• Een naakte wolrat en de waarde van de aarde

    Een naakte wolrat en de waarde van de aarde

    Een van de meest opvallende boeken van het voorbije jaar is ongetwijfeld Grondwerk van de Vlaamse auteur Tijl Nuyts. Dit debuut stond op de shortlist van de Boekenbonliteratuurprijs en staat ook nog op de longlist van de Boon-literatuurprijs 2026.  Met Grondwerk debuteert Nuyts als romanschrijver, nadat hij eerder bekend werd als dichter. Nuyts werd geboren in 1993 in Istanboel en woont en werkt in Brussel, een stad die ook in deze roman een belangrijke rol speelt. Als dichter kreeg hij al veel erkenning: zijn bundel Vervoersbewijzenwerd bekroond met de Herman de Coninckprijs. Zijn poëtische achtergrond is duidelijk merkbaar in Grondwerk. Het boek is geen klassieke roman, maar een verhaal dat elementen van fabel en maatschappijkritiek combineert, waarbij taal en beeld centraal staan.

    Het verhaal speelt zich grotendeels af onder het Brusselse Vaderlandsplein. In een ondergronds gangenstelsel wacht een naakte molrat op instructies voor een missie. Zij vertelt het verhaal en kijkt vanuit haar leefwereld naar de mensen boven haar. Geleidelijk aan sluit ze vriendschap met een mens die haar woorden opschrijft. Zo ontstaat een dialoog tussen mens en dier. Tegelijk verschijnen er in Brussel steeds meer zinkgaten, waardoor delen van de stad letterlijk beginnen in te storten. Deze gebeurtenissen vormen geen klassieke plot, maar zijn vooral betekenisvolle beelden van instorting en kwetsbaarheid.

    Klimaatroman

    Een belangrijk thema in Grondwerk is het klimaat en de relatie van de mens met de aarde. De zinkgaten symboliseren een bodem die haar draagkracht verliest door misbruik en verwaarlozing. Nuyts laat zien dat ecologische problemen niet plotseling ontstaan, maar het resultaat zijn van lange tijd genegeerde keuzes. De aarde lijkt letterlijk terug te slaan. Het ondergrondse perspectief benadrukt hoe weinig aandacht mensen hebben voor de fundamenten onder hun voeten, terwijl juist die basis alles mogelijk maakt. De klimaatopwarming laat overal haar sporen na: het verhaal van de oorspronkelijke heimat van de molrat illustreert dit duidelijk.

    De naakte molrat is het centrale personage. Ze leeft in een gemeenschap waarin samenwerking en het welzijn van de groep centraal staan. Vanuit dat standpunt kijkt ze kritisch naar de menselijke samenleving, die volgens haar te individualistisch is en te weinig rekening houdt met de omgeving. Ze ziet de aarde als iets levends, niet als een bron die je kunt gebruiken en achterlaten. Het menselijke personage blijft bewust vaag uitgewerkt. Het is een activist die tracht zaken in beweging te brengen, maar daar hopeloos in faalt. Hij staat voor de mens die voelt dat er iets misloopt, maar niet goed weet hoe dit te veranderen. Door deze keuze verschuift de focus van persoonlijke emoties naar grotere maatschappelijke vragen.

    Poëtisch

    De stijl van Grondwerk is beïnvloed door poëzie. Nuyts schrijft in korte, beeldrijke zinnen en herhaalt bepaalde motieven zoals grond, instorting en verbondenheid. Het verhaal springt tussen observaties en gedachten. Dit maakt het soms uitdagend, maar ook rijk aan betekenis. Het klimaatthema wordt niet uitgelegd met cijfers of feiten, maar door beelden en symbolen, waardoor de lezer actief moet nadenken over de boodschap. De afwisseling in hoofdstukken tussen het leven in Brussel en de herkomst van de molrat maken het geheel bijzonder vlot verteerbaar.

    De roman is bijzonder relevant in een tijd waarin klimaatverandering steeds zichtbaarder wordt. Grondwerklaat zien dat ecologische problemen verbonden zijn met politieke en sociale keuzes. Door Brussel, het centrum van macht en besluitvorming, te laten verzakken, suggereert Nuyts dat systemen hun basis verliezen als ze geen rekening houden met de aarde. Het boek stelt de vraag of vooruitgang mogelijk is zonder zorg voor de omgeving en of een andere manier van samenleven mogelijk is.

    Grondwerk leest bijzonder vlot, maar toch kunnen enkele kanttekeningen gemaakt worden. De originaliteit van het verhaal en het gekozen perspectief zijn bijzonder en vormen ook de sterkte van het boek. De molrat als verteller biedt een frisse blik op de mens en zijn omgang met de aarde. Ook de samenhang tussen klimaat, samenleving en verantwoordelijkheid is goed uitgewerkt. Daartegenover staat dat het boek weinig actie bevat en soms te abstract blijft. Lezers die een duidelijk verhaal met herkenbare personages verwachten, kunnen hier moeite mee hebben, maar het is ongetwijfeld een gedurfd debuut dat aanzet tot nadenken over onze relatie met de aarde. Door zijn rustige tempo en beeldrijke taal blijft het boek lang nazinderen en maakt het de lezer bewust van wat vaak verborgen of vergeten blijft.

     

  • Roelof ten Napel krijgt De grote Poëzieprijs toegekend

    Vrijdagavond 13 mei werd in het radioprogramma Opium op NPO 4 bekend gemaakt dat De grote Poeziëprijs werd toegekend aan Roelof ten Napel voor zijn bundel Dagen in huis.

    De jury van de Poeziëprijs had negentig bundels te beoordelen waarvan er vijf op de shortlist terechtkwamen. Naast Roelof ten Napel met Dagen in huis, waren dat Piet Gerbrandy met Ontbinding; Sasja Janssen met Virgula; Tijl Nuyts met Vervoersbewijzen en Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen. De jury vond de bundel Dagen in huis een feestje om het leven te vieren en prijst daarbij de poëzie in het algemeen, ‘die weer eens bewijst een huis te kunnen zijn, met ruime, lichte kamers, voor al wie er onderdak zoekt’.

    Uit het juryrapport: ‘Ten Napel is een dichter die tegelijkertijd ook schilder, beeldhouwer, fotograaf is. Hij schrijft vanuit een bezield perspectief, waardoor zijn observaties nergens afstand scheppen, maar vaak juist iets tactiels en soms zelfs intiems hebben. Het huis uit de titel bijvoorbeeld, is ook op te vatten als ons lichaam, of dat van een ander: “Als we ons medeleven verbeelden als verplaatsen-in,/ hebben we dan van de ander geen huis gemaakt?”’

    Het in huis zijn wordt letterlijk vergeleken met ‘in leven zijn’ wat tegen de achtergrond van een pandemie onnadrukkelijk maar onoverkomelijk nog eens aan betekenis wint, schrijft de jury.

    Van dichter, prozaschrijver en essayist Roelof ten Napel (1993) verschenen, naast Dagen in huis, de bundels In het vlees (2019) en Het Woedeboek (2014), alsook de romans Een zoon van (2020) en Het leven zelf (2017).

    De jury van De Grote Poëzieprijs 2022 bestond uit, Elke Brems, (hoogleraar Letterkunde KU Leuven); Vicky Francken, (dichter, vertaler, redactielid tijdschrift Awater); John Jansen van Galen, (journalist); Maarten Moll, (schrijver en journalist) en Xavier Roelens, (dichter en poëziedocent).

    Aan De Grote Poëzieprijs 2022 is een bedrag verbonden van 20.000 euro.  Dagen in huis verscheen bij uitgeverij Hollands Diep in  2021.

     

     

  • Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

    Goede keuze
    De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

    In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

    De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

    Tijdsbeeld en verscheidenheid
    Liegend konijn
    geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het dat naast frisse poëten ook bekende dichters als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

    Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
    Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

    Grasduinen
    Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

    Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

    Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ’tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.