• De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    Nadat in 1971 het laatste reguliere nummer van het literaire tijdschrift Barbarber verschenen was, verklaarden de oprichters en redactieleden Bernlef, Brands en K. Schippers dat het blad zou blijven bestaan zolang zij het niet ophieven. Toen in 2018 het Barbarberkunstwerk Lijnen beschadigd raakte door een lekkend dak, concludeerde K. Schippers laconiek dat Barbarber nog steeds in beweging was nu de tijd letterlijk haar sporen had nagelaten. En nu, na zijn overlijden afgelopen augustus, alle redactieleden ter ziele zijn, is er het boek van Toef Jaeger om Barbarber levend te houden: De jongens van Barbarber. Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde.

    Barbarber is het literaire tijdschrift dat in de jaren zestig van de vorige eeuw het gedachtegoed van Dada in de praktijk bracht in de Nederlandse letteren: de werkelijkheid werd vaak op een geestige of absurdistische manier als literatuur voorgeschoteld, want een gedicht is ook maar een tekst – en in Barbarber ook vaak andersom: een tekst is ook een gedicht; de beroemde readymade die vaak in het blad te vinden was.  En soms was er helemaal geen tekst maar bestond een nummer louter uit behangstalen, een grammafoonplaat of een fles wijn. 

    Drie titaantjes uit Oud-West

    Toef Jaeger vertelt hoe Henk Marsman (J. Bernlef), Gerard Stigter (K. Schippers) en Gerard Bron (G. Brands) -kort voor de Tweede Wereldoorlog geboren in Amsterdam Oud-West- elkaar na de oorlog leerden kennen op de Eerste Openbare Handelsschool. Daar kregen ze Nederlands van Rob Nieuwenhuys. Hij liet hen kennis maken met moderne schrijvers als Hanlo, Alberts en Reve – van hem leerden ze het oude niet klakkeloos te aanvaarden als het goede. 

    Aan niemand iets gelegen laten liggen, zeker niet aan ouderen, blijkt een rode draad in de geschiedenis van Barbarber. In het Nederlandse culturele klimaat van de jaren vijftig domineerde aan de ene kant de vrij klassieke dichters (Vasalis, A. Roland Holst en J.C. Bloem) en aan de andere kant de vijftigers (Lucebert, Kouwenaar, Claus, Campert, Vinkenoog etc). De drie titaantjes uit Oud-West vinden dat allemaal veel te serieus en te pretentieus. Zij hebben het in café Eylders aan het Leidseplein liever over Vroman, Dada, Laurel en Hardy en Tatie.  Vanuit de gedachte dat iedere tekst -als hij de moeite waard is- zo goed is als een andere, ontstaat  het plan een literair tijdschrift op te richten: Rabarber.

    Langzaamfietsen

    Wanneer Schippers en Brands de kunst van het langzaamfietsen beoefenen in de Leidse straat verandert die naam door een verspreking in Barbarber. In 1958 verschijnt het eerste zelf getypte en gestencilde nummer. In de inleiding schrijven ze dat een gedachte formuleren die de moeder moet zijn van een tijdschrift vaak moeilijk is waarna een schaakpartij uit 1906 wordt afgedrukt, overgenomen uit Praktische Schaaklessen deel 11 van Dr. M. Euwe en H.J. den Hertog. Maar natuurlijk zit er wel degelijk een gedachte achter het tijdschrift: literaire teksten moeten niet te serieus worden genomen en ze moeten ook niet al te serieus zijn.

    De oprichters illustreren die opvattingen met een “tombola van gedichten” (zoals Bernlefs Deur: `Duwen/Trekken’),  “aftandse moppen, verhaaltjes, brieven en krantenberichten” (altijd uit de Harlinger Courant) of andere trouvailles zoals de running gag over een rode driewieler die steeds weer opduikt als vermist, gestolen, gevonden, gezocht, te koop etc. Het blad wordt echter nauwelijks opgemerkt. Na de eerste jaargang is het aantal abonnees maar 26. Vermakelijk is het om te lezen hoe de redactie zich van slimme trucs bedient om in de publiciteit te komen en leden te winnen. Nadat ze het blad eerst ongevraagd naar allerlei mensen van betekenis hebben gestuurd, wordt in het zesde nummer de schaamtelijst ingezet: een namenlijst van alle mensen die wel gratis nummers hadden ontvangen maar geen abonnement hebben genomen. 

    Simon Carmiggelt vindt dit zo grappig dat hij voor het eerst een positieve Kronkel aan het blad wijdt. Vervolgens krijgt het blad in de literaire wereld steeds meer aandacht: Kouwenaar vindt het onbetekenende meligheid, maar Jan Hanlo loopt ermee weg en zal de belangrijkste medewerker worden. Uiteindelijk neemt het aantal abonnees toe tot maximaal 300. 

    Nooit enige twijfel over de koers 

    Opvallend is hoe de oprichters nooit aan zichzelf of de koers van het blad lijken te twijfelen. Vinkenoog mag niet meedoen, Hanlo wel. Van Herzberg en illustrator Chris van Geel wordt alles zonder enig commentaar geplaatst wat hen ook zenuwachtig maakt: zijn ze wel kritisch genoeg? Wat vinden ze er eigenlijk van? Van de meeste anderen en van elkaar wordt kopij echter regelmatig -meestal zonder opgaaf van reden geweigerd.  Boze brieven maken weinig tot geen indruk. 

    Hanlo die vanaf het achtste nummer zoveel bijdraagt dat hij het vierde redactielid genoemd wordt, zegt herhaaldelijk zijn medewerking op (omdat hij het niet eens is met andere bijdragen of omdat er voor de zoveelste keer nog fouten in zijn teksten stonden) maar komt steevast met hangende pootjes terug omdat de drie vaste redactieleden geen sjoege geven. Bernlef, Schippers en Brands blijven wars van ouderen en anderen die hen vertellen wat zij wel of niet moesten doen. 

    Kenmerkend is een interview van Ischa Meijer met Schippers, Bernlef en Ed Hoornik, de dichter die de schoonvader was van beide redacteuren. Wanneer Hoornik zegt : Ik zou niet bestaan als ik niet schreef’ regeert Bernlef met: ‘Nou, biologisch lijkt me dat een onhoudbare verklaring.’ En wanneer Hoornik over sociaal engagement begint (‘Bij jullie was niets van de sociale bewogenheid van ons… ‘), krijgt hij niet eens de mogelijkheid zijn verhaal af te maken omdat Bernlef en Schippers een gesprek beginnen over de nieuwe fiets die Schippers op de middelbare school kreeg en die al vrij snel gestolen werd.  

    Opsomming Amsterdamse straatnamen

    De poëzie van Bernlef, Schippers en Brands is inderdaad niet sociaal geëngageerd en wars van pretentie. Brands schrijft (onder het pseudoniem G. Bak) Het laatste kwatrijn: ‘Des morgens sta ik op/des avonds weer naar bed/mijn wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet.’ En K. Schippers wil zonder enige opsmuk van metaforen en vergelijkingen de kale werkelijkheid tonen: ‘Ja/ Ik heb je lief zoals je/soms gelijk een gouden zomerdag bent/ nee nee nee/Ik heb je lief zoals je bent/ nee nee / Ik heb je lief zoals / nee/Ik heb je lief’. In 1966 opent hij de beroemde poëziemanifestatie in Carré met zijn opsomming van Amsterdamse straatnamen.

    In het laatste hoofdstuk behandelt Jaeger de invloed van Barbarber. Die moet eerder in de journalistiek dan in de literatuur gezocht worden. Journalistieke teksten werden literairder en diverser. Jaegers eigen oordeel over het blad blijft op een prettige manier op de achtergrond. Soms noemt ze iets melig, maar over het algemeen staat ze sympathiek tegenover het blad. Alleen de zoals altijd laconieke en stoïcijnse manier waarop de drie omgaan met het feit dat Brands een meisje had bezwangerd, verleidt Jaeger tot een afkeurende reactie.

    Waardevolle cultuurgeschiedenis

    Jaeger weet treffende of grappige citaten uit interviews, brieven en artikelen goed met elkaar te verbinden tot een prettig leesbaar verhaal. De pretentie dat ‘dit boek niet over de Zestigers [gaat], niet over Barbarber op zichzelf maar vooral hoe vriendschap de basis was van het blad’ wordt echter niet helemaal waargemaakt. Weliswaar rijst er een beeld van drie eensgezinde lefgozers, maar een collectief krijgt pas reliëf wanneer de individuele delen gestalte krijgen. Bernlef en Schippers komen echter niet goed uit de verf.

    De opbouw van het boek is wat onevenwichtig. Aan medewerker Jan Hanlo is een heel hoofdstuk gewijd, aan de redactieleden niet. Veel hoofdstukken missen bovendien een duidelijke invalshoek. Toch heeft Jaeger een waardevolle en leesbare cultuurgeschiedenis geschreven over een vrolijke noot in de literatuurgeschiedenis die vooral op zijn journalistieke waarde geschat moet worden.

     

  • Granta – Another way of seeing, reactie op de NRC bespreking

    Soms schiet een krantenartikel in een verkeerd keelgat. Dat van Toef Jaeger bijvoorbeeld in NRC- Handelsblad over Indiase literatuur. Kun je je er zo makkelijk van afmaken als Jaeger deed?  Lodewijk Brunt vindt van niet.

    Zojuist verscheen een speciaal Indianummer van het onvolprezen Granta, tijdschrift voor nieuwe literatuur: Another Way of Seeing. Bijna twintig jaar na een ander Indianummer: The Golden Jubilee, naar aanleiding van de vijftigjarige onafhankelijkheid. Er is enige continuïteit te bespeuren – beide nummers zijn geredigeerd door Ian Jack, destijds in 1997 hoofdredacteur van het blad, nu gastredacteur. In beide nummers ook een bijdrage over de ‘Grote Ziel’ van de natie, Mahatma Gandhi. In het jubileumnummer over zijn bijdrage aan de onafhankelijkheid, nu over zijn studietijd in Londen. Symbolisch: de man is een onuitputtelijke bron van inspiratie, ook voor de literatuur. Hoewel? Beide bijdragen werden geschreven door buitenlandse India-correspondenten, respectievelijk Trevor Fishlock en Sam Miller. Zou er geen enkele interessante bijdrage van Indiase hand te vinden zijn geweest? Je zou denken dat er na de recente biografie van Ramachandra Guha en de controverse over Joseph Lelyvelds Great Soul materiaal voor het oprapen lag.

    Er zijn ook verschillen. Is de Indiase literatuur van karakter veranderd? Eind jaren 1990 was een booming periode voor Indiase romanschrijvers, je kreeg de indruk dat er iedere maand wel een nieuw meesterwerk verscheen – zeker nadat Arundhati Roy de Booker Prize in de wacht sleepte met haar debuut: The God of Small Things. Amerikaanse en Britse uitgevers betaalden exorbitante voorschotten aan auteurs als Hari Kunzru (The Impressionist), Aravind Adiga (The White Tiger), Kiran Desai (The Inheritance of Loss), Jhumpa Lahiri (The Interpreter of Maladies), literaire prijzen daalden op hun hoofd neer als sneeuwvlokken. De soms bijna hysterische opwinding lijkt voorbij, sommige schrijvers zijn gevestigde namen geworden, van anderen hoor je nooit meer iets. Dit alles betreft overigens de Engelstalige literatuur. Van gedichten of proza die in een van de talrijke inheemse talen worden geschreven, dringt zelden of nooit iets in de buitenwereld door, toen niet, nu nog niet – met sweeping statements over ‘de’ Indiase literatuur kun je maar beter terughoudend zijn.

    Van enige bescheidenheid is geen sprake bij NRC Handelsblad, dat bij monde van Toef Jaeger het verschijnen van Granta aangreep om de Indiase literatuur in z’n geheel door te lichten, in heden, verleden en toekomst, onder de titel Geen traditie, geen curry, alleen wanhoop (3 april 2015), maar liefst over twee volle pagina’s. Het verschil tussen de twee themanummers van Granta is ‘groot’, aldus Jaeger. Allicht, zou je zeggen, twintig jaar geleden ging het om de viering van de onafhankelijkheid, nu over – letterlijk – manieren van kijken. Another Way of Seeing is de titel van het themanummer, maar het is ontleend aan een bijdrage waarin Gauri Gill in haar landschapsfoto’s de schilderijen en persoon van de tribale kunstenaar Rajesh Vangad tot leven probeert te brengen. Jaeger ziet dat over het hoofd, voor haar is het nummer een middel om ‘grip te krijgen op de recente Indiase literatuur’. Haar stelling is dat meer welvaart leidt tot meer reflectie – de bloeiende Indiase economie heeft een nieuwe literatuur voortgebracht: de literaire non-fictie. Waar ze dit op baseert, afgezien van een paar slordig geciteerde opmerkingen uit de inleiding van Ian Jack, is niet helemaal duidelijk. Ze noemt één voorbeeld, de bijdrage van Aman Sethi over de zogenaamde ‘liefdeskruistocht’ (love jihad) die zou plaatsvinden in India: islamitische jongens die als een soort lover boys hindoemeisjes meelokken naar Pakistan om daar de kinderen te fokken die later als soldaten zullen terugkeren om India te vernietigen. Een aardige, maar niet bijzonder goed geschreven journalistieke reportage over een fanatieke volgeling van premier Narendra Modi die beweert dat hij het verschijnsel ‘ontdekt’ heeft. Jaeger spreekt eerbiedig over deze reportage-dialoog als nieuw literair genre, maar stukken van dit kaliber kun je vrijwel dagelijks in Nederlandse kranten vinden – alledaagse journalistiek, verdienstelijk, maar niets bijzonders. Uit haar weergave van het stuk kun je trouwens opmaken dat ze geen flauw idee heeft waar het eigenlijk over gaat.

    De hedendaagse Indiase literatuur zou volgens Jaeger ook minder dan voorheen zuchten onder een ‘dieet van curry, grote families en mythologieën verpakt in historische tragedies’. Meer ‘menselijke verhalen die hun kracht ontlenen aan het drama, niet aan de locatie’. Alsjeblieft! Ze bespreekt een nieuw boek van Akhil Sharma als voorbeeld van die richting – maar waar zet ze zich tegen af? Ze typeert heel India en de Indiase literatuur in het bijzonder als ‘narcistisch’ en ontleent dat aan V.S. Naipaul. Curieus, want ze had in de bijdrage van Sam Miller een vernietigend oordeel over die uitlating van Naipaul kunnen vinden; bovendien had ze ook kunnen zien dat Naipaul India niet ‘narcistisch’ noemde, maar sprak over Gandhi’s ‘navelstaarderij’.

    Was de Indiase literatuur twintig jaar geleden eigenlijk zo in zichzelf gekeerd? Zo aan ‘locatie’ gebonden? Zo weinig ‘dramatisch’? Je zou lijsten van schrijvers kunnen noemen – vooraanstaand, invloedrijk, baanbrekend – die je met een dergelijke karakterisering onherkenbaar zou verminken: Anita Desai, Sashi Deshpande, Rohinton Mistry, Anita Nair, Rushira Mukerjee, Akhil Sharma, Chughtai Ismat, Thrity Umrigar, Shauna Singh Baldwin. En werd er twintig jaar geleden geen literaire non-fictie geschreven? Een klap in het gezicht van Sankarshan Thakur (The Making of Laloo Yadav), Kalpana Sharma (Rediscovering Dharavi), Pinki Virani (Once Was Bombay; Aruna’s Story) of Husain Zaidi (Black Friday). Indiase auteurs, zegt Jaeger parmantig, hoeven niet meer te schrijven over samosas, door de toegenomen welvaart hebben ze meer Indiase lezers. Ze citeert Jack, maar opnieuw met ongehoorde slordigheid. Jack zelf baseert zich op Amitava Kumar die schreef dat Engelstalige Indiase auteurs voorheen teveel geneigd waren om te ‘vertalen’ ten behoeve van een Westers lezerspubliek – niet alleen woorden als samosa, ook verhalen en plots. Het klinkt reuze interessant, maar het is onwaarschijnlijk. De grote Indiase schrijvers, Rushdie en Desai voorop, hebben aan die neiging nooit toegegeven, maar ook in het werk van veel anderen is er geen spoor van te vinden.

    Heeft Jaeger dan toch tenminste gelijk als ze zegt dat non-fictie een veel belangrijker plaats inneemt tegenover fictie dan twintig jaar geleden? Dat zou moeten blijken uit de bijdragen aan de Granta-nummers 57 en 130. In de recente aflevering staat inderdaad relatief veel non-fictie: acht van de twintig bijdragen, tegenover negen fictie en drie gedichten. Maar hoe was het twintig jaar geleden? Je zou – afgaande op de stelling van Jaeger – aanzienlijk meer fictie verwachten, de nieuwe genres waren volgens haar immers nog niet ontwikkeld. Nee, dus. In het jubileumnummer vind je slechts vier bijdragen fictie tegenover maar liefst vijftien non-fictie stukken en twee gedichten.

    Op basis van haar eigen waarnemingen valt er dus een duidelijke conclusie te trekken over de Indiase literatuurgeschiedenis zoals NRC Handelsblad deze presenteert: flauwekul. Wat Jaeger blijkbaar eveneens totaal is ontgaan, betreft een ander verschijnsel. In 1997 was bijna de helft van alle bijdragen afkomstig van Engelsen en Amerikanen, het nummer van 2015 is vrijwel voor honderd procent volgeschreven door Indiase auteurs. Het is duidelijk wat zich in de afgelopen twintig jaar voltrokken heeft: de redactie van Granta heeft eindelijk ontdekt dat je een portret van India gerust aan Indiase schrijvers kunt overlaten.

     

    Lodewijk Brunt is emeritus hoogleraar Stedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft gerecenseerd in o.a. VN, HP, NRC, Parool. De laatste jaren is hij met vertaalwerk bezig, met name uit het Hindi.  Door zijn kennis van India (en het Hindi/Urdu), waar hij vele jaren onderzoek heeft verricht, is hij goed op de hoogte van het werk van Indiase auteurs.

     

  • De zoektocht van Henk van Woerden

    De zoektocht van Henk van Woerden

    De titel en de ondertitel van de biografie van schrijver, beeldend kunstenaar en fotograaf Henk van Woerden (1947-2005) geven meteen de insteek van de schrijfster ervan aan: als leidraad dienen zowel het gegeven dat Van Woerden vanaf zijn vroege jeugd slechts één oog had, als het feit dat hij een ontwortelde migrant was.

    Henk van Woerden komt uit een gezin met vier kinderen: Henk, Hans, Anneke en Carl. Zij hadden ziekelijke ouders: moeder Jopie had waarschijnlijk de ziekte van Crohn (een darmziekte) en vader Joop was manisch-depressief. In 1957 gaan zij naar Kaapstad (Zuid-Afrika). Daar overlijdt de moeder twee jaar later. Henk blijft als oudste zoon bij zijn vader en de daar ingetrokken hulp in de huishouding, de andere kinderen komen terecht in een weeshuis. Veel later komen de kinderen erachter dat de emigratie naar Zuid-Afrika een vlucht voor het NSB-verleden van Joop was. Emigratiepogingen naar de Verenigde Staten, Canada en Australië waren mislukt. Zuid-Afrika bleef over.

    Na zijn middelbare school gaat Henk naar de Michaelis School of Fine Art. Eigenlijk had hij arts willen worden, maar zijn kennis van Latijn was daarvoor beneden de maat. Op deze school leert hij zijn latere vrouw, Linda Pentz, kennen.

    In 1968 vertrekken Henk en Linda naar Nederland waar Henk depressief raakt. Al in 1969 besluiten Henk en Linda met hun inmiddels geboren dochter Nicky naar Kreta te emigreren. Op Kreta zelf verhuizen ze na een jaar al weer. Het huwelijk strandt en Henk keert terug naar Nederland, Linda vestigt zich na enkele omzwervingen in Rome. In 1971 is zijn eerste tentoonstelling in de Amsterdamse Galerie Espace. Tien jaar later, in 1981 hertrouwt Henk met Margot Groot. Samen krijgen zij een zoon, Njal. In 1991 leert Henk Nicole Müller kennen, een studente uit Enschede waar hij op dat moment les geeft aan de Academie voor Art & Design, en verlaat hij Margot.

    In deze tijd ontstaat zijn debuutroman Moenie kyk nie (1993). ‘Ik weet niet wat ik met mijn talent moet, maar het is het enige dat ik heb’, schrijft hij aan Margot. Als beeldend kunstenaar probeert Henk  ‘op een goed doek het fenomeen sfeer’ te vangen, aldus Jaeger. Jammer genoeg krijgen we in het boek geen indruk van zijn beeldende kwaliteiten, omdat er behalve een tekening op de uitnodiging van genoemde tentoonstelling verder geen afbeeldingen van zijn werk zijn opgenomen, in tegenstelling tot achttien privéfoto’s.

    Jaeger citeert, om de verhouding tussen woord en beeld in het werk van Van Woerden uit te drukken, diens vriend en collega Joris Geurts die stelt dat Van Woerden in woorden de diepte kon weergeven, waartoe hij door zijn eenogigheid in zijn beeldende kunst niet in staat zou zijn geweest. Een beetje gemakkelijke conclusie, als je weet dat Margaret S. Livingstone en Bevill R. Conway in het England Journal of Medicine (september 2004) hebben aangetoond dat je in dit gebrek ook een voordeel kunt zien dat tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld de nauwkeurigheid  in het werk van schilders met deze of vergelijkbare oogafwijkingen.

    Maar het is wél een metafoor die Jaeger aangrijpt en uitwerkt als een mooi contrapunt bij het andere thema van de biografie: migrant-zijn.

    Van Woerden is bekend geworden door zijn Zuid-Afrikatrilogie: Moenie kyk nie (1993) – Tikoes (1996) Een mond vol glas (1998), en een roman waarin volgens Jaeger alle thema’s uit zijn werk samenkomen: Ultramarijn (2005).

    Ultramarijn heeft succes. Henk wordt writer in residence aan de Universiteit van Ann Arbor (Michigan). Het bevalt hem daar meer dan hij had verwacht. Lang duurt de vreugde echter niet. In november 2005 zakt hij in elkaar en overlijdt.

    Toef Jaeger, redacteur van de boekenbijlage van NRC Handelsblad die Van Woerden heeft gekend als programmeur van het festival Winternachten, heeft met dit boek een sterke biografie afgeleverd waarin de thema’s die al in de titel werden aangekondigd evenveel en zorgvuldig gedocumenteerde aandacht krijgen.

     

    Koning eenoog, een migrantenverhaal
    Leven en werk van Henk van Woerden

    Auteur: Toef Jaeger
    Verschenen bij uitgeverij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 24.99