• Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Ook als schrijvers zich niet meer onder de levenden bevinden, willen ze op onverwachte momenten nog wel eens opduiken. Hermans, die meer typemachines bezat dan hij boeken heeft geschreven, leeft voort in zijn typemachines die in de stad Gent in België een onderkomen vonden. Om de typemachines te kunnen onderhouden worden ze ter adoptie aangeboden, als waren het verweesde, in de steek gelaten kinderen die gevoed en onderwezen dienen te worden. Door er een te adopteren zou het zomaar kunnen dat je er beter door gaat schrijven, een beetje nihilistischer misschien, maar toch.

    In het weekend van 4 juli werd er een stille tocht gehouden ter nagedachtenis aan omgekomen Arubaan, door politie geweld. In het verslag van de tocht werd uit de mond van ene Mark Marugg opgetekend dat het een waardige optocht zou gaan worden, dat hij geen relschoppers tussen de aanwezigen zag. Toen schreef de verslaggever: ‘Marugg, achterneef van schrijver Tip, zou later gelijk krijgen.’

    Tip Marugg (1923-2006) is een schrijver van tenminste drie boeken. Hij leefde op de Caribische eilanden waar ook Mitch Henriquez vandaan kwam. De schrijver is al jaren dood. Mitch Henriquez pas enkele weken. Tip had geen weet van Mitch, toch kreeg hij een rol toebedeeld in de stille tocht ter nagedachtenis aan hem. Tip Marugg, die bij leven nog nooit in Nederland was geweest, was daar opeens aanwezig. Marugg was een kluizenaar die niets van roem wilde weten. Maar hij drong zich overduidelijk opeens aan de verslaggever op en hij moest hem er wel als oudoom en schrijver bijhalen tijdens die stille tocht. Het leek alsof het hele gebeuren, die stille tocht, door het noemen van zijn naam een bovenwindse waarde kreeg. Het lostrok van het alledaagse. Ook de woorden Justice For Mitch die in witte letters op zwarte T-shirts gedrukt stonden, kregen meer inhoud. Wat natuurlijk onzin is, maar toch: literatuur verbinden aan een dramatisch gegeven maakt het tot, tja toch wel tot literatuur. Mitch zou zo in één van de het leven tartende romans van Tip Marugg kunnen plaats nemen.

    Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was en Tip Marugg een alom bekend literair figuur was. Dat het de schrijver was die in 1988 met zijn boek De morgen loeit weer aan, genomineerd werd voor de AKO literatuurprijs. Een schrijver die, toen hij beroemd dreigde te worden, overwoog een bord in zijn tuin te zetten met: ‘Ik ben niet thuis’. Een schrijver die de drank het liefst had en zijn hondje Fonda noemde, naar Jane Fonda.

    Tip Marugg werd als oudoom van Mark Marugg,die meeliep in de stille tocht, meegenomen van station Moerdijk naar het Zuiderpark. Naar de plek waar het allemaal gebeurd was. Maar wie zou hem nu eigenlijk nog kennen, buiten het handjevol insiders van de Caribische literatuur. Wel stoer eigenlijk van die verslaggever. Laat de mensen zich maar afvragen wie Tip is. En wie Mitch is. Beiden met elkaar verbonden door een achterneef van Marugg. Tip en Mitch voor wie de morgen nooit meer aanloeit.

     

     

  • Nagelaten werk Tip Marugg en de andere kant van cult-schrijver Nanne Tepper

    Nagelaten werk Tip Marugg en de andere kant van cult-schrijver Nanne Tepper

    Een schrijver die vermeld wordt in De Parelduiker is óf een overleden óf een in de vergetelheid geraakte schrijver waarvan het grote publiek veelal geen weet heeft. De Parelduiker brengt daar verandering in door steeds iets uit de diepe literaire wateren op te duiken waar geen mens naar zocht maar dat je, wanneer je het in handen (onder ogen) hebt, als een waardevol gegeven koestert.

    De samenstellers Aart G. Broek en Wim Rutgers van Verzameld werk (1945 – 1995) van Tip Marugg (1923-2006),  gingen ervan uit dat al het werk van Marugg tussen deze tijdspanne bekend was en door hen ingezien. Maar er werden dozen vol krantenknipsels gevonden waarvan ze het bestaan niet kenden. Daarover in De Parelduiker 3 van dit jaar.
    In de laatste Parelduiker van 2013 een stuk over Nanne Tepper (1962 – 2012). Die in zijn tijd van debuteren net zo veelbelovend was als Arnon Grunberg. Depressies hielden hem weg van zijn ‘grote’ werk. Hij schreef enkel nog columns en muziekrecensies. De betekenis van ‘veelbelovend’ niet waarmakend maakte hij op vijftig jarige leeftijd een einde aan zijn leven.

    Aart Broek beschrijft in hoeverre een verzameld werk compleet, of liever incompleet is. Er kan altijd nog iets boven water komen waarvan de samenstellers geen weet hadden. Zo ook het geval met het werk van Marugg. Broek en Rutgers hadden toegang tot al het werk van Marugg dat in omloop was. De familie evenwel is er van overtuigd dat het werk dat hij in portefeuille hield, niet zonder meer gepubliceerd mag worden. Marugg heeft aangegeven dat wat niet voor derden bestemd is, hij bij zijn leven verbrand zou hebben. Hier liggen dus nog enkele stukken die op de openbaarheid wachten. Wat er ook buiten beschouwing gebleven is waren dozen vol krantenknipsels, veelal recensies van theaterstukken en tentoonstellingen verzameld door een particulier. Tien jaar nadat deze dozen geschonken waren aan de openbare bibliotheek kwamen deze stukken boven water. Te laat om opgenomen te worden in het verzameld werk. Broek pleit dan ook voor een ‘krachtdadig handelen in archieven en bibliotheken ten aanzien van het verkrijgen en vervolgens toegankelijk maken’ van materiaal van belangrijke schrijvers. Mooi is het dat De Parelduiker er is en ruimte biedt aan nieuwe vondsten en wetenswaardigheden over vergeten- of schrijvers van lang her. Aldus een aanvulling op het verzameld werk van Tip Marugg, geïllustreerd met foto’s van een jonge Marugg, een afbeelding van een handgeschreven briefje (1985), opgedragen aan de vrouw van Boeli van Leeuwen, het typoscript van een enkel krantenartikel en een prachtige afbeelding van een ets van de kop van Marugg  (2013) door de Leidse beeldende kunstenaar Bert Kienjet.

    Verder in deze 3e editie van dit jaar een interessant stuk van Jaap Cohen over de literaire wereld midden jaren vijftig vorige eeuw. Boekverkoper en literair koppelaar Karel van Boeschoten hield residentie in de Huidenstraat 13 te Amsterdam, alwaar hij in 1958 de toen 25-jarige rechtenstudent Hans Ulrich (kortweg Ulli) Jessurun d’Oliveira ontving. Het jaar dat W.F. Hermans De donkere kamer van Damokles publiceerde. d’Oliveira schreef daarover een diepgravende recensie voor het blad Propria Cures waarmee hij de aandacht trok van Jaap Oversteegen die kind aan huis was bij de boekwinkel Van Boeschoten. Interessant is dat deze Oversteegen als Paul Dehoes geportretteerd werd door Voskuil in Bij nader inzien. Kijk, dat zijn mooie ontboezemingen die de liefhebber van goede literatuur graag wil weten. Oversteegen speelde een grote rol in de literaire ontwikkeling van d’Oliveira. Evenals Geert van Oorschot en Gerard van het Reve (toentertijd redactielid Tirade). Het was de tijd dat de beschouwingen van literatuur meer en meer op de persoon van de auteur werden gespeeld. Dit ook weer met mooie afbeeldingen geïllustreerd. Een Tiradecover uit 1958 met een tekening van Nico Wijnberg geeft een mooi tijdsbeeld.

    In de rubriek Laag water schrijft Nick Ter Wal over het pianospel van Ida Simons (1911-1960), de auteur van Een dwaze maagd die op de lijst van ‘opnieuw ontdekte’ auteurs van deze tijd staat. Zij was dus ook een begaafd pianiste.

    publication-567Dit mag niet onvermeld blijven: in het laatste nummer van De Parelduiker 2013 staat een mooi stuk van Jack van der Weide over de opkomst en ondergang van de Groningse schrijver Nanne Tepper. Vanaf midden jaren negentig gold Tepper als een cult-schrijver. Hij debuteerde met De eeuwige jachtvelden (1995) waarvoor hij de Anton Wachterprijs ontving en dat vier jaar later vertaald werd als The Happy Hunting Hours. In 1999 kwam zijn tweede roman De vaders van de gedachte uit, waarmee hij op de shortlist van de Libris Literatuurprijs kwam. In vier jaar tijd schreef hij vier prozawerken en een flinke hoeveelheid verhalen, essays, columns en recensies. Er werd veel van hem verwacht maar hij verdween van het literaire toneel. Hij kampte met zware depressies. In een fictief zelfportret schrijft Tepper over zichzelf: ‘Eerlijk gezegd valt de oogst me op geen enkele wijze mee, nu ik, dertig jaar oud en op het gebied van crises omtrent de eigen identiteit behoorlijk uitgeluld, mijzelf gedwongen zie een adempauze in te lassen, daar mijn gejammer nu zelfs mijn muze met stomheid heeft geslagen en mijn laatste lezer een straatje om heeft doen gaan.’ Nanne Tepper een schrijver die zichzelf van het literaire podium verwijderde. Lees ook deze Parelduiker en verrijk je met literaire berichten vanuit de coulissen geschreven.

     

    De Parelduiker is verkrijgbaar in deze boekhandels
    Kijk hier voor een  abonnement
    De Parelduiker op Facebook.

     

  • In memoriam Tip Marugg (1923 – 2006)

    Door Coen Peppelenbos

    Het eerst hoorde ik van Tip Marugg toen hij in 1988 op de shortlist stond voor de AKO-prijs met De morgen loeit weer aan. Een fascinerend boek waarin doods- en levensdrift strijden om de voorrang. De mooiste scène in het boek komt op het einde, waarin hij voor dag en dauw bij een berg gaat kijken naar grote zwermen vogels. ‘Maar drie of vier van de vogels remmen hun pijlsnelle glijvlucht niet af en schieten niet omhoog: zij blijven regelrecht aansuizen op de rotswand en slaan te pletter. Een schitterend boek met een verteller die af en toe een lege whiskyfles in de tuin gooit en zijn domein bewaakt met grote honden.
    In mijn herinnering is altijd blijven hangen dat Brigitte Raskin (Wie? Wie?) destijds de AKO-prijs won, maar het was Geerten Meijsing. Wie op www.literaireprijzen.nl kijkt, kan constateren dat Tip Marugg nooit een grote prijs heeft gewonnen.
    Hoewel hij in de schamele interviews die hij gaf altijd ontkende dat hij zich gedroeg als een kluizenaar, heeft zijn isolement er mede voor gezorgd dat hij een buitenbeentje in de letteren bleef. Anders dan Antilliaanse schrijvers als Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion, die wel de publiciteit zochten, wachtte de cameraschuwe Marugg tot een journalist weer zijn huis in het gehucht Pannekoek kwam bezoeken.
    Tip Marugg (eigenlijk Silvio Alberto, maar thuis werd hij Tip genoemd) is niet bepaald een veelschrijver geweest. Hij publiceerde een dichtbundel en drie romans. Tussen die drie romans Weekendpelgrimage (1958), De straten van Tepalka (1967) en De morgen loeit weer aan (1988) zat zoveel tijd dat hij telkens weer vergeten was door zijn lezerspubliek. Toch werd hij door critici en medeschrijvers gezien als een van de belangrijkste Antilliaanse schrijvers. Dus trok er zo af en toe een journalist naar zijn huis. In NRC Handelsblad van 28 april 2006 schrijft Aart G. Broek over zo’n bezoek. Hij neemt een overlevingspakket mee voor de schrijver, maar geen drank. ‘Alcoholische drank heb ik nog nooit aangesleept; die is in elke toko op het eiland te krijgen, dus daar kan hij zelf wel aan komen.’ H.M. van den Brink stipt het al aan als hij in 1985 samen met Boeli van Leeuwen probeert om Marugg nieuw werk te ontfutselen. De schrijver heeft net een doorgebeten pees opgelopen door een beet van een hond. ‘Hij maakte duidelijk dat hij er niet veel voor voelde een operatie te riskeren. Daarna schonk hij bier voor mij in en frisdrank voor zijn andere bezoeker (…). Zelf nam hij het drankje ter hand dat hij al voor onze komst had ingeschonken. “Tip wat zit er toch in dat glas man” vroeg Boeli van Leeuwen een paar keer plagerig. De aangesprokene glimlachte slechts.’

    Cees Zoon weet in 1988 ook tot de schrijver door te dringen. ‘Dank zij de bemiddeling van zijn neef is hij bereid mij te ontvangen. “Je drinkt toch wel, hè?”, had mijn intermediair vooraf bezorgd geïnformeerd. En pas tijdens een derde drinkgelag praat de schrijver voluit met de Volkskrantjournalist. Nog later nemen de bezoekers al zelf de drank mee. Rudi Wester spreekt de auteur voor Vrij Nederland in 2001 en krijgt van Arion een goede tip mee: ‘Je moet wel een goede fles whisky meenemen.’ En Alle Lansu schrijft in hetzelfde jaar voor Het Parool een stuk waarin hij terugkijkt op een bezoek dat hij in 1989 aan de schrijver bracht ‘gewapend met een fles ‘whisky’. In 2001 is Marugg al bijna blind, wordt er voor hem gezorgd en zijn de honden de deur uit.

    Het probleem met al die verhalen is dat er een mythevorming rond de schrijver ontstaat (de drinkende kluizenaar) en dat niemand meer kijkt naar zijn boeken. Dat zou jammer zijn, want Marugg is een van de grootste stilisten van ons taalgebied. Zijn boeken moeten het niet hebben van een ingewikkeld plot of een boeiende verhaallijn of zoals Rudi Wester zijn oeuvre bondig samenvat: ‘In Weekendpelgrimage is de ik-figuur dronken met zijn auto in de berm geraakt en overpeinst in één grote monologue intérieur zijn leven. De ik-verteller in De straten van Tepalka ligt te sterven in een ziekenhuis en herleeft in fantasieën en nachtmerries zijn ervaringen, waarvan het de lezer niet duidelijk is of deze nu echt gebeurd zijn of niet. En in De morgen loeit weer aan zit de verteller, een wat oudere man, op de stoep van zijn huis te drinken en beschouwt zijn leven en de natuur om hem heen.’ Met zulke verhalen moet je wel een goed stilist zijn.
    Daarmee overtuigt Marugg niet elke criticus. K.F. (Kees Fens waarschijnlijk) schrijft (in 1967 waarschijnlijk) ‘Het speelt ver weg en het blijft ver weg.’ Er zijn ook critici met een iets wijdere blik, zoals Cyrille Offermans in 1988 in De Groene Amsterdammer: ‘Het slothoofdstuk bevat wat dat betreft een zeldzame klimax; de hallucinatoire, apocalytische beelden waarin Marugg hier het aanloeien van de morgen beschrijft is adembenemend – het is een van de aangrijpendste hoofdstukken uit de Nederlandse literatuur te noemen.’ De schrijver ervan is vorige week overleden. Zorg dat je zijn bescheiden oeuvre leest.