• Slechts een bezoeker?

    Slechts een bezoeker?

    Er staat een man voor de deur die het toneelstuk Droefheid der dingen van Erhan Aksoy maar liefst 157 keer heeft gezien. Daarmee begint het boek De laatste voorstelling van de Turks-Nederlandse schrijver Şaban Ol. Aksoy, de ik-figuur in de roman, noodt de man die voor zijn deur in Istanbul staat binnen voor een kop koffie. Koffie is in Turkije onder andere het symbool voor vriendschap. Maar Aksoy wil hem vooral ontfutselen wat het geheim is om 157 keer naar een opvoering van hetzelfde stuk te gaan. 1 + 5 + 7 = 13, denkt de lezer, net als koffie ook een symbool, in dit geval het ongeluksgetal.

    Met die symbolen wordt aan de lezer meteen al veel weggegeven: (vermeende) vriendschap en ongeluk spelen dus een rol in deze debuutroman. Maar pas op: Aksoy is een wat naïef personage, dus of hij door heeft dat het die kant op gaat, is nog maar de vraag. Wat hij uit de mond van de bezoeker, Ender (Zeldzaam), wil horen zijn eerder toverachtige woorden over wat de toeschouwer van het toneelstuk in de ban houdt. In plaats daarvan plaatst deze – ‘slechts een bezoeker’ zoals de stalker zichzelf onschuldig omschrijft – allerlei kanttekeningen bij het toneelstuk: meer visuele elementen zou het stuk goed doen, geen pauze óók. Dan wordt het nog epischer, zegt de man die Droefheid der dingen omschrijft als ‘een mijlpaal in de geschiedenis van het Turkse theater’. Theater dat een synthese is van episch theater, traditioneel Turks theater en storytelling. Toch is het stuk dat al zo lange tijd wordt opgevoerd niet de redding van het theater in Turkije, meent hij. Dat moet iets anders zijn.

    Ender, Aksoy en Cafer

    Wat dan wel? Ender lacht op momenten dat andere bezoekers dat niet doen. Hoe komt dat? Het is een van de vele absurdistische trekjes in de roman. Zou stiltes inlassen inderdaad helpen? Dat werkt niet, denkt Aksoy – dat is iets voor Westers regisseurstoneel. Actuele grappen dan? Die zijn er genoeg. Om te beginnen gaat dan de pauze er maar uit, tot groot ongenoegen van Cafer, de uitbater van het theatercafé, die zo niets meer verkoopt. Ook Cafer begint met het geven van adviezen: drankjes in de pauze verkopen geeft ‘een perfect Verfremdungseffekt’ zoals vroeger in de openluchtbioscopen werd gedaan. Bedoeld om je niet al te zeer te kunnen inleven in de personages. Volgens Ender is het immers ook ten aanzien van toneel en andere kunsten de bedoeling dat het nationale bewustzijn over de werkelijkheid in de maatschappij wordt verscherpt.

    Cafer verkoopt – nog weer zo’n mooi detail – alleen maar nationale producten. ‘Leve de lokale producten! Leve de onafhankelijke kunst!’ Twee tegenstrijdige uitlatingen, want de (toneel)kunst in Turkije is verre van nationaal en onafhankelijk. Waarop Cafer op het toneel (!) een heel vertoog houdt over Turkije dat geen identiteit meer heeft, geplet tussen Europa, Azië en Amerika als het is. Aksoy gaat er heftig tegenin en voelt zich een figurant zonder inhoudelijke rol op zijn eigen podium. Een enorm boegeroep is zijn deel.

    Of heeft hij gedroomd, van die lokale, Turkse koffie? Cafer heeft het de volgende dag namelijk opeens over Nescafé Gold en Coca-Cola. Net zoals er volgens Aksoy zoiets bestaat ‘als open theater en theatrale werkelijkheid’. Dat laatste blijkt wanneer hij in een inmiddels als louche bekend staande nachtclub in de kosmopolitische wijk Beyoglu van Istanbul belandt. De voorloper van deze club, enkele decennia geleden, speelt een rol in Droefheid der dingen. Aksoy wordt beroofd en geslagen. Op het politiebureau doet hij aangifte. De politie herkent hem niet als een bekend schrijver, houdt hem voor dealer, beticht hem van verboden wapenbezit en stopt hem in een cel. Het absurdisme ten top. Een misverstand, een nachtmerrie, een slecht toneelstuk, een spel dat wordt gespeeld, meent Aksoy.

    Het eind is nog niet in zicht. Van het Ministerie van Cultuur krijgt Aksoy een lijst van gedeeltes uit het toneelstuk die hij wegens vermeende slang en scheldwoorden moet aanpassen. Als hij dit niet doet, volgt een boete. Er wordt ook gedreigd met sluiting van het theater. Aksoy wordt verweten dat hij sprookjes vertelt die tot de verbeelding spreken, weg van de werkelijkheid. Het theatergebouw wordt inderdaad gesloten. Aksoy krijgt een gevangenisstraf van twaalf jaar en drie maanden en vraagt zich af waarom de politie zo bang is voor een clown als hij, die de mensen alleen maar wil vermaken en niets meer dan dat.

    Saban Ol, Turkije en Nederland

    De tijd waarin de roman van de Turkse schrijver Şaban Ol (1962) speelt, wordt in het midden gelaten, al komen er gebouwen en dergelijke in voor die niet meer bestaan. Het is aannemelijk dat het om de periode voor 1978 gaat, toen Ol Turkije verliet en naar Nederland emigreerde. In Nederland studeerde hij in 1989 af als regisseur aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. In 2000 richtte hij Theater RAST op, het huisgezelschap van Podium Mozaïek in Amsterdam.
    Hij schreef ook toneelteksten, vertaalde Nederlandstalig toneel in het Turks en maakt nu zijn debuut met een geslaagde roman die zich onder meer laat lezen als een absurdistische allegorie op de repressieve toestand in Turkije.

    Je kunt het verhaal dan ook haast een-op-een op de recente(re) Turkse politieke geschiedenis leggen. Neem bijvoorbeeld de vraag wie de ‘echte’ Ender is. De naam Ender doet zowel aan Erdogan denken als aan Ergenekon, de naam voor een schimmige groep die de APK-regering ten val zou willen brengen. Maar het is ook de stalker die uiteindelijk met zijn idool, Aksoy, zou willen samenvallen. Net zo dubbel dus als de uitlatingen van Cafer.
    Het zijn deze lagen die de absurdistische roman rijk maken. Ol schreef zijn boek in het Turks dat door Erhan Gürer in mooi Nederlands werd vertaald. Een roman over de vraag voor wie Aksoy nu eigenlijk zijn Droefheid der dingen schreef: voor het publiek, voor zijn land of primair voor zichzelf? Een roman over verbeelding en werkelijkheid, clowns, sprookjes en de rol van onafhankelijke kunst in onze tijd. Of het nu in Turkije of in Nederland is.

     

     

  • Twee culturen en een vrouw

    Twee culturen en een vrouw

    Het Turkse woord voor vaderland is moederland. Een veelzeggend onderscheid want Turkse gezinnen kennen geen pater maar een mater familias. Vrouwen hadden bovendien, in elk geval in het seculiere Turkije na Atatürk, een bijzonder belangrijke rol. Het land had zelfs ergens in de jaren 90 al een vrouwelijke premier – kom daar eens om in Nederland. De stilliggende onderhandelingen tussen Turkije en de Europese Unie laten niettemin zien dat de twee op politiek en bestuurlijk niveau niet zomaar samen lijken gaan, tenzij het om het tegenhouden van vluchtelingen gaat. Op microniveau, het persoonlijke, gaat dat wél. Althans, daarvan geeft Inge de Bever een voorbeeld in haar recent verschenen autobiografische roman Moederland, een vrouwenleven in twee culturen.

    De Bever beschrijft in zorgvuldig gecomponeerde hoofdstukken verschillende fasen in haar leven, hoe ze haar Turkse man Ilhan in Nederland ontmoet en hoe ze omgaat met haar rol van bruid, schoondochter en, jawel, matriarch in een familie. Haar man komt weliswaar uit een seculier gezin maar toch is het aan het begin lastig om haar plaats te vinden. Ze spreekt de taal niet en haar schoonmoeder is bepaald niet dol op haar. Ze is, althans zo lijkt men te denken, de lompe Hollandse wier huwelijk met de oudste zoon gedoemd is te mislukken. Ook haar man krijgt in Nederland te maken met moeilijkheden. Zo wordt het huwelijk in eerste instantie gezien als schijn om een verblijfs- en werkvergunning te krijgen en moet er een advocaat aan te pas komen om dat in orde te maken.

    Naarmate de tijd vordert vindt ze steeds meer haar plek. De band met haar schoonmoeder verdiept zich, zeker als Ilhan en zij een zoon krijgen. Ze lijken elkaar steeds meer te snappen, niet in de laatste plaats doordat ze zich het Turks snel eigen heeft gemaakt. Met Sinterklaas (bisschop van Myra in Turkije) verzorgt ze haar schoonmoeder als deze revalideert van een ernstige ziekte en vanaf dat moment kan het tussen hen niet meer stuk. Zo wordt ze uiteindelijk een dochter van haar schoonmoeder, met het Turks misschien wel als tweede moedertaal.

    De hoofdzakelijk chronologische hoofdstukken, het ene scherper en boeiender dan het andere, vervelen in elk geval geen moment. De Bever weet de juiste balans te treffen tussen ontroering over ouder wordende en stervende (schoon)ouders enerzijds en een grappige licht-ironische blik op het leven anderzijds. Op haar best is De Bever als ze politieke gebeurtenissen als de opkomst van het populisme in Nederland en de coup in Turkije beschrijft en die verbindt aan haar eigen leven tussen twee culturen. Zo maakt ze zich tegelijkertijd zorgen over de tweedeling in de samenleving in Nederland en de desecularisatie in Turkije.

    Al met al een mooi, compleet en ook actueel boek dat persoonlijk en politiek een dwarsdoorsnede geeft van het leven in Nederland van grofweg de jaren tachtig tot nu, en de rol van Turken en de Turkse cultuur daarin.

     

  • Burhan Sönmez vertalen via een omweg

    Omdat Burhan Sönmez er in Istanbul, Istanbul blijk van geeft de stad die in zijn roman zo’n voorname rol speelt nogal goed te kennen, lag het voor Petra Stienen – vorige maand moderator van dienst tijdens PEN Spreekt: Turkish Writers in Exile – voor de hand de vertaler, te vragen of een reis naar die stad onderdeel uitmaakte van de voorbereidingen van zijn vertaling.
    Hij, René van Veen, reageerde nogal ongemakkelijk toen Petra Stienen hem die vraag stelde. Van Veen zat in de zaal en was duidelijk niet voorbereid op een actieve rol tijdens het gesprek. Hij antwoordde desondanks en met zijn antwoord verbaasde hij Petra Stienen. René van Veen bekende namelijk nog nooit in Istanbul geweest te zijn.

    Nog voordat Van Veen vertelde dat hij het wel heel graag gewild had: naar Istanbul gaan, leek Petra Stienen haar belangstelling voor hem verloren te hebben. Toen ook nog eens bleek dat het boek niet van de voor haar voor de hand liggende uitgever was, spoedde zij zich terug naar haar gasten op het podium. Van René van Veen wilde ze niets meer weten.

    Ik vond het eerlijk gezegd niet zo gek dat René van Veen nog nooit in Istanbul geweest was. René van Veen heeft geen bijzondere band met Turkije en/of de Turkse literatuur. Hij vertaalde Istanbul, Istanbul niet uit het Turks, maar uit het Engels.
    Dat moet Petra Stienen geweten hebben – het stond duidelijk in het colofon – en daar had ze een vraag over moeten stellen.

    Waarom koos uitgever Orlando ervoor om Istanbul, Istanbul via een omweg te laten vertalen? Was er geen vertaler beschikbaar die het boek op korte termijn uit het Turks kon vertalen; wilde de uitgever de kwaliteit van de vertaling kunnen controleren en was het Engels als afgeleide brontaal handiger of gaf de schrijver wellicht zelf de voorkeur aan het via-via vertalen?
    Ik had ook wel willen weten wat Hanneke van der Heijden, vertaalster van Turks proza (zij zat naast Burhan Sönmez en de naar Nederland uitgeweken schrijfster Çiler Ilhan op het podium) en/of eventuele andere in de zaal aanwezige vertalers van Turkse literatuur vonden van de keuze voor een vertaler die het Turks niet machtig is.

    Daar ging het die avond in de Balie natuurlijk niet over, en dus was het heel verstandig van Petra Stienen om niet door te vragen. Vragen naar het waarom van het niet rechtstreeks uit de brontaal vertalen, zou een discussie op zich geworden zijn en afgeleid hebben van waar het die avond echt over ging: wat het voor een Turkse schrijver betekent om in ballingschap te leven en te werken?
    Maar dat René van Veen de roman uit het Engels vertaalde, dat had wel vermeld moeten worden. Niet alleen was het dan minder gek geweest dat hij nooit in Istanbul was, het had veel meer recht gedaan aan alles wat er daarvoor en daarna gezegd werd over de netelige positie waarin ook vertalers zich in Turkije bevinden.

     

    foto: still uit de stream

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Melancholische blik op een jeugd in het Turkije van de jaren 70

    Melancholische blik op een jeugd in het Turkije van de jaren 70

    Kroniek van mijn schoolvakanties is een perfect boek voor de zomervakantie. Kerim Göçmen beschrijft immers jeugdherinneringen aan de vakanties die de ik-figuur met zijn broertje en moeder doorbracht op het platteland in het zuiden van Turkije. Daar komen zijn ouders vandaan, zijn opa heeft er een melkfabriek en ook zijn idool, zijn oom (de broer van zijn moeder), laat daar af en toe zijn gezicht zien. Göçmen verwerkt deze (zijn?) jeugdherinneringen tot een mooie schets over kinderlijke herinneringen aan onbezorgde zomervakanties.

    De novelle begint met een ruw ontwaken uit een droom. De jonge hoofdpersoon droomt dat hij wordt wakker gemaakt door de lieve, zachte stem van zijn moeder, dat zij de ontbijttafel dekt en hem helpt met zijn huiswerk. Het is echter zijn vader die hem wakker schudt, en deze houdt er een wat ruwere opvoeding op na. Zijn vader is arts in het leger, en kan door de drukte nooit mee naar Bozkaya. ‘Op dat ogenblik wenste ik dat ik een andere vader had, een vader die mij niet voortdurend om de oren sloeg met: “Toen ik een internaatleerling in het leger was, kregen we vijf minuten om ons te wassen, aan te kleden en ons bij de sergeant te melden.”’

    Eénmaal in Bozkaya aangekomen kan de hoofdpersoon ongegeneerd dromen van het werk van zijn oom, die als buschauffeur mensen rondrijdt in de buurt en er een veel liberaler levensstijl op na houdt dan zijn vader. De ik-figuur wil heel graag diens hulpje worden en dat lukt hem uiteindelijk ook. De oom die in alles het tegenovergestelde is van zijn vader – zo wil hij ook zijn. Ook hij wil rondrijden en op avontuur. De familie tracht de oom wel te binden maar hij blijft de vrijbuiter die hij is. Zelfs een huwelijk lost niets op. Zo zijn er nog wel vijf tevens interessante figuren die Göçmen een plaats weet te geven in dit toch niet veel pagina’s tellende verhaal. Ook de politieke actualiteit van de jaren 70 krijgt een plaats, zij het op de achtergrond.

    Zo kabbelen de zomers voort met vriendschappen, kinderlijke avonturen en verwondering. De idyllische zomers doen de lezer zelf terugdenken aan het spelen in weken, maanden vakantie van school en de schijnbare onbezorgdheid als kind.

    Toch ontwaakt de lezer met de verteller uit een droom. Waren de zomers nu wel zo leuk? Is het niet gewoon irritant dat zijn opa niet eens een wc heeft? Thuis hebben ze dat wel, en bovendien is het klimaat thuis een stuk aangenamer dan in Bozkaya. Ook de oom valt op een gegeven moment van zijn voetstuk en het werk als hulpje op de bus blijkt saai. Want, zo blijkt, ‘de aantrekkingskracht is het sterkst zolang de droom niet wordt verwezenlijkt. (…) Wanneer je die droomwereld binnenstapt, begint de glans eraf te raken.’

    Als een Nederlandse Patrick Modiano beschrijft Göçmen zijn jeugd letterlijk in melancholische flarden doordat hij zich zo expliciet concentreert op de zomers. Maar daar waar Modiano’s geheugen alleen vage en obscure herinneringen lijkt te bevatten, beschrijft Göçmen de zijne juist kraakhelder. Onwetend of de herinneringen nu daadwerkelijk van de schrijver zijn, kan de lezer daar alleen maar van genieten.