• Over de dichter die wel of niet bestaat

    Over de dichter die wel of niet bestaat

    Schrijfster Emmelien Kramer draagt haar roman op aan ‘alle slachtoffers van de martelingen tijdens Operación Garzón in de zomer van 1992, aan alle slachtoffers van de martelingen in Via Laietana 43, aan alle slachtoffers van alle martelingen.’ Zij doelt daarmee op de gruwelijkheden voorafgaand aan de Olympische Spelen in 1992, toen de Spaanse politie – officieel met als doel een aanslag op de Spelen te voorkomen – 45 Catalaanse nationalisten vastzette en martelde. Het adres dat ze noemt duidt dan weer op de plek waar in het Spanje onder Franco alle dissidenten werden vastgehouden.

    In Woestijnpassages beschrijft Kramer, die een tijd in Barcelona woonde, hoe Rodrigo Torres, een Latijns-Amerikaanse schrijver, in Barcelona op zoek gaat naar een mysterieuze dichter genaamd Àngel Or. We beginnen in medias res met een spannende scène in een bibliotheek waar Àngel wordt opgepakt. Hij verdwijnt: ‘Onvermijdelijk kwam het moment dat de laarzen een hoofd en twee handen werden, een Spanjaard, een jonge jongen nog, ogen met wijd open pupillen (…) hij trok Àngel Or met een ruk achter de boekenkast vandaan.’

    De tegenstelling is duidelijk: het is niet zomaar een agent of lid van de Guardia Civil, het is een Spanjaard die een Catalaan, die kennelijk als separatist wordt aangemerkt, uit de boeken vandaan trekt. Niet met de beste bedoelingen, dat is duidelijk, maar dat het zo erg zou worden, weet de lezer op dat moment natuurlijk nog niet. Rodrigo Torres, die er het ene moment van overtuigd is ‘dat hij hem in zijn geheel zou kunnen terugkrijgen en op het andere moment slechts in delen, in fragmenten’, nemen ze niet mee.

    Schaduw

    Het boek bestaat in eerste instantie uit fragmenten omdat Rodrigo Torres als een soort detective op zoek gaat naar de handel en wandel van Àngel Or; het is geen whodunit maar een whowasit. Wie is die mysterieuze man, en waarom is hij opgepakt in de bibliotheek waar zelfs de boeken hem niet konden beschermen?

    Die informatie is inderdaad gefragmenteerd: er komen zelfs anonieme telefoontjes aan te pas die Rodrigo Torres vertellen dat Àngel Or misschien wel helemaal niet bestaat: ‘Naar wie ze op zoek waren (…)? Dat weet ik niet, misschien maar een schaduw, een aantal dauwdruppels die bloem vormen. Wat is het waar de Spaanse overheid werkelijk naar op zoek is? (…) Àngel Or [is] de schaduw van het Catalaanse volk, hij gaat waar wij zijn, hij is onze inspiratie (…) Het maakt ook niet zoveel uit of hij echt bestaat, wat denk je zelf?’

    Waanbeeld

    Op die manier lijkt Kramer duidelijk te maken hoe twee partijen in zo’n onafhankelijkheidstrijd als die in Spanje in de wedstrijd zitten. Voor de ene partij is de onafhankelijkheid een ideaal, een inspiratiebron. Maar hoe weet je hoe het is om onafhankelijk te zijn als er in je leven altijd maar één Spanje is geweest? Toch is voor de Spaanse overheid de onafhankelijkheid evenmin concreet. Men weet dat iets bestreden moet worden maar wat precies is eigenlijk ook niet helemaal helder. Ze kiezen gewoon iemand uit om te arresteren om maar met wat concreets te komen. Een zondebok, die in dit geval luistert naar de naam Àngel Or.
    De Catalaanse onafhankelijkheid is in wezen voor alle partijen geheimzinnig; niemand weet hoe die er daadwerkelijk uit zou (moeten) zien. Ook de recent gerehabiliteerde Carles Puigdemont niet, vermoedelijk.

    Naarmate het boek vordert weet je als lezer nooit echt waar je aan toe bent: wie is die Àngel nu precies? En waarom brandt er eigenlijk een kaars zonder op te gaan in Rodrigo’s appartement? Waarom interesseert Rodrigo zich zo voor hem? De vragen dringen zich al lezend op. Daarop geeft Kramer lang geen duidelijk antwoord, tot vlak voor het einde, wat alle voorgaande bladzijden meteen in een ander, dreigender licht zet. Een beetje zoals de macht van de Spaanse, per definitie sterkere, overheid altijd dreigend boven Catalonië hangt wellicht? Al met al is dit boek daarmee een knappe prestatie: het is een prikkelende mengeling van een detective met een politieke geëngageerdheid, die de lezer verbouwereerd achterlaat.

     

     

  • Een ongrijpbaar, prachtig boek

    Een ongrijpbaar, prachtig boek

    Bij lezing van de nieuwe roman van de Pool Jakub Małecki, getiteld Saturnin, dringt zich bij tijd en wijle de indruk op dat er iets nét niet in de haak is, alsof een schilderijtje scheef hangt dat je maar niet recht kan krijgen. Dat unheimische gevoel wordt concreet als de verteller een buskaartje beschrijft dat heen (7 km) de reis korter voorstelt dan terug (9 km). Zo is het precies met dit boek, je weet dat er iets niet helemaal klopt, maar wat dat is, blijft lang onhelder. Toch slaagt Małecki er heel goed in de lezer mee te zuigen in een poging van de verteller(s) hun familieverleden te begrijpen. Saturnin is Małecki’s tweede in het Nederlands vertaalde boek, na het zeer positief ontvangen Roest.

    De plot van de roman is niet in een paar zinnen samen te vatten. De sfeer wel: die is voor een groot deel droomachtig. Dromen worden daadwerkelijk beschreven, maar andere delen lijken op verkenningen van de schrijver. De schrijver tast alternatieve werkelijkheden af in fantasievolle (dag)dromen; wat als een situatie anders was gelopen? Er is niet één waarheid, zo lijkt Małecki te stellen, zonder dat die vaststelling cliché aanvoelt. En door middel van zijn nawoord zet hij zijn eigen roman in wezen ook weer op z’n kop. Waardoor dat komt, moet maar even in het ongewisse blijven, om spoilers te voorkomen.

    Zijn ‘idiote naam’

    Małecki schrijft geestig en toegankelijk, waardoor het boek gemakkelijk leest. Toch is het dat niet; het snijdt heftige thematiek aan die de lezer niet onberoerd laat. Hoofdpersoon Saturnin, oud-gewichtheffer, wordt namelijk min of meer gedwongen zich in de, voor hem onbekende, heftige geschiedenis van zijn grootvader te verdiepen. Saturnin woont inmiddels in de grote stad en één van de grote vragen waar hij mee worstelt is waarom hij nou in vredesnaam zo’n ‘idiote naam’ heeft.

    Zijn opa, Tadeusz, een stugge man wiens verleden als militair in de Tweede Wereldoorlog voor Saturnin een raadsel is, blijkt opeens verdwenen. Halsoverkop rijdt hij naar Kwilno op het Poolse platteland, ten westen van Warschau, waar hij is opgegroeid. Daar woont zijn grootvader met zijn dochter, Saturnins moeder. Samen met zijn moeder gaat hij zijn opa zoeken. Hij blijkt vernoemd naar een dienstmaat van zijn grootvader, wat het startschot betekent voor een duik in het verleden.

    Małecki doet een reuzenstap terug in de tijd als het verleden van Tadeusz aan bod komt wanneer hij de (ogenschijnlijk gedroomde) avonturen van Tadeusz als militair in het Poolse leger tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Het is dat onderdeel van het boek dat het meeste indruk maakt.

    Poppen

    De auteur laat zien hoe een oorlog voor een militair een onduidelijk en onbegrijpelijk fenomeen is. Ook Tadeusz lijkt zich te realiseren dat er iets niet klopt: ‘ik weet niet of dit zo hoort, of oorlog neerkomt op om iemand heen lopen, maar ik zeg niks, want ik hier geef ik de voorkeur aan, ik geef er de voorkeur aan om iemand heen te lopen dan dat ik ga vechten, dus zet ik zwijgend de ene stap na de andere, wel vind ik het een beetje stom: in uniform, en toch een lafaard. Dat is precies wat ik ben. (…) De hele tijd had ik schijnbaar gehoopt dat we zo zouden blijven marcheren en kruipen tot de oorlog voorbij was en we veilig naar huis konden terugkeren. (…) Overal soldaten, half bewusteloos, onder het bloed en de modder. Ze liggen als poppen verspreid over het gras en het mos. Ze slapen of kijken voor zich uit, alsof er niets meer is.’

    In die chaos komt Tadeusz terecht, raakt hij gewond en keert hij na zijn herstel terug de oorlog in. Zijn zus Irka bezweert dat hij niet zal sterven, maar dat, mocht het toch gebeuren, ze elkaar bij een vijver in de buurt zullen ontmoeten. Helaas blijft dat laatste bij een droom.

    Verzetsstrijder

    Daarna verwordt Saturnin tot een lappendeken van realiteit en fantasie. Tadeusz sneuvelt, maar hij vertelt verder: ‘Een paar boeren uit een naburig dorp begraven me tegelijk met anderen die aan de Bzura zijn gesneuveld, het graf is drie bij vijf meter, tamelijk ondiep en er passen veertien lichamen in. (…) Ik zal dus op mijn zij liggen en helemaal verdraaid, met mijn rechterarm onder mij (…) Mijn hoofd drukt in de rug van een magere Duitse soldaat. (…) Mijn ouders zullen mijn lichaam nooit te zien krijgen.’

    Daar blijft het niet bij. Hij staat plots weer op en verandert in een gevierd verzetsstrijder die menig Duitser ombrengt. Hij glijdt als een slang door de bossen richting zijn volgende slachtoffers en ziet zijn vriend Saturnin, die wat aan de corpulente kant is, bosjes Duitsers in één keer verzwelgen. Tadeusz wordt met andere woorden een held. Maar is hij het ook werkelijk? Zodoende verklaart Małecki langzaam maar zeker waarom Tadeusz op zijn oude dag verdwijnt.

    Al met al is Saturnin al een prachtig geschreven boek. Het droomachtige gevoel dat het bij de lezer oproept maakt dat wat er gebeurt ongrijpbaar – maar zijn dromen zelf dat niet per definitie? De roman maakt de lezer op haast pijnlijke wijze deelgenoot van het verdriet dat een oorlog aanricht binnen een familie. Een boodschap die nu, na 14 maanden oorlog in Oekraïne, alleen nog maar heviger resoneert.

     

     

     

  • Zinnen als vuistslagen met waarde voor het heden

    Zinnen als vuistslagen met waarde voor het heden

    In 2022 kwam in Italië Fratelli d’Italia (Broeders van Italië) aan de macht. De leider van die partij, en thans premier van Italië, Giorgia Meloni, won die verkiezingen met een tamelijk onwelriekende nationalistische, en in feite post-fascistische, agenda (‘God, land en familie’). Meloni is rechtstreeks afkomstig uit de inmiddels niet meer bestaande politieke partij Movemente Sociale Italiano die opgericht is door aanhangers van de Italiaanse dictator Benito Mussolini. Ze zal nu, wellicht voor de bühne, een iets gematigder toon aanhouden, maar dat zoiets zorgwekkend is, staat buiten kijf. Ook nu weer lijkt Italië met andere woorden klaar te staan ‘om zich te plooien naar de ergste regeringen. Het is zoals bekend een land waar alles slecht functioneert. Het is een land waar chaos, cynisme, incompetentie, verwarring heerst.’

    Deze zinnen verschenen echter niet vorig jaar, maar ruim zestig jaar geleden in een essay dat samen met tien andere essays van Natalia Ginzburg uit de jaren veertig en vijftig is gebundeld onder de titel De kleine deugden. De bundel verscheen al in de loop van de jaren zestig, in dezelfde volgorde en met deze titel, maar zijn nu in het Nederlands vertaald en ingeleid door journalist Jan Postma. In deze recensie komen overigens niet alle essays aan de orde.

     Verzet tegen het fascisme

    Ginzburg (1916-1991), geboren in Palermo als Natalia Levi, was een Italiaanse romancière, essayist en op latere leeftijd politica wier leven werk getekend zijn door precies datgene waar Italië nu weer mee te maken lijkt te krijgen: fascisme en nationalisme. Haar vader is joods en haar moeder katholiek, maar gelovig wordt ze niet opgevoed. Haar hele familie verzet zich tegen het in die tijd oprukkende fascisme; haar broer vlucht naar Zwitserland en haar vader en haar eerste man, Leone Ginzburg, een professor in de Russische literatuur worden vastgezet. Wanneer hij vrijkomt, wordt hij verbannen naar een klein dorpje in de Abruzzen.

    Over die tijd komt de lezer meer te weten in het openingsessay ‘Winter in de Abruzzen’, waarin ze in een droge, bijna ironische stijl beschrijft hoe zij die tijd met haar gezin doorbrengt. Ze verhaalt over de manier waarop ze proberen in te burgeren in een klein dorpje waar zij als stadsmeisje in eerste instantie geen voet aan de grond kan krijgen. Uiteindelijk keert haar man terug naar de stad, nadat de Duitsers Italië zijn binnengevallen. Hij wordt daar op gruwelijke wijze doodgemarteld door de Gestapo.

    Geknakt vertrouwen

    Achteraf moet ze constateren dat zij voor de dood van haar man en nota bene in ballingschap nog ‘vertrouwen in een lichte vreugdevolle toekomst [had], vol ingeloste verlangens, vol ervaringen en gewone heldendaden. Maar dat was de beste tijd van mijn leven en pas nu die me voorgoed is ontglipt, pas nu besef ik dat.’ En in een later essay, getiteld ‘De Mensenzoon’ dat na de oorlog verscheen, noteert ze: ‘Ik heb altijd het gevoel dat we op een goede dag weer ’s nachts moeten vluchten en alles, rustige kamers en brieven en herinneringen en kleding achter moeten laten (…). We genezen niet meer van de oorlog. (…) We zullen nooit meer onbezorgde mensen zijn, mensen die nadenken en studeren en in vrede hun leven leiden. Jullie zien wat er met onze huizen is gebeurd. Jullie zien wat er met ons is gebeurd. We zullen nooit meer geruste mensen zijn.’ Het zijn zinnen die je als vuistslagen treffen.

    Het zijn de essays waarin de (nasleep van) de oorlog een rol speelt, die het meest indringend zijn. Het essay waar het citaat in de inleiding uit komt, is zelfs een wat klagerig aandoend stuk over waarom Engeland geen fijne plek is. Ook het bekende en veelgeprezen ‘Hij en ik’, over haar relatie met haar tweede man, is een stuk minder indrukwekkend omdat het de lading lijkt te missen die essays als ‘Winter in de Abruzzen’ en de ‘Mensenzoon’ wel hebben.

    Aansprekend

    Maar onder aan de streep maakt dat niet uit; haar ogenschijnlijk eenvoudige stijl en de als gezegd soms licht ironische ondertoon maken dat ook de mindere essays de moeite van het lezen waard zijn – de zin met actualiteitswaarde aan het begin komt nota bene uit één van de mindere stukken. Maar haar persoonlijke blik op de gevolgen van het nationalisme en fascisme blijven de lezer het meeste bij. Zoals Jan Postma in zijn mooie inleiding terecht opmerkt, is de ‘materie autobiografisch, maar dat geldt niet voor het resultaat. Het proza is tegelijkertijd specifiek en intiem en voorzichtig losgeweekt van de particuliere omstandigheden van Ginzburgs leven. Ja, het is haar leven waarover ze schrijft, maar door erover te schrijven begint dat ene leven toch en beetje te voelen als hét leven.’

    Misschien is dat wel de reden dat de teksten ook nu nog aanspreken. Laten we hopen dat Ginzburg ook in het huidige Italië veel gelezen wordt – zodat Fratelli d’Italia het niet al te lang uithoudt in het centrum van de macht.

     

     

  • Een bezield boek

    Een bezield boek

    De straatwaarde van de ziel van Roel Bentz van den Berg verscheen al in maart 2022. Deze recensie zou je in dat opzicht rijkelijk laat kunnen noemen, maar het te bespreken boek vergt veel tijd om te lezen en te doorgronden. De auteur laat de lezer namelijk mee verdwalen in – soms ogenschijnlijk onsamenhangende – associaties, gedachten en herinneringen.

    Bentz van den Berg is essayist, romancier, voormalig programmamaker bij de VPRO en redacteur bij De Gids. De straatwaarde van de ziel is zijn 5e essaybundel. De essays, die variëren in lengte van enkele tientallen pagina’s tot kortere column-achtige overpeinzingen, gaan over allerhande onderwerpen: Bob Dylan, Neil Young, Bruce Springsteen, Nietzsche, zijn vader die acteur was, een oud-docent aan de universiteit, zelfs Dagobert & Donald Duck en nog veel meer figuren (‘gasten‘, zoals Bentz van den Berg ze in het register noemt) passeren de revue. Het is allemaal erg véél, en soms wat vol. De lezer moet regelmatig terugbladeren om de lijn niet uit het oog te verliezen.

    Doorzetten

    Het knappe aan het boek is dat Bentz van den Berg dat wéét en er bepaald niet geheimzinnig over doet. Hij lijkt zijn lezers een ongefilterde blik in zijn gedachten te willen geven. En die gaan alle kanten op: ‘Al de zijstraten die ik in het voorgaande ben ingeslagen, en daar dan ook weer zijstraten van, zowel autobiografisch als anderszins, van brede boulevards tot doodlopende stegen – Borges, God, Google Earth, konijn, oma flâneur, Reve – daar zit een gedachte achter.’ De verschillende stukken concentreren op onderwerpen die niet iedere lezer van een jongere generatie helemaal zal doorgronden zonder daarbij het een en ander op te zoeken. De gemiddelde millennial of Gen-Z’er zal vermoedelijk weinig op hebben met sommige ‘gasten’ die in het boek voorkomen. Daar staat tegenover dat het boek juist ook de jongere lezer dwingt kennis te nemen van schrijvers, liedjes (‘songs’, zoals Bentz van den Berg ze consequent noemt) of filosofen. Het is daardoor niet iets wat per definitie afdoet aan de zeggingskracht van de essays. Wel is het soms in enige mate frustrerend dat er zoveel informatie in de stukken zit dat het vrijwel geen doen is om álle referenties en verwijzingen naar muziek, filosofie en literatuur uit te zoeken. Je zou het boek eigenlijk tweemaal moeten lezen.

    Bezieling

    In feite komt een groot deel van de stukken in meer of mindere mate terug op de ziel; niet alleen van mensen die de schrijver bewondert of interessant vindt, maar ook van dingen, en van plekken. Zo gaat één van de mooiste stukken in het boek over een bezoek van Bob Dylan tijdens een tournee door Canada aan de jongenskamer van Neil Young omdat Dylan wilde zien wat Young zag als kind. Kennelijk is de ruimte zélf, ook al woont er nu allang iemand anders, op een bepaalde manier bezield door diens vorige bewoner.

    Bentz van den Berg gaat zelfs zo ver dat ook de toekomst iets kan bezielen; als hij zich herinnert dat hij een liedje van Dylan voor het eerst hoorde: “Ik was vijftien toen ik het nummer voor het eerst samen met een aantal vrienden op mijn kamer hoorde en direct een helder visioen kreeg van het moment in een verre toekomst dat ik naar precies dit moment – waar die vooruitblik zelf ook eer zo’n belangrijk deel van uitmaakte – zou gaan terugverlangen. Een moment dat de rivier van de tijd even in zichzelf terugstroomt, een déjà vu van de toekomst. Moeilijk uit te leggen, maar niet moeilijk te begrijpen.’

    Soms is het boek ook echt wel wat moeilijk te begrijpen en vergt het doorzettingsvermogen om dóór te lezen. Maar Bentz van den Berg beloont die inzet in het titelessay, waarin hij als het ware tot een samenvatting komt van alles wat daarvoor voorbijkwam. Hij pleit daarin onder andere voor het verdwalen in de straten van een willekeurige stad omdat ‘Op straat (…) raakt “ziel” eindelijk verlost van het dode gewicht van het filosofisch-theologische “de” dat zich eraan had vastgeklampt, en verandert gaandeweg van een zelfstandig in een bijvoeglijk naamwoord en ten slotte bijwoord, een universele kwalificatie: niet iets wat specifiek hier of daar is, maar iets wat als kwaliteit, als ondertoon, als stemming, of nuancering juist overal kan zijn – een tweede, zo niet eerste laag die de dingen zoals ze zijn diepte geeft, voelbaarheid, betekenis, gezicht.” Precies zo verdwaalt de lezer in dit boek.

    De straatwaarde van de ziel is al met al een bundel die je zou moeten lezen om precies te weten waar het over gaat. Een recensie doet de essays eigenlijk per definitie te kort. Het is lastig uitleggen wat er nu exact zo boeiend aan is, maar wie het boek heeft gelezen zal vermoedelijk geen moeite hebben het te begrijpen.

  • Een onaf experiment

    Een onaf experiment

    Het boek Het einde van het lied van Willem du Gardijn draait om drie mensen: een vrouw, haar man en keizer Hadrianus (76 – 138 na Christus), over wie Marguerite Yourcenar ook al eens een roman schreef. Du Gardijn is van oorsprong historicus maar realiseerde zich op een gegeven moment dat romanciers betere en mooiere teksten schreven over geschiedenis dan de beste historici, zonder ook maar een voetnoot naar academisch-historische bronnen. Dat deed hem wellicht besluiten zich te gaan richten op de letteren. Dit boek lijkt daarvan een gevolg aangezien een historisch feit de literaire finale van het boek vormt

    Hadrianus

    Van keizer Hadrianus is bekend dat hij stierf in Baiae in het huidige Italië en ook dat dit op 10 juli 138 plaatsvond. Onhelder is echter wáár de keizer nu precies stierf. Du Gardijn doet een poging dat te achterhalen door zich in het hoofd van de vermoeide en zieke keizer te nestelen en hem diens laatste reis naar zijn plaats van overlijden te laten beschrijven. Hij laat Hadrianus in een soort dagboek van brieven schrijven, waarin hij van dag tot dag zijn maaltijden beschrijft, zijn afkalvende gezondheid en de gesprekken die hij voert met zijn gevolg over zijn nakende overlijden. Hij reflecteert daarin op zijn wens herinnerd te worden, door middel van zijn daden maar ook door de gebouwen die zijn naam dragen. Met de muur van Hadrianus – de meest noordelijke grens van het Romeinse Rijk in Groot-Brittannië om het Romeinse Rijk tegen de Picten te beschermen – is dat in elk geval gelukt.

    Adriaan

    De schrijfsels van Hadrianus beslaan maar een derde van het boek, het vormt het laatste ‘Lied’ (het boek is opgedeeld in drie liederen). De lezer heeft dan al twee geheel andere Liederen gelezen, novelles bijna. Het tweede deel gaat over een schrijver annex onderzoeker, Adriaan, die aan het begin van deze eeuw bezig is met een onderzoek naar Hadrianus. Vermoedelijk is hij de auteur van het derde deel. Hij woont een periode in Napels en is bezig met historisch (veld)onderzoek naar Hadrianus. Het onderzoek vlot niet zoals hij zou willen; het lijkt wel alsof zijn Italiaanse bronnen helemaal geen zin hebben in een Nederlander die rondneust in de omstandigheden van een keizer die bijna twee millennia geleden overleed. Het appartementje waar hij bivakkeert lijkt aanvankelijk een prettige plek, maar hij voelt zich, ook daar, steeds meer een ongenode gast.

    Aimée

    Het eerste deel lijkt een vreemde eend in de bijt – al schuift hoofdpersoon Aimée op enig moment wel een boek over Hadrianus opzij, valt zijn biografie later nog eens op de grond en liggen er ergens te veel dingen over de keizer in de weg. Aimée blijkt de vrouw van Adriaan. Ze heeft een affaire gehad met Yves, haar pianostemmer. Adriaan komt erachter, waarna zij in een depressie belandt. De soms ultrakorte zinnen waarmee Du Gardijn haar gedachten en gevoelens beschrijft trekken de lezer werkelijk helemaal mee in haar overwegingen en gedachtes. Het grijpt bij de keel: ‘Ze deed net of ze las in bed. Later deed ze net of ze sliep. Het was te warm. Kon ze maar ergens in een zwembad liggen. De klok had de tijd tot na enen weggetikt. Ze hoorde slechts stemmen, varianten op varianten. Ik ben te dun aan de buitenkant. Voel me veel, behalve mijn naam. Waarom hielpen die pillen niet?’ Adriaan is in dit eerste deel zo op het oog een wat naïeve echtgenoot die de moed erin probeert te houden, Aimée aanspoort om er toch vooral iets van te maken en ondertussen lesgeeft op een middelbare school over de Metamorfosen van Ovidius.

    Drie Liederen

    De vraag die zich opdringt is wel: wat moet je met deze drie delen? Ze zijn overduidelijk aan elkaar gelinkt door de personages en de historische figuur, maar wat betekent dat alles? Dit boek heeft wat onbevredigends. Het heeft iets van een onaf experiment; alsof je steeds een fragment van een op het oog uitstekende film ziet, zonder dat je weet waar het de regisseur nu precies om te doen is. Steeds als de film je net begint te bevallen wordt er, zonder dat je dat wilt, gezapt.

    Wat stoort is dat het personage Adriaan niet tot leven komt in zijn relatie met Aimée. In het tweede deel blijft dat helaas zo: uiteindelijk kom je ook daar vrijwel niets over hem te weten omdat het in dat deel voornamelijk gaat om zijn moeizame zoektocht naar de plaats van sterven van Hadrianus. We leren hem niet écht kennen, terwijl dat nu juist zo interessant was geweest: hoe heeft het nu zover kunnen komen met Aimée? Trok de fascinatie van Adriaan voor zijn bijna-naamgenoot een zodanige wissel op hun relatie dat het haar te veel werd? Was het verdriet om haar dood de oorzaak van de maniakale zoektocht in Zuid-Italië van Adriaan en was het anders nooit zover gekomen? Heeft zij zijn eigen metamorfose van leraar naar onderzoeker ingeleid? Al die vragen blijven onbeantwoord.

    De finale is uiteindelijk toch niet meer dan een wat eentonige beschrijving van Hadrianus’ reis. Hij beschrijft de plaatsen die hij passeert, de huizen waarin hij slaapt, de maaltijden die hij verorbert en de behandelingen die hij ondergaat van zijn lijfarts. Hoewel gelardeerd met bespiegelingen over zijn nalatenschap laat dat laatste deel ook geen blijvende indruk achter.
    Al met al is Het einde van het lied daardoor niet helemaal geslaagd. Het lijkt alsof drie incomplete verhalen losjes bij elkaar zijn gevoegd, drie onaffe maar op zichzelf interessante schetsen in een lijst zijn geperst. Wellicht om hun imperfectie te verhullen? Adriaan als personage is te zwak, te plat, om dit hele boek te dragen en als scharnier te dienen van het eerste en het laatste Lied.

     

  • Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Het jaar 2016 wordt wel gezien als het jaar waarin fake news volwassen werd: het Brexit-referendum werd gewonnen door ‘Leave’ met aantoonbare leugens en de Amerikaanse presidentsverkiezingen werden gewonnen door iemand die ook niet bekend staat om zijn voorliefde voor feiten. In Quichot thematiseert Rushdie in feite de periode van post-truth waar we ons thans meer dan drie jaar in bevinden. Het hedendaagse Amerika is daarvan het decor. In dit verhaal over twee ‘Indiaas-Amerikaanse mannen, de ene echt en de andere fictief, allebei lang geleden geboren in wat toen Bombay heette, in naburige appartementen, die allebei echt bestonden’, gaat Rushdie (die je de derde man zou kunnen noemen, zij het dan Brits-Amerikaans) in op de vervaging tussen fictie en werkelijkheid.

    De roman gaat over Sam DuChamp, een weinig succesvol auteur die een boek aan het schrijven is over de queeste van een oudere heer die zichzelf Quichot noemt, verslaafd is aan televisie kijken en verliefd wordt op de eveneens Indiase Salma R, een voormalig actrice en nu talkshowhost.

    Wat is echt?

    DuChamp laat Quichot met zijn wagen door Amerika rijden, op zoek naar zijn heilige graal: een ontmoeting met Salma R. Zoals het een goede queeste betaamt maken Quichot en later ook zijn imaginaire zoon Sancho van alles mee. Zo worden de Indiase mannen abusievelijk (fake news!) voor islamterroristen aangezien en raken ze verzeild in een dorp dat getroffen wordt door een tamelijk absurde plaag.

    Sancho heeft als eerste de dubbele laag van het boek door: ‘Het lijkt net, op die momenten dat ik me een vreemde voel, alsof er iemand onder schuine streep achter schuine streep boven de oude man zit. Iemand – ja – die hem maakt zoals hij mij heeft gemaakt.’ Maar ook een familielid van DuChamp, een niveau hoger in het verhaal maar evengoed fictief, heeft vergelijkbare gedachten: ‘Misschien was het menselijk leven werkelijk fictief, in zoverre dat degenen die het leefden niet begrepen dat het niet echt was.’ Zodoende is de lezer getuige van het wordingsproces van de queeste van Quichot, opgetekend door DuChamp. Daardoor vloeien die twee werelden ook steeds meer in elkaar over: ‘Nu zijn Quichot en ik niet langer twee verschillende werelden, de een geschapen, de ander scheppend (…) Nu ben ik deel van hem, net zoals hij deel van mij is.’

    Op een zeker moment zijn de hoofdstukken niet meer netjes verdeeld tussen het ‘Quichot-universum’ en dat van DuChamp. Gebeurtenissen van de één hebben bovendien ook plotseling hun weerslag op de ander. De ene werkelijkheid wordt de andere en dat is buitengewoon verwarrend voor de personages.

    Te expliciet

    Quichot overtuigt uiteindelijk niet helemaal omdat Rushdie geen moment onbenut laat de lezer bij de hand te nemen. Hij laat DuChamp pagina’s lang reflecteren over wat hij Quichot nu weer zal laten doen. De verwarring van de personages dringt nooit echt door tot de lezer. Was het hem niet juist daar om te doen? Is de vervlechting tussen nep en echt nieuws niet soms juist subtiel? De uitleg over de vraag op welke plekken fictie en werkelijkheid door elkaar heen lopen is met andere woorden wel erg expliciet.
    Actueel is het boek wel: het zijn buitengewoon verwarrende tijden. Nepnieuws is aan de orde van dag en zelfs politieke instituten verzinnen alternative facts, zodat het zicht op de, voor hen mogelijk negatieve, werkelijkheid troebel wordt. De schrijver laat met het eveneens verzonnen Quichot zien dat dit onwenselijk is. Zoals de aantasting van het milieu onze aarde verschroeit, zullen leugens en verdraaiingen dat met onze wereld doen.

     

  • In Trocadéro is alles onheilspellend

    In Trocadéro is alles onheilspellend

    Wie wel eens op een regenachtige novembermiddag door Parijs heeft gekuierd weet dat de stad niet per definitie pracht en praal is. De haussmanniens lijken dan vooral hoog, grijs en zelfs een beetje intimiderend. In het boek Trocadéro vertelt John-Alexander Janssen het verhaal van de Nederlandse Julian, recent afgestudeerd jurist, die heeft gesolliciteerd als rechter. In afwachting van de afronding van die procedure gaat hij een paar maanden naar Parijs om wat vakken te volgen. Niet voor niets laat Janssen zijn hoofdpersoon in het najaar, als het weer steeds druileriger en duisterder wordt, naar Parijs vertrekken. Ook de terroristische aanslagen van 2015 en 2016 verwerkt hij in het verhaal, alsof hij wil zeggen dat Parijs daarmee voor altijd een grimmiger stad is geworden.

    Maar niet alleen de passages die zich in Parijs afspelen hebben iets onheilspellends, ook in Den Haag, waar de lezer Julian volgt terwijl hij op weg is naar zijn laatste sollicitatiegesprek, lijkt er al iets mis te gaan: ‘Achter zijn ogen school alertheid. De tram tingelde en vertraagde. “Korte Voorhout”, klonk het. Een schokje ging door zijn buik. Hij opende zijn ogen. Was het gesprek wel vandaag? Had hij zich niet op de een of andere manier vergist? Hij pakte zijn telefoon uit zijn broekzak en bekeek de datum: 5 september 2014. Met een lichte schaamte stak hij het toestel weer weg. Maar met sommige dingen kon je geen risico nemen. Soms was een vergissing onvergeeflijk.’

    Julian lijkt daarmee een wat neurotische jongen die zijn zaakjes niettemin goed voor elkaar heeft. Hij zou vermoedelijk ook eindeloos dubbelchecken of hij zijn paspoort wel bij zich heeft als hij zou vliegen, terwijl hij weet dat het reisdocument in het voorvak van zijn tas zit. Maar toch lijkt ook hij een duisterder kant te hebben en het nodige te verbergen.

    Ook de achtergrond van één van Julians Parijse vrienden, van wie onduidelijk is of hij studeert, is aanvankelijk een mysterie. Hij is bijzonder rijk en legt Julian, die hij nog maar net kent, in de watten. Deze Danto, ook een Nederlander, lijkt zich voornamelijk op te dringen aan Julian zodra hij te weten komt dat Julian rechter wil worden. Daarnaast is hij een idealist, en is hij bezig met het organiseren van een groot feest voor alle lagen van de bevolking in Parijs, om hen met elkaar verbinden. Hij troont Julian mee naar de buitenwijken, hoewel die er eigenlijk helemaal niets mee te maken wil hebben. Toch is Danto zo dwingend en overtuigend dat Julian niet anders kan dan zijn vriend helpen.

    Het verhaal ontwikkelt zich verder met een soort onheilspellende ondertoon, waarbij de terroristische dreiging nog kan worden opgeteld. Lang blijft ook onduidelijk waar het verhaal precies toe leidt, wat de sfeer – voor Julian, niet voor de lezer – des te onplezieriger maakt. Janssen doet uiteindelijk wel uit de doeken hoe de vork in de steel zit, met de aanslag op Charlie Hebdo op de achtergrond, maar laat daarbij net voldoende aan de verbeelding van de lezer over en weet daarmee de roman spannend te houden. Bij elke zin bekruipt de lezer het gevoel dat er iets naars staat te gebeuren. Elke op het eerste oog normale gebeurtenis of handeling, geeft hij daarmee iets akeligs mee. Al met al schreef Janssen met Trocadéro een mooi portret van de duistere kanten van de lichtstad die, inderdaad, sinds de terroristische aanslagen voor altijd is veranderd.

     

  • Literair spel van de schrijver

    Literair spel van de schrijver

    Soms associeer je de hoofdpersoon van een roman onwillekeurig met diens schepper. Dat kan komen doordat op de achterkant een foto staat van de auteur die je brein koppelt aan het personage in de roman. Wat ook voorkomt, is dat het er zo dik bovenop ligt dat een personage het alter ego van de schrijver is. Zo voerde Philip Roth regelmatig in zijn boeken een schrijver op van joodse komaf – zie daar dan maar eens niet het gezicht van de schrijver aan te koppelen. Dat alles pleit eigenlijk voor het lezen van boeken zonder dat de lezer weet wie de auteur is; dan staat slechts nog de tekst centraal. De opvattingen van een personage worden dan in elk geval nooit ten onrechte aan de auteur toegeschreven. Dichter, romancier, recensent en columnist Rob Schouten speelt in deze roman met die spanning tussen auteur, verteller, hoofdpersoon, personages én de lezer.

    Alter ego

    Ook de verteller en hoofdpersoon van De groene gravin, Titus Orbaan, die vertelt over de neergang van zijn huwelijk, ga je als vanzelf verbinden met de man die op de achterflap van het boek is afgebeeld. Niet helemaal ten onrechte trouwens, want Schouten vertelde in een interview aan Trouw dat het autobiografische elementen bevat – hij is zelf recent gescheiden. Uiteindelijk treedt hij ook expliciet naar voren als auteur, al erkent hij dat de Rob Schouten van papier nooit dezelfde is als de Rob Schouten die de pen hanteert.

    Orbaan is getrouwd met een Duitse van verarmde adel, Else. Het boek begint met hun scheiding. Vervolgens spoelen we terug naar Amerika waar ze elkaar hebben ontmoet toen ze allebei aan de universiteit aldaar werkten, hun huwelijk in Las Vegas, hun wittebroodsweken en hun gezamenlijke huis vlak over de grens bij Groningen. De lezer volgt de neergang van het huwelijk op de voet, vanuit Titus’ perspectief. Of beter gezegd vanuit zijn brein, waarin hij van de hak op de tak springt: van referentie naar literatuur naar banale grappen, de ene associatie na de andere passeert de revue. Hij denkt en denkt, maar hij wordt ook gek van zichzelf: ‘het zijn allemaal gedachten die ik niet wil denken maar die ik niettemin wél denk, misschien juist des te harder omdat ik het niet wil.’

    Grote denkwereld

    Zulke stille observaties zijn soms ook erg geestig. Zoals wanneer Titus op een mondain feestje van een collega in diens veel te grote Amerikaanse mansion genadeloos de inrichting van zijn Amerikaanse collega-academicus fileert: ‘(…) de witte vleugel die met nietsontziende smakeloosheid ergens in de hoek als een enorme zwaan stond te wachten op begaafdere spelers (…) de metallic ijskast had iets weg van een klein huisje op zich, een woning waarin Holle Bolle Gijs zich had laten invriezen om tot in de lengte der dagen te kunnen schransen.’ Tegelijkertijd kunnen dit soort woordenstromen een beetje te veel van het goede zijn: je zou Orbaan wel willen adviseren om eens wat minder te denken. Maar dat zou waarschijnlijk averechts werken.

    Ondanks de onderdompeling in zijn brein leert de lezer Orbaan niet écht kennen. Hij blijft toch een beetje een vreemde kwast wiens drijfveren een mysterie blijven. Ook Else blijft in de hele roman een wat plat, onpeilbaar figuur. Maar wie weet is dat nu juist wat Schouten probeert te thematiseren. ‘Probleem is natuurlijk dat Else helemaal niet weet wat er in mij omgaat en ik weet trouwens ook niet wat er in haar omgaat. (…) Wie kent elkaar nou helemaal? Ha, de fundamentele onkenbaarheid van de mens, W.F. Hermans. Je ziet iemand, hoort degene praten, luistert, gaat met hem of haar naar bed, deelt je leven samen en toch kom je er niet achter. (…) Het probleem is helemaal niet dat we elkaar allicht niet kennen of doorgronden maar dat ik er eigenlijk niet over kan nadenken.’ Toch doet hij niet anders.

    Uiteindelijk kennen we niemand

    Ook de lezer kan de hoofdpersonen niet volledig leren kennen. Het is misschien eigenlijk maar goed ook dat de ander toch altijd in meer of mindere mate een onbekende blijft, simpelweg omdat je diens gedachten niet lezen kan. Daardoor ontstaan weliswaar misverstanden (zoals tussen Titus en Else), maar dat is te prefereren boven een situatie als die van ‘the Borg’, de wezens in de serie Star Trek die geen eigen gedachten bezitten en daardoor altijd uitstekend op elkaar zijn afgestemd. Blijven daarom Orbaans wegen zo ondoorgrondelijk, is dat wat Schouten met zijn alter ego duidelijk wil maken?

    Hoe het ook zij, het is knap dat de lezer zover wordt meegenomen in iemands gedachten dat je begrijpt dat die Else niet begrijpt. Orbaan is wat dat betreft uit het leven gegrepen: hij twijfelt, is inconsequent, flauw, piekerig en onredelijk. Eerlijk is eerlijk: wie is dat alles niet? Toch heeft het ook iets onbevredigend dat iemand, in wiens hoofd de lezer zich bij wijze van spreken bevindt en hem dus goed zou moeten kennen, een onbekende blijft – al is dat misschien inherent aan het bestaan en menselijke relaties.