• Wintertuinfestival Nijmegen over Hoop!

    Wintertuinfestival Nijmegen over Hoop!

    ‘Hoe kun je optimistisch zijn in een tijd die niet gekenmerkt wordt door optimisme?’ twitterde de Amerikaanse schrijfster A.M. Homes in reactie op critici die verbaasd waren omdat ze haar roman een keihard happy-end had gegeven.

    Tijdens het Wintertuinfestival, dat over vier dagen en verschillende locaties in Nijmegen verspreid is, staat deze vraag centraal. Tientallen schrijvers, dichters, wetenschappers, muzikanten en kunstenaars gaan in op het thema Hoop. Hoe staat het met het engagement in de literatuur en kan de literatuur hoop bieden als antwoord op de cynische wereld waarin we leven? In vier dagen tijd zijn er op allerlei locaties in Nijmegen activiteiten te vinden: van een campusdag tot Autoloze zondag en van een bomvolle festivalavond in Doornroosje tot de presentatie van de vier nieuwe chapbooks. De line up liegt er niet om met onder meer Toon Tellegen, Dominee Gremdaat, Tommy Wieringa, Bas Heijne, Kader Abdolah, Simone van Saarloos, Saskia de Coster en talloze aanstormende talenten reizen het laatste weekend van november af naar Nijmegen.

    Het festival opent met een symposium en college op de campus van de Radboud Universiteit door A.H.J. Dautzenberg. Deze schrijver en oproerkraaier zal de hemelbestormers in de Nederlandstalige literatuur in een bomvol programma met opruiende schrijvers, muzikanten en theatermakers en hun bewonderaars bezingen. Als finale wordt de door hem samengestelde bloemlezing Vuur!, over bezieling en betrokkenheid in de Nederlandse letteren, gepresenteerd.
    Dominee Gremdaat wijst in een unieke gastcollege de luisteraar de weg met een speciaal voor dit festival geschreven rede. In de tweede helft van het college vindt er een nagesprek plaats met acteur, cabaretier en theatermaker Paul Haenen.

    Op de laatste dag van het festival, Autoloze zondag zullen schrijvers het achterste van hun tong laten zien in de frisse talkshow onder leiding van Hanneke Hendrix en Jaap Robben.

    Een special editie van Autoloze zondag zal geheel in het teken staan van de Amerikaanse schrijver John Fante. Vertoond wordt er de documentaire Against a perfect sky en de presentatoren (en grote fans van Fante) Hanneke Hendrix en Jaap Robben gaan met Jasper Henderson (een van de makers van de docu) en Fante-fan Henk van Straten in gesprek.

    Klik hier  voor meer informatie over het festival.

  • 31e Nacht van de Poezie in Totale witte kamer

    Literair Nederland was erbij

    Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.

    De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31e Nacht  was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.

    In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk  dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.

    Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
    Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’

    Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.

    Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als  ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
    Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.

    Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.

    Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.

    Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.

    In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.

     

    Foto Cees Nooteboom: Anna van Kooij

     

     

  • Recensie door: Albert HogeweijEenzaamheid voor dubbelgangers

    Recensie door: Albert HogeweijEenzaamheid voor dubbelgangers

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Eenzaamheid voor dubbelgangers

    Toon Tellegen zal wel nooit meer los komen van het predicaat ‘schrijver van filosofische dierenverhalen’, maar intussen heeft hij ook al heel wat diervrije poëzie op zijn naam gezet. Aan deze gedichten, hoewel gespeend van de dierverhalende context, ligt wel degelijk een zelfde soort speels filosofische inzet ten grondslag. Gedachtenrijke poëzie, die de grote woorden allerminst uit de weg gaat, maar waar de ernst geen vat op krijgt, en waarbij de lucide toon de abstract filosofische begrippen vaak voldoende concretiseert om het resultaat voor spielerei te kunnen behoeden. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2006 de Hendrik de Vriesprijs en het jaar daarop de Constantijn Huygensprijs. Zijn productiviteit is er niet minder om geworden.

    Onlangs verscheen zijn nieuwste dichtbundel Schrijver en lezer, met tekeningen van zijn zoon, beeldend kunstenaar Boris Tellegen. De tekeningen, die het midden houden tussen figuratief en abstract, doen in de verte denken aan getekende driedimensionale constructies van de Rubiks kubus, maar zonder kleuren. Deze tekeningen zijn gedrukt in witte inkt. In de tekeningen valt het onderscheid tussen schrijver en lezer niet te maken. Ze zijn wel figuratief genoeg om er een in zichzelf gekeerd wezen in te zien dat aan een tafel geketend lijkt, waarop meestal een leeg papier voor hem ligt. Of het lege vel hem kwelt dan wel verrukt, is de vraag. Waren de tekeningen slechts illustraties bij de gedichten geweest, dan hadden ze echter wel degelijk woorden moeten bevatten, want hét kenmerk van deze nieuwe gedichten van Tellegen is dat de woorden zelfstandige objecten zijn geworden, die hun eigen gang lijken te gaan. De problematische omgang van de schrijver met zijn woorden is dan ook een van terugkerende motieven. ‘De schrijver stuurt zijn woorden de wereld in’, is bijvoorbeeld een gedicht getiteld waarin de woorden als een soort geheim legertje voor de schrijver op pad zijn geweest:
    ’s avonds keren ze terug naar de schrijver –
    hij zit voor het raam,
    hij heeft de hele dag naar ze uitgekeken

    ze hebben het koud:
    ziekelijkheid, pijnlijkheid, dodelijkheid
    en nu

    en de schrijver begint te schrijven.’

    Stonden de woorden de schrijver hier nog ten dienst, elders lezen we:
    ‘De schrijver bedenkt woorden
    die hij niet kan schrijven –
    ze zijn te licht, ze lossen op, ze vliegen telkens weg’

    Ze te verzwaren of vast te binden, helpt niet.

    ‘en de woorden beginnen te scheuren,
    ze verspreiden een vreemde geur,
    ze kunnen hun betekenis niet aan

    de schrijver probeert ze te vergeten,
    maar de woorden vergeten hem niet,
    klampen zich aan hem vast,
    leiden hem in verzoeking

    waar de lezer op hem wacht.’

    Maar het kan nog dreigender:
    ‘De schrijver vecht met woorden
    en de woorden overmeesteren hem,
    sluiten hem op in zijn kamer,
    nemen de sleutel mee

    op gezette tijden schreeuwt de schrijver om hulp’

    Woorden als het monster van Frankenstein? Zo ver gaat het niet, bovendien ontspint zich ook geen echt verhaal in deze bundel, maar worden gedachten geconcretiseerd. En hoe concretiseer je de gedachte dat woorden objecten zijn beter dan door de woorden letterlijk te nemen?
    ‘De schrijver is hongerig
    eet jou en mij en de hele tegenwoordige tijd
    in één hap op

    wat nu? denkt hij
    en hij eet nu op en wat
    en alle vraagtekens die hij ooit heeft gedacht’

    Deze letterlijke inzet verhinderd dat de gedichten in abstracties blijven steken. Heeft de schrijver niet altijd de woorden in bedwang, niet minder heeft hij te stellen met de lezer. Soms ontpopt die laatste zich als een ware fan, die de schrijver niet alleen ‘zijn sloffen aan[reikt]’ maar zich ook over hem ontfermt. Als de schrijver verkondigt, ‘ik ben de enige hier die van geen enkel belang is’ en dreigt om te vallen, lezen we dat hij nog net:
    ‘door een lezer wordt opgevangen
    en in een verloren hoekje wordt weggezet

    het leven is een feest en moet verder
    en iedereen fluistert in het oor 
    van iemand in zijn armen

    ‘o waren wij ook maar van geen enkel belang, jij en ik…’

    Met dit soort naïeve logica, die vooral in de verhalen van Tellegen de toon zet, weet hij de ontroering binnen te halen. Want deze gedichten kenmerken zich ook door romantische passages:
    ‘de lezer is een jongen in een jongenskamer
    er komt een meisje binnen,
    zo onverwacht, zo mooi en zo lichtzinnig

    en daarna nooit meer.’

    Maar zo vermurwbaar betoont de lezer zich niet al de tijd:
    ‘ik ben een lezer, zegt zijn vijand
    en legt de schrijver het zwijgen op.’

    Verderop ontplooit de lezer nog meer initiatieven:
    ‘De lezer ziet zijn kans schoon,
    kruipt onder de huid van de schrijver
    en denkt:
    nu weet hij nooit meer waar ik ben…’

    Dit dubbelgangerspel eindigt ermee dat het laatste gedicht zich aldus laat citeren:
    ‘De lezer wordt schrijver
    trekt de kleren van de schrijver aan,
    eet zijn brood,
    zit aan zijn bureau,
    buigt zich over zijn papier –
    verwondert zich over de immense, tot voorbij de horizon zich
    uitsytrekkende, oogverblindende wirheid ervan –

    neemt zijn pen in de hand
    denkt wat de schrijver denkt,

    voelt wat de schrijver voelt (onder andere: pijn)
    en wacht
    tot iemand hem stoort

    maar niemand stoort hem,
    hij wacht tevergeefs.’

    In deze bundel wordt niemand gelukkig en blijft iedereen eenzaam achter.
    De thematiek van schrijver en lezer die in hun nadering elkaar uitsluiten (‘de schrijver droomt van een wereld zonder woorden’ afgezet tegen de regel in hetzelfde gedicht ‘de lezer droomt van woorden zonder wereld’), terwijl ze elkaar nodig hebben en daarom voortdurend in een wisselend rollenspel tot elkaar veroordeeld blijven (‘de schrijver is een slang,/ verjaagd uit het paradijs’ en ‘de lezer is God’) zou de bundel een wrange ondertoon hebben moeten geven. Welke in de tekeningen adequaat getroffen is. De schrijver is een gevangene van zijn taal.
    ‘hij droomt van een lezer die met zijn sleutels rammelt,
    droog brood naar binnen schuift.’

    Maar de onmiskenbare speelsheid, het plezier ook om de woorden hun eigen logica te gunnen, beletten de gedichten een tragische landing in het hoofd van de lezer te maken. Het begrippenpaar- schrijver en lezer – lijkt eerder als sparring-partner te dienen voor Tellegens poëtische aandrift, die zich graag in de dialoogvorm uitleeft.

    Deze bundel verwonderde mij omdat ik niet wist waarom ik het goed vond, maar wel wist dat het niet slecht was. Misschien wringt het een beetje dat deze gedichten die over een soort beklemming gaan, de lezer toch niet met een beklemmend gevoel achterlaten. Net als een acteur die om z’n komische rollen bekend staat, in een tragedie z’n tragiek maar moeilijk voor het voetlicht weet te brengen, omdat het publiek in hem de komediant blijft zien. Aan de andere kant is Tellegen een meester van het gevoelige taalgebruik. De zinnen boren zich met hun bedrieglijke eenvoud en achteloze toon, die zo uit de mouw geschud lijkt, in de diepere lagen door, zonder dat ze aan helderheid inboeten. En de absurditeit zet maar al te graag de logica buitenspel:
    ‘aan het graf van de schrijver zegt de lezer,
    in zijn misplaatste jasje:
    ‘woorden schieten tekort’

    er ontstaat vechtpartijen,
    voor- en tegenstanders van onsterfelijkheid gooien met modder
    naar elkaar

    het regent
    en een verschrikkelijke begeerte maakt zich van iedereen meester

    en daar blijft het niet bij.’

    Een ander gedicht sluit af met:

    ‘de lezer maakt op grond van zijn radeloosheid een gebaar
    waarvan hij vermoedt dat het van berusting getuigt
    en denkt:
    weten schrijvers soms niet dat lezers ook wel eens niet hadden willen worden geboren? ‘

    De taal zelf lijkt er ondertussen weinig door aangeslagen dat in deze bundel behoorlijk zware begrippen als god – ontoereikendheid – liefde – vijandschap tegen elkaar worden uitgespeeld. Naar mijn smaak soms iets te weinig. Maar ja, als je dan leest:
    ‘De schrijver maakt een raam
    en kijkt nauwgezet naar buiten

    de lezer ziet hem staan
    en denkt:
    hij ziet met zijn scherpe oog voor onvolkomenheid
    de schepen die achter mij branden

    dan maakt de schrijver snel invallende duisternis en bloemetjesbehang

    en kijkt weer naar binnen, ‘

    dan weet je eigenlijk niet meer wat hiertegen in te brengen valt…

    Tellegens poëzie laat zich moeilijk met andere poëzie vergelijken. De bundel heeft een taliger
    stoffering dan zijn vorige bundels. En er komen veel mooie gedichten langs:
    ‘De schrijver schudt aan de boom van ontzetting
    en vraagt zich af hoe het met hem zal aflopen:
    zal ik doodgaan,
    zal ik écht doodgaan?
    of zal mij iets overkomen wat ik nog onder woorden moet brengen?

    hij schrijft en schrijft,
    daarna gaat hij slapen
    of een eindje fietsen

    kleine wormstekige voorbeeldfuncties liggen in het gras

    het is warm
    de schrijver woelt in zijn slaap
    of stapt van zijn fiets, wist het zweet van zijn voorhoofd

    of beide.’

    En:
    ‘De schrijver koestert schoonheid,
    oud zeer
    en al het ongenoegen van de wereld

    zijn zintuigen slingeren rond als ondergoed, kranten, Schöner Wohnen

    soms, als hij schrijft, staat zijn moeder achter hem,
    schudt haar hoofd over hem,
    zegt dat hij rechtop moet gaan zitten, nóg rechter, fierder

    bezorgdheid is alles wat er van haar rest

    zij neemt zijn pen uit zijn hand en opent zijn raam
    en de schrijver herinnert zich weer de schoonheid van genade
    en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,
    gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt
    in het grote, blauwe niets.’

    Prachtig gedicht, al had ‘de schoonheid van genade’ geen verdere toelichting nodig gehad.

    Wie zich over het vooroordeel, dat wat zwaar is niet mag drijven, weet heen te zetten, treft in Schrijver en lezer een verrassend sterke bundel, die van een grote lenigheid van taal en thematiek getuigt. Aan prachtige zinnen geen gebrek en je blijft je verbazen over dat unieke, geheimzinnige talent van Tellegen.


    Schrijver en lezer
    Auteur: Toon Tellegen
    Verschenen: Uitgeverij Querido (2011)
    Blz.: 96 
    Prijs: € 18,95

     

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman