• Mooie scènes maar verhaal is lastig te volgen

    Mooie scènes maar verhaal is lastig te volgen

    Schrijver en journalist Thomas van Aalten bewijst in zijn tiende roman Voorstad dat hij gewend is goed om zich heen te kijken en naar zijn omgeving te luisteren. Het verhaal speelt zich af in een bekende stedelijke tweedeling van een witte vooroorlogse villawijk (hier Bomenwijk geheten) en een nabije volkswijk Oud Babylon, tegenwoordig vooral bewoond door mensen met een migratie achtergrond. De wijken liggen naast elkaar gescheiden door een viaduct. In korte hoofdstukken wordt telkens vanuit één van de personages diens leven geschetst. Dat zijn in de Bomenwijk Arthur, een vijftigjarige uitgebluste planoloog en zijn vrouw Selma die evenmin plezier in het leven heeft en parttime werkt als docent Franse moderne letterkunde. Hun 18-jarige dochter Claire weet niet wat ze na de middelbare school moet beginnen met haar leven en gaat uit lamlendigheid werken bij de supermarkt in Oud Babylon. 

    Met trots gedragen bijnamen

    Daar woont de Marokkaanse jongen Anwar en zijn vriend Zohair die gebrutaliseeerd worden door de buurtgenoten Scheerkop, Bamiblok en Kankerkapper. Deze met trots gedragen bijnamen danken ze aan respectievelijk de haardos, de snackbar van pa en de pruikenhandel van ma. ‘Kankerkapper stapte nu ook van zijn scooter af en kwam met zijn voorhoofd vlak voor het voorhoofd van Zohair. “Kat of hond, gebeten word je toch, aap. Wij regelen hier de straat, begrepen?”
    “Waar is je oranje hesje, zwerver?”
    Zohair snoof diep, “hoe is de operatie gegaan?”
    “Operatie, wat klets jij?”
    “Toen ze de kont op je gezicht naaiden, gek.”
    Scheerkop ging tegenover Anwar staan, “Alleen wij doen de speed en de pillen, begrepen? We willen geen ratten in de drogist.”
    “Is goed, jongen,”zei Anwar zo kalm mogelijk terwijl hij voor zich uitkeek.
    “Als ik je gore kankerkop hier nog een keer zie, kun je je tanden op de straat tellen.”
    “Omdat jij het niet kan, zeker.”
    “Wat praat je?”
    “Jij kunt zelf niet tellen, junk.” (…) Scheerkop haalde uit en stootte met zijn volle vuist in het gezicht van Anwar.’

    In de aan Arthur gewijde hoofdstukjes leren we dat zijn voornaamste genoegen in het leven bestaat uit het periodiek bezoeken van een bordeel waar hij zich laat verwennen door de Thaise ‘shemale’ Ling. ‘Ze had weliswaar kleine pronte tietjes, maar ook een kleine stevige piemel die soms fier naar voren stak (…) Ze stond op, pakte uit een toilettas een flesje met Monogatari en een tube Coke Life en smeerde haar stijve penis in met de middelen. Daarna smeerde ze met haar vingers zachtjes Arthurs anus in. Arthur trok routineus zijn knieën op en liet haar toe.’ 

    Planoloog Arthur

    In zijn beroep als planoloog heeft Arthur ook te maken met de planning van een voor de elite te bouwen woontoren Nieuw-Babylon die het uitzicht van de bewoners van de volkswijk zal bederven en dan ook leidt tot een steeds agressiever NEE-beweging. Waar natuurlijk de gemeentelijke beslissers zich niets van aantrekken. De bouw van deze woontoren, een zomerse wespenplaag van ongekende omvang en de drugscriminaliteit in de wijk bepalen de verdere loop van vaak nogal hevige gebeurtenissen in ‘Voorstad’, waardoor de twee wijken nog verder uit elkaar groeien.

    Arthur raakt dankzij een wespenaanval in een coma waaruit hij maar half ontwaakt en verder leeft in een droomstad. Anwar en Claire – die elkaar vinden in een Westend-romance – worden ongewild betrokken bij de activiteiten van een Algerijnse drugsbende. Met Kankerkapper loopt het slecht af als hij in de gevangenis belandt. Als Selma en de invalide Arthur in de splinternieuwe  woontoren Nieuw-Babylon zijn gaan wonen, deze door de Nee-beweging wordt bezet en een nieuwe wespenplaag op gang komt, start een volgende reeks rampen. Het riool werkt niet en er sijpelt stront door het plafond van hun badkamer.

    Geen binding met personages

    Als ze een verdieping hoger gaan om de oorzaak te zoeken meldt de buurvrouw: ‘Ik ben bang voor alles wat er boven me gebeurt. De maffia, het riool, een nieuwe plaag. Alles’ (..) ‘In de liftschacht hebben ze wespen gezien ter grootte van een vuist….’ Wegwezen dus. En dan vindt de schrijver het welletjes en beëindigt na 381 pagina’s het verhaal. Van Aalten’s schrijfstijl is filmisch en precies en je beleeft als lezer elke scène mee. Door de voortdurende wisseling van personages is het wel lastig het verhaal goed te kunnen volgen en dat is jammer. Een consequentie van die benadering is ook dat je als lezer nooit een binding krijgt met één of meer van de personen in het verhaal. Je herkent ze als personen die je dagelijks om je heen ziet, maar daar blijft het bij. En dat is helaas toch een gemiste kans.

     

     

  • Aardig plot in een wat opsommerige stijl

    Aardig plot in een wat opsommerige stijl

    De negende roman van Thomas van Aalten, Een vrouw van de wereld, gaat over Leonie, een aantrekkelijk meisje uit een arbeiders-milieu dat in de jaren zestig – zonder eigenlijk van hem te houden – trouwt met Dick van Espen. Hij, telg uit een supermarkt-familie, is zelf een succesvol reisbureau begonnen met als grootste attractie goedkope reizen naar de Costa Brava. Thomas van Aalten legt het er in zijn beschrijvingen graag dik bovenop en Leonie’s man wordt dan ook stelselmatig beschreven als een nogal onsmakelijk ogend, ruikend, ronkend en snurkend stuk mensenvlees. Een pafferige Zaankanter die elke dag dezelfde routine volgt, niet verder kijkt dan zijn neus lang is, te veel drinkt en dan wel eens agressief wordt.

    Leonie begint al vrij snel na hun trouwen een hekel aan hem te krijgen. Het is dan ook een klein wonder dat zij na enige tijd toch zwanger wordt. Alhoewel.. ‘Dick had weinig oog voor Leonies lichaam, haar wensen en bij vlagen haar weerzin; hij kroop op haar als een dier en nam haar. Zijn witte billen dansten als puddingen tussen haar benen, vaak niet langer dan een minuut. Dan spoot hij in haar.’

    Meerdere invalshoeken

    Rond die tijd maakt zij ook kennis met de Surinaamse student Urvin die in een dansgroepje optrad tijdens een door Leonie georganiseerde cocktailparty. Dat opent haar ogen voor andere werelden dan de Hollandse gezapigheid waarin zij opgroeide en waarin Dick zich thuis voelt. Er groeit bijvoorbeeld  – laat schrijver van Aalten weten –  een wens in haar om nu eens verse basilicum te gebruiken in plaats van de gedroogde die de supermarkt van haar echtelijke familie in het schap had liggen: ‘Leonie had juist verlangd naar de sappige bladen die volgens het artikel uit de krant rijk aan calcium moesten zijn.’
    Ze begint er in haar eentje op uit te trekken, maakt zelfs stiekem een reisje naar Parijs als Dick een tijdje weg is om zijn Costa Brava-reisbestemming te inspecteren. Ze is op weg een vrouw van de wereld te worden.
    Uiteindelijk lopen de tegenstellingen tussen het duo zo hoog op dat er klappen vallen en Dick een apoplexie krijgt waaraan hij overlijdt. 

    Tot zover deel een van de roman. In deel twee krijgen dezelfde gebeurtenissen een andere belichting als blijkt dat Leonie van kinds-af-aan een bedriegster was die met leugens en fantasieën probeerde de zaken naar haar hand te zetten. Was Dick wel zo’n ongenietbare man of wilde Leonie gewoon haar vrijheid? En welke rol speelde de Surinaamse winti-magie waarmee Urvin haar in kennis had gebracht bij de dood van Dick? In het derde en laatste deel, waarin Leonie Suriname bezoekt, worden deze vragen min of meer beantwoord. 

    Opsommerige indruk

    Zo samengevat heeft Een vrouw van de wereld best een aardig plot en had het een lezenswaardig boek kunnen zijn. Maar helaas heeft Van Aalten het verhaal geschreven in een nogal onbeholpen stijl. Het proza maakt vaak een wat opsommerige indruk, alsof de schrijver zijn research naar het leven-in-de-jaren-zestig oplepelt, ‘Muziek klonk er zelden in het huis van de Espens, met uitzondering van de kerst- en paasmuziek tijdens de feestdagen. Af en toe draaide Dick een lp van Neil Diamond of Elton John op hun stereomeubel, maar verder kwam het echtpaar niet in aanraking met moderne muziekstromingen. Ze hielden sowieso veel op afstand.’ Dit doet denken aan acteurs-instructies in het script van een toneelstuk. Ook de beschrijvingen van conversaties en gedragingen maken de indruk een replica te zijn van wat de auteur denkt over de wijze waarop men in de jaren zestig met elkaar omging en sprak. 

    De hele roman heeft daardoor iets toneelmatigs, alsof de personages acteurs zijn die bedachte jaren-zestig-personages spelen. Als Leonie aan haar man bekent dat de baby in haar buik vermoedelijk niet van hem is maar van de Surinaamse student en danser Urvin zegt zij: ‘Ik liet me gaan, ik was door lust gedreven, ik kreeg voor het eerst warmbloedige aandacht toen hij hier aan de deur stond om zijn reiskosten te innen.’ En wat was hierop haar man Dick’s reactie? Hij ademde ‘gnuivend als een roofdier en ontstak in een stuurloze, woedende reeks kreten. Hij balde zijn vuist en timmerde die zo hard tegen de keukenmuur dat een tegel losliet en op de grond uiteenspatte.’
    Tja…