• Pianoklanken

    Pianoklanken

    Ik las over een man die aan de overkant van de straat staat te kijken naar het huis waar hij opgroeide. Hij kijkt naar het raam van zijn vroegere kamer. Hij kijkt zolang tot hij de stem van zijn zus hoort, die roept dat ze er is, thuis is. Beneden ziet hij zijn ouders aan tafel zitten, ze lezen, of scrabbelen. Dan opent hij de kamerdeur van zijn pleegbroer, zijn zus ligt bij hem in bed. Dat wist hij niet, dat ze iets hadden met elkaar. Ze negeren hem, alsof ze slapen, hij er niet toe doet. Hij voelt het nog. Dan gebeurt er iets magnifiques, de man die naar de kamers van het huis uit zijn jeugd kijkt, loopt de trap af, het huis uit en voegt zich in de man die staat te kijken naar het huis uit zijn jeugd. Dit beschrijft Thomas Verbogt in zijn boek Als je de stilte ziet. Verbogt schrijft over de dingen die er in een leven gebeurd zijn, in zijn leven gebeurd zijn. Herinneringen als leidraad, wat blijft, en is wat blijft van enig nut voor het heden? Alles wordt herzien, gedachtegangen nagelopen, eigen oprechtheid langs de meetlat gelegd.

    ‘Ik vraag me af wat ik meen van wat ik zeg’, denkt de man die zijn best doet de ander niet voor het hoofd te stoten. Hij denkt graag dat het goed is zoals ‘het’ is gegaan, onmachtig zijn ongenoegen te uiten. Ik denk aan een bevriend stel in Friesland, die er alles aan deden hun ecologische voetstap tot minder dan een minimum te beperken. Dat deden ze met een diepe ernst. Ik bezocht ze tijdens een strenge winter, had een trui aan met een dubbele rand bij de hals waardoor het leek of ik twee truien over elkaar droeg. De vriend, zuinig met complimenten, zei dat ik me goed gekleed had, kijkend naar de hals van mijn trui. Ik zei, ‘Ha, ja, dat lijkt maar zo. Dit is gewoon een dubbele rand aan de trui zelf.’ De vriend begon plots te lachen, hard te lachen, sloeg zich daarbij op de bovenbenen. Ik grijnsde wat mee. Later in de trein naar huis voelde ik verontwaardiging.

    De man die staat te kijken naar zijn vroegere huis denkt vaak ‘Lul’, als zijn pleegbroer hem weer eens heeft afgewezen. De man denkt sowieso meer dan hij zegt. ‘Time seems to pass. The world happens, unrolling into moments, and you stop to glance at a spider pressed to its web.’ Dit citaat gaat vooraf aan zijn dubbelroman Onze dagen en Het ongeluk uit 2007. Het geeft aan hoe ongrijpbaar de dingen voor de schrijver zijn. Alles lijkt de man, die staat te kijken naar zijn vroegere huis, te ontglippen. Weemoedig word je ervan, weemoedigheid als pianoklanken die op een herfstnamiddag door een open raam over straat uitwaaieren.
    In een interview zei Verbogt, ‘Ik schrijf over de melancholie van iets wat niet is doorgegaan, de aanwezigheid van iets wat afwezig bleef.’ Daarover schrijft hij raadselachtige verhalen die altijd iets raken. Prachtig boek, verrassend slotstuk!

     

    Als je de stilte ziet / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam (2020)
    Citaat uit: The Body Artist van Don DeLillo


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Oogst week 9 – 2020

    Verdwijnpunt

    Een narratief over verdriet of pijn wordt vaak in de vorm van een queeste of sprookje gegoten, een reis die positief eindigt. Natuurlijk is dit niet representatief: het kan voorkomen dat de pijn niet verdwijnt of dat het verdriet niet minder wordt. In Verdwijnpunt onderzoekt Wytske Versteeg (1983) ‘de verschillende facetten van pijn en de gevolgen van geweld en machteloosheid’. Geen sprookjes, maar een zoektocht naar ‘wat het betekent om te leven en kwetsbaar te zijn’.

    Versteeg schrijft essays, romans, scenario’s en recensies. Haar roman Boy stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs en voor haar gehele oeuvre werd de Frans Kellendonkprijs in 2019 aan haar toegekend. Op dit moment geeft ze les in fictie aan de Hogeschool Artez.

    Verdwijnpunt
    Auteur: Wytske Versteeg
    Uitgeverij: Querido

    Orkaanseizoen

    Fernanda Melchor (1982) is een Mexicaanse auteur en journalist. Orkaanseizoen is haar tweede boek en haar eerste werk met een Nederlandse vertaling. In 2019 won ze met Orkaanseizoen zowel de Internationale Literatuurprijs als de Anna Seghers-prijs. In dit boek is de Heks, een persoon in transitie, vermoord. Door wie is niet belangrijk, het draait om de vraag waarom.

    De Heks bleek onderdeel uit te maken van een gruwelijk, arm dorp waarin huiselijk geweld, ongewenste zwangerschappen en drugsmisbruik orde van de dag zijn. Eén van de grootste problemen van Zuid-Amerika is geweld tegen en moord op vrouwen. Juist daarover gaat Orkaanseizoen en Melchor gebruikt woest proza met diepgaande personages om dit verhaal te vertellen.

    Orkaanseizoen
    Auteur: Fernanda Melchor
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Als je de stilte ziet

    In Als je de stilte ziet lukt het de hoofdpersoon niet om een goede band op te bouwen met zijn pleegbroer. Hij weet niet hoe het komt, maar het geheim dat tussen hen in staat blijft hem de rest van zijn leven achtervolgen. Dit levert een filmisch geschreven en ontroerend verhaal op ‘over verlangen, vluchtigheid en betekenis geven aan het leven’.

    De voor Thomas Verbogt (1952) kenmerkende lichte, melancholieke verteltoon komt prachtig tot zijn recht in Als je de stilte ziet. Naast romans schrijft Verbogt ook humoristische korte verhalen, columns voor De Gelderlander, toneelstukken en cabaretteksten. Elsbeth Etty noemde hem ‘een meester van de dialoog’.

    Als je de stilte ziet
    Auteur: Thomas Verbogt
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
  • Tomaten en Biesheuvel

    Tomaten en Biesheuvel

    Er was eens een vriendengroep die elkaar gevonden hadden in het korte verhaal. Van de zes vrienden was er een verhalenschrijver, waakte een ander over de juiste woordkeuze, was er een handelaar in verhalen, een verteller, een luisteraar en de zesde voorzag de opbouw van de verhalen van een kritische noot. Eens in de maand troffen ze elkaar in een huis met zes kamers in het Oosten van het land. Dan reisden ze daar met koffers vol verhalen, flessen calvados, wijn, en één paar schone sokken naar toe. Nadat ieder zijn spullen had uitgepakt, de calvados en wijn in de keuken op het drankflessenschap waren bijgezet, kookten ze gezamenlijk een maaltijd. Toen de tomaten gesneden waren, de eieren gekookt, schoven enkele vrienden om de keukentafel en werden de eerste glazen gevuld. De verteller, popelend om als eerste een verhaal te vertellen, vroeg: ‘Duurt het nog lang voor de aardappelen gaar zijn?’ Nog twintig minuten’, zei de handelaar in verhalen.

    En zo begon de verteller, die wachttijd ziet als een lege hand die gevuld moet worden, te vertellen. ‘Ik las in een  boek van fijnbladig papier een verhaal geschreven door een Angstkunstenaar. Een verhaal dat me deed beseffen dat je bij wat je ook onderneemt, op alles voorbereid moet zijn.’ ‘Begin nu maar’, zei de verhalenschrijfster, ‘anders zijn zo de aardappelen gaar’. Welnu: ‘Er waren twee pastoors van plan waren de St. Pietersberg bij Maastricht – bestaand uit een doolhof aan gangen waar zelfs gidsen niet verder dan dertig meter naar binnen durfden gaan – te onderzoeken. Op hun vrije dag gingen ze met een haspel, waarop vierduizend meter dun touw en wat kaarsen de berg binnen. Voor ze het gebergte betraden, ontstak een journalist van een landelijke krant, hun kaarsen. Welgemoed liepen ze door duistere gangen met flakkerende kaarsen, het dunne touw gestaag afdraaiend van de haspel. Na honderden meters wilde de ene pastoor weten hoe donker het nu zou zijn, zonder kaarslicht. Beiden blazen hun kaars uit. ‘Donker hè?’, zei de een. ‘Huu’, zei de ander, ‘Maar we moeten weer verder. Heb jij vuur, lucifers of aansteker?’ ‘Nee, ik rook niet.’ In het aardedonker vielen ze in een kuil, het dunne touw dat ze naar de uitgang moest leiden, knapte en ze stierven een langzame dood.

    Tijdens zulke dagen ontstond er bij de vriendengroep van het korte verhaal, het idee een prijs in het leven te roepen voor de beste korte verhalenbundel van het jaar. Een prijs om het verhaal onder de aandacht te brengen, die de winnaar en niet-winnaars op scherp moet zetten nog meer verhalen te schrijven. De prijs moest vernoemd naar de meest unieke verhalenverteller aller tijden, J.M.A. Biesheuvel, en zo geschiedde. In 2020, het vijfde jaar, viel er een hiaat (te weinig prijzengeld, keuze aanbod te klein), knapte het draadje van geloofwaardigheid (door schrijvers als Sanneke van Hassel, Thomas Verbogt te negeren) en zou de prijs een langzame dood sterven.

    Eert het verhaal en zijn verteller zoals uw vader en uw moeder en God in de hemel in de gedaante van Karel van het Reve, zou Biesheuvel kunnen zeggen. De prijs had hoe dan ook uitgereikt moeten worden.

     

     

    Geïnspireerd op het verhaal ‘Vier mannen’ uit de Angstkunstenaar (1987) in Verzameld werk 3 / J.M.A. Biesheuvel / Van Oorschot.


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Meesterlijk

    Meesterlijk

    We zitten in de tuin. De hemel kleurt roze, gekoelde wijn veroorzaakt druppels condens aan de buitenkant van het glas die op onze kleren druppen telkens wanneer we een slok nemen. We nemen het er van, ik ga voorlezen. Verhalen van Thomas Verbogt die, zo blijkt, niet allemaal met droge ogen tot een goed einde gebracht kunnen worden. Ik had ze al gelezen, me ermee vermaakt maar nu, bij het hardop lezen komt het slapstickachtige van sommige verhalen pas goed naar voren. In het verhaal ‘Uitslapen’, waarbij de schrijver, jawel, tracht uit te slapen, kom ik bij de passage waarin alles samenkomt. Terwijl de uitslaper nergens aan wil denken dat het uitslapen kan verhinderen, hoort hij de vuilniswagen. Denkt aan twee vuilniszakken in de gang, als hij ze nu niet aan de weg zet, gaan ze stinken. En hij probeert uit te slapen, dat lukt dus niet meer. Hij springt uit bed, kamerjas aan en haast zich op blote voeten met de vuilniszakken naar buiten. Eenmaal buiten glijdt de voordeur in het slot. Hij trapt in een stuk glas. Wiebelend op een been probeert hij met beide handen de gewonde voet naar zich toe te trekken. Als twee agenten hem naderen, komt het besef dat hij onder zijn kamerjas niets aan heeft.

    Tijdens een redactievergadering hadden we het erover hoe plat taal kan zijn. Zegswijzen als ‘helemaal goed’, of ‘Ik doe wel een belletje,’ zijn niet aan ons besteed. Van de aanspreekvorm ‘Hé buuf’ gruwden we en bij ‘heb je een momentje’ gaven we niet thuis. Zeiden we, serieus. Het werkte wel aanstekelijk. Ik kon nog net ‘zullen we nog een bakkie doen?’ voor me houden, gevolgd door ‘moet je net mij hebben. In de verhalenbundel Olifant van zeep van Thomas Verbogt komt het allemaal voor. Verbogt ontmoet mensen die hem vragen, ‘heb je nog leuke dingen gedaan’, of ‘dit is toch niet de afspraak’. Op het moment dat hij zijn bloedende voet omhoog houdt vraagt een van die agenten dan ook, ‘Wat zijn we precies aan het doen?’ Toen begaf mijn stem het, ik zag het voor me en moest overnieuw beginnen met lezen.

    Verbogt is goed in het samenbrengen van een veelheid aan onhandige dingen, goed gebruiker van nietszeggende taal. Ook kleine gebeurtenissen, die in seconden afspelen worden bij hem beleefbaar gemaakt (het vallen van een vaas uit Rome, herinneringen die daarmee loskomen). Wie lacht kan zo in huilen uitbarsten. De achttien verhalen in Olifant van zeep geven een beeld van een schrijver in zijn zestiger jaren die in het onhandige een zeker bestaansrecht zoekt. Met zinnen die een heel tijdsbeeld neerzetten: ‘En zo liepen we naar het huis waar hij een kamer had gehuurd, bij een hospita van wie hij in de late avond tot acht uur in de ochtend maar één keer naar de wc mocht.’ Thomas Rosenboom zei eens dat Verbogt een schrijver is die ‘een heel groot publiek’ verdient. Dat wil ik nog eens benadrukken. Wij vermaakten ons meesterlijk met Verbogts verhalen, zoveel beter dan Netflixen.

     

    Olifant van zeep / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam ( juni  2019).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Leesclub 2

    Leesclub 2

    Elke club heeft zijn gemeenschappelijke ding. Bij voetbal is dat de bal en bij een leesclub het boek. Om met dat gemeenschappelijke ding (de bal, het boek) als groep om te gaan is een hele kunst. Na zo’n tien boeken die we lazen en bespraken was er deze keer iets van een ontdekkingstocht naar de structuur van een boek en de motieven van de schrijver ontstaan. We zaten met zijn zessen, (vrouwen, waarvan ik nog steeds niet weet welke naam bij wie hoort en zij mijn naam ook vergeten zijn), rond de tafel in die zeer goede boekenhandel in Arnhem. Dat van die namen stoorde ons niet. Belangrijker was het boek voor ons op tafel. Dit keer was het Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Waarvan werd gezegd dat het zijn meest autobiografische roman was. En dat maakte het nogal delicaat.

    We vonden unaniem dat alles zo goed opgeschreven was (met uitroepteken) dat, als je het las, dacht: ‘Wat staat dat daar fijn beschreven.’ We hadden de complexiteit van gevoelens en gedachten, waar de Thomas in het boek zeer aan lijdt, nog nooit zo goed beschreven zien staan. We gingen onszelf er in sommige opzichten beter door begrijpen. Door die complexe dingen heen zagen we een man die geen geluk verdragen kon. Dat kwam, zoals zijn moeder hem eens zei: ‘Dat het geluk naar hem toekwam. Hij hoefde er niets voor te doen.’

    Ook bleek dat we allemaal en afzonderlijk van elkaar, bij dezelfde passage eruit geslingerd waren. Het boek was niet chronologisch opgebouwd, we sprongen van de ene naar de andere gebeurtenis, maar soit. Het was een mooi geschreven boek. Op bladzijde 145 raakten we er dan toch uit. De Thomas in het boek werd door een crimineel opgesloten in een leegstaand winkelpand. Waar een Laura aanwezig is. We hadden ieder voor zich op zeker moment zoiets geroepen als: Huhhh?’ Er waren veel namen van vriendinnen voorbij gekomen maar geen Laura. We bladerden terug naar een aanknopingspunt. We zaagden door over de betekenis van dit stuk dat ons zo vervreemdde van het boek. Iemand haalde er een recensent bij die had gezegd dat dit stuk een stijlbreuk was, dat het er niet inpaste. We waren geneigd mee te knikken tot iemand riep: ‘Maar er hing toch een affiche van Kafka in de wc van dat pand waar hij opgesloten zat.’

    ‘Aha’, wacht eens even,’ riepen we. En bladerden ons het boek weer in naar die betreffende passage. Er ging ons plots een licht op. ‘Het proces’. Natuurlijk. Het was een absurdistische gebeurtenis die als zo zijnde bedoeld was. En opeens bewogen we heen en weer in het verhaal van zijn leven op het punt wat wel een scharnierpunt genoemd wordt. Het was een hele beleving. En al hadden er twijfels geklonken of zijn huidige relatie zou standhouden –  omdat de man het geluk niet zoekt – wisten we opeens klip en klaar dat dit boek één grote liefdesverklaring was aan zijn vriendin Aimee.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Hond dood en de winter voorbij

    Hond dood en de winter voorbij

    Begripvolle en tedere woordkunstenaar gezocht. Ik had er behoefte aan. Het werd Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Verbogt is een schrijver die met de schikking van woorden naar de betekenis van de dingen en de aard van de mensen zoekt. Hij speelt met woorden, hij herplaatst of herhaalt ze waardoor ze hem op een of andere manier bij de dingen brengen waarvan hij niet wist dat hij het zocht, en jij, de lezer had ook geen idee. Hij schrijft ergens: ‘Je weet dat ik altijd geschreven heb om ergens bij te komen, meer dan om iets weer te geven.’ Bij Verbogt weet je nooit waar hij met je heen wil. Het punt van aankomst kan daarom schokkend zijn.

    Over zijn pleegzus gaat het, gevonden in 1944 als tweejarige peuter langs het spoor in Duitsland en opgevangen door zijn ouders. Voor Verbogt, die acht jaar later geboren is, was zij een grote zus. Hij beschrijft hoe rustig en afstandelijk ze is. Er is iets met zich niet kunnen hechten. Ze kiest haar eigen weg en in 1962 vertrekt ze naar New York. Dit afscheid is van grote invloed op het leven van de negenjarige Thomas, dat traumatisch uitpakt als je op pagina 32 totaal niet voorbereid leest dat Becky in de trein naar Rotterdam zat die even na negenen in de ochtend in botsing kwam met een andere trein bij Harmelen. En dat 93 mensen het niet overleefden, waaronder Becky.

    Toen ik dat las, zat ik op de wc en sprak geschokt: ‘Verdorie Verbogt, kon dat niet anders,’. Het was iets met vals sentiment en dat wat echt gebeurd al verzonnen genoeg is, maar dan anders. Dit kon ik er niet bij hebben nu Hond net dood was.

    De impact van de dood van Hond was onverwacht. Ze kon niet meer lopen maar scheen het niet echt een probleem te vinden. We zeiden: ‘Dat is geen hondenleven meer.’ We zeiden: ‘Het is goed zo.’ In even zoveel bewoordingen zeiden we: ‘We gaan niet sentimenteel doen. Want Hond was een echte hond. Maar jee, wat moesten we met onze tranen, toen Hond stil in haar mand lag en het leek of ze zo haar ogen zou opslaan om te zien of het al tijd was voor het een of ander.

    Hond was een levende herinnering aan onze jaren in Noord-Portugal. We vonden haar op een dag langs de kant van de weg tussen Seia en Viseu. We namen haar mee naar huis aan de voet van de Serra da Estrela. Ze sliep er in een hondenhok zoals echte honden doen. Bij gebrek aan vriendjes, werd Hond de speelkameraad van Dochter en Zoon, zoals je dat wel in Disneyfilms. Zeven jaar later namen we naast een paar liter olijfolie, Hond als enige Portugese aandenken mee naar Nederland. De olijfolie was snel op. Hond bracht het tot deze week, waarin ik Als de winter voorbij is las en het acht jaar geleden was dat we haar mee naar Nederland namen.

     

     

  • Mooie shortlist Libris Literatuur Prijs

    Mooie shortlist Libris Literatuur Prijs

    De gelukkigen die op de deze week bekend gemaakte shortlist staan zijn de debutant, Inge Schilperoord met Muidhond die ook al genomineerd werd voor de AKO-Literatuurprijs, evenals De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése. Alex Boogers werd verkozen voor de shortlist met zijn achtste boek  Alleen met de goden, Joke van Leeuwen met De onervarenen en Connie Palmen met Jij zegt het. En ‘last but not least‘ Thomas Verbogt met Als de winter voorbij is.

    De jury zegt dat ze zich zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk lezend wilde laten verrassen: Daarin schuilt een grote aantrekkelijkheid van literatuur: dat je nu juist als lezer niet krijgt wat je verwacht. Dat een schrijver zijn stijl inzet om je omver te blazen. Dat je wordt meegevoerd in andermans hoofd of een onbekende wereld en wordt geraakt, getroffen, overtuigd en overrompeld. Dat er na lezing wezenlijks iets in je is veranderd.


    Literair Nederland
    recenseerde vijf van de genomineerden:

    De onervarenenAnky Mulder over De onervarenen van Joke van Leeuwen:

    Behalve onoverkomelijke moeilijkheden en vervlogen dromen laat De onervarenen de kracht van aanpassingsvermogen zien. En dat niet iedereen in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden.

     

     

    Alleen met de godenAdri Altink noemt Alleen met de goden een rauw maar ook hoopvol stemmend boek:

    Boogers schrijft  boeiend, bijna luchtig, en met een inktzwarte humor, waardoor de werkelijkheid zich des te naargeestiger opdringt. De monologen zijn vaak erg mooi verweven in de chronologie van het feitelijke verhaal, waardoor sommige hoofdstukken juweeltjes van vlechtwerken van verhaallijnen zijn.

     

    Thomas van Lier over Muidhond van Inge Schilperoord: muidhond

    Schilperoord maakt van Jonathan een kwetsbaar en dubbelzinnig personage dat worstelt met zijn verboden neigingen zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

     

     

    Als de winter voorbij isOlivier Rieter noemt Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt een subtiel en ingetogen geschreven boek waarvan de thematiek interessant is en: de sfeer je doet verlangen naar meer van dergelijke geschriften.


     

     

     

    De onderwaterzwemmerCarlijn Brouwer over De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése:

    De onderwaterzwemmer is te mooi om ongelezen te blijven en onderstreept wat een verrassende schrijver P.F. Thomése is.

     

     

     

    De jury die naast Dick Benschop (oud staatssecretaris) bestaat uit Onno Blom, Sebastiaan Kort, Hanca Leppink en Margot Vanderstraeten, gaat zich de komende tijd buigen over de vraag welke van de zes romans als beste boek van het afgelopen jaar gekenmerkt gaat worden. De bekendmaking op 9 mei is tijdens het traditionele galadiner voor genodigden in het Amstel Hotel te Amsterdam. Vorig jaar ging de prijs naar Ik kom terug van Adriaan van Dis.

    Aan een nominatie voor de shortlist is een bedrag van 2.500 euro verbonden. De bekroonde laureaat ontvangt 50.000 euro.

     

     

  • Over de loop van het leven

    Over de loop van het leven

    Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt is een weemoedig boek over herinneringen en schuldgevoel. Het hoofdpersonage, een schrijver op leeftijd, zegt: ‘Als ik het over mijn vader heb, gaat het altijd over wat er van hem in mij is gebleven. Zelf noemde hij dat altijd zijn hiernamaals, wat er van hem nog bij anderen is.’ Pas wanneer er geen herinnering aan overledenen meer is zijn zij echt gestorven. Literatuur eert in zekere zin in zijn fictieve personages al de gestorvenen en de levens die zij hadden kunnen leiden, zo schreef de literatuurwetenschapper John S. Su ooit.

    Verbogts boek is dus weemoedig, misschien eerder dan nostalgisch; het verdriet overheerst. Waar nostalgie meestal deels weemoedig is, is weemoed niet nostalgisch. Nostalgie verenigt vreugde en verdriet om de voorbijheid van het verleden, terwijl in weemoed normaal geen vreugde zit, eerder een mijmerende mistroostigheid. Het hoofdpersonage moet  niets hebben van nostalgie:  ‘Ik houd niet van nostalgie- dat vind ik iets dat je in winkels aantreft waar allerlei leuke hebbedingetjes voor de woning te koop zijn, veel van oud gemaakt hout, en waar het weerzinwekkend naar geurkaarsen ruikt.’

    Een belangrijke rol in de tekst speelt de herinnering aan de adoptiefzus van de ik-figuur, Becky. Over een foto van haar schrijft hij: ‘Ze kijkt betrapt, terwijl ze alleen maar haar gitaar pakt. Ze lacht verlegen. Daar keek ik graag naar, naar die verlegenheid in haar lach. Soms dacht ik dan: zo lééf je, zo wil ik ook leven. Bij mijn ouders stond ook altijd een andere foto van haar, ook met gitaar, maar daarop lacht ze omdat ze die lach wil laten zien. Ik zie liever die andere lach.’ Bewaarde foto’s spelen een belangrijke rol in het herinneringsproces in de moderne tijd. Dit moderne herinneren wijkt sterk af van eerder herinneringsculturen: foto-verzamelingen zijn vaak vormen van selectieve zelf presentatie. Juist wanneer er op een foto iets anders staat dan misschien de bedoeling was, geeft dat een contact met het verleden. Het is wat de semioticus Roland Barthes ‘punctum’ noemt, waarmee hij een detail uit het verleden, bijvoorbeeld op een foto, bedoelt dat de diegene die het ziet persoonlijk raakt.

    De hoofdpersoon probeert het leven aan te raken, maar lijkt steeds mis te tasten. Het boek geeft een inkijkje in de psyche van een sympathieke man, die zich echter niet geheel laat kennen, ook niet nu hij al wat ouder aan het worden is. Er is in hem nog iets van een kind dat gekweld wordt door irrationele schuldgevoelens. Toevallige gebeurtenissen of omstandigheden en het je daar schuldig over voelen kunnen een grote invloed hebben op hoe een leven verloopt; het hoofdpersonage heeft nog niet geleerd dergelijke toevalligheden een plaats te geven, niet als het accepteren van iets als een noodlot, maar juist als het je overgeven aan een zekere zinloosheid waaraan je zelf toch een zin moet verlenen.

    Als de winter voorbij is is een subtiel boek, ingetogen geschreven, dat echter (misschien daardoor) geen blijvende impressie achterlaat. Daarvoor zijn de mijmeringen niet pregnant genoeg hoewel de thematiek interessant is en de sfeer je doet verlangen naar meer van dergelijke geschriften. Omdat het boek dit verlangen oproept, gecombineerd met verdrietige mijmeringen is er misschien toch sprake van nostalgie, in weerwil van de visie van het hoofdpersonage.

     

  • Literair tijdschrift Nynade vernieuwd

    Nynade bestaat sinds 2007 en verschijnt drie keer per jaar. Opmerkelijk is de verandering van vorm en inhoud bij deze 20ste editie. Wat je voorheen van Nynade bijbleef was vooral de kleurrijke omslag. De inhoud echter gaf vaak de indruk dat de redactie alles plaatste dat er binnenkwam, zonder kwaliteit te onderscheiden. Waar het onderschrift van Nynade eerder Kunst & Letteren was, is het nu Letteren & Kunst. Een niet onbelangrijke omkering van het aandachtspunt. Nynade bewoog zich langs de randen van de kunst en literatuur, nu is het meer de literatuur die de boventoon voert. In deze editie het Schrijverschap als onderwerp. Een voor de hand liggend thema maar het resultaat levert mooie bijdragen op van auteurs die hun persoonlijk schrijverschap of dat van een collega auteur beschouwen.

    Een van die bijdragen is van Marte Kaan. Het uitermate boeiend en vlot geschreven essay Een leven lang sterven brengt je via de beschrijving dat haar dochtertje van twee haar bijna deed stikken in haar slaap door haar handje op haar mond en neus te leggen, naar het gemoed van de Griekse dichteres Kiki Dimoula wat tot mooie uitspraken leidt: ‘Fictie schrijven betekent ruimte zoeken tussen de schaamte’. En eindigt met een klassieker uit de literatuur over Gestalttherapie van Arnold Beisser die tot de conclusie leidt dat schrijven een middelpuntvliedende kracht is en er aan de dood niet te ontkomen is. Een essay over hoe te schrijven over tegenstellende emoties zoals ‘doodsangst en liefde’.

    De auteurs Ingmar Heytze, Nelleke Zandwijk, Janneke Hokwerda en Thomas Verbogt geven ieder in een bijdrage weer wat debuteren voor hen betekend heeft. Voor de een was het een toetreden tot de wereld van de literatuur (Verbogt) voor de ander een last want het tweede boek wil maar niet komen en dan maar liever die debutant blijven van dat ene boek (Holwerda). Een debuut kan later ook als een ‘jeugdzonde’ worden beschouwd (Heytze) of het debuteren wordt je van verschillende kanten toegeschoven (Zandwijk).

    Mieke Opstaele schreef met kennis van zaken over het Schrijverschap in de romans van Atte Jongstra. Door verschillende werken van Jongstra te bespreken toont zij aan dat hij bij uitstek een schrijver is die volledig opgaat in zijn werk. Wie zijn oeuvre kent weet wat hiermee wordt bedoeld. Leest als een goed onderbouwd ‘open boekje’ over Jongstra.

    Meer bijdragen van onder andere Ezra de Haan, Barney Agerbeek, Pim Verhulst en Emily Kocken (op punt van debuteren). Gedichten van Maarten van der Graaff, Arjen Duiker, Ingmar Heytze, Peter Smink, Brigitte Spiegeler en in vertaling van Anneli Meijer Liefdesgedichten voor Marie Angevine van Pierre de Ronsard (1524-1585).

    Nynade wil ‘nieuwe geluiden laten klinken’ en kiest ervoor ook die geluiden te laten horen die ‘hakkelend of vals’ zijn. Waarmee de lading, dat niet alle stukken even goed zijn, gedekt is. Maar het is een nieuw begin, deze 20ste editie die met verschillende bijdragen tot verder lezen uitnodigt. Merkbaar is echter dat Nynade onder een steviger redactie vaart  dan voorheen. Al zijn dan niet alle bijdragen van eenzelfde kwaliteit; Nynade kan zich met recht een ‘literair tijdschrift’ noemen waarbij het uiterlijk ondergeschikt is aan de inhoud. Overigens misstaat het een literair blad niet enige informatie over zijn auteurs te verstrekken dat tegelijk tot aanbeveling van die auteurs kan leiden.

     

    Nynade
    Blz.: 99

    3 nummers per jaar
    Prijs: 26 euro per jaargang
    Losse nummers: 10 euro
    Te bestellen via de site van Nynade.

  • Het geheugen zit vol nutteloze details

    Het geheugen zit vol nutteloze details

     

    ‘Ik ga een boek schrijven over Nijmegen en Arnhem’, schrijft Thomas Verbogt (1952) op de eerste pagina van Herfst in het Oosten. En dat is inderdaad precies wat hij heeft gedaan: hij heeft een boek geschreven. Dus geen meeslepende roman, realistische novelle of interessant naslagwerk; ook geen smeuïge autobiografie, filosofisch relaas of geëngageerde kritiek. Herfst in het Oosten is een combinatie van dit alles, en het lijkt op niets wat al eerder is verschenen. Ook de schrijver van dit boek is geen mysterieuze ik-persoon of verstopte alwetendheid: de schrijver is onmiskenbaar Verbogt zelf. Hij haalt immers vele malen zijn eerder verschenen werken aan, zoals De verdwijning (1999), Eindelijk de zee (2007) en Verdwenen tijd (2009), en hij betrekt de lezer graag bij de wereld van de auteur: ‘Ik zal proberen te omschrijven wat het was wat we toen deden.’.

    In Herfst in het Oosten doet Verbogt verslag van zijn ervaringen in en herinneringen aan Nijmegen en Arnhem, de steden waarin hij is opgegroeid. In oktober en november van 2010 verbleef Verbogt als Writer in Residence in Nijmegen. Deze periode heeft hij gebruikt om terug te gaan naar de plaatsen van zijn jeugd, en om daar na te denken over diepgaande kwesties als: ‘wie ben ik?’, ‘wat is thuis?’ en ‘wat is thuiskomen?’. Deze ideeën heeft hij in korte hoofdstukken opgeschreven en ze zijn uiteindelijk in dit boek samengebracht. In de hoofdstukken vertelt Verbogt naar welke plaatsen hij is teruggegaan en wat zijn herinneringen zijn aan die plaatsen. De rode draad in het boek is Verbogts zoektocht naar zijn identiteit, wat waarschijnlijk ook de aanleiding van zijn rustperiode in Nijmegen was.

    Sommige hoofdstukken zijn heel interessant en meeslepend, zoals bijvoorbeeld ‘Onder de dekens’ en – het sterkste hoofdstuk – ‘Always on my mind’. In deze twee hoofdstukken vertelt Verbogt over zijn belevenissen in de stad, en begint Herfst in het Oosten zowaar op een (amusante) roman te lijken. Er zijn daarentegen ook (te) veel hoofdstukken die bestaan uit citaten uit eerdere werken; uit vage gedachtespinsels; uit persoonlijke feiten –Verbogt: ‘Feiten zijn op te zoeken, feiten zijn meestal saai’; en voor de lezer niet interessante details, want, zoals Verbogt ook zelf schrijft: ‘het geheugen zit vol nutteloze details’.

    Verbogt hanteert over het algemeen een prettig, interessant taalgebruik. Er passeren ook een aantal vreemde uitspraken als: ‘[…] het begin van de jaren zestig toen […] de zon nog een lekker zonnetje werd genoemd’, maar met name in de wat meer filosofische hoofdstukken, formuleert Verbogt prachtige zinnen:

    ‘Volgens mij gaat het niet om de waarheid, maar om hoe de waarheid zich kan gedragen’; en:
    ‘Opnieuw thuiskomen bestaat misschien niet. Opnieuw thuiskomen is weer weten hoe het was om thuis te zijn. Wás. Niet: is. Je zoekt naar wat het hart van toen is. Dat is verbonden met plekken, maar het zit vooral in je hoofd’.

    Het boek bevat absoluut zinnen die geschikt zouden zijn als oneliner, zinnen waaruit blijkt dat Verbogt wel degelijk een begenadigd schrijver is maar wat in dit boek niet helemaal uit de verf komt, maar ook zinnen die zeer aandachtig lezen vereisen. En als je dit lezen dan zeer aandachtig doet, is dit boek toch geregeld teleurstellend. Hij uit interessante filosofieën, maar het blijft bij een paar losse opmerkingen; er zijn boeiende, verhalende hoofdstukken, maar het merendeel is een verslag van een persoonlijke herinnering die hij niet verder uitwerkt; hij heeft geprobeerd een rode draad aan te brengen, maar wijkt hier vaak vanaf. Niet voor niets schrijft Verbogt in het begin van zijn boek: ‘Wanneer je begint met schrijven ga je op avontuur en dat avontuur kan je naar een andere bestemming voeren dan je oorspronkelijk voor ogen stond.’ Dat is hier gebeurd, Verbogt is op (persoonlijk) avontuur gegaan, maar had geen duidelijk doel voor ogen, waardoor de verhaallijnen – voor zover aanwezig – niet afgemaakt zijn en het boek een wat rommelig geheel is geworden.

    Het blijft ook lastig om het door Verbogt beoogde publiek vast te stellen. Verbogt lijkt voornamelijk voor zichzelf te schrijven: hij maakt immers een tocht langs de plekken in Nijmegen en Arnhem waaraan hij persoonlijk herinneringen heeft. Voor iemand die deze steden totaal niet kent, is het boek geen aanrader – zij zullen de plaatsen die Verbogt beschrijft niet herkennen en de sfeer niet begrijpen. Voor de inwoners van deze steden is dit boek ook allerminst geschikt: Verbogt schetst immers een stereotiep en kwetsend beeld van met name de Nijmegenaren, wat onder andere blijkt uit: ‘In Nijmegen wonen nog steeds veel zeikerdjes. Ze hebben posities, ze hebben iets voor het zeggen, maar wel binnen de werktijden, want dan verdwijnen ze weer in getut’. Ondanks dat Verbogt de grote invloed van Nijmegen dus benadrukt, schildert hij de (andere) Nijmegenaren toch negatief af, een beetje vreemd.

    Al met al lijkt het hele boek een grote therapeutische oefening voor Verbogt: heerlijk om te schrijven, maar niet boeiend voor lezer. Is het lezen van dit boek dan een vreselijke tijdverspilling? Nee, dat ook niet. Hoewel het lang niet altijd interessant is en Verbogt nauwelijks boven zijn individuele wereld uit kan stijgen, zet het werk je wel aan het denken. En tsja, deze hele nieuwe boekvorm is toch ook een pluspunt.

     

     

     

  • Een leven met alleen passanten

    Een leven met alleen passanten

    Thomas Verbogt (1952) heeft inmiddels een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Laatst werd hij in Het Parool door Arie Storm vergeleken met niemand minder dan de Amerikaanse schrijver J.D.Salinger. Wellicht wat overdreven maar Perfecte stilte is wel degelijk een bijzonder boek. En Verbogt een bijzonder schrijver.

    De cineast en documentairemaker David Kromweg ontmoet mevrouw Breizer, de moeder van Valerie, een jeugdvriendin, op een onbewaakt moment. Het is het begin van een lange zoektocht naar zijn verleden, die we aanvankelijk mondjesmaat krijgen toegediend. Want als Verbogt iets goed kan, is het doseren. Het duurt lang voordat we iets over zijn relatie met Valerie, een meisje uit zijn jeugd, te horen krijgen en daarin ligt een geheim besloten. Een drama. Ze is naar aan haar einde gekomen en David was daarvan getuige. De vriendenkring  rond Valerie breekt daarna op en vriend Simon, verdwijnt helemaal uit beeld. David weet ook waarom het meisje zelfmoord pleegde. Dat heeft in zijn leven het thema van stilte gebracht. Maar- hier zit een addertje onder het gras- het is geen serene stilte, maar een onheilspellende stilte. De titel van het boek zou eigenlijk Onheilspellende stilte moeten zijn. Maar dat is natuurlijk veel minder sticky dan Perfecte stilte. Later bezoekt David de vader van Valerie, die hij inmiddels haat, omdat hij weet dat de man debet is aan haar dood. De man zegt niets meer- is letterlijk in stilzwijgen gedompeld- zit in een bejaardentehuis en wordt Meneertje Monnik genoemd. Daar ontlaadt zich de woede van David en dat is een van de hoogtepunten van het boek. Zijn verdriet over de dood van Valerie vindt eindelijk een uitlaatklep.

    (…) ‘Weet u nog, Simon, die verdween niet zo lang nadat uw dochter doodging, ook verdween, op haar manier dus. Dat weet u nog , dat weet ik zeker en u hoort heel goed dat ik zeg dat ik dat zeker weet, want u bent niet doof, u bent niet gek, u bent alleen maar oud en u bent laf.’ (…)

    David komt eindelijk zover dat hij zich kan wreken voor wat er gebeurd is. Maar het is al te laat. Zoals alles in dit boek te laat komt. Dezelfde David is getuige van een mishandeling van een vrouw in een steeg. Het wordt erg plastisch beschreven, wat er gebeurt. Hij wil helpen, maar hij is te laat en te zwak. Uiteindelijk belandt hij lang in het ziekenhuis, omdat hij zelf ook in elkaar wordt geslagen. Hij beloofde destijds Valerie te helpen, maar was op een cruciaal moment te laat. Hij wil nog iets van zijn mislukte huwelijk maken, maar het is al te laat. Hij ontmoet nog de zogenaamde liefde van zijn leven, iemand van vroeger, maar het is te laat. Het kan eenvoudig niets meer worden. En dan volgt er weer zo’n knappe Verbogtiaanse dialoog:

    (…)’Het is zo vreemd, het is net alsof ik hier al vaker was,’ zeg ik.
    ‘Niets is vreemd.’ Molly schenk wijn in.
    ‘ En alsof ik jou al heel lang ken.’
    ‘Misschien is dat zo en wisten we het niet.’
    ‘Ik ken weinig mensen,’ zeg ik. ‘Mijn hele leven ga ik haast alleen om met passanten.’

    Het boek staat boordevol kleine – op het oog onbeduidende – observaties zoals: Er komt een moment dat de tijd die je nog te leven hebt je wereld is, de kleine wereld die je meemaakt. Knap en erg raak.

    Toch zijn er wat mindere momenten in het boek. Zo wordt het eigenlijk nergens echt aannemelijk, dat de hoofdpersoon iets met film heeft. Wist Verbogt wel iets van film af? En het bezoek aan een schilderes, moet afgesloten worden met het in stukken snijden van een kunstwerk van haar. Ze doet dat zelf immers ook altijd. Het doet wat bedacht aan en past niet echt in de lijn van het verhaal. Maar het mag de pret niet drukken. Het eind van het verhaal is ijzersterk en ook verrassend en ontroerend. De stilte wordt doorbroken, en eigenlijk is het leven voor David weer hoopvol. Dat ervaren we als een mooi en ook organisch uit het verhaal voortkomend einde. Het lag al voor ons klaar, zonder dat we dat wisten. Want door veel uit te sparen weet Verbogt de lezer in zijn verhaal te trekken. En dat is zonder twijfel knap. Erg knap. Al is Verbogt geen Salinger, hij is zo langzamerhand wel een van de sterkste schrijvers van ons land.

     

     

     

  • Maakt blind zijn liefde mogelijk of maakt liefde blind

    Maakt blind zijn liefde mogelijk of maakt liefde blind

    Mag je dit boek, deze novelle, wel een debuut noemen vroeg ik mij af. Tamar van der Dop is scenarioschrijfster en Tomas Verbogt is schrijver. Tamar van den Dop en Thomas Verbogt schreven met Blind een sprookjesachtige vertelling, waarin het thema van De sneeuwkoningin van Hans Christian Andersen een prominente rol speelt: maakt echte liefde blind? Het verhaal is gebaseerd op het scenario dat Tamar van den Dop schreef voor de gelijknamige speelfilm.

    Dit alles doet mij aarzelen dit daadwerkelijk een debuut te noemen. Het verhaal van Hans Christian Andersen is het verhaal van Kay en Gerda. Kay krijgt een glassplinter van de spiegel van de ijskoningin in zijn hart en dat hart verandert in een klomp ijs. De eens zo vriendelijke Kay wordt een vervelende jongen die nergens meer iets moois in kan zien. Zoals in alle sprookjes komt gelukkig komt uiteindelijk alles goed.
    In Blind gaat het verhaal over Ruben die vanaf zijn kinderjaren blind is. Zijn vader is overleden en Ruben zelf is onhandelbaar, heeft enorme woedeaanvallen en sluit zich op. Hij is voor niemand toegankelijk. Zijn moeder probeert van alles maar niets lukt. In haar wanhoop plaats ze een advertentie waarin ze om een voorlezer vraagt. Er zijn diverse gegadigden geweest maar Ruben weet ze binnen de kortste keren weg te krijgen, totdat Marie komt.

    Marie is een albino en erg mensenschuw. Zij is het die Ruben aan kan. Ze pikt niets van hem, is net zo bot tegen hem als hij tegen haar. Marie heeft een prachtige stem en brengt verhalen tot leven. Voor Marie is het erg prettig dat Ruben haar niet kan zien, gewend als ze is aan het staren van mensen. Langzamerhand, met vallen en opstaan gaan ze elkaar vertrouwen. Ruben wordt rustiger dankzij Marie, langzamerhand ziet hij het leven weer zitten. Ook voor Marie werkt alles positief. En dan blijkt dat er iets aan de blindheid van Ruben te doen is. Marie is bang voor de gevolgen, wat als Ruben haar ziet?
    Ruben wordt door zijn blindheid niet afgeleid door het uiterlijk van iemand. Hij gaat af op de stem en op de handelingen en zijn ervaringen met een persoon. Maakt blind zijn iemand beter ‘ziend’? zou ook de vraag kunnen zijn.

    Het verhaal is kernachtig geschreven. ‘Een novelle bezit een eenvoudige structuur en een klein aantal personages. Meestal omvat een novelle een bijzondere gebeurtenis en toont ze de hoofdpersonages op een beslissend moment in hun leven.’ staat op Wikipedia. Dat is ook exact zoals ik het zou willen omschrijven. De hoofdstukken zijn kort, alles draait om Ruben en Marie, de moeder speelt nauwelijks een rol. Hun ontmoeting met elkaar is beslissend voor hun verdere leven. En net als in een sprookje komt alles uiteindelijk goed… of niet?


    Augustus 2007