• Rijke, ambitieuze roman

    Rijke, ambitieuze roman

    Grootheden die van hun voetstuk vallen, spreken tot de verbeelding. Alexander Laszlo, een van de twee hoofdpersonen van Jamal Ouariachi’s nieuwe roman Een honger, verwerft bekendheid als ontwikkelingswerker, maar valt in ongenade als hij door een van zijn Ethiopische adoptiekinderen wordt beschuldigd van seksueel misbruik. In een poging tot eerherstel vraagt hij zijn ex-vriendin Aurélie een boek over zijn leven en ideeën te schrijven.
    Dit gegeven vormt de basis van een complexe, gelaagde roman, waarin heen- en weer wordt geschakeld tussen de relatie van Alexander en Aurélie, hun ontmoeting in Ethiopië en het onvermijdelijke weerzien van de twee, tien jaar later. De energieke, onvermoeibare Laszlo blijkt te zijn veranderd in een gedesillusioneerde, oude man, die zijn hoop heeft gevestigd op de memoires waarmee hij zijn goede naam wil terugkrijgen. Met zijn pleidooi voor ‘een bepaalde mate van pedofilie’ in de samenleving stelt hij niet alleen de hysterische angst voor pedofielen aan de kaak, maar pleit hij ook voor een vrijzinnige, libertaire omgang met de seksualiteit van kinderen en seksualiteit in het algemeen. Hoewel er op Laszlo’s betoog veel valt aan te merken, getuigt het van lef dat Ouariachi dit gevoelige onderwerp durft aan te snijden.

    Interessanter dan de aandacht voor pedofilie in Een honger zijn de hoofdstukken waarin studente en journaliste Aurélie centraal staat. Wanneer zij als student psychologie in 2003 de charismatische ontwikkelingswerker Laszlo in Ethiopië leert kennen, is haar verliefdheid zo groot, dat ze alleen met ontzag naar hem kan opkijken. Tien jaar later, wanneer Aurélie een burgerlijk bestaan heeft opgebouwd met kind, vriend en redactiewerk, kijkt met ze met nuchtere ogen naar de man die zij als studente zo had geïdealiseerd. Met de beschrijving van de hectiek van haar bestaan, de twijfels, de irritaties, de verwachtingen en teleurstellingen, het schakelen tussen het echte leven en de sociale media, geeft Ouariachi een treffend beeld van de tijdsgeest. Aurélie worstelt met haar verschillende, vaak tegenstrijdige rollen: die van de verzorgende ouder, de liefhebbende partner, de presterende werknemer en het naar zelfontplooiing verlangende individu. Zo heeft ze aanvankelijk geen zin om aan een boek mee te werken waarin haar ex-vriend zijn controversiële ideeën over pedofilie uit de doeken wil doen, maar stemt ze toch in uit ambitie en nieuwsgierigheid. De combinatie van een sterk psychologisch inzicht en een ontvankelijke, kritische houding tegenover de maatschappelijke realiteit maakt Ouariachi tot een relevante auteur.

    Maar Een honger is meer dan een romance tussen een naïeve studente en een oudere, charmante ontwikkelingswerker, die elkaar tien jaar later treffen in een ongemakkelijke situatie. Ouariachi speelt met woorden en stijlen, wisselt voortdurend van vertelperspectief, levert commentaar op bekende boeken en schrijvers (Hemingway, Palmen) en schetst een gedetailleerd en overtuigend beeld van de hongersnood in het Ethiopië van de jaren tachtig.
    Deze rijkdom heeft echter een nadeel: een gebrek aan eenheid. Ouariachi heeft veel materiaal in deze roman willen verwerken, dat allemaal vrij uitvoerig wordt behandeld. Daardoor is het moeilijk om als lezer de belangrijkste verhaallijn in het oog te houden. Bovendien geven de vele filosofische en literaire uitweidingen het boek een tamelijk cerebraal karakter, wat de emotionele zeggingskracht soms in de weg staat. Niettemin heeft Jamal Ouariachi met Een honger een rijke, ambitieuze roman geschreven, die ondanks zijn soms hoogdravende karakter een aanwinst is voor de Nederlandse literatuur.

     

    Een honger 

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 592
    Prijs: € 19,99

  • Knappe roman over beladen onderwerp 

    Knappe roman over beladen onderwerp 

    De debuutroman van Inge Schilperoord (1973) begint met een citaat van de Franse schrijver en filosoof Albert Camus: ‘De mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt’. Net zoals Meursault, de gesloten Franse Algerijn in Camus’ bekendste roman De vreemdeling, probeert de dertigjarige Jonathan, de hoofdpersoon in Muidhond, onopvallend zijn eigen leven te leiden, maar zit de wereld waarin hij leeft dat voortdurend dwars. Meursault en Jonathan ervaren hun bestaan als een opeenvolging van tragische gebeurtenissen waarover zij geen regie hebben. De werkelijkheid biedt geen houvast, maar is een ondoorgrondelijk moeras vol valkuilen en hindernissen.

    Aan het begin van Muidhond, de naam van de zwakke, geheimzinnige vis die Jonathan op zijn slaapkamer gevangen houdt, is Jonathan thuisgekomen van een kort verblijf in de gevangenis. Waarvoor hij is aangeklaagd, wordt pas in de loop van de roman duidelijk. In ieder geval heeft hij op een beslissend moment zijn zelfbeheersing verloren. Hij herinnert zich een buurmeisje met wie hij ‘te ver is gegaan’. ‘Nu moet ik opletten,’ denkt de gevoelige, sociaal onhandige jongeman voortdurend, alsof hij zichzelf tot de orde moet roepen.
    Jonathan probeert een ‘normaal’ leven te leiden met een baantje in de visverwerkingsfabriek. Met zijn eenzame moeder kijkt hij elke avond naar hetzelfde spelprogramma op tv, omdat ‘dat zo hoort’. Maar de verleiding is nooit ver weg, hoe fanatiek hij ook werkt aan zijn opdrachten die van hem ‘een beter mens’ moeten maken.

    Pedofilie is een gevoelig onderwerp in de literatuur. Romans over pedofilie vormen al snel het middelpunt van controverse of het mikpunt van spot. Zo werd Vladimir Nabokovs Lolita aanvankelijk door uitgevers geweigerd en werd het na publicatie in 1955 in Frankrijk enige tijd verboden. In Een honger, de onlangs verschenen roman van Jamal Ouariachi, houdt de hoofdpersoon een pleidooi voor pedofilie. Volgens de recensente van De Volkskrant wordt de roman een pamflet ‘als Ouariachi schoolmeestert over het beladen onderwerp pedofilie’. Wat Muidhond zo bijzonder maakt, zijn de kennis en het inlevingsvermogen waarmee de forensisch psycholoog Schilperoord haar hoofdpersonage portretteert. Zij beschrijft hoe Jonathan met de beste intenties zichzelf dwingt elke avond enkele opdrachten uit zijn ‘therapeutische werkboek’ te maken, totdat hij ervaart hoe groot de kloof tussen theorie en praktijk is. Als hij alleen is met een meisje voor wie hij wil zorgen, maar die hij ook lichamelijk wil bezitten, blijkt het stappenplan dat hem de juiste handelingen voorschrijft waardeloos. Op dat moment hoort hij alleen zijn oren suizen en ziet hij zijn handen trillen.

    Het is knap hoe Schilperoord, die als romanschrijver weinig ervaring heeft, erin slaagt om de spanning zo geleidelijk op te bouwen als in Muidhond. In de eerste helft van de roman lees je alleen over Jonathans inspanningen en zijn gedachten en twijfels bij de vooruitgang die hij boekt in zijn ontwikkeling tot een ‘normaal mens’. Jonathan moet zijn voorkeur voor kinderen inruilen voor volwassen vrouwen, zegt de psycholoog. Hij bouwt zijn dagen vol met rituelen en verplichte handelingen, zoals het uitlaten van de hond en koken voor zijn moeder. De schema’s die hij maakt en zijn therapeutische werkboek geven hem houvast in het onberekenbare, gevaarlijke alledaagse bestaan. Maar zijn doorzettingsvermogen en optimisme worden steeds meer ondermijnd door innerlijke onrust, omdat hij inziet dat hij niet in staat is om wezenlijk te veranderen. Schilperoord maakt van Jonathan een kwetsbaar en dubbelzinnig personage dat worstelt met zijn verboden neigingen, zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

    Je leert Jonathan kennen als een zonderlinge man die niet in staat is om richting te geven aan zijn leven. Hij heeft te weinig ambitie om de visverwerkingsfabriek te verlaten en het sobere, maar overzichtelijke en comfortabele leventje met zijn moeder weerhoudt hem ervan om risico’s te nemen en zijn eigen weg te gaan. Jonathan ziet het leven aan zich voorbij glijden, hoezeer hij ook moeite doet om er grip op te krijgen en er betekenis aan te geven. Hierdoor ontstijgt hij het profiel van de verwerpelijke, veroordeelde pedofiel en krijgt hij een algemeen-menselijk gezicht.

    Muidhond

    Auteur: Inge Schilperoord
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 17,50

  • Het verraad van de vriendschap  

    Het verraad van de vriendschap  

    Vriendschap is heilig voor Leon, de hoofdpersoon in Alles van elkaar, de debuutroman van columnist en journalist Leon Verdonschot (1973). Vrouwen komen en gaan, maar Leon en zijn beste vriend Martin zijn er altijd voor elkaar. Ze kennen elkaar al van de basisschool in het Limburgse Geleen, waar ze ook naar dezelfde middelbare school gingen en deel uitmaakten van een clubje wereldverbeteraars. Leon en Martin delen na ruim dertig jaar veel intieme geheimen, die voor de buitenwereld verborgen moeten blijven. Wanneer Martins nieuwe vriendin Kaat echter de jarenlange mailwisseling tussen hen ontdekt, komt de vriendschap in gevaar. Kaat wil namelijk dat Martin niet meer met Leon omgaat.

    Die vriendschap wordt tot in detail beschreven. Martin en Leon delen een belangstelling voor (betaalde) seksuele avonturen en brengen bezoekjes aan Thaise massagesalons, raamprostituees en seksboerderijen. Ze zoeken graag de grenzen van het betamelijke op en belanden daardoor in ongemakkelijke situaties. Alles van elkaar kent een hoog Spuiten en Slikken-gehalte.

    Martin is bereid om de vriendschap met Leon op een lager pitje te zetten, omdat hij Kaat niet wil verliezen. Maar volgens Leon pleegt Martin daarmee verraad, omdat hij hun jarenlange vriendschap opoffert aan een relatie. Leon begrijpt dat niet, want relaties duren bij hem nooit lang. De vriendschap is stabieler, duurzamer en meer diepgaand. De twee vrienden hebben immers geen geheimen voor elkaar. Bovendien komen alle smeuïge verhalen op tafel te liggen als een van de vrienden ‘de eed’ doorbreekt, en dat is ook voor Leon een zeer onprettige gedachte.

    Toch lijkt de vriendschap tussen Leon en Martin uit weinig meer te bestaan dan hun gedeelde avonturen en geschiedenis. Ze hebben amper inhoudelijke gesprekken. In de Volkskrant zegt Verdonschot daarover: ‘In een mannenvriendschap worden geen goede gesprekken gevoerd. Een vriend die in de shit zit, sla je op zijn schouder.’ Dat mag Verdonschot vinden, maar in een roman zorgt het voor een gebrek aan inhoud. Wat zoeken de vrienden in de seksuele escapades? Is het louter de kick, de spanning van datgene dat is weggestopt in de donkere hoekjes van de samenleving, of is het ook een vlucht voor voorspelbaarheid en regelmaat? De personages in Alles van elkaar bezoeken seksclubs en vliegen naar een popconcert van hun jeugdidool op een Thais eiland, maar daarop vindt weinig reflectie plaats.

    Verdonschots journalistieke, soms omslachtige formuleringen, werken ook niet mee. Na een bordeelbezoek is Martin nogal geïrriteerd, omdat hij lang op Leon heeft moeten wachten. Leon schrijft vervolgens: ‘Ik begon aan een gedetailleerde monoloog waarvan de lengte pas tot mij doordrong toen ik in Martins blik een mate van verveling zag die me zeer onaangenaam trof’. Leon vindt het moeilijk om zich in anderen te verplaatsen, dat is duidelijk. Een vriendschap van dertig jaar is dan een hele prestatie.

    Alles van elkaar is een toegankelijk, vermakelijk boek. Maar het heeft te weinig om het lijf om goede literatuur te zijn. Wellicht moet Verdonschot daarvoor meer afstand nemen van zijn eigen ervaringen en die meer in een kader plaatsen.


    Alles van elkaar

    Auteur: Leon Verdonschot
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 260
    Prijs: € 17,90

  • Het besloten universum van Cor Gout

    Volgens Wim Brands, de presentator van het televisieprogramma Boeken, zijn er veel onbekende schrijvers in Nederland die meer aandacht verdienen. Cor Gout, die onlangs zijn verhalenbundel Korenblauw uitbracht, is één van hen.

    Gout is een veelzijdig kunstenaar. Hij schrijft niet alleen verhalenbundels, maar publiceert ook poëzie, zingt in een band en maakt programma’s voor radio en televisie. Je zou Gout een hedendaagse homo universalis kunnen noemen, die in de geest van Goethe en Leonardo Da Vinci op meerdere terreinen zijn creatieve persoonlijkheid tot uiting laat komen.

    De verhalen in Korenblauw zijn van wisselende kwaliteit. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze teruggrijpen op het verleden van Cor Gout, die in het naoorlogse Scheveningen opgroeide, een rustige, welvarende plaats aan de rand van de grote stad. De Duitse bezetting is echter nooit ver weg. ‘Ze waren gebleven, in en rond het park, de Duitsers, als geestelijke verstekelingen’, schrijft Gout in het verhaal ‘Van Stolkpark, verboden gebied’. Hij doet verslag van verlaten en vergeten villa’s, waar ooit Joodse families woonden. In het verhaal loopt hij er rond als jongen, op zoek naar spanning en avontuur. Gout heeft een formidabel geheugen; de kleinste, veelzeggende details weet hij op een beeldende, levendige manier te beschrijven. ‘De Lero-lijn was een benzolproduct en werd geleverd in een kwartliterblikje met afsluitbare dop, alsof het een verfblikje betrof. Het spul rook onaangenaam en zou na jaren een groot deel van de collages bederven’. In het langere verhaal ‘Zelfportret in collages’ wordt verteld hoe hoofdpersoon Patrick op latere leeftijd een intiem beeld krijgt van zijn mysterieuze vader. ‘Zelfportret in collages’vormt een van de hoogtepunten uit de bundel omdat Patricks vader een kant blijkt te hebben die Patrick niet had verwacht. Of het verhaal nou is verzonnen of daadwerkelijk is gebeurd doet er niet toe; vooral de ontknoping is een gouden vondst.

    Maar de meeste verhalen in Korenblauw ontberen de scherpte en de verrassende wending die ‘Zelfportret in collages’ zo goed maken. Verhalen als ‘Suze’ of de ‘De fascinatie voor de barvrouw, het serveerstertje en de lokettiste’ weten de anekdote niet te ontstijgen. Het zijn grappige, vermakelijke en soms filosofisch getinte herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen en karakteristieke personen, maar ze missen een urgentie. Waarom wil Gout deze verhalen vertellen? Voor lezers die een indruk willen krijgen van de ‘veilige’, overzichtelijke jaren vijftig (toen de lokettistes in het postkantoor nog achter glas zaten en in de lerarenkamer nog de krant gelezen werd), heeft deze bundel veel te bieden. Voor andere, met name jonge lezers, is Korenblauw oneerbiedig gezegd een bundel knap vertelde verhalen uit grootvaders doos.
    Dit had Gout voor een deel kunnen voorkomen door zijn woordkeus aan te passen. Zo komen woorden als ‘billijken’, ‘onheus’ en ‘armetierig’ voorbij. Woorden waar je makkelijk hedendaagse synoniemen voor kunt gebruiken, zodat je niet het gevoel krijgt dat je eerst een laag stof op het boek moet wegblazen. De tekeningen van Hélène Penninga geven de verhalen meer speelsheid mee, maar versterken tegelijkertijd het gedateerde karakter van het boek. Het besloten universum dat Gout heeft geschapen is aantrekkelijk, maar hij weet de lezer nog niet helemaal te verleiden.
    Korenblauw
    Cor Gout
    152 blz.
    € 23,50
    Uitgeverij In de Knipscheer

     

     

  • Zeven dagen uit het decadente leventje van een jonge, wanhopige schrijver

    Zeven dagen uit het decadente leventje van een jonge, wanhopige schrijver

    Enkele weken geleden stond er in De Volkskrant een interessant interview met de Amerikaanse psycholoog Barry Schwarz over ‘keuzestress’. Schwarz vertelde dat vrijheid niet per se meer welzijn betekent, maar mensen ook ongelukkig kan maken. ‘De bevoorrechte generatie ervaart doelloosheid en heeft moeite om van de drugs af te blijven,’ zei hij. ‘Een fatsoenlijk leven leiden is tegenwoordig niet genoeg meer. Waarom zou je daar genoegen mee nemen als alles mogelijk is?’

    De nieuwe roman van Philip Huff, Boek van de doden, wordt bevolkt door leden van deze bevoorrechte generatie. Hoofdpersoon Felix Post, een jonge schrijver die enkele succesvolle boeken op zijn naam heeft staan, maar nu kampt  met een gebrek aan inspiratie en de gevolgen van een verbroken relatie, vult zijn dagen met het ophalen van herinneringen aan zijn ex-vriendin Victoria en het maken van afspraakjes met vrienden en gewillige vrouwen. Felix, het alter ego van Philip Huff, heeft weinig te klagen, zou je denken. Terwijl andere, meer ‘middelmatige’ mensen zich dagelijks afmatten met een negen-tot-vijf-baan en een stel eigengereide kinderen, werkt Felix aan zijn creatieve projecten en schuift hij aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk om zijn visie op de Amerikaanse schrijver Salinger te geven. Toch heeft hij de cocaïne van zijn ‘vriend’ Seth nodig om zijn lege dagen door te komen. ‘We nemen onze pillen en we leven nog.’

    ‘De Avonden, maar dan in het nu’, staat op de achterkant van de roman. Nrc.next presenteerde Huffs nieuwe roman als ‘het portret van een generatie’ en wijdde er een uitgebreid artikel aan dat met een grote foto op de voorpagina werd aangekondigd. Maar Boek van de doden is geen portret van een hele generatie (die van eind twintigers en begin dertigers), omdat het boek over een select clubje gaat. De aanstormende schrijvers, acteurs en andere creatieve geesten zijn kinderen van rijke investeerders of bemiddelde bankiers. Ze hebben allemaal hoge verwachtingen, proberen een voet tussen de deur te krijgen in de ogenschijnlijk aantrekkelijke wereld van de media, omdat ze anders ‘mislukt’ zijn. Het zijn de mensen uit  ‘Alles wat we wilden’, de documentaire over de gefnuikte dromen en verwachtingen van creatieve twintigers en dertigers. Huff werkte daar ook aan mee. Het is jammer dat geen enkel personage in Boek van de doden werkelijk op zijn bek gaat en wordt gedwongen om verder te kijken dan het zichzelf feliciterende wereldje waar de personages rondjes in draaien. ‘Felix, denk je niet dat het tijd wordt dat je dat schrijven naast iets anders gaat doen, zoals docent?’ probeert Felix’ moeder nog. ‘Mam,’ reageert Felix, ‘wil je in mijn bijzijn alsjeblieft geen smerige woorden gebruiken?’

    Net als De Avonden speelt Boek van de doden zich af tijdens de laatste dagen van het jaar. De dagen zijn kort, het is koud en de straten zijn uitgestorven. Huff heeft veel aandacht voor Felix’ gevoelens en beschrijft die op een gedetailleerde en beeldende manier (‘Mijn hard klopt hard en hoog in mijn borstkas. Mijn benen en billen voelen klam aan’). Maar door het gebrek aan humor en distantie, die zo kenmerkend zijn voor Reve’s meesterwerk uit de jaren veertig, krijgt de roman op een gegeven moment een benauwend, langdradig karakter. De verteller Felix registreert alleen, maar levert nooit commentaar. Felix neemt zichzelf erg serieus, er is geen moment waarop hij zijn eigen toestand relativeert. Daardoor lijkt alles heel zwaar en ernstig. Er is geen licht aan het einde van de tunnel, of het moet de mooie, getalenteerde Victoria zijn. Maar die is onbereikbaar.

    Tijdens een feestje spreekt een meisje haar bewondering uit over de romans van Felix. ‘Je eerste boek was zo prachtig. Het enige goede van de crisis. Het gaat om verloren materiële rijkdom, de zoektocht naar moraliteit in een immorele wereld.’ Felix heeft geen boodschap aan deze loftuiting, zoals hij zelden een boodschap heeft aan de complimenten die hij krijgt of de kansen die hem in de schoot worden geworpen. Is het valse bescheidenheid van de auteur? Want Huff werpt zich in de krant en op tv maar al te graag op als vertegenwoordiger van een ‘lost generation’. Niettemin heeft deze bewonderaarster een punt. Huffs tweede roman, Niemand in de stad (2012), was een prachtige, geslaagde roman vanwege de treffende beschrijvingen van het corporale studentenleven en de wanhopige pogingen van de personages om een zinvol leven te leiden. De spanning tussen de verwachtingen van de omgeving (ouders, studentenvereniging, vriendin) en de grillige, chaotische en verleidelijke realiteit (vrouwen, homoseksualiteit, literaire ambities) zorgde voor een tragiek die in Boek van de doden afwezig is. Hier heerst de volledige vrijheid en daarmee ook de zinloosheid. Huff doet er goed aan om wat meer om zich heen te kijken, want hij kan zoveel meer.

     

     

  • De ondergang van een praatjesmaker 

    De ondergang van een praatjesmaker 

    Op de voorkant van Albrecht en wij, de debuutroman van Lodewijk van Oord, staat een foto van een neushoorn die boven de droge, Afrikaanse vlakte hangt. Hij lijkt op een drenkeling die net op tijd in veiligheid wordt gebracht.

    De neushoorn is Albrecht, het laatste neushoornmannetje ter wereld. Hij speelt een prominente rol in deze toekomstroman over grenzeloze ambitie en botsende idealen. Edo Morell, de vlotte, jonge directeur van een Amsterdamse dierentuin, heeft een masterplan bedacht om zijn noodlijdende dierentuin te redden en laat daarvoor Albrecht uit het buitenland naar de Amsterdam komen. Sariah, een Zuid-Afrikaanse neushoornspecialist van vijfendertig jaar, moet ervoor zorgen dat Albrecht het in Amsterdam naar zijn zin krijgt. De bedoeling is dat het norse neushoornmannetje gaat paren met een al aanwezig vrouwtje, maar wanneer de omstandigheden hier een stokje voor steken, ontpopt Edo zich steeds meer tot een autoritaire, op sensatie beluste dierentuindirecteur die geen enkel middel schuwt om zijn doel te bereiken. De gevoelige Sariah, met wie Edo in de loop van het verhaal een relatie krijgt, keert zich steeds meer van hem af.

    Over het plot van Albrecht en wij is goed nagedacht. De zelfgenoegzame dierentuindirecteur, die zijn belangstelling voor het welzijn van zijn omgeving verliest door zijn obsessie met grootsheid en succes, is een goed recept voor een hedendaagse tragedie. Edo gaat zijn eigen ondergang tegemoet, zoals Oedipus, Macbeth en Laarmans dat voor hem deden. Het is jammer dat Lodewijk van Oord er niet in slaagt om aan deze klassieke formule een geloofwaardige invulling te geven. Albrecht en wij staat vol clichés, stereotypen en simplificaties.
    Een paar voorbeelden: de Zuid-Afrikaanse Sariah, getraumatiseerd door de moord op haar vriend in haar moederland, is nogal schuchter wanneer ze kennismaakt met de blaaskaak Edo. Niet lang daarna merkt Frank, een van de personages die het verhaal vertelt, dat Sariah steeds meer een Nederlandse wordt, ‘want ze krijgt steeds meer een grote mond’. Wanneer Sariah een kus op tv ziet, heeft ze zin in seks en springt ze bij Edo op schoot. Lodewijk van Oord heeft met Sariah een impulsieve, ondoorgrondelijke vrouw willen neerzetten, maar je vraagt je af of Van Oord niet te veel naar soaps heeft gekeken. Edo is een alfamannetje dat altijd het hoogste woord wil hebben, maar zijn karakter gaat al snel op de zenuwen werken, want over zijn kwetsbare kant komt de lezer niets te weten. Op een gegeven moment zit Edo buiten op een bankje, grotendeels naakt. Hij probeert zichzelf te zien door Albrechts ogen, zegt hij. Wanneer Sariah Edo aanspreekt, praat de yup ‘op een filosofisch toontje’. Hij gaat –voor de zoveelste keer – Sariah de les lezen over de verhouding tussen dieren en mensen. ‘Voor het dier zijn wij de Ander.’ Het zijn gemakzuchtige, nietszeggende passages, die op een geforceerde manier diepgang aan een boek moeten geven.

    Lodewijk van Oord woont al bijna zijn hele leven in het buitenland en dat is aan zijn taalgebruik goed te merken. Hij strooit niet alleen veelvuldig met Engelse modewoorden (suspense, catastrofe of my making), maar gebruikt ook vernederlandste Engelse woorden (‘selfoon’ voor mobiele telefoon, ‘bottel’ voor wijnfles). Of Van Oord heeft hiermee zijn boek en personages een internationaal karakter willen meegeven, of zijn redacteur heeft zitten slapen. Waarschijnlijk is het laatste het geval, want Van Oords beeldspraak is al niet veel beter. Hij spreekt over ‘een kwak water’ die uit de bomen valt en ‘klonterige wolken’. Verder komen er ouderwetse woorden voorbij als ‘sedert’, ‘stoutmoedig’ en ‘warempel’. Natuurlijk, in deze passages is de oudere kunsthistoricus Frank aan het woord, maar door zijn woordgebruik lijkt hij weggelopen te zijn uit de Fabeltjeskrant.

    Aan het einde van het verhaal valt de droom van Edo langzaam in duigen. Uit verzet tegen Edo’s hartvochtige plannen gooit Sariah de handdoek in de ring, maar later trekt ze toch aan het langste eind. Edo toont de arme Albrecht over de hele wereld aan volgepakte stadions vol uitzinnige toeschouwers die een glimp van de laatste neushoorn ter wereld willen opvangen. Hoewel niet helemaal duidelijk wordt waarom hele steden uitlopen om een neushoorn te zien (een dier is nog geen popster, ook al is hij bijna uitgestorven), behoren de laatste scѐnes tot de beste van het boek. Pas dan komt het absurde karakter van Edo’s megalomane plannen aan het licht. Wanneer Van Oord in de rest van het boek zijn streven naar realisme had laten varen en meer ruimte had gegeven voor dit absurdisme, was de strekking van deze ambitieuze roman in ieder geval een stuk duidelijker geweest.