• Sober proza

    Sober proza

    Wat ik van liefde weet is een verhalenbundel van Ton Rozeman. Het zijn korte slice of life-verhalen over gewone mensen die worstelen met hun relaties en met zichzelf. De verhalen bieden inkijkjes in het leven, vaak zonder een clou. Centraal in de bundel staat de menselijke onvolkomenheid. Rozeman (1968)  laat zien hoe men met elkaar omgaat in het moderne leven: soms wreed, vaak ook vol onbegrip.

    Rozeman biedt onnadrukkelijk, sober proza. Hij is docent verhalen schrijven en is gespecialiseerd in korte verhalen. Rozeman stelt de stijl in zijn werk ten dienste van het ook al sobere verhaal. Er staat geen woord teveel in zijn teksten, die bedrieglijk simpel geschreven lijken. De verhalen zijn soms wrang, bijvoorbeeld ‘Paardenkop’ over een lelijk meisje dat gemeen behandeld word. Toch blijft de inhoud van Wat ik van liefde weet je niet lang bij nadat je de bundel hebt gesloten. Niet alleen het gebrek aan stilistische durf, maar ook de kortheid van de verhalen wreekt zich. In telkens enkele bladzijden vertelt de auteur wat hij wil vertellen. Voor uitgebreidere karakteriseringen, psychologische uitdiepingen, is er in deze erg korte verhalen geen ruimte, een manco dat wel voor korte verhalen in het algemeen geldt.

    De teksten van Rozeman zijn onder meer een tijdsdocument. Het verhaal ‘Wekker’ begint als volgt: ‘Drie kinderen, nooit liefde gekend. Hij een paar jaar geleden ervandoor met iets jongs, misschien maar beter ook, die klootzak. Zij probeert er iets van te maken. Project ‘’goed huwelijk’’ mislukt, blijft over ‘’goede moeder’’. De oudste ADHD, de middelste autistisch, bij de jongste hapert de hechting. Als een reddende engel rijdt ze van school naar therapie naar apotheek naar god mag weten waarheen.’ (33) Het stigmatiseren van kinderen om ze te helpen is typisch iets voor deze tijd. Het zijn de ouders die geholpen zijn bij dergelijke etiketten en pseudo-duidelijkheid, meestal niet de kinderen. Je voelt als lezer de beknellende liefde van de moeder, die haar tijd geheel ten dienste stelt van haar kinderen en zo nooit plezier in het leven kan ervaren.

    Joost Zwagerman maakt, zich baserend op een theorie van literatuurcriticus Harold Bloom, in de inleiding van De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen een onderscheid tussen Tsjechoviaanse en Borgesiaanse verhalen. Zwagerman geeft de volgende omschrijving: ‘Tsjechoviaanse verhalen, aldus Bloom, beginnen vrij abrupt, eindigen vaak plotloos en verwijzen vrij direct naar een voor ons herkenbare werkelijkheid. Borgesiaanse verhalen benadrukken dat ze eerst en vooral een taalbouwsel zijn zonder een dwingend verband met de werkelijkheid’ (10). Het proza van Rozeman valt duidelijk onder de Tsjechoviaanse verhalen. Het gaat erin om herkenning, eerder dan om verwondering.

    De verhalen in Wat ik van liefde weet helpen je inzicht te krijgen in de menselijke ervaring. Ze gaan over hoe anderen met vergelijkbare problemen als de jouwe omgaan. In die zin sluiten ze aan bij het evolutionair nut dat aan fictie wordt toegedicht in de omstreden theorie van het literair darwinisme: verhalen zijn nuttig omdat ze je doen begrijpen hoe je het leven kunt tegemoet treden in situaties die je zou kunnen meemaken.

    In Borgesiaanse verhalen daarentegen is eerder sprake van alles wat in het gewone leven niet kan. Deze verhalen zouden volgens het literair darwinisme  minder nuttig zijn, omdat ze de lezer niet voorbereiden op het echte leven. De mooiste verhalen zijn misschien die waarin beide typen gecombineerd worden: verbazing om de absurdheid van het bestaan, gecombineerd met een uitnodiging je in te leven in een ander. De verhalen van Rozeman bieden alleen het tweede.

    Dat Rozeman docent korte verhalen schrijven is, blijkt uit zijn proza. Iemand die de stiel wil leren doet er niet verkeerd aan zijn proza te bestuderen. Als je tenminste sober wilt schrijven en geen woordbarok in je teksten toelaat. Die woordbarok is immers niet zo op zijn plaats in in de Nederlandse literaire traditie (maar daarom niet per se fout). Al bij al zijn de verhalen van Rozeman goed geschreven, invoelbaar, maar uiteindelijk niet memorabel.

     

    Wat ik van liefde weet

    Auteur:Ton Rozeman
    Verschenen bij: Uitgeverij Nieuw Amsterdam
    Aantal pagina’s: 107
    Prijs: € 12,95

  • Een foto lezen als een kort verhaal

    Een foto lezen als een kort verhaal

    Het korte verhaal werd ooit gezien als een soort vingeroefening voor de schrijver, die pas na zijn verhalendebuut (en de goede ontvangst daarvan), geacht werd een groter werk te publiceren waarna het korte verhaal zijn nut bewezen had en kon worden vergeten. Het korte verhaal diende om de literatuur binnen te komen en kreeg nooit de welverdiende plek binnen de Nederlandse letteren. Maar daar kan wel eens verandering in komen sinds zeer korte verhalenschrijver A.L. Snijders vorig jaar voor zijn gehele oeuvre de Constantijn Huygens Prijs ontving, en Ton Rozeman zich als pleitbezorger van dit genre presenteert.

    Ton Rozeman (Den Haag, 1968) publiceerde zelf twee lovend ontvangen verhalenbundels en een novelle. Hij is hoofdredacteur van Shortstory.nu en het blog Korte Verhalen Schrijven en is als docent verbonden aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Het belangrijkste dat Ton Rozeman vertegenwoordigt is het korte verhaal; hij geeft er les in, schrijft ze en bespreekt auteurs en hun korte verhalen op een uitvoerige wijze op zijn sites. En nu is daar zijn handboek Korte verhalen schrijven voor de aspirant-schrijvers onder ons.

    Ton Rozeman heeft een prettige manier van verhalen vertellen en uit zijn handboek blijkt dat hij ook een prettige manier van uitleggen heeft. Aan de hand van bestaande verhalen en door de vergelijking van een goed verhaal met een geslaagde foto, laat hij laagje voor laagje en vanuit verschillende invalshoeken zien hoe je een verhaal  kunt opbouwen. Tegelijk laat hij zien hoe een reeds bestaand verhaal in elkaar steekt. Daarbij is het onderwerp zèlf niet het belangrijkste maar ‘hoe’ en in welk licht dit onderwerp gefotografeerd, dan wel beschreven wordt.

    Korte verhalen schrijven is opgebouwd uit drie delen waarvan het eerste deel, Technieken de verschillende schrijftechnieken behandelt, het bepalen van het kader waarin je het verhaal wilt plaatsen en het licht dat je erop wilt laten schijnen (denk aan een foto nemen). Het tweede deel, Sjablonen behandelt de afstand tot het verhaal, wordt het een portretverhaal, een panoramaverhaal of een standaardverhaal (ook hierbij: denk aan het nemen van een foto). In deel drie, Voorbeeldverhalen maakt Rozeman een analyse met behulp van enkele fragmenten uit een kort verhaal. Waarbij hij de theorie  steeds afrondt met een visualisatie van een toegepaste techniek, daarvoor gebruikt hij verhaalfragmenten uit het werk van onder meer Judith Hermann, Raymond Carver, Lydia Davis en Sanneke van Hassel.

    Rozeman beschrijft duidelijk en helder welke techniek in welke situatie toe te passen is, waarbij hij geregeld benadrukt dat schrijven een persoonlijk proces is en dat het handboek je niet kan vertellen wat je moet doen, dat je uiteindelijk zelf de keuze moet maken welke techniek je wilt gebruiken en hoe je die toe kunt passen. En dat is prettig dat hij dat aangeeft, want het boek is zo helder en uitputtend geschreven dat het gevaar om de hoek ligt dat het lijkt of ‘een kind de was kan doen’.
    In een kort verhaal gaat het erom dat de lezer vanaf de eerste tot aan de laatste zin geboeid blijft en dat het verhaal hem nadien een verrassend nieuw inzicht over een eenvoudig gegeven oplevert. Want het gaat vaak over eenvoudige dingen. Zoals over een leeg wijnglas op een  ruwhouten keukentafel waar via het smoezelige venster een straal zonlicht overheen gaat. Dat de combinatie van het beeld (foto) en dat wat niet te zien is op een foto, de stof levert voor een kort verhaal, is te lezen/leren uit het handboek van Rozeman. Een handig gekozen metafoor: fotografie – verhalen schrijven. Maar pas op. Het kan ook een valkuil zijn; het visuele in een foto krijg je nooit, met welke technieken dan ook, overgebracht in een verhaal. Het is een handig hulpmiddel, meer niet zoals Rozeman zelf aangeeft in de Opbouw van dit boek.

    Het mag duidelijk zijn, en dat is hoopgevend voor de aspirant-schrijver, dat Ton Rozeman alle valkuilen en misstappen in het beoefenen van dit genre zelf ondervonden heeft. Korte verhalen schrijven is een leerzaam en inzichtelijk geschreven handboek waarin tools worden aangereikt om met andere ogen naar het korte verhaal te kijken, zowel voor de schrijver als voor de lezer van korte verhalen. Met als extraatje twee korte verhalen van de master himself. Waarvan vooral Je ziet er niets van meesterlijk is.

     

  • Interview met Ton Rozeman

    Ton Rozeman schreef twee verhalenbundels en een novelle. In de aanloop naar Het weekeind van Het Korte Verhaal, Hotel van Hassel, een uniek internationaal literair gebeuren in De Balie in Amsterdam, interview ik hem over zijn korte verhalen.

    Je hebt een site, ShortStory.nu, met als ondertitel: omdat korte verhalen geweldig zijn. Wat is er zo geweldig aan het korte verhaal?

    ‘Het korte verhaal biedt ontzettend veel mogelijkheden. Het is een speeltuin waarin je kunt experimenteren. De vrijheid is groot, je hebt geen schema nodig, je hoeft geen lijnen uit te zetten, je kunt to the point zijn. Net als met poëzie kan je heel veel kanten op en je tegelijkertijd toch tot de ziel beperken. Dat ongeplande openstaan voor gewone dingen die zich zomaar aandienen, het alledaagse bijzonder maken, dat vind ik heel boeiend. Bovendien kent het korte verhaal maar nauwelijks een tijdverloop. Je hebt geen overbruggingen, ook niet in plaats, wat je in een roman vaak wel hebt. Je hoeft nergens naar toe, je bent er al. Het korte verhaal is echt iets van deze tijd, ik begrijp die voorkeur voor dikke romans niet helemaal.’

    Maar het korte verhaal heeft in Nederland, anders dan in Amerika, toch maar weinig aanzien?

    Ik vind de status van het korte verhaal in Nederland heel positief. De kritiek bespreekt het en uitgeverijen durven hun nek uit te steken met verhalenbundels, ook als ze weten dat ze er maar een paar honderd van zullen verkopen. Joost Zwagerman heeft zich ingespannen met zijn bloemlezingen, er staat een nieuw literair tijdschrift KortVerhaal op stapel, Hotel van Hassel, een internationaal weekeind in Amsterdam rond het korte verhaal, dat zijn toch allemaal mooie en hoopvolle ontwikkelingen. De status is in orde maar de lezers kopen vooral die dikke romans.

    En daar ga jij met jouw site wat aan doen?

    Ik wilde het korte verhaal promoten. Ik kan wel zielig doen, roepen dat er te weinig aandacht voor is, hoewel dat achteraf erg meevalt, maar ik kan ook iets doen, proberen een bijdrage te leveren. Vandaar.

    En blijkt het zinvol?

    Zeker. Het kan natuurlijk altijd actiever, beter, maar ik ben zeer tevreden. Ik krijg veel aandacht. Uitgeverijen sturen en masse hun verhalenbundels toe, ze werken mee aan het verloten van bundels via mijn site, schrijvers en vertalers zijn graag bereid om hun werktijd te geven aan interviews. Ik heb veel bezoekers en ben blij met alle aandacht en tijd die mensen eraan geven.

    Hoeveel tijd ben je er zelf aan kwijt?

    Zes tot acht uur per week, meer nog… ik loop weer achter met mijn e-mails. Al die boeken lezen, dat kost veel tijd, al krijg ik zo nu en dan hulp met intensieve besprekingen van verhalen.

    Terug naar het korte verhaal. Wat is naar jouw idee een kort verhaal precies? Waaraan moet het voldoen?

    Dat is gelukkig niet te definiëren. Studenten vragen me vaak hoe lang een verhaal mag zijn. Dan roep ik maar iets omdat ze een antwoord willen. 10.000 woorden, maar dat slaat nergens op. Het korte verhaal is allerminst een korte versie van een roman. Maar ook daarop zijn weer uitzonderingen, als ik denk aan de verhalen, de miniromans, van Alice Munro: tijdverloop, sprongen… Ook op andere terreinen zou ik het niet kunnen definiëren. Niets ligt vast. Hoewel… soms, als ik lees, vraag ik me af: ‘Is dit eigenlijk wel een kort verhaal?’ Dan word ik dus geconfronteerd met het feit dat ik wel degelijk een sjabloon heb. Maar hoe dat er precies uitziet?
    Mijn verhalen laat ik zeer op tijd ophouden, en ook pas heel laat in het proces beginnen. Waar mensen zeggen, het is dringend, het is vijf voor twaalf, daar zou ik willen beginnen en niet eerder. Van vijf voor twaalf tot een voor twaalf is mijn korte verhaal. En al die ellende die ervoor is geweest waardoor het vijf voor twaalf-gevoel is ontstaan krijg je vanzelf wel mee.
    Een kort verhaal is voor mij het uitdelen van een klap. Een sympathieke, goedbedoelde, leerzame klap. Niet altijd leuk maar het moet wel gebeuren.

    Je noemde Alice Munro, wie zijn je voorbeelden?

    Ik heb het schrijven geleerd via Raymond Carver. Dat alledaagse, prachtig. Tot die tijd leefde ik in tweestrijd: literatuur was voor mij Jan Wolkers, heel vitaal, heel mannelijk. Ik was zijn tegenpool, daar zat ik mee. Wolkers is groots, meeslepend, geen geneuzel. In Carver ontdekte ik geneuzel op het hoogste niveau. Geen mensen uit een stuk, geen hoofdpersonen zoals in Turks Fruit, en toen dacht ik: hé, er is voor mij ook een markt.
    Nu lees ik bijvoorbeeld Lydia Davis’ korte verhalen, net ontdekt. Vlak voor je neus gebeuren er dingen en ik heb het niet gezien. Ontwrichtende verhalen zijn het. Ze is heel confronterend. Ze ziet dingen die ik achteraf ook wel zie maar ik heb ze nooit opgeschreven. Zij is veel verder en veel beter dan ik ben.

    Wat ziet ze dan bijvoorbeeld?

    Ze zit in de bus Foucault te lezen maar ze begrijpt er eigenlijk niks van. Af en toe streept ze toch maar iets aan en ze vraagt zich dan af of ze dat doet omdat het belangrijk is of omdat dat het enige is dat ze snapt. Dat herken ik. Ik heb dat ook, maar ik heb het nooit opgeschreven. Daarom is ze verder, zij schrijft het wel op. Ze is op een aangename manier ontluisterend. Ze weet me keer op keer te confronteren met dingen die ik ook al had gezien.

    En dichter bij huis?

    Sanneke van Hassel. Zij kan ook zo goed kijken. In die zin is ze een voorbeeld voor mij. Bij elk verhaal dat je van haar leest lijkt het alsof het autobiografisch is, maar dat kan niet. Heel goed vind ik dat. Toen ik haar interviewde vroeg ik haar: wat heb je vandaag gezien? Wat je dan hoort, heel mooi, ze doet veel met decor en omgeving. Dat komt door dat oog dat ze heeft. Heel leerzaam. Ik laat haar altijd aan mijn studenten lezen.

    Nu jouw werk. Je verhalenbundels zijn zeer goed ontvangen. Je debuut, Intiemer dan seks (2001) werd genomineerd voor de Debutantenprijs en bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003. In 2004 verscheen Misschien maar beter ook, dat genomineerd werd voor de longlist van zowel de AKO- als de LibrisLiteratuurprijs en de Dif/BNG Prijs. Hoe was dat, die aandacht?

    Ik kon er toen niet zo goed mee omgaan, ik vond het erg verwarrend ook al was het positief. Opeens was er een buitenwereld waar je rekening mee moet houden. Je hoeft natuurlijk helemaal niks maar ik dacht, daar ga je je toch toe verhouden, heel moeilijk om naast je neer te leggen. Ik voelde het ook als een soort verplichting, om verhalen te schrijven, om een bepaald genre te schrijven, om bepaalde thematiek te hanteren.
    En bij mijn tweede boek vroeg ik me af: ben ik de kritiek wel voldoende aan het negeren? En als je je dat afvraagt ben je er natuurlijk mee bezig.

    Hoe gaat dat nu?

    Ik heb nu het idee, als ik me niet vergis, dat ik mijn eigen weg aan het gaan ben, los van het feit of ik de kritiek aanvaard of negeer. Maar misschien zijn het alleen maar wijze woorden en voelt het uiteindelijk toch nog anders.

    Heb je het gevoel dat er mensen over je schouder meelezen, voel je je vrij te schijven wat je wilt?

    Ja, ik voel me vrij. Ik heb de schrijversvakschool gedaan, daar heb ik al zoveel dingen gebruikt uit mijn privé-leven -en dat ook aan mensen laten lezen- dat ik die vuurdoop wel heb gehad. Ik heb toen al mensen dusdanig verward en tegen me het harnas ingejaagd dat ik sindsdien verlost ben van mijn privé-omgeving. Ik vrees niets meer en kan alles gebruiken. Het kan ook niet anders, als je bepaalde dingen niet durft op te schrijven kan je niet werken.
    In al mijn boeken zijn privé-elementen aan te wijzen, niet dat het helemaal autobiografisch is, maar ik heb vaak zonder enige terughoudendheid materiaal uit mijn omgeving gebruikt.
    De enige die ik uitleg heb gegeven is mijn moeder. Zij vindt het lastig te zien dat privé-elementen opduiken maar dat de verhalen tegelijkertijd niet kloppen met de werkelijkheid. Nu is ze eraan gewend en weet ze dat haar zoon allerlei dingen opschrijft die wel met ons gezinsleven te maken hebben maar toch ook weer anders zijn. Ze kan er nu mee omgaan, ze kan het aan haar vriendinnen uitleggen.

    En je vader?

    Mijn vader had er niet zoveel mee. Hij las eigenlijk nooit. Ik vraag me opeens af of hij mijn werk wel heeft gelezen. Misschien heeft hij een poging gedaan. Hij was wel trots maar op een nogal ‘onbruikbare’ manier. Inhoudelijk kon ik er niet met hem over spreken. Hij had ooit een radio interview voor me opgenomen waarin ik veel over mijn privé-leven vertelde en ook over wat er daarvan in mijn verhalen terecht is gekomen. Zijn reactie: ‘prachtig, het paste precies op een bandje’.

    Na jouw twee verhalenbundels heb je een novelle geschreven, Nu gaat het gebeuren. Is het korte verhaal voor jou via de novelle een opstap naar die dikke roman?

    Nee, zeker niet. Tjechov bleef naast zijn korte verhalen altijd toneel schrijven. Carver schreef naast zijn verhalen gedichten. Ik denk trouwens dat het korte verhaal eerder een opstap zou kunnen zijn naar poëzie.

    Is poëzie iets voor jou?

    Ja, zeker, ik houd erg van poëzie. Ik lees het niet dagelijks maar ik heb er wel degelijk iets mee. Ik schrijf zo nu en dan gedichten, in Tirade heeft eens een prozagedicht van me gestaan. Maar of er ooit een bundel komt, ik weet het niet, ik sluit het in elk geval niet uit.

    Heb je een verschil ervaren tussen het schrijven van een verhaal en een novelle?

    Dat vind ik lastig om te beantwoorden. In elk geval vind ik het moeilijker om een kort verhaal te schrijven dan een novelle. Het is veel ‘ongeplander’, grilliger. Het moeilijke is dat je een moment als een bliksemflits probeert te doorgronden, het kan leven of niet. Als het eenmaal leeft is het oké, anders moet ik het wegleggen en het later weer oppakken, of helemaal opnieuw beginnen.
    Een van de verhalen uit mijn debuut heb ik in twee dagen tijd met migraine geschreven, andere verhalen weer in maanden. Ik kan wel gedisciplineerd zijn maar dat dóórschrijven is bij korte verhalen soms erg lastig terwijl ik heb ervaren dat me dat bij het schrijven van de novelle goed afging.

    Waar komen je verhalen vandaan? Hoe begin je?

    Mijn thematiek is altijd aanwezig, van daaruit hoef ik niet te denken, dat is hoe ik ben en hoe ik kijk, mijn oog moet ergens op vallen. En ik gebruik graag bekende decors. Mijn vader lag veel in het ziekenhuis. Ik ken de omgeving van het ziekenhuis dus goed en kan het als decor voor mijn verhalen goed gebruiken. Dat vind ik makkelijk, dan hoef ik er niet zo over na te denken. Ik gebruik ook vaak huizen die ik ken, dan weet ik waar alles ligt. Dan kan ik erdoor heen lopen en beweeg ik me gemakkelijk, dan hoef daar in elk gaval geen energie meer in te steken.
    Ik schrijf van het begin naar het eind, altijd, en ik weet niet waar ik naar toe ga. In mijn debuut dacht ik het eind telkens te weten maar het klopte nooit. Bij mijn tweede boek dacht ik, het komt wel, en dat was ook zo. Ik vergelijk het wel met plakplastic, daar kaftte ik vroeger op school mijn boeken mee. Je moet het vanaf het begin heel goed gladstrijken, als je in het begin bubbeltjes hebt dan kun je beter maar ophouden, dan wordt het ellende.

    Een eerste pagina moet visionair zijn. Als ik tevreden ben met een eerste pagina dan zit het DNA er al in, dan komt de rest wel. Het verhaal groeit. Je kunt niet iets máken, je kunt het alleen laten groeien. Ik houd er niet van als je ergens naar toe moet, als er iets opgelost moet worden, als er iets groots te gebeuren staat, iets dramatisch. Ik merk bij mijn studenten dat ze vaak aan het eind iets prachtigs willen laten gebeuren. Dat ergens naar toe werken, dat wil ik niet, het is het kind met het badwater weggooien. Je bent al ergens, je bent al iemand. Van daaruit gebeuren er dingen, vaak wordt dat veronachtzaamd.
    Het niet durven weten, dat is belangrijk. Als je dat erkent dan levert dat veel mooi materiaal op.

    Je thema’s zijn herkenbaar, je schrijft over relaties, de breuk daarin, goede bedoelingen, ouders…

    Ja, dat zijn de stier en de rode lap, ik duik erin, dat zijn dingen die me heel erg aantrekken. Ik ben gefocust, ik ben er gevoelig voor, het is zelfonderzoek. Soms vergroot ik angsten uit, dan denk ik, stel je voor dat ik dat zou doen, ik doe het niet maar stel je voor… Dat vind ik interessant.
    Mijn thematiek is zeer autobiografisch. Mijn term daarvoor is thematisch-autobiografisch. Vervolgens geef ik er wel mijn eigen draai aan.

    Het slotverhaal van mijn tweede bundel, Alsof ik met vakantie ga, waarin een echtpaar met kind uit elkaar gaat, is het meest autobiografische. Pas veel later heb ik het op kunnen schrijven. Ik leg niet uit waarom ze uit elkaar zijn, dat vind ik niet zo interessant. Dat leer ik ook aan mijn studenten: maak het niet te logisch. Ik vind het niet spannend als een stel uit elkaar gaat omdat ze niet meer van elkaar houden. Maar als ze nog wél van elkaar houden maar toch uit elkaar gaan, is dat voor mij psychologisch gezien heel interessant. Dat ambivalente heb ik ook bij het overlijden van mijn vader gevoeld, wat zowel een tragisch gemis is als een grote opluchting. Ik wil hem in die ambivalentie durven zien en niet de ongemakkelijk kant maar wegstoppen. Dat zijn mooie dingen om als schrijver te onderzoeken en te vergroten. Die onhandige, onduidelijke gevoelens waarvan je eigenlijk niet wilt dat je ze hebt, daar wil in wroeten. Met die ambivalentie ben ik nog lang niet klaar. Dat is een bron.

    Wat doe je verder?

    Ik zit in het bestuur van de Vereniging voor Letterkundigen en ik geef les aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. En mijn site natuurlijk.
    Maar ik ben ook weer aan het schrijven en dat doet me goed. In de tijd dat ik veel andere dingen doe voel ik me onzeker. Als ik niet schrijf voel ik me overgeleverd.

    Er komt dus weer een nieuw boek.

    Ja.

    Een bundel?

    Dat laat ik graag in het midden. Ik vind het griezelig om te praten over werk dat nog in wording is maar ik ben, zoals ik net zei, gelukkig weer goed bezig na er een tijdje uit te zijn geweest.

    Wanneer?

    Ik ben traag maar ik denk wel dit jaar. Ja, zeker, dit jaar!

     


    Ton Rozeman (1968) is docent aan de Schrijversvakschool en hoofdredacteur van de website ShortStory.nu.
    Van Ton Rozeman verschenen bij LJ Veen de bundels Intiemer dan Seks (2001), bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003 en genomineerd voor de Academica Debutantenprijs 2002, en Misschien maar beter ook (2004), genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuur Prijs en longlisten AKO Literatuurprijs en Libris Literatuur Prijs
    In 2007 verscheen bij Nieuw Amsterdam de novelle Nu gaat het gebeuren.