• Het kwaad in cliffhangers

    Het kwaad in cliffhangers

    Na het lezen van Aan het einde van de oorlog van Bert Natter resteert verbijstering, zelfs als je wel zo’n beetje weet wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog in de concentratie- en vernietigingskampen van de nazi’s gebeurde. De verbijstering geldt niet het einde, dat is min of meer bevredigend, maar je verzoenen met de menselijke soort is na het dichtslaan van het boek uitgesloten. Het kwaad is getoond in al zijn facetten.

    Het is 20 april 1945, en de verjaardag van de Führer. In een kamp ten noorden van Berlijn, waar tienduizenden vrouwen en een paar honderd mannen gevangen worden gehouden, vergast en verbrand, zal de verjaardag ’s avonds worden gevierd in de Kommandantur, het bureau van de kampleiding. SS-Obersturmführer en hoofdpersonage Karl Zehlendorf heeft een pianoconcert voorbereid, dat iets moet goedmaken van zijn al vroeg uiteen gevallen illusie om concertpianist te worden. Vanuit het westen naderen de Amerikanen en Canadezen, vanuit het oosten het Russische front. De gevechtshandelingen zijn in de verte te horen en komen langzaam naderbij. Dat en de ontknoping van wat er gebeurd is met Karls vermiste zoon Ernst zijn de twee rode draden van het verhaal.

    Vijanden van het Rijk

    De elfjarige zoon van Karl en Christine Zehlendorf heeft met zijn broer Reinhart gevist aan de oever van het meer. De jongens wonen in een villawijkje buiten het kamp en weten niet wat er binnen het ommuurde kamp gebeurt. Hun vader heeft verteld ‘dat veel mensen in het kamp slecht voor zichzelf zorgen, ze zijn vatbaar voor ziekten en genetisch minderwaardig (…) het zijn nauwelijks mensen, (…) oppervlakkig gezien lijken ze misschien op ons, maar in wezen zijn het parasieten, ongedierte – hun dood is de logische uitkomst van een natuurlijk proces’. Veel van het burgerpersoneel wordt wijsgemaakt dat de vrouwen ‘vijanden van het Rijk’ zijn. De SS’ers noemen hen gegenereerde zeugen, teven, hoeren, verderfelijke zwijnwijven, onnutte vrouwen, enzovoort.

    Het verslag – want dat is het – speelt zich af in vierentwintig uur, vanuit de perspectieven van 31 personages. Zij zijn gevangenen, bewakers, soldaten, officieren, of personeel uit het nabijgelegen stadje. In scènes van een paar regels tot een pagina kijken we door hun ogen vanaf de plek waar ze zich dan bevinden naar de gebeurtenissen, in aparte typografie aangekondigd. Zoals EMANUEL VOOR DE HOOFDPOORT; GISELE IN DE GASKAMER; RITA IN DE ARCHIEFRUIMTE; SUZIE IN LOODS 3 VAN HET BEUTEGUT-LAGER. Het lijkt op een toneelscript, alleen zitten we hier in het hoofd van de personages waardoor Natter het kampleven van alle kanten kan belichten. Omdat de scènes iedere keer ophouden om plaats te maken voor een volgende is elk stuk een cliffhanger. Tegelijkertijd vordert het verhaal tergend langzaam, aangezien gedachten en herinneringen van de personages worden geschetst als er nog niets gebeurt. 

    Reinhart komt thuis, Ernst niet. Verschillende mensen zien Ernst op verschillende momenten en plekken maar niemand praat erover. Christine gaat met dienstmeisje Annemarie zoeken, Karl denkt alleen aan zijn optreden. De Joodse tubaspeler en pianostemmer Menachem is er getuige van en ‘hoopt dat hij zich nooit van zijn leven meer in dat rokerige moordenaarshol hoeft te begeven. (…) ook al heeft Menachem er op een akelige manier van genoten eindelijk weer eens iets moois te horen, na al die jaren van geschreeuw en gekerm.’ Tijdens het feest komt het bevel tot ontruiming van het kamp. Alle bewijzen van wat daar gebeurde moeten vernietigd worden en de gevangenen moeten allemaal weg, voordat Russen of Amerikanen het kamp ontdekken. Ondertussen dringt het tot Karl door dat zijn jongste zoon echt wordt vermist. De lezer weet dan al lang wat er met hem is gebeurd.

    Nobelprijs en trots

    Met afstandelijke nauwkeurigheid beschrijft Natter de gruwelen. Zoals over Lucienne die uit haar barak wordt gehaald, in een vrachtwagen gezet, na uren rijden in een ander kamp een bad en schone kleren krijgt om daarna dagenlang te worden verkracht door gevangenen van de Freudenabteilung. Lothar haalt een blik zyklon B uit de voorraadkast, zet zijn gasmasker op, klimt het trapje naar het dak van de gaskamer op om het blik boven het luik te legen. Hij hoort het geschreeuw en gekreun. Als het front nadert zal hij met een andere SS’er in een van de mitrailleursnesten de MG42 moeten bedienen. 

    De Poolse, gezonde Iwona is een van de ‘proefkonijntjes’ van SS-Obersturmführer en arts Lance. Met een grote snijwond in haar been wil hij zien hoe wond en lichaam zich zonder verdere verzorging ontwikkelen. Hij is trots op zijn experimenteel ‘onderzoek’, droomt over de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde. Als hij over vluchten denkt ‘kan hij alleen maar hopen dat zijn patiënten de oorlog niet overleven. Gelukkig zijn er voor hen veel manieren om te creperen: uitputting, verzwakking, gebrek aan schoon water, besmettelijke ziekten, bommen, kogels, ander geweld. Hoe dan ook zullen er niet veel getuigen overblijven.’ De hebzucht die altijd al in hem zal hebben gezeten uit zich in het slopen van gouden tanden en kiezen uit de monden van de lijken. 

    Karl is trots op zijn werk, de bouw van het kamp, de efficiënte werking van gaskamer en crematorium, al komen er ‘wagonladingen vrouwen bij’ die gaskamer en oven niet aankunnen. Hij is blijven geloven in de eindoverwinning, de opbouw van het Duizendjarige Rijk. Hij begrijpt dat het einde van de oorlog in zicht is, ‘maar het is het verkeerde einde’. ’s Nachts schijnt een zoeklicht over het meer, op zoek naar Ernst. Karl doolt verdwaasd rond. Als ’s ochtends de tankkanonnen vuren en alles verloren blijkt heeft hij kunnen deduceren wat er met Ernst is gebeurd. In een inmiddels besmeurd gala-uniform terug bij Christine en Reinhart neemt hij een onvermijdelijk besluit. 

    We zien de branie van SS-Scharführer Franz, de ontevredenheid van Christine, de naïviteit van chauffeur Herbert, de wreedheid van kampbeul Eva – nooit te beroerd om een vrouw met haar zilveren zweepje tot moes te slaan -, de gelatenheid van Szymon, de lafheid van SS-Sturmbannführer Hanns.

    De Russische sluipschutter Zmitser die voor de tanks uit het kamp verkent, tracht zijn angst te bezweren door Stalin te laten spreken. ‘(…) het gevangennemen van zo’n opperfascist zou een tot de verbeelding sprekende prestatie zijn. Het doden ook. Kameraad Stalin beweert dat je dan niet de lasten hebt, maar wel de lusten.’ 

    Banaliteit van het kwaad

    Veel van Natters personages zijn tussen de vijftien en vijfentwintig jaar, vertelt hij (interviews onder meer VPRO Boeken en RTV Baarn). Ze leefden onder een nazidictatuur, zoals een goed opgeleide arts, en leerden vanaf de kleuterschool al de rassentheorie van de nazi’s. Ze kenden alleen een antidemocratisch systeem waarin slechtheid werd beloond, met name in extreme omstandigheden. Hoewel Karl met zijn culturele gevoeligheid een voorbeeld is van Hannah Arendts banaliteit van het kwaad, maakt ook Natter niet inzichtelijk waar het moment zit dat een ‘gewoon iemand verandert in een slecht mens’. Hij begrijpt dat proces zelf ook niet, zegt hij. 

    Met zijn heldere zinnen, ieder treffend woord op zijn plaats, is Natter een geweldige schrijver en Aan het einde van de oorlog een magnifiek boek. De lezer is getuige van wat de personages meemaken, al doseert Natter de gruwelijkheden tot te behappen proporties. De vergelijking is eigenlijk laakbaar, maar het boek laat zich lezen als een thriller. Wat voor wie het nog niet begrepen had een goede manier is om de ijzingwekkende waanzin van oorlog tot zich te laten doordringen.

     

  • Tijdreis naar een vader

    Tijdreis naar een vader

    Lezen is soms voor je gevoel een tijdreis maken. In Wonderkind, het debuut van Willemijn Tillmans (1976) word je bijna voelbaar meegenomen naar de jaren tachtig, de tijd dus waarin zijzelf opgroeide. Madonna, Countdown en de Hitkrant, de overgang van elpees naar cd’s, Top Gun, Limara Romantic Fantasy (de deodorant), Treets, Tjolk en Domovla, het zijn voorbeelden van de sfeer uit die tijd die door het hele boek heen terloops genoemd worden zonder verder al te veel af te leiden. Het viewmasterschijfje op de cover zal bij menig lezer jeugdherinneringen oproepen, maar wellicht bij jongere lezers voor wat hoofdbrekens zorgen.

    Hoofdpersonage Mia Compré (‘Weet je dat mijn naam mikpunt betekent als je hem omdraait?’) kijkt rond haar achtenveertigste in de proloog van het boek terug op haar jeugd. Ze kijkt naar een foto die gemaakt is op haar twaalfde verjaardag: ‘Iedere keer wanneer ik naar die foto kijk, zijn er drie Mia’s jarig: het meisje van twaalf naast haar fiets, de jonge vrouw van zestien die hanenpoterig cijfers in het fotopapier kerfde… en ik.’ Mia keert als volwassene jaarlijks terug naar Geldrop, de plaats waar haar vader ooit uit haar leven verdween. Die terugkeer heeft iets onvermijdelijks; niet voor niets begint het boek met het volgende motto van A.F.Th. van der Heijden: ‘Wie er zijn jeugd heeft doorgebracht, zit voor de rest van zijn leven in de armen van de octopus verstrikt. Je kunt er een loswrikken en dan nemen er onmiddellijk twee andere je in de accolade. Wat je voelt is de liefde van Geldrop voor jou: een dodelijke omhelzing.’

    Mijn kleine treinstationnetje

    Feit is dat Mia een verre van onbezorgde jeugd heeft gehad. Dat geldt eveneens voor haar oudere broers Thomas en Max, maar omdat het boek vanuit een ik-perspectief verteld wordt, krijg je daar minder van mee. Alle koosnaampjes die haar vader gebruikt voor Mia ten spijt (Mienemups, mijn kleine treinstationnetje), snakt Mia overduidelijk naar de onverdeelde aandacht van haar vader. Haar goudvissen noemt ze Papa en Mia. De moeder van Mia, Marjan, probeert vooral de boel bij elkaar te houden en dingen glad te strijken, zowel voor haar kinderen als voor haar echtgenoot en voor zichzelf. Zij blijft als personage helaas wat vlak.

    Wim, de vader van Mia komt ziek thuis te zitten wanneer de subsidie voor de Ward-methode (een methode voor zangonderwijs die vooral werd gebruikt op katholieke basisscholen) niet wordt verlengd, omdat de beloofde resultaten uitblijven. Tot dan toe was zijn gedrag al op zijn minst bijzonder te noemen, maar het verlies van zijn werk leidt ertoe dat hij zich eigenlijk alleen maar verder terugtrekt uit het gezinsleven en steeds meer onaangepast gedrag gaat vertonen. Mia reageert daarop door bijvoorbeeld niet meer in haar bed te slapen maar op de vloer in een kast. Ook krijgt ze een meer dan gemiddelde belangstelling voor de seksuele ontwikkeling van haar eigen lichaam, later ook in relatie tot het andere geslacht. Ze wil ‘net zoveel varianten van mezelf kunnen zijn als Madonna in het clipje van ‘Who’s That Girl’.’ Haar vader wordt ondertussen steeds gewelddadiger. De hond heeft bijvoorbeeld plotseling een hersenschudding, en op de een of andere manier ziet Mia niet helder wat het aandeel van haar vader daarin is geweest. Daarnaast krijgt hij last van een bepaalde grootheidswaan en doet hij onverantwoord grote uitgaven voor zichzelf met het zorgvuldig door haar moeder bij elkaar gespaarde vakantiegeld. Ronduit onsmakelijk is de scène waarin Wim zichzelf met Mia opsluit in het toilet van een slaaptrein en vervolgens betrapt wordt door zijn vrouw, Mia’s moeder. Als lezer vraag je je steeds meer af wat er eigenlijk precies met deze man aan de hand is.

    Achterflap

    Op een gegeven moment verdwijnt Wim. Al eerder was hij een paar dagen spoorloos en kwam toch weer terug, maar op een gegeven moment is zijn verdwijning definitief. Ergens is het jammer dat op de achterflap al vermeld wordt dat dit het gegeven is waarom de roman draait en ook in de proloog wordt er al kort naar de verdwijning verwezen. Het boek zou echter krachtiger geweest zijn als de verdwijning meer als een verrassing gekomen was, omdat je nu best lang moet ‘wachten’ tot het zover is. Daarentegen is de druk waaronder het gezin gebukt gaat vanwege de psychische gesteldheid van de vader bijzonder goed weergegeven. De houding van Mia ten aanzien van haar vader wordt naarmate ze ouder wordt steeds kritischer, maar ze blijft ook loyaal.

    Het laatste deel van het boek, Het kind en ik, is verreweg het sterkste en meest indrukwekkend, omdat Mia daar als volwassene terugkijkt op wat ze als kind heeft meegemaakt. De aanloop naar dat laatste deel is best lang, je volgt op dat moment al zo’n ruim driehonderd bladzijden het weinige wel en het vele wee van de familie Compré, dat vlot, met humor en soms enige ironie wordt beschreven. Willemijn Tillmans is zonder twijfel in staat om de aandacht vast te houden, maar vraagt met de omvang van haar debuut zeker wat van de lezer. Al met al is Wonderkind toch een plezierige leeservaring.

     

  • Hoe de eeuwige twijfelaar tot een oordeel komt

    Hoe de eeuwige twijfelaar tot een oordeel komt

    In De Gloed van Annemarie de Gee wordt een 36-jarige vrouw – tevens verteller van het verhaal – met zichzelf geconfronteerd nadat er een riviercruiser met vluchtelingen is aangemeerd voor haar huis. Er volgt een eindeloze stroom van  filosofische gedachten waarin de verteller zich een moraal probeert te vormen. De lezer wordt meegenomen in een innerlijke strijd in de vorm van een ‘Stream of Consciousness’. De vrouw heeft duidelijk bepaalde visies over wat goed en fout is en voelt zich schuldig over haar eigen opvattingen. 

    Dat ze de vluchtelingenboot niet voor haar huis wil hebben, wordt al snel duidelijk. Ze houdt de vluchtelingen nauwlettend in de gaten en kijkt regelmatig, ook ’s nachts, obsessief door de sterrenkijker van haar zoon naar de riviercruiser. Waardoor de vraag opkomt wie nu wie parasiteert. Ze leeft in een ivoren toren van burgerlijke rijkdom, met buren die ze persoonlijk kent, uitzicht op de Leeghwaterplas en heeft kennelijk alle tijd van de wereld. Naarmate het verhaal vordert, groeien haar twijfels en daarmee de verwarring. 

    Moeder als indringer

    Het hoofdpersonage wordt telkens in andere woorden beschreven: als vrouw, dochter, moeder. Nooit wordt ze bij naam genoemd. Alsof ze alleen in een functie bestaat. De lezer komt niet bijster veel van haar te weten, behalve dat ze vriendinnen, een man, zoon, en moeder heeft. Met die laatste is haar relatie moeizaam. Haar moeder lijkt te pas en te onpas binnen te vallen, als een soort indringer, en zich met allerhande zaken te bemoeien, zoals het weggeven van oud speelgoed en meubels aan de vluchtelingen. De vrouw kijkt ernaar en denkt erover na. Haar moeder spoelt over haar heen, maar zich erover uitspreken doet ze nauwelijks. De moeder en dochter zijn daarin tegenpolen: alles wat de vrouw niet doet, doet haar moeder wel. 

    Andere personages worden met slechts een voorletter aangesproken. Zoals O., een journaliste die een reportage maakt over de vluchtelingen en zelf als kind ook gevlucht is. Over haar komt de lezer nog het meest te weten. Ze vertelt haar verleden aan de vrouw en krijgt zo een gezicht, een eigen verhaal. Al moest ze zichzelf wel naar binnen wurmen. Ook zij maakt inbreuk op de privacy van de vrouw. ‘Ze wil de deur sluiten maar O. zet een voet op de drempel. De twee vrouwen kijken elkaar aan. Dan laat de een de ander binnen omdat ze niet anders kan.’ Het contrast tussen O. als standvastige indringer en de vrouw kan niet groter zijn. Later trekken ze vaker met elkaar op, al bloeit het niet op tot een echte vriendschap. 

    Wat is haar werkelijkheid

    Thema’s zijn er in overvloed, niet alleen de vluchtelingencrisis, maar ook feminisme, de klimaatcrisis en kapitalisme. Allemaal thema’s waarover de verteller filosofeert. Het voelt soms wat veel en rijst de vraag: legt ze zichzelf niet te veel op? Ze heeft in bepaalde dingen een erg sterk moralistisch gevoel. Zelfs over het bakje yoghurt dat ze eet vraagt ze zich af ‘of het mag, of het eten van yoghurt nog te rechtvaardigen is tegenwoordig, met de koeien en de overproductie van melk en zo.’ Ze geeft aan dat er zoveel gedachten zijn die niets verklaren. ‘Ik ben ze niet de baas, ze stromen maar door me heen.’ De vrouw lijkt haar eigen gedachten maar niet te kunnen ordenen. ‘Met iedere daaropvolgende dag groeide de discrepantie tussen een wakend zelf, dat ze samen met J. vormgaf, en een slapend zelf’. […] ‘Iedere nacht terugkeren naar iets wat lang en breed voorbij is laat zijn sporen na. Het geeft te denken wat we eigenlijk nog onder de werkelijkheid verstaan.’ Zinnen als deze laten de lezer nog meer twijfelen. Wat is haar werkelijkheid eigenlijk?

    ‘Scherpstellen, dichterbij komen tot aan het water. Ik wil de gloed door het raam zien branden’. Soms zou je willen dat de vrouw haar eigen gedachten wat scherper stelt. Voor een intellectuele vrouw voelt ze erg chaotisch waardoor het hele verhaal met stukken lastig te volgen is. Er zijn veel onbeantwoorde vragen. Het verhaal speelt zich af in haar eigen huis, ze heeft geen baan en heeft overduidelijk veel tijd om na te denken. Het lijkt of ze mentaal  niet in balans is. Een zin als: ‘Klaarblijkelijk heeft ze alle realiteitszin verloren, in beide handen afgescheurde delen van planten. Een klassieke protagonist die grip verliest’, lijkt dat te bevestigen. 

    Alles werkt aanstekelijk

    Waarom heeft deze vrouw zoveel tijd omhanden? Waarom gaat zij niet naar haar werk? Wie is deze vrouw eigenlijk? Waarom zitten er hiaten in haar geheugen en zit ze daar aan die keukentafel over na te denken? En waarom heeft ze zoveel verontrustende dromen over Mark Rutte? De twijfelende vrouw laat uiteindelijk de lezer ook twijfelen, het werkt aanstekelijk. 

    Hoewel de thema’s maatschappelijk relevant zijn, worden de personages en de ontwikkeling van de hoofdpersoon niet volledig uitgediept en dat maakt het verhaal niet overtuigend. Dat is jammer, want het stellen van ongemakkelijke vragen over privileges, xenofobie en fragiele grenzen van onze moraal vergt moed. Iets wat je dit personage zou gunnen. Het mist de emotionele impact die de onderwerpen die ze aanhaalt eigenlijk verdient. Mocht het boek willen aansporen tot zelfreflectie, is dat slechts voorbehouden aan degenen die haar gedachtestroom herkennen en kunnen volgen. Verder blijft het giswerk.



  • Oogst week 20 – 2025

    Wonderkind

    In Wonderkind van Willemijn Tillmans keert Mia Compré ieder jaar terug naar Geldrop, het kleine Brabantse dorp waar haar vader uit haar leven verdween toen ze twaalf jaar oud was. Ze is op zoek naar antwoorden, niet alleen op de schuldvraag — lag het aan haar of aan hem? — maar ook op de vraag waar het is misgegaan. Wanneer nam haar jeugd een andere wending? Zijzelf zou zeggen dat het iets te maken had met de verhuiswagen van de nieuwe buren die kwam vast te zitten tussen de Volkswagen Jetta van de Comprés en een puincontainer. Haar moeder heeft weer een ander verhaal over de redenen waarom het gezin uit elkaar is gevallen en haar oma zag het al misgaan tijdens Mia’s geboorte.

    Willemijn Tillmans (1976) is acquirerend redacteur uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Ze studeerde af aan de schrijfopleiding van de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht en werkte o.a. als scenario- en promoschrijver voor verschillende televisiezenders. Wonderkind is haar debuutroman.

    Wonderkind
    Auteur: Willemijn Tillmans
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Alles over liefde

    Alles over liefde van bell hooks (in kleine letters) werd oorspronkelijk gepubliceerd in december 1999 (All About Love) en nu is er een vertaling. In het boek zet hooks een nieuwe ethiek uiteen voor onze samenleving, die zij liefdeloos noemt. Het gaat haar niet om romantiek, ruim aanwezig in onze gepolariseerde samenleving, maar om zorg, mededogen en gemeenschap. hooks vervlecht haar eigen ervaringen met liefde en het ontbreken ervan met een analyse van de lessen over liefde die onze huidige samenleving ons leert.

    Gloria Jean Watkins (1952-2021), beter bekend onder haar pennaam bell hooks, was een Amerikaanse auteur, denker, onderwijzer en maatschappijcriticus. Ze schreef tientallen boeken, vooral over de manieren waarop racisme, kapitalisme en seksisme samenhangen en elkaar versterken. Gedurende haar leven gaf ze les aan meerdere universiteiten en was ze bijzonder hoogleraar in residentie aan het Berea College. 

    Alles over liefde
    Auteur: bell hooks
    Uitgeverij: De Geus

    De Duchampcode

    In Ludo Mentens De Duchampcode denkt kunstschilder Louis Gabriëls hét grote geheim van de Frans-Amerikaanse Dadaïst Marcel Duchamp te hebben ontdekt. Hij is er zo enthousiast over dat hij verwacht dat iedereen het zal willen weten, maar dat valt tegen. Niemand wil zijn nieuwe hypothese geloven. Gabriëls is niet voor één gat te vangen. Hij bijt zich vast in zijn onderzoek naar Duchamp, wat leidt tot een nog minder geloofwaardige hypothese. Omdat een vreemde werkelijkheid soms alleen in fictie is te vangen, besluit hij dat er dan maar van te maken: een verhaal over Duchamps eerste geheime liefde, die uiteindelijk bekend wordt dankzij de Duchampcode.

    Ludo Menten (1965) is historicus en schrijft onder een pseudoniem. Hij werkt als zelfstandig tekstschrijver omdat hij tenminste vijf jaar onbekend wil blijven. Tijdens de coronacrisis vond hij op internet een onderzoek, genaamd 1-2-3-DUCHAMP! (2012), van de Belgische kunstenaar Gorik Lindemans dat een heel nieuwe blik wierp op Marcel Duchamps leven. Het vormde de basis voor Mentens roman De Duchampcode. 

    De Duchampcode
    Auteur: Ludo Menten
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer
  • De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen

    De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen

    Een fictieve stad is het toneel van de roman Jericho van schrijver Lammert Voos. Hij werkte zelf jarenlang als vluchtelingenmedewerker, onder meer tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Hij publiceerde gedichten, verhalen en romans, deels in het Gronings, de taal van zijn jeugd. De naam Jericho komt in de Bijbel voor, in het boek Jozua, maar niets in deze roman verwijst naar de Bijbelse stad die op miraculeuze wijze veroverd werd door het Joodse volk dat uit het land Egypte weggetrokken was. Jericho is door Voos gesitueerd in het eveneens fictieve Moudzikistan, een ‘oud rijk dat bestaan had uit een lappendeken van volken, talen en religies.’ Het is een staat in het Pontisch-Kaspische steppegebied boven de Zwarte Zee, dat zich uitstrekt van het huidige Moldavië tot aan Kazachstan. De situering van de roman is fictief, maar weinig in dit boek is verzonnen. Voos heeft de roman bijeengesprokkeld uit zijn herinneringen en uit de verhalen van vluchtelingen en hulpverleners uit oorlogen wereldwijd. Hij schreef de roman voordat Rusland Oekraïne binnenviel.

    Jericho is in Voos’ roman de hel op aarde. De stad wordt voortdurend beschoten vanuit de bergen, het is de sterfplaats van wanhopige vluchtelingen en de pleisterplaats van cynische journalisten. Een vervuilde stad, zonder schoon water, lijdend onder de hitte, het stof en de explosieven. Niemand is daar zijn leven veilig en het leed gaat er naakt of half aangekleed over straat. ‘De massa week stroperig uiteen, murw van honger, dorst en uitputting. Stof en nog eens stof, kinderen met zwarte oogleden en lippen van roet (…)’. 

    Korte scènes en een motto

    Het boek bestaat uit korte scènes uit het leven van verschillende personen die we beurtelings volgen of van wie we steeds meer via flashbacks te weten komen. De belangrijkste figuren zijn de Nederlandse journalist Adam, de vluchteling Lidija, de geheimzinnige Anna, Detlev, de barman van Hotel International en de Nederlandse VN-gezant De Jong. Ze proberen allen te overleven in deze poel van ellende.

    De roman begint met een motto van Friedrich Nietszsche: ‘Wenn du lange in einem Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein.’ Dit citaat is helemaal van toepassing op Adam, de journalist. Mede door enkele flashbacks naar zijn jeugd ontstaat het beeld van een man die zijn journalistieke loopbaan gebruikt om aan zijn trauma’s te ontsnappen. Hij is opgevoed door een ‘beest’ van een vader die zijn moeder sloeg, en een moeder die ‘niet deugde’. De schrijver noemt Adam een zaterdagskind, iemand die niets bespaard is gebleven en zich daar zelf schuldig over voelt. Iemand die niet wil accepteren dat de afgrond ook in hemzelf bestaat en dat hij die afgrond telkens weer opzoekt, zoals nu in Jericho. In deze stad blijft hij – door de wol geverfd – ogenschijnlijk heel rustig te midden van de mensonterende omstandigheden waarin mensen om hem heen worden neergeknald of compleet gek worden van angst. Maar iedere keer als hij terugkeert in Nederland wordt hijzelf gek van angst. Het enige wat hem daarvan kan bevrijden is terug te keren naar een oorlogsgebied waar nieuwe belevenissen in verse lagen over de oude gelegd worden. 

    Wie wel en wie niet te vertrouwen

    De vluchteling Lidija is het slachtoffer van jodenhaat op het platteland en moet vluchten. Zij denkt in de stad Jericho veilig te zijn. Onderweg naar de stad verliest ze haar schoonouders en man. Ze ‘sleept’ twee jonge kinderen met zich mee, de een krijsend van honger, de ander bijna dood. Lidija is de schrijfster van een gedicht waarvan door het boek heen telkens zinnen opduiken. Een mooi en tegelijkertijd hartverscheurend gedicht, een ‘bittere zang van lijden en sterven’. Het gedicht wordt in het laatste hoofdstuk in zijn geheel afgedrukt.

    De geheimzinnige Anna wil haar levensverhaal kwijt bij journalist Adam, die weet dat zij via hem bekendheid wil krijgen. Zij is tamelijk ongrijpbaar, ook voor Adam. Hij heeft het gevoel dat haar verhaal is verzonnen, maar hij is toch gefascineerd door haar persoonlijkheid en charme. Hij heeft het gevoel dat zij hem meetrekt in een complot, hem voor haar karretje wil spannen. Adam weet niet goed wie wel en wie niet te vertrouwen is in deze stad.

    Dan is er de barman Detlev, zelf ook een vluchteling, die werkt in Hotel International, de veiligste plek van de stad. Hij is de barmhartige in deze roman, hij doet wat hij kan om de vluchtelingen en gewonden te helpen door ze van voedsel en medicamenten te voorzien geven. Naast deze barman is er ook nog de zichzelf opofferende Nederlandse VN-sergeant De Jong. Het is even zoeken, maar medemenselijkheid bestaat ook in deze stad. 

    Invoelende beschrijvingen

    De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen die het gevoel geven dat je naast en tussen de mensen staat die de verschrikkelijkste dingen overkomen. Zo beschrijft Voos een plein nadat er een granaat is ontploft: ‘Het plein lag bezaaid met lijken en lichaamsdelen. Er kroop een jonge vrouw over de stenen die glibberig van het bloed waren, de resten van haar benen achter zich aanslepend. Overal schreeuwende en huilende mensen op zoek naar geliefden en familie. De ramen waren uit de McDonald’s geblazen, binnen lagen talloze gewonden.’ Lammert Voos schrijft heel afwisselend. Lange zinnen en zinnen die bestaan uit heel weinig woorden wisselen elkaar af. Hij gebruikt prachtige metaforen en verwijzingen. Een pantserwagen doet hem denken aan Jona in de walvis en beweegt zich als een ‘pissenbed’ door de straten.

    Toch is er ook wel wat op het boek aan te merken. Het verhaal van Anna blijft ook na meerdere lezingen onduidelijk. De Nederlandse VN-gezant De Jong is een soort Jezus-ex-machina. De auteur brengt de verschillende hoofdpersonen in de slothoofdstukken bij elkaar, maar dat komt in dit meeslepende en actuele boek wat geconstrueerd over. De drama’s van de hoofdpersonen waren los van elkaar al wel invoelbaar gemaakt.



  • Oogst week 25 – 2024

    Deze vreemde bewogen geschiedenis

    In de Aantekeningen achter in Deze vreemde bewogen geschiedenis schrijft Claire Messud (1966) dat haar boek fictie is: ‘Maar de wederwaardigheden van de familie Cassar sluiten nauw aan op die van mijn eigen familie. De ouders van mijn vader waren geboren en getogen in Algerije’.
    Deze vreemde bewogen geschiedenis begint op 14 juni 1940 in Salonika (Thessoloniki) waar Fransman Gaston Cassar marineattaché is op de ambassade van zijn land. De Duitsers hebben op die dag Parijs bezet en daarmee veranderen leven en werk van Cassar. Hij gaat niet in op de oproep van De Gaulle vanuit Londen aan alle nog vrije Fransen om zich bij hem aan te sluiten, maar besluit zijn eigen weg te gaan. Zijn vrouw Lucienne en de kinderen naar haar geboorteland Algerije. Daar worden ze bepaald niet meer welkom geheten omdat ze getrouwd is met een vertegenwoordiger van de koloniale heerser. Zo is zij, die al vreemdeling was in Salonika, nu ook in hun land van oorsprong niet thuis.
    Vanaf dat moment volgen we de familie Cassar gedurende drie generaties, om in 2010 te eindigen in Connecticut. Het verhaal van deze familie ontrolt zich in wisselende perspectieven en verspringend door de jaren.
    Van Claire Messud (1966) verschenen in Nederland eerder Het vorige leven, Meisje in brand en De kinderen van de keizer.

    Deze vreemde bewogen geschiedenis
    Auteur: Claire Messud
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Nooit moet je me vragen

    Eind vorig jaar verscheen in de privé-domeinreeks een heruitgave van de beroemde verzameling herinneringen, Familielexicon, van Natalia Ginzburg in de vertaling van Jan van der Haar. Nu, amper een half jaar later, is er de bundel essays en verhalen van de schrijfster, die in 1916 werd geboren als Natalia Levi en stierf in 1991 (Ginzburg was de naam van haar in de oorlog vermoorde man). De bundel die oorspronkelijk verscheen in 1970 is eveneens door Jan van der Haar vertaald. Eén van de verhalen is ‘De ouderdom’, geschreven in december 1968, toen ze dus 57 jaar oud was. Het begint als volgt: ‘Nu worden wij wat we nooit wilden worden: oud. Ouderdom hebben we nooit gewild of verwacht; en toen we ons die trachtten voor te stellen was dat altijd oppervlakkig, grofweg en vaag. Ze heeft ons nooit zo nieuwsgierig of belangstellend gemaakt. (In het verhaal van Roodkapje was degene die me het minst nieuwsgierig maakte haar grootmoeder, en het kon ons geen bal schelen dat ze veilig en wel uit de buik van de wolf kwam.) Het merkwaardige is dat we, nu ook wijzelf oud worden, geen belangstelling voelen voor de ouderdom (…) Onze blik zal altijd nog op de jeugd en kindertijd gericht zijn’.
    In het boek zijn tal van commentaren op het werk van Ginzburg opgenomen.

    Nooit moet je me vragen
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    Jericho

    Jericho is de vierde roman van schrijver en dichter Lammert Voos. Een roman over het behouden van waardigheid en menselijkheid in oorlogstijd. De journalist Adam bevindt zich als correspondent in de denkbeeldige stad Jericho. Het boek begint met een proloog waarin Adam worstelt met zijn herinneringen aan zijn oorlogcorrespondentschap in Jericho. ‘Niets had hem voorbereid op de stank en de chaos, de beelden die ’s nachts terugkwamen.’ Voos werkte als vluchtelingenwerker tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Deze roman is gebaseerd op zijn ervaringen. In het boek raken enkele mensen ingesloten in een belegerde stad waar vervolgend de anarchie uitbreekt.

    ‘De pantserwagen ploegde voort en bereikte het oude stadscentrum, reed langs de neoklassieke gebouwen, de eens zo mooie parken die nu allemaal kerkhoven waren, langs het station, in de richting van Hotel International. Achter het hotel lag de vn-compound en in het hotel huisden de fixers, de journalisten, hulpverleners, hoeren, pooiers en de gangsters die de stad in werkelijkheid controleerden. Mogadishu, Kabul, Goma, Bagdad; al die steden hadden zo’n hotel. Binnen heerste wapenstilstand, één stap buiten en je was vogelvrij.’

    De gebeurtenissen zijn schrijnend en beklemmend, ieder moet zichzelf redden (je maakt je een levendige voorstelling van Gaza als je dit boek leest). Ook denk je aan dat bijbelverhaal, ‘Val van Jericho’. En ja, zie dan je menselijkheid en waardigheid maar eens te behouden. Het boek is opgebouwd in kleine hoofdstukken, onderscheiden door steeds een witte bladzijde. Zo kan dit belangrijke verhaal in afgepaste stukje gelezen worden.

     

     

    Jericho
    Auteur: Lammert Voos
    Uitgeverij: Thomas Rap
  • Oogst week 18 – 2024

    Wally en wij

    Niemand weet waar de jonge walrus vandaan kwam en waarom hij vermoeid maandenlang langs de West-Europese kust trok, tot aan Spanje toe, en een bezienswaardigheid werd. Het eerst werd hij gezien in Ierland, in maart 2021. Wally, zoals hij al snel werd genoemd, hees zich regelmatig in havens in bootjes en werd een steeds grotere attractie. Schrijver en vertaler Irwan Droog van Wally en wij heeft Wally nooit gezien. Door een verblijf op een Noors eiland voor zijn boek Het huis aan het einde had hij niets meegekregen over Wally’s Europese reis. Toen hij veel later een foto zag van een walrus in een bootje twijfelde hij er eerst aan of dat echt was en kwam toen achter het verhaal van Wally. Maar hoe kwam het dier daar aan die kust? Was hij op een ijsschots afgedreven, of door het smeltende zee-ijs in het poolgebied naar het zuiden gedwongen?

    Droog besloot te proberen antwoord te vinden op die vragen door dezelfde reis te maken als Wally. Hij merkte dat de walrus behalve geliefd ook gehaat was, zoals door vissers die dachten dat hij hun vis op at of door eigenaren die hun boot zagen zinken onder Wally’s gewicht.

    Droog voert in zijn boek walrusexperts op (die de dieren zien als meest intelligent van het Noordpoolgebied), heeft het over klimaatverandering en over de veranderende relatie tussen mensen en dieren. Door het toenemend aantal mensen moeten dieren en wij ons beider leefgebied steeds meer delen. Hoe gaan wij daarmee om?

     

    Wally en wij
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Uiterst vertrouwelijk

    De dreiging vanuit het Duitse keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije was vlak voor de Eerste Wereldoorlog voor Nederland aanleiding om geheime diensten op te richten. Onlangs heeft de AIVD een historisch belangrijk rapport vrijgegeven over deze diensten in de periode 1912-1947. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken wilde toentertijd niet dat de verhalen van de diensten verloren zouden gaan en liet ze opschrijven door M. de Meijer. Deze insider putte gedeeltelijk uit documenten die hij na de Duitse inval had begraven in zijn achtertuin.

    In Uiterst vertrouwelijk- Achter de schermen van de Nederlandse geheime diensten reflecteren vier wetenschappers op de toenmalige inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ze duiden De Meijers geschiedschrijving – bestaand uit toen nog eenvoudig documentatiewerk van een paar militairen – en verbinden deze met de hedendaagse ontwikkelingen. Het werk van de diensten is sinds die eerste decennia sterk uitgebreid. Nadruk ligt nu ook op economische en militaire spionage, het voorkomen van terroristische aanslagen en het beletten van buitenlandse inmenging in de Nederlandse samenleving. Hoe zijn de oude geheime diensten uitgegroeid tot een professionele organisatie met duizenden werknemers? Hoe verhoudt die organisatie zich tot de democratische rechtstaat, wat waren en zijn de vijandbeelden van Nederland?

     

    Uiterst vertrouwelijk
    Auteur: Constant Hijzen, Bart Jacobs, Florentijn van Kampen, Rowin Jansen
    Uitgeverij: Querido 2024

    Het Heidi-feest

    In Het Heidi-feest van theaterschrijver Jannemieke Caspers (1982) wordt een klein dorp waar treinen zelden stoppen gedurende vijf dagen overstroomd, reden waarom het Heidi-feest is uitgesteld. Het water komt meters hoog en ‘… stroomde de huizen binnen, het hotel De Vallei, de apotheek, de bakker, het café, het boekwinkeltje… Alleen in de kiosk op het station (…) bleef het droog.’ De dorpsgemeenschap is aan zichzelf overgeleverd.

    De kiosk wordt bemand door Grietje, een meisje met de ‘brozebottenziekte’ en het middelpunt van het boek. Tijdens de overstroming kijkt ze vanuit de tweede verdieping naar buiten. ‘Grietje (…) leunde voorzichtig naar buiten. Haar haren en schouders direct nat. En daar beneden, midden in het water, zag ze de Barbiepop. Kom dan. De Barbie lachte, stak haar arm uit en Grietje dook het water in. Zodra haar haren het water raakte, voelde ze het meteen. Dit is wie zij is. Dit is wie zij had moeten zijn. Een zeemeermin.’ Als het water weg is ziet Grietje vanuit haar kiosk twee vreemde mannen, een waarneming die door geen enkele dorpeling wordt gedeeld. Ook leven er volgens Grietje ondergronds tunnelmensen die zich nooit laten zien en mollen, wortels en ratten eten. Door Grietjes praatjes, steeds meer ziek wordende mensen en het verdwijnen van spullen voor het Heidi-feest slaat de paniek in het dorp toe.

    Van het boek bestaat ook een theaterstuk. Deze tekst Wolf (of het Heidifeest) werd ‘Verse tekst 2023’. Er is ook een podcast van.

     

    Het Heidi-feest
    Auteur: Jannemieke Caspers
    Uitgeverij: De Harmonie 2024
  • Overleven, daar draait het om

    Overleven, daar draait het om

    Natuurlijk schreef Roxane van Iperen eerder vlot leesbare boeken, maar in haar meest recente roman Dat beloof ik ontpopt ze zich als iemand die schijnbaar achteloos de ene na de andere schitterende zin op het papier werpt, geen moment de spanning in de tekst laat varen en zware, aangrijpende scènes zodanig weet te suggereren dat ze als een vuist in je buik aankomen.

    In thematiek doet Dat beloof ik denken aan Vallen is als vliegen (Querido, 2020) van Manon Uphoff. Bij Van Iperen gaat het echter minder over seksueel misbruik, al overkomt haar alter ego M. dat wel degelijk ook. Van Iperen schrijft vooral over geestelijke en lichamelijke mishandeling. In die zin zou een vergelijking met Mijn vaders hand (Bezige Bij, 2022) van Bart Chabot voor de hand liggen. Chabot beschrijft in dat boek hoe hij werd geterroriseerd door zijn ouders, maar waar Chabot vooral vertelt hoe afgrijselijk zijn jeugd was, daar laat Van Iperen ons de afschuwelijke geschiedenis van het meisje M. naar adem snakkend meemaken.

    In het begin heb je als lezer van Dat beloof ik misschien wat moeite met het schijnbaar ontbreken van ‘een grote wil’; het hoofdpersonage M. lijkt niets te willen; alle ellende overkomt haar en dat is volgens de eerste literaire hoofdwet van de Nederlandse schrijver Nicolien Mizee een hoofdzonde. Zonder grote wil komt een verhaal niet op gang, betoogt ze in haar gebundelde schrijflessen onder de titel De grote wil en andere schrijflesverhalen (Nijgh & Van Ditmar, 2020). Maar dan, na een pagina of vijftig in Dat beloof ik dringt het door: M.’s grote wil is te overleven. Dat is misschien wel de meest elementaire drijfveer van de mens die onder de erbarmelijkste omstandigheden als laatste overblijft. Niet eten, niet warmte of geborgenheid, niet erkend of gezien worden, nee – overleven. Daar draait het om.

    M. is voortdurend bang voor haar vader, een onberekenbaar gevaar dat als het losbreekt letterlijk dwars door merg en been ramt. Ook het geestelijk beperkte broertje en M.‘s moeder zijn slachtoffer van dit monster. M. probeert ze zoveel mogelijk te beschermen, hoewel ook de moeder haar voortdurend in de steek laat, kleineert en verwaarloost.

    De angst voor haar vader overheerst niet alleen het leven van M., maar ook het proza zelf. Angst spat van de pagina’s. Het meisje staat strak gespannen als een veer, de tekst spiegelt dat zowel in de inhoud als in de vorm. Veel korte zinnen. Bepaalde herhalingen. En een enorm palet van metaforen die telkens opnieuw duidelijk maken hoe diep haar angsten zijn doorgedrongen in buik, hoofd en hart. Pesterijen op school zijn erg, maar kunnen vrij gemakkelijk door M. worden verdragen omdat ze in het niet vallen bij het geweld dat haar thuis te wachten staat.

    Semi-autobiografisch is dit boek, zoals Van Iperen bij de lancering van haar boek in de Volkskrantverklaarde. Het is nauwelijks voor te stellen dat ze werkelijk zo’n soort jeugd heeft doorgemaakt, maar wie Dat beloof ik heeft gelezen kan achter de vrouw met haar schijnbaar zelfbewuste welbespraaktheid ineens óók een flits opvangen van het angstige, magere en zelfbewuste meisje dat zich vast heeft gebeten in de grote wil om te overleven.

     

     

  • Een boek dat nooit uit is

    Een boek dat nooit uit is

    Het gebed van Jonathan Simmers is de debuutroman van Martijn Couwenhoven. De hoofdpersoon in deze roman is de veertigjarige schilder Jonathan, wiens moeder tien jaar geleden een einde aan haar leven maakte. Hij realiseert zich dat hij nooit de moeite heeft genomen haar werkelijk te leren kennen. Dat hij geen verbinding met haar heeft gezocht. En tien jaar na haar overlijden, gaat hij dat wel proberen in wat hij een gebed noemt. De aanleiding om dit te doen is een verzoek van zijn vader om na tien jaar geen contact elkaar weer eens te ontmoeten. Hij twijfelt of hij dit moet doen, het is daarom dat hij een poging doet dichter bij zijn overleden moeder te komen. In de hoop dat zij hem – als het ware – af en toe ‘een duwtje in de juiste richting’ kan geven, zodat hij weet wat hem te doen staat. In de hoop dat het virtuele gesprek met zijn moeder de samenhang der dingen, die hem zo vaak ontgaat, kan tonen. Het gebed is geen egoïstisch verlanglijstje, maar een poging dichter bij zijn moeder en daarmee bij zichzelf en bij zijn naaste familieleden te komen. 

    Virtueel contact met zijn moeder

    Jonathan maakt zich grote zorgen om zijn stiefzusje Lieke. In het virtuele contact met zijn moeder vraagt hij voor wat lichtheid in het getroebleerde hoofd van Lieke, om te voorkomen dat zij – net als zijn moeder – een eind aan haar leven maakt. ‘Ik doe een gebed voor Lieke, dagelijks vraag ik zachtjes om wat lichtheid, om rust in haar hoofd, om milde dagen zodat ze het zonlicht kan verdragen’. Lieke vindt de aarde geen fijne plaats om te verblijven, ze wil er niet meer zijn. Jonathan neemt haar in huis om voor haar te kunnen zorgen. Hij ontfermt zich over haar.  Ontferming is een oud woord dat in dit verband helemaal op zijn plaats is. Hij trekt zich haar lot aan en zorgt voor haar. 

    Het leven wordt voor Jonathan wat minder zwaar als hij Nathalie leert kennen, de dochter van zijn oude leermeester Meindert. Er bloeit voorzichtig en zonder haast een harmonische liefde tussen hen op. Er is een nieuwe fase in zijn leven aangebroken, er is een periode voor en na de ontmoeting met haar.

    De ogenschijnlijke tegenstelling tussen licht en donker speelt in deze debuutroman een belangrijke rol. Jonathan ziet het niet als absolute tegenstellingen, het ene bestaat bij de gratie van het andere. Hij citeert de schilder Pierre Soulages die zegt dat hij niet met zwart werkt, maar met het licht dat het weerkaatst. Jonathan geeft de voorkeur aan licht dat minder fel is, zoals dat van zwermen vuurvliegjes of van sterren die als het ware gaten boren in de donkere hemelkoepel. Ze komen uit het donker tevoorschijn. Dit woord gebruikt Couwenhoven meerdere malen in dit boek. Schilder Jonathan gaat in zijn werk met verf op zoek naar verlichting. Het is geen toeval dat hij zo houdt van schilders die datzelfde doen. 

    Schrijven als een schilder

    De schrijver van dit debuut is zelf ook schilder. Zijn doeken bestaan uit kleurvlakken die gescheiden worden door dunne gekleurde of witte strepen. De meeste vlakken hebben zachte kleuren en op ieder doek bevindt zich wel een wit vlak of een zwart vlak. De strepen tussen de vlakken accentueren de overgang en vormen ook een verbinding. Zoals hij schildert, zo schrijft Martijn Couwenhoven. Het boek staat vol met lange zinnen, met nevenschikkende verwoordingen, herhalingen, naast elkaar liggende vlakken tekst, gescheiden door komma’s. 

    Jonathan staat veel stil bij het verleden. Hij zoekt daarin naar lichtpuntjes. Een van die lichtpuntjes is Mara, een pleegdochter die zijn ouders vier maanden in huis namen. Hij herinnert zich haar als een heldere en vrolijke meid. Zowel haar ouders als hij waren een beetje verliefd op haar stralende lichtheid. Zij bracht in dit contactloze gezin voor korte tijd een onderlinge liefdesband tot stand. Als zij naar elders vertrekt, is die band snel weer verdwenen. Jonathan realiseert zich dat Mara bij zijn moeder iets in beweging zette; ze werd zorgzamer, zorg die ze zelf als kind niet had ontvangen. Jonathan leert zijn moeder beter kennen en begrijpen. 

    Nooit een gewicht samen verplaatst

    Zijn vader blijft voor hem een vreemde. Zijn vader en hij hebben, zoals Jonathan het zo mooi zegt, nooit een gewicht samen verplaatst, dat te zwaar was om alleen te dragen. Zijn vader gaf hem als kind geen enkele leiding en ging zijn eigen gang, los van de verlangens van Jonathan. De ontmoeting waarom zijn vader vraagt, loopt voor Jonathan op een enorme teleurstelling uit. Hij wordt erdoor bevestigd in de overtuiging dat zijn vader geen echte aandacht voor hem heeft.

    Martijn Couwenhoven heeft een rijk boek geschreven, waarin je blijft lezen. Het is nooit uit, omdat je er telkens nieuwe dingen in ontdekt. Het gebed uit de titel is een zoektocht naar verbinding, naar liefde en genegenheid bij naaste familieleden. De roman laat zien hoe belangrijk zorg voor elkaar is. Door zorg te verlenen kun je iemand verlichting geven. Het taalgebruik van Couwenhoven is beeldend en divers en hij verbindt zijn eigen teksten met talloze, treffende verwijzingen naar poëzie, muziek en beeldende kunst. Het boek nodigt uit om de genoemde kunstenaars op te zoeken op google en spotify en er zo een multidisciplinaire kunstzinnige genieting van te maken.



  • Met geduld en liefde worden resultaten bereikt

    Met geduld en liefde worden resultaten bereikt

    In 1950 verscheen The Child Who Never Grew, Pearl Buck’s verhaal over haar dochter Carol die verstandelijk gehandicapt was. Dat was vermoedelijk het eerste boek dat een ouder schreef over een kind met een beperking. Bert Natter volgt haar nu in Leven met Lidewij een even liefdevol als nauwkeurig verslag van de problemen maar ook de vreugden van ouders die een kind hebben dat kind blijft. De ontdekking van een geestelijke beperking van je kind heeft grote consequenties. Voor de ouders, maar ook voor de andere kinderen van het gezin, die moeten leren accepteren dat hun zus of broer  veel extra aandacht van vader en moeder vraagt en dat ze die zelf ook veel aandacht zullen moeten geven. Bert Natter, zijn vrouw Hester en hun dochter Rozemond lukte dat – zo te lezen – goed, geholpen door Lidewij’s blije natuur. Anders kon dat zijn bij vreemden die soms negatief reageerden op de moeite die ouders van zo’n kind doen om het iets te laten doen waar het geen zin in heeft.

    ‘Voor een buitenstaander is het moeilijk te begrijpen dat ouders van een kind met een beperking zich moeten aanpassen aan de onmogelijkheden van het kind – dat het onrealistisch en oneerlijk is te verwachten dat een kind met een lage intelligentie in staat is zich aan te passen. Het kost tijd en tranen om erachter te komen hoe laag het niveau van je kind is en goedbedoelde, maar in feite ronduit ongevoelige raad van derden, helpt hierbij zelden. Uiteindelijk was proberen te begrijpen hoe weinig Lidewij begrijpt de enige oplossing.’ Wie Leven met Lidewij  leest, begrijpt hoe dit uitgangspunt de ouders helpt bij de keuzes die zij dagelijks moeten maken in de omgang met het kind, maar dat het desondanks vaak moeilijk is te doorgronden hoe fundamenteel het gebrek aan bevattingsvermogen van het kind is, en te zorgen dat je niet toch je geduld verliest. 

    Aanpassen aan het kind

    Maar je leest ook hoeveel voldoening het geeft als het je op die manier lukt je kind een stap verder te helpen. Een mooi voorbeeld geeft Natter als hij vertelt hoe hij het voor elkaar kreeg Lidewij zich te laten behandelen door de tandarts. Zowel bij de gewone tandarts als bij een gespecialiseerde kon men niet het geduld opbrengen het meisje in haar eigen tempo te laten wennen en te wachten tot zij bereid was haar mond open te doen. Telkens werden vader en dochter geconfronteerd met maar twee mogelijkheden: vastbinden en forceren of narcose. Maar vader Natter nam daar geen genoegen mee en zocht net zo lang tot hij een ziekenhuis vond waar men het geduld wel had om zich aan het kind aan te passen.

    ‘Een medewerker van de afdeling psychologie stippelde een voorbereidingstraject uit, met bezoeken  aan de  afdeling, de receptie, de wachtkamer, de behandelkamer, kennismaking  met de tandarts, spelletjes, een boekje om thuis te oefenen, een spiegeltje waarmee we in Lidewijs mond konden kijken. Lidewij nam elke keer haar pop Sofie mee, haar brutale buikspreekpop, die rare dingen kan roepen  maar netjes haar mond opendoet als het moet. Het hele team, van de medewerkers achter de  balie tot de tandarts en de assistenten, was op de  hoogte van  het plan en werkte mee om het een  succes te maken, stuk voor stuk vriendelijke en professionele mensen. Sindsdien geniet Lidewij van het bezoek aan de tandarts. Lidewij begon de eerste controle bij mij op schoot terwijl zij Sofie  vasthield, maar tegenwoordig  huppelt ze zelf naar binnen en geeft ze Sofie aan mij, ploft in de stoel  en doet haar  mond open. In de auto terug vraagt ze:”Wanneer gaan we weer?”’ Waarmee na jaren een einde kwam aan  een halfjaarlijks terugkerende ellende.

    Natter neemt de lezer mee in wijdse omzwervingen door literatuur en wetenschap op zoek naar hoe men in de loop van de tijd keek naar  het geestelijk gehandicapte kind. Luther en zijn tijdgenoten meenden dat het ‘wisselkinderen’ betrof, door de duivel op aarde gedropt en niet echt mens! Maar zijn eigen ontdekkingen over die totaal andere wereld waarin Lidewij leeft zonder dat te beseffen, maken zijn boek tot een bijzonder geslaagd – en  in boeiende stijl geschreven –  werk.

     

     

  • Het paradijs heet voortaan Selvear

    Het paradijs heet voortaan Selvear

    Bij de term ‘idyllisch’ zal men niet gauw denken aan een Noors Pooleiland. Toch lukt het redacteur, vertaler en fotograaf Irwan Droog om de lezers van Het huis aan het einde het eiland Selvaer te laten zien als een idyllische plek. Want dat is het voor hem heel duidelijk geweest tijdens zijn verblijf van een half jaar in 2021. Droog kende Noorwegen al van eerdere bezoeken: ‘Elk bezoek aan Noorwegen is overweldigend: de immense bergen, diepe ravijnen, rotsen, bossen, kolkende watervallen en wild stromende glasheldere rivieren maken elke keer opnieuw indruk. Alles in Nederland lijkt door anderen op maat gemaakt, op mijn maat, waardoor ik soms geen idee meer lijk te hebben van hoe de wereld er ook alweer eigenlijk uitziet. Zet me in Noorwegen neer en ik weet het weer: de wereld is enorm, wild, ruw en spectaculair. Daar zijn is een verademing, een bevrijding.’

    Onthaasting niet nodig

    Hij vat met zijn vriendin Kim het plan op om een tijdlang in Noorwegen te gaan wonen. Vooralsnog niet voorgoed, maar wie weet. Zijn werk als redacteur en vertaler kan hij dankzij internet meenemen, dat is dus geen probleem. Ze kiezen voor een klein eiland, Selvaer, dat iets ten noorden van de poolcirkel ligt. Het telt nog geen vijftig inwoners, je kunt het in een half uur rondlopen. En het bestaat van de visserij, wat voor veganist Irwan eigenlijk geen aanbeveling is. Maar hij is er al eens op proef geweest en heeft daar de rust gevonden die hem in Nederland niet meer gegeven was. En zo trekken Kim en hij midden in de corona-pandemie naar het Noorse eiland en komen in een wereld terecht waar onthaasting niet nodig is omdat haast er niet bestaat. Het leven gaat er zijn dagelijkse gangetje, de mensen zijn gastvrij en lopen ook makkelijk elkaars huis binnen voor een kop koffie of om een stuk gereedschap te lenen.

    Vreemden worden hartelijk ontvangen en meteen in de gemeenschap opgenomen. Dat komt – merkt Irwan – ook omdat iedereen op Selvaer er zich van bewust is dat de bevolking van eiland aan het verouderen is, en dat er nieuw bloed binnen gehaald moet worden. De school is bij gebrek aan kinderen al lang gesloten en het eiland heeft eigenlijk geen werk te bieden, behalve voor de enkele visser die er nog is. Dus probeert men al enige tijd Nederlanders naar Selvaer te lokken. Want Nederland heeft veel mensen en weinig ruimte, terwijl hier veel ruimte is en weinig mensen. En er is enig succes want behalve Irwan en Kim die hun eigen werk mee brengen is er nu ook Thijs die probeert met zijn vrouw Marlieke een oude boerderij nieuw leven in te blazen. 

    Noorderlicht

    Met Irwan, Kim en Zorro, hun Spaanse zwerfhond beleven we de koude witte winter van Selvaer, de lente die bijna ongemerkt komt totdat hij ineens een bloemetje uit de grond ziet steken, de start van de zomer waarbij de zon steeds langer schijnt totdat hij maar een uurtje ondergaat alvorens weer op te komen. We beleven het wonder van het Noorderlicht en de komst van ganzen en eidereenden die het eiland gebruiken om hun eieren te leggen en uit te broeden. En in de loop van het verhaal leren we bijna alle bewoners van het eiland kennen, elk met zijn of haar eigen verhaal. Zoals de oude vrouw Gerd, de enige en vermoedelijk laatste persoon die van het dons dat eidereenden achterlaten in hun nesten een deken kan maken. Ze zit daarvoor maandenlang in een schuurtje heel voorzichtig al het vuil uit dat dons te halen voordat het tot deken geweven kan worden. Een deken zó licht dat het een wonder is dat hij kan bestaan.

    Weg of thuis

    Ondanks hun gelukkige bestaan op Selvaer besluiten Irwan en Kim om na een half jaar weer terug te keren naar Nederland. Ze zijn er niet uit of dat tijdelijk zal zijn of dat ze uiteindelijk toch zullen kiezen voor een permanent verblijf op Selvaer. Het is lastig. Irwan wordt ‘heen en weer geslingerd tussen het verlangen naar een rustig, afgelegen bestaan in een kleine warme gemeenschap, zoals op dit eiland, en vlagen heimwee naar Amsterdam, waar je anoniem kunt zijn, opgaan in de massa waar zich honderdduizenden mensen in een straal van enkele kilometers bevinden.’ Een Noors spreekwoord luidt: Borte bra, men hjemme best (weg zijn is goed, maar thuis zijn het beste). 

    Irwan realiseert zich na een half jaar Selvaer: ‘Waar ik eigenlijk achter probeer te komen: ben ik weg, of ben ik thuis?’ Het werd in juli 2021 dus weer Amsterdam, al blijft Selvaer vermoedelijk lonken. Irwan Droog schreef met Het huis aan het einde een mooi reis-en-verblijf-verhaal in een soepele stijl en met treffende beschrijvingen van natuur, mensen en dieren. Als lezer vraag je je wel eens af of hem nu echt helemaal niets tegenviel tijdens het verblijf op dit eiland, want hij heeft uitsluitend goede ervaringen te melden. Maar uiteindelijk zal elke lezer zich gewonnen geven: het paradijs, dat heet voortaan Selvaer.

     

  • De ideeën het porselein, de uitwerking de olifant

    De ideeën het porselein, de uitwerking de olifant

    Recensie door Anika Redhed

    Er zijn weinig nijlpaarden in Engeland en nog minder in dit boek. Toch heeft Stephen Fry gekozen voor de titel, Het nijlpaard. Het maakt nieuwsgierig, zeker in combinatie met het strakke landhuis op de omslag. Waar gaat dit verhaal, wat ooit het tweede boek van deze auteur was, naartoe?  Naar de vorige eeuw, blijkt als snel, toen faxen nog een gebruikelijke manier van communiceren was. Hoofdpersoon Edward Wallace is zojuist ontslagen bij de krant waar hij journalist was en gezien zijn houding en gedrag is het verwonderlijk dat hij al niet eerder ontslagen is. Als zijn peetdochter hem vertelt dat ze leukemie heeft en spoedig zal sterven, vindt hij haar vooral een stom wijf. Edward wil alleen maar zuipen, roken en neuken, in die bewoordingen.

    De eerste pagina’s zijn een worsteling, zowel voor de hoofdpersoon als de lezer. Sommige zinnen zijn erg lang en een zin, in een zin, in een zin is moeilijk leesbaar. Stephen Fry is bekend van zijn werk als acteur in documentaires, films en comedyseries. Als je je voorstelt hoe de zinnen in het Engels klinken en je het accent van de acteur erbij denkt, dan is er met wat fantasie een melodie en misschien wat onderkoelde humor in te ontdekken. In het Nederlands klinken dingen soms toch anders dan in het Engelstalige: ‘Haar plan was, net als haar gezicht, opgemaakt.’ Het vertalen moeten een zware klus zijn geweest.

    Na pagina’s vol konten, pis en schijt vertrekt de hoofdpersoon naar een landhuis. Zijn peetdochter heeft hem een aanzienlijk geldbedrag geboden om een geheim te ontrafelen. Waar het om gaat, vertelt ze er niet bij. Het grove taalgebruik neemt af en de sfeer van een statig landhuis op het Engelse platteland komt goed over. Jachtpartijen, schone schijn en ontbijten met niertjes en lever. Er komen meerdere mensen logeren en in de salons, achter geheime deuren, in de stallen en in de bosjes van de grote tuin gebeurt van alles; zoals genezingen, geroddel en diefstal. Het verhaal ontvouwt zich als een combinatie van een klucht en een detective die wordt opgelost zoals Agatha Christie’s Poirot dat zou doen; tergend langzaam.

    Het gaat alle kanten op

    Het verhaal gaat ondertussen alle kanten op; van aardbeien tot de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog, van poëzie tot aambeien en van suikerbieten tot de ontdekking van de tekstverwerker. Er wordt geschreven in briefvorm, maar ook in faxen en dagboekfragmenten. Zo zit je in het perverse hoofd van Edward, zo lees je over de geschiedenis van een van de families. De hij-vorm heeft soms ineens een alwetend perspectief en er is een aantal onwaarschijnlijkheden. ‘Daar was de geur van sigaren zo sterk dat de haren op zijn achterbenen begonnen te kriebelen.’

    De auteur staat vooral bekend om zijn non-fictie werken, waaronder over de Griekse mythologie, en wordt daarvoor alom geprezen. Dit boek lijkt vooral behoefte te hebben gehad aan een strenge redacteur. De rommelige opbouw en uitweidingen die niets toevoegen doen vermoeden dat de auteur weinig schrijfervaring had. Het nijlpaard is in 2021 door Thomas Rap op de Nederlandse markt gebracht als vertaling van een uitgave van 2004, maar de eerste uitgave stamt al uit 1994.

    Na expliciete, ongebruikelijke seksscènes en slapstick humor wordt de clue bekend. Daarna gaat het boek nog even door, maar van het nijlpaard ontbreekt nog steeds elk spoor. Dit staat alleen in de gequote regels van T.S. Eliot aan het begin van het boek. Het dier lijkt hier vooral synoniem voor een ander beest; de ideeën en intenties zijn het porselein, de uitwerking daarvan, de olifant.