• De zomerboeken van Eric de Rooij

    De zomerboeken van Eric de Rooij

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Eric de Rooij gaat op vakantie en neemt mee:

    Tom Sintobin en Koen Rymenants – Aan Dezelfde Zee. Oostende in de Nederlandse literatuur
    Tim Parks – In Extremis
    Inez van der Spek – Vertraagde wake. Dood en geboorte in fragmenten
    Luc Boudens – De oogappel
    Een toevallige vondst in het boekentorentje van het Amstelpark: Frederic Prokosch – De Aziaten

    ‘Het eerste boek verklapt een reisbestemming. De Belgische kust is mij nog onbekend, hoogste tijd die te ontdekken. De boeken van Parks en Boudens liggen al een poosje op een tafeltje naast mijn bureau. Ze jengelen om mijn aandacht en ik heb hun een dure belofte gedaan voor deze zomer. Van der Spek kreeg ik cadeau, Vertraagde wake: een persoonlijk essay over geboorte en dood. En ik neem een boek mee dat door toeval in mijn handen kwam. Geregeld wandel ik door het Amstelpark, langs de walibi kangoeroes, de lama’s en de nijlganzen, en dan sla ik een bezoek aan het houten boekentorentje met plastic lamellen nooit over. De ene keer heeft iemand zijn studieboeken achtergelaten, dan weer een verzameling esoterie of Konsalik. Er zijn afgeschreven bibliotheekboeken, nieuwe boeken, tot de draad versleten boeken. Soms vind je iets heel moois, zoals deze Prokosch, een klassieker zo blijkt.’

     

    Lees hier meer over en door Eric de Rooij

     

  • Oogst week 26 – 2021

    Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen

    ‘De essentie van reizen is dat je je overgeeft aan wat je overkomt,’ schrijft Cees Nooteboom in zijn onlangs bij Koppernik verschenen Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen, bestaande uit een in 2020 geschreven essay en een gedicht. Nooteboom weet dat als geen ander: hij onderzoekt in zijn internationaal geprezen reisverhalen steeds het onbekende door zich onder te dompelen in de natuur en cultuur van de werelddelen en landen die hij aandoet. Met zijn partner, fotograaf Simone Sassen, bezocht hij in december van 2005 Kozan-ji, een kleine tempel in het noorden van Kyoto, in 1133 gesticht door de monnik Myoe. Nooteboom beschrijft de sprookjesachtige, verstilde omgeving; het verstrijken en concreet worden van de tijd in de rituelen en kunst in de tempel.

    Het boek, dat een in 2020 geschreven essay en een gedicht bevat, is verfraaid met kleurenfoto’s van Sassens hand en het eerste deel van de Choji-jinbutsu-giga-rol met inkttekeningen van antropomorfe dierenfiguren, waarvan de originele onderdelen zich tegenwoordig in het Nationaal Museum van Kyoto en het Nationaal Museum van Tokyo bevinden.

    Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen
    Auteur: Cees Nooteboom
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Mijn nachten met Spinoza

    ‘Sinds H. en ik uit elkaar zijn, komt alles me belachelijk voor. Ik ben woedend dat ik moet blijven eten, drinken, slapen, dat wat mensen leven noemen. Wat er daadwerkelijk belachelijk geworden is, dat ben ik zelf. Maar het zijn de spelregels, zeg ik tegen mezelf, het is precies de reden waarom ik het allemaal op moet schrijven. Ik ben het aan mezelf verplicht.’ Met die confessie kondigt Els Moors in Mijn nachten met Spinoza haar literaire zelfonderzoek aan. Aan de hand van de 48 affecten, of ‘impulsen tot handelen’, die de zeventiende-eeuwse filosoof Benedictus de Spinoza (1632-1677) definieerde, beschrijft Moors zo eerlijk mogelijk haar leven en het liefdesverdriet waarmee ze worstelt. 48 affecten, in 48 dagen: die indeling kenmerkt haar filosofische autofictie-relaas.

    Els Moors is dichteres en prozaïst. Ze was in 2018 en 2019 Dichter des Vaderlands van België. Haar poëziedebuut Er hangt een hoge lucht boven ons (Nieuw Amsterdam, 2006) werd bekroond met de Herman de Coninckprijs.

    Mijn nachten met Spinoza
    Auteur: Els Moors
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het heldenpad

    Nog een reisverhaal in deze Oogst, zij het dat dit boek meer weg heeft van een biografie: de Britse auteur Tim Parks trok in 2019 met zijn partner Eleonora de Apennijnen in, in navolging van de negentiende-eeuwse generaal Garibaldi. Parks tekende hun reis op in Het heldenpad. Te voet met Garibaldi van Rome naar Ravenna, dat eerder deze maand bij De Arbeiderspers verscheen in vertaling van Corine Kisling.

    Tijdens zijn middelbareschooltijd kwam Parks achter het bestaan van de illustere Giuseppe Garibaldi (1807-1882). Deze guerrillastrijder fascineerde Parks zodanig dat hij een reis én een boek aan hem wijdde. Garibaldi spreekt dan ook tot de verbeelding: hij ontkwam na een terdoodveroordeling aan de executie door naar Zuid-Amerika te vluchten, hij vocht in de Uruguayaanse Burgeroorlog, overleefde volgens de overlevering zo’n twaalf kogelwonden en wist uiteindelijk inderdaad een cruciale bijdrage te leveren aan wat bekendstaat als de Risorgimento, de Italiaanse eenwording, waarbij Italië het politieke juk van onder andere Oostenrijk afwierp.

    Het heldenpad
    Auteur: Tim Parks
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Moeder gaat dood

    Moeder gaat dood

    De 57-jarige linguïst Thomas Sanders is op een congres van fysiotherapeuten in Amersfoort over het bestrijden van chronische bekkenpijn, wanneer zijn zus hem een berichtje stuurt dat zijn zieke moeder binnenkort zal overlijden. Zijn moeder verblijft in een hospice in Londen. Thomas verlaat hals over kop het congres en vliegt naar Londen. Hij wil zijn moeder nog iets vertellen voor ze sterft. Maar de communicatie met zijn moeder is al zijn hele leven problematisch; hij is er nooit in geslaagd met haar een echt gesprek te voeren. Haar sterk beleden geloof stond een werkelijk gesprek met de atheïstische Thomas in de weg. Hij werd daar heel onzeker van. Wanneer hij zijn moeder ging bezoeken, wist hij nooit of hij dat nu wel echt wilde. ‘Mijn moeder bezoeken betekende een moment van maximale verwarring over wie ik ben.’ Hij kreeg van zijn moeder nooit de erkenning en waardering die hij als zoon zocht.

    Besluiteloosheid
    De naderende dood van zijn moeder doet hem zijn leven overdenken. Over de verhouding met zijn vader (die is jong gestorven) en moeder, met zijn broer en zusje. Die zelfreflectie leidt hem af van de dingen die hij moet doen, hij gaat over alles twijfelen, wat leidt tot grote besluiteloosheid. Iedere afleiding is voor hem voldoende om geen besluit te nemen dan wel het uit te stellen tot morgen. Moet hij zijn plasproblemen oplossen met anale therapie zoals dr. Sharp hem in Amersfoort had geadviseerd? Hij is gescheiden, heeft een 30 jaar jongere, knappe vriendin in Madrid, maar moet hij niet terug naar zijn ex in Edinburgh? Moet hij een crisis in de familie van zijn beste vriend oplossen terwijl zijn moeder aan het sterven is? Moet hij een goed betaalde openingsspeech op een taalcongres in Berlijn afzeggen omdat zijn moeder net gestorven is? Hij weet het niet en laat zich leiden door zowel de omstandigheden als de besluiten van anderen.
    Die besluiteloosheid is typerend voor Thomas. Hij realiseert zich dat ook, wat het leven er niet eenvoudiger op maakt: ‘En toen moest ik bedenken dat ik bijna elke beslissing die ik neem snel betreur, met als gevolg dat ik niet alleen altijd het gevoel heb dat ik de verkeerde beslissing heb genomen, maar dat ik eigenlijk helemaal geen beslissing heb genomen. Of geen hele.’ Dat leidt ook tot vele zelfverwijten: ‘Waarom doe ik nooit eens iets goed?’

    Titel
    De titel van het boek verwijst naar veel gedrag van de personages, dat als extreem is te betitelen. Zijn moeder is extreem in het belijden van haar geloof; zijn broer is naar het andere einde van de wereld geëmigreerd en vindt het eigenlijk niet nodig om voor de begrafenis naar Engeland te komen; Thomas zelf is extreem in zijn besluiteloosheid; de vrouw van zijn beste vriend bestookt hem met berichtjes om met haar zoon te praten omdat hij zijn vader bedreigt, terwijl ze weet dat Thomas’ moeder op sterven ligt. Zo heeft ieder zijn eigen obsessie.

    Over de schrijver
    Tim Parks (1954), opgegroeid in Engeland, woont al sinds 1981 in Italië; eerst in een klein dorp bij Verona en nu in Milaan waar hij als linguïst verbonden is aan de universiteit. Zijn ervaringen van het leven in Italië hebben geleid tot een aantal hilarische boeken over het functioneren van de Italiaanse samenleving, zoals Italiaanse buren. Ook zijn verbazing over het kopen van een treinkaartje heeft geleid tot een hilarisch boek over de werking van Trenitalia. Daarnaast heeft hij boeken van onder andere Moravia en Calvino vertaald uit het Italiaans in het Engels. Hij levert ook regelmatig bijdragen aan the New York Review of Books en the London Review of Books.

    Waardering
    In deze prachtig geschreven roman weet Tim Parks van begin tot eind te boeien. Zijn schrijfstijl is mooi, scherpzinnig, droevig maar ook humorvol. Zo zijn zijn beschrijvingen van het nut van anale therapie ter ontspanning van de bekkenbodem hilarisch. Maar vooral in de beschrijving van zijn gevoelsleven en van zijn houding tegenover de mensen om hem heen blinkt Parks uit.

    In extremis is grotendeels autobiografisch en stoelt op de ervaringen van Parks zelf tijdens het overlijden van zijn moeder. In een interview met The Guardian vertelt hij dat zijn verhouding met zijn zus en broer anders is dan vroeger. Zijn vroeg overleden vader was dominee, zijn moeder erg actief binnen de kerk. Waar de broers al vroeg atheïstisch zijn geworden, bleef zijn zus gelovig. Waar de broers het ouderlijk nest vroeg hebben verlaten en allebei naar het buitenland vertrokken, bleef de zus in de buurt van haar ouders wonen. Dat is in het boek ook zo. Parks laat zien dat de broers en zus dichter bij elkaar komen en meer begrip voor elkaar krijgen. De dood van een ouder kan de relatie van de kinderen soms radicaal veranderen.
    Het is een prachtig en krachtig psychologisch portret van een man op middelbare leeftijd.

     

     

     

     

  • Oogst week 45

    Tsjaikovskistraat 40

    In een interessante bijdrage op deze website over hedendaagse westerse auteurs die over Rusland schrijven, noemt Anky Mulders ook Pieter Waterdrinker: ‘Wie wel eens wil weten hoe het leven vandaag de dag in Rusland eruitziet maar geen zin heeft in droge kost kan bij de fictie van Ruslandcorrespondent en –kenner Pieter Waterdrinker terecht. Waterdrinker heeft al heel wat romans geschreven die de lezer laten delen in het bestaan van de Russische burger. Met kennis van zaken plaatst hij fictieve personages in het huidige Rusland, veelal in Moskou waar de nieuwe rijkdom het walhalla is. Dat levert adembenemende literatuur op.’

    Onlangs is de nieuwe roman van Pieter Waterdrinker verschenen, Tsjaikovskistraat 40. In deze autobiografische roman neemt hij de lezer mee op een duizelingwekkende reis door de Russische geschiedenis en door zijn eigen leven. Vertrekpunt is zijn huis in Sint-Petersburg, waar de auteur woont met zijn vrouw en drie poezen, midden in de buurt die honderd jaar geleden het epicentrum was van de Russische revolutie van 1917.

    Tsjaikovskistraat 40
    Auteur: Pieter Waterdrinker
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In extremis

    In extremis is de nieuwste roman van Tim Parks. De Zweedse auteur Per Wästberg, een van de juryleden van de Nobelprijs, schrijft over dit boek: het is ‘simply spellbinding and quite unique in my reading experience; very funny and very existential, compact and chatty, complicated and raw.’ 

    In extremis gaat over Thomas. Hij weet dat er iets is dat hij aan zijn moeder moet vertellen voor ze sterft. Maar zal hij haar op tijd bereiken? En heeft hij de moed om te zeggen wat hij eerder niet kon? Zijn telefoon trilt, zijn hersenen maken overuren, en hij kan zijn aandacht niet houden bij de ernst van wat er staat te gebeuren. Moet hij proberen de familiecrisis van een vriend op te lossen? De scheiding van zijn eigen vrouw heroverwegen? Thomas beweegt zich jachtig door de dagen, maar kan in feite geen stap zetten. Waarom is hij zo volslagen verward en verlamd?

     

    In extremis
    Auteur: Tim Parks
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Handboek voor de heerser

    Tot slot aandacht voor een boek dat je in eerste instantie op het verkeerde been zet. Want de uitgever schrijft hierover:

    ‘In dit boek komen de kernaspecten van leiderschap aan de orde: het evalueren van mensen en het beoordelen van talent, de competitie met je rivalen, het omgaan met groeiende macht en invloed, het vergroten van je organisatie en het vormgeven van je nalatenschap.’

    Het alsof je de aanbeveling van een nieuw managementboek leest. Met dat verschil dat het woord ‘heerser’ dan natuurlijk niet past.

    In Handboek voor de heerser staat de nog steeds actuele wijsheid van de Chinese keizer Tang Taizong (598-649) centraal. Taizong wordt wel aangeduid als ‘onbetwist de grootste keizer in de Chinese geschiedenis’. Hoewel hij zijn vader en zijn broer vermoord had, werd hij een gewaardeerde heerser die de nazaten van de Hunnen versloeg, een vereenvoudigde wetgeving doorvoerde, de zijderoute opende voor handel en een gouden eeuw van kosmopolitische cultuur creërde, vrouwen een betere positie verschafte en het Christendom en de Islam voor het eerst in China toestond. Zijn dynastie zou driehonderd jaar standhouden.

    In Handboek voor de heerser biedt de schrijver Chinghua Tang de weerslag van de gesprekken tussen Taizong en zijn belangrijkste adviseurs.

     

     

    Handboek voor de heerser
    Auteur: Chinghua Tang
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Met afgewend gezicht

    Met afgewend gezicht

    Op het strand van Blackpool verliest Thomas zijn massief gouden trouwring. Voordat hij ging zwemmen had hij hem afgedaan, als hij uit zee komt, is het ding spoorloos verdwenen. Ik heb hem aan jou gegeven, zegt hij tegen Mary, zijn echtgenote. Maar zij denkt dat hij hem in zijn broekzak heeft gestopt. Zij vergat geen dingen, zo zat ze niet in elkaar. Hij was de vergeetachtige, de verstrooide. Op de allereerste pagina van Thomas and Mary, de nieuwe roman van Tim Parks–zojuist in een Nederlandse vertaling uitgebracht– staan de lijnen uitgestippeld. Het verlies van de ring is een voorbode: het huwelijk van de protagonisten loopt op de klippen. Onafwendbaar.

    Blik op een huwelijk
    Ze leven in afzonderlijke werelden, de enige gemeenschappelijke ‘vriend’ die ze hebben is hond Ricky, een cockerspaniël, zorgvuldig uitgekozen door Mary. Ze wilde een hond omdat ze er nooit een had gehad. Om de mening van Thomas werd niet gevraagd. Hij schikte zich, de hond stelde hem in staat nog meer tijd te besteden aan zijn eigen activiteiten: tennis, voetbal op tv, amoureuze avontuurtjes. Maar inwendig was hij woedend, hij wilde die hond helemaal niet. Mary trakteert Thomas op verhalen over de andere hondenbezitters die ze leert kennen tijdens haar wandelingen met het beestje. Ze zegt: Mensen met honden zijn humaner dan mensen zonder. Thomas beseft dat hij bij de tweede soort is ingedeeld.

    Parks beschrijft de scènes uit het huwelijk met soms pijnlijke precisie. In het begin van de roman krijgen we een weekoverzicht. Maandag: om middernacht gaat Thomas naar boven, Mary ligt te slapen met haar gezicht naar de muur. Dinsdag: Mary laat de hond uit, Thomas heeft geen zin om op haar te wachten. Als ze thuiskomt ligt hij in diepe slaap, met het gezicht naar de muur. Woensdag: Thomas komt laat thuis van een avondje biljarten. Als hij in bed stapt, ligt ze te slapen met het gezicht naar de muur. Donderdag: Thomas gaat bijtijds naar bed, maar als Mary een uurtje laten ook naar bed gaat, doet hij alsof hij slaapt. Met het gezicht naar de muur. Vrijdag: Thomas gaat vroeg naar bed, Mary is naar het café. Hij wil de voorstelling van de vorige avond niet herhalen. Het maakt Mary niets uit: ze heeft niets te zeggen tegen een man die ze ervan verdenkt een verhouding te hebben. 

    Thomas werkt in de reclame, Mary doet klusjes voor tijdschriften en uitgeverijen. Ze hebben twee kinderen, de oudste een dochter, de jongste een zoon. Ze hebben elkaar voor het eerst ontmoet tijdens hun studie aan Durham University. Als Thomas een baan krijgt in Manchester gaat ze met hem mee, op voorwaarde dat ze trouwen. We krijgen alle details te horen, zij het niet in chronologische volgorde; het verhaal springt door de tijd heen en weer. Thomas and Mary is opgebouwd uit fragmenten–meest korte hoofdstukken–die schijnbaar willekeurig zijn gemonteerd. We horen niet alleen de stem van Thomas, maar ook die van zijn boezemvriend Alan, zijn moeder, Mary, zoon Mark, zijn overleden vader. Een procedé dat blijkbaar bedoeld is om het huwelijk letterlijk en figuurlijk van alle kanten te bekijken.

    Zo’n opzet werkt uiteraard alleen als het verhaal de aandacht vast kan houden, maar Thomas en Mary komen niet uit de verf en hun huwelijk is een en al cliché. In Engeland eindigt meer dan de helft van alle huwelijken in echtscheiding, in andere landen ligt dit getal nog hoger. We kennen de verhalen zo langzamerhand. Thomas gaat vreemd aan de lopende band, bij voorkeur met dames die half zo oud zijn als hijzelf. Mary lijkt al na haar tweede kind iedere illusie over hun verbintenis te hebben verloren. Je raakt hooguit geïntrigeerd door de vraag waarom ze de zaak nog zo lang rekken. De kinderen? Wie weet. Na een partijtje tennis spreken Thomas en Alan over de algehele situatie. Thomas heeft een bepaalde opvatting over het vrouwelijke orgasme en probeert die theorie aan Alan te slijten als verklaring voor zowel zijn gehechtheid aan Mary als zijn onblusbare drang om steeds nieuwe vriendinnen te veroveren. Een warrig betoog over het najagen van seks dat eigenlijk geen seks is maar iets anders. We luisteren ernaar vanuit het perspectief van de vriend: … ik begon er genoeg van te krijgen. Alan vraagt: ‘Iets wat je niet kunt omschrijven?’ ‘Precies’. ‘Achter seks’. ‘Ja’. ‘Onnoembaar en onuitsprekelijk?’ ‘Correct’. ‘Mijn god’. Tenslotte zegt Thomas:‘Ik heb besloten weg te gaan thuis’. ‘Dat werd tijd’, verzucht Alan.

    Literaire goden
    Aan het eind van de roman, als hij met zijn nieuwe liefde Elsa een nieuw leven begint, kijkt Thomas terug op het huwelijk met Mary. Hoewel we eerder hebben vernomen dat hij slechts kranten en tijdschriften leest en piekert over de economische crisis, de immigratiecijfers en de voetbalclub waar hij zijn hart aan verpand heeft, blijkt hij plotseling een gretig boekenlezer die op zoek gaat naar zijn eigen verhaal in de levens van de literaire personages uit de klassieke romanliteratuur. Thomas Hardy passeert de revue, D.H. Lawrence, Charles Dickens, Charlotte Brontë, Hilary Mantel, T.S Eliot, maar ook William Faulkner, Philip Roth, Gustave Flaubert en Henry James. Toe maar! Luisteren we nog naar Thomas, of heeft de literaire recensent Tim Parks het heft in handen genomen? Hoe meer Thomas op zoek ging naar vergelijkingen, hoe meer hij bedacht dat zijn huwelijk geen literair patroon had gevolgd. Het was echt hun verhaal, en het was echt gebeurd. De schrijver plaatst zichzelf met zijn boek pardoes middenin de wereld van de literaire goden. Mocht Thomas and Mary nog een zweem van betovering hebben gehad, dan is de lezer door deze zelfingenomenheid weer keihard met beide benen op de koude grond geland.

     

     

  • Oogst week 26

    Deze week in de oogst twee heruitgaven bij uitgeverij Polis van literaire grootheden, een nieuwe editie van literair tijdschrift Liter en een nieuwe roman van Tim Parks.

    Uitgeverij Polis, die sinds kort ook Het liegend konijn uitgeeft, komt met een bloemlezing van teksten van de illustere kunstenaar Pier Paolo Pasolini (1922-1975). Meer dan veertig jaar na zijn gruwelijke en onopgeloste dood, (hij werd vermoord) blijft het oeuvre van deze Italiaanse schrijver, dichter en filmmaker een inspiratiebron voor velen. Piet Joostens koos niet eerder vertaalde polemieken uit de Scritti corsari en de Lettere luterane, aangevuld met nieuwe vertalingen van inmiddels klassieke gedichten. In de jaren zestig en zeventig schreef Pasolini moedige en gepassioneerde kritieken/polemieken op de consumptiemaatschappij. Zijn polemische teksten over abortus, drugs, het nieuwe fascisme, terrorisme, de bourgeoisie en de studentenbeweging waren de gevestigde orde een doorn in het oog. Als een visionair voorzag hij de cynische mediapolitiek van Berlusconi, de zwartgallige jaren van het Italiaanse terrorisme en de culturele homogenisering van de westerse wereld.

    Uitgeverij: Polis

    Pallieter

    Uitgeverij Polis staat ook borg voor de heruitgave van de in 1916 geschreven roman Pallieter van de Vlaamse auteur Felix Timmermans (1886-1947). Precies honderd jaar geleden publiceerde Timmermans zijn roman Pallieter, getiteld naar de hoofdpersoon uit de roman. Pallieter is een pure levensgenieter, een man die staat voor het motto: ‘Pluk de dag’. Timmermans was ooit een van de meest vertaalde en productieve Vlaamse auteurs. De dichter Rainer Maria Rilke zei over de roman: ‘Lees dat boek. Je zal lachen, maar ook diep geraakt worden.’

    Timmermans was autodidact in de schilderkunst en de literatuur. Hij schreef poëzie, voor toneel en romans en was illustrator van zijn eigen werk. In het in een paradijselijk landschap vormgegeven verhaal, geniet Pallieter als Adam ooit, gulzig van het leven en de natuur. Op een dag ontmoet hij Marieke (zijn Eva). Zij krijgen een drieling. Als zijn ongerepte vallei door de industrie wordt verzwolgen en het grote geld wordt geofferd, trekt Pallieter met zijn gezin de wijde wereld in. En dan begint het verhaal pas goed.


    Pallieter
    Auteur: Felix Timmermans
    Uitgeverij: Polis

    Liter – Honderd jaar geleden, honderd jaar later

    Liter is verbonden met de christelijke wortels van de Nederlandse cultuur. De inhoud van Liter laat echter zien dat welke levensbeschouwing dan ook, de uiting van goede literatuur nooit in de weg staat.
    De nieuwe editie is een prachtig themanummer met aan 1916 gerelateerde bijdragen. Want, zo laat de redactie weten: 1916 was het jaar waarin Paul van Ostaijen ‘gaten in het vormelijke harnas schoot’ met zijn bundels Music-Hall en Het Sienjaal. Het jaar waarin de Grote Oorlog werd toegejuicht en verafschuwd. Het jaar waarin door dada oude lelijkheid werd getransformeerd in nieuwe schoonheid.
    Maar ook veel nieuwe en vertaalde poëzie. Jan Pieter van der Sterre vertaalde werk van Guillaume Apollinaire. Nieuw werk van Mart van der Hiele, Pauliene Kruithof, Len Borgdorff, Menno van der Beek en Jane Leusink. En een handgeschreven gedicht, opgedragen aan Paul van Ostaijen van Alexis de Roode.

    Naast essays en gedichten is er, zoals het Liter betaamt, ook ruimte voor beeldmateriaal, een verhaal van Koos Meinderts en een fragment uit het poëziedagboek van gastschrijver van dit jaar Benno Barnard.

    Kijk op www.leesliter.nl voor de maand juli; die geheel gewijd is aan het jaar 1916.

    Liter - Honderd jaar geleden, honderd jaar later
    Auteur: Onder redactie van: Menno van de Beek, Len Borgdorff, Joyce Rondaij e.a.
    Uitgeverij: Stichting Liter, verschijnt 4 keer p.j.

    Thomas en Mary, Over een liefde

    De Engelse romanschrijver en vertaler van (o.a. Alberto Moravia en Italo Calvino) Tim Parks (1954) woont al meer dan dertig jaar met zijn gezin in Italië. De roman Thomas en Mary gaat over een stel dat dertig jaar getrouwd is (waar verder niets mee gesuggereerd wordt) en twee kinderen en een hond hebben. Het verhaal begint als Tom op het strand zijn trouwring verliest, wat voor zijn vrouw reden is de hare ook af te doen. Dan volgt het verhaal van een relatie die ten einde loopt. Waarin de echtelieden na elkaar naar bed gaan en ruziemaken over wie de deur van de koelkast open liet staan. Thomas en Mary gaat dus niet ‘over de liefde’ maar over de pijn die gevoeld wordt wanneer een koppel besluit dat het nu echt over is. Literatuur recensent Toef Jaeger noemde het lezen van dit boek ‘een vorm van ramptoerisme’. Hoewel, het kan voor anderen misschien ook het de ‘feiten onder ogen willen zien’ boek zijn.

    Thomas en Mary, Over een liefde
    Auteur: Tim Parks
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • De woordenvloed van een taalvirtuoos

    De woordenvloed van een taalvirtuoos

    Tim Parks lezen staat zo ongeveer gelijk aan het doorstaan van een vliegende storm. Taal is op alle fronten zijn vakgebied en dat is aan zijn teksten te merken. Met groot enthousiasme racet deze virtuoze auteur door zijn ervaringen en denkbeelden en lardeert ze in Waarom ik lees met ondersteunende bewijzen.

    De korte hoofdstukken van dit boek zijn de afgelopen drie jaar als blog verschenen op de website van de New York Review of Books. Elk van deze essays over schrijven, lezen, vertalen en de boekenwereld was een afgerond geheel en is dat in dit boek nog steeds. Alle hoofdstukken samen bieden een brede blik op het hedendaagse ontstaan van een boek, op de weg die het aflegt voordat het gedrukt in de winkels ligt of elektronisch kan worden gedownload.

    Wat lezen mensen en waarom? Wat kan een boek voor de lezer betekenen en wat betekent het voor de schrijver? Wat is de invloed van een vertaling en hoe is het boekenlandschap door de jaren heen veranderd? Op deze vragen probeert schrijver, essayist, recensent en vertaler Parks antwoord te geven en hij slaagt daar uitstekend in.

    Wat de een prachtig vindt, kan de ander nauwelijks bekoren. Waar een boek bij de een aanspraak maakt op een diepliggende behoefte, brengt de ander er nauwelijks enige interesse voor op en waar de ene mens overloopt van bewondering voor boek of schrijver wordt de volgende er mateloos door geïrriteerd. ‘Onze reactie op romans kan te maken hebben met de groep mensen en de omgeving waarbinnen we zijn opgegroeid, ons een positie hebben moeten verwerven en een persoonlijkheid hebben moeten opbouwen,’ betoogt Parks. De positieve en negatieve uitingen van deze omgeving zijn ons vertrouwd en we houden eraan vast of zetten ons ertegen af. Een mens leest vanuit zijn eigen achtergrond en dat is waarom lezers het vaak niet eens zijn, zegt Parks.

    Aanvankelijk lijkt Waarom ik lees voor lezers bedoeld. Naarmate het boek vordert lijkt de doelgroep meer naar het schrijverspubliek te verschuiven en ook vertalers zullen in zijn uiteenzettingen veel herkennen. Soms is niet duidelijk of Parks als lezer of als schrijver aan het woord is. Niettemin valt er voor de gemiddelde lezer veel te genieten van zijn visie op de talrijke aspecten van schrijverschap en boekuitgaven. Voorbeelden put Parks uit het werk van S. Beckett, D.H. Lawrence, Th. Hardy, Ph. Roth en vele, vele anderen, terug te vinden in het uitgebreide register achterin.

    Parks maakt onderscheid tussen de schrijver als kunstenaar en de schrijver die verkoopsucces tot doel heeft. Het laatste tegenwoordig veelal onder invloed van de steeds internationaler wordende boekenmarkt, waar de Angelsaksische en vooral de Amerikaanse cultuur dominant zijn. Een gevolg van deze ontwikkeling is, meent Parks, dat schrijvers zich al dan niet bewust aanpassen aan een universeel taalgebruik omdat dat gemakkelijker in het Engels te vertalen is en ook uitgevers zo een omvangrijker lezerspubliek binnen bereik zien komen. Parks vindt dat jammer. Schrijvers met hun eigen specifieke cultuur en taalgebruik als uitgangspunt zullen daardoor zelden een groot publiek bereiken, terwijl hun kwaliteit misschien wel op een hoger plan staat dan die van schrijvers die zich met succes op de wereldmarkt richten.

    Dan zijn er nog de haken en ogen aan het vertalen. Een eerste bewijs van de problemen die zich daarbij kunnen voordoen is dit boek zelf. De Engelse titel luidt: Where I’m Reading From. In het Nederlands zou dat ‘Waarvandaan ik lees’ moeten zijn, maar dat klinkt niet. In dit geval maakt dat niet uit omdat het ‘slechts’ een titel is, en ook Parks’ eigen Engelse titel de lading van het boek niet echt dekt. Bij literaire teksten ligt dat anders. Parks – universitair docent vertaalkunde in Milaan – meent dat vertalen onmogelijk is zonder het ritme, de stijl en de stem van de brontekst aan te tasten. Als een van de voorbeelden noemt hij de Zibaldone van Giacomo Leopardi, waaruit hij zelf stukken tekst zou gaan vertalen. Recentelijk had een team van zeven vertalers en twee gespecialiseerde redacteuren een ‘onverkorte en volledig geannoteerde Engelse editie voltooid’. Parks schrijft: ‘Ik heb diep ontzag voor de gigantische prestatie van dit team […] Wat ik wel wil signaleren is dat ik me, terwijl ik hun vertaling lees, terdege bewust ben van de respons van elke individuele lezer […] van onze eigen interesses, overtuigingen, obsessies. Ik hoor Leopardi in een Engels dat heel anders klinkt en aanvoelt dan mijn collega’s hebben gebruikt. Ik hoor gewoon een andere man tegen me spreken – een andere stem – hoewel wat ik hoor niet valabeler is dan de Leopardi die zij voor ogen hadden.’

    Dat de erudiete veelschrijver Parks aan tekst geen gebrek heeft blijkt wel uit zijn productie van zo’n dertig boeken, ruim tachtig essays en artikelen en een stuk of zeventien vertalingen. Over zijn ervaringen met meditatie schreef hij maar meteen twee boeken: het autobiografische Leer ons stil te zitten en de daarmee gepaard gaande roman De dienares. En niet in de minste hoeveelheid woorden. Soms vraag je je af of Parks zijn woordenvloed niet wat kan indammen. Het antwoord is: ja, dat kan vrijwel altijd, maar ook nee, omdat ondanks hier en daar een doublure de lezer door de bezielde en veelzijdige manier waarop Parks uitputtend beschrijft wat hij over het onderwerp kwijt wil, toch geboeid blijft. Ook in Waarom ik lees.

    Het is een rijk boek, al blijft de rol van het e-book wat onderbelicht. Met zijn bekwame formuleringen neemt Parks ook de voorzichtigheid in acht. Hij constateert verschijnselen, staat boven de materie, laat ieder het zijne en vermijdt al te stellige uitspraken. Daarbij is hij zich terdege bewust van zijn Europese publiek – naast het Angelsaksische – wat onder meer blijkt uit de aandacht die hij heeft voor Nederlandse en andere Europese lezers en schrijvers.

    Wie even niet weet wat hij moet lezen of welke boeken van belang zijn voor de canon, al bestaat die volgens Parks niet meer, kan in Waarom ik lees ideeën opdoen, mits hij niet uit is op titels van de nieuwste uitgaven.

     

    Waarom ik lees

    Auteur: Tim Parks
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,99

  • Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Wie in de jaren ’60 van de vorige eeuw per trein door Nederland reisde kent ze nog wel: de metalen plaatjes onder de ruit met in drie talen de waarschuwing om niet uit het raam te hangen. Daaronder ook het Italiaanse ‘e pericoloso sporgersi’. Het gaf je, sporend door Nederland, het gevoel dat je voor hetzelfde geld door Italië had kunnen reizen.
    Wie heden ten dage meemoppert over treinvervoer in ons eigen land, zal daar echter na lezing van Italië op het spoor van Tim Parks anders over denken.

    Parks schreef zijn boek vanuit de gedachte dat het spoor, de aanleg ervan en het reizen erover, een spiegel is van het land waardoor dat spoor loopt. Anders gezegd: wie door Italië treint en om zich heen kijkt, leert de Italiaanse denkwijze en cultuur kennen. Schrijven over ervaringen op het spoor in de laars van Europa kun je aan Parks wel overlaten. Hij woont al ruim dertig jaar in het land, is getrouwd met een Italiaanse, doceert vertaalkunde aan de universiteit van Milaan en reist veel per trein. Hij schreef zowel romans als non-fictie over Italië. Veel daarvan is ook in het Nederlands vertaald.

    Voor wat Parks met zijn boek wil is Italië op het spoor een fraaie vertaling van de dubbelzinnige Engelse titel Italian Ways. Het boek is een verslag van een aantal treinreizen én een bespiegeling waarin hij de Italiaanse manier van leven op het spoor wil komen. Parks is iemand die tongue in cheek schrijft. Hij vindt treinen door Italië de mooiste vorm van reizen (en de vanuit milieubewustzijn gezien meest verantwoorde), maar hij stelt deze vorm van verplaatsing tegelijk voor als een ware verschrikking. Stations zijn dikwijls prachtige bouwwerken, maar doolhoven voor reizigers. Het warrige stelsel van nationale en regionale en snelle en stoptreinen, de elkaar beconcurrerende maatschappijen, de lijdensweg die je af moet leggen om dienstregelingen te achterhalen of aan het juiste treinkaartje te komen: wat een hel! Het is een wonder als iemand op tijd op de gewenste bestemming komt zonder onderweg beboet te worden. Het lijkt in Italië een sport om alles optimaal te regelen en vervolgens iedereen gewoon zijn gang te laten gaan. Regels zijn er om naar believen toe te passen of aan je laars te lappen, afhankelijk van het voordeel dat die keus je oplevert. Of zoals Parks opmerkt: ‘Een van de voornaamste kenmerken die je moet zien te doorgronden in alle aspecten van het Italiaanse leven, is dat deze natie geen problemen heeft met de afstand tussen ideaal en realiteit. Ze zijn de hypocrisie voorbij. Ze registreren gewoon geen tegenstelling tussen retoriek en gedrag. Het is een benijdenswaardige instelling.’

    In het eerste deel van zijn boek beschrijft Parks de geschiedenis van de Italiaanse spoorwegen. Die is heel anders dan die van Engeland, waar ze ontstonden uit de behoefte om industriesteden onderling en met havens te verbinden. Italië kende veeleer een politiek dan een economisch motief. In de tijd van het Risorgimento (het streven om de talloze staatjes op het schiereiland te verenigen tot één Italië) was het van belang snel militairen te kunnen verhuizen en een betere communicatie mogelijk te maken tussen afzonderlijke delen van de toekomstige eenheidsstaat.
    Ook in een andere zin werd het spoor een politiek instrument. Het wordt traditiegetrouw gebruikt ‘om overtollige arbeidskrachten te absorberen en de werkloosheid laag te houden. (..) Tienduizend van de negenennegentigduizend spoorwerkers worden als overbodig beschouwd’. Een baan bij de spoorwegen geldt voor een Italiaan als ‘fatsoenlijk betaald en zo zeker als een plekje in de hemel’.

    De spoorwegen in Italië zijn niet alleen door die hoge personeelskosten flink verliesgevend. Er is geweldig in geïnvesteerd en ondanks dat zijn de kaartjes goedkoop. ‘Italianen [hebben] helemaal geen zin om te veranderen. Ze houden van een gemakkelijk leven. Ze beschouwen zichzelf superieur aan die primitieve en tobberige naties die punctualiteit boven stijl en comfortabele consumptie stellen. Er wordt een compromis gevonden in het imago. Ze zullen doen alsof Italië snel en modern is’. Maar zelfs bij die gunstige prijzen kiezen de Italianen voor vrijheid: de eigen auto. Daar helpt geen moedertjelief aan: ‘In april 1961 promootte het autotijdschrift Quattroruote (Vier wielen) een race van Milaan naar Rome tussen de nieuwe, snelle elektrische trein, de Settebello, en een Alfa Romeo Giulietta. De trein deed er zes uur en zevenendertig minuten over. De Alfa deed het in vijf uur en negenenvijftig minuten. Het spel was uit.’

    In het laatste deel reist Parks naar het zuiden, naar Sicilië en de hak van Italië. Die tocht laat een groot verschil zien tussen het rijkere noorden en het armere zuiden. Het is daar vooral het onderhoud aan het spoor en de stations dat te wensen overlaat. Er gebeurt vaak pas wat als er geld voor komt uit de Europese regiopot. Maar ook dat levert dan weer absurditeiten op. Zo treft Parks in de buurt van Otranto langs het spoor een bord aan, waarop het land Europa dank zegt voor de € 3.614.750,57 die het ontving om het spoor vier jaar lang onkruidvrij te houden:

    Drie miljoen zeshonderdveertienduizend zevenhonderdvijftig euro en zevenenvijftig cent. Voor onkruidbestrijding over een periode van vier jaar. Ik vind dat elke vorm van retoriek en elk detail uiteindelijk zijn functie en logica moet hebben. Hier kan ik alleen maar veronderstellen dat de vijfenzeventig cent worden vernoemd om een indruk van eerlijkheid en fatsoen te geven die de strengste pignolo [iemand die de regeltjes precies toepast] waardig is. Het is algemeen bekend dat Apulië, samen met Sicilië, een van de twee meest verkwistende Europese regio’s is als het om het uitgeven van subsidies van de Gemeenschap gaat.

    Een mooie observatie noteert Parks als hij in zijn eentje in de kathedraal van Lecce afkoeling zit te zoeken en er de rozenkrans hoort bidden. Hij wordt er stil van, tot hij ontdekt dat het stemgeluid niet van een lijfelijk aanwezige priester komt maar van een casettebandje. Dan noteert hij:

    En zodra ik besefte dat het een bandje was, kon ik niet eens meer doen alsof ik me eraan onderwierp. In plaats daarvan zat ik een vergelijking te trekken met de elektronische meldingen in de stations waar de capostazioni al lang met pensioen zijn gestuurd tezamen met al hun ondergeschikten. De zich eindeloos herhalende stem komt van ver weg, of van jaren geleden, en is alleen nog aanwezig door bedrading en microchips. Het heeft iets arrogants en neerbuigends: de organisatie die voor het transport zorgt, of dat nu gebeden of treinen zijn, is zo machtig en gevoelloos geworden dat ze het niet meer nodig vindt dat iemand van vlees en bloed de passagiers en gelovigen leidt. Het is dus zo afstandelijk en absurd geworden, dat mensen het helemaal normaal vinden om vals te spelen; om te denken dat ze absolutie kunnen krijgen na een vluchtige biecht, om in de eerste klas te zitten zonder geldig reisdocument, en ook op andere gebieden van het leven: het ontduiken van belasting, het negeren van bouwvoorschriften.

    Parks neemt in het boek nogal wat ruimte om zijn ervaringen in de trein zelf te beschrijven: volle coupé’s, zeurende en stinkende medereizigers, idiote gesprekken en telefoontjes, weigerende airco’s en lamlendige en op hun strepen staande conducteurs. Het levert soms hilarische beschrijvingen op, die hij echter hier en daar wat te lang volhoudt.
    Dat is trouwens niet de enige kritiek die je kunt hebben. Parks’ boek heeft ook iets willekeurigs doordat hij maar een deel van Italië bereist. Bovendien weet hij de lezer niet volledig te overtuigen dat de handel en wandel op en rond het spoor inderdaad een volkomen afspiegeling is van de manier waarop Italianen in het leven staan.

    Maar met dat korreltje zout binnen handbereik is Italië op het spoor beslist een vermakelijk boek.

     

    Italië op het spoor.
    In en uit de trein van Milaan naar Palermo

    Auteur: Tim Parks
    Oorspronkelijke titel: Italian Ways
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2013)
    Prijs: € 19,95