• Een verhaal even onwaarschijnlijk als waar

    Een verhaal even onwaarschijnlijk als waar

    In Liever dier dan mens. Een overlevingsverhaal vertelt Pieter van Os het levensverhaal van Mala Rivka Kizel (1926). Mala, geboren in een groot chassidisch-joods gezin in Warschau, is dertien als in september 1939 de Duitsers de stad bezetten. Ruim een jaar later, in oktober 1940, verhuizen alle Joden, en ook Mala naar het getto. Driehonderdduizend mensen worden op die manier geïsoleerd, uitgehongerd en vermoord. Ontsnappen is bijna niet mogelijk, om het getto is een muur gebouwd. Op het noorderlijkste puntje echter bestaat de muur uit een rijtje huizen. Daarin zit het gat waardoor Mala uit het getto kan ontsnappen. Net op tijd want in juli 1942 ontruimen de Duitsers het getto. Elke dag worden er Joden afgevoerd naar de kampen.

    Mala vindt onderdak bij een boerenfamilie, maar is daar niet veilig. De kans om te overleven op het Poolse platteland is minimaal voor Joden. Duitsers organiseren met hulp van de lokale bevolking klopjachten op Joden. Mala ontsnapt naar Duitsland en komt uiteindelijk met Duitse identiteitspapieren – als Volksduitse – bij de nazi-familie Möller in Zerbst (niet ver van Maagdenburg) terecht. Daar verblijft ze totdat de Amerikanen het stadje bevrijden.
    Ze reist naar Warschau om haar familie te zoeken, maar vindt niemand meer. Warschau ligt plat, van het getto rest niks meer. De omslag van het boek, waarop een beeld van het verwoeste getto, is‘dat deel waar Mala’s ouderlijk huis heeft gestaan.’ Mala beseft dat alles weg is, de foto’s van haar ouders, broers en zussen, elk aandenken, er is niets. Dan verhuist ze naar Palestina, naar Lydda. De Israëlisch dopen het stadje om tot Lod. Later verhuist ze met haar man, werkzaam bij El-Al, naar Amstelveen.

    Reis door de tijd

    Op basis van gesprekken en haar memoires Zo heb ik de oorlog overleefd maakte journalist Pieter van Os een ‘reis door de tijd’ – ‘speurend naar steden, dorpen, mensen en gebouwen die in haar verhaal voorkomen en naar documenten, boeken en getuigenverslagen die het aanvullen.’ Het bleef niet bij een reis; het werden vele reizen (meestal met tolk of gids), omdat het nog niet zo eenvoudig bleek de ‘oude wereld’ van Mala terug te vinden. Hij reist daarvoor o.a. naar Polen, Oekraïne en Duitsland. Het is geen gemakkelijke zoektocht naar ‘bevestigingen in het heden van dit verhaal uit een ver verleden’ – veel personen, plaatsen en gebouwen zijn gewoonweg ‘verdwenen in de geschiedenis.’

    Historisch perspectief

    Pieter van Os maakt gebruik van veel bronnen. Zijn belangrijkste bron is het Joods Historisch Museum in Warschau. Hij noemt dat het ‘epicentrum’ van zijn onderzoek. Het museum is opgericht na de vondst van een aantal opgegraven melkbussen waarin de historicus Emanuel Ringelblum samen met een team van medewerkers zoveel mogelijk informatie heeft verzameld over de Joodse gemeenschap in Polen, in het bijzonder die in Warschau: ‘Om objectiviteit en een zo accuraat en zo breed mogelijk beeld te bereiken van de oorlogsgebeurtenissen in het Joodse leven hebben we geprobeerd om hetzelfde incident door zoveel mogelijk mensen te laten beschrijven. Door het vergelijken van de verschillende verslagen is de historicus in staat om bij de historische waarheid te komen, de feitelijke gang van zaken.’ De proloog draagt een motto van Ringelblum: ‘Verzamel zo veel mogelijk. Na de oorlog kunnen ze het uitzoeken.’

    Voor het brede perspectief citeert Van Os meerdere malen de Amerikaanse historicus Timothy Snyder, uit zijn boek Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (2011). Snyder schrijft in het voorwoord: ‘In het midden van de twintigste eeuw zijn in Midden-Europa door de nazi’s en het Sovjetregime zo’n veertien miljoen mensen vermoord. Het gebied waar al die slachtoffers vielen, de bloedlanden, strekt zich uit van het midden van Polen tot het westen van Rusland en loopt door Oekraïne via Wit-Rusland naar de Baltische Staten. In deze ‘bloedlanden’ woonden de meeste Europese Joden.’

    Naast de verhaallijnen over het leven van Mala en de historische gebeurtenissen is er een derde verhaallijn, namelijk het leven van Salomon (‘Sally’) Perel. Van Os noemt hem ‘Mala’s mannelijke evenknie.’ Hij deed zich net als Mala voor als Volksduitser. Net als zij overleefde hij de oorlog. Zijn levensverhaal is verfilmd: Europa, Europa (1990). De film is gebaseerd op Sally Perels boek Ik was Hitlerjongen Salomon.

    Belang van historische achtergrond

    Ieder hoofdstuk – elk met een riviernaam als titel – begint met een citaat, daarna een schets uit het leven van Mala en een deel historische achtergrond van de plaats waar zij op dat moment is. Ten slotte een verantwoording, ‘in plaats van voetnoten.’ Het nadeel van deze opzet is dat je als lezer hoofdpersoon Mala af en toe kwijt bent. Maar kennis van de historische achtergrond over antisemitisme, nationalisme, identiteit, het getto van Warschau en de pogroms is onmisbaar om al die gebeurtenissen uit die tijd te begrijpen.

    Altijd bang voor ontmaskering

    Na de oorlog vertelde Mala dat ze altijd vreesde voor ontmaskering: ‘Ik was altijd bang, altijd.’ Opvallend zijn twee momenten in het boek waarbij Mala in haar slaap praat. In Wolmirstedt was Mala een van de dienstmeisjes. Daar was ook Iwan, een Oekraïner die ook Duits sprak. Bij het ontbijt ’s morgens zegt Iwan opeens: ‘Jij bent een Jood. Jij sprak Jiddisch in je slaap.’ Na een paar dagen blijkt dat Iwan naar de politie is gegaan. Mala wordt opgepakt en overgebracht naar een strafkamp waar ze moet blijven zolang het onderzoek naar haar afkomst niet is afgerond. De politie vindt dat ze er niet Joods uitziet met haar blonde haar en blauwe ogen. Ze vragen haar of ze ‘Volksduitse’ is. Ze antwoordt daar bevestigend op. Haar nieuwe levensverhaal: Ze komt uit een dorp in het oosten. Haar hele leven woonde ze in Warschau met een Poolse vader en een Duitse moeder. Ze ging naar een katholieke school, vandaar dat ze ook uitstekend Pools spreekt. Dat blijkt ook uit de gesprekken van Van Os met haar. Mala kent de tekst van het Poolse versje Liever dier dan mens – titel van het boek is daaraan ontleend  – na 80 jaar nog uit haar hoofd.

    Als ze jaren later bij de Möllers in huis is, gebeurt er iets soortgelijks. Als het luchtalarm afgaat, probeert de familie haar wakker te maken. ‘Aan haar bed hoorden ze dat de Volksduitse een vreemde taal sprak, geen Duits, maar ook geen Pools. ’s Morgens vertelden ze haar: ‘Je spreekt een raar taaltje in je slaap.’ De Möllers hadden nog nooit een jood ontmoet en herkenden het Jiddisch niet. Van Os schrijft hierover dat hoe dichter je bij het vuur zit, hoe kleiner de kans op ontmaskering is.

    Groot lezerspubliek

    In de epiloog wijst Van Os erop hoe belangrijk het is om de ander, of een ander volk te leren kennen, dat dat de belangrijkste les is uit Mala’s overlevingsverhaal. De laatste zin zegt alles: ‘In één zin: pas als de ander zich succesvol kan voordoen als een van de jouwen, kan die rekenen op enige menselijkheid en mededogen.’

    In de aanloop naar de viering van 75 jaar vrijheid zijn er relatief veel boeken met oorlogsherinneringen verschenen, denk aan Het Hooge Nest van Roxane van Iperen, Eindstation Auschwitz van Eddy de Wind en Mijn naam is Selma van Selma van der Perre. Deze boeken kregen veel media-aandacht en kwamen in de Boeken top 10 terecht. Pieter van Os heeft met zijn historische zoektocht op basis van Mala’s levensverhaal een zeer mooi boek afgeleverd. Het blijft bijzonder te zien hoe sommige boeken een bestseller worden, terwijl andere boeken nauwelijks worden opgemerkt. Liever dier dan mens is zo’n boek. Op knappe wijze voorziet Van Os Mala’s levensverhaal van historische achtergronden en voegt er andere verhaallijnen in. Het is een boek dat vele lezers verdient.

     

     

  • Reisimpressie Kiev (2018) – deel 3

    Reisimpressie Kiev (2018) – deel 3

    Reisdoel Kiev! Deze miljoenenstad is, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, zowel de hoofdstad van het nieuwgevormde land Oekraïne als ook de bakermat van ‘moedertje’ Rusland, waarmee Oekraïne ondertussen op voet van oorlog leeft.


    Een miezerig regentje verwelkomt mij bij het verlaten van metrostation Dorohozhychi. Het door de regen grijsglimmend stralende plaveisel van het stationsplein contrasteert mooi met de kleurenpracht van de bloemen- en fruitkraampjes. Diep weggedoken in de beschutte krochten van mijn winterjas trek ik erop uit. Babi Jar is mijn doel. Een huiveringwekkende naam van een luguber ravijn in Kiev. Hier zijn in september 1941, volgens Duitse bronnen, in 36 uur tijd meer dan 33.000 joden vermoord. Opgebracht, naakt, door mitrailleurkogels doorzeefd, sommige vrouwen eerst verkracht, dood of soms nog levend in het ravijn gedonderd, bedekt met aarde, groep na groep. De daders: keurige politieagenten uit Bremen zonder speciale opleiding voor het verrichten van hun wandaden. Na afloop van de klus was er een feestje. Later keerden zij weer terug naar Bremen om daar bijvoorbeeld het verkeer te regelen (Timothy Snyder, Zwarte aarde, geschiedenis van de holocaust, blz. 268/269). Keurige mensen eigenlijk!

    Herinnering
    Wat herinnert nog aan die moordpartij? Marc Jansen spreekt in zijn boek Grensland, een geschiedenis van Oekraïne over ‘Lieux sans memoire’ (blz. 207 e.v.) en hij heeft gelijk. Niets, lange tijd was er niets dat herinnerde aan de gebeurtenissen bij Babi Jar. Na de moordpartij in september 1941 zijn er daar in de rest van de oorlog, naar schatting, nog eens zo’n 100.000 tot 150.000 Oekraïense nationalisten, Sovjet krijgsgevangenen, communisten, joden en zigeuners vermoord.

    Speciale aandacht voor de moord op de joden, zigeuners en homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog paste niet in de Stalinistische kijk op de oorlog. Het ravijn werd gebruikt als vuilstortplaats voor de gemeente Kiev. Geen monument, geen tentoonstelling, geen plaquette, geen gedicht. Of toch….? De in een Oekraïens-Joodse familie geboren schrijver-journalist Ilja Ehrenburg schreef in 1944 een gedicht zonder titel. De goede verstaander kon slechts uit het herhaalde gebruik van het woord ‘ravijn’ opmaken dat het hier ging om Babi Jar. Pas veel later publiceerde hij het ook onder die naam. Een fragment:

    Waartoe dienen woorden en wat is een ganzenveer
    Wanneer deze steen op mijn hart rust,
    Wanneer ik, zoals een dwangarbeider
    een kogel,
    andermans herinnering meesleep?
    Ik woonde eens in steden,
    En de levenden waren mij lief,
    Nu moet ik in vergeten woestenijen,
    Graven openen,
    Nu is ieder ravijn mij vertrouwd,
    En ieder ravijn voor mij een thuis.

    Als de dichter Jevgeni Jeftoesjenko samen met zijn collega-schrijver Anatoli Koeznetsovin augustus 1961 aan de rand van het ravijn staat, besluit hij daar een gedicht over te schrijven dat later onsterfelijk is geworden. Een fragment:

    Boven Babi Jar, daar staat geen monument.
    Een steile helling – de ene ongehouwen grafsteen
    Bang ben ik.
    Ik ben nu oud, oud als het Joodse volk.
    Ik denk nu
    Jood te zijn.

    Hierover zegt Katja Petrowskaja in haar in 2015 in het Nederlands vertaalde boek ‘Misschien Esther’:

    ‘De mensen belden elkaar op, vertelde mijn moeder, we huilden van geluk dat er nu eindelijk openlijk over het ongeluk werd gesproken. Een Russische dichter had zich het lot van de Joodse slachtoffers aangetrokken, van alle slachtoffers, het leek een wonder. Het leek alsof dat wereldongeluk niet meer dakloos was, alsof de eer van de herinnering was hersteld.’

    Sjostakovitsj heeft het gedicht kort na de publicatie in 1961 op muziek gezet in zijn Dertiende Symphonie die kort na de dood van Stalin, tijdens de zogenaamde dooi ten tijde van Chroesjtsjov, verscheen. Het is in dubbel opzicht symbolisch voor de holocaust. In de eerste plaats voor de gruwelen zelf waaraan in het gedicht gerefereerd wordt, maar in de tweede plaats voor het verzwijgen van de holocaust in de tijd daarna. Later, onder Breznjev, werden ook in cultureel opzicht de teugels weer aangehaald en werd Jevtoesjenko gedwongen zijn tekst aan te passen en het niet meer alleen te hebben over het droevige lot van de joden, maar dat van de Russen en Oekraïners samen met dat van de joden. Koeznetsov, die de verschrikkingen als twaalfjarige jongen zelf heeft meegemaakt, wordt door Jevtoesjenko aangemoedigd zijn getuigenis aan het papier toe te vertrouwen. Dit heeft zijn beslag gekregen in de documentaireroman Babi Jar, die pas in 1970 volledig en ongecensureerd in Engeland kon worden gepubliceerd. Pas in 1976 wordt er bij het ravijn een monument onthuld, een verschrikkelijk megalomaan geval, dat met geen enkel woord verwijst naar het specifieke lot van de joden in Babi Jar. Pas sinds 1991 staat er een joods herdenkingsteken in de vorm van een grote bronzen Menora. Vanaf de oude joodse begraafplaats loop je over een ‘Path of Sorrow’ naar de Menora. Langs dat pad is een permanente tentoonstelling te zien, waarin vooral veel aandacht wordt besteed aan het lot van de vermoorde joodse kinderen.

    Getekend landschap
    Het besef te staan aan de rand van het ravijn waar deze verschrikkelijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden heeft iets onwerkelijks. Het vervult niet alleen met weerzin, maar ook met een gevoel van vervreemding. Nu liggen er nog wat sneeuwresten en verkleurde bladeren, restanten van de herfst en de op zijn eind lopende winter. Er is eigenlijk nog nauwelijks sprake van een ravijn, hooguit een verzakking in het landschap. Waarom zoek ik dit soort plaatsen eigenlijk op? Je zoekt veel, maar je vindt weinig of niets en dat weet je vooraf. ‘Schuldig landschap’ noemt Armando dat. Mooier kan ik het niet zeggen. Het leidt tot momenten van introspectie. Tijd en ruimte worden onduidelijke begrippen, evenals zin en betekenis. Om Caspar Janssen te parafraseren: ‘Als je echt weet wat er allemaal is en was, dan gaat het pijn doen om buiten te lopen’ (Volkskrant 02-02-2018). Toch wil ik graag buiten lopen.

     

    Deel 1 verscheen op zaterdag 19 mei, deel 2 op zaterdag 26 mei.


    Huub Bartman is historicus en liefhebber van Oost-Europese en Russische literatuur. Voor een goed begrip van het werk van deze schrijvers bezoekt hij graag de plaatsen waar ze hebben geleefd en gewerkt. Het afgelopen jaar was zijn reisdoel Kiev.

     

  • Lijstjes maken

    Lijstjes maken

    Ik hou van lijstjes. En tegelijk zijn ze me een grote ergernis. Rond de decemberdagen noemen recensenten in hun krant de toppers van het jaar. En altijd zijn er bij die ik wantrouw omdat ik het gevoel krijg dat een boek gepusht moet worden. Maar ook altijd mis ik boeken op zo’n lijst.

    Een aparte vorm van lijstenmakerij is die waarin je zelf wordt gevraagd om de Top zoveel samen te stellen. Of om je op z’n minst het gevoel te geven dat je iets in te brengen hebt. Daarvan vielen me er de afgelopen maanden twee op, één die me blij maakte en één waarbij ik weer aan het mopperen sloeg. Kanttekeningen bij Hitler

    Ik begin met de laatste, zodat ik de lezer hopelijk aan het slot toch een goede nasmaak kan laten overhouden.

    Al eens de lijst voor boeken bekeken die voor de websitebezoeker van het VARA-programma De Meesterwerken is voorgekookt? Die lijdt aan het manco waardoor erg veel publieksprogramma’s smakeloos worden. In een oeverloze zucht om iedereen te behagen en vooral niet elitair over te komen wordt van alles in de grabbelton gegooid dat niet meteen in de ramsj is beland. Mij lijkt dat iedereen daarbij het gevoel moet krijgen dat het totaal de middelmaat is. Wie iedereen te vriend wil houden heeft het immers bij niemand meer echt warm.

    Het onderdeel Boeken is te vinden op http://programma.vara.nl/demeesterwerken/boeken. Ik geef toe dat er meesterwerken op de lijst staan, maar het is natuurlijk al vreemd dat 10 van de 25 voorgeselecteerde boeken van Nederlandse auteurs zijn. En dan niet eens van Multatuli. Of van Couperus.

    Ook al vind ik de meeste van die Nederlandse vertegenwoordigers op zichzelf de moeite waard, ik heb er toch moeite mee om in de strijd tussen Erik de Noorman en De gebroeders Karamazov om de hoogste eer een serieuze competitie te zien. En dan verzwijg ik nog maar dat Don Quichote niet eens aan de competitie mee mag doen. Net als Shakespeare.

    De tijd van verwonderingMaar genoeg ergernis. Soms gebeurt er ook iets moois. Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan zette het Historisch Nieuwsblad 250 geschiedenisboeken op zijn site (https://www.historischnieuwsblad.nl/beste-geschiedenisboeken/index.html) waaruit het publiek een Top 10 kan samenstellen. Het zijn er natuurlijk honderd keer meer dan bij De Meesterwerken en bovendien hebben die 250 ook nog eens een Bloedlandenverwantschap (de geschiedenis) die er voor zorgt dat je niet met een mand vol appels en peren zit, maar wat mij er vooral aan bevalt is dat het een ware speeltuin is. De lijst is allereerst niet bekrompen neerlandocentrisch, al kan ik wel een enkel boek aanwijzen dat ik, afgezet tegen de mondiale geschiedenis, wel wat licht van gewicht vind (Provo!), maar ook: ik herken een groot aantal boeken die ik niet snel zal vergeten. Kanttekeningen bij Hitler vond ik verbluffend, Doodgewone mannen bleef me (ook na herlezing) verbazen, Bloedlanden blies me van de sokken. En Tijd van verwondering: zelden een mooier boek over wetenschapsgeschiedenis gelezen.

    Maar misschien wel het mooiste van de lijst van 250: er staat zoveel op dat ik nog moet inhalen. Dat onrustwekkende gevoel ken ik mijn hele leven al wel, maar hier staan zoveel prachtboeken op een rij, dat ik er bijna blindelings op kan vertrouwen dat er mensen achter de lijst zitten die niet probeerden iedereen te vriend te houden, maar die werkelijk opkomen voor een overtuiging: ‘dit moet je lezen!’ Ik heb mijn stem op mijn tien voorkeuren uitgebracht. Dat zal ik bij De Meesterwerken niet doen.

  • De Holocaust als geschiedenis en waarschuwing 

    De Holocaust als geschiedenis en waarschuwing 

    Timothy Snyder beschreef in zijn vorige boek Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (2011) de geschiedenis van Oost-Europa tussen 1933 en 1945. Stalin en Hitler zijn verantwoordelijk voor de dood van veertien miljoen mensen in de ‘bloedlanden’, Polen, Oekraïne, de Balkan, Wit-Rusland en de Baltische staten.

    Uit het voorwoord van Snyders nieuwe boek Zwarte aarde. Geschiedenis van de Holocaust (2015): ‘Terecht associëren we de Holocaust met de ideologie van de nazi’s, maar we vergeten dat veel van de moordenaars geen nazi’s en zelfs geen Duitsers waren.’ De geschiedenis van de Holocaust is niet voorbij, betoogt Snyder: ‘Het precedent ervan is eeuwig en de lessen ervan zijn nog niet geleerd.’ De exacte combinatie van ideologie en omstandigheden uit 1941 zal zich niet opnieuw voordoen, maar iets wat er op lijkt mogelijk wel: ‘De moeite die nodig is om onszelf te begrijpen is […] een deel van de poging om het verleden te begrijpen.’

     

    Snyder begint zijn studie met een schets van de politieke situatie van de jaren dertig en het wereldbeeld van Hitler. Na de Eerste Wereldoorlog was er een groot gebrek aan voedsel in het verslagen Duitsland. Hitler vond dat het Duitse volk meer ruimte (‘Lebensraum’) nodig had om de ecologische crisis op te lossen. Dit thema verbond hij aan zijn antisemitische opvattingen. Snyder: ‘Hitlers wereldvisie bewerkstelligde de Holocaust niet helemaal in zijn eentje, maar de verborgen samenhang ervan genereerde nieuwe typen destructief beleid en nieuwe kennis omtrent het menselijk vermogen tot massamoord.’

    Oost-Europa
    Polen, Letland en Litouwen verloren door de gezamenlijk Duits-Sovjetinvasie (1939/1940) hun soevereiniteit. Over de pogroms in Polen is na de Tweede Wereldoorlog veel geschreven. Maar over de gebeurtenissen in Letland, Estland en Litouwen is minder bekend. De reden volgens Snyder: ‘Geen enkele belangrijke historicus die over de Holocaust publiceerde, leerde na 1989 een Oost-Europese taal, al kwam er een schat aan bronnen en secundaire literatuur vrij.’ Mede op basis van deze nieuwe bronnen beschrijft Snyder hoe de ‘staatvernietigers’ in Letland en Litouwen te werk gingen. De geheime politie van de Sovjets (NKVD) zorgde ervoor dat de politieke elite in die landen werd afgezet, vermoord of naar de goelag gestuurd. De Sovjets onteigenden de bezittingen van de veelal Joodse zakenlieden. Toen de Duitsers deze landen binnenvielen, waren de Sovjets druk met deportaties naar de goelag. In juni 1941 viel het staatsvernietingsproject van de Sovjets samen met dat van de Duitsers. De Duitsers ‘leerden […] de ervaring van de Sovjetbezetting uit [te] buiten om de meest extreme doelen van henzelf na te jagen, en wat ze uitvonden was de politiek van het grotere kwaad.’ In de chaos van de dubbele bezetting ontstond een nieuw beleid: Joden deporteren en vermoorden. Snyder omschrijft dit beleid als een ‘spontane creatie van Duitsers en de lokale bevolking’. Overal waar de staat vernietigd was, al dan niet door dubbele bezetting, werden vrijwel alle Joden vermoord: ‘In de zone van dubbele duisternis, waar nazicreativiteit en Sovjetprecisie samenkwamen, werd het zwarte gat ontdekt.’ Zo begon de Holocaust in het tweemaal achter elkaar bezette Litouwen en Letland. Hier escaleerden de ‘schijnbaar chaotische moordpartijen in een systematische Endlösung.’ De Duitsers ontwikkelden nieuwe technieken voor hun moordpraktijken. Eerst met kogels en kuilen, massagraven, later met uitlaatgassen en verbrandingsovens. Eind 1941 waren bijna alle Litouwse en Letlandse Joden vermoord. Snyder: ‘Het merendeel van de nog overgebleven Joden in Europa moest naar een plaats met de naam Auschwitz.’ Auschwitz is synoniem geworden voor de Holocaust als geheel, maar de meeste Joden zijn in het oosten vermoord – aan de rand van kuilen die waren gegraven in de zwarte aarde van de Oekraïne – nog voordat dit kamp een vernietigingskamp werd.

    West-Europa
    Na Oost-Europa richt Snyder zijn blik op de landen in West-Europa die niet ‘vernietigd’ waren, maar wel onder de Duitse overheersing vielen. Hij onderscheidt drie soorten landen. Marionetstaten, landen die gecreëerd waren na de vernietiging van andere staten (Slowakije, Kroatië);  bondgenoten van nazi-Duitsland (Roemenië, Bulgarije, Hongarije, Italië) en veroverde en bezette landen (Frankrijk, Griekenland en Nederland). De staatsinstituties van deze landen waren in verschillende mate aangetast ‘zonder volledig vernietigd te zijn.’ Voor ieder land beschrijft hij wat er met hun Joden gebeurde. Snyder: ‘De geschiedenis van hun Joden bevestigt het verband tussen soevereiniteit en overleving.’ Politiek filosofe Hannah Arendt schreef al tijdens de oorlog: ‘Alleen met staatloze mensen kon je doen wat je wilde’ en ‘De eerste essentiële stap op weg naar totale overheersing is de rechtspersoon in de mens vermoorden.’

    Redders en geredden
    Tegenover de geschiedenis van de vermoorden zet Snyder de verhalen van de overlevers. Joden die de oorlog overleefden hadden veelal hulp gekregen van niet-Joden, schrijft Snyder in het hoofdstuk ‘Redders in het grijze gebied’. Het afbreken van de staat betekende het afbreken van de bescherming door de staat. Identiteitspapieren waren cruciaal, want die stonden gelijk aan erkenning door de staat. Snyder beschrijft hoe de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg erin slaagde het leven van veel Hongaarse Joden te redden door het uitreiken van ‘beschermpaspoorten’.

    Het boek bevat diverse getuigenissen van Joden en hun redders. De een helpt uit naastenliefde, een ander handelt uit een gevoel voor rechtvaardigheid, de wil om het goede te doen. Maar alle hulp ten spijt, velen verloren hun leven in het vernietigingskamp dat het symbool werd voor de Holocaust. Auschwitz was vanaf maart 1942 tot januari 1945, tot de bevrijding door het Rode Leger, een vernietigingskamp. Naar schatting zijn in Auschwitz 1,3 miljoen mensen vermoord.

    Een gewaarschuwd mens
    Volgens Timothy Snyder is de Holocaust niet alleen een geschiedenis, maar ook een waarschuwing. De oorspronkelijke ondertitel van het boek luidt: The Holocaust as History and Warning. In het slothoofdstuk schrijft hij: ‘We leven op dezelfde planeet als Hitler en hebben deels dezelfde zorgen; we zijn minder veranderd dan we denken.’ Het gevaar van het uiteenvallen van staatsstructuren koppelt hij aan het gevaar van een ecologische crisis, een voedsel- en of drinkwaterschaarste die bijvoorbeeld kan ontstaan door de opwarming van de aarde. Tijdens een oorlog in het Midden-Oosten om de middelen van bestaan is het bijvoorbeeld goed mogelijk dat partijen elkaar ‘de schuld gaan geven zowel van plaatselijke problemen als van de algehele ecologische crisis; dat was ook hoe Hitler het aanpakte.’

    Snyder wijst ook op mogelijk ecologische crises in andere landen. China heeft de nodige hongersnoden gekend en ziet Afrika als een bron voor voedsel. Rusland annexeerde de Krim en de Oekraïne: ‘De vruchtbare grond van het vaste land van Oekraïne, zijn zwarte aarde, maakt het tot een heel belangrijke exporteur van voedsel, iets wat Rusland niet is.’ Poetins invasie ‘baant de weg voor vernietiging van staten.’ Ook in Afrika kunnen lokale problemen wereldomvattend worden. Voorbeelden: de hongersnood in Somalië, de ecologische crisis en de massamoorden in Rwanda. Snyders  waarschuwing is duidelijk: ‘Klimaatverandering als een lokaal probleem kan tot lokale conflicten leiden; klimaatverandering als een mondiale crisis kan tot de roep om mondiale slachtoffers leiden.’ Een nieuwe Holocaust is niet uit te sluiten.

    Op basis van recente Oost-Europese bronnen biedt Snyder een nieuw perspectief op wat zich er in de Baltische Staten heeft afgespeeld. Hij toont overduidelijk aan dat de ‘dubbele staatvernietiging’ in zeer korte tijd leidde tot ‘nieuwe typen destructief beleid.’

    ‘Het kwaad dat de Joden is aangedaan kan niet ongedaan gemaakt worden’, schrijft hij tot slot, maar ‘inzicht krijgen in de Holocaust is onze kans […] om de mensheid te redden. […] We móéten er ook inzicht in krijgen, zodat we een herhaling in de toekomst kunnen voorkomen. Dat moet genoeg zijn voor ons en voor degenen die – laten we het hopen –  na ons komen.’

    Timothy Snyder heeft met Zwarte Aarde een zeer aangrijpend boek geschreven.

     

    Timothy Snyder (1969) is hoogleraar geschiedenis aan Yale University. Voor Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin kreeg hij in ondermeer de Hannah-Arendt-Preis für politisches Denken (2013), de Leipziger Buchpreis zur Europäischen Verständigung (2012) en de Ralph Waldo Emerson Award in the Humanities (2011).