• Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt

    Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt

    Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen, een gevangeniskolonie in Drenthe. Ze heeft samen met haar man, beeldend kunstenaar Jaap de Ruig veel gereisd. De sporen daarvan zijn in haar romans en non-fictie boeken terug te vinden. Sinds haar debuutroman Sevillana (1990) bouwde  ze aan een divers oeuvre, schreef columns en reisverslagen voor de Volkskrant en publiceert regelmatig essays en opiniestukken in de NRC. Twee van haar boeken, de roman Bokkezang (1994), en het non-fictieboek Tribune van de armen (2017), werden respectievelijk in het Russisch – en Spaans vertaald. Ze reisde twintig jaar lang jaarlijks naar Roemenië, leefde waar de Roma’s leefden en schreef daar twee reisboeken over, De stilte voor het vuur (1992) en Sla een spijker in mijn hart (2006). 

    Eerst dit: Midden jaren tachtig ontmoette ik in Deventer een jong stel dat met paard en wagen door Europa reisde. Ze stopten op de kade langs de IJssel op het moment dat ik met mijn kinderen wilde oversteken. De kinderen waren verrukt van de wagen, van het paard. Zij vertelde dat ze onderweg stukjes schreef voor een blad. Zij trokken verder, wij staken de weg over. Later vermoedde ik bij elk boek dat van Mariët Meester verscheen, dat zij het was geweest die we daar ontmoet hadden. In de mailwisseling voor een interviewafspraak werd mijn vermoeden bevestigd. 

    Voor Literair Nederland spreek ik haar op een middag in december. Ze ontvangt me op hun driehoog gelegen etage in de Rivierenbuurt in Amsterdam. De ruimtes zijn rustig en minimalistisch ingericht. Boven de schouw in de achterkamer herken ik de foto van de schrijfster met een (dode) zwaan die ze met beide handen bij de hals vasthoudt ter hoogte van haar borstbeen. Het zwanelijf sierlijk naar beneden hangend, haar hoofd met opgebonden haren afgewend. Het beeld stond ooit op de cover van haar roman De overstroming uit 2003. We nemen plaats in de woonkamer, er is thee, brokken chocola op een schoteltje. 


    Waarom reisden jullie toen met paard en wagen, waar kwam het idee vandaan? 

    ‘Ik zat begin jaren tachtig op de Academie voor Beeldende Kunsten Minerva en het vijfde jaar was een stagejaar, dat mocht je naar eigen idee invullen. We bedachten toen om zelf een woonwagen te bouwen en op reis te gaan. Onderweg zou ik dan werk voor de academie maken.’
    Ze laat foto’s zien van de wagen waar ze met haar vriend (nu man) op de bok zit. Ik herken het beeld, de wagen. Ik laat weten dat ik het toen een idyllisch geheel vond. ‘Maar het was ook afzien’, zegt ze. ‘Er was geen verwarming en ruzies waren onvermijdelijk. We leefden heel dicht op elkaar, dat was best heftig. Op een binnenwand van de wagen hebben we op een gegeven moment onze relatie geschilderd, veel boze, woeste koppen.’ 


    Schreef je toen ook al?

    ‘Tijdens die reis waren op een gegeven moment mijn boeken op en ben ik zelf gaan schrijven. Een van die verhalen stuurde ik naar een tijdschrift en dat werd meteen geplaatst. Ik kreeg er honderd gulden voor, dat stimuleerde me wel om door te schrijven.’ 


    Schrijven is dus uit nood ontstaan?

    ‘Oh nee, vanaf het moment dat ik op de lagere school leerde schrijven, wilde ik dat al. Maar als kind was ik verlegen, durfde niet te zeggen dat ik schrijver wilde worden. Wist ook niet wat je daarvoor zou moeten studeren. Toen ben ben naar de kunstacademie gegaan, dat heeft me wel geholpen. Daar leerde ik een bepaalde manier van kijken.’ 

    Uit de aantekeningen die ze tijdens haar reis halverwege de jaren tachtig maakte, ontstond een boek, Een spoor van paardenmest. De onlangs overleden Maarten van Dullemen wilde het publiceren. ‘Hij was de broer van Inez van Dullemen dus ik dacht, dat zit wel goed. Het waren dagboeknotities, maar hij deed geen redactie, publiceerde het zoals ik het had ingeleverd. Daardoor is het wel heel authentiek, maar ik vind het niet goed genoeg.’


    Je derde boek was de androgyne roman Bokkezang.

    ‘Het was heel intens dit boek te schrijven, het kwam uit het diepst van mijn ziel. Het gaat over het non-binaire, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, en de manier van samenleven met dieren. Een roman waarin vrijheid, behoud van waardigheid, wellust en androgynie een rol speelden. Ik heb het ingeleverd bij Tilly Hermans die toen bij Meulenhoff redacteur was. Nadat ze het gelezen had zei ze, “Dit is beter dan het meeste dat ik binnen krijg.” Later hoorde ik dat ze met het manuscript juichend door de uitgeverij had gelopen, “Dit gaan we groot maken.” Maar de pers begreep er niets van, ze vonden het een raar boek. Het was er de tijd niet voor, terwijl ik toen dacht, “Dit is het beste dat ik in me heb.” De recensies die er kwamen, waren wel positief. Later is het bij De Slegte beland en zelfs daar (lachend) liep het niet.’ 

    ‘Maar’ zegt ze, ‘het is goed gekomen. Tien jaar later werd het ontdekt door een Russische hoogleraar die het vertaalde en werd het in Rusland uitgegeven. Er kwam een presentatie in St. Petersburg en het boek liep daar heel goed.’

    Daarna verscheen De eerste zonde, een ‘coming of age’ roman over een pubermeisje dat opgroeit in de gevangeniskolonie Veenhuizen. Ze helpt een gevangene die ontsnapt is zich te verbergen, brengt hem eten en kleren, wordt verliefd op hem.

    ‘Dat was toch wel een reactie op hoe Bokkezang ontvangen werd. Dat het niet begrepen werd, daar was ik wel van geschrokken. Daardoor ging ik een lichter boek schrijven. Maar het past ook wel bij me, dat ik steeds iets anders schrijf. Mijn toenmalige uitgever Maarten Asscher zei eens tegen me, “Jij doet bij elk boek iets anders, je zoekt steeds weer nieuwe dingen uit. Dat kan voor de lezer wel eens lastig zijn.” Maar dit is mijn manier van schrijven, ik kan niet anders. Ik ben een kunstenaar, het interesseert me niet om steeds hetzelfde de toen.’


    Wat schrijf je het liefst, fictie of non-fictie?

    ‘Fictie schrijven is wel moeilijker, maar ik doe het liever. Het is voor mij echt kunst. Maar als ik alleen fictie zou schrijven, dan zou ik teveel opgesloten zitten. Voor non-fictie ga ik op onderzoek uit, naar Amerika bijvoorbeeld, zoals ik voor het boek De Mythische oom heb gedaan, of naar Spanje, voor De tribune van de armen.’ 


    In een documentaire over de gevangeniskolonie zei je dat je daar heel gelukkig was. Dat had te maken met de ‘lammeren en de leeuwen’ die daar bij elkaar woonden. Wat bedoelde je daarmee?

    ‘Er waren daar geen contrasten, je zag die gevangenen elke dag, het hoorde erbij. Je zag dat het gewone mensen waren, je leefde in een soort symbiose met elkaar. Die eenheid vind ik heel bijzonder. In het echte leven heb ik daar wel moeite mee, dat er geen eenheid is. Daar vormde je met elkaar een gemeenschap. Ik ben altijd nog teleurgesteld hoe mensen polariseren, ook nu in deze corona tijd. Dat vind ik verschrikkelijk, dan denk ik, “leef je eens een beetje in de ander in.”’

    Begin 2020 verscheen haar achtste roman, Pingping, waarin de protagonist van de een op de andere dag breekt met haar oude leven en op zoek gaat naar een eenvoudiger leven. Een mooie gebonden uitgave met leeslint, op de titelpagina een met de hand ingekleurd vogeltje, gedrukt in een eenmalige oplage van duizend stuks. Samen met haar man, richtte ze voor deze uitgave uitgeverij Caprae op. Voor een schrijver die doorgaans haar boeken publiceert bij bekende uitgevershuizen als Meulenhoff, Balans en De Arbeiderspers, een opmerkelijke zet.  


    Waarom wilde je dit boek zelf uitgeven?

    ‘Dat was puur vanwege het onderwerp. Het boek gaat over iemand die wil uitzoeken of je minder geld kunt uitgeven en toch ‘rijker’ kunt leven. Zij maakt zich zorgen over ons leefklimaat en wil echt stappen nemen om het klimaat zo min mogelijk te belasten. Ik wilde kijken of ik dat ook in de manier van publiceren kon doorvoeren door de oplage beperkt te houden. Zoiets kon alleen rendabel zijn met een eigen uitgeverij. Het was misschien wel wat naïef, want iemand van Boekblad riep, “Hoe kun je dat nou doen, je zit bij De Arbeiderspers?!” Daar had ik niet aan gedacht, dat mensen zouden denken dat De Arbeiderspers me niet meer wilde. Maar het was een bewuste keuze. Gelukkig werd het een succes. En het was heerlijk alles eens zelf te kunnen bepalen, het omslag, lettertype. Jaap en ik hebben die kennis in huis, voor ons was het een kunstproject.’


    Wat is een van de belangrijkste dingen geweest in je schrijversleven?

    ‘Ah, dat was toch wel mijn deelname aan een zesweekse reis door Europa, de Literatuurexpres. Dat was in 2000, een literaire reis van Lissabon, via Scandinavië naar Rusland en terug via Berlijn. Dichter Serge van Duinhoven en ik waren uitgenodigd namens Nederland. Het was een project van voormalige Oost-Duitsers, Literatur Werkstatt. Ze hadden meer dan honderd schrijvers uit heel Europa bij elkaar gebracht en een speciale trein gereserveerd. 

    Per land werd er een fragment uit de roman die je vooraf had ingestuurd, voor je vertaald. Ik had Bokkezang gekozen. We traden eerst op in Lissabon. Arie Pos, Portugees vertaler, had vooraf een fragment daaruit vertaald. We gingen onder andere naar Madrid, de Baltische staten en St. Petersburg. Het was razend interessant maar zes weken was ook wel lang. Voor het cultuurkatern van de Volkskrant heb ik tijdens die reis een zestal columns geschreven. Ik kreeg een mobieltje van de krant, een van de eerste mobieltjes. Dan stuurde ik via mijn laptop en die mobiel, mijn stukjes door. Ik heb aan die reis goede herinneringen en vele schrijversvrienden uit allerlei landen overgehouden.’


    Binnenkort verschijnt er een autobiografisch boek van je. Wat was de aanleiding om die te schrijven?

    ‘Het was in 1994 dat ik al besefte dat ik wel wat bijzonders heb beleefd tijdens mijn jeugd in die gevangeniskolonie, en dat ik dat maar eens moest opschrijven. Ik ben toen gaan zitten en heb alles genoteerd wat in me opkwam uit die tijd. Veel later sprak ik er met Marcel Möring over, hij zei, “Je niet kunt doodgaan zonder het verhaal, zoals het was, een keer verteld te hebben.” Alles wat ik in 1994 heb genoteerd, heb ik nu als basis voor dit boek, Koloniekind kunnen gebruiken. Herinneringen vervormen door de jaren heen, en ik was blij dat ik dit materiaal van zesentwintig jaar geleden had.’


    Hoe was het om daarover te schrijven?

    ‘Het mooie is dat door dit boek alles bij elkaar komt. Je oeuvre wordt als het ware helemaal rond. Elk boek van mij is anders, al zit er wel een bepaalde lijn in. Met dit boek ga ik terug naar de basis. In het eerste hoofdstuk beschrijf ik bijvoorbeeld hoe ik als vijfjarige over een lange rechte laan fiets. In de epiloog merk ik op dat er in al mijn boeken wordt gefietst, dat ook dit boek begint en eindigt met fietsen.’ 

    ‘Het was een besloten gemeenschap, het hele dorp was afgesloten met driehonderdvijftig bordjes ‘Verboden toegang’. De meeste mannen daar liepen in een zwart uniform. Er waren bewakers met een karabijn schuin op de rug. Als wij visite kregen werd dat van tevoren aangevraagd. Je kon niet zomaar bezoek ontvangen. 

    Het waren allemaal brave ambtenaren die daar werkten. Voor mij waren die gevangenen razend interessant. Al schrijvend aan Koloniekind, heb ik ontdekt dat zij mijn rolmodellen waren. Ik begin nu te zien, door dit laatste boek, waar mijn thematiek vandaan komt.’


    Je vader woont nog in Veenhuizen, hij is drieënnegentig. Heb je met hem over dit boek gesproken?

    ‘Nou, (lachend) hij wil hier niet zoveel over weten. Ik heb hem wel veel gevraagd over hoe het vroeger was, zonder te vertellen dat het voor een boek was. Later heb ik hem verteld  dat er een boek komt over die tijd. Dat hij er ook in voorkomt en op het omslag staat. Hij vond het goed. “Ik zie het wel,” was zijn reactie. Hij weet dat ik respectvol te werk ga. Mijn redacteur noemde het een liefdevol boek, dat was wel een opluchting.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Koloniekind, Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen van Mariët Meester verschijnt in april bij uitgeverij De Arbeiderspers.


    Kijk voor haar gehele oeuvre op Mariët Meester.nl.

    Foto auteur: Jaap de Ruig

     

  • Rudy Kousbroek – schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen

    Rudy Kousbroek – schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen

    In het derde nummer van De Gids aandacht voor de – op 4 april 2010 – overleden essayist, polemist en dichter Rudy Kousbroek. Annet Mooij in het inleidende stuk Bij dit nummer: ‘Het essay vormt  samen met de poezie en het verhalend proza het hart van De Gids’. Maar een van Nederlands grootste en scherpste essayisten leverde slechts eenmaal een bijdrage. Niet omdat de redactie geen vinger aan de pols hield bij de betreffende schrijver. Graag had de redactie meerdere stukken van hem opgenomen maar het bleef bij die ene keer in 1984, toen hij enkel korte stukjes leverde als bijdrage voor het  ‘Het pak van Sjaalman’. Tot iets groters voor De Gids is het nooit gekomen. 

    Kousbroek schreef liever voor kranten. De redactie pakt nu haar kans door dit nummer geheel aan Kousbroek te wijden. Niet uitsluitend gaan de stukken over hem maar is het vooral een nummer geworden in de geest van Kousbroek. Waarvoor onder andere Tijs Goldschmidt, Jaap van Heerden, Daniel Rovers, Xandra Schutte, Arjan Mulder, Maarten Asscher, Roel Bentz van den Berg, Bas van Putten, Dirk van Weelden en Joost de Vries een bijdrage leverden.                                                                               Sarah Hart – zijn tweede vrouw – verzorgde  Seven Photos of Rudie Kousbroek. Foto’s van Kousbroek die ze voorzag  van tekst, in de geest van Kousbroeks fotosynthese boeken.

    Tilly Hermans memoreert Kousbroek als: Schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen.  Als toegewijd redacteur en later uitgever van Kousbroek, maakte zij van dichtbij de problemen mee die Kousbroek ondervond bij het schrijven. Een tekst op commando produceren ging hem niet goed af. Een tekst van zichzelf kon Kousbroek tot grote vertwijfeling brengen: schrijven was voor hem een moeizaam proces. De ideeën die in zijn hoofd ontstonden, kosten hem veel moeite ze zo opgeschreven te krijgen zoals hij het zich voorstelde. Tilly Hermans bezocht hem verschillende malen in Parijs met het doel hem tot schrijven te brengen aan Het Oostindisch kampsyndroom. Er wordt  gewandeld tijdens die bezoeken, over katten gesproken, musea bezocht maar tot schrijven van de gewenste stukken komt het niet. Dan beklimt Tilly Hermans op een zondagmorgen de trappen naar zijn Parijse woning. Van ver hoort ze het droge tikken van een schrijfmachine. Even gelooft ze dat de schrijver schrijft.  Om dan te ontdekken dat Kousbroek de inhoudsopgave van het boek nog maar eens uittypte. Het Oostindisch kampsyndroom dat in de aanbiedingsfolder van Meulenhoff in 1986 werd aangekondigd, verscheen pas in1992. Toen CPNB aankondigde dat het boekenweekthema van 1992 Nederlands-Indie zou zijn schreef  Kousbroek opeens in enkele maanden 500 paginas. Tilly noemt het in vergelijk met Multatuli, Kousbroeks ‘pak van Sjaalman’.  Ook Medereizigers – over hoe de liefde van de mens voor het dier is ontstaan – kwam pas tot een compositie toen Dieren het thema werd van Boekenweek 2009. Tilly Hermans: “(…) wanhopig en kwaad kon ik zijn omdat hij maar niet leek te willen geloven dat we zijn boeken heel graag wilden uitgeven, dat ik echt niet zijn enige lezer zou zijn.”

    De tekst van de eerste Rudy Kousbroek-lezing, gehouden door K. Schipper staat in dit nummer. Het Rudy Kousbroekplein bevat onverhuld een pleidooi om een bestaand plein in het Rudy Kousbroekplein om te dopen. Want het Sarphatipark heette eerst Bollandpark en het Jan Willem Brouwersplein is nu Concertgebouwplein. En waarom niet een “(…) Rudy Kousbroekplein, (..) aan de zijkant van de muziektempel (…) In de naam klinkt van alles door (..) compleet met Jan Willem Brouwers, een verhaal dat ontploft tussen al die trampassagiers, wachtend op de halte.” Denkend aan Kousbroek komen toch vooral de knetterende polemieken boven die hij met schrijf-collega Jeroen Brouwers voerde. Schippers schreef een forensische schets over Kousbroek, die als zestienjarige met het troepentransportschip Noordam vanuit Sumatra, Nederland binnenvoer. Over de wegen die hij in het Amsterdam van de jaren 50 bewandelde of per tram beslechtte op weg naar school of theater. Daar zou nog wel eens een Rudy Kousbroek-route uit kunnen ontstaan die uitkomt op het Rudy Kousbroekplein.

    Maarten Asscher interviewde Rudy Kousbroek in het Academisch-Cultureel centrum Spui 25 te Amsterdam op 17 april 2007. Het gesprek begint als volgt: “MA: Wil je een glaasje water om mee te beginnen? RK: Wat ik eigenlijk het liefst zou willen is de gordijnen dicht. We zitten hier zo te koop. MA: Voor schrijvers is dat toch niet zo ongepast? RK: Voor een schrijver als ik wel, hoor. Ik werk in het donker.”  Waarna het interview onder het motto de ‘fotosynthese’ wordt afgenomen. Een formule van foto’s waarbij een tekst geschreven. Kousbroek heeft verschillende fotosyntheseboeken gepubliceerd. In dit gesprek noemt Kousbroek zichzelf een  mislukt romancier. “Het is mij nooit gelukt om een roman, een echte roman, te schrijven zoals ik denk dat dat gedaan moet worden, en die ook werkelijk af te maken.”

    Uit alles blijkt dat Rudy Kousbroek leed aan een gebrek aan zelfvertrouwen waardoor veel ideeën het niet tot een publicatie brachten. Kortom, een Gids  voor de liefhebber van Rudy Kousbroek, een collecters nummer!