Tonke Dragt: een klinkende naam. Vele bekroningen staan op de naam van deze grande dame van de jeugdliteratuur, zoals ze onlangs beschreven werd in een interview in dagblad Trouw. Haar werk staat voor velen gelijk aan urenlang leesplezier over mysteries, intriges en dappere personages. Over ridders in verre landen, gevaarlijke vensters en planeetonderzoekers. Dragt is op 12 juli 2024 overleden. Nog vóórdat haar laatste verhaal zijn weg vond naar het grote publiek. De schat van de blauwe boekanier is voor het eerst in 1964 verschenen als Kinderboekenweekgeschenk, toen nog onder de naam De blauwe boekanier. In samenwerking met auteur Rindert Kromhout en illustrator Anna Grunske is het verhaal van Dragt naar de tijd van nu gebracht.
[…]
De schat van de blauwe boekanier bevat alle ingrediënten voor een spannend zeeroversverhaal. Er is een jongen, Joris Jas, met een onvervuld verlangen naar de zee. Er is een nietsontziende boekanier die de wereldzeeën afstruint op zoek naar manieren om zichzelf te verrijken én er spoelen mysterieuze verzen aan in blauwe flessen.
De nieuwe roman van Rob van Essen, De goede zoon, werd in NRC bekroond met vier zeer terechte ballen. Leuk aan de bespreking van Judith Eiselin was bovendien dat ze het boek vergeleek met Ogen van tijgers, een toekomstroman uit 1982 van Tonke Dragt. Net als met naar de film gaan, waarin de trailers vóór de hoofdfilm mijn favoriete kijkmomenten zijn, kan ik het heerlijk vinden om tijdens het lezen over literatuur op andere boeken gewezen te worden. Ogen van tijgers, het vervolg op het al even magische Torenhoog en mijlenbreed (1969!), las ik als kind. Het stuk waarin Jocks schilderij door een piepkleine wijziging ‘af’ wordt, staat me nog zo bij. Uit het niets een wereld opbouwen is altijd een krachtmeting van de eigen geest, maar ik kan me voorstellen dat de research die een schrijver doet voor een toekomstverhaal qua inzet niet onderdoet voor die van een historisch verhaal. Waar je bij die laatste bronnen tot je beschikking hebt (geschiedenisboeken, kranten, ooggetuigenverslagen) moet bij die eerste bijna alles uit je eigen hoofd komen. Het moet kloppen, maar wat? En hoe? Dat is moeilijk te toetsen. Als schrijver kun je prima een wereld bedenken waarin de volledige aardbevolking, ik noem maar wat, vegetariër is geworden, maar dan heb ik wel graag dat je hebt nagedacht over de economische gevolgen hiervan. Of die voor het milieu. Eigenlijk wil ik dat de schrijver al mijn vragen voor is. Hij/zij hoeft ze niet allemaal te beantwoorden, zeker niet, als-ie zich maar bewust is van welke vingers er eventueel opgestoken zullen worden.
Een van mijn favoriete toekomstverhalen is de film Artificial Intelligence (2001). Er is veel op de film aan te merken maar ik kan nog volschieten bij de scène waarin David, onder water, tot de Blauwe Fee bidt. Toen ik de film opnieuw keek in gezelschap van iemand die filosofie studeerde, werd het ingewikkeld. ‘Als wij deze film zouden behandelen in de lessen zouden we het over deze scène hebben,’ begon de student, terwijl Monica in haar hypermoderne automobiel het beeld uitreed. ‘Zoveel moderne gekke dingen maar auto’s rijden wel gewoon nog over asfaltwegen?’ Precies waar je op zo’n moment – het drama! – niet aan wilt denken. Op internet stuitte ik op een schitterend illustratie bij het sprookje van De kleine zeemeermin. Toch er was iets geks mee. Ineens zag ik wat er niet klopte: een zeemeermin schonk thee in een porseleinen kopje. Voor een verhaal erkende ik probleemloos het bestaan van een vrouwelijk wezen met een vissenstaart. Maar onder water thee inschenken? Nee, joh.
Het slagen van een verhaal zit hem niet in hoe een (fantasie)wereld is opgebouwd, maar in wat deze toekomst met de personages doet. Het zit in dat schilderij van Jock. Of, zoals in De goede zoon, niet in een autorit maar in wat deze rit met de verteller doet. Hoe aanwezig en ingekleurd ook, in beide boeken is de toekomst maar achtergrond – niet waar het om gaat. Dat maakt het zulke mooie boeken.
Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.
Bijna overal waar ik als kind woonde, had ik een bos bij de hand. Steeds als wij verhuisden, stonden er weer bomen te lonken aan de overkant van de weg. We kwamen er zelden – mijn ouders waren geen wandelaars – maar dat die bomen daar stonden, was hoe dan ook een groot goed.
Toen ik volgens mijn vader én mijn moeder oud genoeg was om op eigen houtje een bos te verkennen, kwam ik tot de ontdekking dat bossen in het echt minder eng zijn dan in sprookjes.
Pas in de zomer dat ik eindexamen deed, profiteerde ik echter optimaal van het bos aan de overkant van de straat waar wij toen woonden. Het avontuur begon met een gammele schuur die er van de ene op de andere dag stond. Er werden paden aangelegd die nergens naartoe leken te leiden. Stukje bij beetje ging het hele bos op de schop, maar ik zag er nooit iemand om op heterdaad te betrappen. Totdat ik op een dag tegengehouden werd door een meneer met een lichtmeter. Terwijl zijn aandacht onverminderd uitging naar de zon en de wolken, gaf hij mij te verstaan dat het pad dat ik van plan was te nemen verboden terrein was.
Ik bleek op de set van De zevensprong beland en het was niet de bedoeling dat ik in beeld kwam. Er zat niets anders op dan geduldig te wachten. Eerst moest de zon vrij spel krijgen. Daarna moest verderop een scène net zo vaak over tot de regisseur tevreden was. Eindelijk klonk krakend een verlossend woord uit wat waarschijnlijk een walkie talkie was. De omgeving werd vrijgegeven en wandelaars konden hun tocht vervolgen. Ik begaf me richting set en was daar de rest van de zomer niet meer weg te slaan.
Het boek van Tonke Dragt had ik als kind al verslonden. Die zomer kreeg veel door de verfilming een extra dimensie. Ik zag haar personages én mijn dorp door de ogen van een ander. Niet alleen het bos onderging een metamorfose, ook het dorpsgezicht veranderde. Naast de kerk verrezen een bioscoop en een patatkraam en het plaatselijke kasteel, dat op het punt stond gerenoveerd te worden, kreeg een make-over zodat het voor ‘Het Trappenhuis’ door kon gaan.
Sinds de zomer dat ik eindexamen deed, liggen schijn en wezen voor mij definitief in elkaars verlengde, en weet ik hoe je, als een verhaal er om vraagt, het heel natuurlijk kunt laten regenen.
‘Het Trappenhuis’ doet tegenwoordig dienst als museum. Het is in de oude luister van ver voor De zevensprong hersteld. Ik was er vorige maand. Terwijl anderen er kwamen voor de kunst en aandachtig keken naar schilderijen, tastten mijn ogen minutieus de ruimtes, de muren en de deuren af. Waar zijn graaf Grisenstijn en zijn neefje Geert-Jan gebleven?
Buiten ligt de slotgracht er bevroren bij. Ik herinner me een meisje dat even verderop – buiten het zicht van ogen die onzeker maken – tevergeefs probeerde op haar houten schaatsen te blijven staan.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.