• Omwegen (1)

    Omwegen (1)

    Ik kan de verontruste lezers geruststellen: het verdwenen Mariabeeld, waar ik in mijn vorige column over schreef, is weer terecht. Ze stond, weggemoffeld, in een kastje op de gang, met aan haar voeten het kopje van haar kind. Dat heb ik weer op zijn nekje kunnen vastlijmen met secondelijm voordat ik het beeld terugbracht naar zijn vertrouwde plek. Ondanks alle vraagtekens rondom de verdwijning: eind goed al goed. Dan: in een oudere column combineerde ik Thomas Manns boek over de oplichter Felix Krull met een kleine, particuliere gebeurtenis.  Verbaasd over mijn lankmoedige houding vroeg een goede vriend en oud-collega: ‘Waarom bel je die man niet gewoon en vraag je hem waar het geld blijft?’ Een eenvoudige en zeer voor de hand liggend advies. 

    Mijn appje volstond: de geleende 25 euro werd, zonder een berichtje, per ommegaande op mijn rekening gestort. Ik bedankte hem, waarop een kort ‘fijn’ als antwoord kwam. Over zijn ‘fijn’ hebben R., die ook taalkundige is, en ik lang geprakkiseerd. We oefenden verschillende intonaties om er achter te komen of het een oprechte, ironische of spottende reactie was. Hoe dan ook, ook hier: eind goed al goed.

    Tot slot het laatste incident, dan hou ik erover op. Ik had Het vonnis van de samenleving, het nieuwe boek van Didier Eribon rechtstreeks bij de uitgever besteld. Zijn Terugkeer naar Reims, over zijn leven als klassenmigrant, behoort tot dat kleine rijtje boeken dat mijn leven werkelijk verrijkte en me meer inzicht gaf in wie ik ben en waar ik vandaan kom, dan welk zelfhulpboek dan ook, (Over het spoor (2)). Hongerig maakte ik de (voor een boek) nogal grote doos open en vond in plaats van een boek een broek. Een spijkerbroek. Klein maatje. Tweedehands. De broek rook naar karton. Het duurde even voordat ik doorhad dat er iets misgegaan moest zijn bij een centraal inpakpunt. De uitgeverij reageerde snel en bondig op mijn mail: ‘Ok, we sturen u het boek en retourticket voor de andere levering.’ Zonder aanhef of een (vriendelijke) groet.
    Fijn, had ik willen antwoorden.

    Misschien voelden ze zich door mij in de maling genomen, ondanks of dankzij de foto’s van de klein uitgevallen spijkerbroek die ik als bewijsmateriaal had meegestuurd. Vorige week kreeg ik dan daadwerkelijk Het vonnis van de samenleving in de brievenbus, wel met een beschadigd omslag. Daar durfde ik vervolgens niet over te reclameren. In die zin werkt een antwoord zonder aanhef of groet wel goed om mij op afstand te houden. ‘En je ongenoegen wel in je column noemen,’ zegt R. hoofdschuddend. ‘Wat een raar gedrag.’

    Van historicus Carlo Ginzburg komt de term ‘omweg als methode’. Je hebt alleen bronnen van zeven-vinkjes-klassen, hoe kun je dan toch iets weten over de denkwereld van de klassen die niet schreven? Door tussen de regels te lezen. Didier Eribon voegt daar als klassenmigrant een dimensie aan toe: zijn eigen ervaring.
    Omwegen horen bij mijn leven. Uitstelgedrag ook. Ook deze column is één grote omweg van uitstellen. Eerst een strik om oude columns, dan pas een nieuwe stap zetten. Vandaar die 1 achter de titel.

     

    (Wordt vervolgd)


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Ik heb geen tikkie

    Ik heb geen tikkie

    Op zaterdagavond word ik gebeld. We zijn niet meer dan vage kennissen, daarom ben ik verrast zijn stem te horen. Vorig jaar mei zagen we elkaar voor het laatst. Hij droeg toen een rood giletje op een English Hatter. Tijdens de corona-epidemie stuurde hij mij geregeld een podcast van zijn huisarts in ruste. Over de voor- en nadelen van groepsimmuniteit.  Soms was zijn toon wat in mineur, voorspelde hij dat we allemaal naar de ratsmodee gingen. Dan verstuurde hij als Whatsapp bericht een walsje op zijn mondharmonica. Ik antwoordde altijd vriendelijk; soms met een kleine steunbetuiging.
    Hij bekeek de zaken graag van twee kanten. De mensen in het verpleeghuis hadden het niet makkelijk, maar hij zelf, als kleine ondernemer, leed ook. ‘Ik stap telkens te laat in’, vertelde hij. Dat begon al toen hij met de Britannica encyclopedieën langs de deuren ging en de mensen niet meer op papier maar gratis en digitaal hun informatie vonden. ‘Ik ben als de stad Utrecht. Die bouwde ook een pesthuis toen de pest was uitgewoed.’

    ‘Sorry dat ik je bel,’ zegt hij als ik hem vriendelijk en verbaasd heb begroet, ‘Maar ik zit in moeilijkheden. Echt vervelend.  Zou je me misschien vijfentwintig euro kunnen lenen? Maandag geef ik je het terug.’ Zijn stem klinkt rustig, hij articuleert zorgvuldig. Toch moet hij in gevaar zijn. Iemand zet hem het mes op de keel. Vanwege een schuld? Een conflict? Of het klaar is met die mondharmonica-melodietjes van hem. ‘Ik heb geen tikkie,’ zegt hij tussendoor. ‘Graag overmaken.’ Ik herhaal zijn naam, alsof ik een professioneel hulpverlenersgesprek voer: ‘Klaas, het komt in orde.’ Nog geen minuut later appt hij: ‘Het staat nog niet op mijn rekening.’ En enkele seconden daarna belt hij me: ‘Het is er nog niet.’
    Ik zie hem, gehurkt, omringd door mannen met messcherpe voorwerpen. Zijn giletje heeft hij al moeten inleveren. Zijn oude moeder, vastgebonden, mist al een pink. Terwijl ik op zalvende toon vertel dat ik mijn computer juist opstart om digitaal het geld naar hem over te maken, vraagt R. vanachter zijn Men’s health, waar ik mee bezig ben op de vroege zaterdagavond.  ‘Met Klaas, je weet wel,’  – hij weet het niet – ‘hij is in moeilijkheden.’ Ik app: ‘Het is overgemaakt. Sterkte.’ Geen antwoord. De hele avond is hij niet meer online. 

    ’s Nachts, na het plassen, check ik nog een keer. De tijd onder zijn naam blijft op 19:12 staan. Op zondagmiddag is hij terug op zijn Whatsapp. Er volgt geen berichtje. Geen dankjewel. Op maandag, zo begin ik al te vermoeden, wordt niets teruggestort. ‘Hij heeft die zondag vast zijn roes uitgeslapen,’ zegt R. dinsdagochtend bij de koffie. Ik grinnik beschaamd en denk aan Thomas Manns Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull. Mensen willen bedrogen worden. Met Krull wilde Thomas Mann aantonen dat kunstenaars en misdadigers verwante zielen zijn, staat er op de flaptekst. R. kijkt naar mijn ogen: ‘Ik zie een uitruil. Hij vijfentwintig euro, jij een column.’ De criminelen schrap ik. Ik zet Klaas op een barkruk in een Carmiggelt-achtig café, een boodschappentas met encyclopedieën aan zijn voeten en bier op de lat. Hij belt willekeurig een nummer.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Zomerlezen – Tijd voor dikke pillen

     

     

     

    Max, Mischa & het Tet-offensief

    De zomertijd leent zich bij uitstek voor het lezen van een ‘dikke pil’. En een dikke pil kun je dit wel noemen: 1232 pagina’s. Verslavend ook. Als je je er eenmaal toe hebt kunnen zetten, is het moeilijk om weg te leggen. Het kan overigens wel, want je pakt het makkelijk weer op. Verleden jaar won het boek de Europese literatuurprijs en kreeg het behoorlijk wat aandacht; binnen korte tijd verschenen zes drukken. Terecht, wat mij betreft. De vertalers Edith Koenders en Paula Stevens verrichtten een tour de force, ook nog eens omdat ze elke verwijzing naar (jazz)muziek, schilderkunst, toneel en film natrokken; niet alles bleek namelijk in de werkelijkheid te bestaan, maar was door de in 1979 geboren Noorse auteur verzonnen.
    De schrijver zei eens dat hij in 3D schrijft, perspectivisch zeg maar en dat is raak uitgedrukt. Het boek bestaat, zoals een recensent van de Volkskrant schreef, uit ‘een verhaal dat je meesleurt, doet zwoegen en ontredderd achterlaat’.

    Max, Mischa & het Tet-offensief
    Auteur: Johan Harstad
    Uitgeverij: Podium b.v. Uitgeverij

    Jozef en zijn broers

    Het kan altijd nog dikker: 1343 pagina’s omvat de Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann van de vier romans van Thomas Mann die tezamen Jozef en zijn broers vormen (uitgave Wereldbibliotheek). Ik had er, toen het zo’n drie jaar terug op de tafel met nieuwe aanwinsten in mijn bibliotheekfiliaal lag, wel mee in mijn handen gestaan, maar het toch maar weer teruggelegd. Tot ik een cursus erover aangekondigd zag, het kocht, las en verkocht was. Zoals eigenlijk bij alles wat ik tot nu toe van Mann las, of het nu om korte verhalen of z’n lijvige boeken gaat.
    De boeken van Jozef en zijn broers zijn geschreven in de periode 1933-1943 en Mann koos in die gistende tijd in de wereld niet voor niets voor dit joodse Bijbelverhaal. Je kunt het lezen als een aanklacht tegen het virulente antisemitisme van die tijd, maar ook als zoveel meer. Ik weet weer waarom ik destijds op de cursus intekende en het boek ademloos uitlas, met al zijn reminiscenties aan bijvoorbeeld de filosofie uit de tijd van Mann: als tegenwicht tegen opvattingen die nog steeds sluimeren en op zijn tijd helaas weer lijken aan te wakkeren.

    Jozef en zijn broers
    Auteur: Thomas Mann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Pier en oceaan

    Het minst omvangrijk van de drie boeken is de roman Pier en oceaan van Oek de Jong (uitg. Augustus): 816 pagina’s, maar een dikke pil blijft het. Ik kan me nog herinneren dat ik het pal na verschijnen las en hoe het me bij bleef. Niet omdat het aan onder meer het gelijknamige werk van Mondriaan doet denken, maar gewoon, op zich, als autonoom literair werk van grote klasse.
    Een roman, een familie-epos eigenlijk, over de jeugd van Abel Roorda, over zijn religieuze afkomst, zijn familie, Friesland, Zeeland, de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw.

    Tot in de details herkenbaar. Zo is er een passage over Abel Roorda die samen met zijn vriend Job tijdens een leerlingenavond op school als piano-cello-duo optreden. Ze spelen een werk van de Duitse componist Paul Hindemith, maar omdat ze dit niet modern genoeg vinden, improviseren ze tussen de delen door. Een passage die me deed denken aan mijn eigen dwarsheid, toen mijn hoboleraar mij de Sonate van Hindemith liet instuderen, terwijl ik veel liever op dat moment eerst die van Poulenc op had gepakt. Ik trok aan het kortste eind.
    In de roman van De Jong zijn het, ondanks het grote gebaar, de kleine dingen die het hem doen. Daarin doet het op een bepaalde manier denken aan het boek van Johan Harstad, die weliswaar niet in twee provincies maar in twee uiteinden van de wereld speelt, Noorwegen en Amerika. De globalisering heeft inmiddels toegeslagen, maar toch.

    Pier en oceaan
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Uitgeverij Augustus
  • Vluchten voor de uitbarsting

    Vluchten voor de uitbarsting

    Nobelprijswinnaar Thomas Mann, bekend van onder meer De toverberg en De dood in Venetië, is natuurlijk geen onbekende voor literatuurliefhebbers. Maar wist u dat ook zijn zoon Klaus (1906-1949) geen onverdienstelijke schrijver was? Een omvangrijk oeuvre schreef hij niet, maar hij was wel verantwoordelijk voor een belangrijke gebeurtenis in de Duitse Exilliteratuur van auteurs die na Hitlers machtsovername in 1933 naar het buitenland vluchtten. Daarin werd een aanzienlijke rol gespeeld door de Amsterdamse uitgever Emmanuel Querido, die de oorspronkelijke Duitse uitgave van De vulkaan in 1939 voor zijn rekening nam. Kort na de invasie in 1940 namen de Duitsers echter de volledige oplage in beslag. Het is een heuglijk feit dat de Nederlandse vertaling bijna tachtig jaar later bij dezelfde uitgeverij verschijnt.

    In 1936 schreef Klaus Mann al in zijn dagboek over zijn plannen voor ‘een grote compositie van emigratielotgevallen’. Research hoefde hij daar niet voor te doen: de openlijk homoseksuele en antifascistische schrijver kende het milieu van de emigranten maar al te goed. Na een tussenstop in Amsterdam vertrok hij in 1938 naar de Verenigde Staten, wat wellicht zijn leven heeft gered. De kritiek op De vulkaan was verre van onverdeeld positief: niet iedereen kon de decadente sfeer van de roman, die volgens sommigen wordt bevolkt door ‘louter homo’s en morfinisten’, in even hoge mate appreciëren. In 1949 overleed Mann, pas jaren later was er hernieuwde aandacht voor zijn werk.

    Zelfs naar de hoge normen van de Exilliteratuur, waarvan schrijvers als Joseph Roth, de lat altijd torenhoog hebben gelegd, is De vulkaan geslaagd. Het werd een breedvoerige, gedetailleerde roman die wat tijd en moeite vraagt van de lezer, maar daar staat tegenover dat die een caleidoscopisch, gelaagd beeld krijgt van de vele vormen die het migrantenleven kon aannemen. Mann zette daarvoor een aanzienlijk aantal personages in die allemaal de tijd kregen om tot volle wasdom te komen in dit boek.

    Zo is er de jonge schrijver Martin Korella, openlijk homo en bovendien heroïnegebruiker (of ‘morfinist’, zoals dat destijds heette), een personage dat Mann op felle kritiek kwam te staan. Maar net zo goed bevindt zich onder de ballingen in De vulkaan eveneens Siegfried Bernheim, een steenrijke Joodse bankier, die in feite veeleer een reactionair type is. De situatie gaf zelfs aanleiding tot een vorm van naijver tussen ballingen die door hun ideologische overtuiging weg moesten uit Duitsland, en anderen die werden gedwongen door de omstandigheden, meer bepaald de rassenwetten en het antisemitisme:

    ‘Hoeveel Duitse Joden zouden er niet prima kunnen leven met het hele verschijnsel “nationaalsocialisme” als het nationaalsocialisme niet antisemitisch zou zijn?’ De redenaar stelde die vraag met een onheilspellende strengheid. ‘De absolute barbarij die het nationaalsocialisme is, en waarvan het antisemitisme alleen maar een bijzonder kras, ik zou bijna zeggen pittoresk symptoom is: hoeveel Duits-Joodse bankiers, theaterdirecteuren of hoofdredacteuren zouden daar werkelijk aanstoot aan nemen als ze er niet toe gedwongen werden?!’

    Dit soort passages stemt tot nadenken over de complexiteit van het hele migratievraagstuk en de houding die mensen moesten aannemen ten aanzien van het nazisme, getypeerd met rake zinnen als ‘de tolerante houding tegenover het absoluut slechte komt nooit alleen uit edele motieven voort, maar altijd ook uit lafheid’.  

    Wat de migranten ondanks hun verschillen wel gemeen hadden, was heimwee naar ‘het land van Goethe en Kant’, een voortdurend gevoel van desolate ontreddering, ‘de monotonie en de rusteloosheid van het ontheemde leven’. In het licht van het huidige migratievraagstuk is het boek zelfs verrassend actueel en kan het misschien zelfs tot meer begrip leiden voor mensen die nu nog hun land met tegenzin ontvluchten voor oorlog en vervolging.

    In feite is er niets veranderd: ook in de jaren dertig zag niemand de berooide Duitse ballingen graag komen en moesten ze hun toevlucht nemen tot schijnhuwelijken, luizige baantjes enzovoort. En ook zij werden allemaal over dezelfde kam geschoren, zelfs al ging het om een zeer heterogeen gezelschap van intelectuelen, kunstenaars, communisten, Joden enzovoort. Toch was hun ballingschap geen keuze, ze moesten vluchten voor hun leven terwijl ze de ‘gloeiende adem’ van de rommelende vulkaan voelen, al koesterden velen nog de ijdele hoop dat Hitler niet zo hard van stapel zou lopen:

    Nu vroegen ze zich bezorgd af: hoe ver kunnen de nazi’s gaan voordat Engeland en Frankrijk hun geduld verliezen? Ergens moet toch een grens zijn, dat dachten ze allemaal. Zal Hitler voor die grens terugdeinzen? Durft hij tot het uiterste, het afschuwelijkste te gaan?

    Mann kon zoals gezegd zelf op tijd ontkomen naar de Verenigde Staten, maar keerde na de oorlog terug naar Europa. In 1949 kwam hij om door een overdosis slaappillen. De wereldbrand had hij dan wel overleefd, maar zoals hij al in De vulkaan had geschreven, waren alle problemen daarmee niet van de baan: ‘Het leven stagneert niet, gaat verder, brengt verrassingen, veranderingen, sensaties, pijn, klein geluk, heftig verdriet, verveling, lust, vermoeidheid, honger, angst, teleurstelling.’

    Tot slot nog iets over de vertaling van dit boek, die Ria van Hengel met veel vakmanschap tot een goed einde heeft gebracht. Het is aan haar te danken dat we onder meer W.G. Sebald en Elfriede Jelinek zo soepel kunnen lezen in het Nederlands, en ook in het geval van Klaus Mann zorgt zij met haar trefzekere woordkeus, lenige stijl en feilloos gevoel voor ritme en register voor een superieure leeservaring. Het belang daarvan kan niet worden overschat. Vergeet het cliché dat vertalers onzichtbaar moeten zijn: elke vertaler doet het anders en De vulkaan is een meesterstuk van het vertalersambacht.

     

     

  • Verwoestende geschiedenis van een stad

    Verwoestende geschiedenis van een stad

    Soms hebben auteurs een haat-liefde verhouding met hun geboortestad. Bij Svealena Kutschke lijkt dit niet anders te zijn. In haar derde roman Een stad, het meisje en de duivel beschrijft ze de lotgevallen van een Duitse familie tegen de achtergrond van de verschrikkelijke twintigste eeuw met haar stad Lübeck in een hoofdrol. De Nederlandse titel verdoezelt een beetje de originele Duitse: Stadt aus Rauch. De rook waarvan sprake kan verschillende diepere betekenissen hebben, enerzijds verwijzend naar de verschillende vuurhaarden, branden en drama’s die zich de vorige eeuw in Lübeck afspeelden, anderzijds kan het ook duiden op de voortdurende mist die hangt boven de Trave, de triestige en duistere rivier die ook een hoofdrol opeist in het verhaal.

    Zwarte familiekroniek

    Het verhaal start in 1908 als de prostituee Magdalena zich in een wanhoopsdaad overgeeft aan de Trave. De hoogzwangere Magdalena overleeft het niet, maar als bij wonder drijft daar op haar dode lichaam de baby Lucie, gered door de duivel. Onmiddellijk doet hier het magisch-realisme zijn intrede. Lucie bezit namelijk, net als later haar kleindochter Jessie, de gave om de duivel te zien en met hem te praten. Een gave die later zowel een vloek als een zegen blijkt te zijn.  De duivel is een ietwat eigenaardig personage dat te pas en te onpas opduikt in het verhaal en zijn eigen mening heeft over de geschiedenis van het grauwe Lübeck waaruit hij blijkbaar niet kan of wil ontsnappen. In het verhaal zien we hoe Lucie, van lage komaf, later trouwt met de burgerlijke Christoph Petersenn, zoon van een hoogaangeschreven militair uit het Pruisische leger. Hun dochter Freya en haar man Jürgen Mertens, krijgen ook een dochter, Jessie. Met haar zijn ondertussen de jaren tachtig en negentig aangebroken. Kutschke introduceert alle personages vrij vlug en experimenteert met grote chronologische sprongen. Haar vrij complexe en gedetailleerde stijl zorgt ervoor dat de lezer een aanhoudende concentratie moet tonen om het verhaal goed te blijven volgen.

    Dat verhaal beslaat de hele Duitse recente geschiedenis: van het Pruisische keizerrijk via de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het nationaalsocialisme en de Tweede Wereldoorlog naar de heropbouw, maar evenzeer de antifascisten en punkscene uit de jaren tachtig tot de opkomst van de neonazisten met hun antivreemdelingenpolitiek. De donkere en destructieve kanten van het leven worden vooral in de kijker gezet: de scheurende honger, de  haat tegenover een volk, de verwoestende kracht van drank en drugs. Alles wordt gezien vanuit het oogpunt van de sterke, maar vreemde vrouwen uit de familie. Vooral Lucie en Jessie nemen de hoofdbrok voor hun rekening. Het lijken sterke vrouwen, maar ze nemen een aparte plaats in. Ze worden niet echt geaccepteerd door de maatschappij en zoeken daarom soelaas in verdovende middelen of verbinden zich met andere uitgestotenen, waardoor ze dan weer zwak of passief overkomen. De mannen in het boek zijn minder uitgewerkt, maar ondernemen wel actie, al zijn het vaak foute acties. Ze voelen zich helden, maar zijn vaak verklikkers en verraders.

    In de traditie van Buddenbrooks

    Kutschke is er zeker in geslaagd om een groots epos te schrijven, volledig in de traditie van De Buddenbrooks van Thomas Mann, een werk waarnaar verschillende keren impliciet en expliciet wordt verwezen en dat ook Lübeck als achtergrond heeft. Verschillende passages zijn zeer beklijvend en blijven lange tijd in het achterhoofd nazinderen. Haar literair-poëtische stijl toont wat een talent ze heeft en is bijwijlen om de vingers bij af te likken. Nadeel is dat ze zich soms verliest in eindeloze en nutteloze details en beschrijvingen die weinig bijdragen tot het verhaal. De veelheid aan personages maakt het boek ook niet makkelijker en door de tijdssprongen is het soms tweemaal nadenken over welk personage het nu gaat. Verschillende nevenpersonages worden te uitvoerig uitgewerkt wat zorgt voor verwarring en irritatie. Zo is er het voorbeeld van de romanschrijver Wilnauer die telkens de loef wordt afgestoken door Thomas Mann. Bij de boekenverbranding gooit hij dan maar gefrustreerd al zijn manuscripten in het vuur. Leuk detail, maar zijn figuur draagt niet bij tot het verhaal. Alleen de link met Mann wordt gemaakt.  Ook de verschillende verwijzingen naar Duitse verhalen en sagen, zoals die van de Roggenbuk, maakt het verhaal voor niet-Duitse lezers moeilijk.  Het einde is nogal teleurstellend, de lezer blijft gefrustreerd en verweesd achter. En de duivel? Het personage waar zelfs in de titel naar wordt  verwezen verdwijnt plots zonder reden van het toneel. Een stad, het meisje en de duivel had best de helft minder pagina’s kunnen hebben, maar dat neemt niet weg dat het zeker een krachttoer is van Kutschke om deze roman te schrijven. Wie houdt van trage, melancholische, zelfs donkere, en poëtische literatuur vindt dit zeker een topper.

     

  • Dikke pil of dichtbundel

    Dikke pil of dichtbundel

    Uit een onderzoek naar het leesgedrag van Nederlanders in de zomervakantie door de grootste online boekwinkel van ons land, blijkt dat tachtig procent van de vakantiegangers twee boeken in de vakantiekoffer meenemen: een thriller en een roman. Een voor de hand liggende genrekeuze waar ik jaloers op ben. Het kost mij meestal wel wat hoofdbrekens een goed vakantieboek te kiezen. Vaak ging ik voor de dikke pil. Waar je zo gezegd lang mee doet, soms te lang. Zoals met James Joyce’s Ulysses of De Toverberg van Thomas Mann. Ook Bonita Avenue van Buwalda is een dikke pil maar bleek geen vakantieboek. Ik kwam er maar niet ‘in’. Ook niet na herhaalde pogingen. Enkele zomers terug heb ik het achtergelaten bij een meeneembibliotheekje op de Place du Vieux-Marché van Rouen. Ik verruilde het voor de Franse uitgave van de Kreeftskeerkring, het debuut van Henry Miller (waarvoor hij inspiratie opdeed in Parijs en gelijk wereldberoemd mee werd).

    Deze vakantie overwoog ik een dichtbundel mee te nemen, misschien meerdere. Je kunt er vrij onopvallend mee rondlopen, meenemen naar het toilet. Het geïmproviseerde leven op een camping zou er een wat poëtischer karakter door kunnen krijgen. Ik dacht aan Peter Swanborns nieuwe bundel Het wolkenreparatieatelier, die een soort buiten – (anders dan natuur) – observaties bevat. Zijn gedicht ‘Craquelé’ deed me denken aan gebarsten aarde, veroorzaakt door langdurige droogte. Een uitvergrote craquelé verspreid over de aarde die, als je tussen de opengebarsten spleten kijkt, een andere dimensie van leven doet vermoeden:

    Het glazuur transparant en aan de oppervlakte gaaf, / zoeken onderliggende barsten zijwegen, vertakkend / als ijs onder dun water. Ik weet: deze kom stamt van / voor mijn tijd. (…).’
    Maar ik vroeg me af of een dichtbundel me genoeg zou zijn als ik wakker lag in mijn tent.

    Literaire tijdschriften leken me ook geen gek idee; een Kluger Hans, Terras, Tirade, de Parelduiker, De Gids. Voor elk moment wat wils: poëzie, verhalen, essays. Licht en makkelijk mee te nemen leesmateriaal. Hoewel Terras toch meer het formaat van een boekwerk heeft en een Parelduiker, die zag ik me bij nader inzien ook niet lezen in de blakerende zon.

    De avond voor ik op vakantie ging, keek ik het laatste deel van de vijfdelige serie Patrick Melrose op NPO 2. Een serie die ik niet vanaf het begin had gevolgd omdat ik vreesde dat Benedict Cumberbatch zo goed zou zijn in de rol van de eigenzinnige, aan heroïne verslaafde upperclass jongen Patrick Melrose, dat hij mijn beeld van Melrose uit de trilogie van Edward St Aubyn compleet zou overspelen. Toch, gedreven door nieuwsgierigheid vond ik de laatste aflevering nog net online beschikbaar. Het bleek een fantastische en overtuigende weergave van een romanfiguur die je alleen door over hem te lezen, nooit zo uitgebeeld zou krijgen. Ik wist gelijk welk boek er mee zou gaan: Patrick Melrose romans.  Over een leven, zo ingenieus beschreven dat je  het net zo gretig als de eerste keer, opnieuw leest.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • Ideale bestaansvorm

    Ideale bestaansvorm

    Laat ik mijn keuze aan boeken voor de zomer beperken tot het onderwerp van mijn vaste columns. Ik denk dan het eerst aan Exit West van Mohsin Hamid, dat een paar maanden geleden in het Nederlands verscheen. Een indrukwekkend verhaal over twee geliefden die hun land in het Midden-Oosten ontvluchten voor het oorlogsgeweld. Maar de roman is zoveel meer dan een liefdesverhaal in tijden van oorlog. Hamid laat je nadenken over de pijn van vluchtelingen die zich altijd afgesneden zullen voelen van hun wortels, maar ook over wat migratie – niet alleen een vlucht – met mensen doet. In één van de interviews ter gelegenheid van de verschijning van de Nederlandse vertaling zei Hamid: ‘Als je migratie metaforisch beschouwt, dan is oud worden ook een vorm van migratie, of trouwen, naar de universiteit vertrekken, een lange reis maken. Migratie is gedwongen verandering, het dwingt je jezelf opnieuw uit te vinden’. Exit West gaat daarom over veel meer dan vluchten. Het gaat over ieder van ons en juist daarom leef je zo mee met de verliefden Al Said en Nadia.

    Op 9 augustus verscheen er van mijn hand een recensie over Een afgedane zaak van de Tsjechische schrijver Patrik Ouředník. Hij was me volkomen onbekend, maar deze roman liet me meteen naar de bibliotheek hollen om twee eerdere boeken van hem mee te pikken: Europeana en Het geschikte moment 1855. In die laatste roman lezen we het relaas van een stel idealisten die de absolute vrijheid wil praktiseren in een kolonie in Brazilië. Op de heenreis gaat het echter al flink mis. Ouředník laat je af en toe in lachen uitbarsten, maar stelt ondertussen essentiële kwesties aan de orde. Wat is vrijheid? Welke hoop mogen we hebben?
    Bij Het geschikte moment moest ik af en toe denken aan een ander prachtig boek over migratie: De onervaren van Joke van Leeuwen uit 2015. Het is gesitueerd in 1847, dus acht jaar vóór het jaar waarin Ouředník zijn roman plaatste. In dat boek steken kansarme Nederlanders uit een christelijk dorp de zee over om daar hun ideale bestaansvorm te realiseren. Een boek over dromen, eigenbelang en (wan)hoop.

    Tenslotte nog het prachtige De familie Mann. Geschiedenis van een gezin door Tilmann Lahme. De dit jaar verschenen biografie van het gezin van schrijver Thomas Mann, die begint op het moment dat Thomas Mann zelf bijna 50 is en alle kinderen al geboren zijn. In mijn bescheiden kennis van die familie was het vooral een gezin dat rollebollend met elkaar door het leven ging, gebukt onder een autoritaire vader aan wiens ambities alles ondergeschikt was. Dat beeld heb ik grondig bij moeten stellen. Moeder Katia  is in dit boek een krachtige vrouw die het gezin door de moeilijke jaren van oorlog, nazisme, aanvaarding van homofilie en zelfmoord leidt. Maar het is – en daarom hoort het in dit migratievakantiepakket thuis – evenzeer een boek over de worstelingen tussen ouders en kinderen als het aankomt op keuzes onder een regiem dat je niet kunt accepteren: hoe besluit je te vluchten uit een land dat je liefhebt?

     

  • Oogst week 23

    Aan een onbekende god

    Hoofdpersoon Joseph Wayne vertrekt naar de Salinas Vallei in Californië, een streek met een overweldigend mooie natuur waar auteur Steinbeck als kind zelf heeft gewoond. Onder de grote eikenboom bouwt hij een huis. Joseph verbeeldt zich dat de geest van zijn vader in de boom woont. Ook zijn broers komen naar de boerderij. Alles gaat voorspoedig, totdat de regen uitblijft. Zal Joseph ondanks de droogte trouw blijven aan zijn land? Ook als hij daarvoor een hoge prijs moet betalen? ‘Een intense en zintuiglijke roman vol natuurbeleving en mystiek.’

    Uitgeverij Bint bestaat nog geen jaar, maar heeft mooie plannen. In de reeks Bint Klassiek verschenen eerder de romans De kern van de zaak van Graham Greene en Thérèse van François Mauriac. Daar is nu dus Aan een onbekende god bijgekomen van John Steinbeck. De reeks zal worden uitgebreid met titels van o.a.Stefan Zweig, Isaac Bashevis Singer en Czesław Miłosz.

    Aan een onbekende god
    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Uitgeverij Bint

    Geen kunst

    Peter Esterházy (1950-2016) is een van de belangrijkste hedendaagse Hongaarse literaire auteurs. Maar volgens hem was hij ‘allereerst voetballer en pas daarna schrijver’. Hij had het van geen vreemde. Zijn vader voetbalde, een van zijn broers kwam uit voor het Hongaarse elftal en over zijn moeder zei hij: ‘Voetbal is haar hele leven, in het hoofd van mijn moeder heeft de wereld de vorm aangenomen van een voetbalveld.’

    In Geen kunst brengt hij zijn gestorven moeder tot leven. Hij gaat met haar het gesprek aan, over voetbal, over het gezin en over Hongarije in de jaren vijftig. Steeds vertelt ze nieuwe verhalen.

    Peter Esterházy is vooral bekend geworden met zijn postmoderne familiekroniek Harmonia Caelestis (2000), twee jaar nadat zijn vader was gestorven. Het moest een ode zijn, maar in het jaar dat zijn boek verscheen ontdekte hij dat zijn vader vanaf 1957 informant was geweest voor de Hongaarse geheime dienst en dat hijzelf door zijn vader was bespioneerd.

    Geen kunst
    Auteur: Péter Esterházy
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    Ongebaande paden

    Sylvain Tesson is een man die van extremen houdt en daar over schrijft. In Zes maanden in de Siberische wouden beschrijft hij hoe het is om als kluizenaar te leven, in een hut bij het Baikalmeer midden in het Siberische bos. In Berezina, met Napoleon in de zijspan volgt hij op de motor het winterse, terugtrekkende spoor van Napoleon en zijn Grande Armée nadat het, dan exact 200 jaar geleden, door tsaar Alexander I is verslagen.

    Een van die avonturen kostte Tesson bijna het leven. Hij beloofde zichzelf dat hij dwars door Frankrijk zou gaan lopen als hij voldoende zou herstellen. Dat deed hij en in augustus 2015 begon hij in het uiterste zuidoosten van Frankrijk aan een wandeling die hem ver wegbracht van de bewoonde wereld en onze alomtegenwoordige technologie. Zijn tocht voerde, door de zelfopgelegde restrictie dat hij alleen over onverharde wegen mocht lopen, dwars door de ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Een kleine drie maanden later eindigde zijn voetreis aan de noordwestkust.

    Ongebaande paden
    Auteur: Sylvain Tesson
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    De familie Mann

    De familie Mann is het tragische verhaal van een gezin dat volledig wordt beheerst door de literaire roem van de vader, Thomas Mann. Maar in De familie Mann draait het echt om de familie Mann. Niet allèèn maar over de beroemde schrijver uit het gezin.

    Aan een familie wordt het staatsburgerschap ontnomen. “Onwaardig om Duitsers te zijn’”schrijven de kranten. In december 1936 worden de Manns beschouwd als “schadelijke elementen in de samenleving”. De familie woont dan drie jaar in het buitenland. Drie jaar heeft Thomas Mann geaarzeld en geweifeld, nu heeft hij eindelijk “zijn hart gewassen” zoals hij het noemt, zich openlijk uitgesproken voor de emigratie en zich daarmee tegen het Hitler-regime gekeerd. Zijn familie heeft reikhalzend uitgezien en op hem ingepraat, agressief zoals dochter Erika, duidelijk zoals zoon Klaus, of zacht en beslist zoals zoon Golo en echtgenote Katia.

     

    Auteur: Tilmann Lahme
    Uitgeverij: uitgeverij De Arbeiderspers
  • Puttertje en lier

    Puttertje en lier

    Afgelopen week zat ik in de zon in een bushokje te wachten op de bus toen mijn oog op een vogelkooitje viel dat aan een verkeersbord hing. Daarin zat een Pietje luidkeels te zingen. Een meneer met boodschappentas bleef stil staan en liep daarna, wat verbaasd weer verder. Een mevrouw die naast me kwam zitten en  mijn verbazing opmerkte, begon te vertellen dat je dit in Amsterdam Zuidoost ook ziet. Een gewoonte die is meegenomen vanuit Suriname, waar heuse zangvogelwedstrijden worden gehouden en waar het gewoon is om mensen met een vogelkooi over straat te zien lopen.

    Ik vond het leuk te horen, maar geneerde me ook een beetje voor mijn onkunde. Ik had wel aan de Vogelvanger uit Mozarts Zauberflöte gedacht, maar kon geen boek van een Surinaamse schrijver bedenken waarin iemand voorkwam die aan zo’n wedstrijd meedeed of met een kooi over straat liep. En moest denken aan een examinator van een HBO opleiding waar ik examen deed en blijkbaar op een vraag van haar alleen iets met muziek kon ophoesten, wat me op een reprimande kwam te staan. Ten onrechte, vond ik toen. Maar nu? Ik was nog niet veel verder gekomen. Misschien kon ik alleen nog het Puttertje van Fabritius in het Mauritshuis eraan toevoegen.

    Maar eerlijk is eerlijk: ik kan ook op de proppen komen met de Jozefromans (Jozef en zijn broers) van Thomas Mann. Een beetje erg Europees moet ik toegeven na de laatste aflevering van Made in Europe van Dimitri Verhulst, waarin ook uitgebreid op De toverberg was ingegaan. Maar het kon minder. Mann beschrijft ergens een scène in het paleis van de farao van Egypte. Hij heeft een instrument op schoot, dat Mann binnen één alinea achtereenvolgens een luitenspel, een luit en een lier noemt. Het lijkt of hem eenzelfde soort verwarring was overvallen als de mijnheer met de boodschappentas.

    Bij nader inzien denk ik – met dank aan mijn ervaring in het bushokje – dat er iets anders aan de hand was. Wat Mann wilde uitdrukken, zo midden in de Tweede Wereldoorlog met zijn raszuiverheid – toen hij het laatste deel van zijn romancyclus schreef – is een voorbeeld van eenzelfde soort acculturatie als in een Amsterdamse buitenwijk. Een verrijkende ervaring, temeer daar hij het schriftteken voor luit (het Egyptische nofert) vertaalt met ‘gratie’ en ‘goedheid.’ Het instrument – later een lier genoemd – was meegenomen door een zeevaarder uit Kreta. En zo komt de aap uit de mouw: niets zuiverheid, maar onderlinge beïnvloeding en acculturatie! Zou Mann dát er niet mee hebben willen zeggen?

    Ik moest denken – met excuus aan mijn oud-examinator – aan de lier op de nok van het Amsterdamse Concertgebouw, door veel mensen ‘harp’ gedoopt. ‘De lier op het dak: een musisch baken in het geliefde stadsbeeld’, staat er in een prentenboek voor donateurs van het (nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest uit 1964. En: ‘Onder dit dak creëren mensen schoonheid in klanken ter genieting door andere mensen.’ Zoiets als het Pietje in een kooitje op straat en de lier op schoot van de farao. In donkere tijden, toen en nu. Ter lering en vermaak.

     

     

  • Service van de zaak

    ‘Een ander gaat naar een concert, wij hebben dit’, zei kortgeleden een vliegtuigspotter toen de Joint Strike Fighter (F-35)  vliegbasis Leeuwarden aandeed. Er was een tijd dat ik concerten recenseerde voor een regionaal Fries dagblad en beide deed: een optreden van de Kapel van de Koninklijke Luchtmacht op de vliegbasis verslaan én eersterangs zicht hebben op een F-16. Om beide had ik niet direct gevraagd.

    Bij de poort van de vliegbasis moest ik mij legitimeren. Anders dan Tonio Kröger, die in de gelijknamige novelle van Thomas Mann op een gegeven moment niets bij zich had om zich te legitimeren, had ik erop gerekend. En anders dan in het verhaal van Mann, volstond hier geen typoscript met mijn naam erop. Want uiteindelijk zijn en blijven ook muziekjournalisten journalisten, en daar moet je mee oppassen!

    Mijn auto, en even later die van een wat oudere collega-recensent van een andere krant, werd naar een platform achter de hangar van een F-16 gedirigeerd. Er stond er maar een. In de pauze zagen we dat er bewaking bij onze auto’s stond. Of was dat verbeelding, en was het voor die F-16? In ieder geval werden we tijdens de pauze geschaduwd, daar was geen verbeelding voor nodig. Dit maakte mijn collega en diens vrouw hoe langer hoe zenuwachtiger, en ze meenden dat het beter was om in elkaars buurt te blijven.

    Aan het eind van het concert werden we weer onder escorte naar buiten geleid. Ik stapte in en zag achter me de koplampen van een ‘volgauto’ oplichten. Toen ik bij de slagbomen was aangekomen, stroomde inmiddels de volle parkeerplaats leeg. Deze auto’s hadden allemaal voorrang op mij en ik bezat mijn ziel in lijdzaamheid, hoewel er thuis een schrijfklus op me wachtte. Mijn collega-recensent en zijn vrouw was ik inmiddels uit het oog verloren.

    Op een gegeven moment schoot de auto die mij op gepaste afstand volgde mij links voorbij. Een politieman stapte uit, hield alle langzaam, in colonne rijdende auto’s tegen, en gebaarde mij op te trekken en in te voegen. Wat bij Mann aan het begin van zijn ontmoeting met een politieman gebeurde (hij beschreef zijn vriendelijke, eerlijke gezicht), gebeurde bij mij aan het eind van een avond vol vooroordelen en oordelen: voor even was de politie mijn dikste vriend.

    Ik moest er weer aan denken toen ik onlangs las wat de woordvoerder van een groot congres van Jehova’s getuigen in Utrecht antwoordde op de vraag van een journalist, waarom hij niet onbegeleid rond had mogen lopen: ‘Dat is service.’

     

     

  • Thomas Mann lezing 17 maart 'Humor en Ironie bij Thomas Mann'

    Agenda

    Tijdens de eerste salon in 2013 van Hans Spit nodigt u uit, houdt Tom Dommisse voor de elfde keer zijn traditionele Thomas Mann lezing. De lezingen die Tom Dommisse over het allesomvattende werk van een van de grote schrijvers van de 20e eeuw, Thomas Mann hield, waren destijds een initiatief van Boekhandel Buddenbrooks.

    Zo’n vier keer per jaar staat de oude zaal van Van Stockum open voor de salon van Hans Spit. De salon is een traditie die stamt uit de tijd dat Spit verkoper was in Boekhandel Buddenbrooks  aan het Noordeinde in Den Haag. Een boekhandel  waar je bijzondere titels kon vinden en een ‘praathuis’ voor schrijvers en literatuurliefhebbers was maar het in de economische crisis, zoals velen, niet meer redde.

    Hans Spit is echter doorgegaan met de goedbezochte salons die nu in de veilingzaal van Van Stockum aan de Prinsegracht in Den Haag plaatsvinden.
    Het afgelopen jaar traden Gerard Koolschijn, Diederik Stevens en Matthijs de Ridder op in de Salon en hielden diverse sprekers een korte lezing over de dichter Lucebert.

    Lezing: Humor en Ironie bij Thomas Mann
    zondag 17 maart,
    Van Stockum,
    aanvang 15.00 uur
    Entree € 7.50
    Veilinghuis van Stockum ( Prinsegracht 15, Den Haag )

    Graag reserveren via spit.hans@gmail.com of redactie@extaze.nl
    T 0681309892