• Oogst week 3 -2022

    Het woord voor rood

    Het woord voor rood van Jon McGregor is misschien wel het best te typeren als een roman over communicatie op allerlei niveaus. De roman, bestaand uit drie delen, begint met een expeditie op Antartica die mislukt. De groep van drie leden raakt elkaar kwijt tijdens een storm. Ze hebben geen contact meer. De expeditieleider Robert Wright (‘Doc’) weet het verblijf met de zendinstallatie terug te vinden, maar raakt buiten bewustzijn. Hij blijkt daarna door een beroerte  zijn spraakvermogen kwijt te zijn. Daardoor kan hij – in het tweede deel – eenmaal thuis ook met zijn vrouw Anna niet meer communiceren.

    Het derde deel beschrijft Roberts therapie die er toe moet leiden voldoende taal te hervinden om zijn verhaal te kunnen doen. Wat is er aan communicatie mogelijk als iemand afasie heeft?

    De roman kreeg in eigen land zeer lovende kritieken en Nederlandse lezers kunnen de auteur kennen van Zelfs de honden (2021) en Reservoir 13 (2018).

     

     

    Het woord voor rood
    Auteur: Jon McGregor
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Het huis aan het einde

    Naar koude streken, bovendien naar het noorden trok Irwan Droog vorig jaar met zijn vriendin Kim en hond Zorro. Hij verhuisde naar Selvær, een klein eilandje in de poolcirkel, terwijl in Nederland de eerste vaccinaties tegen covid-19 werden uitgedeeld: ‘ik werkte al vanuit huis, en de eerste lockdown hield me alleen maar meer binnen dan ik normaal gesproken al was. Toen de kans zich voordeed om me niet langer op te sluiten in mijn huurappartementje in Amsterdam-Noord maar te vertrekken naar een vrijstaand huis op het puntje van een verafgelegen eiland in de Noorse Zee, hoefde ik daar dan ook niet lang over na te denken. Ik loop al bijna twintig jaar rond met de wens langere tijd in Noorwegen door te brengen, sinds ik er op mijn achttiende voor het eerst een zomervakantie doorbracht. En sinds mijn reis naar Spitsbergen in 2018 werd die wens nog specifieker: een eiland, een Noors eiland, een mooiere plek kon ik me eigenlijk niet voorstellen’.

    Selvær is zo klein dat je het in een halfuurtje helemaal rond kunt lopen: ‘Zal dat echt voelen als een bevrijding, of zitten we daar net zo opgesloten als in mijn woonkamer thuis?’
    Het verblijf levert bijzondere ontmoetingen op waarvan Droog verslag doet in Het huis aan het einde, zijn debuut.

     

    Het huis aan het einde
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Profane verlichting

    Wat opvalt aan het omslag van Profane verlichting van Johannes van der Sluis is de kleurstelling. Die doet meteen denken aan zijn vorige bundel gedichten Ik ben de Verlosser niet uit 2020. Daarin vroeg de dichter zich via zijn woonbuurt in Rotterdam, een kuuroord in Italië en een psychiatrische kliniek in Poortugaal af wat hij nog te zoeken had in een leven zonder baan en liefde.
    Profane verlichting is in zekere zin een vervolg. De liefde komt weer om de hoek kijken. Ze heet M. is de titel van het tweede gedicht, dat begint met de regels:

    Afgelopen keer
    in café De S.
    maanden geleden
    was het barmeisje
    met een lamp
    op weg naar het terras
    ik ging naar huis
    en zei tegen haar
    dat ik haar zou volgen
    ja volg mij
    ik verlicht het pad
    zei ze lachend
    (…)


    Profane verlichting
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Lebowski
  • Der Tod und das Mädchen

    Der Tod und das Mädchen

    Amber Klein, de 12/13-jarige hoofdpersoon van de vierde roman van Marieke Groen, groeit op in een gezin met een vader, moeder en broertje. De beklemmende sfeer van dit gezinsleven spreekt uit een zinnetje als: ‘De vader zit al aan tafel. Ze [d.i.Amber] aarzelt even, maar gaat dan toch tegenover hem zitten. In zijn zicht, maar buiten zijn bereik.’ Het is niet de beklemming van een streng gelovig gezin, zoals bijvoorbeeld bij Franca Treur, want het gezin is niet gelovig. Maar het is de beklemming van een gezin dat bang is om (samen) te leven. Een angst die we bijvoorbeeld ook kennen uit de boeken van generatiegenote Annelies Verbeke.

    Amber is een meisje vol angst en fantasie. Ze is bang dat haar grootvader iets zal overkomen: ‘Er hoeft maar één automobilist de macht over het stuur te verliezen, één dakpan van een dak te vallen.’ Ze heeft soms medelijden met haar broertje dat scheel is en eczeem heeft, en ze ‘droomt van giframpen en aardbevingen. Van terroristische aanslagen en ongelukken. Ze zou er goed in zijn, ze zou uitblinken. Ze zou een van de weinige overlevenden zijn.’ Daar gaat het om: overleven.

    Het gezin waarin Amber opgroeit, is het soort gezin dat op straat wordt nagekeken: ‘Amber voelde de blikken als kiezelsteentjes tegen haar rug landen.’ De moeder correspondeert met ter dood veroordeelde Amerikanen. Eén ervan ontkomt aan de doodstraf. Dat komt, denkt Amber, omdat zij op de dag dat de executie zou worden voltrokken, aan hem heeft gedacht en omdat ze thuis hetzelfde galgenmaal aten als hij.

    Amber heeft geen vriendjes en vriendinnetjes behalve Jong, een ‘poepchinees’ die ‘overbleef toen de andere kinderen op school vriendschappen hadden gevormd.’ Ze spelen samen in een uitgebrand huis. Ze had de kinderen die er woonden graag gered, maar ‘de ouders zou ze laten liggen.’
    Amber voelt zich schuldig aan het feit dat ze er überhaupt is, omdat ze alle fut heeft gezogen uit haar moeders borsten (‘de moeder’ heet ze consequent). En omdat ze voor de helft afkomstig is van de zaadcel van haar vader (‘de vader’). Het kwaad zit met andere woorden in het gezin, en komt niet van buitenaf.
    Amber wil proberen los van de familie te komen, al is dat zwaar omdat de ouders geen naam, en daardoor als het ware geen eigen identiteit hebben, waardoor het moeilijker is om zich ergens tegen af te kunnen zetten. Ze zijn even leeg als het uitgebrande huis. Amber, Jong, twee vissen (Saskia en Jeroen), twee moerasschildpadjes (Schildje en Padje) zijn met de gedetineerden uit Amerika de enige levende wezens die in het boek een naam hebben. Al mogen ze figuurlijk geen naam hebben.

    Het boek is op een onderkoelde toon geschreven vanuit het perspectief van een alwetende verteller. Met een humor die een diepere laag heeft en soms vooruit wijst naar onheil dat spoedig zal volgen. Zoals in de passage over de vaat die de moeder opstapelt om naar de keuken te brengen: ‘”Alweer die afwas,” verzucht de moeder (…). “Ik heb zo’n zin om de boel gewoon uit mijn handen te laten kletteren.” De vader steekt een tandenstoker tussen zijn kiezen. “Dan doe je dat toch?” De moeder blijft stilstaan en kijkt hem aan. Het volgende moment klinkt er een enorme klap. Borden spatten uit elkaar, bestek vliegt alle kanten op. De stilte die erop volgt is oorverdovend. Amber knippert met haar ogen. De vloer is bezaaid met scherven. Op het raam zit een gebakken aardappeltje dat langzaam in zijn eigen vet naar beneden glijdt. De vader begint als eerste te lachen, en dan lachen ze allemaal, hard en opgelucht.’

    Wat volgt is een periode waarin de moeder kampt met overspannenheid. Dat komt, zegt de vader, door Amber. En daarom trekt hij zijn handen van haar af. Vanaf het moment dat hij dit aan Amber heeft meegedeeld, doet hij er het zwijgen toe. Dit wordt beschreven in passages die snijden door de ziel. ‘Haar leven heeft ze geprobeerd onzichtbaar voor hem te zijn, nu is ze het, en het voelt alsof ze dood is.’

    Eigenlijk zou Amber tot de andere familie Klein willen behoren, een oom en tante met hun zoontjes, die aan de overkant van de straat wonen. Daar is geen ruzie, heerst geen beladen stilte en kan iedereen tijdens het eten zijn/haar verhaal doen zonder bang te zijn een klap of een scheldkanonnade over zich heen te krijgen. Zoals er in het verhaal van Alice in Wonderland een verkeerde Alice (‘the wrong Alice’) en een goede Alice bestaat, zo is er in het ondermaanse een goede en een slechte familie Klein.

    De achtergrond van het boek wordt gevormd door een Darwinistisch idee van overleven: degene die niet opvalt, zich aanpast aan de omgeving en het sterkst is, is daartoe in staat. Telkens weer probeert Amber zich aan te passen, door te slijmen met de vader als zijn getreiter haar te erg wordt. Door een mooi cadeau voor hem te kopen van het voorschot aan zakgeld dat de moeder haar gaf. Maar dat mislukt, want ze verliest het geld ergens en kan het niet meer terugvinden. Ze geeft hem een vulpen die hij eerder zelf op straat had gevonden.

    Het boek is sterk, zowel qua stijl en taalgebruik als qua inhoud. De lezer zou bij eerste lezing kunnen denken dat het wellicht nóg meer aan kracht en een strakkere compositie zou hebben gewonnen, als bepaalde subtiele detectiveachtige elementen er niet doorheen waren geweven. Zo blijkt de grootvader een verhouding gehad te hebben met een Spaanse vrouw waaruit een dochtertje geboren is. Dat meisje logeert tijdelijk bij de andere familie Klein wanneer haar moeder is overleden. Maar bij herlezing zal opvallen waarom het tweede verhaal er staat zoals het er staat: een verhaal dat à la Shakespeare is ingevoegd, zoals het kind van de grootvader en de Spaanse vrouw wordt ingevoegd in de bloedverwantschap van de andere familie Klein. Terwijl Amber juist los van de knellende familiebanden probeert te komen. Dat lukt haar even, als ze geruime tijd bij de zieke oma logeert om die te kunnen helpen. Dat komt goed uit, op het moment dat haar eigen moeder overspannen is en de vader niet met haar spreekt. Maar dan sterft ook de oma. Niets blijft Amber bespaard.


    De andere familie Klein

    Auteur: Marieke Groen
    Verschenen bij: Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 18,90

  • Het verraad van de vriendschap  

    Het verraad van de vriendschap  

    Vriendschap is heilig voor Leon, de hoofdpersoon in Alles van elkaar, de debuutroman van columnist en journalist Leon Verdonschot (1973). Vrouwen komen en gaan, maar Leon en zijn beste vriend Martin zijn er altijd voor elkaar. Ze kennen elkaar al van de basisschool in het Limburgse Geleen, waar ze ook naar dezelfde middelbare school gingen en deel uitmaakten van een clubje wereldverbeteraars. Leon en Martin delen na ruim dertig jaar veel intieme geheimen, die voor de buitenwereld verborgen moeten blijven. Wanneer Martins nieuwe vriendin Kaat echter de jarenlange mailwisseling tussen hen ontdekt, komt de vriendschap in gevaar. Kaat wil namelijk dat Martin niet meer met Leon omgaat.

    Die vriendschap wordt tot in detail beschreven. Martin en Leon delen een belangstelling voor (betaalde) seksuele avonturen en brengen bezoekjes aan Thaise massagesalons, raamprostituees en seksboerderijen. Ze zoeken graag de grenzen van het betamelijke op en belanden daardoor in ongemakkelijke situaties. Alles van elkaar kent een hoog Spuiten en Slikken-gehalte.

    Martin is bereid om de vriendschap met Leon op een lager pitje te zetten, omdat hij Kaat niet wil verliezen. Maar volgens Leon pleegt Martin daarmee verraad, omdat hij hun jarenlange vriendschap opoffert aan een relatie. Leon begrijpt dat niet, want relaties duren bij hem nooit lang. De vriendschap is stabieler, duurzamer en meer diepgaand. De twee vrienden hebben immers geen geheimen voor elkaar. Bovendien komen alle smeuïge verhalen op tafel te liggen als een van de vrienden ‘de eed’ doorbreekt, en dat is ook voor Leon een zeer onprettige gedachte.

    Toch lijkt de vriendschap tussen Leon en Martin uit weinig meer te bestaan dan hun gedeelde avonturen en geschiedenis. Ze hebben amper inhoudelijke gesprekken. In de Volkskrant zegt Verdonschot daarover: ‘In een mannenvriendschap worden geen goede gesprekken gevoerd. Een vriend die in de shit zit, sla je op zijn schouder.’ Dat mag Verdonschot vinden, maar in een roman zorgt het voor een gebrek aan inhoud. Wat zoeken de vrienden in de seksuele escapades? Is het louter de kick, de spanning van datgene dat is weggestopt in de donkere hoekjes van de samenleving, of is het ook een vlucht voor voorspelbaarheid en regelmaat? De personages in Alles van elkaar bezoeken seksclubs en vliegen naar een popconcert van hun jeugdidool op een Thais eiland, maar daarop vindt weinig reflectie plaats.

    Verdonschots journalistieke, soms omslachtige formuleringen, werken ook niet mee. Na een bordeelbezoek is Martin nogal geïrriteerd, omdat hij lang op Leon heeft moeten wachten. Leon schrijft vervolgens: ‘Ik begon aan een gedetailleerde monoloog waarvan de lengte pas tot mij doordrong toen ik in Martins blik een mate van verveling zag die me zeer onaangenaam trof’. Leon vindt het moeilijk om zich in anderen te verplaatsen, dat is duidelijk. Een vriendschap van dertig jaar is dan een hele prestatie.

    Alles van elkaar is een toegankelijk, vermakelijk boek. Maar het heeft te weinig om het lijf om goede literatuur te zijn. Wellicht moet Verdonschot daarvoor meer afstand nemen van zijn eigen ervaringen en die meer in een kader plaatsen.


    Alles van elkaar

    Auteur: Leon Verdonschot
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 260
    Prijs: € 17,90