliem ongrammaticale zin bedacht’, nog maar zestien was. Waarna de tekst van deel lll begint, lees die tekst in Tirade 487.
    T. van Deel schreef in 1992, ‘Het autobiografische schrijven van Verheul heeft met Villa Bermond een imposante vernieuwing ondergaan. De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’ Inderdaad, grote indruk! Ik vond Kees Verheul in een literair tijdschrift, nu zijn boeken nog. Iemand?

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • In memoriam Jan Fontijn (1936 – 2022)

    Aan wat decennialang een vertrouwd beeld was in de binnenstad van Amsterdam: een zekere man, een vrouw met rokje en een hondje, is een einde gekomen: Jan Fontijn overleed 6 januari jl. en laat Charlotte Mutsaers en het hondje achter. Fontijn was universitair docent geweest, verwierf bekendheid met zijn voorbeeldige schrijversbiografie over Frederik van Eeden in twee delen: Tweespalt: het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (1990) en Trots verbrijzeld: het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, (1996). Een prestatie waarmee hij de lat voor nakomende schrijversbiografen bepaald hoog heeft gelegd. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen achtereenvolgens zijn roman Biefstuk en benzine, waar hij fier op was, maar die naar zijn smaak te weinig weerklank vond en een boeiende lezersautobiografie onder de naam Kijk naar de vis. Een heel interessant allegaartje van vrijzinnige en bevlogen literatuurwaarnemingen is dat. Aforistisch bij tijd en wijle, of in korte notities: ‘De ontroering bij het zien van een stoel naast de tafel. Dat willen vastleggen in woorden of in beeld. Zo nauwkeurig mogelijk. Niets meer en niets minder.’ Een dialogue intérieur staat er in, herinneringen en beschouwingen. Het is divers, luchtig, verrassend veelvormig, je blijft er in lezen. Fontijn was naar mijn smaak vooral een bevlogen lezer.

    In februari 2020 vroeg uitgeverij Van Oorschot hem deel te nemen aan een ‘schrijversdiner’ in de Roode Bioscoop in Amsterdam, een lange rij tafels met damast gedekt en gasten die dineerden terwijl een uitgelezen selectie schrijvers boeiende causerieën hielden. Het thema was de leeftijd van uitgeverij van Oorschot: 75 jaar. Jan Fontijn had een hoop te vertellen vanuit zijn geschiedenis met Geert en Hillie van Oorschot, bij wie hij vaak te gast was op Donkervliet in Loenersloot. Het werd een heel mooie avond. Voorafgaand had Jan gemaild: ‘Charlotte wil graag mee, zet stoeltje maar klaar.’ In een bij tijd en wijle ook emotioneel relaas, speciaal over Hillie, voor de inhoud waarvan ik verwijs naar de passage in Arjen Fortuins mooie biografie van Geert van Oorschot (v.a. p. 356) vertelde Jan over zijn geschiedenis en waar die gelijk op liep met de uitgeverij.

    De foto hiernaast toont Jan in de eigenaardige jongensachtige charme die hij altijd had. In het eerste decennium van deze eeuw droeg Fontijn nog een aantal keer heel mooie stukken bij aan Tirade, waarvan dit over Pierre Loti en Couperus voor mij het mooiste is. Het laat zien hoe gul Fontijn kon bewonderen en hoe breed zijn kennis en interesse was.

    Daags na het diner meldde Fontijn nog hoe leuk ze de avond hadden gevonden. ‘Ik wilde je zeggen dat ik geen geld wil. Wel een lekkere fles rode Bourgogne.’ Onze gedachten zijn bij Charlotte en het hondje.

     


    Dit in memoriam is tevens geplaatst op Tiradeblog.

     

  • Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    De boom van de hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland, is een bloemlezing ter ondersteuning van de talloze Russen die huisarrest hebben of gevangen zitten omwille van het gebruikmaken van het recht op vrije meningsuiting en het recht op demonstratie. De voorbije maanden werden tienduizenden Russische betogers tegen het regime hardhandig aangepakt door de oproerpolitie. Hun ‘misdaad’ was dat ze gerechtigheid wilden voor Aleksej Navalny, de oppositieleider die als enige durft op te staan tegen Poetin en ondertussen is uitgegroeid tot een wereldwijd fenomeen. Vanuit alle hoeken van de wereld krijgt deze anti-corruptie voorvechter steun, en hoe meer Poetin hem in de hoek drumt, hoe groter de steun wordt. 

    Ondertussen zit Navalny alweer enige tijd in de cel, op basis van een aanklacht die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘willekeurig en onredelijk’ werd genoemd. Na zijn vergiftiging vorig jaar met het zenuwgas novitsjok hing Navalny’s leven aan een zijden draadje, maar hij gaf de moed niet op. Na zijn genezing keerde hij onmiddellijk terug naar Rusland, waar hij prompt werd gearresteerd. Sedert maart probeert hij tegen wil en dank te overleven in een strafkolonie honderd kilometer ten noorden van Moskou. Nog steeds worden zijn rechten geschonden, zo weigerde men aanvankelijk medische hulp. Ondertussen schreeuwt de wereld om zijn vrijlating.

    De bundel verschijnt ter gelegenheid van de uitreiking van de ‘prijs voor morele moed’ door het Forum van de Mensenrechten en Democratie aan Navalny. In de uitgave wordt een interessante vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en de Koude oorlog, de vroegere dissidenten (Sacharov, Martsjenko, Charms, …) en Navalny. Men kan niet anders dan vaststellen dat hier geen evolutie in zit. De schrijvers werkten belangeloos mee aan deze uitgave, de opbrengst gaat naar een organisatie die de vrijheid van meningsuiting in Rusland bevordert. Navalny roept op tot een boodschap van hoop, en dit werk is een eerbetoon aan hem en aan alle anderen die een strijd voeren voor een beter Rusland. De titel De boom van de hoop verwijst naar een verhaal van Varlam Sjamalov die zelf zeventien jaar in strafkampen heeft doorgebracht. Daarin beschrijft hij een dwergden die, ondanks de strenge winter en de meters sneeuw, zich steeds weer opricht. Maar er zijn wel meer woorden van hoop in de bundel. De bundel is verdeeld in de drie delen: ‘Navalny’, ‘Moet’ en ‘Vrij’.

    Navalny

    In het eerste deel verkondigt Maxim Osipov de lof over Navalny. Hij vergelijkt hem met Mathias Rust, die het in 1987 aandurfde met zijn vliegtuigje op het Rode Plein te landen. Osipov hoopt op verandering en ziet in Navalny met zijn frisse verschijning en heroïsche genialiteit de oplossing. Tegelijk is Osipov neerslachtig en de wanhoop nabij. Hij vergelijkt het systeem en de geheime dienst zelfs met het Duitsland van de jaren dertig. Hij roept op tot verzoening en vraagt Navalny vol te houden.
    Hella Rottenberg schetst een mooi beeld van de carrière en aanpak van Navalny. Ze beschrijft hoe hij als jurist en zakenman in de politiek stapte en de anticorruptie beweging in gang zette. Ook zijn gecontesteerde methode van het ‘slimme stemmen’ komt aan bod: een systeem waar hij opriep op andere kandidaten dan de regeringskandidaten te stemmen, ook al waren ook die niet de ‘juiste mensen’. In de vergiftiging van Navalny ziet ze het bewijs dat het Kremlin bang is. Ze roept op te volharden want, ‘alles kan in één dag veranderen…Kijk naar de Sovjet-Unie, kijk naar de DDR’. 

    Ook rechter Egbert Myjer wil dat men blijft hameren op het aambeeld. Rusland heeft iets uit te leggen wat betreft het garanderen van de mensenrechten. Hij geeft enkele voorbeelden van inbreuken.  Volgens Myjer is het toekennen van de ‘Prijs voor morele moed’ aan Navalny van groot belang en toont het dat de wereld achter hem staat. In het fragment uit Kinderen van Brezjnev toont Sana Valiulina dat er in wezen niets is veranderd. Ook toen werden moedige Russen gemarteld, opgesloten en vergeten in de strafkampen. Grunberg parafraseert dan weer Dostojevski: ‘Hoe een staat omgaat met vermeende en echte vijanden – doorgaans vermeende – daaraan is de beschaving van die staat af te lezen.’

    Moet 

    Mikhail Kazachkov noemt Navalny een nationale held, omdat hij voor het land zijn leven op het spel zet. Hij stelt dat Navalny het vertrouwen nodig heeft van iedereen  omdat hij iets doet waar anderen niet toe in staat zijn. Ook teksten van Karel van het Reve uit 1973 zijn in de bundel opgenomen. Daarin onderzocht hij waar de macht van een dictatoriaal regime op berustte en kondigde hij het ineenstorten van de Sovjet-Unie aan. En is er een bijzondere bijdrage over het parcours van dissident Andrej Almarik, dat zeer sterke gelijkenissen vertoont met dat van Navalny. Na enkele gedichten van Osip Mandelstam, volgt een zeer aangrijpend fragment van Anatoli Martsjenko ‘Wat ik wou zeggen’, waarin hij aanhaalt dat ‘publiciteit het enige strijdmiddel is tegen het kwaad en de wetteloosheid van vandaag’.  Dit alles wordt geïllustreerd door fragmenten van twee andere dissidenten, Solzjenitsyn en Charms. Het hoofdstuk wordt afgesloten met twee verhalen van Varlam Sjalamov, waaronder ‘De dwergden’.

    Vrij

    Journalist Hubert Smeets’ analyse van Rusland is haarfijn. De hele nationaal-populistische ideologie wordt gekenmerkt door een anti-beleid en is gebaseerd op  wantrouwen en angst bij de burger. Er dreigt een nieuwe Koude Oorlog waarin het tot een confrontatie komt tussen een gesloten, nationalistisch en autoritair bestel tegenover het kosmopolitische, pluriforme politieke ideaal. Hella Rottenberg komt nog terug op de kritiek als zou Navalny een populist en xenofobe nationalist zijn. Er waren inderdaad twijfels over zijn ideeën, maar sinds 2011 kan hij daar niet meer op betrapt worden en distantiëerde hij zich openlijk van zijn vroegere ideeën. Michel Krielaars roept Amnesty International dan ook op om Navalny  te steunen. Amnesty doet dit niet omwille van zijn vroegere uitspraken. Ook Sana Valiulina roept Amnesty op om Navalny de erkenning en bescherming van ‘gewetensgevangene’ te geven. 

    In een interview met econoom Sergei Guriev legde Navalny zijn plannen voor het ‘Rusland van de toekomst’ bloot. Hij zou eerst de bezem willen halen door het rechterlijke systeem, een duidelijke hervorming van de rechtspraak en een belasting voor de oligarchen. Hij pleit voor een herverdeling van de bevoegdheden van president, parlement, regering en wil vrijheid van meningsuiting, ook in de media. Ten slotte moeten ook de corruptie en het onderwijs aangepakt worden. Lev Rubinstein heeft het in zijn bijdrage over de leugen en het liegen. Hij vergelijkt de Sovjet leugens met de leugens van vandaag. Het grote verschil is dat ze vroeger vertrouwd, afgesproken en inert waren, terwijl de huidige leugens beledigend zijn voor ieder mens persoonlijk. Het boek sluit af met enkele dagboekfragmenten van Navalny zelf van 15 maart tot 23 april, waarin hij zijn lot aanklaagt. Het weigeren van medische hulp, zijn hongerstaking en de uiteindelijke toegift. Hij spreekt een woord van dank en hoop uit voor iedereen.   

    De boom van de hoop. Navalny in de traditie van onrecht in Rusland is een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Navalny en eveneens terugblikt op het verleden en een corrupt systeem toont. Het is schrijnend hoe weinig er in de voorbije eeuw is veranderd in een land met een rijke traditie dat telkens weer zijn dissidenten het zwijgen oplegt. Het boek is een eyeopener en een schreeuw om hulp en steun voor allen die beknot worden in hun vrijheid van meningsuiting.