• Great Dutch Novel

    Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

     

     

  • SLANG Magazine vijfde edititie

    SLANG Magazine vijfde edititie

     SLANG is een literair initiatief waarin cultuur, vormgeving en actualiteit samenkomen en is tevens de overkoepelende term voor SLANG Magazine en SLANG Bytes.

    Het thema van de vijfde editie van SLANG is de Balkan, al weet de redactie niet meer precies wat hiertoe de aanleiding was. De Balkan wordt belicht in o.a. essays, proza en poëzie van Nederlandstalige – als ook autochtone  auteurs zoals onder meer Claudia Zeller, Guido van Eijck, Arja van den Bergh, Mirza Dolic, Andrei Patru en Dane Zajc. De teksten worden afgewisseld met fotografisch-, schilder- en tekenwerk.

    Als eerste een interview met de in Hongarije residerende schrijver Jaap Scholten die dit jaar De Libris Geschiedenis Prijs ontving voor zijn roman Kameraad Baron. Scholten kwam voor het avontuur naar Hongarije maar is sinds hij daar woont de voorspelbaarheid van het leven in Nederland meer gaan waarderen. Hij vertelt dat hij zijn verhalen, zoals hij het huis, dat hij stukje bij beetje opbouwde van verzamelde materialen,  opbouwt uit een verzameling aan dingen die hij gehoord en gezien heeft. En passant verwijt hij de Hongaarse schrijver Peter Esterhazy (1950) dat deze zijn vader verraden heeft in zijn boek Harmonia Caelestis om zo meer boeken te kunnen verkopen. ‘Als je het verhaal van anderen optekent, moet je daarbij eerbied betrachten. Dat is wat ik probeer.’ Volgens Scholten heeft Esterhazy dit verzuimd.

    Een gedicht van de Roemeense dichter Andrei Patru Romania Mea, is opgenomen in het Roemeens met een vertaling in het Engels erbij. Daaronder een briefje als reactie van D. Petrie aan de heer Steltenpool. Of deze heer de vertaler is of D. Petrie zelf is niet duidelijk.

    De bijdragen zijn opvallend kort van stof met uitzondering van het interview met Jaap Scholten (voor een interview toch weer wel). In het essay De Cremers en de pornoficatie van Joegoslavië belicht Sven Peeters drie generaties Cremer. Cremer sr., de vader van de man die Ik Jan Cremer schreef, was auteur van ‘onschuldige’ teksten die hij voor verschillende kranten schreef tijdens een fietstocht naar Palestina eind jaren dertig vorige eeuw. Terug fietste hij door de Balkan landen, waar in 1992 zijn kleinzoon Cliff Cremer (1967) als ‘ex-marinier, freelance journalist en modern avonturier’ in Kroatië belandde en er nogal de beest uithing.

    De inhoud van een enkele bijdrage is niet gericht op de Balkan. Zoals het bondige stukje proza van Twan Zegers, Internationale betrekkingen. In  beeldende taal wordt een dag uit het leven van een postbezorger beschreven dat begint aldus: ‘Hier stond ik dan, doorweekt en alleen, in een verlaten straat, halfhurkend voorovergebogen om de stapel brieven die zwaar op mijn verkrampte rechterarm leunde tegen de regen te beschermen.’ Waarna de strijd tegen de weerselementen een aanvang nemen en de beloften van het postbedrijf ‘Iedereen kijkt naar je uit’ de postbezorger tot het uiterste drijft. Zegers maakt mooie zinnen die meer zeggen dan er staat geschreven. ‘ De zon was doorgebroken, en ik kon mij verheugen over het feit dat ik de tijd die mijn baas voor mijn werkzaamheden had vastgesteld en waarvoor ik beloond werd, met minder dan twee uur overschreden had.’ Prachtig!

    Fotografie is er van Eli Vandecasteele, die ook de coverfoto bezorgde. Bij het gedicht (in het Engels) Coitus amor van de Joegoslavische dichter Mirza Dolic een veelzeggende foto van Vandecasteele van een Roma familie waarvan de woonstee gelijk een vuilnisbelt is.

    Geïnteresseerden zouden beslist wat meer over de achtergrond van de auteurs van deze SLANG willen weten. Waar komen ze vandaan en wat hebben ze gedaan? Want wie weet wie Friso van Endt is, waarvan op pag. 4 een schilderij staat afgebeeld? En wie is Willem Slofstra die een portret van Zvjezdan schreef?

    SLANG verschijnt vier keer per jaar:
    Prijs:  20 euro per jaar (Nederland)
    25 euro per  jaar (buiten Nederland)

    Bekijk hier de website van SLANG.

    Foto cover: Eli Vandecasteele